Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2010, 715Wet

Wet van 30 september 2010 tot invoering van een nieuw griffierechtenstelsel in burgerlijke zaken (Wet griffierechten burgerlijke zaken)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet tarieven in burgerlijke zaken te vervangen door een nieuwe regeling en dat in verband hiermee ook enkele andere wetten dienen te worden gewijzigd;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goed gevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister:

Onze Minister van Justitie;

b. Hoge Raad:

de Hoge Raad der Nederlanden;

c. zaken die bij dagvaarding worden ingeleid:

zaken als bedoeld in artikel 78 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

d. zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid:

zaken als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 2

De bedragen die genoemd zijn in deze wet en in de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd, kunnen jaarlijks met ingang van 1 januari bij regeling van Onze Minister worden gewijzigd, voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

HOOFDSTUK 2 DE HEFFING VAN GRIFFIERECHTEN BIJ DE RECHTBANKEN, DE GERECHTSHOVEN EN DE HOGE RAAD

§ 1 De griffierechten in zaken die bij dagvaarding of met een verzoekschrift worden ingeleid

Artikel 3
  • 1. In zaken die bij dagvaarding worden ingeleid, wordt op de eerste roldatum, dan wel in zaken als bedoeld in artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op de eerste terechtzitting, van elke eiser en elke verschenen gedaagde voor iedere instantie een griffierecht geheven, voor zover bij of krachtens deze wet of een andere wet niet anders is bepaald.

  • 2. Voor de indiening van een verzoekschrift of een verweerschrift wordt een griffierecht geheven, voor zover bij of krachtens deze wet of een andere wet niet anders is bepaald.

  • 3. De eiser is het griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort. De gedaagde is het griffierecht verschuldigd vanaf zijn verschijning in het geding en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

  • 4. De verzoeker en de verweerder zijn het griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift respectievelijk het verweerschrift en zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de behandeling plaatsvindt dan wel ter griffie is gestort.

  • 5. De hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd.

Artikel 4
  • 1. Geen griffierecht wordt geheven van:

    • a. het openbaar ministerie indien het ambtshalve optreedt;

    • b. de gedaagde in een zaak in behandeling bij de kantonrechter of de pachtkamer bij de rechtbank;

    • c. de oorspronkelijke eiser in geval van verzet als bedoeld in de achtste afdeling van de tweede titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    • d. de oorspronkelijke eiser en de oorspronkelijke gedaagde in geval van verzet door derden als bedoeld in de negende titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, en

    • e. de partij in een zaak in vrijwaring als bedoeld in artikel 210 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die in de hoofdzaak reeds griffierecht verschuldigd is geworden.

  • 2. Geen griffierecht wordt geheven voor:

    • a. het indienen van een verweerschrift bij de kantonrechter of de pachtkamer bij de rechtbank;

    • b. het instellen van een eis in reconventie als bedoeld in artikel 136 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    • c. het instellen van incidenteel beroep als bedoeld in de artikelen 339, derde lid, en 410 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    • d. het doen van rekening en verantwoording als bedoeld in artikel 771 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    • e. de indiening van een verzoekschrift, indien dit verzoekschrift in de loop van een aanhangig geding wordt ingediend en op dit geding betrekking heeft;

    • f. de indiening van een verzoekschrift strekkende tot begroting van de nakosten als bedoeld in artikel 237, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    • g. het voeren van verweer tegen handelingen als bedoeld onder b tot en met f;

    • h. het doen van een eigen aangifte tot faillietverklaring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Faillissementswet;

    • i. de indiening van een verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen als bedoeld in artikel 284, eerste lid, van de Faillissementswet, en

    • j. de indiening van verzoekschriften tot rangschikking.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent bepaalde categorieën van zaken die bij dagvaarding of met een verzoekschrift worden ingeleid, waarin geen griffierecht wordt geheven.

Artikel 5
  • 1. De vordering tot voeging of tussenkomst, bedoeld in artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geldt voor de partij die de vordering instelt, als het aanvangen van een nieuwe zaak. Van hem wordt een gelijk bedrag aan griffierecht geheven als van de eiser in de oorspronkelijke zaak.

  • 2. De partij, bedoeld in het eerste lid, is het griffierecht verschuldigd vanaf het tijdstip waarop hij de vordering tot voeging of tussenkomst instelt en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

Artikel 6
  • 1. Van een derde die overeenkomstig artikel 118 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als partij in het geding wordt opgeroepen en naar aanleiding daarvan verschijnt, wordt een gelijk bedrag aan griffierecht geheven als van de gedaagde.

  • 2. De derde, bedoeld in het eerste lid, is het griffierecht verschuldigd vanaf zijn verschijning in het geding en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

Artikel 7

Het verzet door een derde tegen een vonnis of een arrest dat hem in zijn rechten benadeelt, bedoeld in de negende titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geldt voor de derde die het verzet doet, als het aanvangen van een nieuwe zaak. Artikel 3, eerste, derde en vijfde lid, zijn op de derde van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8
  • 1. Indien een zaak, in behandeling bij de sector kanton, met toepassing van artikel 71, eerste lid, of 220, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt verwezen naar een andere, niet tot de sector kanton behorende, kamer van hetzelfde gerecht om verder te worden behandeld en beslist, wordt het griffierecht van elke eiser dan wel elke verzoeker verhoogd voor zover op basis van de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd, een hoger bedrag aan griffierecht dient te worden geheven. Van elke verschenen gedaagde dan wel verweerder, voor zover deze een verweerschrift heeft ingediend, wordt alsnog griffierecht geheven.

  • 2. De eiser en de bij de eerste rechter verschenen gedaagde zijn de ingevolge het eerste lid te heffen verhoging van het griffierecht verschuldigd vanaf de dag waarop de zaak ter rolle dient bij de rechter naar wie de zaak is verwezen en zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

  • 3. De verzoeker en de verweerder zijn de ingevolge het eerste lid te heffen verhoging van het griffierecht verschuldigd vanaf de beslissing tot verwijzing en zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

  • 4. Indien een zaak in behandeling bij een kamer die niet tot de sector kanton behoort, met toepassing van artikel 71, tweede lid, of 220, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt verwezen naar een andere, tot de sector kanton behorende, kamer van hetzelfde gerecht om verder te worden behandeld en beslist, wordt het griffierecht verminderd voor zover op basis van de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd, een lager bedrag aan griffierecht dient te worden geheven, en wordt het te veel betaalde griffierecht door de griffier teruggestort.

Artikel 9
  • 1. Indien een zaak die bij dagvaarding moet worden ingeleid met toepassing van artikel 73 of 220 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt verwezen naar een andere gerecht om verder te worden behandeld en beslist, wordt van elke eiser en, voor zover van toepassing, elke verschenen gedaagde opnieuw griffierecht geheven, met dien verstande dat het eerder geheven griffierecht hierop in mindering wordt gebracht.

  • 2. Indien een zaak die bij verzoekschrift moet worden ingeleid met toepassing van artikel 73 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt verwezen naar een andere gerecht om verder te worden behandeld en beslist, wordt van elke verzoeker en elke verweerder, voor zover deze een verweerschrift heeft ingediend, opnieuw griffierecht geheven, met dien verstande dat het eerder geheven griffierecht hierop in mindering wordt gebracht.

  • 3. De eiser en de bij de eerste rechter verschenen gedaagde zijn het ingevolge het eerste lid te heffen griffierecht verschuldigd vanaf de dag waarop de zaak ter rolle dient bij de rechter naar wie de zaak is verwezen en zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

  • 4. De verzoeker en de verweerder zijn het ingevolge het tweede lid te heffen griffierecht verschuldigd vanaf de beschikking tot verwijzing en zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

  • 5. Indien een zaak, met toepassing van artikel 73 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt verwezen naar een lagere rechter bij een ander gerecht om verder te worden behandeld en beslist, wordt het griffierecht verminderd voor zover uit de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd, volgt dat een lager bedrag aan griffierecht dient te worden geheven, en wordt het te veel betaalde griffierecht door de griffier teruggestort.

Artikel 10
  • 1. De hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding dan wel het verzoek in het verzoekschrift of het beroepschrift.

  • 2. In zaken waarin een vordering tot onteigening wordt gedaan wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de som die in de dagvaarding als schadeloosstelling wordt aangeboden.

Artikel 11

Op het griffierecht wordt in mindering gebracht het griffierecht dat reeds is voldaan in de zaak waarop het geding of verzoekschrift betrekking heeft.

Artikel 12
  • 1. Indien de vordering strekt tot betaling van een geldsom en de eiser zijn eis vermeerdert overeenkomstig artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wordt het griffierecht verhoogd tot het griffierecht, dat partijen verschuldigd zouden zijn geweest, indien de vermeerderde eis was opgenomen in de dagvaarding.

  • 2. Indien het verzoek strekt tot betaling van een geldsom en de verzoeker zijn verzoek vermeerdert overeenkomstig artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Bij heffing van het verhoogde griffierecht op de voet van het eerste of tweede lid wordt uitgegaan van de tarieven die gelden op het tijdstip waarop de eis of het verzoek wordt vermeerderd.

  • 4. Partijen zijn het verhoogde griffierecht verschuldigd vanaf het tijdstip van de vermeerdering van de eis of het verzoek en zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort. Indien de rechter de vermeerdering van de eis of het verzoek echter buiten beschouwing laat, blijft de heffing beperkt tot het oorspronkelijk geheven bedrag en wordt het eventueel te veel betaalde griffierecht door de griffier teruggestort.

  • 5. Het griffierecht wordt niet verhoogd, indien op het tijdstip waarop de eis dan wel het verzoek wordt vermeerderd een van de stukken, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder a of b, is overlegd.

Artikel 13
  • 1. Indien de eis strekt tot betaling van een geldsom en de eiser zijn eis vermindert overeenkomstig artikel 129 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van partijen minder griffierecht zou zijn geheven indien de verminderde eis was opgenomen in de dagvaarding, wordt het griffierecht niet alsnog verminderd.

  • 2. Indien het verzoek strekt tot betaling van een geldsom en de verzoeker zijn verzoek vermindert overeenkomstig artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14
  • 1. Indien de eis strekt tot veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, maar de rechter in het vonnis of het arrest overeenkomstig artikel 97 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek de schade heeft begroot, wordt alsnog het griffierecht geheven dat partijen verschuldigd zouden zijn geweest, indien de eis in de dagvaarding had gestrekt tot betaling van een bepaalde geldsom ten belope van de begrote schade. Het reeds voldane griffierecht wordt hierop in mindering gebracht.

  • 2. Partijen zijn het nader vastgestelde griffierecht verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de rechter het vonnis of het arrest, bedoeld in het eerste lid, heeft gewezen en zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

Artikel 15
  • 1. Van partijen die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, wordt slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht geheven.

  • 2. Indien tot de partijen die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, zowel natuurlijke personen als rechtspersonen behoren, wordt het griffierecht geheven, dat rechtspersonen verschuldigd zijn.

Artikel 16
  • 1. De griffier heft het griffierecht voor onvermogenden dat is opgenomen in de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd, indien op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven, is overgelegd:

    • a. een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of

    • b. een verklaring van de raad als bedoeld in artikel 1, onder b, van die wet waaruit blijkt dat het inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, bedoeld in artikel 35, derde en vierde lid, telkens onderdelen a tot en met d dan wel in die artikelleden, telkens onderdeel e, van die wet.

  • 2. Kan een partij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven nog geen afschrift van het besluit tot toevoeging overleggen ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan haar zijn toe te rekenen, maar heeft zij wel een aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand ingediend, dan heft de griffier het griffierecht voor onvermogenden, indien de desbetreffende partij een afschrift van die aanvraag overlegt.

  • 3. Heeft de griffier op basis van het eerste of tweede lid het griffierecht voor onvermogenden geheven en wordt de toevoeging nadien ingetrokken dan wel geweigerd op basis van artikel 28 respectievelijk 33 van de Wet op de rechtsbijstand, dan wordt het griffierecht verhoogd tot het griffierecht dat de desbetreffende partij verschuldigd is op basis van de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd. De partij, bedoeld in het eerste en tweede lid, is het verhoogde griffierecht verschuldigd vanaf het moment waarop de toevoeging is ingetrokken dan wel geweigerd en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

  • 4. Kan een partij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven geen stukken als bedoeld in het eerste en tweede lid overleggen ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan haar zijn toe te rekenen, maar kan zij voordat de rechter het eindvonnis heeft gewezen dan wel de eindbeschikking heeft gegeven alsnog een van de stukken, bedoeld in het eerste lid, overleggen, dan wordt het griffierecht verlaagd tot het griffierecht voor onvermogenden dat is opgenomen in de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd, en wordt het te veel betaalde griffierecht door de griffier teruggestort.

Artikel 17
  • 1. In elk faillissement betaalt de curator uit de baten van de boedel bij het deponeren van de eerste uitdelingslijst of zodra de uitspraak tot homologatie van een akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, een griffierecht van € 545.

  • 2. Onder het griffierecht, bedoeld in het eerste lid, is niet begrepen het griffierecht dat ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt geheven voor verificatiegeschillen. Partijen zijn dit griffierecht verschuldigd vanaf hun verschijning op de bepaalde terechtzitting en zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

  • 3. Van de niet-geverifieerde schuldeiser die ingevolge artikel 186 van de Faillissementswet verzet doet tegen de uitdelingslijst, wordt overeenkomstig artikel 3, tweede lid, griffierecht geheven, met dien verstande dat indien tevens door wel geverifieerde schuldeisers verzet wordt gedaan tegen de uitdelingslijst, geen griffierecht wordt geheven.

  • 4. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

Artikel 18
  • 1. Artikel 17 is van overeenkomstige toepassing in geval van een op de voet van artikel 60b, eerste lid, van de Faillissementswet aan de curator gegeven opdracht om het beheer van de onder bewind staande goederen over te nemen en voor de vereffening zorg te dragen, gegeven door de rechtbank op verzoek van een schuldeiser die op de goederen verhaal heeft, maar niet in het faillissement kan opkomen.

  • 2. Artikel 17, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing in geval van benoeming door de rechter van een of meer vereffenaars van een ontbonden rechtspersoon, van een gemeenschap of van een nalatenschap.

Artikel 19
  • 1. Voor de opening van een gerechtelijke rangregeling buiten faillissement en de benoeming van een rechter-commissaris als bedoeld in de artikelen 481, eerste lid, 552, eerste lid, 584f, tweede lid en 776 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt van de verzoeker een griffierecht geheven van € 325. De artikelen 3, vierde lid, en 16 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. In het geval van verwijzing ingevolge tegenspraak wordt griffierecht geheven overeenkomstig artikel 3, eerste lid. Partijen zijn het griffierecht verschuldigd vanaf hun verschijning op de bepaalde terechtzitting en zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

Artikel 20
  • 1. Aan elke partij wordt, ongeacht of van haar ingevolge deze wet of een andere wet griffierecht is geheven, kosteloos verstrekt:

    • a. een grosse of afschrift van alle vonnissen, arresten en beschikkingen;

    • b. verdere grossen, afschriften van vonnissen, arresten en beschikkingen voor zover deze nodig mochten zijn voor de tenuitvoerlegging, voor het aanwenden van rechtsmiddelen of krachtens wettelijk voorschrift;

    • c. één afschrift van alle akten en processen-verbaal die met betrekking tot de behandeling ter terechtzitting zijn opgemaakt.

  • 2. Geen griffierecht wordt in rekening gebracht voor beslissingen, akten en processen-verbaal, die een rechtstreeks uitvloeisel zijn van vonnissen, arresten of beschikkingen, met inbegrip van grossen of afschriften op de voet van het vorige lid.

  • 3. Onze Minister kan nadere regelen stellen omtrent de toepassing van dit artikel.

Artikel 21
  • 1. Onverminderd de overige artikelen van deze wet worden aan partijen en aan belanghebbenden afschriften van of uittreksels uit vonnissen, arresten, beschikkingen, akten, processen-verbaal, registers of andere stukken kosteloos afgegeven, indien en voor zover zij daarbij belang hebben en niet in staat zijn op andere wijze in de behoefte te voorzien. Bij weigering van de griffier kunnen partijen een verzoek tot afgifte van een afschrift of uittrekstel indienen bij de voorzieningenrechter of in kantonzaken, de kantonrechter. Hiervoor is geen griffierecht verschuldigd. Tegen de beslissing op het verzoek, bedoeld in de tweede volzin, is geen hogere voorziening toegelaten.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de griffierechten, verschuldigd voor de verstrekking van afschriften van en uittreksels uit vonnissen, arresten en beschikkingen anders dan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Voor de geregelde verstrekking van niet-getekende afschriften van of uittreksels uit de rol aan advocaten of gemachtigden wordt een griffierecht geheven van € 18 per maand.

  • 4. Voor de uitgifte van afschriften en uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand met bijlagen worden de bedragen berekend, bedoeld bij de Wet rechten burgerlijke stand.

Artikel 22
  • 1. Voor elke akte, proces-verbaal, beschikking of een andere beslissing, gedaan, gegeven of opgemaakt door een rechter of een griffier anders dan in de gevallen waarvoor in de voorgaande artikelen het griffierecht geregeld is, wordt een griffierecht geheven van € 110.

  • 2. Voor de noodzakelijke afschriften van akten, processen-verbaal of andere beslissingen wordt geen griffierecht geheven.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede lid.

§ 2 De heffing van griffierechten voor inschrijving van de huwelijkse voorwaarden of de voorwaarden van een geregistreerd partnerschap, legalisatie van handtekeningen, afgifte van apostilles en voor beëdigingen

Artikel 23
  • 1. Voor de inschrijving van de huwelijkse voorwaarden of van de voorwaarden van een geregistreerd partnerschap in het openbaar huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, wordt van degene die inschrijving verzoekt een griffierecht geheven van € 165.

  • 2. Voor de legalisatie van handtekeningen wordt voor iedere handtekening een griffierecht geheven van € 18, met dien verstande dat meerdere handtekeningen van dezelfde persoon op hetzelfde stuk als één handtekening worden beschouwd.

  • 3. Voor zover niet anders is bepaald in artikel 24 wordt voor de afgifte van apostilles als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het op 5 oktober 1961 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tot afschaffing van het vereiste van legalisatie van buitenlandse openbare akten, een griffierecht geheven van € 18 voor iedere apostille.

Artikel 24

Geen griffierecht wordt geheven van openbare colleges en van ambtenaren van openbare lichamen voor de afgifte van afschriften of uittreksels van stukken, of de legalisaties van handtekeningen dan wel afgifte van apostilles als bedoeld in artikel 23, derde lid, voor zover zij deze stukken behoeven voor de waarneming van de dienst.

Artikel 25
  • 1. Geen griffierecht wordt geheven voor:

    • a. beëdigingen welke ingevolge wettelijk voorschrift plaatsvinden, en

    • b. de akte van bewaargeving der registers van de burgerlijke stand.

  • 2. Voor de afgifte van afschriften van de akten die worden opgemaakt in de gevallen, bedoeld het eerste lid, wordt eveneens geen griffierecht geheven.

HOOFDSTUK 3 REIS- EN VERBLIJFKOSTEN

Artikel 26

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de bedragen worden vastgesteld, welke wegens werkzaamheden, tijdverzuim en daarmede verband houdende noodzakelijke kosten, en wegens reisen verblijfkosten toekomen aan:

  • a. houders of bewaarders van stukken, die opgeroepen worden om stukken, welke onder hun berusting of bewaring zijn, voor de rechter te brengen;

  • b. deskundigen, en

  • c. getuigen.

Artikel 27

Verschotten voor advertenties, exploten en oproepingen anders dan per post die door de griffier vooruitbetaald zijn, worden door belanghebbenden terugbetaald.

HOOFDSTUK 4 DE BETALING VAN DE GRIFFIERECHTEN EN VERSCHOTTEN EN HET VERZET TEGEN DE BESLISSING TOT HEFFING VAN GRIFFIERECHTEN EN VERSCHOTTEN

Artikel 28

Voor de voldoening van het griffierecht en de verschotten zijn medeaansprakelijk de advocaten of gemachtigden van de desbetreffende partijen of van de desbetreffende belanghebbenden.

Artikel 29

  • 1. Degene die de griffierechten en verschotten heeft betaald, kan gedurende een maand na die betaling tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht of de verschotten bij verzoekschrift in verzet komen bij het gerecht waaraan het griffierecht of de voorschotten werden betaald.

  • 2. Tegen de beslissing van het gerecht is geen hogere voorziening toegelaten.

  • 3. Voor de indiening van het verzoekschrift, bedoeld in het eerste lid, wordt geen griffierecht geheven.

Artikel 30

  • 1. Bij gebreke van betaling geschiedt de invordering van de griffierechten en de door de griffier vooruitbetaalde verschotten krachtens een door de griffier uit te vaardigen dwangbevel.

  • 2. Het dwangbevel wordt uitvoerbaar verklaard indien het een enkelvoudige kamer betreft, door de rechter in die kamer dan wel, indien het een meervoudige kamer betreft, door de voorzitter van die kamer van het betrokken gerecht. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd, indien tenminste een maand na de betekening is verstreken.

  • 3. Gedurende een maand na de betekening van het dwangbevel kan de schuldenaar bij het betrokken gerecht, rechtdoende in burgerlijke zaken, daartegen bij verzoekschrift in verzet komen.

HOOFDSTUK 5 INTREKKING VAN OF WIJZIGINGEN IN ANDERE WETTEN

Artikel 31

1. De artikelen 1 tot en met 26, 57 en 58 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken komen te vervallen.

2. De Wet van 1 juli 1999 (Stb. 1999, 285) tot verruiming van de mogelijkheid om het griffierecht in burgerlijke zaken gedeeltelijk in debet te doen stellen wordt ingetrokken.

Artikel 32

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 28, vijfde lid, wordt «vergoeding» vervangen door «griffierecht» en «artikel 13, derde lid, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken» door: artikel 21, tweede lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken.

B

In artikel 71, vierde lid, wordt na «verschijnen» ingevoegd: en, voor zover van toepassing, het griffierecht of het verhoogde griffierecht dat ingevolge artikel 8 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken van partijen wordt geheven en binnen welke termijn dit griffierecht of dit verhoogde griffierecht betaald dient te worden. De volledige volzin in artikel 111, tweede lid, onderdeel k, is van overeenkomstige toepassing.

C

Aan het slot van artikel 73 wordt toegevoegd: Artikel 71, vierde lid, eerste zin, is van overeenkomstige toepassing.

D

Artikel 111, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel i wordt voor de puntkomma ingevoegd: of, behalve in zaken bij de sector kanton, het door zijn verschijning verschuldigde griffierecht niet tijdig voldoet.

2. De punt aan het slot van onderdeel j wordt vervangen door een puntkomma.

3. Na onderdeel j worden twee nieuwe onderdelen toegevoegd, luidende:

  • k. indien het exploot van dagvaarding een zaak betreft anders dan bij de sector kanton, de mededeling dat van gedaagde bij verschijning in de procedure een griffierecht zal worden geheven, binnen welke termijn dit griffierecht betaald dient te worden, alsmede de hoogte daarvan. Hierbij wordt vermeld dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:

    • 1°. een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand, dan wel

    • 2°. een verklaring van de raad als bedoeld in artikel 1, onder b, van die wet, waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, bedoeld in artikel 35, derde en vierde lid, telkens onderdelen a tot en met d dan wel in die artikelleden, telkens onderdeel e, van die wet;

  • l. indien het exploot van dagvaarding een zaak betreft waarbij meerdere gedaagden zijn betrokken, de mededeling dat van partijen die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, op basis van artikel 15 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven.

E

Artikel 112 komt te vervallen.

F

Artikel 118 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst en «onderdelen g, h, i en j» wordt vervangen door: onderdelen g, h, i, j en k.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Artikel 128, tweede, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

G

Na artikel 127 word een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 127a
  • 1. De rechter houdt de zaak aan zolang de eiser het griffierecht niet heeft voldaan en de termijn genoemd in artikel 3, derde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken nog loopt.

  • 2. Indien de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie, met veroordeling van de eiser in de kosten.

  • 3. De rechter laat het eerste en tweede lid geheel of ten dele buiten toepassing, indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 4. Tegen beslissingen ingevolge het tweede en derde lid staat geen hogere voorziening open.

H

Artikel 128 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. De gedaagde neemt zijn met redenen omklede conclusie van antwoord op de eerste of op een door de rechter nader te bepalen roldatum, doch niet dan nadat hij het verschuldigde griffierecht heeft voldaan. De rechter houdt de zaak aan zolang de gedaagde het griffierecht niet heeft voldaan en de termijn genoemd in artikel 3, derde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken nog loopt.

2. Na het vijfde lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien de verschenen gedaagde het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, zijn de artikelen 139 tot en met 142 van toepassing behalve in het geval dat artikel 127a, tweede lid, van toepassing is.

  • 7. Artikel 127a, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

I

In artikel 139 wordt na «stellen» ingevoegd: of, indien verschuldigd, het griffierecht niet tijdig voldoet.

J

In artikel 140, eerste lid, wordt «de niet verschenen gedaagden» vervangen door: de overige gedaagden.

K

In artikel 141 wordt na «verschenen» ingevoegd: of het griffierecht niet tijdig heeft voldaan.

L

In artikel 142 wordt na «verschijnen,» toegevoegd: of om alsnog het griffierecht te voldoen,.

M

Artikel 147 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Was het verstek tegen de oorspronkelijk gedaagde verleend wegens het niet tijdig voldoen van het door hem verschuldigde griffierecht, dan zorgt de oorspronkelijk gedaagde dat het verschuldigde griffierecht is voldaan op de eerste roldatum van het verzet. Is het verschuldigde griffierecht, bedoeld in de eerste zin, niet alsnog tijdig voldaan, dan bekrachtigt de rechter het verstekvonnis.

  • 3. Was het verstek tegen de oorspronkelijk gedaagde verleend wegens het niet verschijnen in het geding, dan houdt de rechter de zaak aan zolang de gedaagde het verschuldigde griffierecht niet heeft voldaan en de termijn genoemd in artikel 3, tweede lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken nog loopt. De tweede zin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Artikel 127a, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

N

De derde tot en met de vijfde zin van artikel 195 worden vervangen door drie zinnen, luidende: Aan partijen aan wie ingevolge de Wet op de rechtsbijstand een toevoeging is verleend of ten aanzien van wie ingevolge artikel 16 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken het griffierecht voor onvermogenden is geheven, wordt geen voorschot opgelegd. Evenmin wordt een voorschot opgelegd aan de partijen van wie geen griffierecht is geheven en ten aanzien van wie de griffier verklaart dat zij, indien van hen wel griffierecht zou zijn geheven, van hen het griffierecht voor onvermogenden geheven zou zijn. Weigert de griffier een verklaring als bedoeld in de vorige zin af te geven, dan staat daartegen verzet open op de wijze als voorzien in artikel 29 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken.

O

De tweede zin van artikel 205, tweede lid, wordt vervangen door: Bij gebreke van de betaling geschiedt de invordering krachtens een door de griffier uit te vaardigen dwangbevel. Artikel 30 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de tenuitvoerlegging wordt opgeschort indien blijkt dat de veroordeling nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.

P

Na artikel 219 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 219a
  • 1. De rechter houdt de zaak aan zolang degene die vordert zich te mogen voegen of te mogen tussenkomen het griffierecht niet heeft voldaan en de termijn genoemd in artikel 5, tweede lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken nog loopt.

  • 2. Heeft degene die de vordering instelt, het griffierecht niet tijdig voldaan, dan verklaart de rechter hem niet ontvankelijk in de vordering.

  • 3. Artikel 127a, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Q

Aan artikel 220 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Artikel 71, vierde lid, eerste zin, is van overeenkomstige toepassing.

R

Artikel 243 vervalt.

S

Artikel 244, derde lid, komt te luiden:

  • 3. De tweede zin van artikel 205, tweede lid, is van toepassing.

T

Artikel 276 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Betreft de oproeping een belanghebbende in een zaak anders dan bij de sector kanton, dan bevat deze tevens de mededeling dat voor de indiening van een verweerschrift een griffierecht zal worden geheven, binnen welke termijn dit griffierecht betaald dient te worden, alsmede de hoogte daarvan. Hierbij wordt vermeld dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:

    • 1°. een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand, dan wel

    • 2°. een verklaring van de raad als bedoeld in artikel 1, onder b, van die wet, waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, bedoeld in artikel 35, derde en vierde lid, telkens onderdelen a tot en met d dan wel in die artikelleden, telkens onderdeel e, van die wet.

U

Na artikel 282 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 282a
  • 1. Voor zover bij of krachtens deze wet of een andere wet niet anders is bepaald, houdt de rechter de zaak aan zolang de verzoeker en de verweerder het griffierecht niet hebben voldaan en de termijn genoemd in artikel 3, vierde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken nog loopt.

  • 2. Heeft de verzoeker het verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, dan verklaart de rechter de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.

  • 3. Heeft de verweerder het verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, dan betrekt de rechter het ingediende verweerschrift niet bij zijn beslissing op het verzoek.

  • 4. De rechter laat het eerste, tweede en derde lid geheel of ten dele buiten toepassing, indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepalingen gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 5. Tegen beslissingen ingevolge het tweede, derde of vierde lid staat geen hogere voorziening open.

  • 6. Het eerste tot en met vijfde lid is niet van toepassing in zaken bij de voorzieningenrechter.

V

In artikel 289 wordt «de artikelen 243 en 244 zijn» vervangen door: artikel 244 is.

W

In artikel 335, tweede lid, wordt «de niet verschenen gedaagde» vervangen door: de gedaagde die niet is verschenen of het griffierecht niet tijdig heeft voldaan.

X

Aan het slot van artikel 343 wordt toegevoegd: In aanvulling op artikel 111, tweede lid, vermeldt de dagvaarding ook de gevolgen van niet tijdige betaling van het griffierecht.

Y

Aan het slot van artikel 407, tweede lid, wordt ingevoegd: In aanvulling op artikel 111, tweede lid, vermeldt de dagvaarding ook de gevolgen van niet tijdige betaling van het griffierecht.

Z

Na artikel 409 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 409a
  • 1. De Hoge Raad houdt de zaak aan zolang de eiser het griffierecht niet heeft voldaan en de termijn genoemd in artikel 3, derde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken nog loopt.

  • 2. Indien de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, verklaart de Hoge Raad eiser niet ontvankelijk in zijn beroep in cassatie, met veroordeling van de eiser in de kosten.

  • 3. Artikel 127a, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Za

Artikel 411, eerst lid, komt als volgt te luiden:

  • 1. De verweerder neemt zijn met redenen omklede conclusie van antwoord op de eerste of op zijn verlangen op een nader door de rechter te bepalen roldatum die ten hoogste vier weken nadien valt, doch niet dan nadat hij het verschuldigde griffierecht heeft voldaan. Indien de verweerder het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, vervalt zijn recht om in cassatie te komen.

Zb

Aan het slot van artikel 426b, vijfde lid, wordt toegevoegd: Artikel 276, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Zc

Na artikel 427a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 427b

Artikel 282a is van overeenkomstige toepassing.

Zd

Aan artikel 481 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Artikel 282a is van toepassing.

Ze

Artikel 486, derde lid, komt als volgt te luiden:

  • 3. Verschijnt de schuldeiser, wiens vordering is tegengesproken, op de bepaalde terechtzitting niet of heeft hij het griffierecht niet tijdig voldaan, dan wordt hij geacht de aanmelding van zijn vordering te hebben ingetrokken; verschijnt hij die de tegenspraak doet niet of heeft hij het griffierecht niet tijdig voldaan, dan wordt hij geacht zijn tegenspraak te hebben laten varen. Artikel 127a, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Zf

In artikel 552, eerste lid, wordt aan het slot toegevoegd: artikel 282a is van toepassing.

Zg

In artikel 584f, tweede lid, wordt aan het slot toegevoegd: artikel 282a is van toepassing.

Artikel 33

Artikel 13a van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften wordt als volgt gewijzigd:

1. De laatste volzin van het tweede lid vervalt.

2. Onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid, wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Indien een partij in verband met de beroepsprocedure een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, betaalt de griffier de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan.

Artikel 34

In artikel 49, tiende lid, van de Advocatenwet wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 35

De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8:75 wordt als volgt gewijzigd:

1. De laatste volzin van het tweede lid vervalt.

2. Onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid, wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Indien een partij in verband met de beroepsprocedure een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, betaalt de griffier de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan.

B

In artikel 9:36, vijfde lid, wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 36

In artikel 72, zevende lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 37

In artikel 9, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Landsverdediging wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 38

In artikel 4, vierde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 39

Artikel 122, derde lid, van de Faillissementswet komt als volgt te luiden:

  • 3. Verschijnt de schuldeiser, die de verificatie vraagt, op de bepaalde terechtzitting niet of heeft hij het griffierecht niet tijdig voldaan, dan wordt hij geacht zijn aanvraag te hebben ingetrokken; verschijnt hij die de betwisting doet niet of heeft hij het griffierecht niet tijdig voldaan, dan wordt hij geacht zijn betwisting te laten varen en erkent de rechter de vorderinging. Artikel 127a, derde en vierde lid, van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40

In de artikelen 41, zesde lid, en 42, zesde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 41

In artikel 52, eerste lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën wordt «vast recht» vervangen door «griffierecht» en «Wet tarieven in burgerlijke zaken» door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 42

In artikel 45, negende lid, van de Oorlogswet voor Nederland wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 43

In artikel 67, eerste lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland wordt «vast recht» vervangen door «griffierecht» en «Wet tarieven in burgerlijke zaken» door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 44

In artikel 5 van de Uitvoeringswet EG-executieverordening wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 45

De Uitvoeringswet grondkamers wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 23, tweede lid, en 31, zevende lid, wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

B

In artikel 44, tweede lid, wordt «zijn de artikelen 22 en 23 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: is artikel 30 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 45a

De Uitvoeringswet verordening Europese betalingsbevelprocedure wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 6, tweede lid, wordt na «verschijnt» ingevoegd «en of hij het griffierecht tijdig heeft voldaan» en wordt «wijst de rechter de verweerder op de in de vorige zin bedoelde rechtsgevolgen» vervangen door: neemt de rechter de mededeling, bedoeld in artikel 111, tweede lid, onderdeel k, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op en wijst hij de verweerder op de in de vorige zin bedoelde rechtsgevolgen.

B

In artikel 11 wordt «vast recht» telkens vervangen door «griffierecht» en «Wet tarieven in burgerlijke zaken» door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 45b

De Uitvoeringswet verordening Europese procedure voor geringe vorderingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3 wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

B

In artikel 4, eerste lid, wordt «vast recht» vervangen door: griffierecht.

C

In artikel 5 wordt «artikelen 238, 241, 242, 243 en 244» vervangen door: artikelen 238, 241, 242 en 244.

Artikel 46

In artikel 3 van de Wet van 13 december 1963, houdende uitvoering van het op 30 augustus 1962 te ’s-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland ter verdere vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals geregeld bij het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Stb. 1963, 545) wordt «de artikelen 22 tot en met 26 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken zijn» vervangen door: artikel 30 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken is.

Artikel 47

In artikel 3 van de Wet van 23 december 1964, houdende uitvoering van het op 23 juli 1964 te Wenen ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals dit is geregeld bij het Haagse Verdrag van 1 maart 1954 (Stb. 1964, 562) wordt «de artikelen 22 tot en met 26 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken zijn» vervangen door: artikel 30 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken is.

Artikel 48

In de artikelen 11, vierde lid, 19, vierde lid, 20b en 36, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 49

In artikel 68, zesde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 50

In artikel 18 van de Wet op de Parlementaire Enquête 2008 wordt «artikel 57 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: artikel 26 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 51

De Wet op de rechtsbijstand wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 23e, vierde lid, wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

B

In artikel 38, vierde lid, vervalt de tweede zin.

C

In artikel 66, tweede lid, wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 52

De Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 19, negende lid, wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

B

In artikel 27 wordt «recht» vervangen door «griffierecht» en «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 53

In artikel 102, vijfde lid, van de Wet op het Notarisambt wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 54

In artikel 7, tweede lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie wordt «Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 54a

De Wet tijdelijk huisverbod wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 6 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. In afwijking van de artikelen 8:41, eerste lid, en 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt door de griffier geen griffierecht geheven.

B

In artikel 9 wordt na het derde lid, onder vernummering van het vierde tot het vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. In afwijking van de artikelen 40 en 41 van de Wet op de Raad van State wordt door de secretaris geen griffierecht geheven.

Artikel 55

De Wet tarieven in strafzaken wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 16, tweede lid, wordt «artikel 22 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: artikel 30 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken.

B

In artikel 19 wordt «recht» vervangen door «griffierecht» en «artikel 1 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken» vervangen door: artikel 3 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Artikel 56

In artikel 421, vierde lid, van de het Wetboek van Strafvordering wordt «vast recht» vervangen door: griffierecht.

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 56a

  • 1. In zaken die bij dagvaarding worden ingeleid, zijn de artikelen 1 tot en met 31, 32, onderdelen A, N, O, R en S, of de onderdelen dan wel de subonderdelen daarvan alleen van toepassing in die zaken waarin de eerste roldatum, dan wel in zaken als bedoeld in artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de eerste terechtzitting, is op of na het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen, onderdelen of subonderdelen daarvan.

  • 2. In zaken die bij dagvaarding worden ingeleid, is artikel 32, onderdelen B tot en met M, P, Q, en W tot en met Za, of de subonderdelen daarvan alleen van toepassing in die zaken waarin een dagvaarding is uitgebracht op of na het tijdstip van inwerkingtreding van die onderdelen of subonderdelen.

  • 3. In zaken die bij verzoekschrift worden ingeleid, zijn de in deze wet opgenomen artikelen of de onderdelen dan wel de subonderdelen daarvan, alleen van toepassing indien het verzoekschrift wordt ingediend op of na het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen, onderdelen of subonderdelen.

Artikel 57

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen dan wel subonderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 58

Deze wet wordt aangehaald als: Wet griffierechten burgerlijke zaken.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 30 september 2010

Beatrix

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Uitgegeven de achtentwintigste oktober 2010

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

BIJLAGE BEHOREND BIJ DE WET

Aard c.q. hoogte van de vordering of het verzoek

Griffierecht voor rechtspersonen

Griffierecht voor natuurlijke personen

Griffierecht voor on- en min vermogenden

Griffierechten bij de Sector Kanton van de rechtbank

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek:

– van onbepaalde waarde of

– met een beloop van niet meer dan € 500 in hoofdsom

€ 105

€ 70

€ 70

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 500 in hoofdsom.

€ 280

€ 140

€ 70

    

Griffierechten bij de Sector Civiel van de rechtbank

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek:

– van onbepaalde waarde of

– met een beloop van meer dan € 5000 en niet meer dan € 12 500 in hoofdsom

€ 560

€ 255

€ 70

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 12 500 en niet meer dan € 100 000 in hoofdsom

€ 1 165

€ 580

€ 70

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 100 000 in hoofdsom

€ 3 490

€ 1 395

€ 70

GRIFFIERECHTEN BIJ DE GERECHTSHOVEN

Aard c.q. hoogte van de vordering of het verzoek

Griffierecht voor rechtspersonen

Griffierecht voor natuurlijke personen

Griffierecht voor onvermogenden

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek:

– van onbepaalde waarde of

– met een beloop van niet meer € 12 500 in hoofdsom

€ 640

€ 280

€ 280

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 12 500 en niet meer dan € 100 000 in hoofdsom

€ 1 745

€ 640

€ 280

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 100 000 in hoofdsom

€ 4 650

€ 1 455

€ 280

    

GRIFFIERECHTEN BIJ DE HOGE RAAD

Aard c.q. hoogte van de vordering of het verzoek

Griffierecht voor rechtspersonen

Griffierecht voor natuurlijke personen

Griffierecht voor onvermogenden

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek:

– van onbepaalde waarde of

– met een beloop van niet meer € 12 500 in hoofdsom

€ 700

€ 290

€ 290

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 12 500 en niet meer dan € 100 000 in hoofdsom

€ 2 325

€ 700

€ 290

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 100 000 in hoofdsom

€ 5 815

€ 1 745

€ 290


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 31 758