Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2011, 603AMvB

Besluit van 18 november 2011, houdende wijziging van het Binnenvaartbesluit in verband met het register, bedoeld in artikel 35a van de Binnenvaartwet (registratie ontzegging vaarbevoegdheden en invordering vaardocumenten)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 11 juli 2011, nr. IENM/BSK-2011/95906;

Gelet op de artikelen 25, tweede lid, 35a, derde lid, en 35c, eerste lid, van de Binnenvaartwet, 2, tweede lid, 9, eerste lid, en 13, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, alsmede 24, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 september 2011, nr. W14.11.0271/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 11 november 2011, nr. IenM/BSK-2011/150690;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Binnenvaartbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan het slot van paragraaf 3 van hoofdstuk 3 wordt een artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 24a

De geldigheid van het vaardocument, bedoeld in artikel 33a, is van rechtswege geschorst gedurende de periode dat het ingevolge de artikelen 35a, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet onderscheidenlijk 42, eerste lid, van de wet, is ingevorderd maar nog niet overhandigd.

B

Na hoofdstuk 4 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidend:

Hoofdstuk 4A. Registratie van ontzegde vaarbevoegdheden en van ingevorderde en ongeldig verklaarde vaardocumenten

§ 1. Het register
Artikel 33a

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

ongeldigverklaring van een vaardocument:

ongeldigverklaring als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;

ontzegging van de vaarbevoegdheid:

ontzegging als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet;

register:

register als bedoeld in artikel 35a van de Wet;

vaardocument:

document ten bewijze van de bevoegdheid om op de Nederlandse binnenwateren een schip te voeren, waaronder begrepen een daarmee vergelijkbaar document dat is afgegeven door een buitenlandse autoriteit.

Artikel 33b

In het register worden per betrokkene in samenhang en voor zover van toepassing, de volgende gegevens opgenomen:

  • a. naam, adres, woonplaats, zoals luidend ten tijde van het opnemen;

  • b. geboortedatum en burgerservicenummer;

  • c. de datum van invordering van het vaardocument, bedoeld in de artikelen 35a, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet onderscheidenlijk 42, eerste lid, van de wet;

  • d. de ingangsdatum van intrekking van de ontheffing, bedoeld in artikel 22, zesde lid, van de wet;

  • e. de ingangsdatum van ontzegging van de vaarbevoegdheid;

  • f. de ingangsdatum van ongeldigverklaring van het vaardocument, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;

  • g. de datum waarop de ontzegging van de vaarbevoegdheid zal eindigen;

  • h. de datum waarop de ongeldigverklaring van het vaardocument zal eindigen.

Artikel 33c

Onze Minister past de volgende maatregelen toe ten aanzien van het register:

  • a. de waarborg dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen niet onevenredig wordt geschaad;

  • b. het voorkomen van onnodig verzamelen en verder verwerken van persoonsgegevens;

  • c. passende technische en organisatorische maatregelen om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking als bedoeld in artikel 13 van de Wet bescherming persoonsgegevens; en

  • d. waarborgen ten aanzien van de technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de te verrichten verwerkingen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

§ 2. Informatieverstrekking aan en uit het register
Artikel 33d
  • 1. De officier van justitie, bedoeld in artikel 35a, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, meldt onverwijld aan Onze Minister, ter opneming in het register:

    • a. de invordering van een vaardocument, bedoeld in artikel 35a, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, tenzij het vaardocument inmiddels is teruggegeven;

    • b. de teruggave van een vaardocument, bedoeld in artikel 35a, derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet, waarvan de datum van invordering in het register is opgenomen.

  • 2. Onze Minister registreert onverwijld de ongeldigverklaring van een vaardocument.

Artikel 33e
  • 1. Onze Minister meldt onverwijld aan de instanties die zijn belast met de afgifte van vaardocumenten de opneming, wijziging of verwijdering van gegevens.

  • 2. Onze Minister geeft uitsluitend informatie door die de instanties behoeven om afgifte van een vaardocument te weigeren onderscheidenlijk niet langer te weigeren.

Artikel 33f

Onze Minister meldt onverwijld aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie een wijziging in het register.

Artikel 33g
  • 1. Onze Minister kan informatie uit het register verstrekken aan een ambtenaar die is aangewezen voor opsporing of toezicht als bedoeld in de artikelen 40 of 45 van de wet onderscheidenlijk 32 of 34 van de Scheepvaartverkeerswet, mits hij zich van de handhavingsbevoegdheid van die ambtenaar heeft vergewist.

  • 2. Onze Minister geeft uitsluitend informatie door die een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid nodig heeft voor de handhaving op dat moment.

Artikel 33h
  • 1. Onze Minister verstrekt informatie uit het register aan autoriteiten buiten de Europese Economische Ruimte die belast zijn met de handhaving van de vaarbewijsplicht of met de afgifte van vaardocumenten, indien zij schriftelijk hebben verklaard de verkregen informatie uitsluitend te gebruiken in het belang van de handhaving van de vaarbewijsplicht of van de afgifte van vaardocumenten.

  • 2. Op de informatieverstrekking, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 33e, tweede lid, en 33g, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33i

Informatieverstrekking uit het register of informatieverstrekking aan het register als in dit besluit bedoeld, anders dan desgevraagd of incidenteel, kan geschieden met behulp van elektronische koppeling van bestanden, mits niet méér informatie wordt verstrekt of verkregen dan nodig is voor het doel van de verstrekking of verkrijging.

§ 3. Aanpassing van de opgeslagen informatie
Artikel 33j

Onze Minister verwijdert onverwijld de gegevens van een betrokkene uit het register:

  • a. zodra betrokkene na ongeldigverklaring van zijn vaardocument opnieuw over een vaardocument beschikt;

  • b. zodra betrokkene zijn ingevorderde vaardocument terugontvangt;

  • c. op de datum waarop de ontzegging van de vaarbevoegdheid eindigt;

  • d. op de datum waarop de ongeldigverklaring van het vaardocument eindigt;

  • e. na diens overlijden, na kennisneming daarvan.

Artikel 33k

Onze Minister kan op verzoek van een instantie die vaardocumenten afgeeft of van het openbaar ministerie gegevens in het register aanvullen, verbeteren of uit het register verwijderen.

§ 4. Nadere regeling
Artikel 33l

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitwerking van dit hoofdstuk.

C

Hoofdstuk 6 vervalt.

ARTIKEL II

Het Besluit justitiële gegevens wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 4, tweede lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel r door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • s. de overtredingen, bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

B

Artikel 22, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. de daartoe bevoegde buitengewone opsporingsambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, ter zake van overtreding:

    • 1°. van artikel 2.6 van de Wet wegvervoer goederen,

    • 2°. van artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, voor zover zij deze gegevens nodig hebben voor de beoordeling van de eis van betrouwbaarheid, bedoeld in artikel 23 van het Besluit personenvervoer 2000 en artikel 2.10 van de Wet wegvervoer goederen,

    • 3°. als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet,

    • 4°. van de artikelen, genoemd in artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:2 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, of

    • 5°. van artikel 5.3.15 juncto 5.1.1, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling voertuigen.

C

Artikel 22a komt te luiden:

Artikel 22a

Justitiële gegevens van degene die in het bezit is van een chauffeurskaart als bedoeld in artikel 1, onder i, van het Besluit personenvervoer 2000, worden ambtshalve verstrekt aan Onze Minister. Onze Minister verstrekt de justitiële gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, onder f, terzake van de strafbare feiten die van belang zijn voor de beoordeling van een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur aangevraagde verklaring omtrent het gedrag, verder aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, met het oog op toepassing van artikel 82, vierde lid, van het Besluit personenvervoer 2000.

ARTIKEL III

Dit besluit en de Wet van 6 juli 2011 tot wijziging van de Scheepvaartverkeerswet en de Binnenvaartwet in verband met de invoering van de ontzegging van de vaarbevoegdheid (Stb. 2011, 382) treden in werking met ingang van 1 januari 2012.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbijbehorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 18 november 2011

Beatrix

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Uitgegeven de twintigste december 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Registratie van strafrechtelijke gegevens

Deze algemene maatregel van bestuur reguleert de registratie krachtens artikel 35b, eerste lid, van de Binnenvaartwet van met name opgeschorte vaarbevoegdheden als gevolg van een rechterlijke uitspraak of doordat het desbetreffende vaardocument voorlopig is ingenomen (artikelen 35b respectievelijk 35a van de Scheepvaartverkeerswet).

De hier gereguleerde registratie bevat strafrechtelijke gegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Deze registratie valt onder het toepassingsbereik van artikel 23, eerste lid, onderdeel e, van die wet, zoals uiteengezet in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Scheepvaartverkeerswet en de Binnenvaartwet in verband met de invoering van de ontzegging van de vaarbevoegdheid.1 Daardoor is de minister bevoegd om strafrechtelijke gegevens te verwerken.

Melding van deze registratie bij het College bescherming persoonsgegevens als bedoeld in artikel 27 van de Wet bescherming persoonsgegevens heeft plaatsgevonden.

Administratieve lasten

Dit besluit kent geen administratieve lasten voor burger of bedrijfsleven. De informatieverstrekking vindt uitsluitend plaats binnen de overheid, eventueel in mandaat uitgevoerd door derden. Voor laatstgenoemden is geen sprake van last, maar van betaalde uitvoering van hun werkzaamheden.

Bestuurslasten

Uit extrapolatie van huidige gegevens over overtreding kan worden aangenomen dat jaarlijks 50 tot ten hoogste 100 ontzeggingen van de vaarbevoegdheid zullen worden uitgesproken. Dit betekent dat de toegevoegde bestuurslasten voor het OM in verband met afhandeling en informatieverstrekking relatief gering zal zijn. Uit het register zal informatieverstrekking als bedoeld in de artikelen 33e tot en met 33h ten hoogste enige honderden malen per jaar plaatsvinden.

Voor de rechterlijke macht betekent registratie als in dit besluit opgenomen geen uitbreiding van de taak.

Voor opsporingsambtenaren en toezichthouders is sprake van een geringe taakverzwaring, samenhangend met de nu gecreëerde mogelijkheid om een register te kunnen raadplagen, welke mogelijkheid voordien nog niet bestond.

Advisering door het College bescherming persoonsgegevens

Dit besluit is in ontwerp aan het College bescherming persoonsgegevens ter advisering voorgelegd. Het College adviseerde tot aanpassing van artikel 33b, namelijk om niet de nationaliteit van een geregistreerde in het register op te nemen, alsmede tot aanvulling van de toelichting, namelijk inzake het verzoek om correctie als bedoeld in artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Het advies is overgenomen en in dit besluit verwerkt.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

Deze schorsing van rechtswege voorkomt de situatie dat een premie staat op het niet overhandigen van het vaarbewijs bij de invordering ervan. Zonder deze schorsing zou een weigeraar beter af zijn dan iemand die zijn vaarbewijs wel overhandigt en die daardoor niet meer mag varen ingevolge artikel 25, vijfde lid, onderdeel c, van de Binnenvaartwet. De schorsing van de geldigheid betekent effectuering van het verbod om zonder geldig vaarbewijs te varen als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de wet. Overigens is het niet tonen van een vaarbewijs aan een opsporingsambtenaar een overtreding van artikel 43, tweede lid, van de wet, hetgeen wordt bestraft met een bestuurlijke boete (artikel 48b van de wet) of wordt aangemerkt als strafbaar feit (artikel 49 van de wet).

Artikel I, onderdeel B

Artikel 33a

De minister kan de registratie in eigen beheer uitvoeren dan wel de uitvoering ervan aan een derde mandateren. Het mandaat en de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst bevatten de afspraken, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Slechts die gegevens worden opgeslagen over ingevorderde, ingeleverde of ongeldig verklaarde vaardocumenten die voor de handhavers van de binnenvaart- en scheepvaartverkeerswetgeving en voor de afgevers van vaardocumenten (te weten de divisie CCV van de stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR/CCV) en de Stichting Vaarbewijs- en Marifoonexamens (Vamex) van belang zijn. Ingevolge artikel 35a van de Binnenvaartwet in combinatie met de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 13 van de Wet bescherming persoonsgegevens gaat het hier om een afzonderlijk bestand, dat niet zonder meer kan worden geraadpleegd door personen uit hoofde van het enkele feit dat zij ook andere bestanden mogen inzien. Dit betekent dat de bewerker, als hij meerdere registraties in beheer heeft, zorgt voor voldoende afstand tot die andere bestanden. Organisatorische en digitale koppelingen van het register met andere bestanden is slechts toegestaan, indien dat bij of krachtens wet is geregeld, bijvoorbeeld zoals in artikel 33i is opgenomen.

Het begrip «vaardocument» is ruimer dan «vaarbewijs», de term die elders in de binnenvaartwetgeving wordt gehanteerd. Onder vaardocument wordt mede begrepen het bewijs van vrijstelling of ontheffing, bedoeld in artikel 31 van de Binnenvaartwet.

Artikel 33b
Aanhef

Het begrip «per betrokkene in samenhang» betekent dat uitsluitend op het niveau van een betrokkene de op hem van toepassing zijnde gegevens mogen zijn gekoppeld. Andere verbanden tussen gegevens in het register worden niet gelegd.

Onderdeel b

De geboortedatum is voor de politie van belang, omdat bij een bevraging altijd voorletters, achternaam en geboortedatum worden gebruikt. Voorts wordt het burgerservicenummer toegepast, omdat het belang van eenduidigheid bij het verstrekken van gegevens uit het register groot is. Zo wordt geborgd dat bij handhaving van de vaardocumentregelgeving personen die in het register zijn opgenomen, correct worden geïdentificeerd en dat personen niet ten onrechte als geregistreerd worden aangemerkt. Hier is sprake is van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, die bepaalt wanneer het burgerservicenummer mag worden toegepast.

Artikel 33c

De kern van de gegevensbescherming is gelegen in de maatregelen die de minister als houder van het register neemt om te verzekeren dat de bescherming optimaal is. Indien de minister het houderschap van het register mandateert, neemt hij de in dit artikel genoemde aangelegenheden op in een instructie als bedoeld in artikel 10:6 van de Algemene wet bestuursrecht, aan de hand waarvan de gemandateerde verantwoording aflegt aan de minister.

Bij «passende technische en organisatorische maatregelen», bedoeld in onderdeel c, kan gedacht worden aan de aanbevelingen van de Registratiekamer uit 2001.2

Paragraaf 2

Deze paragraaf regelt de gevallen waarin informatie uit het register wordt verstrekt en onder welke voorwaarden. Ook op grond van andere wetgeving kan de verplichting tot het geven van inlichtingen bestaan, bijvoorbeeld als een opsporingsambtenaar op grond van een wettelijke bevoegdheid dit verlangt (zie bijvoorbeeld artikel 1:33 van de Algemene douanewet).

Artikel 33d
Eerste lid

Dit betreft een toevoeging aan de mededelingsplicht die al in de wet wordt geregeld. Ingevolge artikel 35c, tweede lid, van de Binnenvaartwet, doet de officier van justitie mededeling van onherroepelijke ontzegging van de vaarbevoegdheid als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

Tweede lid

Het gaat hier om ongeldigverklaring wegens geestelijke of lichamelijke ongeschiktheid van de vaardocumenthouder. Ingevolge de Binnenvaartwet is de minister verantwoordelijk voor de ongeldigverklaring (artikel 30).

Artikel 33e
Eerste lid

De hier bedoelde instanties zijn CBR/CCV en VAMEX, die in mandaat namens de minister vaardocumenten afgeven.

Tweede lid

De beide instanties hoeven niet méér te weten dan dat zij aan bepaalde personen gedurende een bepaalde tijd geen vaardocument mogen afgeven. Een summiere aanduiding van de kant van het register volstaat daartoe.

Artikel 33f

Op deze wijze kan de Minister van Veiligheid en Justitie gegevens verwerken in het kader van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Daardoor kunnen, bijvoorbeeld door kennisneming van het opsporingsregister OPS, politieambtenaren onmiddellijk vaststellen of van een staande gehouden persoon de vaarbevoegdheid is ontzegd of dat zijn vaardocument is ingevorderd.

Deze gegevens zijn op die manier niet toegankelijk voor andere handhavers; laatstgenoemden krijgen hun informatie door toepassing van artikel 33g.

Artikel 33g

Wanneer op het moment van feitelijke handhaving op het water een opsporingsambtenaar of toezichthouder informatie nodig heeft over de vaarbevoegdheid van iemand die staande is gehouden, kan hem informatie uit het register worden verstrekt. Ook hier geldt dat uitsluitend de voor dat moment noodzakelijke en op het geval toegesneden informatie wordt verstrekt. Er is dan ook geen sprake van een permanente of structurele doorgifte van gegevens.

Alleen als de uitvoerder van het register zeker weet dat hij met een bevoegde handhaver van doen heeft, mag hij inlichtingen verstrekken. Hierover kunnen handhavers met de uitvoerder van het register tevoren afspraken maken. Gegevensverstrekking kan bijvoorbeeld telefonisch of digitaal geschieden, mits de fysieke en organisatorische beveiliging is gegarandeerd. Dit wordt geborgd door artikel 33c.

Artikel 33h

Anders dan bij verstrekking van informatie binnen de EER3 wordt voor verstrekking daarbuiten het oordeel van de minister van I&M vereist. Zo zal de minister moeten beoordelen of in het betrokken land een passend beschermingsniveau aanwezig is, en zo niet, of met toepassing van artikel 77 van de Wet bescherming persoonsgegevens de informatie kan worden verstrekt.

Artikel 33i

Dit artikel ziet op andere verstrekking van gegevens dan die de handhavers behoeven voor specifieke bevraging («desgevraagd en incidenteel»). Het gaat hier om de mogelijkheid dat bijvoorbeeld de verstrekkers van vaardocumenten online informatie beschikbaar hebben die het mogelijk maakt om de afgifte van een vaardocument te weigeren. Aangezien zij per dag soms honderden documenten verstrekken, is een dergelijke passieve melding voor hen werkbaarder dan het telkenmale actief moeten opvragen van informatie. De term «bestand» wordt hier gebruikt in de betekenis, bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen. Dit artikel maakt ook automatische doorgifte van informatie aan bijvoorbeeld het opsporingsregister mogelijk. Per (soort) informatieontvanger wordt vastgesteld welke gegevens worden verstrekt; dit sluit aan bij artikel 33e, tweede lid.

Artikel 33j

Het doel van het register is het informeren van handhavers en afgevers van vaardocumenten, of vaarbevoegdheid is ontzegd of een vaardocument is ingenomen. Omdat die informatie uitsluitend relevant is gedurende de periode van de invordering, ontzegging of ongeldigheid, wordt na afloop van die periode of bij overlijden van betrokkene het register geschoond, waardoor de informatie niet voor andere doeleinden bewaard blijft.

Artikel 33k

Aan dit artikel kan de minister met name toepassing geven, wanneer het register onjuistheden bevat. Van deze toepassing ontvangt op grond van de Algemene wet bestuursrecht de verzoeker bericht en op grond van artikel 34 van de Wet bescherming persoonsgegevens ook degene wiens gegevens het betreft. Ingevolge de artikelen 33e en 33f worden ook de vaardocumentverstrekkers en de Minister van Veiligheid en Justitie geïnformeerd.

Deze correctiemogelijkheid van gegevens laat onverlet het recht van betrokkene om een verzoek tot correctie te doen als bedoeld in artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Dit recht omvat verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van persoonsgegevens. Reeds op grond van artikel 35 van die wet heeft betrokkene recht op inzage, hetgeen hem de mogelijkheid biedt om na te gaan of de verwerking van de hem betreffende gegevens onrechtmatigheden bevat (transparantiebeginsel).

Overeenkomstig artikel 33c, onderdeel b, wordt ook bij aanvulling dan wel wijziging van het register het onnodig verzamelen en verder verwerken van persoonsgegevens voorkomen.

Artikel 33l

Naar verwachting zal de minister geen gebruik behoeven te maken van de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels. Voor zover de minister niet zelf de registratie houdt is, kan hij bij het verlenen van mandaat aan de uitvoerder de nodige afspraken maken. Niettemin is het denkbaar dat in de toekomst met het oog op de rechtszekerheid ook algemeen verbindende voorschriften wenselijk zouden zijn ter uitvoering van het Binnenvaartbesluit. Dit kan nodig zijn met het oog op de waarborging van de privacybescherming van betrokkenen. Ook kan het nodig zijn dat meer specifieke technische voorschriften worden gegeven, bijvoorbeeld uit oogpunt van privacybescherming, of uit het oogpunt van afstemming tussen verschillende betrokkenen. Dat zou bijvoorbeeld betrekking kunnen hebben op de on line verstrekking van artikel 33i. Uitgangspunt blijft dat een dergelijke regeling slechts administratieve en technische uitwerkingsvoorschriften zal bevatten.

Artikel I, onderdeel C

Hier wordt het Binnenvaartbesluit geschoond van uitgewerkte overgangsbepalingen.

Artikel II

Onderdelen A en B

Door onderdeel A worden overtredingen waarvan proces-verbaal door het OM in behandeling is genomen, aangemerkt als justitiële gegevens. Bijgevolg kan deze informatie, in samenhang met het bepaalde in onderdeel B, door de Inspectie V&W bij zijn opsporingstaak worden gebruikt. Rechterlijke oordelen als bedoeld in artikel 35b van de Scheepvaartverkeerswet worden ingevolge artikel 7 van het besluit al als justitiële gegevens aangemerkt. Door de wijziging van artikel 22 kan de IVW ook deze informatie gebruiken.

Onderdeel C

In de toelichting bij artikel I, onderdeel D, van het besluit van 21 juni 2011, houdende wijziging van het Besluit justitiële gegevens in verband met onder meer het verstrekken van justitiële gegevens aan de burgemeester bij de terugkeer van ex-gedetineerden en het versterken van de screening in de taxibranche (Stb. 314) werd reeds aangekondigd dat op het moment van bekend wording van de datum van inwerkingtreding van het besluit van 16 oktober 2009, houdende wijziging van het Besluit personenvervoer 2000, het Arbeidstijdenbesluit vervoer en het Reglement rijbewijzen in verband met de invoering van de boordcomputertaxi, de afschaffing van de vergunning voor collectief personenvervoer en een technische wijziging in verband met het elektronisch vervoerbewijs (Stb. 2009, 472), artikel 22a van het Besluit justitiële gegevens zou worden aangepast aan de wijziging en vernummering van de in dat artikel genoemde artikelen van het Besluit personenvervoer 2000.

Het koninklijk besluit houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 16 oktober 2009 werd op 30 september 2011 gepubliceerd en bepaalt het tijdstip van inwerkingtreding op de dag na de datum van publicatie. De onderhavige wijziging van artikel 22a van het Besluit justitiële gegevens beoogt invulling te geven aan de in de toelichting bij het besluit van 21 juni 2011 gedane aankondiging.

Artikel III

Op grond van het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten treden algemene maatregelen van bestuur in werking met ingang van 1 januari of 1 juli. Bekendmaking geschiedt uiterlijk twee maanden voor inwerkingtreding. Met dit wijzigingsbesluit wordt laatstgenoemde termijn ingekort. Reden is dat het doorschuiven van de inwerkingtreding naar het volgende vaste verandermoment (1 juli 2012) de onwenselijke situatie teweegbrengt dat deze regelgeving, die deels naar aanleiding van enkele incidenten tot stand is gekomen, niet in werking treedt vóór het watersportseizoen van 2012.

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Kamerstukken II 2010–2011, 32 539, nr. 3, p. 16.

X Noot
2

Registratiekamer, Beveiliging van persoonsgegevens, achtergrondstudie 23, april 2001.

X Noot
3

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG 1995, L 281/31) mogen de lidstaten het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de EU niet beperken. Op grond van het Besluit van het Gemengd Comité van de EER van 25 juni 1999, nr. 83/1999 (PbEG 1996, L 296, blz. 41–43) maakt Richtlijn 95/46 EG deel uit van de EER-overeenkomst. Daardoor geldt voor de EER-landen hetzelfde beschermingsniveau als voor de lidstaten van de EU.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.