Besluit van 30 augustus 2010, houdende wijziging van het Mijnbouwbesluit in verband met een wijziging in het bevoegd gezag ten aanzien van kalksteengroeven

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 12 juli 2010, nr. WJZ / 10099217;

Gelet op artikel 52, eerste en tweede lid, van de Mijnbouwwet;

De Raad van State gehoord (advies van 28 juli 2010, nr. W.10.10.0360/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 24 augustus 2010, nr. WJZ / 10122936;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Mijnbouwbesluit wordt gewijzigd als volgt:

A

Aan artikel 145 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. gedeputeerde staten:

gedeputeerde staten van de provincie waarin een groeve geheel of voor het grootste deel is gelegen.

B

Artikel 146 wordt gewijzigd als volgt:

a. In het eerste lid wordt «Onze Minister» vervangen door: gedeputeerde staten.

b. In het derde lid wordt «Onze Minister kan» vervangen door: gedeputeerde staten kunnen.

C

Artikel 148 vervalt.

D

In artikel 149 wordt «Onze Minister» vervangen door: gedeputeerde staten.

E

In artikel 150, eerste lid, wordt «de inspecteur-generaal der mijnen» vervangen door: gedeputeerde staten.

F

Artikel 151 wordt gewijzigd als volgt:

a. In het eerste lid wordt «Onze Minister» vervangen door: gedeputeerde staten.

b. Het derde lid vervalt.

G

In artikel 158 wordt «de inspecteur-generaal der mijnen» vervangen door: gedeputeerde staten.

H

In artikel 159 wordt «de inspecteur-generaal der mijnen» telkens vervangen door: gedeputeerde staten.

I

In artikel 160 wordt «de inspecteur-generaal der mijnen» vervangen door: gedeputeerde staten.

J

In artikel 164, derde lid, wordt «Onze Minister kan» vervangen door: Gedeputeerde staten kunnen.

ARTIKEL II

  • 1. Op aanvragen betreffende een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 of 151 van het Mijnbouwbesluit die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en waarop op dat tijdstip nog niet is beslist, wordt beslist met toepassing van het recht zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip.

  • 2. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een ontwerp van een besluit tot wijziging of intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 146 of 151 van het Mijnbouwbesluit ter inzage is gelegd en op dat tijdstip daaromtrent nog geen besluit is genomen, wordt dat besluit genomen met toepassing van het recht zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip.

  • 3. Ten aanzien van bezwaarprocedures en beroepsprocedures tegen een besluit op grond van de artikelen 146 of 151 van het Mijnbouwbesluit dat is genomen vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit dan wel met toepassing van het eerste of tweede lid, blijft het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 30 augustus 2010

Beatrix

De Minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven

Uitgegeven de zevende september 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Doel en aanleiding

Artikel I, onderdelen A en G tot en met J, van de wet van 12 juni 2008 tot wijziging van de Mijnbouwwet in verband met nieuwe regels omtrent deelneming in de opsporing en winning van koolwaterstoffen door een daartoe aangewezen vennootschap en omtrent andere taken en activiteiten van die vennootschap (Stb. 248) voorziet in een wijziging van het bevoegd gezag ten aanzien van kalksteengroeven. Met de inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen zullen vergunningen voor het winnen van kalksteen of ander gebruik van een kalksteengroeve niet langer door de Minister van Economische Zaken worden afgegeven, maar zullen gedeputeerde staten van de provincie waarin de groeve geheel of voor het grootste deel is gelegen hiervoor bevoegd zijn. Met dit besluit wordt het Mijnbouwbesluit in lijn gebracht met deze bevoegdheidswijziging ten aanzien van kalksteengroeven.

Daarnaast vervalt met dit besluit de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op de voorbereiding van een besluit omtrent de aanvraag van een vergunning voor het winnen van kalksteen of ander gebruik van een kalksteengroeve.

2. Wettelijk kader

Artikel 52 van de Mijnbouwwet heeft betrekking op het winnen van kalksteen (mergel) met gebruikmaking van een boorgat, tunnel, schacht, of ander ondergronds werk alsmede op het gebruik van een dergelijk ondergronds werk voor andere doeleinden dan het winnen van kalksteen. Op grond daarvan kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ten aanzien van de veiligheid met het oog op het gevaar van instorting. Artikel 52 is uitgewerkt in hoofdstuk 10 («De veiligheid van groeven») van het Mijnbouwbesluit. Dat hoofdstuk bevat een regeling van de winnings- en gebruiksactiviteiten in kalksteengroeven met het oog op instortingsgevaar. De in paragraaf 1 genoemde aanpassing met betrekking tot het bevoegd gezag wordt hoofdzakelijk in de bepalingen van hoofdstuk 10 van het Mijnbouwbesluit verwerkt.

3. Vervallen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Op de voorbereiding van een besluit omtrent de aanvraag van een vergunning voor het winnen van kalksteen dan wel ander gebruik van een kalksteengroeve was ingevolge de artikelen 148 en 151, derde lid, van het Mijnbouwbesluit de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Op grond van artikel I, onderdelen C en F, onder b, van dit besluit vervalt deze procedure voor de voorbereiding van besluiten omtrent vergunningsaanvragen. De redenen voor deze wijziging zijn de volgende.

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is met name bedoeld voor de voorbereiding van besluiten waarbij veel belanghebbenden of geïnteresseerden zijn betrokken. Daarvan blijkt in de praktijk geen sprake te zijn bij de besluiten waar het hier om gaat. Hierbij is van belang dat ingevolge artikel 146, tweede lid, van het Mijnbouwbesluit een vergunning slechts kan worden geweigerd ter bescherming van de veiligheid met het oog op instorting. Bij de vergunningverlening wordt dan ook uitsluitend gekeken naar de gesteentemechanische veiligheid van de kalksteengroeve, oftewel het gevaar van instorten. De aard van het onderwerp is daarmee technisch van aard en het aantal direct betrokkenen op dit gebied is zeer beperkt. De procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is hiervoor minder geëigend. Om die reden vervallen de artikelen 148 en 151, derde lid, met dit besluit.

4. Bedrijfseffecten en administratieve lasten

Deze wijziging van het Mijnbouwbesluit leidt niet tot een verandering in de verplichting voor het hebben van een vergunning voor de winning van kalksteen of ander gebruik van groeven. De administratieve lasten zullen daardoor niet veranderen. Ook de aanwijzing van gedeputeerde staten als bevoegd gezag ten aanzien van kalksteengroeven leidt niet tot wijziging van administratieve lasten. Het afschaffen van de openbare voorbereidingsprocedure leidt evenmin tot een wijziging van administratieve lasten; wel kan de vergunningprocedure daardoor sneller verlopen, wat voor aanvragers een voordeel kan zijn.

5. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Met de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen A en G tot en met J, van de wet van 12 juni 2008 tot wijziging van de Mijnbouwwet in verband met nieuwe regels omtrent deelneming in de opsporing en winning van koolwaterstoffen door een daartoe aangewezen vennootschap en omtrent andere taken en activiteiten van die vennootschap (Stb. 248) – welke gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit zal plaatsvinden – zullen vergunningen voor het winnen van kalksteen of ander gebruik van een kalksteengroeve niet langer door de Minister van Economische Zaken worden afgegeven, maar zullen gedeputeerde staten van de provincie waarin de groeve geheel of voor het grootste deel is gelegen hiervoor bevoegd zijn. Daarnaast zal met de inwerkingtreding van die bepalingen de verantwoordelijkheid voor het toezicht op en de handhaving van bepalingen betreffende mergelgroeven overgaan van de Minister van Economische Zaken naar gedeputeerde staten van de betreffende provincie.

II. Artikelen

Artikel I

Onderdelen A, B, D, E, F, onder a, F, G, H, I en J

De wijzigingen die deze bepalingen in het Mijnbouwbesluit aanbrengen, houden verband met de overdracht van bevoegdheden ten aanzien van mergelgroeven van de Minister van Economische Zaken aan gedeputeerde staten van de provincie waarin die mergelgroeven geheel of voor het grootste deel zijn gelegen.

Onderdelen C en F, onder b

Ingevolge deze bepalingen is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet langer van toepassing op de voorbereiding van een besluit betreffende een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 of 151 van het Mijnbouwbesluit. Voor de toelichting hierop zij verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel II

Dit artikel voorziet in overgangsrecht. Het uitgangspunt van het overgangsrecht is dat op alle procedures (waaronder die tot het nemen van een besluit, het maken van bezwaar en het instellen van beroep) die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanvang hebben genomen, het recht van toepassing zal zijn zoals dat onmiddellijk voor dit tijdstip gold. Aanvragen om een vergunning of aanvragen tot wijziging of intrekking van een vergunning die worden ingediend na de inwerkingtreding van dit besluit vallen onder het nieuwe regime.

Artikel III

Ingevolge deze bepaling zal de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit bij koninklijk besluit worden geregeld. De inwerkingtreding van dit besluit zal gelijktijdig geschieden met de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen A, G, H, I en J van de wet van 12 juni 2008 tot wijziging van de Mijnbouwwet in verband met nieuwe regels omtrent deelneming in de opsporing en winning van koolwaterstoffen door een daartoe aangewezen vennootschap en omtrent andere taken en activiteiten van die vennootschap (Stb. 248). Hierbij zal het kabinetsbeleid met betrekking tot de zogenaamde vaste verandermomenten (Kamerstukken II 2009/10, 29 515, nr. 309) in acht worden genomen.

De Minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven