Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2011
Nr. 108

Gepubliceerd op 4 maart 2011 09:00



Besluit van 26 februari 2011 tot vaststelling van het besluit voorkoming dubbele belasting voor de BES eilanden (Besluit voorkoming dubbele belasting BES)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2010, nr. AFP 2010/555;

Gelet op artikel 8.120 van de Belastingwet BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 december 2010, nr. W06.10.0529/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 10 februari 2011, nr. AFP 2010/680 U;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. REIKWIJDTE EN DEFINITIES

Artikel 1. Reikwijdte

  • 1. Dit besluit is van toepassing voor de heffing van de navolgende belastingen:

    • a. inkomstenbelasting BES;

    • b. loonbelasting BES;

    • c. kansspelbelasting als bedoeld in hoofdstuk VIIA van de Belastingwet BES.

  • 2. Dit besluit vindt slechts toepassing voor zover niet op andere wijze in het voorkomen van dubbele belasting is voorzien.

Artikel 2. Vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger

  • 1. In dit besluit wordt verstaan onder vaste inrichting: een duurzame inrichting van een onderneming met behulp waarvan de werkzaamheden van die onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, daaronder begrepen:

    • a. de zetel van de leiding van de onderneming;

    • b. landbouwgronden;

    • c. werken waarvan de uitvoering langer dan twaalf maanden duurt.

  • 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt niet als een vaste vertegenwoordiger beschouwd:

    • a. een volkomen onafhankelijke vertegenwoordiger;

    • b. een vertegenwoordiger die niet tot het afsluiten van transacties bevoegd is, ongeacht of hij voor spoedafleveringen een voorraad houdt.

  • 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger niet aanwezig geacht, ingeval slechts goederen in commissie worden gehouden.

Artikel 3. Mogendheid en gebied van een andere Mogendheid

  • 1. In dit besluit wordt onder Mogendheid mede verstaan: een bestuurlijke eenheid.

  • 2. In dit besluit wordt onder gebied van een andere Mogendheid verstaan: het grondgebied van die Mogendheid, daaronder begrepen het gebied buiten de territoriale zee van die Mogendheid waar deze in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten kan uitoefenen.

Artikel 4. Dividenden, interest en royalty’s

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. dividenden:

voordelen uit aandelen, winstbewijzen of andere rechten, met uitzondering van schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst van vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;

b. interest:

voordelen uit overheidsleningen, obligaties of schuldbewijzen en andere schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet aanspraak gevende op een aandeel in de winst;

c. royalty’s:

vergoedingen van welke aard ook voor:

  • 1°. het gebruik van, of het recht op gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van de wetenschap, een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of werkwijze, of

  • 2°. inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.

HOOFDSTUK 2. INKOMSTENBELASTING

AFDELING 1 ALGEMENE BEPALING

Artikel 5. Uitstel van betaling bij emigratie

Voor de toepassing van dit hoofdstuk blijven inkomensbestanddelen als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting BES en de daarover verschuldigde belasting buiten beschouwing.

AFDELING 2 VRIJSTELLING

Artikel 6. Vrijstelling

Een op de BES eilanden wonende belastingplichtige is vrijgesteld van de inkomstenbelasting die betrekking heeft op buitenlands inkomen uit een andere Mogendheid.

Artikel 7. Buitenlands inkomen uit een andere Mogendheid
  • 1. Het buitenlands inkomen uit een andere Mogendheid bestaat uit het gezamenlijke bedrag van hetgeen de belastingplichtige als bestanddeel van het inkomen uit die Mogendheid geniet als:

    • a. zuivere winst uit buitenlandse onderneming, zijnde een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat, wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting of van een vaste vertegenwoordiger binnen het gebied van de andere Mogendheid;

    • b. zuivere opbrengst uit arbeid ter zake van het binnen het gebied van de andere Mogendheid in privaatrechtelijke dienstbetrekking verrichten of hebben verricht van arbeid;

    • c. zuivere opbrengst uit arbeid ter zake van het in publiekrechtelijke dienstbetrekking tot een binnen het gebied van de andere Mogendheid gevestigde publiekrechtelijke rechtspersoon verrichten of hebben verricht van arbeid, waarbij deze opbrengst ten laste komt van die rechtspersoon of van een door zulk een rechtspersoon in het leven geroepen fonds;

    • d. zuivere opbrengst van rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een publiekrechtelijke regeling ten laste van een binnen het gebied van de andere Mogendheid gevestigde publiekrechtelijke rechtspersoon of van een door een zodanige rechtspersoon in het leven geroepen fonds,

    voor zover deze inkomensbestanddelen zijn onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege die andere Mogendheid wordt geheven.

  • 2. Bij het bepalen van de winst uit een buitenlandse onderneming worden aan die buitenlandse onderneming de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.

  • 3. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde zuivere opbrengst uit arbeid wordt bij arbeid die korter dan dertig dagen aaneengesloten binnen het gebied van de andere Mogendheid is verricht, alleen beschouwd te zijn onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege die Mogendheid wordt geheven indien blijkt dat ter zake hiervan aan die Mogendheid belasting is betaald.

  • 4. In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel c, is, indien de aldaar bedoelde opbrengst uit arbeid wordt genoten ter zake van het verrichten of verricht hebben van arbeid ten behoeve van een onderneming, op deze opbrengst uit arbeid het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, van toepassing.

Artikel 8. Vermindering belasting bij buitenlands inkomen
  • 1. De in artikel 6 bedoelde vrijstelling voor buitenlands inkomen wordt voor elke Mogendheid waaruit de belastingplichtige zodanig inkomen geniet afzonderlijk toegepast door een vermindering te verlenen op de verschuldigde inkomstenbelasting.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde vermindering is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting BES verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het buitenlands inkomen uit een Mogendheid staat tot het noemerinkomen.

  • 3. De vermindering, dan wel, ingeval de belastingplichtige uit meer dan een Mogendheid buitenlands inkomen geniet, het gezamenlijke bedrag van de verminderingen, kan, met inachtneming van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele belasting, niet meer bedragen dan het bedrag van de belasting dat zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting BES verschuldigd zou zijn over het inkomen.

  • 4. Onder de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting BES verschuldigd zou zijn over het inkomen wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting, bedoeld in artikel 24A van de Wet inkomstenbelasting BES.

  • 5. Onder noemerinkomen wordt verstaan het inkomen verminderd met de – met overeenkomstige toepassing van artikel 15 van de Wet inkomstenbelasting BES – te verrekenen negatieve bedragen aan inkomen uit andere jaren.

Artikel 9. Doorschuifregeling
  • 1. Een bedrag aan in een jaar vrij te stellen buitenlands inkomen – per Mogendheid berekend met inachtneming van de verrekening volgens artikel 10 – dat door de toepassing van artikel 8, derde lid, niet leidt tot een vermindering van belasting over dat jaar, wordt overgebracht naar het volgend jaar. Deze overbrenging vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over te brengen buitenlandse inkomen door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 2. In het jaar waarnaar de overbrenging plaatsvindt, wordt voor de berekening van de vermindering van artikel 8 het buitenlandse inkomen verhoogd met het over te brengen bedrag aan buitenlands inkomen. Het noemerinkomen wordt niet verhoogd.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toedeling van het vrij te stellen buitenlandse inkomen per Mogendheid aan de te verlenen vermindering volgens artikel 8 en de overbrenging van buitenlands inkomen naar een volgend jaar van het eerste lid.

Artikel 10. Inhaalregeling

Indien het buitenlandse inkomen uit een Mogendheid – berekend met inachtneming van de overbrenging per Mogendheid volgens artikel 9 – negatief is, wordt het voor de toepassing van de vermindering van artikel 8 aangemerkt als negatief buitenlands inkomen van het volgend jaar uit die Mogendheid. De inspecteur stelt het naar het volgend jaar over te brengen negatieve buitenlandse inkomen vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

AFDELING 3 VERREKENING

Artikel 11. Verrekening buitenlandse belasting op dividenden, interest en royalty’s
  • 1. Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, ter verrekening van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting naar het inkomen, een vermindering van inkomstenbelasting verleend voor in het inkomen, maar niet in enig in artikel 7 bedoeld buitenlands inkomen, begrepen dividenden, interest en royalty’s.

  • 2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het laagste van de volgende bedragen:

    • a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere Mogendheden geheven belasting over dividenden, interest en royalty’s;

    • b. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende jaar zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting BES verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het bedrag aan dividenden, interest en royalty’s van dat jaar waarover door een andere Mogendheid belasting is geheven, staat tot het noemerinkomen.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, wordt de belasting die vanwege andere Mogendheden is geheven over dividenden tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan tot 5 percent van die dividenden.

  • 4. Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, worden dividenden en interest verminderd met de daarmee verband houdende kosten, en worden royalty’s verminderd met de daarop rechtstreeks drukkende kosten.

  • 5. Artikel 8, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 6. De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele belasting en volgens artikel 8, ten hoogste het bedrag aan belasting over het inkomen dat zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting BES verschuldigd zou zijn.

Artikel 12. Uiteindelijk gerechtigde
  • 1. Bij de toepassing van artikel 11 wordt geen vermindering verleend indien de belastingplichtige niet de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenden, interest of royalty’s waarop door een andere Mogendheid belasting naar het inkomen is geheven. Niet als uiteindelijk gerechtigde wordt beschouwd de belastingplichtige die in samenhang met de ontvangen opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:

    • a. de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in mindere mate gerechtigd is tot vermindering van de op de BES eilanden verschuldigde belasting dan de belastingplichtige die de tegenprestatie heeft verricht, en

    • b. deze natuurlijke persoon of rechtspersoon een positie in rechten waaruit de opbrengst is genoten op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke rechten voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid:

    • a. kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde effectenbeurs of markt;

    • b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of rentetermijnen, of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op rechten.

Artikel 13. Voortwenteling niet verrekende belasting dividenden, interest en royalty’s

Het bedrag van de in een jaar vanwege andere Mogendheden geheven belasting, bedoeld in artikel 11, dat door de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, of het vijfde lid, van dat artikel niet leidt tot een vermindering van inkomstenbelasting over dat jaar, wordt aangemerkt als vanwege andere Mogendheden geheven belasting van het daaropvolgende jaar. Deze voortwenteling vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.

AFDELING 4 FORMELE EN OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 14. Beschikkingen doorschuifregeling
  • 1. De inspecteur stelt het bedrag van het volgens artikel 9 naar een volgend jaar over te brengen buitenlandse inkomen per Mogendheid vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze vaststelling gebeurt gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar. Het bedrag van het naar het volgend jaar over te brengen buitenlands inkomen wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.

  • 2. Rechtsmiddelen tegen een beschikking als bedoeld in het eerste lid kunnen uitsluitend betrekking hebben op:

    • a. de grootte van het over te brengen bedrag aan buitenlands inkomen, voor zover niet eerder vastgesteld, en

    • b. de toepassing van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 9, derde lid.

  • 3. Het bedrag aan buitenlands inkomen dat volgens artikel 9, eerste lid, naar het volgend jaar wordt overgebracht, kan worden herzien of alsnog worden vastgesteld, indien:

    • a. een aanslag wordt verminderd wegens de verrekening van verliezen uit andere jaren;

    • b. de inspecteur een navorderingsaanslag vaststelt;

    • c. de inspecteur een beschikking herziet waarin het bedrag van een verlies wordt vastgesteld;

    • d. enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het bedrag van het over te brengen buitenlands inkomen te hoog is vastgesteld, waarbij de herziening alleen kan plaatsvinden voor in de beschikking opgenomen buitenlands inkomen dat is genoten in een van de twaalf voorafgaande jaren.

  • 4. In afwijking in zoverre van artikel 9, eerste lid, tweede volzin, wordt, indien het derde lid toepassing vindt, het herziene of het alsnog vastgestelde bedrag aan buitenlands inkomen dat naar het volgend jaar wordt overgebracht, in het volgend jaar in aanmerking genomen zonder dat dit bedrag vooraf door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld. De vorige volzin vindt overeenkomstige toepassing voor zover de herziening gevolgen heeft voor bedragen die worden overgebracht naar jaren waarvoor al een aanslag is vastgesteld.

Artikel 15. Beschikkingen inhaalregeling
  • 1. De inspecteur stelt het bedrag van het volgens artikel 10 naar een volgend jaar over te brengen negatieve buitenlandse inkomen per Mogendheid vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 2. Artikel 14, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede lid, derde lid en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien het negatieve buitenlands inkomen niet bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld, wordt het bedrag in het volgende jaar toch in aanmerking genomen als negatief bestanddeel van het buitenlands inkomen. Het bedrag wordt niet meer in aanmerking genomen indien de termijn waarbinnen de inspecteur bevoegd is om een aanslag vast te stellen over het eerste jaar waarin een lager naar het volgend jaar over te brengen bedrag aan negatief buitenlands inkomen bij voor bezwaar vatbare beschikking had moeten worden vastgesteld, met meer dan twee jaar is overschreden.

Artikel 16. Beschikkingen verrekening
  • 1. De inspecteur stelt de volgens artikel 13 over te brengen bedragen aan vanwege andere Mogendheden geheven belasting vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 2. Artikel 14, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede lid, derde lid en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17. Emigratie en terugkeer

Ingeval de belastingplichtige in een jaar ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn, en binnen een termijn van acht jaren na afloop van dit jaar wederom binnenlands belastingplichtige wordt, worden de over het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de binnenlandse belastingplicht is geëindigd volgens de artikelen 14, 15 en 16 vastgestelde bedragen aan over te brengen buitenlands inkomen, negatief buitenlands inkomen en vanwege andere Mogendheden geheven belasting, aangemerkt als bedragen die in het jaar voorafgaande aan het opnieuw binnenlands belastingplichtig worden, zijn vastgesteld.

HOOFDSTUK 3. LOONBELASTING

Artikel 18. Vrijstelling van loonbelasting

Een op de BES eilanden wonende werknemer is vrijgesteld van de loonbelasting die betrekking heeft op door hem genoten loon waarop artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is, en dat is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege de andere Mogendheid, bedoeld in dat artikel, wordt geheven.

HOOFDSTUK 4. KANSSPELBELASTING

Artikel 19. Vrijstelling kansspelbelasting

Een op de BES eilanden wonende of gevestigde gerechtigde tot een prijs van een buitenlands kansspel is vrijgesteld van de daarop betrekking hebbende kansspelbelasting, indien die prijs is onderworpen aan een gelijksoortige belasting, die vanwege een andere Mogendheid of vanwege de in het Europese deel van Nederland toepasselijke belastingwetgeving wordt geheven.

HOOFDSTUK 5. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 20. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2011 om 00:00 uur in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05:00 uur in het Europese deel van Nederland.

Artikel 21. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorkoming dubbele belasting BES.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 26 februari 2011

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

F. H. H. Weekers

Uitgegeven de vierde maart 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

Sinds 10 oktober 2010 vormen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES eilanden) een onderdeel van Nederland. Tot 1 januari 2011 is het Nederlands-Antilliaanse fiscale stelsel op de BES eilanden als Nederlandse wetgeving van kracht gebleven. Vanaf 1 januari 2011 geldt op de BES eilanden een nieuw fiscaal stelsel. Dit nieuwe fiscale stelsel is neergelegd in de Belastingwet BES, de Douane- en Accijnswet BES alsmede de Invoeringswet fiscaal stelsel BES.

Op basis van dit nieuwe fiscale stelsel worden natuurlijke personen die inwoner zijn van de BES eilanden betrokken in de heffing van belastingen naar het inkomen waar ook ter wereld verkregen. Ook worden prijzen van buitenlandse kansspelen verkregen door inwoners van de BES eilanden ingevolge hoofdstuk VIIA van de Belastingwet BES belast met kansspelbelasting. De belastingheffing voor lichamen is in dit nieuwe fiscale stelsel niet gebaseerd op het concept van belastbaarheid van de wereldwinst1. Dit betekent dat voor lichamen die tevens inkomen uit derde landen verkrijgen geen dubbele belastingheffing kan ontstaan ter zake van dat inkomen.

Het onderhavige Besluit voorkoming dubbele belasting BES (hierna: Besluit BES) heeft tot doel om voor personen die inwoner zijn van de BES eilanden en die tevens inkomsten uit andere landen genieten dubbele belasting te voorkomen. De reikwijdte van het Besluit BES beperkt zich aldus tot de inkomstenbelasting BES, de loonbelasting BES en de kansspelbelasting die van toepassing is op de BES eilanden.

Het onderhavige Besluit BES is gebaseerd op de delegatiebepaling van artikel 8.120 van de Belastingwet BES. Het betreft een eenzijdige regeling ter voorkoming van dubbele belasting voor situaties waarin niet op andere wijze, bijvoorbeeld door middel van een belastingverdrag, in voorkoming van dubbele belasting is voorzien. Bij de vormgeving van het Besluit BES is het bestaande Besluit voorkoming dubbele belasting 20012 (hierna: Besluit 2001) als uitgangspunt genomen. Ten behoeve van eenduidigheid is ook in de toelichting – waar mogelijk – gekozen voor formuleringen die zijn ontleend aan de toelichtingen bij het Besluit 2001. Ten slotte wordt vermeld dat in het Besluit BES geen bepaling is opgenomen voor kostenaftrek, zoals opgenomen in artikel 18 van het Besluit 2001. Aangezien in de Wet inkomstenbelasting BES geen bepaling is opgenomen die de mogelijkheid van kostenaftrek afhankelijk maakt van het al dan niet van toepassing zijn van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting, is een dergelijke bepaling in het Besluit BES overbodig.

II. Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1

Artikel 1. Reikwijdte

Artikel 1, eerste lid bevat een opsomming van drie belastingen waarvoor in het Besluit BES een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is opgenomen. De eerste twee belastingen zijn de inkomstenbelasting BES en de loonbelasting BES. Voor de volledigheid zij hierbij vermeld dat in de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is geregeld dat de oorspronkelijke Nederlands-Antilliaanse Landsverordening IB 1943 en Landsverordening LB 1976 zijn omgezet in de Wet inkomstenbelasting BES, respectievelijk de Wet loonbelasting BES. Vervolgens zijn in de hoofdstukken IIA en IIB van de Invoeringswet fiscaal stelsel BES de Wet inkomstenbelasting BES en de Wet loonbelasting BES aangepast. De derde belasting is de kansspelbelasting die in de Belastingwet BES is opgenomen. Ingevolge artikel 7a.1 van de Belastingwet BES is de prijswinnaar van een buitenlands kansspel belastingplichtig voor de kansspelbelasting. Zoals reeds hierboven in het algemene deel van deze toelichting is vermeld, is de belastingheffing voor lichamen in het fiscale stelsel van de BES eilanden niet gebaseerd op het concept van belastbaarheid van de wereldwinst. Dit betekent dat in principe voor lichamen die tevens inkomen uit derde landen verkrijgen geen dubbele belastingheffing kan ontstaan ter zake van dat inkomen. Dit is de reden dat de vastgoedbelasting en de opbrengstbelasting niet zijn opgenomen in het lijstje van belastingen.

Ingevolge het tweede lid vindt het Besluit BES slechts toepassing voor zover niet op andere wijze in het voorkomen van dubbele belasting is voorzien. Hiermee wordt de aanvullende werking van het Besluit BES tot uitdrukking gebracht. Deze bepaling is ontleend aan artikel 1, tweede lid, van het Besluit 2001. Voor de volledigheid wordt hierbij vermeld dat thans slechts één verdrag ter voorkoming van dubbele belasting naar het inkomen van toepassing is voor de BES eilanden, namelijk het verdrag gesloten tussen de Nederlandse Antillen en Noorwegen3. Dit verdrag is na de staatkundige hervorming van toepassing voor de BES eilanden. Daarnaast is vanaf 1 januari 2011 de zogenoemde Belastingregeling voor het land Nederland (hierna: BRN) van toepassing. De BRN is bedoeld om situaties van dubbele belasting tussen het Europese deel van Nederland en de BES eilanden zoveel mogelijk weg te nemen. Ten slotte wordt hierbij vermeld dat voor de fiscale betrekkingen tussen Nederland, Curaçao, (respectievelijk Sint Maarten en Aruba) de (aangepaste) Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK)4 van toepassing blijft. Dit kan bijvoorbeeld opkomen indien een inwoner van Bonaire bepaalde activiteiten verricht op Curaçao. Het Besluit BES vindt aldus slechts toepassing voor zover niet het belastingverdrag met Noorwegen, de BRN of de BRK van toepassing is.

Artikel 2. Vaste inrichting

De in artikel 2 opgenomen omschrijving van de begrippen vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger is ontleend aan de omschrijving zoals opgenomen in artikel 2 van het Besluit 2001. In de nota van toelichting bij het Besluit 2001 is tot uitdrukking gebracht dat bij de uitleg van de desbetreffende begrippen in beginsel aansluiting kan worden gezocht bij de uitleg van het begrip vaste inrichting in het OESO-modelverdrag.

Artikel 3. Mogendheid en gebied van een andere Mogendheid

De in artikel 3, eerste lid, gegeven omschrijving van het begrip Mogendheid is ontleend aan artikel 3 van het Besluit 2001. In de nota van toelichting op het Besluit 2001 is tot uitdrukking gebracht dat sprake is van gelijkstelling tussen Mogendheden en bepaalde bestuurlijke eenheden. Als voorbeelden van dergelijke bestuurlijke eenheden worden aldaar genoemd Hong Kong, de Palestijnse autoriteit en Macau. Tevens is daar gemeld dat met het gebruik van het begrip Mogendheid niet bedoeld is een beperking te geven tot staatkundige eenheden die volkenrechtelijk als Mogendheid worden erkend. Indien staatkundige eenheden de facto heffingsbevoegdheid uitoefenen, kunnen zij mede onder het begrip Mogendheid worden begrepen.

In het tweede lid is een omschrijving gegeven van de uitdrukking het gebied van een andere Mogendheid. Deze bepaling is ontleend aan artikel 4 van het Besluit 2001. Een Mogendheid kan op basis van het internationale recht toch beperkte soevereine rechten uitoefenen op het deel van het continentaal plat dat aan die Mogendheid is toegewezen, terwijl op grond van het internationale recht de internationale wateren niet tot het grondgebied van die Mogendheid behoren. Dit is de reden dat in het Besluit BES de internationale wateren, voor zover die zich bevinden boven het deel van het continentaal plat waar een Mogendheid beperkte soevereine rechten kan uitoefenen, tot het gebied van die Mogendheid worden gerekend.

Artikel 4. Dividenden, interest en royalty’s

De in artikel 4 opgenomen omschrijving van de begrippen dividenden, interest en royalty’s komt materieel bijna volledig overeen met de definities neergelegd in artikel 10, derde lid, artikel 11, derde lid en artikel 12, tweede lid, van het OESO-modelverdrag.

Hoofdstuk 2

Afdeling 1
Artikel 5. Uitstel van betaling bij emigratie

Artikel 5 is ontleend aan artikel 7 van het Besluit 2001. Op grond van artikel 11, vijfde lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting BES is sprake van een (fictieve) vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen indien een belastingplichtige de BES eilanden metterwoon verlaat. Ter zake van deze (fictieve) vervreemding wordt een belastingaanslag opgelegd. Op basis van de Uitvoeringsregeling Belastingwet BES wordt echter op verzoek van de belastingplichtige uitstel van betaling verleend, mits voldoende zekerheid is gesteld. Het in de heffing betrekken van de in artikel 11, vijfde lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting BES bedoelde inkomensbestanddelen vormt hierbij een instrument tot behoud en zekerstelling van de heffingsrechten van toepassing op de BES eilanden. In overeenstemming hiermee is het de bedoeling dat, zolang geen niet-toegestane handeling wordt verricht, en het uitstel van betaling niet wordt beëindigd, het opleggen van een belastingaanslag geen gevolgen heeft voor de fiscale positie van de desbetreffende belastingplichtige. In lijn hiermee wordt in artikel 5 bepaald dat de desbetreffende inkomensbestanddelen waarvoor uitstel van betaling is verleend – het «te conserveren inkomen» – en de daarover verschuldigde belasting buiten beschouwing blijven bij de bepaling van de voorkoming dubbele belasting. De onderhavige bepaling betekent enerzijds dat de inkomensbestanddelen bedoeld in artikel 11, vijfde lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting BES, niet in de noemer van de voorkomingsbreuk worden betrokken, waardoor deze de voorkoming over de overige inkomsten niet beperken. Anderzijds telt ook de belasting over deze inkomensbestanddelen niet mee, waardoor voor deze belasting geen voorkoming wordt verleend. Dit laatste is in overeenstemming met de ratio van de regeling betreffende uitstel van betaling als waarborg voor de heffingsrechten van toepassing op de BES eilanden.

Afdeling 2
Artikel 6. Vrijstelling

In artikel 6 wordt als algemene regel vooropgesteld dat een op de BES eilanden wonende belastingplichtige is vrijgesteld van de inkomstenbelasting die betrekking heeft op buitenlands inkomen. De nadere uitwerking hiervan vindt vervolgens plaats in de artikelen 7 tot en met 10. Deze bepaling is ontleend aan artikel 8 van het Besluit 2001.

Artikel 7. Buitenlands inkomen uit een andere Mogendheid

Artikel 7, eerste lid, dat is ontleend aan artikel 9, eerste lid, van het Besluit 2001, geeft een uitwerking van wat onder het buitenlandse inkomen uit een andere Mogendheid wordt verstaan. Dit zijn de buitenlandse inkomensbestanddelen waarvoor voorkoming wordt verleend door middel van de vrijstellingsmethode. Bij de vaststelling van de hoogte van de vrijstelling wordt de zogenoemde afzonderlijke methode gehanteerd, waarbij de voorkoming per land afzonderlijk wordt bezien. In artikel 8 vindt de bepaling van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wegens buitenlands inkomen ook per Mogendheid plaats. Het slot van artikel 7, eerste lid, komt letterlijk overeen met de slotzinsnede van artikel 9, eerste lid, van het Besluit 2001 en bevat de zogenoemde onderworpenheidseis.

De tekst van het tweede lid is ontleend aan artikel 7, tweede lid, van het OESO-modelverdrag. Hiermee wordt benadrukt dat het arm’s-lengthbeginsel bepalend is voor de winsttoerekening aan hoofdhuis en vaste inrichting. De reikwijdte van de zelfstandigheidsfictie wordt bepaald door het commentaar op artikel 7 OESO-modelverdrag. Door aan te sluiten bij het commentaar op het OESO-modelverdrag wordt bewerkstelligd dat ontwikkelingen in internationaal verband ten aanzien van de uitleg van de zelfstandigheidsfictie kunnen worden gevolgd.

Het derde lid bevat een onderworpenheidseis voor kortstondige werkzaamheden in het kader van een dienstbetrekking in het buitenland. Achtergrond is dat dergelijke kortdurende werkzaamheden in het buitenland vaak niet in de heffing worden betrokken.

In het vierde lid is bepaald dat op loon dat wordt genoten van een overheidsonderneming van een andere Mogendheid de bepaling van het eerste lid, onderdeel b, van toepassing is. De vrijstelling wordt in dat geval alleen verleend voor het loon ter zake van het verrichten van arbeid op het gebied van die andere Mogendheid.

Artikel 8. Vermindering belasting bij buitenlands inkomen

De bepalingen van artikel 8 zijn ontleend aan artikel 10 van het Besluit 2001. In dit artikel is bepaald op welke wijze de vrijstelling voor buitenlands inkomen wordt toegepast.

In het eerste lid is bepaald dat de vrijstelling wordt toegepast door een vermindering te verlenen op de – zonder de toepassing van het Besluit BES – verschuldigde inkomstenbelasting. Hierin is uitdrukkelijk neergelegd dat de voorkoming volgens de zogenoemde afzonderlijke methode plaatsvindt door te bepalen dat de vrijstelling (vermindering) voor elke Mogendheid waaruit de belastingplichtige buitenlands inkomen geniet afzonderlijk wordt toegepast.

In het tweede lid wordt de omvang van de vermindering bepaald. Dit gebeurt door middel van de zogenoemde evenredigheidsbreuk. De teller hiervan wordt gevormd door het buitenlands inkomen uit een Mogendheid. De noemer bestaat uit het noemerinkomen. Dit noemerinkomen wordt in het vijfde lid omschreven als het inkomen verminderd met de – met overeenkomstige toepassing van de regels voor de verliesverrekening uit de Wet inkomstenbelasting BES – te verrekenen negatieve bedragen aan inkomen uit andere jaren. De verwijzing naar regels voor de verliesverrekening ziet bijvoorbeeld op de termijnen en de volgorde van verrekening. Vermenigvuldiging van voornoemde breuk met de, zonder de toepassing van het Besluit BES, verschuldigde belasting levert de vermindering van inkomstenbelasting op.

De verschuldigde belasting wordt hierbij in het vierde lid omschreven als de over het kalenderjaar berekende belasting bedoeld in artikel 24A van de Wet inkomstenbelasting BES.

In het derde lid wordt geregeld dat de totale vermindering niet meer kan zijn dan de hiervoor bedoelde verschuldigde belasting zonder toepassing van het Besluit BES. Hiermee is beoogd aan te geven dat de vrijstelling van buitenlandse inkomensbestanddelen niet kan leiden tot een teruggaaf van belasting.

Artikel 9. Doorschuifregeling

Artikel 9 is gebaseerd op artikel 11 van het Besluit 2001. Hierin is de zogenoemde doorschuifregeling vastgelegd. Het gaat om situaties waarin de vrijstelling van buitenlands inkomen niet ten volle kan worden gerealiseerd, bijvoorbeeld omdat de belastingplichtige naast positieve buitenlandse inkomsten, negatieve inkomsten uit andere (binnenlandse) bronnen heeft. Met deze doorschuifregeling wordt voorkomen dat een aanspraak op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting verloren gaat.

Op basis van het derde lid kan een ministeriële regeling vervaardigd worden, waarbij de huidige Uitvoeringsregeling Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 tot uitgangspunt zal dienen.

Artikel 10. Inhaalregeling

De in artikel 10 opgenomen zogenoemde inhaalregeling is ontleend aan artikel 12 van het Besluit 2001. Hierin wordt de situatie behandeld waarin het buitenlands inkomen uit een Mogendheid negatief is. Dit negatieve buitenlandse inkomen maakt deel uit van het inkomen dat de grondslag vormt voor de heffing van de inkomstenbelasting BES. Dergelijke buitenlandse verliezen worden derhalve bij de belastingheffing onmiddellijk in aanmerking genomen. De inhaalregeling bepaalt nu dat in latere jaren pas een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt verleend, nadat het eerder in aanmerking genomen buitenlandse verlies is verrekend met de positieve opbrengsten van deze latere jaren.

Afdeling 3
Artikel 11. Verrekening buitenlandse belasting op dividenden, interest en royalty’s

Artikel 11 regelt de verrekening van buitenlandse (bron)belasting op dividenden, interest en royalty’s. Voor de volledigheid wordt hierbij vermeld dat verrekening ook toepasbaar is voor dividenden uitgekeerd door een buitenlandse vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden. De bepalingen in dit artikel zijn ontleend aan artikel 15 van het Besluit 2001. In afwijking van de regeling in het Besluit 2001 is hier gekozen om de verrekeningsmogelijkheid te verlenen voor alle buitenlandse (bron)belasting op dividenden, interest en royalty’s en aldus geen beperking aan te brengen tot dergelijke opbrengsten, die ontvangen zijn uit ontwikkelingslanden. De reden voor een dergelijke ruime verrekening is dat inwoners van de BES eilanden in de nieuwe staatkundige verhouding geen gebruik kunnen maken van het uitgebreide Nederlandse verdragennetwerk en dat voor hen slechts één belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belasting naar het inkomen van toepassing is, namelijk het verdrag met Noorwegen5. Het is gebruikelijk in een belastingverdrag wel een dergelijke ruime verrekening te verlenen.

De in artikel 15 van het Besluit 2001 opgenomen onderworpenheidseis is in het eerste lid niet overgenomen. Een dergelijke eis is strikt genomen overbodig aangezien het om de verrekeningsmethode gaat (indien geen sprake is van onderworpenheid, zal geen belasting worden geheven en valt er niets te verrekenen). De uitzondering voor dividenden, interest en royalty’s die in een buitenlands inkomen in de zin van artikel 7 zijn begrepen, ziet op dergelijke opbrengsten die tot een vaste inrichting in het buitenland behoren waarvoor al op grond van genoemd artikel 8 voorkoming wordt verleend. Het past niet bij de ratio van het Besluit BES – het voorkomen van dubbele belasting – om bij buitenlandse winst die al is vrijgesteld ook nog verrekening te geven voor de (bron)heffing op daarin begrepen dividenden, interest of royalty’s. Door de vrijstelling kan er immers geen sprake meer zijn van dubbele belasting. Het daarnaast verlenen van verrekening – ten laste van belasting over andere inkomsten – zou dan neerkomen op een dubbele tegemoetkoming vanuit de optiek van de BES eilanden.

In het tweede lid zijn voor wat betreft de omvang van de verrekening twee limieten opgenomen. De laagste hiervan is beslissend. De eerste limiet betreft de vanwege een andere Mogendheid over de dividenden, interest en royalty’s geheven (bron)belasting. Hierbij mag ook de doorgeschoven, nog niet verrekende belasting uit voorgaande jaren in aanmerking worden genomen. De tweede limiet sluit aan bij de belasting die over de opbrengsten wordt geheven op de BES eilanden. Doel van deze limiet is te voorkomen dat meer verrekening wordt gegeven dan de belasting die op de BES eilanden wordt geheven over de inkomsten. Wordt alle op de BES eilanden verschuldigde belasting verrekend, dan kan er vanuit de optiek van de BES eilanden geen sprake meer zijn van dubbele heffing. Technisch is dit vorm gegeven door de in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen breuk. Teller van de breuk vormt het op grond van het eerste lid in aanmerking te nemen bedrag aan dividenden, interest en royalty’s waarover buitenlandse (bron)belasting is ingehouden. Noemer van de breuk vormt het noemerinkomen (omschreven in het vijfde lid). Vermenigvuldiging van de uitkomst van deze breuk met de belasting die zonder het onderhavige Besluit BES is verschuldigd over het belastbare inkomen, levert de volgens de tweede limiet te verlenen vermindering van inkomstenbelasting op. Hier wordt de gezamenlijke methode gehanteerd, dat wil zeggen dat de in de verschillende landen geheven (bron)belasting op dividenden, interest en royalty’s wordt opgeteld en verrekend met de op de BES eilanden geheven inkomstenbelasting op (de netto-opbrengsten van) de dividenden, interest en royalty’s tot maximaal het bedrag van de laatstgenoemde inkomstenbelasting (tweede limiet).

Ingevolge het derde lid wordt de buitenlandse (bron)belasting op dividenden bij de toepassing van de eerste limiet tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan tot 5% van die dividenden, gelijk aan het tarief van de opbrengstbelasting. Voor verrekening van buitenlandse dividenden is een zogenoemde derde limiet van toepassing, die gekoppeld is aan het tarief van de opbrengstbelasting. Deze derde limiet is ontleend aan artikel 15, derde lid, van het Besluit 2001, waarbij de hoogte van de limiet is gekoppeld aan het tarief van de dividendbelasting.

Het vierde lid ziet op de in aanmerking te nemen kosten bij de toepassing van de zogenoemde tweede limiet. Net als onder het Besluit 2001 hoeven bij de berekening van de vermindering ter zake van royalty’s slechts de daarop rechtstreeks drukkende kosten in aanmerking te worden genomen. Bij dividenden en interest moet het ontvangen brutobedrag worden verminderd met alle daarmee verband houdende kosten. Met de toepassing van de tweede limiet op basis van de netto methode wordt bereikt dat niet méér tegemoetkoming wordt verleend dan volgens de op de BES eilanden toepasselijke belastingwetgeving per saldo – dat wil zeggen met inachtneming van de daarop betrekking hebbende kosten – wordt geheven.

Volgens het vijfde lid zijn bij de bepaling van de vermindering artikel 8, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. Het gaat hierbij om de betekenis van de in het tweede lid, onderdeel b (tweede limiet) voorkomende termen noemerinkomen en de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting BES verschuldigd zou zijn over het belastbare inkomen. Hiervoor zij verder verwezen naar de toelichting op artikel 8.

In het zesde lid wordt ten slotte expliciet bepaald dat de verrekening van artikel 11, rekening houdende met de vrijstelling van artikel 8, nooit meer kan bedragen dan de verschuldigde belasting. De verrekening kan dus niet leiden tot een negatief bedrag aan verschuldigde belasting. Deze bepaling is bijvoorbeeld relevant in de situatie waarin, vanwege winst van een buitenlandse vaste inrichting (en binnenlandse verliezen), al voor het gehele inkomen vrijstelling wordt verleend. Indien dan tot de niet-buitenlandse winst royalty-ontvangsten behoren, kan daarnaast niet ook nog eens verrekening van buitenlandse bronbelasting worden verleend. Voor zover een bedrag aan buitenlandse bronbelasting hierdoor niet tot verrekening komt, kan het op grond van artikel 13 onbeperkt in de tijd worden voortgewenteld naar toekomstige jaren.

Artikel 12. Uiteindelijk gerechtigde

De bepalingen in artikel 12 zijn ontleend aan artikel 16 van het Besluit 2001.

In de eerste volzin van het eerste lid wordt bepaald dat geen verrekening wordt gegeven indien de belastingplichtige niet de uiteindelijke gerechtigde is tot de dividenden, interest of royalty’s waarop door een andere Mogendheid (bron)belasting naar het inkomen is geheven.

In de tweede volzin van het eerste lid en in het tweede lid wordt bepaald in welke situaties een belastingplichtige in elk geval niet als uiteindelijk gerechtigde wordt beschouwd. In deze situaties vindt dus geen verrekening plaats. Deze bepalingen zijn overeenkomstig de bepalingen tegen dividendstripping in artikel 9.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het is niet de bedoeling om opbrengsten kunstmatig op de BES eilanden te laten neerslaan uitsluitend om buitenlandse bronbelasting te kunnen verrekenen.

Artikel 13. Voortwenteling niet verrekende belasting dividenden, interest en royalty’s

Artikel 13 is ontleend aan artikel 17 van het Besluit 2001. Het kan zich voordoen dat buitenlandse bronbelasting door de toepassing van de tweede limiet niet of niet geheel kan worden verrekend met de inkomstenbelasting. Ook onvoldoende te betalen belasting kan er, in samenhang met een vermindering wegens vrijstelling van buitenlandse inkomsten, toe leiden dat niet alle (bron)belasting kan worden verrekend (zie ook de toelichting op artikel 11, zesde lid). Volgens artikel 13 van het Besluit BES mag alsdan het niet verrekende belastingbedrag onbeperkt in de tijd worden voortgewenteld naar volgende jaren. Het niet verrekende bedrag uit een jaar wordt daartoe (steeds) aangemerkt als (te verrekenen) vanwege een andere Mogendheid geheven belasting van een volgend jaar. Ontvangt de belastingplichtige inkomsten als bedoeld in artikel 11 in dat jaar, en biedt de tweede limiet naast de verrekening van de (bron)belasting uit dat jaar zelf, nog additionele verrekenruimte, dan kan de niet verrekende bronbelasting uit eerdere jaren in zoverre alsnog worden verrekend. Voor de voortwenteling van niet verrekende (bron)belasting is vereist dat het naar een volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld.

Afdeling 4
Artikelen 14, 15 en 16. Beschikkingen

De onderhavige bepalingen zijn ontleend aan respectievelijk de artikelen 26, 27 en 28 van het Besluit 2001. In deze artikelen worden de formele aspecten rond de vaststelling bij voor bezwaar vatbare beschikking van diverse naar volgende jaren over te brengen bedragen geregeld.

Artikel 17. Emigratie en terugkeer

Artikel 17 is ontleend aan artikel 29 van het Besluit 2001. Bij emigratie komt aan de binnenlandse belastingplicht een einde, tevens vervalt dan de overbrenging van bedragen die doorgeschoven of ingehaald moeten worden. Het vervallen van de verplichting om negatief buitenlands inkomen in een later jaar in te halen is aantrekkelijk voor een belastingplichtige. In de bepalingen van artikel 17 is geregeld dat een belastingplichtige de claim van artikel 10 (Inhaalregeling) niet van zich af kan schudden door te emigreren en korte tijd later weer terug te keren naar de BES eilanden. Beschikkingen die in het voordeel zijn van de belastingplichtige (bijvoorbeeld de doorschuifregeling van artikel 9 en de voortwentelingsregeling van artikel 13) behouden eveneens hun werking.

Hoofdstuk 3

Artikel 18. Vrijstelling van loonbelasting

Artikel 18 is ontleend aan artikel 30 van het Besluit 2001. De in dit artikel opgenomen vrijstelling van loonbelasting geldt alleen voor werknemers die op de BES eilanden wonen. Een op de BES eilanden gevestigde werkgever moet loonbelasting inhouden op alle uitbetaalde lonen ongeacht de plaats waar arbeid is verricht. Inkomsten uit arbeid verricht binnen het grondgebied van een andere Mogendheid zijn echter, indien zij in die Mogendheid onderworpen zijn aan een belasting naar het inkomen, vrijgesteld van op de BES eilanden van toepassing zijnde inkomstenbelasting. Inhouding van loonbelasting zou in deze situatie leiden tot afdracht van belasting die later weer dient te worden teruggegeven. Artikel 18 bepaalt daarom dat in dergelijke situaties ook vrijstelling van loonbelasting wordt verleend.

Hoofdstuk 4

Artikel 19. Vrijstelling kansspelbelasting

Artikel 19 is ontleend aan artikel 52, eerste lid, van het Besluit 2001. De in dit artikel opgenomen vrijstelling van kansspelbelasting geldt alleen indien de gerechtigde op de BES eilanden woont of is gevestigd en de prijs aan de op de BES eilanden van toepassing zijnde kansspelbelasting wordt onderworpen. Wellicht ten overvloede wordt hier vermeld dat deze bepaling ook geschreven is om dubbele heffing te voorkomen bij samenloop van de kansspelbelasting uit de Belastingwet BES en de Wet op de kansspelbelasting (geldend in het Europese deel van Nederland).

Hoofdstuk 5

Artikel 20. Inwerkingtreding

In deze bepaling is vastgelegd dat het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit BES samenvalt met het inwerkingtredingtijdstip van de Belastingwet BES (bevattende de kansspelbelasting) en de Invoeringswet fiscaal stelsel BES (bevattende de aanpassingen op de inkomstenbelasting BES en de loonbelasting BES). Dit betekent dat het Besluit BES (met terugwerkende kracht) gelding heeft vanaf 1 januari 2011 om 0:00 uur in de BES eilanden en om 05:00 uur in Nederland.

De Staatssecretaris van Financiën,

F. H. H. Weekers


X Noot
1

Voor lichamen die op de BES eilanden zijn gevestigd zijn twee nieuwe fiscale heffingen ingevoerd ter vervanging van de Nederlands-Antilliaanse traditionele winstbelasting: ten eerste de vastgoedbelasting en ten tweede de opbrengstbelasting. Deze heffingen zijn neergelegd in hoofdstuk IV en V van de Belastingwet BES.

X Noot
2

Besluit van 21 december 2000, Stb. 642, houdende vaststelling van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, zoals dit Besluit laatstelijk is gewijzigd bij het Besluit van 23 december 2010, Stb. 885.

X Noot
4

De BRK is vormgegeven in de Rijkswet van 28 oktober 1964, Trb. 1964, 425, zoals nadien gewijzigd.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl