Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2011, 180AMvB

Besluit van 8 april 2011 tot wijziging van het Besluit documentatie vennootschappen en enige andere besluiten in verband met het vervallen van de verklaring van geen bezwaar en het verbeteren en uitbreiden van de controle op rechtspersonen met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 21 februari 2011, nr. 5686579/11/6;

Gelet op artikel 24, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, de artikelen 3, tweede lid, onder e, 4, vierde lid, 5, eerste lid, 5, derde lid, en 6, tweede lid, van de Wet controle op rechtspersonen, de artikelen 3:5, vierde lid, 3:9, derde lid, 3:99, derde lid, en 4:10, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht, artikel 105, tiende lid, van de Pensioenwet, artikel 110, tiende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de artikelen 9, eerste lid, en 52, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 maart 2011, nr. W03.11.0055/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 4 april 2011, nr. 569133/11/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit documentatie vennootschappen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

a. wet:

de Wet controle op rechtspersonen;

2. Onderdeel b komt te luiden:

b. relevant strafbaar feit:

een strafbaar feit dat verband houdt met het doel of de werkzaamheid van de rechtspersoon;

B

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

Als bestuursorganen of diensten die zijn belast met de opsporing van strafbare feiten of met het toezicht op financiële instellingen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, van de wet, worden aangewezen:

  • a. de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

  • b. de Autoriteit Financiële Markten;

  • c. de bestuursorganen die op grond van de Wet milieubeheer of op grond van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bevoegd zijn tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit en de beheerders in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet;

  • d. de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

  • e. De Nederlandsche Bank N.V.;

  • f. de Dienst Wegverkeer;

  • g. het openbaar ministerie;

  • h. de Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit;

  • i. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ten behoeve van de door hem aangewezen toezichthouders, bedoeld in de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving;

  • j. de Voedsel- en Warenautoriteit;

  • k. de VROM-Inspectie.

C

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

Over de personen, bedoeld in artikel 4, eerste, tweede en derde lid, van de wet, kunnen, voor zover het natuurlijke personen betreft, slechts de volgende gegevens of categorieën van gegevens in de registratie worden opgenomen:

  • a. de geslachtsnaam en voorvoegsels;

  • b. de voornaam of voornamen;

  • c. het adres, de postcode en de woon- of verblijfplaats;

  • d. de geboorteplaats en het geboorteland;

  • e. de geboortedatum, of bij gebrek aan een volledige datum, het geboortejaar;

  • f. de nationaliteit;

  • g. de burgerlijke staat;

  • h. de samenlevingsvorm;

  • i. het burgerservicenummer, of bij gebrek aan een burgerservicenummer, het sofi-nummer van de persoon;

  • j. de naam of de handelsnaam waaronder de persoon handelt en de ondernemingen en rechtspersonen waarbij de persoon blijkens het handelsregister betrokken is;

  • k. justitiële gegevens in de zin van artikel 1, onder a, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens met betrekking tot de persoon;

  • l. gegevens met betrekking tot rechterlijke uitspraken die betrekking hebben op een faillissement, een surseance van betaling of de toepassing van een schuldsaneringsregeling waarbij sprake is van de betrokkenheid van de persoon;

  • m. andere openbare gegevens;

  • n. gevolgde opleidingen;

  • o. het beroep en het arbeidsverleden;

  • p. gegevens met betrekking tot betalingsachterstanden bij de rijksbelastingdienst;

  • q. faillissementsverslagen;

  • r. gegevens met betrekking tot toezichtshandelingen en bestuurlijke sancties jegens de desbetreffende persoon, afkomstig van de bestuursorganen en diensten, genoemd in artikel 2;

  • s. strafvorderlijke gegevens in de zin van artikel 1, onder b, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens alsmede vonnissen in strafzaken met betrekking tot de persoon, en,

  • t. andere gegevens die reden geven om aan te nemen dat een rechtspersoon waarbij de desbetreffende persoon betrokkenheid heeft wordt gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden of dat haar werkzaamheden leiden tot benadeling van schuldeisers of rechthebbenden.

D

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

Over de personen, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid van de wet, kunnen, voor zover het rechtspersonen betreft, slechts de volgende gegevens of categorieën van gegevens in de registratie worden opgenomen:

  • a. de statutaire naam en de handelsnaam of de handelsnamen;

  • b. de rechtsvorm;

  • c. de zetel;

  • d. het vestigings- en postadres, de postcodes, de plaats of plaatsen van vestiging en het land of de landen van vestiging van de rechtspersoon, met inbegrip van de gegevens van nevenvestigingen en filialen;

  • e. de oprichtingsdatum;

  • f. het nummer, bedoeld in artikel 9, onder a, van de Handelsregisterwet 2007;

  • g. eventuele andere nummers ten behoeve van de identificatie van de rechtspersoon;

  • h. de statutaire doelomschrijving en de feitelijke activiteiten;

  • i. een splitsing of fusie waarbij de rechtspersoon is ontstaan;

  • j. de gegevens, bedoeld in artikel 3, met betrekking tot natuurlijke personen die het beleid van de rechtspersoon bepalen of mede kunnen bepalen, alsmede de gegevens, bedoeld onder a tot en met i en k tot en met u, met betrekking tot rechtspersonen die het beleid van de desbetreffende rechtspersoon bepalen of mede kunnen bepalen;

  • k. justitiële gegevens in de zin van artikel 1, onder a, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens met betrekking tot de rechtspersoon;

  • l. gegevens met betrekking tot rechterlijke uitspraken die betrekking hebben op een faillissement of een surseance van betaling waarbij sprake is van de betrokkenheid van de rechtspersoon;

  • m. andere openbare gegevens;

  • n. liquiditeitsgegevens en gegevens met betrekking tot het eigen vermogen van de rechtspersoon, conform de gedeponeerde jaarrekeningen;

  • o. de resultatenrekening over de laatste twee boekjaren, gerekend vanaf de datum van de eerste verwerking van de gegevens van de desbetreffende rechtspersoon of onderneming;

  • p. financiële gegevens van een bij de rechtspersoon betrokken onderneming die een negatief eigen vermogen heeft of die in de laatste twee boekjaren, gerekend vanaf de datum van de eerste verwerking van de gegevens van de desbetreffende rechtspersoon of onderneming, verlies heeft geleden;

  • q. gegevens met betrekking tot betalingsachterstanden bij de rijksbelastingdienst;

  • r. faillissementsverslagen;

  • s. gegevens met betrekking tot toezichtshandelingen en bestuurlijke sancties jegens de desbetreffende rechtspersoon, afkomstig van de bestuursorganen en diensten, genoemd in artikel 2;

  • t. strafvorderlijke gegevens in de zin van artikel 1, onder b, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens alsmede vonnissen in strafzaken met betrekking tot de desbetreffende rechtspersoon, en,

  • u. andere gegevens die reden geven om aan te nemen dat de rechtspersoon wordt gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden of dat haar werkzaamheden leiden tot benadeling van schuldeisers of rechthebbenden.

E

Na artikel 4 wordt in paragraaf 3 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4a

Over de personen, bedoeld in artikel 4, eerste, tweede en derde lid, van de wet kunnen voorts de volgende gegevens of categorieën van gegevens in de registratie worden opgenomen:

  • a. de gegevens, bedoeld in artikel 4, van andere rechtspersonen of vennootschappen waarbij de desbetreffende rechtspersoon betrokken is;

  • b. de aard van de functie, de bevoegdheid of de hoedanigheid van een natuurlijke of rechtspersoon met betrekking tot de rechtspersonen of vennootschappen waarbij de desbetreffende natuurlijke persoon of rechtspersoon betrokkenheid heeft, en de data van begin en einde van de functie, bevoegdheid of hoedanigheid;

  • c. aantal en aard van de aandelen in een rechtspersoon of vennootschappen die de desbetreffende natuurlijke of rechtspersoon houdt.

F

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «artikel 4, eerste lid,» vervangen door: artikel 4, eerste, tweede en derde lid,.

2. In onderdeel c wordt «de vennootschap» vervangen door: «de rechtspersoon» en wordt «haar» telkens vervangen door «zijn».

G

Na artikel 5 worden in paragraaf 4 twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 5a

Als bestuursorganen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

  • a. de Autoriteit Financiële Markten;

  • b. De Nederlandsche Bank N.V.;

  • c. het openbaar ministerie;

  • d. Onze Minister van Financiën, ten behoeve van de gegevensverwerking door de rijksbelastingdienst en de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder a, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

  • e. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, ten behoeve van de gegevensverwerking door de VROM-Inspectie en de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

  • f. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, ten behoeve van de gegevensverwerking door de Algemene Inspectiedienst en de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder c, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

  • g. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ten behoeve van de gegevensverwerking door de door hem aangewezen toezichthouders, bedoeld in de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving, en de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder d, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

  • h. de bestuursorganen, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet politiegegevens, ten behoeve van de gegevensverwerking door de politie en de Koninklijke marechaussee.

Artikel 5b

Mededeling van gegevens met betrekking tot derden, neergelegd in een risicomelding als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet is toegestaan in de volgende gevallen:

  • a. de Autoriteit Financiële Markten: aan het openbaar ministerie, de politie, de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder a, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, de rijksbelastingdienst, De Nederlandsche Bank N.V., de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en aan toezichthouders en opsporingsdiensten, belast met het toezicht op de naleving van de wetgeving met betrekking tot financiële instellingen, onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten op financieel-economisch terrein in het buitenland;

  • b. De Nederlandsche Bank N.V.: aan het openbaar ministerie, de politie, de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder a, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, de rijksbelastingdienst, de Autoriteit Financiële Markten, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en aan toezichthouders en opsporingsdiensten, belast met het toezicht op de naleving van de wetgeving met betrekking tot financiële instellingen, onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten op financieel-economisch terrein in het buitenland;

  • c. de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder a, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten: aan het openbaar ministerie, de politie, de andere bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, de Autoriteit Financiële Markten, de Nederlandsche Bank N.V., de rijksbelastingdienst, de VROM-Inspectie, de Algemene Inspectiedienst, de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouders, bedoeld in de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving, en aan toezichthouders en opsporingsdiensten, belast met het toezicht op de naleving van de wetgeving met betrekking tot financiële instellingen, onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten op financieel-economisch terrein in het buitenland;

  • d. de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten: aan het openbaar ministerie, de politie, de andere bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, en aan de VROM-Inspectie;

  • e. de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder c, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten: aan het openbaar ministerie, de politie, de andere bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, de rijksbelastingdienst, de Algemene Inspectiedienst, de Plantenziektenkundige Dienst, de Voedsel- en Warenautoriteit en aan de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

  • f. de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder d, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten: aan het openbaar ministerie, de politie, de andere bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, de Autoriteit Financiële Markten, de Nederlandsche Bank N.V., de rijksbelastingdienst, de VROM-Inspectie, de Algemene Inspectiedienst en aan de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouders, bedoeld in de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving;

  • g. de politie: aan het openbaar ministerie, de regionale inlichtingen- en expertisecentra, de Koninklijke marechaussee, de rijksbelastingdienst, de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en aan de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst;

  • h. de rijksbelastingdienst: aan het openbaar ministerie, de politie, de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, de Autoriteit Financiële Markten, de Nederlandsche Bank N.V., de VROM-Inspectie, de Algemene Inspectiedienst, de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouders, bedoeld in de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving, en aan de colleges van burgemeester en wethouders;

  • i. de VROM-Inspectie: aan het openbaar ministerie, de politie en aan de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

  • j. de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouders, bedoeld in de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving: aan het openbaar ministerie, de politie, de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2, onder a en d, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en aan de rijksbelastingdienst;

  • k. de Algemene Inspectiedienst: aan het openbaar ministerie, de politie, de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, de rijksbelastingdienst, de Plantenziektenkundige Dienst, de Voedsel- en Warenautoriteit en aan de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

  • l. ten aanzien van elk van de bestuursorganen, genoemd in artikel 5a: aan de Nationale ombudsman en de rechter.

H

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «artikel 5, tweede lid,» vervangen door: artikel 6, tweede lid,.

2. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. het openbaar ministerie, de politie, de Koninklijke marechaussee, de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, de Algemene Inspectiedienst, de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouders, bedoeld in de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving, de rijksbelastingdienst, de bestuursorganen die op grond van de Wet milieubeheer of op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bevoegd zijn tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit en de beheerders in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank en de VROM-Inspectie, voor zover dit noodzakelijk is voor de opsporing of vervolging van strafbare feiten;

3. Onderdeel e komt te luiden:

  • e. de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL), voor zover dat noodzakelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent personen die zijn geregistreerd ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 13 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme.

I

In artikel 9 wordt «Besluit documentatie vennootschappen» vervangen door: Besluit controle op rechtspersonen.

ARTIKEL II

Artikel 5, onderdeel d, van het Besluit gebruik sofi-nummer Wbp komt te luiden:

  • d. Onze Minister van Veiligheid en Justitie met het oog op de uitvoering van de Wet controle op rechtspersonen;

ARTIKEL III

In de artikelen 14, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, 7, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit prudentiële regels Wft, artikel 31, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft en 33, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt «de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet documentatie vennootschappen» telkens vervangen door: de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet controle op rechtspersonen.

ARTIKEL IV

Artikel 16, onderdeel a, van het Besluit justitiële gegevens komt te luiden:

  • a. Onze Minister ten behoeve van de controle van rechtspersonen met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen, waaronder het plegen van misdrijven en overtredingen van financieel-economische aard door of door middel van deze rechtspersonen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet controle op rechtspersonen;

ARTIKEL V

Artikel 4:3, eerste lid, onder a, eerste streepje, van het Besluit politiegegevens komt te luiden:

  • de controle van rechtspersonen met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen, waaronder het plegen van misdrijven en overtredingen van financieel-economische aard door of door middel van deze rechtspersonen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet controle op rechtspersonen;

ARTIKEL VI

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 8 april 2011

Beatrix

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

Uitgegeven de vijftiende april 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Doel van het besluit

Dit besluit strekt tot uitvoering van de Wet controle op rechtspersonen (Wcr). De Wcr bevat een nieuw stelsel van controle op rechtspersonen. Het systeem van preventieve controle op rechtspersonen door middel van een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Veiligheid en Justitie die moet worden overgelegd voordat een naamloze of besloten vennootschap in rechte tot stand komt wordt vervangen door een systeem waarbij rechtspersonen aan de hand van bepaalde levensloopmomenten als het oprichten, het wisselen van bestuurders of het deponeren van jaarstukken worden gescreend tegen de achtergrond van bepaalde risicoprofielen. Bij het screenen worden gegevens betrokken die uit andere verwerkingen afkomstig zijn. De uitkomst van het screenen is een risicomelding die wordt verstrekt aan een groep bestuursorganen met taken en bevoegdheden op het gebied van het financieel toezicht, de rechtshandhaving en het toezicht op de naleving en de bestuurs- en strafrechtelijke handhaving van een aantal bijzondere wetten. Voorts is voorzien in de overdracht van andere gegevens dan risicomeldingen uit de gegevensverwerking door de Minister van Veiligheid en Justitie ten behoeve van het voorkomen en bestrijden van misbruik maken van rechtspersonen. Het screenen wordt onder verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie uitgevoerd door de Dienst Justis, een onderdeel van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Voor een nadere toelichting op de doeleinden, de rechtvaardiging in grondrechtelijk opzicht en het proces van gegevensverwerking wordt verwezen naar de memorie van toelichting op de Wcr (Kamerstukken II 2008/09, 31 948, nr. 3).

Dit besluit bevat voornamelijk een nadere inhoudelijke invulling van de reeds in de Wcr geregelde informatiebetrekkingen. Het betreft de volgende regelingen. In dit besluit wordt door middel van een aanwijzing geregeld uit welke gegevensverwerkingen de Dienst Justis gerechtigd is gegevens te putten. Er is voorzien in een nieuw gestructureerde opsomming van de gegevens die door de Dienst Justis kunnen worden verwerkt. Verder wordt door middel van een aanwijzing geregeld welke bestuursorganen bij uitsluiting van anderen gerechtigd zijn tot het ontvangen van risicomeldingen. Daarnaast wordt door middel van een aanwijzing geregeld aan welke partijen de ontvangers van risicomeldingen gerechtigd zijn gegevens uit de risicomeldingen door te geven. Tenslotte wordt geregeld welke organen, diensten en instellingen overigens als vaste gebruikers van gegevens afkomstig van de Dienst Justis moeten worden aangemerkt. Het betreft hier de verstrekking van gegevens die niet zijn aan te merken als risicomeldingen. Naast deze inhoudelijke elementen bevat het besluit nog een aantal wijzigingen van wetstechnische aard.

Vormgeving

De vormgeving van dit besluit vereist afzonderlijke aandacht. Hoewel de Wcr een nieuw toezicht op rechtspersonen regelt volgens een geheel andere systematiek dan het oude toezicht, is er tegelijk sprake van een zekere continuïteit in de onderliggende informatiebetrekkingen. Dit heeft er onder meer toe geleid dat de Wcr niet een volledig nieuwe wettelijke regeling is, maar in technisch opzicht een wijziging van de Wet documentatie vennootschappen en van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bevat. In dit besluit is dezelfde systematiek gevolgd als in de Wcr. Dit besluit is in technisch opzicht een wijziging van het Besluit documentatie vennootschappen (Bdv). Tot die wijzigingen behoort ook een wijziging van de citeertitelbepaling. Het besluit krijgt nu als citeertitel: Besluit controle op rechtspersonen (Bcr). Een bepaalde mate van continuïteit is ook terug te vinden in de inhoud van sommige bepalingen. Immers, ook het oude systeem van toezicht op vennootschappen kende een opsomming van bronverwerkingen. Deze opsomming blijft, met enige wijzigingen en toevoegingen, gehandhaafd in artikel 3 Bcr. Hetzelfde geldt voor de aanwijzing van de kring van vaste gebruikers van gegevens. Geheel nieuw is alleen de regeling van de risicomeldingen.

Verder is bij de vormgeving van de artikelen 5a en 5b van het Bcr, conform de regeling in artikel 5 Wcr, uitgegaan van het begrip bestuursorgaan op de wijze zoals dat begrip is gehanteerd in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Opname van een bestuursorgaan in de opsomming staat daarmee los van de vraag of de materiële bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk toepassing missen op de taakvervulling door het desbetreffende bestuursorgaan. Dat is bij een aantal van de opgesomde bestuursorganen het geval.

Administratieve lasten, bedrijfseffecten en nalevingskosten, bestuurlijke lasten

De uit de Wcr voortvloeiende administratieve lasten, nalevingskosten en bedrijfseffecten en de bestuurlijke lasten zijn verantwoord in paragraaf 5 van de memorie van toelichting bij de Wcr (Kamerstukken II 2008/09, nr. 3, blz. 14 en 15). Die verantwoording omvat het gehele wetgevingscomplex. Uit dit besluit vloeien geen zelfstandige lasten of effecten voort. Een ontwerp van dit besluit is daarom niet aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten voorgelegd.

Advisering en consultatie

Een ontwerp van dit besluit is met toepassing van artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens voor advies voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegevens.

Het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) heeft op 8 september 2010, nr. z2010-00950, advies uitgebracht.

Het Cbp wijst allereerst op zijn eerdere adviezen, uitgebracht in 2007 en 2008, over het wetsvoorstel dat leidde tot de Wcr. Het Cbp wees destijds in het bijzonder op het voornemen om ook gegevens te verwerken van familieleden en partners van natuurlijke personen die in verband kunnen worden gebracht met rechtspersonen. Het Cbp acht het van groot belang dat de desbetreffende groepen betrokkenen zicht hebben op het verder gebruik van hun gegevens. Het Cbp bepleit daarom een actievere opstelling van de verantwoordelijke en adviseert daarom te voorzien in een notificatieverplichting voor alle gevallen waarin de gegevens van familieleden en partners zijn verwerkt en ook verzoeken om inzage en correctie van deze betrokkenen steeds in te willigen. Het Cbp adviseert hierop in de nota van toelichting in te gaan.

Het is inderdaad terecht dat de omstandigheid dat op grond van de Wcr ook gegevens kunnen worden verwerkt van familieleden en partners van personen die bij rechtspersonen zijn betrokken bijzondere aandacht verdient. De informatievoorziening van de kant van de overheid met betrekking tot het verzamelen van deze gegevens wordt beheerst door artikel 34 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Aan de verplichtingen die uit deze bepaling voor de Dienst Justis voortvloeien moet dan ook worden voldaan. Dat zal in de eerste plaats gebeuren door middel van algemene voorlichting op de daarvoor in aanmerking komende websites van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarnaast wordt, zoveel mogelijk in samenwerking met de Kamers van Koophandel en het notariaat, voorzien in gerichte voorlichting aan belanghebbenden. Belanghebbenden bij de oprichting van rechtspersonen of bij de inschrijving van feiten in verband met rechtspersonen krijgen dan voorafgaand aan de oprichting of inschrijving de nodige informatie. De nota van toelichting is aangevuld met een opmerking terzake. Overwogen is of een algemene notificatieverplichting, zoals bepleit door het Cbp, uitvoerbaar is. Daarbij is gebleken dat in de gevallen waarin een geautomatiseerde screening niet leidt tot een tussentijdse risicomelding de verwerking van gegevens van familieleden en partners door het systeem ook geautomatiseerd weer wordt verwijderd. Het is op zichzelf genomen mogelijk deze gegevens zichtbaar te maken, maar dit heeft dan tot consequentie dat de enkele nakoming van een notificatieverplichting leidt tot een proliferatie van persoonsgegevens aan de betrokken medewerkers van de Dienst Justis die deze verplichting dan moeten uitvoeren. Uitvoering van een notificatieverplichting na verwerking van de gegevens in een risicomelding roept het bezwaar op van het beïnvloeden van onderzoeken die naar aanleiding van het uitbrengen van een risicomelding worden gestart. Als daarvoor zou worden gekozen, dan zou die verplichting alleen kunnen gelden na afloop van een bepaalde wachttermijn. Omdat bovendien nog geen zekerheid bestaat over het aantal risicomeldingen is er thans ook nog geen definitief inzicht in de feitelijke effecten van invoering van een notificatieverplichting. Daarom is besloten na een eerste evaluatie te bezien of het invoeren van een notificatieverplichting goed uitvoerbaar is.

Het Cbp adviseert verder om alle gevallen waarin aanwijzing van een dienst plaatsvindt die gerechtigd wordt gegevens te verwerken die uit gesloten bronnen afkomstig zijn, afzonderlijk te motiveren. In dit besluit is ervoor gekozen om de controle op rechtspersonen te concentreren in die sectoren waar de risico's op basis van ervaringsgegevens het grootst zijn. Dat betreft allereerst de belasting- en faillissementsfraude en het witwassen en de financiering van terrorisme. Dat rechtvaardigt aanwijzing van de Belastingdienst, De Nederlandsche Bank N.V. en de Autoriteit Financiële Markten als ontvanger van risicomeldingen. Daarnaast is er sprake van het bestaan van enkele maatschappelijke sectoren die bijzondere kwetsbaarheden kennen die geassocieerd worden met het misbruik van rechtspersonen. Het betreft de sectoren bouw en milieu en landbouw en visserij. In deze sectoren vindt significant meer misbruik van rechtspersonen plaats dan in andere sectoren. Dat misbruik is in de sectoren bouw en milieu dikwijls verbonden met faillissementen en ernstige overtredingen van de geldende regelgeving, waarbij afwenteling van allerlei gevolgen plaatsheeft op rechtspersonen of netwerken daarvan om de werkelijke verantwoordelijken aan de opsporing te onttrekken. In de sector landbouw en visserij uit zich de kwetsbaarheid vooral in het frauderen met subsidies ten name van rechtspersonen of netwerken daarvan. Dat rechtvaardigt aanwijzing van de opsporings- en handhavingsorganen die zich in het bijzonder toeleggen op deze sectoren als ontvangers van risicomeldingen. Illegale arbeid is een probleem dat veelvuldig wordt geconstateerd in de sectoren bouw en landbouw. Het tewerkstellen van werknemers die niet over een verblijfstitel of arbeidsmarktkwalificaties beschikken vindt niet zelden plaats door middel van rechtspersonen of netwerken daarvan die zijn opgezet om de werkelijk verantwoordelijken aan opsporing te onttrekken. Dat rechtvaardigt aanwijzing van uitvoerings-, opsporings- en handhavingsorganen op sociaal en fiscaal terrein als ontvanger van risicomeldingen.

Tenslotte is het vanwege hun algemene verantwoordelijkheden in de strafrechtelijke keten zonder meer noodzakelijk risicomeldingen te kunnen uitbrengen aan politie, Koninklijke marechaussee en openbaar ministerie.

Ten aanzien van de mogelijkheid om de ontvangers van risicomeldingen aan te wijzen om secundaire informatie aan derden door te geven, zijn de volgende drie hoofdregels gehanteerd.

  • 1. Er is sprake van gegevensverstrekking aan een orgaan dat zelf op grond van artikel 5a reeds gerechtigd tot het ontvangen van risicomeldingen. Bijvoorbeeld de Belastingdienst die gegevens verstrekt aan de Autoriteit Financiële Markten.

  • 2. Er is sprake van gegevensverstrekking tussen organisaties die een nauwe functionele samenhang vertonen tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke uitvoerings- en handhavingstaken en bevoegdheden op hetzelfde terrein. Bijvoorbeeld het dienstonderdeel opsporing van de Algemene Inspectiedienst dat gegevens verstrekt aan de Voedsel- en Warenautoriteit.

  • 3. Er is sprake van het verstrekken van gegevens aan organen die een of meer algemeen bepaalde taakomschrijving hebben die rechtvaardigt dat daaraan steeds alle informatie mag worden verstrekt. Bijvoorbeeld de politie, het openbaar ministerie en de AIVD. Hiermee kunnen vrijwel alle informatiebetrekkingen worden gerechtvaardigd. Bijzondere omstandigheden gelden voor artikel 5b, onder b en c. Uit hoofde van EU-regelgeving dienen De Nederlandsche Bank N.V. en de Belastingdienst zonder restrictie gegevens met buitenlandse zusterdiensten te kunnen uitwisselen. De nota van toelichting is terzake aangevuld.

Tenslotte verzoekt het Cbp de vermelding van zichzelf als ontvanger van gegevens in artikel 5b, onderdeel l, van dit besluit weg te laten om de indruk te vermijden dat het Cbp anders betrokkenheid zou hebben bij het bestrijden van misbruik van rechtspersonen. De vermelding van het Cbp vond niet zijn oorzaak in de dezerzijds gewenste betrokkenheid van het Cbp bij de bestrijding van het misbruik van rechtspersonen. Het stelsel van de Wcr en het Bcr is een zogenoemd positief stelsel. Slechts die informatiebetrekkingen die expliciet regeling hebben gevonden in de Wcr en het Bcr zijn gerechtvaardigd. Daarbuiten behoort geen verstrekking plaats te vinden. Het kan echter nodig zijn dat het Cbp bij de uitoefening van zijn bevoegdheden kennis moet nemen van verwerkte gegevens op grond van de Wcr. Om dit buiten twijfel te stellen was het Cbp – net als de rechter en de Nationale ombudsman – genoemd in artikel 5b. De aanwijzing kan bij nadere afweging worden gemist. Het Cbp moet dan, voor de gevallen waarin het noodzakelijk is dat het kennisneemt van verwerkte gegevens bij de uitoefening van zijn bevoegdheden, terugvallen op artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

Een ontwerp van dit besluit is ter consultatie voorgelegd aan het College van procureurs-generaal, de Nederlandse Orde van Advocaten, de Koninklijke Notariële Beroepsvereniging, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Raad voor de rechtspraak, het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen, de Commissie vennootschapsrecht en VNO/NCW. Een nader ontwerp van dit besluit is ter consultatie voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen.

VNO/NCW vraagt zich af of de complexiteit van artikel 5b van het besluit niet het risico oplevert van fouten. Inderdaad kan een zekere complexiteit aan dit artikel niet worden ontzegd. Het is echter zo dat omwille van de bescherming van persoonsgegevens gekozen is voor een positief stelsel in de Wcr en het Bcr. Alleen de verwerkingen die in de Wcr en het Bcr uitdrukkelijk zijn geregeld zijn rechtmatig. Dat levert voor de handhavingsinstellingen enige complexiteit op, maar tegelijk ook duidelijkheid over de omvang van de bevoegdheden.

VNO/NCW meent verder dat er geen grond is om in artikel 5, onder l, Bcr te regelen dat gegevensverstrekking buiten procespartijen om aan de rechter mogelijk is. De desbetreffende grond is uitsluitend toegevoegd om buiten twijfel te stellen dat de Wcr en het Bcr geen afbreuk doen aan de regels van burgerlijk, straf- en bestuursprocesrecht om in alle gevallen waarin dat in een lopende procedure nodig is gegevens rechtmatig aan de rechter te kunnen voorleggen.

VNO/NCW geeft er de voorkeur aan om in artikel 5a, onder f, Bcr te verwijzen naar «verantwoordelijken» in plaats van naar: bestuursorganen. Dit voorstel kan vooralsnog niet worden gevolgd. De delegatiegrondslag in de Wcr staat slechts toe te verwijzen naar bestuursorganen. Wel is het zo dat de delegatiegrondslagen in sommige opzichten voor verbetering vatbaar zijn. Er zal te zijner tijd worden voorzien in reparatiewetgeving.

VNO/NCW stelt tenslotte voor om in artikel 4, onder j, Bcr, naar analogie met artikel 4, tweede lid, Wcr, te spreken van personen die het beleid mede kunnen bepalen. Dit voorstel is overgenomen.

De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de Koninklijke Notariële Beroepsvereniging (KNB) hebben een gezamenlijke reactie ingezonden. NOvA en KNB spreken hun zorg uit over de handhaving van de privacy met betrekking tot de verwerkte gegevens en de effectiviteit van de gehele regeling. Wat de privacy betreft, is bij de Wcr mede vanwege het belang van de bescherming van persoonsgegevens gekozen voor een stelsel waarin uitdrukkelijk en limitatief geregeld wordt welke gegevensoverdrachten zijn toegestaan. In de memorie van toelichting bij de Wcr (Kamerstukken II 2008/09, 31 948, nr. 3, blz. 9–14) is uitvoerig ingegaan op de inmenging die de Wcr betekent in het privé-leven van de betrokkene en de waarborgen die zijn getroffen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Ook is in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2009/10, 31 948, C, blz. 11–15) uitvoerig ingegaan op de manier waarop betrokkenen hun rechten onder de Wet bescherming persoonsgegevens kunnen uitoefenen. Wat de effectiviteit van de regeling betreft, wijzen gebruikstesten uit dat op doelmatige wijze risicomeldingen kunnen worden aangemaakt en verzonden en dat ook de verstrekking van gegevens op doelmatige wijze kan plaatsvinden. NOvA en KNB vragen zich af of bij de verwijzing in de artikelen 3 en 4a Bcr bewust slechts uitvoering wordt gegeven aan art. 4, eerste en tweede lid, Wcr en niet naar art. 4, derde lid, Wcr. Deze vraagstelling is aanleiding geweest in de bewuste artikelen van het Bcr ook een verwijzing op te nemen naar art. 4, derde lid, Wcr. Het gevolg hiervan is dat ook expliciet is aangegeven welke gegevens van familieleden en levenspartners van bij rechtspersonen betrokken natuurlijke personen mogen worden verwerkt. NOvA en KNB vragen tenslotte om een nadere toelichting op de zeer ruim geredigeerde bepalingen in de artikelen 3, onderdeel t, en 4, onderdeel u, Bcr. Deze bepalingen zijn ontleend aan de artikelen 4, onder f, en 5, onder c, van het Bdv. Het is denkbaar dat ook uit andere bronnen dan de genoemde openbare registers en andere verwerkingen gegevens verwerkt moeten worden. De nota van toelichting op het Bdv (Stb. 2004, 564) noemt onder meer een bekend worden van een lopend onderzoek bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (thans: Financial Intelligence Unit). Daarnaast zou kunnen worden gedacht aan gegevens omtrent de toepassing van de insolventiewetgeving die niet hebben geleid tot een rechterlijke uitspraak of aan gegevens waarover de Minister van Veiligheid en Justitie beschikt in het systeem Vennoot. Hoewel in het Bcr als gevolg van een duidelijker opsomming van de te verwerken gegevens minder behoefte zal bestaan aan de toepassing van deze gronden, kunnen deze niettemin thans nog niet worden gemist. De nota van toelichting is terzake aangevuld. De Raad voor de rechtspraak en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak hebben in hun reactie laten weten geen aanleiding te zien voor het maken van inhoudelijke opmerkingen. De Commissie Vennootschapsrecht heeft aangegeven geen aanleiding te zien voor het maken van opmerkingen uit privaatrechtelijk perspectief. Het College van procureurs-generaal heeft in zijn reactie laten weten geen aanleiding te zien te zien tot het maken van opmerkingen die het besluit zelf betreffen. Wel wenst het in verband met de mogelijke gevolgen voor de capaciteit van het openbaar ministerie een voorbehoud te maken van beheersmatige aard. Van dat voorbehoud is kennisgenomen. Dit voorbehoud heeft geen consequenties voor de rijksbegroting. Van het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen is geen reactie ontvangen.

Het Interprovinciaal Overleg heeft bericht niet zelf te kunnen reageren op het ontwerpbesluit, maar dit voor te leggen aan de provincies. Dit heeft geleid tot een reactie van de DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna: DCMR), mede namens de provincie Zuid-Holland. DCMR bepleit naast aanwijzing van het bevoegd gezag in de zin van Wet milieubeheer, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Waterwet ook om aanwijzing van de zogeheten regionale uitvoeringsdiensten als orgaan dat gerechtigd is tot het verstrekken van gegevens aan de Dienst Justis. DCMR stelt dat de voorgestelde aanwijzing niet alle door DCMR (die zelf als een dergelijke dienst moet worden aangemerkt) uitgevoerde taken omvat. Inwilliging van dit verzoek is niet mogelijk. De regionale uitvoeringsdienst kan noch als bestuursorgaan, noch als dienst belast met de opsporing van strafbare feiten of het toezicht op financiële instellingen in de zin van artikel 3, tweede lid, onder e, van de Wcr worden aangemerkt. Om dezelfde reden kan de door DCMR bepleite aanwijzing van de zogeheten regionale informatie- en expertisecentra niet plaatsvinden. Aanwijzing van het Bureau Bibob als bronverwerking, zoals bepleit dooor DCMR, is evenmin mogelijk. Daarvoor zou eerst de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur moeten worden gewijzigd. Alleen al om die reden is het aanwijzen van Bureau Bibob niet aan de orde. Die omstandigheid brengt ook met zich dat het aanwijzen van Bureau Bibob als ontvanger van gegevens ontleend aan risicomeldingen niet kan plaatsvinden. Wat betreft het aanwijzen van de eerdergenoemde regionale uitvoeringsdiensten en regionale informatie- en expertisecentra als ontvanger van gegevens ontleend aan risicomeldingen geldt dat dit alleen kan plaatsvinden wanneer de afnemers van risicomeldingen daarom verzoeken. Terzake heeft alleen de politie verzocht om opname van de regionale informatie- en expertisecentra. Aan dat verzoek is gevolg gegeven. De Unie van Waterschappen verzoekt in haar reactie ook om aanwijzing van de regionale uitvoeringsdiensten als bronverwerking. Hierboven is aangegeven dat het niet mogelijk is dit verzoek in te willigen.

Van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is geen reactie ontvangen.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Onderdeel A bevat enige wetgevingstechnische wijzigingen. Aangezien de citeertitel van de Wet documentatie vennootschappen wordt vervangen door de Wet controle op rechtspersonen, behoort de verwijzing naar «de wet» in het besluit dienovereenkomstig te worden aangepast. Omdat de Wcr het oog heeft op rechtspersonen in plaats van alleen vennootschappen behoort ook de omschrijving van «een relevant strafbaar feit» te worden aangepast.

Onderdeel B

Dit onderdeel bevat een nieuwe tekst van artikel 2 van het Bcr. Overeenkomstig de in het algemeen gedeelte van deze nota toegelichte systematiek is bij het opsommen van de bronverwerkingen waaruit de Dienst Justis gerechtigd is gegevens te verwerken, uitgegaan van de bestaande opsomming in artikel 2 van het Bdv, met dien verstande dat zoveel mogelijk systematisering is toegepast en verder enige bronnen zijn toegevoegd.

De opname van alle diensten die in de zin van de Politiewet 1993 tot de politie kunnen worden gerekend in het nieuwe artikel 3, tweede lid, onder d, van de Wcr maakt dat in de opsomming van de bronverwerkingen alle in het Bdv genoemde onderdelen van diverse politiediensten kunnen vervallen. Hetzelfde geldt voor de Koninklijke marechaussee.

Verder is gebleken dat in artikel 3, tweede lid, onder c, van de Wcr reeds genoegzaam is geregeld dat de gegevens van de rijksbelastingdienst tot de brongegevens behoren, zodat dezelfde vermelding in het Bdv kan komen te vervallen. Waar in dit besluit de rijksbelastingdienst wordt genoemd als bron of als bestemming voor verwerkte gegevens omvat die aanduiding alle onderdelen van de Belastingdienst, met inbegrip van de Belastingdienst/Douane. Verder is om doelmatigheidsredenen categoraal verwezen naar de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten om de aanwijzing van de Belastingdienst/FIOD, de VROM Inlichtingen- en opsporingdienst, het dienstonderdeel opsporing van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst te kunnen handhaven. Waar sprake is van een nauwe inhoudelijke of organisatorische samenhang tussen de verwerkingen die worden verricht door de bijzondere opsporingsdiensten en andere diensten zijn ook die andere diensten aangewezen. Het betreft de Algemene Inspectiedienst (voor zover het niet betreft de opsporing), de Voedsel- en Warenautoriteit, de VROM-Inspectie en de Arbeidsinspectie. Zo geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de Algemene Inspectiedienst dat het moeilijk te rechtvaardigen valt dat uitsluitend de activiteiten van het onderdeel opsporing aanleiding geven tot het vermoeden van misbruik van rechtspersonen. De bestuursrechtelijke handhavingspraktijk van de Algemene Inspectiedienst geeft van tijd tot tijd ook aanleiding tot dergelijke vermoedens.

In artikel 2, onder i, van het Bdv was de DCMR Milieudienst Rijnmond aangewezen als dienst waarvan de gegevensverwerking kon worden aangewezen als bronverwerking. Er is bij nadere afweging geen bijzondere reden waarom de aanwijzing van deze bronverwerking beperkt moet blijven tot alleen de DCMR Milieudienst Rijnmond. Daarom is besloten om in dit besluit elk met de uitvoering en de handhaving van de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belaste gezag en alle beheerders in de zin van de Waterwet categoraal aan te wijzen als bron waaruit gegevens mogen worden verwerkt. Immers, al deze bestuursorganen zijn belast met de bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke handhaving van de milieuregelgeving.

Het openbaar ministerie, De Nederlandsche Bank N.V. en de Autoriteit Financiële Markten waren reeds aangewezen onder het Bdv. Die aanwijzing wordt hier gecontinueerd.

Voor de Arbeidsinspectie geldt dat niet rechtstreeks kan worden aangesloten bij een wettelijke begripsomschrijving. In de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving zijn ambtenaren aangewezen die belast zijn met het toezicht op de naleving van de wetgeving, behorende tot het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze ambtenaren zijn hetzij werkzaam bij de Arbeidsinspectie van dat ministerie, hetzij bij andere dienstonderdelen van dat ministerie, hetzij werkzaam bij inspectiediensten van andere ministeries. De benaming Arbeidsinspectie wordt in deze nota overigens om praktische redenen gehandhaafd.

Nieuw is de aanwijzing van de Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit (OPTA). De ervaring leert dat het gebruik van bepaalde categorieën telefoonnummers een aanwijzing kan zijn voor het misbruik maken van rechtspersonen. Gegevens afkomstig van de OPTA kunnen behulpzaam zijn bij het achterhalen van dat misbruik. Ook nieuw is aanwijzing van de Dienst Wegverkeer. De verwerking van gegevens uit het kentekenregister kan onder omstandigheden aanwijzingen opleveren dat er sprake is van strafbare feiten als tewerkstelling van illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen, ontduiking van belastingen en sociale premies en andere feiten die, naar de ervaring leert, regelmatig plaatsvinden in combinatie met het misbruik maken van rechtspersonen.

Onderdelen C, D en E

In deze onderdelen is de materie die geregeld was in de oude artikelen 3 en 4 van het Bdv opnieuw gerangschikt en aangevuld met een aantal gegevens die noodzakelijk zijn uit het oogpunt van een doelmatige controle op rechtspersonen. De verandering van het doel van de verwerking heeft tot consequentie dat er meer gegevens verwerkt zullen moeten worden, en dat het bovendien mede gegevens betreft die van een andere aard zijn dan de gegevens die onder het oude systeem werden verwerkt. Om redenen van overzichtelijkheid is het geheel gesplitst in drie artikelen.

In artikel 3 Bcr zijn de gegevens vermeld die met betrekking tot natuurlijke personen worden verwerkt. Naast de reeds op grond van het Bdv verwerkte gegevens, worden thans ook gegevens verwerkt van strafrechtelijke aard (zowel justitiële als strafvorderlijke gegevens, alsmede vonnissen). Ook gegevens met betrekking tot toezichtshandelingen en bestuurlijke sancties, afkomstig van de in artikel 2 genoemde bestuursorganen en diensten kunnen worden verwerkt. Het is van groot belang dat een risicomelding op zo zorgvuldig mogelijke wijze wordt voorbereid. Indien de Dienst Justis van het Ministerie van Veiligheid en Justitie kan beschikken over gegevens van verschillende aard die in onderlinge samenhang kunnen worden bezien, dan kan dat in belangrijke mate bijdragen tot de noodzakelijke zorgvuldigheid ten opzichte van de betrokken persoon en neemt de betrouwbaarheid van een risicomelding toe. In de artikelen 3, onder t, en 4, onder u, Bcr is tenslotte een algemeen omschreven categorie van gegevens toegevoegd die betrekking heeft op het doel van de verwerking. Deze categorie gegevens was, in enigszins andere bewoordingen, reeds opgenomen in de artikelen 4, onder f, en 5, onder c, Bdv. Het gebruikmaken van deze bepaling moet zorgvuldig gebeuren. Zeker niet ieder gegeven met betrekking tot een persoon rechtvaardigt de verwerking onder deze categorie. Hoewel in het Bcr als gevolg van een duidelijker opsomming van de te verwerken gegevens minder behoefte zal bestaan aan de toepassing van deze gronden, kunnen deze niettemin thans nog niet worden gemist. Als voorbeelden van relevante informatie die onder deze grond zou kunnen worden verwerkt, kan worden gedacht aan het bekend zijn van een lopend onderzoek bij de Financial Intelligence Unit. Daarnaast zou kunnen worden gedacht aan gegevens omtrent de toepassing van de insolventiewetgeving die niet hebben geleid tot een rechterlijke uitspraak of aan gegevens waarover de Minister van Veiligheid en Justitie beschikt in het systeem Vennoot.

In artikel 4 Bcr zijn de gegevens vermeld die met betrekking tot rechtspersonen mogen worden verwerkt. Het betreft gegevens die overeenkomen met de gegevens opgesomd in artikel 3, met dien verstande dat zij specifiek toegesneden zijn op rechtspersonen. Van deze gegevens maken overigens ook weer gegevens met betrekking tot natuurlijke personen deel uit. Immers, achter rechtspersonen schuilen uiteindelijk steeds natuurlijke personen. Een risicomelding is onvolledig wanneer de identiteit en andere relevante gegevens van die personen niet kunnen worden verwerkt.

In artikel 4a Bcr zijn enkele categorieën gegevens opgesomd, die zowel op natuurlijke als op rechtspersonen betrekking kunnen hebben. Deze gegevens werden reeds op grond van artikel 3, derde lid, Bdv verwerkt.

De uitvoering van de artikelen 33 en 34 van de Wet bescherming persoonsgegevens vergt dat de Dienst Justis actief aandacht schenkt aan de bekendmaking dat deze gegevens van natuurlijke personen worden verwerkt, welke gegevens het betreft en aan wie die gegevens worden doorgegeven. Dat zal in de eerste plaats gebeuren door middel van algemene voorlichting op de daarvoor in aanmerking komende websites van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarnaast zal, zoveel mogelijk in samenwerking met de Kamers van Koophandel en het notariaat, worden voorzien in gerichte voorlichting aan belanghebbenden. Belanghebbenden bij de oprichting van rechtspersonen of bij de inschrijving van feiten in verband met rechtspersonen krijgen dan voorafgaand aan de oprichting of inschrijving de nodige informatie.

Onderdeel F

Dit onderdeel bevat enige wijzigingen van wetgevingstechnische aard in artikel 5 Bcr.

Onderdeel G

In het nieuwe artikel 5a van het Bcr vindt de aanwijzing plaats van de bestuursorganen die gerechtigd zijn tot het ontvangen van de risicomeldingen, bedoeld in artikel 5 van de Wcr. In de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel dat leidde tot de Wcr is aangegeven dat de risicomeldingen in ieder geval zullen worden uitgebracht aan politie, openbaar ministerie, de bijzondere opsporingsdiensten en de rijksbelastingdienst, alsmede aan De Nederlandsche Bank N.V. en de Autoriteit Financiële Markten (Kamerstukken II 2008/09, 31 948, nr. 3, blz. 6 en nr. 6, blz. 14). Besloten is om de risicomeldingen ook ter beschikking te stellen aan de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, aan de Arbeidsinspectie en aan de VROM-Inspectie. Voor deze diensten geldt dat de werkzaamheden in belangrijke mate verwant zijn aan de werkzaamheden die door de bijzondere opsporingsdienst van het desbetreffende ministerie worden verricht. Bovendien blijkt bij de handhaving van de Wet arbeid vreemdelingen dat het gebruikmaken van illegale arbeid en andere vormen van arbeidsmarktfraude regelmatig plaatsvindt in combinatie met het misbruik maken van rechtspersonen. Vergelijkbare verschijnselen doen zich voor bij de handhaving van de wetgeving voor de agrarische sector en bij de handhaving van wetgeving op het gebied van het omgevingsrecht. Dit verschijnsel wordt niet alleen door de desbetreffende handhavers opgemerkt. Ook bij de uitvoering van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur door het Bureau BIBOB komen regelmatig aanwijzingen over het misbruik maken van rechtspersonen aan het licht.

In artikel 5, derde lid, van de Wcr is geregeld dat het niet is toegestaan gegevens uit risicomeldingen te verstrekken aan derden, tenzij bij algemene maatregel van bestuur verstrekking is toegestaan. Die toegestane verstrekkingen zijn geregeld in het nieuwe artikel 5b van het Bcr.

Ten aanzien van de mogelijkheid om de ontvangers van risicomeldingen aan te wijzen om deze secundaire informatie aan derden door te geven, zijn de volgende drie hoofdregels gehanteerd.

  • 1. Er is sprake van gegevensverstrekking aan een orgaan dat zelf op grond van artikel 5a reeds gerechtigd tot het ontvangen van risicomeldingen. Een voorbeeld hiervan is de Belastingdienst die gegevens verstrekt aan de Autoriteit Financiële Markten.

  • 2. Er is sprake van gegevensverstrekking tussen organisaties die een nauwe functionele samenhang vertonen tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke uitvoerings- en handhavingstaken en bevoegdheden op hetzelfde terrein. Een voorbeeld hiervan is het dienstonderdeel opsporing van de Algemene Inspectiedienst dat gegevens verstrekt aan de Voedsel- en Warenautoriteit.

  • 3. Er is sprake van de verstrekking van gegevens aan organen die een of meer algemeen bepaalde taakomschrijvingen hebben die rechtvaardigt dat daaraan steeds alle informatie mag worden verstrekt. Voorbeelden hiervan zijn de politie, het openbaar ministerie en de AIVD.

  • 4. Bijzondere omstandigheden gelden voor artikel 5b, onder b en c. Uit hoofde van EU-regelgeving dienen De Nederlandsche Bank N.V. en de Belastingdienst zonder restrictie gegevens met buitenlandse zusterdiensten te kunnen uitwisselen.

Het is niet de bedoeling dat de gegevensverstrekking op grond van artikel 5b Bcr wordt benut om zelfstandige elementen uit de risicomeldingen te lichten en die vervolgens verder te verstrekken. Immers, vaak zullen deze elementen op zichzelf genomen als politiegegevens, of als justitiële of strafvorderlijke gegevens moeten worden aangemerkt. Verstrekking van politiegegevens, justitiële gegevens of strafvorderlijke gegevens kan alleen plaatsvinden met toepassing van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens door hen die gerechtigd zijn deze gegevens te verstrekken en aan hen die gerechtigd zijn deze gegevens te ontvangen ten behoeve van de in die wetten geregelde doeleinden.

Om buiten twijfel te stellen dat op grond van dit besluit rechtmatige verstrekking van justitiële en strafvorderlijke gegevens kan plaatsvinden, als integraal onderdeel van de risicomelding, is dit besluit mede gebaseerd op artikel 52, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Tenslotte is geregeld dat de diensten die gerechtigd zijn risicomeldingen te ontvangen ook bevoegd zijn deze zonodig te verstrekken aan de Nationale ombudsman en de rechter. Het belang bij het vertrouwelijk blijven van een risicomelding weegt niet op tegen het belang van een volkomen onbelemmerde uitoefening van de ombudsfunctie en de rechtsprekende functie. De verstrekking van gegevens aan de rechter vindt overigens plaats in overeenstemming met de regels voor het burgerlijk, straf- en bestuursprocesrecht.

Onderdeel H

Het eerste onderdeel bevat een wijziging van wetgevingstechnische aard. Het tweede onderdeel bevat een nieuwe opsomming van de zogeheten vaste gebruikers van de gegevens afkomstig uit de verwerking van de Dienst Justis die taken uitoefenen op het gebied van de opsporing en vervolging van strafbare feiten in algemene zin. In vergelijking met de opsomming van de vaste gebruikers in het Bdv zijn enige veranderingen aangebracht. De meeste veranderingen houden verband met het gebruik van meer doelmatige verwijzingen. Veel organen en diensten kunnen vervallen, omdat zij deel uitmaken van de politie, zoals gedefinieerd in de Politiewet 1993. Verder zijn de bijzondere opsporingsdiensten in één verwijzing samengevat. Inhoudelijke wijzigingen betreft de categorale aanwijzing van alle milieudiensten, volgens dezelfde systematiek als hierboven toegelicht bij onderdeel B. Er is geen reden de informatiemogelijkheid van de Dienst Justis over relevante feiten op het gebied van de handhaving van de milieuwetgeving uitsluitend te beperken tot de DCMR Milieudienst Rijnmond. Verder zijn de diensten die reeds gerechtigd zijn tot het ontvangen van risicomeldingen – voor zover niet reeds genoemd in het Bdv – omwille van de volledigheid toegevoegd aan de opsomming van vaste gebruikers.

Onderdeel I

Dit onderdeel bevat een wijziging van de citeertitelbepaling.

Artikelen II en III

In deze artikelen worden enkele verwijzingen in diverse algemene maatregelen van bestuur in overeenstemming gebracht met de nieuwe Wcr.

Artikelen IV en V

De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de Wet politiegegevens kennen een gesloten stelsel van gegevensverstrekking. Buiten de uitdrukkelijk bij of krachtens deze wetten geregelde verstrekkingen mogen justitiële en strafvorderlijke gegevens, respectievelijk politiegegevens, niet worden verstrekt. Aangezien de Dienst Justis deze gegevens ten behoeve van het in artikel 2 Wcr geregelde doeleinde zal moeten verwerken, moet daarvoor een grondslag worden gelegd. De artikelen IV en V voorzien daarin door middel van wijziging van het Besluit justitiële gegevens en het Besluit politiegegevens. Uit artikel 2 van het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten vloeit voort dat de wijziging van artikel 4:3, eerste lid, onder a, eerste streepje, van het Besluit politiegegevens ook betrekking heeft op de verstrekking van politiegegevens door de bijzondere opsporingsdiensten aan de Dienst Justis.

Artikel VI

Hoewel gestreefd wordt naar inwerkingtreding van de Wcr en het onderhavige besluit op zo kort mogelijke termijn is enige flexibiliteit ten aanzien van deze datum gewenst. Daarom wordt geregeld dat dit besluit op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treedt.

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.