Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige wijzigingen aan te brengen in de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht betreffende de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 9, tweede lid, vervalt de tweede volzin.

B

Artikel 14b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, eerste volzin, komt te luiden: De proeftijd bedraagt ten hoogste drie jaren.

2. Aan het derde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. indien de rechter een bevel als bedoeld in artikel 14e, eerste lid, heeft gegeven, op de dag van de einduitspraak.

C

Artikel 14c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komt onderdeel b te luiden:

  • b. de veroordeelde, voor zover aan de toepassing van artikel 14a bijzondere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid zijn gesteld:

    • 1°. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

    • 2°. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:

    • 1°. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;

    • 2°. geheel of gedeeltelijk herstel van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;

    • 3°. storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd en de opgelegde boete;

    • 4°. storting van een door de rechter vast te stellen geldbedrag in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn dan de geldboete die ten hoogste voor het strafbare feit kan worden opgelegd;

    • 5°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;

    • 6°. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;

    • 7°. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;

    • 8°. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;

    • 9°. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

    • 10°. opneming van de veroordeelde in een zorginstelling;

    • 11°. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;

    • 12°. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

    • 13°. het deelnemen aan een gedragsinterventie;

    • 14°. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden verbonden.

D

Artikel 14d wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De rechter kan aan een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Bij het houden van toezicht op de naleving van de voorwaarden stelt de reclasseringsinstelling de identiteit van de veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Indien een voorwaarde niet wordt nageleefd, doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan het openbaar ministerie.

2. Een lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het uit te oefenen toezicht.

E

Na artikel 14d wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 14e

  • 1. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

  • 2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.

F

In artikel 14f, eerste lid, tweede volzin, wordt «één jaar» vervangen door: twee jaren.

G

Na artikel 14f wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 14fa

  • 1. In geval van veroordeling tot een vrijheidsstraf waarvan de rechter heeft bepaald dat de straf of een gedeelte daarvan niet ten uitvoer zal worden gelegd, kan het openbaar ministerie de aanhouding van de veroordeelde bevelen, indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd. Indien het bevel van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht, kan de hulpofficier de aanhouding van de veroordeelde bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan het openbaar ministerie.

  • 2. Het openbaar ministerie dient, indien het de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in artikel 14g, eerste lid, in bij de rechter.

  • 3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na aanhouding. Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.

  • 4. De veroordeelde wordt door de rechter-commissaris gehoord. De artikelen 40 en 191 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. De raadsman is bevoegd bij het onderzoek tegenwoordig te zijn en van de daarop betrekking hebbende stukken kennis te nemen.

  • 5. Indien de rechter-commissaris de vordering van het openbaar ministerie toewijst, beveelt hij de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf. Indien hij de vordering afwijst, beveelt hij de invrijheidstelling van de veroordeelde.

  • 6. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing van de rechter-commissaris.

  • 7. De termijn van de voorlopige tenuitvoerlegging eindigt van rechtswege met ingang van het tijdstip waarop de duur van de vrijheidsbeneming gelijk wordt aan de duur van de ten uitvoer te leggen straf.

  • 8. Het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging kan door de rechter die bevoegd is te oordelen over de vordering tot tenuitvoerlegging ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.

H

Artikel 14g wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «indien hij daartoe termen vindt,».

2. Een lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 6. Bij toepassing van het eerste of tweede lid, beveelt de rechter dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf. Indien hij dit bevel geeft terzake van een taakstraf, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.

I

Artikel 14h wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na de eerste volzin een zin ingevoegd, luidende: In het geval dat enige gestelde voorwaarde niet is nageleefd, ziet het openbaar ministerie slechts af van een vordering als bedoeld in artikel 14g, eerste lid, indien naar het oordeel van het openbaar ministerie met een vordering als bedoeld in artikel 14f of met een waarschuwing kan worden volstaan.

2. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende: In de overige gevallen geschiedt het onderzoek van de zaak binnen dertig dagen nadat de rechter-commissaris op grond van artikel 14fa de voorlopige tenuitvoerlegging heeft bevolen.

3. In het derde lid wordt «degene die met het verlenen van hulp en steun was belast» vervangen door: degene die met reclasseringstoezicht is belast.

4. In het vijfde lid wordt «degene die met het verlenen van hulp en steun is belast» vervangen door: degene die met reclasseringstoezicht is belast.

J

In artikel 14i, derde lid, wordt «degene die met het verlenen van hulp en steun is belast» vervangen door: degene die met reclasseringstoezicht is belast.

K

In artikel 14j, tweede lid, wordt «degene die met het verlenen van hulp en steun is belast» vervangen door: degene die met reclasseringstoezicht is belast.

L

Na artikel 14k wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 14l

In de gevallen waarin een vordering tot tenuitvoerlegging, als bedoeld in artikel 14g, eerste lid, wordt afgewezen of het openbaar ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan het gerecht in feitelijke aanleg dat als laatste over de vordering heeft geoordeeld op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa. De artikelen 89, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en zesde lid, 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

La

Aan artikel 15, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. de veroordeelde een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

M

Artikel 15a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komt onderdeel b te luiden:

  • b. de veroordeelde, voor zover aan de voorwaardelijke invrijheidstelling bijzondere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid worden gesteld:

    • 1°. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

    • 2°. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 15b, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden:

    • 1°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;

    • 2°. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;

    • 3°. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;

    • 4°. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;

    • 5°. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

    • 6°. opneming van de veroordeelde in een zorginstelling gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;

    • 7°. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;

    • 8°. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;

    • 9°. het deelnemen aan een gedragsinterventie;

    • 10°. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd heeft te voldoen.

3. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden verbonden.

N

Artikel 15b, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het openbaar ministerie kan aan een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Bij het houden van toezicht op de naleving van de voorwaarden stelt de reclasseringsinstelling de identiteit van de veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Indien een voorwaarde niet wordt nageleefd, doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan het openbaar ministerie.

Na

Artikel 15g komt te luiden:

Artikel 15g

Voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd. Indien de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk is herroepen, wordt de veroordeelde, nadat hij het alsnog ten uitvoer te leggen gedeelte van de vrijheidsstraf heeft ondergaan, opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

Nb

Artikel 15i, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, dient het onverwijld een schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechtbank. De vordering bevat de grond waarop zij berust. Het openbaar ministerie ziet slechts af van de vordering, indien naar het oordeel van het openbaar ministerie met het wijzigen van de voorwaarden of met een waarschuwing kan worden volstaan.

O

Artikel 15h wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid worden twee zinnen toegevoegd, luidende: Indien het bevel van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht, kan de hulpofficier de aanhouding van de veroordeelde bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan het openbaar ministerie.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het openbaar ministerie dient, indien het de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, onverwijld een vordering tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in artikel 15i, tweede lid, in bij de rechter.

P

In artikel 16 wordt «het verlenen van hulp en steun aan veroordeelden» vervangen door: de werkzaamheden van reclasseringsinstellingen met betrekking tot de naleving van bij of krachtens de wet aan verdachten of veroordeelden opgelegde voorwaarden.

Q

Het eerste en tweede lid van artikel 22c komen te luiden:

  • 1. Een taakstraf bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid. Het vonnis dan wel de strafbeschikking vermeldt het aantal uren dat de straf zal duren. Het vonnis dan wel de strafbeschikking kan de aard van de te verrichten werkzaamheden vermelden.

  • 2. De taakstraf duurt ten hoogste tweehonderdenveertig uren.

R

In artikel 22d, derde lid, wordt «acht maanden» vervangen door: vier maanden.

S

In artikel 22f, eerste lid, vervalt «of het te volgen leerproject» en wordt «artikel 22c, eerste lid, tweede volzin» vervangen door: artikel 22c, eerste lid, derde volzin.

Sa

Aan artikel 22g, derde lid, wordt een zin toegevoegd, luidende: Indien de rechter het bezwaarschrift gegrond verklaart, geeft hij in zijn beslissing het aantal uren taakstraf aan dat nog moet worden verricht en binnen welke termijn de taakstraf moet worden voltooid.

Sb

Artikel 22i komt te luiden:

Artikel 22i

Het openbaar ministerie kan een beslissing als bedoeld in artikel 22f, eerste lid, of artikel 22g, eerste lid, slechts nemen gedurende de termijn waarbinnen de taakstraf op grond van artikel 22c, derde lid, dan wel 22g, derde lid, moet zijn voltooid, of binnen drie maanden na afloop van deze termijn.

Sc

Na artikel 31 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 32

De rechter kan aan een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op de naleving door de veroordeelde van de ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden en het recht om bepaalde beroepen uit te oefenen. De veroordeelde is verplicht medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Indien de veroordeelde de ontzetting niet naleeft, doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan het openbaar ministerie.

T

Artikel 38a, vierde lid, vervalt.

U

In artikel 38g vervalt het derde lid, onder vernummering van het vierde lid tot derde lid.

V

In artikel 38h, eerste lid, vervalt in de tweede volzin: «en derde».

W

In artikel 38p vervalt het zevende lid, onder vernummering van het achtste lid tot zevende lid.

X

In artikel 44a, tweede lid, vervalt telkens «, bestaande uit een werkstraf,».

Xa

Aan artikel 77tb wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Artikel 77cca, eerste lid, derde tot en met zesde lid en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien het openbaar ministerie de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, dient het onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in het derde lid bij de rechter.

Xb

In artikel 77u wordt «artikelen 14h» vervangen door: artikelen 14h, eerste lid, eerste en derde volzin, en tweede tot en met vijfde lid.

Y

In artikel 77w vervalt het vierde lid, onder vernummering van het vijfde tot en met achtste lid tot vierde tot en met zevende lid.

Z

In artikel 77wb, derde lid, wordt «derde tot en met vijfde, zevende en achtste lid» vervangen door: derde, vierde, zesde en zevende lid.

AA

In artikel 77z vervalt de derde volzin.

AAa

Na artikel 77z wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 77za

  • 1. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden, de op grond van artikel 77aa, tweede en derde lid, te verlenen hulp en steun dan wel het op grond van artikel 77aa, vierde lid, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

  • 2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.

BB

Na artikel 77cc wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 77cca

  • 1. In geval van veroordeling tot jeugddetentie of de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen waarvan de rechter heeft bepaald dat deze geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd, kan het openbaar ministerie de aanhouding van de veroordeelde bevelen, indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd. Indien het bevel van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht, kan de hulpofficier de aanhouding van de veroordeelde bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan het openbaar ministerie.

  • 2. Het openbaar ministerie dient, indien het de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in artikel 77dd, eerste lid, in bij de rechter.

  • 3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na aanhouding. Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.

  • 4. De veroordeelde wordt door de rechter-commissaris gehoord. Artikel 77ee, tweede lid, en de artikelen 40 en 191 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. De raadsman is bevoegd bij het onderzoek tegenwoordig te zijn en van de daarop betrekking hebbende stukken kennis te nemen.

  • 5. Indien de rechter-commissaris de vordering van het openbaar ministerie toewijst, beveelt hij de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde jeugddetentie of de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Indien hij de vordering afwijst, beveelt hij de invrijheidstelling van de veroordeelde.

  • 6. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing van de rechter-commissaris.

  • 7. De termijn van de voorlopige tenuitvoerlegging eindigt van rechtswege met ingang van het tijdstip waarop de duur van de vrijheidsbeneming gelijk wordt aan de duur van de ten uitvoer te leggen jeugddetentie of de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

  • 8. Het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging kan door de rechter die bevoegd is te oordelen over de vordering tot tenuitvoerlegging ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.

CC

Aan artikel 77dd worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Bij toepassing van het eerste of tweede lid, beveelt de rechter dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 77cca geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf. Indien hij dit bevel geeft terzake van een taakstraf of de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.

  • 5. In de gevallen waarin de vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen of het openbaar ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan het gerecht in feitelijke aanleg dat als laatste over de vordering heeft geoordeeld op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 77cca. De artikelen 89, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en zesde lid, 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

CCa

In artikel 77ee, eerste lid, wordt «artikelen 14h» vervangen door: artikelen 14h, eerste lid, eerste en derde volzin, en tweede tot en met vijfde lid.

DD

In artikel 77hh, eerste lid, wordt «77w, derde en zevende lid» vervangen door: 77w, derde en zesde lid.

ARTIKEL II

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 257a, derde lid, vervalt de tweede volzin.

B

Artikel 493, zesde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de vierde volzin vervalt «die het gedrag van de veroordeelde betreffen».

2. De vijfde volzin vervalt.

ARTIKEL III

In artikel 13, eerste lid, van de Gratiewet vervalt de tweede volzin.

ARTIKEL IV

In artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wet op de Jeugdzorg wordt «77w, derde en zevende lid» vervangen door: 77w, derde en zesde lid.

ARTIKEL IVa

Indien het bij geleidende brief van 25 april 2006 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het verhogen van de maximale proeftijd voor misdrijven die de gezondheid of het welzijn van dieren benadelen, en in verband met het verhogen van het strafmaximum voor onder meer het doden van andermans dieren (30 511) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt of is getreden voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

In artikel I, onderdeel B, onder 2, wordt «derde lid» vervangen door: vierde lid.

ARTIKEL V

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 17 november 2011

Beatrix

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven

Uitgegeven de vijfentwintigste november 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 32 319

Naar boven