Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2013, 558Wet

Wet van 4 december 2013 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de versterking van de kwaliteitswaarborgen voor het hoger onderwijs en wijziging van verschillende onderwijswetten in verband met de introductie onderscheidenlijk verbreding van een aanwijzingsbevoegdheid voor de minister en in verband met aanpassingen in de regelgeving betreffende het basisregister onderwijs en het persoonsgebonden nummer (Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat uit onderzoek is gebleken dat het noodzakelijk is de kwaliteit van het hoger onderwijs beter te waarborgen en dat er behoefte bestaat aan uitbreiding van de bestaande handhavingsinstrumenten in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs met een aanwijzingsbevoegdheid voor Onze Minister;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen r tot en met t1 tot p tot en met s wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

t. visitatiegroep:

opleidingen die onderwijsinhoudelijk met elkaar overeenkomen;.

2. Na onderdeel x1 wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

x2. basisregister onderwijs:

basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht;.

B

Artikel 1.18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin van het derde lid wordt de zinsnede «dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen,» vervangen door: dat in samenwerking met andere instellingen binnen een visitatiegroep,.

2. Het vierde lid vervalt.

C

Artikel 5a.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin van het eerste lid wordt na «van dit hoofdstuk» ingevoegd: en overige hem bij of krachtens de wet opgedragen taken.

2. In de eerste volzin van het tweede lid wordt na «toets nieuwe opleiding» ingevoegd: , de toets nieuw Ad-programma.

3. In het tweede lid wordt in de tweede volzin «met een door het instellingsbestuur» vervangen door: met een door de instellingsbesturen binnen een visitatiegroep gezamenlijk.

4. In het tweede lid wordt na de tweede volzin een nieuwe volzin ingevoegd, luidende: Indien het instellingsbestuur er niet in slaagt in samenwerking met andere instellingen binnen een visitatiegroep een commissie van deskundigen samen te stellen, doet het accreditatieorgaan een bindende voordracht voor de samenstelling van de commissie.

5. Na het derde lid wordt een lid 3a ingevoegd, luidende:

  • 3a. Het accreditatieorgaan deelt de opleidingen die door de instellingen worden verzorgd in visitatiegroepen in, nadat de betreffende instellingsbesturen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen.

D

In artikel 5a.2a, eerste lid, wordt na «instellingstoets kwaliteitszorg» ingevoegd: , de samenstelling van een visitatiegroep.

E

Artikel 5a.8 wordt als volgt gewijzigd:

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel c vervalt de zinsnede «alsmede de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten,».

b. Onder verlettering van de onderdelen d tot en met f tot de onderdelen e tot en met g wordt een nieuw onderdeel d ingevoegd dat luidt:

  • d. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten,.

3. Na het tweede lid wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De beoordeling van de aanvraag om accreditatie verricht het accreditatieorgaan gezamenlijk en in dezelfde periode voor alle opleidingen die tot een visitatiegroep behoren en waarvoor de termijn van een verleende accreditatie binnen één jaar verstrijkt of waarvoor een besluit toets nieuwe opleiding binnen één jaar vervalt.

F

Artikel 5a.9 komt te luiden:

Artikel 5a.9

  • 1. Accreditatie wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur.

  • 2. Een aanvraag om accreditatie wordt voor een door het accreditatieorgaan te bepalen datum bij het accreditatieorgaan ingediend. De datum kan per visitatiegroep verschillen.

  • 3. Het besluit tot het verlenen van accreditatie wordt gebaseerd op de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid.

  • 4. Het accreditatieorgaan neemt binnen drie maanden na de uiterste aanvraagdatum een besluit op de aanvraag. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop het besluit is genomen.

  • 5. Het accreditatieorgaan verleent geen accreditatie indien een van de criteria, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, onder c en d, door hem als onvoldoende is beoordeeld.

  • 6. Indien het accreditatieorgaan besluit dat geen accreditatie wordt verleend omdat bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, door de onafhankelijke deskundigen artikel 1.18, derde lid, vierde volzin, niet in acht is genomen, treedt, in afwijking van het vierde lid, dat besluit in werking met ingang van de dag van bekendmaking daarvan en kan binnen een jaar na die bekendmaking, een nieuwe aanvraag om accreditatie worden ingediend. In afwijking van het zevende lid, is de periode van de accreditatie alsdan verlengd tot het moment dat, onder de voorwaarden van het achtste lid, op de aanvraag om accreditatie is beslist.

  • 7. Het besluit tot het verlenen van accreditatie vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het besluit.

  • 8. Indien een instellingsbestuur voor de datum, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om accreditatie heeft ingediend, is, in afwijking van het zevende lid, de periode van de accreditatie verlengd tot het moment dat op de aanvraag om accreditatie is beslist indien het accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het zevende lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de periode van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar het accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het zevende lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de periode van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar.

  • 9. De instelling is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de aanvraag om accreditatie en visitatie waaronder begrepen de kosten van de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5a.2, tweede lid, overeenkomstig een door Onze Minister, na overleg met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.

  • 10. In afwijking van het zevende lid kan Onze Minister de termijn van accreditatie verlengen met maximaal twee jaar ten behoeve van de gelijktijdige beoordeling van de visitatiegroep.

G

Artikel 5a.10a wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde lid tot het vijfde lid worden na het tweede lid twee nieuwe leden ingevoegd, luidende:

  • 3. Indien de toets nieuwe opleiding is aangevraagd voor een opleiding waaraan op het moment van de aanvraag al feitelijk onderwijs wordt verzorgd, worden in plaats van de in het tweede lid onder a en c genoemde aspecten beoordeeld:

    • a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, en

    • b. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

  • 4. Indien de toets nieuwe opleiding is aangevraagd voor een opleiding waaraan op het moment van de aanvraag nog geen feitelijk onderwijs wordt verzorgd en de opleiding wordt verzorgd door een instelling die niet beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg of een instellingstoets kwaliteitszorg onder voorwaarden, worden drie jaar nadat de toets nieuwe opleiding is verleend, de volgende aspecten van kwaliteit beoordeeld:

    • a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, en

    • b. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

2. Aan het slot van het nieuwe vijfde lid vervalt de zinsnede «, en op grond van artikel 5a.9, derde lid».

H

Artikel 5a.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt na «voor de opleiding passend is» ingevoegd: en tot welke visitatiegroep de opleiding wordt gerekend.

1a. De derde volzin van het vierde lid komt als volgt te luiden: Indien binnen ten hoogste twee jaar naar het oordeel van het accreditatieorgaan niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, verliest de opleiding de toets nieuwe opleiding met ingang van de dag waarop het accreditatieorgaan dat oordeel in een besluit heeft vastgelegd.

2. In onderdeel b van het zesde lid vervalt: in afwijking van onderdeel a,.

3. Onder vernummering van het zevende en achtste lid tot het achtste en negende lid, wordt een nieuw zevende lid ingevoegd dat luidt als volgt:

  • 7. De toets nieuwe opleiding vervalt eveneens als de beoordeling, bedoeld in artikel 5a.10a, vierde lid, van een of beide aspecten in dat lid genoemd onder a en b, onvoldoende is, tenzij het accreditatieorgaan besluit een herstelperiode toe te kennen als bedoeld in artikel 5a.12a. De herstelperiode bedraagt in dat geval ten hoogste een jaar. Artikel 5a.12a is voor het overige van overeenkomstige toepassing.

4. In het nieuwe negende lid vervalt de zinsnede «, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin,».

5. Na het nieuwe negende lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 10. Onze Minister kan de termijn van het besluit toets nieuwe opleidingen met maximaal twee jaar verlengen in verband met de gelijktijdige beoordeling van de visitatiegroep.

I

Artikel 5a.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid komt als volgt te luiden:

  • 4. Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter hoogte van 500 euro voor iedere dag dat het instellingsbestuur de termijn van zes weken, genoemd in het eerste lid, derde volzin, overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van 50.000 euro.

2. In het vijfde lid wordt de zinsnede «waaraan binnen de termijn, genoemd in artikel 5a.11, zesde lid, of artikel 5a.12a, eerste lid,» vervangen door: aansluitend.

J

Artikel 5a.13d wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Het accreditatieorgaan legt zijn oordeel vast in een rapport dat in ieder geval het besluit op de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg bevat. Het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 5a.10 is van overeenkomstige toepassing.

2. In de tweede volzin van het zesde lid wordt «een jaar» telkens vervangen door: twee jaar.

K

Artikel 5a.13e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt «een jaar» vervangen door: twee jaar.

2. In het vijfde lid komt de zinsnede «artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen d tot en met f, of artikel 5a.10, tweede lid,» te luiden: artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen e tot en met g, of artikel 5a.10a, tweede lid,.

3. In het zevende lid wordt «binnen een jaar» vervangen door: binnen twee jaar.

L

Artikel 5a.13f wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. Aan het slot van onderdeel b vervalt het woord «en».

b. Onderdeel c wordt gewijzigd als volgt:

1. Na «gangbaar is,» wordt ingevoegd: en.

2. De zinsnede: «alsmede de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.» vervalt.

c. Na onderdeel c wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

2. In het tweede lid wordt «5a.8, eerste lid,» vervangen door: 5a.8, tweede lid,.

M

In het tweede lid van artikel 5a.13g wordt «5a.10a, eerste lid,» vervangen door: 5a.10a, tweede lid,.

N

In artikel 6.13, vierde lid, onderdeel m, wordt «artikel 5a.12, vierde volzin, onderdeel b» vervangen door: artikel 5a.12, eerste lid, vierde volzin, onder b,.

O

Aan artikel 7.3 wordt na het vierde lid een vijfde lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het examen, bedoeld in het derde lid, dat met goed gevolg is afgelegd en de met het oog daarop vervaardigde werkstukken worden door het instellingsbestuur gedurende een periode van ten minste zeven jaar bewaard.

P

Artikel 7.12a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de tweede volzin.

2. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt een nieuw derde lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Bij de benoeming van de leden van de examencommissie draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat:

    • a. ten minste één lid als docent verbonden is aan de desbetreffende opleiding of aan een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort;

    • b. ten minste één lid afkomstig is van buiten de desbetreffende opleiding of een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort;

    • c. leden van het instellingsbestuur of personen die anderszins financiële verantwoordelijkheid dragen binnen de instelling niet worden benoemd.

Q

In onderdeel v, van het tweede lid van artikel 7.13, vervalt «, en». Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel w door «, en» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • x. de feitelijke vormgeving van het onderwijs.

Q1

In artikel 7.45a, eerste lid, onderdeel a, wordt «het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.52,» vervangen door: het basisregister onderwijs.

Q2

Onder vernummering van artikel 7.52a in paragraaf 4 van titel 3 van hoofdstuk 7 tot artikel 7.52c komt paragraaf 3 van titel 3 van hoofdstuk 7 te luiden:

Paragraaf 3. Gebruik van persoonsgebonden nummer

Artikel 7.52. Gebruik van persoonsgebonden nummer door instellingsbestuur
  • 1. Het instellingsbestuur kan het persoonsgebonden nummer van een student of extraneus gebruiken in het verkeer met de student of extraneus op wie het nummer betrekking heeft.

  • 2. Het instellingsbestuur verstrekt het persoonsgebonden nummer van iedere student en extraneus aan Onze Minister, tezamen met de volgende gegevens van de student of extraneus:

    • a. de geslachtsnaam, voornamen, het geslacht en de geboortedatum van de student of extraneus en de postcode van diens woonplaats;

    • b. de vooropleiding;

    • c. de inschrijvingsvorm;

    • d. de opleidingsvorm;

    • e. de opleiding of opleidingen dan wel voor zover het de Open Universiteit betreft de onderwijseenheid of onderwijseenheden waarvoor de student of extraneus is ingeschreven;

    • f. de opleidingsfase;

    • g. het jaar, de maand en de dag van inschrijving;

    • h. het jaar, de maand en de dag van beëindiging van de inschrijving en de reden van de beëindiging van de inschrijving;

    • i. het al dan niet vrijgesteld zijn van het betalen van collegegeld op grond van artikel 7.48, tweede lid;

    • j. het jaar, de maand en de dag van het afsluitend examen van een bacheloropleiding en, indien van toepassing, van het afsluitend examen van een masteropleiding, een opleiding als bedoeld in artikel 18.15, of een Ad-programma; en

    • k. het registratienummer van de instelling.

  • 3. Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in het tweede en vijfde lid, en kan worden bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en vijfde lid, niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Het instellingsbestuur kan het persoonsgebonden nummer van een student of extraneus, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in het tweede en vijfde lid, gebruiken in het verkeer met Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de instelling.

  • 5. Indien de gegevens over de nationaliteit, waaronder begrepen gegevens waaruit blijkt of de student op grond van artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 met een Nederlander gelijkgesteld wordt, niet zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie personen, worden deze gegevens door het instellingsbestuur verstrekt aan Onze Minister.

  • 6. Het instellingsbestuur gebruikt het persoonsgebonden nummer van een student of extraneus in het verkeer met een andere instelling of een instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die student of extraneus.

  • 7. Het instellingsbestuur gebruikt het persoonsgebonden nummer van een student aan een opleiding in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds.

  • 8. Het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een student of extraneus ter uitvoering van artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan ter nakoming van verplichtingen als referent in de zin van artikel 1 van die wet.

Artikel 7.52a. Verwerking van gegevens door Onze Minister
  • 1. Onze Minister neemt de door het instellingsbestuur verstrekte persoonsgebonden nummers en andere gegevens, bedoeld in artikel 7.52, tweede en vijfde lid, op in het basisregister onderwijs, nadat hij deze gegevens heeft getoetst op juistheid en volledigheid. Onze Minister verstrekt de gegevens met inbegrip van de gegevens, bedoeld in artikel 24c, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op het onderwijstoezicht, zoals hij voornemens is die gegevens in het basisregister onderwijs op te nemen, aan het instellingsbestuur. Onverminderd artikel 7.52b, tweede lid, kan Onze Minister de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens uitsluitend met instemming van het instellingsbestuur wijzigen.

  • 2. Het instellingsbestuur verstrekt Onze Minister alle inlichtingen die hij nodig acht voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid. Het instellingsbestuur werkt eraan mee dat de in het basisregister onderwijs opgenomen gegevens juist en volledig zijn.

  • 3. Indien Onze Minister naar aanleiding van de toetsing, bedoeld in het eerste lid, redenen heeft om aan te nemen dat het instellingsbestuur in strijd handelt of heeft gehandeld met het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan hij de inspectie een onderzoek doen instellen. Onze Minister verstrekt ten behoeve van dit onderzoek de persoonsgebonden nummers en andere gegevens van studenten en extraneï aan de inspectie. De inspectie meldt de uitkomst van het onderzoek aan Onze Minister. Indien de inspectie constateert dat het instellingsbestuur in strijd handelt of heeft gehandeld met het bepaalde bij of krachtens deze wet, meldt zij de uitkomst van het onderzoek aan Onze Minister, tezamen met de voor die uitkomst relevante gegevens die aan de inspectie werden verstrekt.

  • 4. Onze Minister en de inspectie verstrekken ter uitvoering van artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 geen gegevens die zij op grond van het derde lid hebben ontvangen, tenzij deze gegevens noodzakelijk zijn voor nakoming van verplichtingen als referent in de zin van die wet dan wel voor het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot referenten in de zin van die wet.

Artikel 7.52b. Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister en inspectie
  • 1. Gegevens uit het basisregister onderwijs kunnen worden gebruikt door:

    • a. Onze Minister voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de planning en bekostiging van de instellingen en de begrotings- en beleidsvoorbereiding;

    • b. de inspectie voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van het toezicht op het hoger onderwijs.

  • 2. Voor zover de door het instellingsbestuur op grond van artikel 7.52 verstrekte gegevens naar het oordeel van Onze Minister onjuist of onvolledig zijn, kan Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van deze gegevens afwijken, in welk geval de door Onze Minister vastgestelde gewijzigde gegevens worden opgenomen in het basisregister onderwijs, nadat het desbetreffende besluit tot vaststelling van de bekostiging onherroepelijk is geworden.

  • 3. Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, ziet uitsluitend op gegevens die niet herleid of herleidbaar zijn tot individuele studenten of extraneï, onverminderd artikel 7.52a, derde lid.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering van het eerste en derde lid, in ieder geval omtrent de inhoud en de samenstelling van de desbetreffende gegevens, de wijze waarop de gegevens uit het basisregister onderwijs worden verstrekt, de tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt en de perioden waarop de gegevens betrekking hebben.

  • 5. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister in het verkeer met het instellingsbestuur ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging het persoonsgebonden nummer gebruiken. In afwijking van het vierde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke overige gegevens uit het basisregister onderwijs tezamen met het persoonsgebonden nummer hiervoor kunnen worden gebruikt.

R

Na artikel 9.9 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9.9a. Aanwijzing

  • 1. Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze Minister de raad van toezicht een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.

  • 2. Onder wanbeheer wordt verstaan:

    • a. financieel wanbeleid;

    • b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met artikel 1.18, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de instelling en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van wetenschappelijk onderwijs in gevaar komt;.

    • c. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde;

    • d. onrechtmatig handelen waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde, en

    • e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.

  • 3. In de aanwijzing geeft Onze Minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.

  • 4. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de raad van toezicht aan de aanwijzing moet voldoen.

  • 5. Voordat Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:

    • a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;

    • b. heeft de inspectie daarover een rapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en

    • c. stelt Onze Minister de raad van toezicht gedurende vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing naar voren te brengen.

  • 6. Indien het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid, onder a, mede de kwaliteit van het onderwijs omvat, betrekt de inspectie het accreditatieorgaan bij haar onderzoek.

S

In het tweede lid van artikel 9.51 wordt de zesde volzin vervangen door: In dat geval zijn de artikelen 9.8 tot en met 9.9a van overeenkomstige toepassing.

T

Na artikel 10.3d wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10.3e. Aanwijzing

  • 1. Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze Minister de raad van toezicht een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.

  • 2. Onder wanbeheer wordt verstaan:

    • a. financieel wanbeleid;

    • b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met artikel 1.18, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de instelling en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van hoger beroepsonderwijs in gevaar komt;

    • c. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde;

    • d. onrechtmatig handelen waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde, en

    • e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.

  • 3. In de aanwijzing geeft Onze Minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.

  • 4. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de raad van toezicht aan de aanwijzing moet voldoen.

  • 5. Voordat Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:

    • a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;

    • b. heeft de inspectie daarover een rapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en

    • c. stelt Onze Minister de raad van toezicht vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing naar voren te brengen.

  • 6. Indien het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid, onder a, mede de kwaliteit van het onderwijs omvat, betrekt de inspectie het accreditatieorgaan bij haar onderzoek.

  • 7. Indien de hogeschool een functionele scheiding als bedoeld in artikel 10.3d, zevende lid, heeft aangebracht, zijn het eerste tot en met het zesde lid van overeenkomstige toepassing.

U

Na artikel 11.7 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 11.7a. Aanwijzing

  • 1. Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze Minister de raad van toezicht een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.

  • 2. Onder wanbeheer wordt verstaan:

    • a. financieel wanbeleid;

    • b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met artikel 1.18, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de instelling en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van hoger beroepsonderwijs dan wel het wetenschappelijk onderwijs in gevaar komt;.

    • c. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde;

    • d. onrechtmatig handelen waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde, en

    • e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.

  • 3. In de aanwijzing geeft Onze Minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.

  • 4. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de raad van toezicht aan de aanwijzing moet voldoen.

  • 5. Voordat Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:

    • a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;

    • b. heeft de inspectie daarover een rapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en

    • c. stelt Onze Minister de raad van toezicht vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing naar voren te brengen.

  • 6. Indien het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid, onder a, mede de kwaliteit van het onderwijs omvat, betrekt de inspectie het accreditatieorgaan bij haar onderzoek.

V

In artikel 15.1, eerste lid, wordt na «bij of krachtens deze wet» een zinsnede ingevoegd, luidende: dan wel indien de raad van toezicht een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.9a, 9.51, tweede lid, zesde volzin, 10.3e onderscheidenlijk 11.7a of het bestuur een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.51, achtste lid, niet opvolgt.

W

Na artikel 18.32a worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 18.32 ab. Overgangsrecht bevoegdheden Minister voor opleidingen waarbij de vervaldatum van het accreditatiebesluit bepaald is

Onze Minister kan besluiten de vervaldatum van het besluit tot verlening van accreditatie eenmalig te wijzigen.

Artikel 18.32 ac. Overgangsrecht bevoegdheden Minister voor opleidingen waarbij de vervaldatum van tno bepaald is

Onze Minister kan besluiten de vervaldatum van het besluit tot verlening van de toets nieuwe opleiding eenmalig te wijzigen.

X

In de bijlage, onderdeel g, wordt tussen «Hogeschool Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool Rotterdam;» en «Hogeschool Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Utrecht;» ingevoegd: Hogeschool Thomas More, uitgaande van de Stichting Thomas More Hogeschool.

Y

Artikel 18.62 wordt als volgt gewijzigd:

1. «De Informatie Beheer Groep» wordt telkens vervangen door «Onze Minister».

2. In de eerste volzin vervalt «, zoals luidend na de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel D, van de Wet van 6 december 2001 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs (Stb. 2001, 681)».

3. In de tweede volzin vervalt «als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel v, zoals luidend na de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de in de vorige volzin genoemde wet».

ARTIKEL II

De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

0A

Artikel 2.3.6c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt na «beleidsvoorbereiding» ingevoegd: en voor zover het betreft opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, de bekostiging van instellingen.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Voor zover de door het bevoegd gezag op grond van artikel 2.3.6a verstrekte gegevens naar het oordeel van Onze Minister onjuist of onvolledig zijn, kan Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs van deze gegevens afwijken, in welk geval de door Onze Minister vastgestelde gewijzigde gegevens worden opgenomen in het basisregister onderwijs, nadat het desbetreffende besluit tot vaststelling van de bekostiging onherroepelijk is geworden.

3. In het vierde lid wordt «tweede lid» vervangen door: derde lid.

4. Na het vierde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister, voor zover het betreft opleidingen voortgezet algemeen volwassenen onderwijs, in het verkeer met het bevoegd gezag ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging het persoonsgebonden nummer gebruiken. In afwijking van het vierde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke overige gegevens uit het basisregister onderwijs tezamen met het persoonsgebonden nummer hiervoor kunnen worden gebruikt.

1A

Artikel 2.5.5c, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister in het verkeer met het bevoegd gezag ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging het persoonsgebonden nummer gebruiken. In afwijking van het vierde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke overige gegevens uit het basisregister onderwijs tezamen met het persoonsgebonden nummer hiervoor kunnen worden gebruikt.

A

Na artikel 9.1.4 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9.1.4a. Aanwijzing

  • 1. Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze Minister de raad van toezicht een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.

  • 2. Onder wanbeheer wordt verstaan:

    • a. financieel wanbeleid;

    • b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met de artikelen 1.3.6 en 1.3.6a, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de instelling en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van beroepsonderwijs en educatie in gevaar komt;.

    • c. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde;

    • d. onrechtmatig handelen waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde, en

    • e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.

  • 3. In de aanwijzing geeft Onze Minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.

  • 4. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de raad van toezicht aan de aanwijzing moet voldoen.

  • 5. Voordat Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:

    • a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;

    • b. heeft de inspectie daarover een rapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en

    • c. stelt Onze Minister de raad van toezicht vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing naar voren te brengen.

B

De tweede volzin van artikel 9.1.8 komt te luiden: De artikelen 9.1.4, tweede tot en met vijfde lid, 9.1.4a en 9.1.7 zijn van overeenkomstige toepassing.

C

In artikel 11.1, eerste lid, wordt na «bij of krachtens deze wet» een zinsnede ingevoegd, luidende: dan wel indien de raad van toezicht een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.1.4a niet opvolgt.

ARTIKEL IIA WIJZIGING VAN DE WET OP HET PRIMAIR ONDERWIJS

A

Artikel 163b van de Wet op het primair onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen b tot en met d tot de onderdelen c tot en met e wordt in het tweede lid een nieuw onderdeel b ingevoegd, luidende:

  • b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met artikel 10, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de school en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van primair onderwijs in gevaar komt,.

2. In onderdeel d (nieuw) van het tweede lid vervalt de zinsnede «of de kennelijke geest van wettelijke bepalingen».

B

Artikel 178c, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs komt te luiden:

  • 5. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister in het verkeer met het bevoegd gezag ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging het persoonsgebonden nummer gebruiken. In afwijking van het vierde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke overige gegevens uit het basisregister onderwijs tezamen met het persoonsgebonden nummer hiervoor kunnen worden gebruikt.

ARTIKEL IIB WIJZIGING VAN DE WET OP DE EXPERTISECENTRA

A

Artikel 145 in titel IV, afdeling 8, van de Wet op de expertisecentra wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen b tot en met d tot de onderdelen c tot en met e wordt in het tweede lid een nieuw onderdeel b ingevoegd, luidende:

  • b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met artikel 19, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de school en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in gevaar komt;.

2. In onderdeel d (nieuw) van het tweede lid vervalt de zinsnede «of de kennelijke geest van wettelijke bepalingen».

B

Artikel 164c, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra komt te luiden:

  • 5. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister in het verkeer met het bevoegd gezag ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging het persoonsgebonden nummer gebruiken. In afwijking van het vierde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke overige gegevens uit het basisregister onderwijs tezamen met het persoonsgebonden nummer hiervoor kunnen worden gebruikt.

ARTIKEL IIC WIJZIGING VAN DE WET PRIMAIR ONDERWIJS BES

A

Artikel 128 van de Wet primair onderwijs BES wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen b tot en met d tot de onderdelen c tot en met e wordt in het tweede lid een nieuw onderdeel b ingevoegd, luidende:

  • b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met artikel 13, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de school en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van primair onderwijs in gevaar komt,.

2. In onderdeel d (nieuw) van het tweede lid vervalt de zinsnede «of de kennelijke geest van wettelijke bepalingen».

B

Artikel 149, vijfde lid, van de Wet primair onderwijs BES komt te luiden:

  • 5. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister in het verkeer met het bevoegd gezag ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging het persoonsgebonden nummer gebruiken. In afwijking van het vierde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke overige gegevens uit het basisregister onderwijs tezamen met het persoonsgebonden nummer hiervoor kunnen worden gebruikt.

ARTIKEL IID WIJZIGING VAN DE WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS

A

Artikel 103d, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs komt te luiden:

  • 5. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister in het verkeer met het bevoegd gezag ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging het persoonsgebonden nummer gebruiken. In afwijking van het vierde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke overige gegevens uit het basisregister onderwijs tezamen met het persoonsgebonden nummer hiervoor kunnen worden gebruikt.

B

Artikel 103g van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen b tot en met d tot de onderdelen c tot en met e wordt in het tweede lid een nieuw onderdeel b ingevoegd, luidende:

  • b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met artikel 23a, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de school en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van voortgezet onderwijs in gevaar komt;.

2. In onderdeel d (nieuw) van het tweede lid vervalt de zinsnede «of de kennelijke geest van wettelijke bepalingen».

ARTIKEL IIE WIJZIGING VAN DE WET VOORTGEZET ONDERWIJS BES

A

Artikel 181, vijfde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES komt te luiden:

  • 5. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister in het verkeer met het bevoegd gezag ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging het persoonsgebonden nummer gebruiken. In afwijking van het vierde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke overige gegevens uit het basisregister onderwijs tezamen met het persoonsgebonden nummer hiervoor kunnen worden gebruikt.

B

Artikel 183 van de Wet voortgezet onderwijs BES wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen b tot en met d tot de onderdelen c tot en met e wordt in het tweede lid een nieuw onderdeel b ingevoegd, luidende:

  • b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met artikel 47, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de school en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van voortgezet onderwijs in gevaar komt,.

2. In onderdeel d (nieuw) van het tweede lid vervalt de zinsnede «of de kennelijke geest van wettelijke bepalingen».

ARTIKEL IIF WIJZIGING VAN DE WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS BES

A

Artikel 2.3.6, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES komt te luiden:

  • 5. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister in het verkeer met het bevoegd gezag ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging het persoonsgebonden nummer gebruiken. In afwijking van het vierde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke overige gegevens uit het basisregister onderwijs tezamen met het persoonsgebonden nummer hiervoor kunnen worden gebruikt.

B

Artikel 10.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen b en c tot de onderdelen c en d wordt in het derde lid een nieuw onderdeel b ingevoegd, luidende:

  • b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met artikel 1.3.2, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de instelling en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van beroepsonderwijs en educatie in gevaar komt,.

2. In onderdeel d (nieuw) van het derde lid vervalt de zinsnede «of de kennelijke geest van wettelijke bepalingen».

ARTIKEL III

De Wet op het onderwijstoezicht wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt onder verlettering van de onderdelen h tot en met m tot de onderdelen i tot en met n na onderdeel g een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

h. instelling voor hoger onderwijs:

een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,.

B

Artikel 3, tweede lid, onderdeel c, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «artikel 1.1, onderdelen s en t,» wordt vervangen door: artikel 1.1, onderdelen q, r en s,.

2. Na «wetenschappelijk onderzoek» wordt ingevoegd: en het onderzoeken van de kwaliteit van het onderwijs aan een instelling voor hoger onderwijs anders dan ten behoeve van de accreditatie in het hoger onderwijs, bedoeld in hoofdstuk 5a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,.

C

In artikel 4, derde lid, vervalt de zinsnede: , met uitzondering van het hoger onderwijs,.

D

Artikel 10, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De artikelen 11, 12 en 15 zijn niet van toepassing op de instellingen voor hoger onderwijs.

E

In artikel 12, eerste lid, wordt «artikel 11, eerste lid,» vervangen door: de artikelen 11 en 12a.

F

Artikel 12a komt als volgt te luiden:

Artikel 12a. Onderzoek hoger onderwijs

  • 1. Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b en d, bedoelde taken onderzoekt de inspectie met inachtneming van artikel 4 de naleving van de wettelijke voorschriften en de financiële rechtmatigheid bij instellingen voor hoger onderwijs.

  • 2. Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, bedoelde taken onderzoekt de inspectie ontwikkelingen in het stelsel van hoger onderwijs.

  • 3. Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, bedoelde taken kan de inspectie naar aanleiding van signalen van buitenaf die mogelijk kunnen leiden tot gevolgen op stelselniveau in incidentele gevallen onderzoek verrichten op aanwijzing van de Minister dan wel uit eigen beweging onder door Onze Minister te stellen voorwaarden.

  • 4. Artikel 11, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

G

In artikel 13, eerste lid, wordt «artikel 11» vervangen door: de artikelen 11 en 12a.

H

In artikel 24b, eerste lid, worden onder vervallen van het woord «en» aan het slot onderdeel c en onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel f twee onderdelen ingevoegd, luidende:

  • d. de instellingen, bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn om te beoordelen of personen die als deelnemer zijn of wensen te worden ingeschreven voor een opleiding voldoen aan de eisen die daarvoor zijn gesteld bij of krachtens artikel 8.2.1 of 8.2.2 van die wet;

  • e. de instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek gegevens te verstrekken die nodig zijn om te beoordelen of personen die als student of extraneus zijn of wensen te worden ingeschreven voor een opleiding voldoen aan de eisen die daarvoor zijn gesteld bij of krachtens artikel 7.24, eerste en tweede lid, 7.25, eerste tot en met derde lid, 7.25a, 7.28, eerste lid, 7.30, eerste lid, of 7.30a, eerste lid, van die wet; en.

I

In artikel 24c, tweede lid, onderdeel e, wordt «tweede lid» vervangen door: tweede en vijfde lid.

J

In artikel 24f wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 1a. Uit het basisregister onderwijs kunnen aan de in artikel 24b, eerste lid, onderdelen d en e, genoemde instellingen tevens de in die onderdelen bedoelde gegevens worden verstrekt.

ARTIKEL IV OVERGANGSBEPALING WHW

Tot 1 september 2015 wordt artikel 7.12a, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek als volgt gelezen:

  • 3. Bij de benoeming van de leden van de examencommissie draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat:

    • a. ten minste één lid als docent verbonden is aan de desbetreffende opleiding of aan een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort;

    • b. voor zover het een hogeschool betreft ten minste één lid afkomstig is van buiten de desbetreffende opleiding of een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort;

    • c. leden van het instellingsbestuur of personen die anderszins financiële verantwoordelijkheid dragen binnen de instelling niet worden benoemd.

ARTIKEL VA SAMENLOOPBEPALING

Indien het bij koninklijke boodschap van 3 april 2013 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet primair onderwijs BES in verband met de stichting en opheffing van openbare scholen door verzelfstandigde besturen in het primair onderwijs (Kamerstukken 33 598) tot wet is verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt in artikel IIB van deze wet de zinsnede «Artikel 145, tweede lid, in titel IV, afdeling 8,» gewijzigd in: Artikel 145a, tweede lid,.

ARTIKEL VI CITEERTITEL

Deze wet wordt aangehaald als: Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs.

ARTIKEL VII INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met dien verstande dat artikel I, onderdelen A, Q1, Q2, en Y, en artikel III, onderdelen H tot en met J, geheel of gedeeltelijk kunnen terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te Wassenaar, 4 december 2013

Willem-Alexander

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker

Uitgegeven de negentiende december 2013

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 33 472