Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2013, 276Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 29 mei 2013 houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van onderdelen van de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van diverse wetten op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om wetstechnische gebreken te herstellen, om de mogelijkheid tot afwijking van de wet bij lagere regelgeving in bepaalde gevallen te beëindigen, om uitgewerkte overgangsbepalingen te schrappen en het nog geldend overgangsrecht over te brengen naar de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra en om de naamgeving van de ministeries aan te passen (Stb. 2013, 88)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 mei 2013, nr. WJZ/508772 (10351) directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 5.7 van de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van diverse wetten op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om wetstechnische gebreken te herstellen, om de mogelijkheid tot afwijking van de wet bij lagere regelgeving in bepaalde gevallen te beëindigen, om uitgewerkte overgangsbepalingen te schrappen en het nog geldend overgangsrecht over te brengen naar de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra en om de naamgeving van de ministeries aan te passen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

Van de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van diverse wetten op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om wetstechnische gebreken te herstellen, om de mogelijkheid tot afwijking van de wet bij lagere regelgeving in bepaalde gevallen te beëindigen, om uitgewerkte overgangsbepalingen te schrappen en het nog geldend overgangsrecht over te brengen naar de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra en om de naamgeving van de ministeries aan te passen (Stb. 2013, 88) treden de volgende onderdelen in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst:

  • a. Hoofdstuk 1, met uitzondering van artikel 1.2, onderdeel G, artikel 1.3, onderdelen A, A2 en A3, artikel 1.6, onderdelen D en L, artikel 1.8;

  • b. Hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 2.3, onderdelen A en F, en artikel 2.7, onderdeel E;

  • c. Hoofdstukken 3 tot en met 5.

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 29 mei 2013

Willem-Alexander

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Uitgegeven de derde juli 2013

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Dit besluit ziet op de inwerkingtreding van onderdelen van de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van diverse wetten op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om wetstechnische gebreken te herstellen, om de mogelijkheid tot afwijking van de wet bij lagere regelgeving in bepaalde gevallen te beëindigen, om uitgewerkte overgangsbepalingen te schrappen en het nog geldend overgangsrecht over te brengen naar de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra en om de naamgeving van de ministeries aan te passen.

Er zijn een aantal bepalingen van deze wet uitgezonderd in dit besluit, zodat deze (nog) niet in werking treden. Het betreft de volgende bepalingen om de hieronder toegelichte argumenten:

Artikel 1.2, onderdeel G, en artikel 1.8 van de bovengenoemde wet bevatten bepalingen die samenhangen met de invoering van de rekentoets, geregeld in de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Deze onderdelen zullen in een ander inwerkingtredings-kb worden meegenomen met de inwerkingtreding van de bepalingen die zien op invoering van de rekentoets in het eind- en staatsexamen;

Artikel 1.3, onderdelen A, A2 en A3, kunnen pas in werking treden nadat artikel 4, 128 en 130 van de Wet op de expertisecentra eerst zijn gewijzigd door de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533);

Artikel 1.6, onderdeel D, kan pas in werking treden nadat het wetsvoorstel Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs in werking is getreden of niet wordt aangenomen. Dit wetsvoorstel wijzigt artikel 5a.9, achtste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zodanig dat de technische wijziging onbedoeld wordt teruggedraaid;

Artikel 1.6, onderdeel L, betreft een foutieve technische wijziging. Indien deze in werking treedt, zal in artikel 6.14, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek twee keer de Dienst Uitvoering Onderwijs genoemd worden. De technische wijziging dient niet in werking te treden, totdat dit is aangepast;

Artikel 2.3, onderdelen A en F, treden in werking indien de bijbehorende algemene maatregel van bestuur in het Staatsblad is gepubliceerd en in werking is getreden;

Artikel 2.7, onderdeel E, dient voor inwerkingtreding te worden aangepast voordat het in werking kan treden. In artikel 117, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES dient een constructie te worden opgenomen overeenkomstig de wijzigingen opgenomen in artikel 2.3, onderdelen A en F, waarin bij algemene maatregel van bestuur artikelen geheel of gedeeltelijk van toepassing kunnen worden verklaard.

De genoemde onderdelen treden een dag na publicatie in het Staatsblad in werking. Hiermee wordt afgeweken van de vastgelegde vaste verandermomenten, maar omdat de wet met name reparaties van wetgeving regelt die in werking dienen te treden voor de vastgestelde verandermomenten, bestaat hiervoor een rechtvaardigingsgrond (zie ook uitzondering 3 van de brief aan de Tweede Kamer van 1 februari 2007, Kamerstukken II 2006/07, 29 515, nr. 181, blz. 4).

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker