Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatsblad 2011, 218Wet

Wet van 16 december 2010 tot wijziging van de Spoorwegwet, de Wet personenvervoer 2000 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van de richtlijnen 2007/58/EG, 2007/59/EG, 2008/57/EG en 2008/110/EG

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van richtlijn 2007/58/EG, richtlijn 2007/59/EG, richtlijn 2008/57/EG en richtlijn 2008/110/EG wijziging van de Spoorwegwet, de Wet personenvervoer 2000 en de Wet op de economische delicten noodzakelijk maakt, alsmede dat het wenselijk is de Spoorwegwet te wijzigen in verband met de uitvoering van het programma «Beter Geregeld» en in die wet in verband met richtlijn 2004/49/EG de veiligheidsvergunning voor de infrastructuurbeheerder te regelen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Spoorwegwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel m vervalt «alsmede inzake veiligheidscertificering».

2. De onderdelen n tot en met p komen te luiden:

n. richtlijn 2004/49/EG:

richtlijn nr. 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake de veiligheid op communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (Spoorwegveiligheidsrichtlijn) (PbEU L 220);

o. richtlijn 2007/59/EG:

richtlijn nr. 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen (PbEU L 315);

p. richtlijn 2008/57/EG:

richtlijn nr. 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PbEU L 191);

3. Onderdeel q wordt verletterd tot onderdeel y.

4. Er worden acht onderdelen ingevoegd, luidende:

q. aangemelde instantie:

aangemelde instantie als bedoeld in artikel 2, onderdeel j, van richtlijn 2008/57/EG;

r. bevoegdheidsbewijs:

bevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 3, onderdeel j van richtlijn 2007/59/EG;

s. interoperabiliteitsonderdeel:

interoperabiliteitsonderdeel als bedoeld in artikel 2, onderdeel f, van richtlijn 2008/57/EG;

t. machinistenvergunning:

vergunning als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2007/59/EG;

u. subsysteem:

subsysteem van structurele aard als bedoeld in bijlage II van richtlijn 2008/57/EG;

v. technische specificatie inzake interoperabiliteit:

technische specificatie inzake interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel i, van richtlijn 2008/57/EG;

w. verbetering:

verbetering als bedoeld in artikel 2, onderdeel m, van richtlijn 2008/57/EG;

x. vernieuwing:

vernieuwing als bedoeld in artikel 2, onderdeel n, van richtlijn 2008/57/EG;

B

Aan artikel 6 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. De krachtens het eerste lid te stellen regels ten aanzien van een onderwerp waarin ook door een besluit van een of meer instellingen van de Europese Unie is voorzien, mogen niet in strijd zijn met dat besluit.

  • 4. In de krachtens het eerste lid te stellen regels kan worden bepaald dat Onze Minister bevoegd is op aanvraag van de beheerder ontheffing verlenen van die regels.

C

Artikel 7 vervalt.

D

Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8

  • 1. Het is een beheerder verboden een nieuwe hoofdspoorweg in dienst te stellen zonder dat Onze Minister daarvoor een vergunning voor indienststelling heeft verleend.

  • 2. Onze Minister verleent de vergunning voor indienststelling indien de desbetreffende subsystemen:

    • a. voldoen aan de daarvoor geldende technische specificaties inzake interoperabiliteit;

    • b. voldoen aan de krachtens artikel 6, eerste lid, vastgestelde regels die bij regeling van Onze Minister, met inachtneming artikel 17 van richtlijn 2008/57/EG, voor de subsystemen zijn aangewezen ter uitvoering van de essentiële eisen van die richtlijn;

    • c. voldoen aan de krachtens artikel 6, eerste lid, vastgestelde regels die bij regeling van Onze Minister op grond van een technische specificatie inzake interoperabiliteit, bedoeld in onderdeel a, voor de subsystemen zijn aangewezen ter verificatie van de interoperabiliteit;

    • d. voldoen aan de krachtens artikel 6, eerste lid, vastgestelde regels, die bij regeling van Onze Minister voor de subsystemen zijn aangewezen ter uitwerking van de in een of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in onderdeel a, opgenomen open punten;

    • e. voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 15, eerste en tweede lid, van richtlijn 2008/57/EG.

  • 3. Onze Minister kan op aanvraag, met inachtneming van artikel 9 van richtlijn 2008/57/EG, een of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten.

  • 4. Het voldoen aan de specificaties, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en aan de regels, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, blijkt uit een geldig afgegeven EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 18 van richtlijn 2008/57/EG.

  • 5. Het voldoen aan de regels, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, blijkt uit een geldige verklaring van een aangemelde instantie of van een keuringsinstantie.

  • 6. Onze Minister kan op aanvraag onder bij ministeriële regeling te geven voorwaarden en beperkingen, met inachtneming van artikel 1, derde lid, van richtlijn 2008/57/EG, ontheffing verlenen van het tweede lid.

E

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9

  • 1. Het is een beheerder verboden een vernieuwing of verbetering bij hoofdspoorweginfrastructuur in dienst te stellen zonder:

    • a. voorafgaande indiening van een informatiedossier als bedoeld in het tweede lid, en

    • b. een vergunning dan wel nieuwe vergunning voor indienststelling, indien Onze Minister die krachtens het derde lid heeft geëist.

  • 2. Degene die de verbetering of vernieuwing bij hoofdspoorweginfrastructuur aanbesteedt, dient bij Onze Minister een informatiedossier in waarin het project beschreven wordt.

  • 3. Onze Minister eist op basis van het informatiedossier, bedoeld in het tweede lid, een vergunning respectievelijk een nieuwe vergunning voor indienststelling, indien de omvang van de voorgenomen verbetering of vernieuwing of de mogelijke gevolgen voor de veiligheid van een betrokken subsysteem dat noodzakelijk maakt of maken.

  • 4. Artikel 8, tweede, derde en zesde lid en het krachtens artikel 8, zesde lid, bepaalde zijn van toepassing op de verlening van de vergunning respectievelijk van de nieuwe vergunning voor indienststelling, bedoeld in het derde lid, met dien verstande dat die leden van dat artikel toepassing vinden op de verbetering of vernieuwing.

  • 5. Onze Minister kan op aanvraag op andere gronden dan genoemd in artikel 9, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG, met inachtneming van artikel 20 van die richtlijn, een of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten.

  • 6. Het voldoen van het verbeterde of vernieuwde subsysteem aan de krachtens het vierde lid geldende eisen blijkt uit de toetsing van een aangemelde instantie of van een keuringsinstantie.

F

Artikel 10 vervalt.

G

Artikel 11 vervalt.

H

Artikel 12 komt te luiden:

Artikel 12

  • 1. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 8, vierde lid, voldoet aan bijlage V van richtlijn 2008/57/EG.

  • 2. De afgifte van een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 8, vierde lid, geschiedt in overeenstemming met artikel 18 en bijlage VI van richtlijn 2008/57/EG.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de afgifte van de EG-keuringsverklaring, bedoeld in artikel 8, vierde lid en de verklaring, bedoeld in artikel 8, vijfde lid.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verlening en regels over de aanvraag van de vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 8, eerste lid, en van de vergunning of nieuwe vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 9, derde lid.

  • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het registeren of bewaren van gegevens over:

    • a. de afgifte van de EG-keuringsverklaring, bedoeld in artikel 8, vierde lid;

    • b. de afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, of artikel 9, zesde lid, en

    • c. de aanvraag en de verlening van de vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 8, eerste lid, en van de vergunning voor indienststelling of van de nieuwe vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 9, derde lid.

I

Artikel 13 komt te luiden:

Artikel 13

Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 8, vierde lid, af te geven indien de desbetreffende subsystemen niet blijkens een geldige verklaring van een aangemelde instantie voldoen aan artikel 8, tweede lid, onderdelen a en b.

J

Artikel 14 vervalt.

K

Artikel 15 vervalt.

L

Na artikel 16 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 16a

  • 1. Een beheerder beschikt bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste lid, anders dan ten behoeve van de aanleg van hoofdspoorweginfrastructuur over een geldige veiligheidsvergunning als bedoeld in artikel 11 van richtlijn 2004/49/EG.

  • 2. Onze Minister verleent op aanvraag een veiligheidsvergunning aan de beheerder, indien hij beschikt over een veiligheidszorgsysteem dat:

    • a. voldoet aan artikel 9, tweede lid, en bijlage III van richtlijn 2004/49/EG,

      en

    • b. op zodanige wijze is geoperationaliseerd dat het een veilig beheer en gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur mogelijk maakt.

  • 3. Een veiligheidsvergunning is ten hoogste vijf jaar geldig.

  • 4. Onze Minister trekt een veiligheidsvergunning in, indien het veiligheidszorgsysteem van de beheerder niet meer voldoet aan het tweede lid.

  • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven over de uitvoering van dit artikel, waaronder:

    • a. regels ten aanzien van de aanvraag van een veiligheidsvergunning, en

    • b. nadere regels ten aanzien het veiligheidszorgsysteem.

Artikel 16b

  • 1. Een beheerder houdt een register van infrastructuurvoorzieningen dat voldoet aan artikel 35 van richtlijn 2008/57/EG.

  • 2. Een beheerder stelt jaarlijks een verslag op met betrekking tot de spoorwegveiligheid dat voldoet aan artikel 9, vierde lid, van richtlijn 2004/49/EG en zendt dat verslag voor 1 juli aan Onze Minister.

M

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Aan de concessie worden voorts in elk geval voorschriften verbonden ten aanzien van:

    • a. door de beheerder te berekenen tarieven voor diensten aan derden;

    • b. het verstrekken van gegevens aan Onze Minister ten behoeve van:

      • 1°. het toezicht op de naleving van de concessie;

      • 2°. het voldoen aan de verplichtingen die Onze Minister met betrekking tot de hoofdspoorwegen heeft ingevolge de artikelen 116, 118 en 122 van de Wet geluidhinder ter uitvoering van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189);

      • 3°. het voldoen aan de verplichtingen die Onze Minister met betrekking tot de hoofdspoorwegen heeft ingevolge artikel 12.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer;

    • c. het opstellen van een financiële verantwoording van het uitvoeren van de concessie, welke verantwoording gescheiden is van die voor andere werkzaamheden, en

    • d. wijzigingen van hoofdspoorweginfrastructuur die de beheerder aanbesteedt en als een verbetering of een vernieuwing als bedoeld in artikel 9, eerste lid, worden aangemerkt.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het derde lid geldt niet voor een wijziging van de technische of functionele eigenschappen, indien het verbetering of vernieuwing betreft waarvoor Onze Minister een vergunning voor indienststelling respectievelijk nieuwe vergunning voor indienststelling als bedoeld in artikel 9, derde lid, heeft verleend.

N

Onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma worden aan artikel 22, tweede lid, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • e. de uitoefening van het houderschap van een spoorvoertuig en de uitoefening van werkzaamheden aan een spoorvoertuig in opdracht van de houder, en

  • f. de uitoefening van opleidingsactiviteiten voor een veiligheidsfunctie en de beoordeling op het voldoen aan de eisen voor een veiligheidsfunctie.

O

Aan artikel 27 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kan met inachtneming van de artikelen 1 en 2 van richtlijn 95/18/EG onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling worden verleend van het tweede lid, onderdeel a, en met inachtneming van artikel 3 van richtlijn 2004/49/EG onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling worden verleend van het tweede lid, onderdeel b.

P

In artikel 32, eerste lid, aanhef wordt «aan de houder of de aanvrager van een bedrijfsvergunning» vervangen door: aan de aanvrager.

Q

Artikel 33, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Het veiligheidsattest is ten hoogste vijf jaar geldig.

R

Het opschrift van paragraaf 4 van hoofdstuk III komt te luiden:

§ 4 Gebruik, compatibiliteit en interoperabiliteit van spoorvoertuigen en interoperabiliteitsonderdelen

S

Artikel 36 komt te luiden:

Artikel 36

  • 1. Het is een spoorwegonderneming verboden om, anders dan voor het testen, van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken, met een spoorvoertuig waarvoor Onze Minister geen vergunning voor indienststelling als bedoeld in het derde lid respectievelijk aanvullende vergunning voor indienststelling als bedoeld in het vijfde lid heeft verleend.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor bij algemene maatregel van bestuur met inachtneming van artikel 21 van richtlijn 2008/57/EG, aangewezen spoorvoertuigen.

  • 3. Onze Minister verleent, na de beheerder te hebben gehoord, een vergunning voor indienststelling, indien:

    • a. elk subsysteem van het spoorvoertuig voldoet aan de daarvoor geldende technische specificaties inzake interoperabiliteit;

    • b. elk subsysteem van het spoorvoertuig voldoet aan de bij regeling van Onze Minister, met inachtneming van artikel 17 van richtlijn 2008/57/EG vastgestelde, voor dat subsysteem geldende voorschriften ter uitvoering van de essentiële eisen van richtlijn 2008/57/EG;

    • c. elk subsysteem van het spoorvoertuig voldoet aan de, bij regeling van Onze Minister daarvoor gegeven voorschriften ter uitwerking van de in een of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in onderdeel a, opgenomen open punten, anders dan ten behoeve van de verenigbaarheid van een spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur;

    • d. elk subsysteem voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 15, eerste en tweede lid, van richtlijn 2008/57/EG, en

    • e. het spoorvoertuig voldoet aan de bij regeling van Onze Minister gestelde voorschriften ten behoeve van de verenigbaarheid van een spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur.

  • 4. Onze Minister kan op aanvraag, met inachtneming artikel 9 van richtlijn 2008/57/EG, een voor een subsysteem geldende technische specificatie inzake interoperabiliteit buiten toepassing laten.

  • 5. Onze Minister verleent na de beheerder te hebben gehoord, een aanvullende vergunning voor indienststelling voor een spoorvoertuig indien:

    • a. het spoorvoertuig reeds in een andere staat is toegelaten;

    • b. een subsysteem van het spoorvoertuig dat is voorzien van een geldige EG-keuringsverklaring voldoet aan de in de voor een of meer voor het subsysteem geldende TSI’s opgenomen voorschriften voor de voor Nederland geldende specifieke gevallen;

    • c. hij voor een subsysteem van het spoorvoertuig zonder geldige EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 18 van richtlijn 2008/57/EG geen belangrijk veiligheidsrisico aantoont, en

    • d. het spoorvoertuig voldoet aan de voorschriften, bedoeld in het derde lid, onderdeel e.

  • 6. Het voldoen aan de voorschriften, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, blijkt uit een geldige EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 18 van richtlijn 2008/57/EG.

  • 7. Het voldoen aan de voorschriften, bedoeld in het derde lid, onderdelen c en e, blijkt uit een geldige verklaring van een aangemelde instantie of van een keuringsinstantie.

  • 8. Onze Minister kan aan de vergunning voor indienststelling respectievelijk aanvullende vergunning voor indienststelling ten behoeve van de verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur voorschriften en beperkingen verbinden.

  • 9. Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de voorschriften, bedoeld in het derde lid, onderdelen c en e.

  • 10. Onze Minister kan op aanvraag met inachtneming van artikel 1, derde lid, van richtlijn 2008/57/EG, onder daartoe bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden en beperkingen, ontheffing verlenen van het derde lid, onderdelen a en b, en van het vijfde lid, onderdeel b.

T

Artikel 37 komt te luiden:

Artikel 37

  • 1. Het is een spoorwegonderneming verboden om van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken met een spoorvoertuig dat niet in het register, bedoeld in het tweede lid, dan wel in het register van een andere staat is ingeschreven.

  • 2. Onze Minister houdt het register, bedoeld in artikel 33 van richtlijn 2008/57/EG.

  • 3. Onze Minister draagt op aanvraag zorg voor de inschrijving van spoorvoertuigen in het register, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. De aanvrager voegt bij de aanvraag voor de inschrijving de bij regeling van Onze Minister bepaalde gegevens.

  • 5. De houder meldt de wijzigingen met betrekking tot de gegevens, bedoeld in het vierde lid, die na de inschrijving optreden, binnen twee weken aan Onze Minister.

  • 6. Onze Minister kent aan een in te schrijven spoorvoertuig dat niet volledig in een register van een andere staat is ingeschreven een Europees voertuignummer toe. De houder brengt het toegekende voertuignummer aan op het spoorvoertuig.

  • 7. Onze Minister schrapt de inschrijving van een spoorvoertuig:

    • a. op verzoek van de houder;

    • b. indien het spoorvoertuig definitief buiten gebruik wordt gesteld, of

    • c. in andere bij regeling van Onze Minister aangegeven gevallen.

  • 8. De houder van een spoorvoertuig is degene die als houder in het register, bedoeld in het tweede lid, is ingeschreven.

U

Na artikel 37 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 37a

  • 1. Onze Minister verleent op aanvraag een vergunning voor indienststelling of een aanvullende vergunning voor indienststelling voor een type indien hij voor een spoorvoertuig van dat type een dergelijke vergunning heeft verleend.

  • 2. Onze Minister verleent in afwijking van artikel 36, derde en vijfde lid, een vergunning voor indienststelling respectievelijk een aanvullende vergunning voor indienststelling, indien het spoorvoertuig overeenstemt met een type dat voorzien is van een geldige dergelijke vergunning.

  • 3. Onze Minister kan de vergunning voor indienststelling voor een type respectievelijk de aanvullende vergunning voor indienststelling voor een type intrekken,indien het type niet langer voldoet aan de krachtens artikel 36 geldende eisen.

  • 4. De overeenstemming met een type blijkt uit een verklaring van overeenstemming die voldoet aan de daartoe bij regeling van Onze Minister gestelde voorschriften.

  • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van het spoorvoertuig waarvoor een vergunning voor indienststelling respectievelijk aanvullende vergunning voor indienststelling van het type is verleend, met dat type.

Artikel 37b

  • 1. Het is een spoorwegonderneming verboden om met een verbeterd of vernieuwd spoorvoertuig dat volledig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken zonder:

    • a. voorafgaande indiening van een informatiedossier als bedoeld in het tweede lid, en

    • b. een vergunning dan wel nieuwe vergunning voor indienststelling, indien Onze Minister die krachtens het derde lid, heeft geëist.

  • 2. Degene die de verbetering of vernieuwing bij een spoorvoertuig aanbesteedt dient bij Onze Minister een informatiedossier in, waarin het project beschreven wordt.

  • 3. Onze Minister eist op basis van het informatiedossier, bedoeld in het tweede lid, een vergunning voor indienststelling respectievelijk een nieuwe vergunning voor indienststelling indien de omvang van de voorgenomen verbetering of vernieuwing, de mogelijke gevolgen voor de veiligheid van een betrokken subsysteem of de gevolgen voor de verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur dat noodzakelijk maakt of maken.

  • 4. Artikel 36, derde, vierde en tiende lid, en het krachtens tiende lid van dat artikel bepaalde zijn van toepassing, met dien verstande dat die leden van dat artikel toepassing vinden op de verbetering of vernieuwing.

  • 5. Onze Minister kan op aanvraag, op andere gronden dan genoemd in artikel 9, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG en met inachtneming van artikel 20 van die richtlijn, een of meer voor het betrokken subsysteem vastgestelde technische specificaties inzake interoperabiliteit buiten toepassing laten.

  • 6. Onze Minister eist op basis van het informatiedossier, bedoeld in het tweede lid, indien het spoorvoertuig niet volledig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, een aanvullende vergunning voor indienststelling respectievelijk nieuwe aanvullende vergunning voor indienststelling, indien de gevolgen van de de verbetering of vernieuwing voor de verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur dat noodzakelijk maken.

  • 7. Artikel 36, vijfde lid, is van toepassing, met dien verstande dat het slechts toepassing vindt op de verbetering of vernieuwing.

  • 8. Het is verboden van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken met een verbeterd of vernieuwd spoorvoertuig dat niet volledig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, zonder:

    • a. zonder voorafgaande indiening van een informatiedossier als bedoeld in het tweede lid, en

    • b. een aanvullende vergunning voor indienststelling of nieuwe aanvullende vergunning voor indienststelling, indien Onze Minister die krachtens het zesde lid heeft geëist.

  • 9. Het voldoen van de verbetering of vernieuwing bij een spoorvoertuig aan artikel 36, derde lid, onderdelen a tot en met c en e, blijkt uit een geldige verklaring van een aangemelde instantie of van een keuringsinstantie.

V

Artikel 38 komt te luiden:

Artikel 38

  • 1. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 36, zesde lid, voldoet aan bijlage V van richtlijn 2008/57/EG.

  • 2. De afgifte van een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 36, zesde lid, geschiedt in overeenstemming met artikel 18 en bijlage VI van richtlijn 2008/57/EG.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de afgifte, vorm en inhoud van EG-keuringsverklaringen als bedoeld in artikel 36, zesde lid, en over het informatiedossier, bedoeld in artikel 37b, tweede lid.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de verlening en de aanvraag van:

    • a. de vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 36, derde lid, en van de vergunning voor indienststelling of van de nieuwe vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 37b, derde lid;

    • b. de aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 36, vijfde lid, en van aanvullende vergunning voor indienstststelling of van de nieuwe aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 37b, zesde lid.

  • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het registreren of bewaren van gegevens over:

    • a. de afgifte van de EG-keuringsverklaring, bedoeld in artikel 36, zesde lid;

    • b. de afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 36, zevende lid, of van de verklaring, bedoeld in artikel 37b, negende lid;

    • c. de aanvraag en de verlening van de vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 36, derde lid, of van de vergunning voor indienststelling of nieuwe vergunning voor indienststelling, bedoeld artikel 37b, derde lid, en

    • d. de aanvraag en de verlening van de aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 36, vijfde lid, of van de aanvullende vergunning voor indienststelling of nieuwe vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 37b, zesde lid.

W

Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het is verboden een interoperabiliteitsonderdeel voor het gebruik binnen het spoorwegsysteem in de handel te brengen, indien ten aanzien daarvan niet een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG, is afgegeven.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Degene die de interoperabiliteitsonderdelen gebruikt zorgt dat deze binnen hun toepassingsgebied worden gebruikt overeenkomstig hun bestemming, en dat zij naar behoren worden geïnstalleerd en onderhouden.

3. Het derde lid vervalt.

X

Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG, wordt afgegeven:

    • a. indien de interoperabiliteitsonderdelen voldoen aan de daaraan in de toepasselijke technische specificatie inzake interoperabiliteit gestelde eisen, en

    • b. indien de conformiteit of geschiktheid voor gebruik blijkt uit een toetsing van een aangemelde instantie, indien een toepasselijke specificatie inzake interoperabiliteit een dergelijke toetsing voorschrijft.

2. Het tweede lid vervalt.

3. Het derde lid wordt vernummerd tot het tweede lid.

Y

Artikel 41 komt te luiden:

Artikel 41

  • 1. Een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG voldoet aan bijlage IV van die richtlijn.

  • 2. De afgifte van een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG, geschiedt in overeenstemming met artikel 13 en bijlage IV van die richtlijn.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld over:

    • a. vorm en inhoud van de EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG, alsmede over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de afgifte, en

    • b. het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van interoperabiliteitsonderdelen waarvoor goedkeuring van het type is verleend, met het goedgekeurde type.

Z

Artikel 42 komt te luiden:

Artikel 42

  • 1. Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 36, zesde lid, af te geven indien niet blijkens een geldige verklaring van een aangemelde instantie is voldaan aan artikel 36, derde lid, onderdelen a en b.

  • 2. Het is verboden een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG, voor een interoperabiliteitsonderdeel af te geven, indien niet voldaan is aan artikel 40, eerste lid.

AA

Artikel 43 komt te luiden:

Artikel 43

  • 1. De fabrikant van interoperabiliteitsonderdelen en zijn in Nederland gevestigde gemachtigde die in strijd met artikel 42, tweede lid, een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG voor een interoperabiliteitsonderdeel hebben afgegeven, zijn verplicht op eerste vordering van Onze Minister en binnen een door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen. Zij zijn verplicht de daarbij door Onze Minister te geven aanwijzingen op te volgen.

  • 2. Indien de fabrikant of zijn in Nederland gevestigde gemachtigde niet voldoet aan het eerste lid neemt Onze Minister met toepassing van artikel 14 van richtlijn 2008/57/EG maatregelen, om het in de handel brengen van het betrokken interoperabiliteitsonderdeel te beperken of te verbieden dan wel het uit de handel te doen nemen.

BB

Artikel 44 komt te luiden:

Artikel 44

Indien Onze Minister vaststelt dat een interoperabiliteitsonderdeel, ondanks het feit dat ten aanzien daarvan een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG is afgegeven en ondanks het feit dat het onderdeel overeenkomstig zijn bestemming wordt gebruikt, de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorwegen of interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 2008/57/EG in gevaar brengt, neemt hij met toepassing van artikel 14 van die richtlijn maatregelen om het toepassingsgebied van dit onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden of het uit de handel te doen nemen.

CC

Artikel 45 vervalt.

DD

De artikelen 46 en 47 komen te luiden:

Artikel 46

  • 1. Voor elk spoorvoertuig waaraan Onze Minister een voertuignummer als bedoeld in artikel 37, zesde lid, heeft toegekend, is er een met het onderhoud belaste entiteit.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor bij ministeriële regeling met inachtneming van artikel 2 van richtlijn 2004/49/EG aangewezen spoorvoertuigen.

  • 3. De met het onderhoud belaste entiteit kan een spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder als bedoeld in artikel 3 van richtlijn 91/440/EG of de houder van het spoorvoertuig zijn.

  • 4. De houder beschikt over een geldig onderhoudscertificaat indien hij de met onderhoud belaste entiteit is van een of meer goederenwagens en geen spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder als bedoeld in artikel 3 van richtlijn 91/440/EG.

  • 5. Onze Minister verleent op aanvraag een onderhoudscertificaat indien de houder voldoet aan de daartoe bij regeling van Onze Minister met inachtneming van artikel 14bis van richtlijn 2004/49/EG vastgestelde eisen.

  • 6. Een door een daartoe bevoegde instantie met inachtneming van artikel 14bis van richtlijn 2004/49/EG verleende certificering wordt met een onderhoudscertificaat als bedoeld in het vierde lid gelijkgesteld.

  • 7. De met het onderhoud belaste entiteit draagt er zorg voor dat het spoorvoertuig in veilige staat is en overeenkomstig de bepalingen in de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit wordt onderhouden.

  • 8. Onze Minister kan het gebruik met een spoorvoertuig van hoofdspoorweginfrastructuur verbieden indien ter zake van het spoorvoertuig niet voldaan wordt aan het zevende lid.

  • 9. De met het onderhoud belaste entiteit is degene die als zodanig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven.

Artikel 47

  • 1. De spoorwegonderneming of de houder dragen er zorg voor dat een door hen gebruikt spoorvoertuig dat volledig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, overeenkomstig de geldende specificaties inzake interoperabiliteit wordt geëxploiteerd.

  • 2. Onze Minister kan het gebruik met een spoorvoertuig van hoofdspoorweginfrastructuur verbieden indien ter zake van het spoorvoertuig niet voldaan is aan het eerste lid.

  • 3. Het is verboden om met een spoorvoertuig dat niet overeenkomstig de essentiële eisen van richtlijn 2008/57/EG is geëxploiteerd en onderhouden, van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken.

EE

Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «die van hoofdspoorwegen gebruik maken» vervangen door: die beschikken over een volledige inschrijving in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Een erkenning wordt verleend indien wordt voldaan aan de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.

3. Onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot vierde tot en met zevende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Met een erkenning als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een erkenning, afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een andere staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, welke erkenning is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.

FF

Artikel 49 komt te luiden:

Artikel 49

  • 1. Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie anders dan die van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefenen, voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die functie gestelde eisen inzake:

    • a. minimumleeftijd;

    • b. medische en psychologische geschiktheid;

    • c. algemene kennis, bekwaamheid en ervaring, en

    • d. taalbeheersing.

  • 2. Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefenen, voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die functie gestelde eisen inzake:

    • a. minimumleeftijd;

    • b. medische en psychologische geschiktheid;

    • c. algemene kennis en vaardigheden;

    • d. specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop een bevoegdheidsbewijs betrekking kan hebben, en

    • e. taalbeheersing.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de in het eerste lid en tweede lid bedoelde eisen wordt voldaan.

GG

Artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie anders dan die van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent, beschikt, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, over:

    • a. één of meer beoordelingen door Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, eerste lid, voor de desbetreffende veiligheidsfunctie vastgestelde eisen inzake algemene kennis, bekwaamheid en ervaring en een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister erkend keuringsinstituut, of

    • b. een geldige erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot vierde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent, beschikt over:

    • a. één of meer beoordelingen van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, voor de desbetreffende veiligheidsfunctie vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden en een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister erkend keuringsinstituut, of

    • b. een geldige machinistenvergunning die in een andere lidstaat van de Europese Unie is afgegeven.

  • 3. Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent beschikt over een geldige machinistenvergunning en een geldig bevoegdheidsbewijs dat betrekking heeft op de spoorvoertuigen waarmee en op de hoofdspoorweginfrastructuur waarvan gebruik wordt gemaakt.

3. In het vierde lid (nieuw) wordt «van de in het eerste lid bedoelde documenten» vervangen door «van de in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, onderdeel a bedoelde beoordelingen en verklaringen» en «de aanwijzing van exameninstituten en keuringsinstituten» door: «de erkenning van keuringsinstituten».

HH

Artikel 51 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste lid geldt niet voor een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent en aan wie degene onder wiens gezag die veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend een bevoegdheidsbewijs heeft verstrekt.

2. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 4. De houder van een bedrijfspas en de houder van een bevoegdheidsbewijs als bedoeld in het derde lid zijn verplicht die pas onderscheidenlijk dat bewijs op eerste vordering te tonen aan de krachtens de artikelen 69 en 86 met het toezicht op de naleving onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten belaste personen.

II

Na artikel 51 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 51a

  • 1. Onze Minister verleent op aanvraag een machinistenvergunning indien de machinist:

    • a. voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake minimumleeftijd;

    • b. beschikt over een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid als bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, en

    • c. beschikt over een geldige beoordeling van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid respectievelijk van machinist met beperkte bevoegdheid.

  • 2. Onze Minister schorst of trekt de machinistenvergunning in, indien de machinist niet langer beschikt over een geldige verklaring van medische geschiktheid of een geldige verklaring van psychologische geschiktheid.

  • 3. Onze Minister houdt een register van machinistenvergunningen.

  • 4. Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend, verstrekt aan een machinist een bevoegdheidsbewijs indien deze:

    • a. voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake taalbeheersing;

    • b. beschikt over een geldige beoordeling van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake specifieke vakkennis van de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop het bevoegdheidsbewijs betrekking moet hebben, en

    • c. beschikt over de voor de uitoefening van die functie vereiste bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid.

  • 5. Degene die een of meer bevoegdheidsbewijzen heeft verstrekt houdt een register van bevoegdheidsbewijzen.

  • 6. Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend onderzoekt periodiek of de machinist voldoet aan:

    • a. de voor die veiligheidsfunctie krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake taalbeheersing;

    • b. de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake de specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop het bevoegdheidsbewijs betrekking heeft, en

    • c. aan de voor die veiligheidsfunctie vereiste bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid.

  • 7. Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist wordt uitgeoefend verstrekt bij de beëindiging van het dienstverband van de machinist een gewaarmerkte kopie van het op dat moment geldige bevoegdheidsbewijs.

  • 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven voor:

    • a. de aanvraag, verlening, geldigheidsduur en verlenging van een machinistenvergunning;

    • b. de verstrekking van een duplicaat van een machinistenvergunning;

    • c. het register van machinistenvergunningen, bedoeld in het derde lid;

    • d. de vorm, inhoud en geldigheidsduur van een bevoegdheidsbewijs en de verstrekking van een gewaarmerkte kopie daarvan;

    • e. het register van bevoegdheidsbewijzen, bedoeld in vijfde lid;

    • f. de frequentie van het onderzoek, bedoeld in het zesde lid;

    • g. de verplichtingen van degene die de bevoegdheidsbewijzen heeft verstrekt, en

    • h. de voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid en van machinist met beperkte bevoegdheid vereiste bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid.

Artikel 51b

  • 1. Opleidingactiviteiten met het oog op het verkrijgen van een of meer beoordelingen waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden en specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur worden slechts verricht door daartoe door Onze Minister erkende opleidingsinstituten.

  • 2. Een krachtens het eerste lid, erkend opleidingsinstituut geeft op billijke en non-discriminatoire wijze toegang tot de opleidingsactiviteiten, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met inachtneming van artikel 20 van richtlijn 2007/59/EG regels gegeven voor de erkenning van de opleidingsinstituten, bedoeld in het eerste lid.

JJ

Artikel 53 komt te luiden:

Artikel 53

  • 1. Het is verboden een veiligheidsfunctie anders dan van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid, binnen het hoofdspoorwegsysteem te doen uitoefenen door een persoon:

    • a. die niet voldoet aan artikel 50, eerste lid, of

    • b. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet aan de voor de uitoefening van de functie krachtens artikel 49, eerste lid, gestelde eisen.

  • 2. Het is verboden de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid binnen het hoofdspoorwegsysteem te doen uitoefenen door een persoon:

    • a. die niet voldoet aan artikel 50, tweede lid, of

    • b. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet aan de voor de uitoefening van de functie krachtens artikel 49, tweede lid, gestelde eisen.

  • 3. Het is verboden de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid te doen uitoefenen door een persoon:

    • a. die niet beschikt over een geldige machinistenvergunning;

    • b. die niet beschikt over een geldig bevoegdheidsbewijs, of

    • c. die niet beschikt over een bevoegdheidsbewijs dat betrekking heeft op de spoorvoertuigen waarmee en op de hoofdspoorweginfrastructuur waarvan gebruik wordt gemaakt.

  • 4. Onze Minister kan het doen uitoefenen van de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid binnen het hoofdspoorwegsysteem door een persoon die volgens hem een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid van dat systeem, overeenkomstig artikel 29 van richtlijn 2007/59/EG, voor bepaalde of onbepaalde tijd verbieden.

KK

Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw), onderdeel a, wordt «en hun internationale samenwerkingsverbanden als bedoeld in artikel 3 van richtlijn 91/440/EEG» geschrapt.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. De spoorwegonderneming doet uiterlijk tien maanden voor aanvang van de geldigheidsperiode van de dienstregeling, bedoeld in artikel 2, onderdeel m, van richtlijn 2001/14/EG waarin hij met het grensoverschrijdend personenvervoer wil aanvangen aan de raad van bestuur NMa en de beheerder melding van het voornemen om voor dat vervoer capaciteit aan te vragen.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing voor wijzigingen van het grensoverschrijdend personenvervoer.

LL

Artikel 61 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «of krachtens».

2. In het derde lid vervalt «of krachtens».

MM

Artikel 77, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 33, zevende lid, 36, eerste lid, 37, eerste lid, 37b, eerste en achtste lid, 53, en 96, tweede lid.

NN

Artikel 80, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Voor de overtredingen gelden de volgende vaste bedragen van de bestuurlijke boete:

    • a. voor overtreding van de artikelen 36, eerste lid, 37, eerste lid, 37b, eerste en achtste lid, en 53: € 10.000;

    • b. voor overtreding van de artikelen 33, zevende lid, 96, tweede lid: € 50.000.

OO

In artikel 87, eerste lid, wordt «en 51, derde lid,» vervangen door: en 51, vierde lid,.

PP

In artikel 91, eerste lid, wordt «te verstrekken certificaat of ander document» vervangen door: te verstrekken certificaat, ander document, beoordeling of verklaring of te verrichten inschrijving of wijziging van die inschrijving in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid.

QQ

Artikel 92 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een wijziging van richtlijn 91/440/EEG, richtlijn 95/18/EG, richtlijn 2001/14/EG, richtlijn 2004/49/EG, richtlijn 2007/59/EG en van richtlijn 2008/57/EG gaat voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

2. Het tweede lid en de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

RR

Artikel 93 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden

  • 1. Onze Minister wijst op aanvraag aan:

    • a. aangemelde instanties;

    • b. de instanties, belast met de toetsing, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, artikel 9, zesde lid, artikel 36, zevende lid, en artikel 37b, negende lid.

2. In het tweede lid wordt «neergelegd in bijlage VII van richtlijn 96/48/EG, respectievelijk richtlijn 2001/16/EG» vervangen door: neergelegd in bijlage VIII van richtlijn 2008/57/EG.

3. In het vierde lid wordt «bijlage VI van richtlijn 96/48/EG respectievelijk richtlijn 2001/16/EG» vervangen door: bijlage VI van richtlijn 2008/57/EG.

4. In het zesde lid wordt «bijlage VII van de desbetreffende richtlijn» en «bijlage VI van de desbetreffende richtlijn» vervangen door: bijlage VIII van richtlijn 2008/57/EG onderscheidenlijk bijlage VI van richtlijn 2008/57/EG.

SS

In artikel 122 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

ARTIKEL II

De Wet personenvervoer 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel o door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

p. verordening 1371/2007/EG:

verordening nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (PbEU L 315).

B

In artikel 2 wordt onder vernummering van het derde lid tot vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Deze wet is in afwijking van het eerste lid voor wat betreft de onderdelen betreffende de uitvoering van verordening 1371/2007/EG ook van toepassing op ander vervoer van personen langs railwegen dan openbaar vervoer.

C

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor grensoverschrijdend personenvervoer per trein waarbij slechts een station in Nederland wordt aangedaan.

2. Na het derde lid worden zeven leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor grensoverschrijdend personenvervoer per trein indien daarvan overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van de Spoorwegwet melding is gemaakt en daarvoor geen aanvraag als bedoeld in artikel 19a, tweede lid, is gedaan.

  • 5. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor grensoverschrijdend personenvervoer per trein indien daarvoor een of meer aanvragen als bedoeld in artikel 19a, tweede lid, zijn gedaan en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit heeft vastgesteld dat:

    • a. het hoofddoel van het vervoer internationaal passagiersvervoer is of dat geen aanvraag het hoofddoel betreft, en

    • b. het vervoer van passagiers tussen stations in Nederland het economisch evenwicht van een of meer concessies van een spoorwegonderneming niet in gedrang brengt of dat geen aanvraag het economisch evenwicht betreft.

  • 6. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor grensoverschrijdend personenvervoer per trein indien daarvoor een of meer aanvragen als bedoeld in artikel 19a, tweede lid, zijn gedaan, en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit heeft vastgesteld dat:

    • a. het hoofddoel van dat vervoer internationaal passagiersvervoer is of dat geen aanvraag het hoofddoel betreft, en

    • b. het vervoer van passagiers tussen stations in Nederland het economisch evenwicht van een of meer concessies van een spoorwegonderneming in gedrang brengt.

  • 7. Het hoofddoel van grensoverschrijdend personenvervoer per trein is internationaal passagiersvervoer indien op basis van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels:

    • a. het internationale traject substantieel buiten Nederland is gelegen;

    • b. het hoofdzakelijk vervoer betreft van reizigers die de Nederlandse grens passeren, en

    • c. de omzet van het openbaar vervoer hoofdzakelijk afkomstig is van de reizigers, bedoeld in onderdeel b.

  • 8. Het economisch evenwicht van een of meer verleende concessies komt in het gedrang indien overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels het aantal reizigers of de omzet van een of meer betrokken concessiehouders in betekenisvolle mate afneemt.

  • 9. Het vierde tot en met achtste lid is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen van het grensoverschrijdend personenvervoer per trein.

  • 10. De voordracht voor een krachtens het zevende of achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

D

Na artikel 19 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 19a

  • 1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit doet zo spoedig mogelijk na ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 57, tweede of derde lid, van de Spoorwegwet, mededeling van die melding in de Staatscourant en aan de betrokken concessieverleners en concessiehouders en vermeldt daarbij de mogelijkheid van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, en de termijn voor indiening van die aanvraag.

  • 2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt op daartoe strekkende aanvraag van een of meer concessieverleners of concessiehouders of de beheerder, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Spoorwegwet, vast of het ingevolge artikel 57, tweede of derde lid van de Spoorwegwet, gemelde voorgenomen vervoer:

    • a. internationaal passagiersvervoer als hoofddoel heeft, of

    • b. het daarvan deel uitmakende vervoer van passagiers tussen stations in Nederland het economisch evenwicht van een of meer concessies van een spoorwegonderneming in gedrang brengt.

  • 3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is bevoegd de inlichtingen te vorderen en de inzage van zakelijke gegevens en bescheiden te vorderen die hij redelijkerwijs nodig heeft voor de behandeling van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Een ieder, met uitzondering van de personen, bedoeld in artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is verplicht binnen redelijke termijn de door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit gevorderde inlichtingen te verstrekken of de gevorderde inzage van zakelijke gegevens en bescheiden te verlenen.

  • 5. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit geeft de beschikking op de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de overeenkomstig het derde lid gevorderde gegevens en bescheiden.

  • 6. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit doet mededeling van de aanvraag, en van de beschikking, bedoeld in het vijfde lid, aan de betrokken beheerder, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Spoorwegwet en doet mededeling van die beschikking in de Staatscourant.

  • 7. Onze Minister kan, binnen acht weken na de mededeling bedoeld in het zesde lid, van een beschikking als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, besluiten om het vervoer van passagiers tussen stations in Nederland te beperken, mits:

    • a. de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit, op grond van het tweede lid, onderdeel b, heeft vastgesteld dat dit vervoer het economisch evenwicht van een of meer concessies van een spoorwegonderneming in gedrang brengt;

    • b. Onze Minister hierbij de beschikbare kwaliteit voor de reiziger en de financiële belangen van een of meer betrokken concessiehouders in acht neemt, en

    • c. de gestelde beperkingen niet verder gaan dan noodzakelijk is om het in gedrang komen van het economisch evenwicht van een of meer concessies van een spoorwegonderneming te voorkomen.

    Onze Minister kan binnen de genoemde termijn van acht weken besluiten om deze termijn met ten hoogste zes weken te verlengen.

  • 8. Onze Minister beperkt het vervoer van passagiers tussen stations in Nederland voor grensoverschrijdend openbaar vervoer per trein zonder concessie op het traject waarvoor de aan HSA beheer N.V. verleende concessie voor de duur van vijftien jaar, met aanvangsdatum 1 juli 2009, van toepassing is.

  • 9. Het tweede lid, onderdeel b, en het zevende lid zijn niet van toepassing op het vervoer, bedoeld in het achtste lid.

  • 10. Het personenvervoer per trein in strijd met de krachtens het zevende dan wel het achtste lid vastgestelde beperkingen is verboden.

Da

In artikel 25 wordt onder vernummering van het vierde lid tot het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. De omschrijving, bedoeld in het derde lid, kan ook stations buiten Nederland betreffen, indien de eventueel daarvoor vereiste toestemming door de daartoe bevoegde autoriteit of autoriteiten in de desbetreffende andere lidstaat of lidstaten van de Europese Unie is gegeven.

Db

In artikel 65 wordt onder vernummering van het tweede en het derde lid tot het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De krachtens het eerste lid aangewezen spoorvervoerdiensten kunnen met ingang van 1 januari 2015 mede de diensten met stations buiten Nederland betreffen, indien de eventueel daarvoor vereiste toestemming door de daartoe bevoegde autoriteit of autoriteiten in de desbetreffende andere lidstaat of lidstaten van de Europese Unie, is gegeven.

E

Artikel 87 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast:

    • a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen, en

    • b. de bij besluit van de bestuursorganen, bedoeld in artikel 20, tweede en derde lid, aangewezen personen, voor zover het de door hen verleende concessies betreft, voor het bepaalde bij of krachtens artikel 19 en 30 tot en met 40.

2. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij verordening 1371/2007/EG zijn de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen belast.

3. Het zesde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 6. Van een besluit als bedoeld in het eerste, vierde of vijfde lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

F

Artikel 93 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Onze Minister is de handhavende instantie, bedoeld in artikel 30 van verordening 1371/2007/EG.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen en van verordening 1371/2007/EG.

  • 3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom ter handhaving van artikel 19a, vierde lid.

G

Artikel 105, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. In afwijking van het eerste lid is voor beroepen tegen besluiten op grond van de artikelen 19a, tweede, vijfde en zevende lid, 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid en 96, eerste lid, de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

ARTIKEL III

1. In artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten, komt de zinsnede met betrekking tot de Spoorwegwet te luiden: «de artikelen 13, 27, tweede lid, onderdelen a tot en met c, 33, zevende lid, 36, eerste lid, 37, eerste lid, 37b, eerste en achtste lid, 39, eerste lid, 42, 46, achtste lid, 47, 48 en 53, alsmede – voor zover aangeduid als strafbare feiten – overtredingen van voorschriften krachtens de hoofdstukken 3 en 4, met uitzondering van de artikelen 64, tweede lid, en 65, eerste lid, gegeven;

2. In artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten wordt in de zinsnede met betrekking tot de Wet personenvervoer 2000 «19,» vervangen door: 19, eerste en tweede lid, 19a, tiende lid.

ARTIKEL IV

Hoofdspoorweginfrastructuur anders dan bedoeld in artikel 121 van de Spoorwegwet, die voor de inwerkingtreding van deze wet in gebruik is genomen en voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 6, eerste lid, en artikel 7 van de Spoorwegwet zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de dag van de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en C van deze wet, wordt aangemerkt als in overeenstemming met artikel 6, eerste lid, van de Spoorwegwet.

ARTIKEL V

  • 1. Na de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen FF en II van deze wet, kunnen tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen GG en JJ, van deze wet, certificaten van bekwaamheid voor de veiligheidsfunctie van machinist, voor wat betreft de gradaties machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid worden afgegeven overeenkomstig het bij of krachtens de Spoorwegwet bepaalde, zoals dat bepaalde luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen FF en II van deze wet.

  • 2. De certificaten van bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, blijven geldig.

  • 3. De certificaten van bekwaamheid voor de veiligheidsfunctie van machinist, voor wat betreft de gradaties machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid, die voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen FF en II van deze wet, zijn afgegeven, worden gelijkgesteld met beoordelingen van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan:

    • a. de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid respectievelijk van machinist met beperkte bevoegdheid, en

    • b. de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop een bevoegdheidsbewijs betrekking kan hebben voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid respectievelijk van machinist met beperkte bevoegdheid.

  • 4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de certificaten van bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid.

ARTIKEL VI

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 16 december 2010

Beatrix

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Uitgegeven de dertiende mei 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 32 289