Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2010, 314AMvB

Besluit van 24 juli 2010, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 in verband met de invoering van een uniforme berekeningswijze voor de rijksbijdrage van de instellingen voor hoger onderwijs en enkele andere wijzigingen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 februari 2010, nr. WJZ/187250 (4853), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op de artikelen 2.6, 7.45, 7.47 en 7.51 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

De Raad van State gehoord (advies van 26 april 2010, nr. W05.10.0060/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 juli 2010, nr. WJZ/210818 (4853), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I WIJZIGING VAN HET UITVOERINGSBESLUIT WHW 2008 PER 1 JANUARI 2010

Het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4.7 wordt «de artikelen 4.6, 4.9, 4.10, 4.12, 4.17, 4.19, 4.20, 4.23, 4.25, 4.26 en 4.27» vervangen door: de artikelen 4.6, 4.9, 4.10, 4.12, 4.17, 4.19, 4.20, 4.21, 4.22, 4.23, 4.25, 4.26 en 4.27.

B

Artikel 4.8, tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. Onder eerstejaars wordt verstaan:

    • a. een student die op enig moment in de peilperiode is ingeschreven, die in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de peilperiode niet op 1 oktober aan de desbetreffende instelling was ingeschreven en aan wie, indien hij voor een bacheloropleiding is ingeschreven, niet de graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs is verleend, of

    • b. een student aan wie reeds de graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs is verleend, die op enig moment in de peilperiode is ingeschreven voor een masteropleiding en die in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de peilperiode niet op 1 oktober aan de desbetreffende instelling was ingeschreven voor een masteropleiding.

C

Artikel 4.22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «genoemd in bijlage 8 bij dit besluit» vervangen door: vastgesteld bij ministeriële regeling.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «genoemd in bijlage 9 bij dit besluit» vervangen door: vastgesteld bij ministeriële regeling.

D

In onderdeel 6 van bijlage 1 wordt «Climate Studies» vervangen door: Earth System Science.

E

In onderdeel 11, sub A, van bijlage 1 vervalt «Geo-environmental Sciences».

F

In onderdeel 12, sub A, van bijlage 1 vervalt «Bio-informatics».

G

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 8, sub A, vervalt «Geo-Informatics».

2. In onderdeel 11, sub B, wordt «Social Research; Organization Sciences, Political Science and Sociology (research)» vervangen door: Social Research (research).

H

In onderdeel 12, sub A, van bijlage 1 wordt na «Natuurwetenschappen» ingevoegd: Theology.

I

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 2, sub B, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. Na «Behavioural and Cognitive Neurosciences (research)» wordt ingevoegd: Behavioural and Social Sciences (research).

b. «Economics and Business: Production, Organisation & Marketing (research)» wordt gewijzigd in: Economics and Business: Production, Organization and Marketing (research).

c. «Human Behaviour in Social Contexts (research)» vervalt.

d. «Religious Symbols and Traditions (research)» wordt vervangen door: Religion and Culture (research).

2. In onderdeel 4, sub B, wordt «Social Health Psychology (research)» vervangen door: Social & Health Psychology (research).

3. In onderdeel 6 wordt «Earth System Science» vervangen door: Climate Studies.

4. In onderdeel 7 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. Na «Architecture, Building and Planning» wordt ingevoegd: Automotive Technology.

b. Na «Innovation Management» wordt ingevoegd: Innovation Sciences.

c. «Technology and Policy» vervalt.

5. In onderdeel 8, sub B, vervalt «Master of Science Systems and Control».

6. In onderdeel 9 wordt na «ERIM Master of Philosophy in Business Research (research)» ingevoegd: Infection and Immunity (research).

7. In onderdeel 10, sub A, wordt voor «International Laws» ingevoegd: Health Food Innovation Management.

8. In onderdeel 10, sub B, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. «Cognitive Neuroscience Neuropsychology and Psychopathology (research)» wordt vervangen door: Cognitive and Clinical Neuroscience.

b. Na «Economic and Financial Research (research)» wordt ingevoegd: European Studies (research).

9. In onderdeel 11, sub A, wordt «Biomedical sciences» vervangen door: Biomedical Sciences.

10. In onderdeel 11, sub B, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. «Architectuurgeschiedenis (research)» vervalt.

b. Voor «Cognitive Neuropsychology (research)» wordt ingevoegd: Cardiovascular Research (research).

c. Na «Cognitive Neuropsychology (research)» wordt ingevoegd: Fundamental and Clinical Human Movement Sciences (research).

d. «Geschiedenis van de beeldende Kunst» vervalt.

e. «Oudheidstudies» wordt gewijzigd in: Oudheidstudies (research).

f. «Reformed Theology (research)» wordt gewijzigd in: Religion and Theology (research).

g. Na «Tinbergen Institute Master of Philosophy in Economics (research)» wordt ingevoegd: Visual Arts, Media and Architecture (research).

11. In onderdeel 12, sub A, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. Voor «Biology» wordt ingevoegd: Artificial Intelligence.

b. «Kunstmatige Intelligentie» vervalt.

c. «Medische biologie» wordt vervangen door: Medical Biology.

d. Na «Natuurwetenschappen» wordt ingevoegd: Niederlande-Deutschland-Studien.

12. In onderdeel 12, sub B, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. «Behavioral Science: the study of behavior regulation (research)» wordt gewijzigd in: Behavioural Science: the study of behaviour regulation (research).

b. «Social Cultural Science: Comparative Research on Societies (research)» wordt gewijzigd in: Social and Cultural Science: Comparative Research on Societies (research).

J

In bijlage 4 wordt achter Universiteit Leiden «7,436» vervangen door: 7,435.

K

In bijlage 6 wordt achter Universiteit Maastricht «7,178» vervangen door 7,177.

L

De bijlagen 8 en 9 vervallen.

ARTIKEL II WIJZIGING VAN HET UITVOERINGSBESLUIT WHW 2008 PER 1 SEPTEMBER 2010

In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 wordt in artikel 2.7 de zinsnede «ten hoogste twintig organisaties» vervangen door: ten hoogste veertig organisaties.

ARTIKEL III WIJZIGING VAN HET UITVOERINGSBESLUIT WHW 2008 PER 1 JANUARI 2011

Het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de onderdelen k, l en m wordt »artikel 4.2» vervangen door: artikel 4.1.

2. Onderdeel o komt te luiden:

  • o. opleiding van eerste inschrijving:

    • de opleiding waarvoor een student het collegegeld, bedoeld in de artikelen 7.43, eerste lid van de wet, is verschuldigd en waarvoor geen vermindering of vrijstelling van het betalen van collegegeld op grond van artikel 7.48, derde of vierde lid, van de wet is verkregen, of,

    • de opleiding waarvoor een persoon die het collegegeld, bedoeld in artikelen 7.43, tweede lid of 7.44 van de wet is verschuldigd, zich als eerste heeft ingeschreven.

3. Onderdeel q vervalt.

4. Onderdeel r komt te luiden:

  • r. student: een persoon die

    • 1°. in Nederland, België, Luxemburg of een van de deelstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen of Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland woont; en

    • 2°. behoort tot een van de groepen van studerenden, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 of de Surinaamse nationaliteit bezit; en

    • 3°. blijkens het CRIHO is ingeschreven voor een bacheloropleiding, terwijl hem nog geen graad is verleend; of

    • 4°. blijkens het CRIHO is ingeschreven voor een masteropleiding, terwijl hem nog niet de graad Master is verleend.

5. In onderdeel s wordt «1 oktober» vervangen door: 30 september.

6. Onder verlettering van de onderdelen u tot en met x tot v tot en met y wordt een nieuw onderdeel u ingevoegd dat luidt als volgt:

  • u. wettelijke studielast: het aantal studiepunten dat een opleiding omvat, bedoeld in de artikelen 7.4a, eerste tot en met zevende lid, en 7.4b, eerste en tweede lid, van de wet onderscheidenlijk artikel 5.4 van dit besluit;.

7. Onderdeel w (nieuw) komt te luiden:

  • w. graad: een blijkens het CRIHO verleende graad Bachelor of graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, eerste of tweede lid, van de wet, die is verleend aan een persoon;.

B

Artikel 4.1 vervalt onder vernummering van de artikelen 4.2 tot en met 4.7 tot de artikelen 4.1 tot en met 4.6.

C

Artikel 4.2 (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

  • 1. Het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel a, wordt overeenkomstig afdeling 2 van dit hoofdstuk verdeeld over de instellingen die opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving of bij ministeriële regeling aan te wijzen sectoroverstijgende opleidingen verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel a.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «artikel 4.2, derde lid, onderdeel b» vervangen door «artikel 4.1, derde lid, onderdeel b,» wordt «overeenkomstig afdeling 2, paragraaf 2,» vervangen door «overeenkomstig afdeling 2 van dit hoofdstuk» en wordt na «natuurlijke omgeving» ingevoegd «of bij ministeriële regeling aan te wijzen sectoroverstijgende opleidingen».

3. Het derde lid komt als volgt te luiden:

  • 3. Het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel c, wordt overeenkomstig afdeling 3, paragraaf 1, van dit hoofdstuk verdeeld over de instellingen die opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving of bij ministeriële regeling aan te wijzen sectoroverstijgende opleidingen verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel c.

4. In het vierde en vijfde lid wordt «artikel 4.2» telkens vervangen door: artikel 4.1.

D

Artikel 4.3 (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid wordt «eerstejaars» vervangen door «inschrijvingen» en «artikel 4.11» door «artikel 4.12».

2. Na het vijfde lid worden een zesde en zevende lid toegevoegd die luiden als volgt:

  • 6. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en hoofdstuk 5 wordt inzake de gegevens voorafgaand aan de peilperiode uitgegaan van de gegevens uit het CRIHO zoals vastgelegd in een historisch bestand hoger onderwijs aan de hand van de door instellingen aan het CRIHO aangeleverde gegevens over de periode 1 september 1991 tot en met 30 september 2008 inzake getuigschriften, graden en inschrijvingen voor zover deze bij ministeriële regeling zijn gelijkgesteld met bekostigde inschrijvingen en bekostigde graden als bedoeld in dit besluit.

  • 7. Aan het historisch bekostigingsbestand hoger onderwijs, bedoeld in het zesde lid, worden vanaf september 2008 jaarlijks toegevoegd de bekostigde inschrijvingen en de bekostigde graden, vastgesteld op basis van artikel 4.10.

E

In artikel 4.4, eerste lid, (nieuw) wordt «artikel 4.4» telkens vervangen door: artikel 4.3.

F

In artikel 4.6 (nieuw) wordt «de artikelen 4.6, 4.9, 4.10, 4.12, 4.17, 4.19, 4.20, 4.23, 4.25, 4.26 en 4.27» vervangen door: de artikelen 4.5, 4.11, 4.22 tot en met 4.27 en 5.2.

G

Afdeling 2 van hoofdstuk 4 komt als volgt te luiden:

AFDELING 2. BEPALINGEN OVER DE RIJKSBIJDRAGE VANWEGE HET VERZORGEN VAN ONDERWIJS

Artikel 4.7. Studentgebonden financiering
  • 1. Uit elk van de onderwijsdelen wordt aan de rijksbijdrage van een instelling een bedrag toegevoegd dat gelijk is aan de som van de bedragen per opleiding, bedoeld in het tweede lid, voor alle opleidingen behorend tot de desbetreffende soort hoger onderwijs die door die instelling worden verzorgd.

  • 2. Het bedrag per opleiding is het product van het studentgebonden bedrag, bedoeld in het derde lid, en het aantal bekostigde inschrijvingen en graden voor die opleiding, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.10, eerste lid.

  • 3. Het studentgebonden bedrag per bekostigde inschrijving of graad is:

    • 1°. voor opleidingen in wetenschappelijk onderwijs, het quotiënt van een door Onze Minister te bepalen percentage van het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, resterend na toepassing van artikel 4.11, eerste lid, en de som van de aantallen bekostigde inschrijvingen en bekostigde graden bij opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

    • 2°. voor opleidingen in hoger beroepsonderwijs, het quotiënt van een door Onze Minister te bepalen percentage van het onderwijsdeel hbo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, resterend na toepassing van artikel 4.11, eerste lid, en de som van de aantallen bekostigde inschrijvingen en bekostigde graden bij opleidingen in hoger beroepsonderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

Artikel 4.8. Bekostigde inschrijving
  • 1. Een in het CRIHO geregistreerde inschrijving voor een opleiding van eerste inschrijving van een student voor een bacheloropleiding geldt als een bekostigde inschrijving op de peildatum, indien het totaal aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor bacheloropleidingen kleiner is dan de wettelijke studielast van de desbetreffende opleiding, gedeeld door 60.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inschrijving van een student voor een masteropleiding.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op inschrijvingen aan de Open Universiteit.

Artikel 4.9. Bekostigde graden
  • 1. Onder bekostigde graad Bachelor wordt verstaan: een graad Bachelor als bedoeld in artikel 7.10a van de wet, in de peilperiode verleend aan een student.

  • 2. Onder bekostigde graad Master wordt verstaan: een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a van de wet, in de peilperiode verleend aan een student.

Artikel 4.10. Aantal bekostigde inschrijvingen en graden per opleiding
  • 1. Het aantal bekostigde inschrijvingen en graden voor een opleiding is het product van de factor behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding, bedoeld in het tweede lid, en de som van:

    • a. het aantal bekostigde inschrijvingen voor die opleiding, en

    • b. het aantal bekostigde graden dat in die opleiding is verleend.

  • 2. De factoren behorend bij de bekostigingsniveaus van de opleidingen worden vastgesteld bij ministeriële regeling. Deze factoren kunnen verschillen voor opleidingen in het wetenschappelijk onderscheidenlijk het hoger beroepsonderwijs, en voor bachelor- onderscheidenlijk masteropleidingen.

Artikel 4.11. Onderwijsopslag
  • 1. Onze Minister kan uit het onderwijsdeel van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onder a onderscheidenlijk b, en vierde lid, onder a onderscheidenlijk b, aan een universiteit onderscheidenlijk een hogeschool een bedrag toekennen dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in relatie tot kwaliteit, kwetsbare opleidingen of bijzondere voorzieningen.

  • 2. Het gedeelte van een onderwijsdeel dat resteert na toepassing van het eerste lid en van artikel 4.7 wordt over de universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verdeeld volgens percentages, vastgesteld bij ministeriële regeling.

Artikel 4.12. Bijzondere bepaling Universiteit Maastricht en Open Universiteit
  • 1. Onder een opleiding, bedoeld in het artikel 4.10, eerste lid, verzorgd door de Universiteit Maastricht, is begrepen een opleiding verzorgd door de transnationale Universiteit Limburg, bedoeld in artikel 2.5, lid 1a, onder b, van de wet.

  • 2. Bij de vaststelling van het aantal bekostigde inschrijvingen en het aantal bekostigde graden van de Universiteit Maastricht worden de op grond van artikel 4.10, eerste lid, berekende aantallen vermeerderd met de aantallen inschrijvingen van personen met de Nederlandse nationaliteit, respectievelijk de aantallen graden van personen met de Nederlandse nationaliteit van de transnationale Universiteit Limburg. Onder de aantallen inschrijvingen en graden met de Nederlandse nationaliteit worden tevens begrepen de aantallen inschrijvingen en graden van ingeschrevenen die de Nederlandse noch de Belgische nationaliteit bezitten en die voor bekostiging door de Nederlandse overheid in aanmerking worden genomen op grond van artikel 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg.

  • 3. Voor de toepassing van de artikelen 4.9 en 4.20 gelden voor de Open Universiteit als bekostigde graden de graden die zijn verleend in de peilperiode aan een persoon die is ingeschreven bij de Open Universiteit, voldoet aan het bepaalde in artikel 1.1, onderdeel r, onder 1° en 2° en bij inschrijving voor een onderwijseenheid die deel uitmaakt van een bacheloropleiding nog geen graad is verleend of bij inschrijving voor een onderwijseenheid die deel uitmaakt van een masteropleiding nog niet de graad Master is verleend.

H

Artikel 4.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «op basis van» vervangen door «naar rato van de som van» en wordt «de aantallen graden per opleiding» vervangen door «de aantallen bekostigde graden per opleiding, bedoeld in artikel 4.9,».

2. Het vierde en vijfde lid vervallen onder vernummering van het zesde lid tot het vierde lid.

3. In het vierde lid (nieuw) wordt «overeenkomstig artikel 4.11» vervangen door «overeenkomstig artikel 4.12, tweede lid».

I

In het tweede lid van artikel 4.23 wordt «de artikelen 4.19 tot en met 4.22» vervangen door «de artikelen 4.20 tot en met 4.22» en wordt «artikel 4.6» vervangen door «artikel 4.5».

J

Artikel 4.27, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. 21 procent verdeeld naar rato van het aantal bekostigde inschrijvingen, bedoeld in artikel 4.8, aan de opleidingen geneeskunde, geneeskunde-klinisch onderzoeker en arts-klinisch onderzoeker van de universiteit.

2. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. 14 procent verdeeld naar rato van het aantal door de universiteit verleende bekostigde graden Master, bedoeld in artikel 4.9, voor opleidingen geneeskunde, geneeskunde-klinisch onderzoeker en arts-klinisch onderzoeker van de universiteit.

K

Artikel 5.1 vervalt.

L

Na artikel 5.1 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd die luiden als volgt:

Artikel 5.2. Opleidingen onderwijs en gezondheidszorg

  • 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder leraren- of gezondheidszorgopleiding verstaan: een opleiding die is ingedeeld in het CROHO-onderdeel onderwijs of het onderdeel gezondheidszorg of een bij ministeriële regeling daarmee gelijkgestelde opleiding.

  • 2. Indien een persoon is ingeschreven voor een leraren- of gezondheidszorgopleiding wordt in afwijking van artikel 1.1, onderdeel r, onder 3° en 4°, het volgende gelezen:

    • 3°. blijkens het CRIHO is ingeschreven voor een bacheloropleiding leraren- of gezondheidszorgopleiding, terwijl hem nog geen graad voor een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend; of

    • 4°. blijkens het CRIHO is ingeschreven voor een masteropleiding leraren- of gezondheidszorgopleiding, terwijl hem nog geen graad Master voor een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend.

  • 3. Indien het tweede lid van toepassing is en de student is reeds een graad voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding verleend, blijven voor de toepassing van artikel 4.8 de bekostigde inschrijvingen voor een bacheloropleiding voorafgaand aan het moment van de eerste graadverlening voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding buiten beschouwing.

  • 4. Indien het tweede lid van toepassing is en de student is reeds een graad Master voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding verleend, blijven voor de toepassing van artikel 4.8 de bekostigde inschrijvingen voor een masteropleiding voorafgaand aan het moment van de verlening van de eerste graad Master voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding buiten beschouwing.

Artikel 5.3. Gelijkstelling bekostigde inschrijvingen en graden

  • 1. Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt onder een bacheloropleiding ook verstaan een inschrijving voor een ongedeelde opleiding van een persoon aan wie nog niet de graad Bachelor is verleend en bij wie het aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor bachelor- en ongedeelde opleidingen kleiner is dan drie. Onder een masteropleiding wordt ook verstaan een inschrijving voor een ongedeelde opleiding van een persoon bij wie het aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor bachelor- of ongedeelde opleidingen drie of meer bedraagt of aan wie de graad Bachelor is verleend. De studielast van deze masteropleiding is gelijk aan de studielast van de ongedeelde opleiding verminderd met 180.

  • 2. Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt voor een student aan wie reeds een graad voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend en bij wie het totaal aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor een bachelor- of ongedeelde leraren- of gezondheidszorgopleiding kleiner is dan drie, een inschrijving voor een bachelor- of ongedeelde leraren- of gezondheidszorgopleiding beschouwd als een inschrijving voor een bacheloropleiding.

  • 3. Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt een inschrijving voor een ongedeelde leraren- of gezondheidszorgopleiding van een student aan wie reeds een graad voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend en bij wie het totaal aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor een bachelor- of ongedeelde leraren- of gezondheidszorgopleiding drie of meer bedraagt of aan wie de graad Bachelor voor een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend, beschouwd als een inschrijving voor een masteropleiding met een studielast die gelijk is aan de studielast van de ongedeelde opleiding verminderd met 180.

  • 4. Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt een inschrijving voor een universitaire lerarenopleiding als bedoeld in artikel 18.64 van de wet of voor een voortgezette hbo-opleiding als bedoeld in artikel 18.20 van de wet beschouwd als een inschrijving voor een masteropleiding.

  • 5. Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt als een student aan wie de graad Master is verleend, tevens beschouwd een student die:

    • a. het afsluitend examen van een universitaire lerarenopleiding als bedoeld in artikel 18.64 van de wet met goed gevolg heeft afgelegd, of

    • b. het afsluitend examen van een voortgezette hbo-opleiding als bedoeld in artikel 18.20 van de wet met goed gevolg heeft afgelegd.

  • 6. Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt een student die het afsluitend examen van een ongedeelde opleiding met goed gevolg heeft afgelegd beschouwd als een student aan wie zowel de graad Bachelor als de graad Master is verleend.

M

De bijlagen 4, 5 en 6 vervallen.

ARTIKEL IV WIJZIGINGEN VAN HET UITVOERINGSBESLUIT WHW 2008 VERBAND HOUDENDE MET DE WET VAN 4 FEBRUARI 2010 TOT WIJZIGING VAN DE WET OP HET HOGER ONDERWIJS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK EN ENIGE ANDERE WETTEN ONDER MEER IN VERBAND MET DE VERBETERING VAN HET BESTUUR BIJ DE INSTELLINGEN VOOR HOGER ONDERWIJS, DE COLLEGEGELDSYSTEMATIEK EN DE RECHTSPOSITIE VAN STUDENTEN (VERSTERKING BESTURING) (STB. 2010, 119)

Het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt gewijzigd als volgt:

1. De onderdelen c tot en met e komen te luiden:

  • c. instelling: een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de onderdelen a tot en met i van de bijlage van de wet;

  • d. universiteit:

    • 1°. een universiteit als bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage van de wet,

    • 2°. de Open Universiteit, bedoeld in onderdeel h van de bijlage van de wet, en

    • 3°. een levensbeschouwelijke universiteit, bedoeld in onderdeel i, van de bijlage van de wet;

  • e. hogeschool: een hogeschool als bedoeld in de onderdelen c, e en g van de bijlage van de wet;

2. Onderdeel o komt te luiden:

  • o. opleiding van eerste inschrijving: opleiding waarvoor een persoon het collegegeld, bedoeld in artikel 7.45 van de wet, is verschuldigd en waarvoor geen vermindering of vrijstelling van het betalen van collegegeld op grond van artikel 7.48, eerste of twee lid, van de wet is verkregen.

3. Onderdeel u komt als volgt te luiden:

  • u. wettelijke studielast: het aantal studiepunten dat een opleiding omvat, bedoeld in de artikelen 7.4a, eerste tot en met zevende lid, en 7.4b, eerste tot en met zevende lid, van de wet;.

B

Afdeling 2 van hoofdstuk 2 wordt vervangen door een nieuwe Afdeling 2 die luidt als volgt:

AFDELING 2. COLLEGEGELD

Artikel 2.2. Omvang collegegeld
  • 1. Het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, zevende lid, van de wet is voor het studiejaar 2010/2011 1.672 euro.

  • 2. Het bedrag, bedoeld in artikel 7.45, vierde lid, van de wet is 950 euro.

  • 3. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt tot en met het studiejaar 2018/2019 jaarlijks verhoogd met 22 euro.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden de in het eerste en tweede lid genoemde bedragen na verhoging van het bedrag, genoemd in het eerste lid, met het bedrag, genoemd in het derde lid, jaarlijks aangepast aan de hand van de consumentenprijsindex. De ministeriële regeling wordt vastgesteld voor 1 november voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het aangepaste collegegeld zal gelden. De aanpassing wordt bepaald door de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over de maand april, voorafgaand aan de vaststelling van de ministeriële regeling, heeft ondergaan ten opzichte van de maand april in het daaraan voorafgaande jaar. De aldus verkregen wijziging van het collegegeldbedrag wordt afgerond op het naastbij gelegen gehele getal. De overeenkomstig dit lid gewijzigde bedragen treden in de plaats van de in het eerste en tweede lid genoemde bedragen.

  • 5. Onder de consumentenprijsindex, bedoeld in het vierde lid, wordt verstaan: de consumentenprijsindex «reeks alle huishoudens» zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Artikel 2.3. Uitbreiding categorie studenten wettelijk collegegeld

De categorie studenten waarvoor de in artikel 7.45, eerste lid, onder a, van de wet genoemde voorwaarde niet geldt, wordt uitgebreid met studenten die zijn ingeschreven bij de opleidingen:

  • a. B Educatie en Kennismanagement Groene Sector.

  • b. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in levensmiddelentechnologie.

  • c. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Dierenhouderij en Verwerking I en II.

  • d. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Tuinbouw en Plantenteelt en Verwerking I en II.

  • e. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Plantenteelt en Verwerking I en II.

  • f. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Veehouderij en Verwerking I en II.

  • g. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Agrarische Techniek I en II.

  • h. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Agrarische Economie.

  • i. M Leren en Innoveren.

Artikel 2.4. Administratiekosten gespreide inning collegegeld

Het bedrag, bedoeld in artikel 7.47 van de wet, is 24 euro.

C

Afdeling 3 van hoofdstuk 3 vervalt.

D

Aan artikel 4.10 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien in het kader van een gezamenlijke opleiding of gezamenlijke afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3c van de wet sprake is van registratie van bekostigde graden bij verschillende Nederlandse instellingen wordt het aantal bekostigde graden dat het betreft bij elk van deze instellingen gedeeld door het aantal Nederlandse instellingen dat bij de gezamenlijke opleiding of gezamenlijke afstudeerrichting betrokken is.

E

Aan artikel 4.21 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Indien vanwege toepassing van artikel 7.18, zesde lid, van de wet sprake is van gezamenlijke graadverlening Doctor bij verschillende Nederlandse instellingen wordt het aantal proefschriften dat het betreft bij elk van deze instellingen gedeeld door het aantal Nederlandse instellingen dat bij de gezamenlijke graadverlening betrokken is.

F

Artikel 5.4 komt als volgt te luiden:

Artikel 5.4. Studielast masteropleiding pedagogiek hbo

Voor de masteropleiding pedagogiek in het hoger beroepsonderwijs wordt de studielast door de instelling vastgesteld op ten minste 60 en ten hoogste 90 studiepunten.

G

Artikel 5.5 komt als volgt te luiden:

Artikel 5.5 Afwijkende bekostiging Theologische Universiteit Kampen

  • 1. In 2010 zijn de artikelen 4.8, 4.9, 4.20 en 4.21 niet van toepassing op de Theologische Universiteit Kampen.

  • 2. In 2011 zijn de artikelen 4.7, 4.20 en 4.21 niet van toepassing op de Theologische Universiteit Kampen.

H

Artikel 5.5 vervalt.

I

De bijlagen 1 en 2 vervallen.

Artikel V Overige wijzingen van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008

Het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt een volzin toegevoegd die luidt als volgt: Voor een opleiding, verzorgd door een instelling in een openbaar lichaam BES, is dat bedrag 2.220 USD.

2. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd die luidt als volgt: Voor een opleiding, verzorgd door een instelling in een openbaar lichaam BES, is dat bedrag 1.261 USD.

3. Aan het derde lid wordt een volzin toegevoegd die luidt als volgt: Voor een opleiding, verzorgd door een instelling in een openbaar lichaam BES, is dat bedrag 30 USD.

4. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Bij ministeriële regeling worden de in het eerde lid, eerste volzin, en tweede lid, eerste volzin, genoemde bedragen na verhoging van het bedrag, genoemd in het eerste lid, eerste volzin, met het bedrag, genoemd in het derde lid, jaarlijks aangepast aan de hand van de consumentenprijsindex. De ministeriële regeling wordt vastgesteld voor 1 november voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het aangepaste collegegeld zal gelden. De aanpassing wordt bepaald door de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over de maand april, voorafgaand aan de vaststelling van de ministeriële regeling, heeft ondergaan ten opzichte van de maand april in het daaraan voorafgaande jaar. De aldus verkregen wijziging van het collegegeldbedrag wordt voor de berekening van de verhoging van het bedrag voor een opleiding, verzorgd door een instelling in een openbaar lichaam BES, vermenigvuldigd met de gemiddelde koers van de US dollar op 1 april, voorafgaand aan de vaststelling van de in de eerste volzin bedoelde aanpassing. De aldus verkregen wijzigingen worden afgerond op het naastbij gelegen gehele getal. De overeenkomstig dit lid gewijzigde bedragen treden in de plaats van de in het eerste en tweede lid genoemde bedragen.

B

Aan artikel 2.4 wordt een volzin toegevoegd die luidt als volgt: Voor een opleiding, verzorgd door een instelling in een openbaar lichaam BES, is dat bedrag 32 USD.

C

Artikel 4.8, derde lid, vervalt.

D

In artikel 4.12 komen na vernummering van het derde tot het vierde lid en invoeging van een nieuw derde lid het derde en vierde lid als volgt te luiden:

  • 3. Voor de toepassing van de artikelen 4.8 en 4.10 wordt voor de Open Universiteit onder een bekostigde inschrijving verstaan de totale studielast van de door een student in de peilperiode aangevangen onderwijseenheden bij de Open Universiteit die deel uitmaken van een bacheloropleiding, gedeeld door 60 tenzij het totaal aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor bacheloropleidingen van de betreffende student groter is dan twee,

  • 4. Voor de toepassing van de artikelen 4.9 en 4.20 gelden voor de Open Universiteit als bekostigde graden de graden die zijn verleend aan een student die in de peilperiode is ingeschreven bij de Open Universiteit voor een onderwijseenheid die deel uitmaakt van een opleiding.

E

Bijlage 3, behorend bij artikel 1.1, onderdeel v, komt te luiden:

Bijlage 3, behorend bij artikel 1.1, onderdeel v

Bekostigingsniveaus per CROHO-onderdeel

CROHO-onderdeel

standaard

uitzonderingen

niveau

opleiding of CROHO-subonderdeel*

niveau

onderwijs

hoog

– opleiding tot leraar basisonderwijs

laag

landbouw en natuurlijke omgeving

hoog

  

natuur

hoog

  
  

– farmacie

top

techniek

hoog

  

gezondheidszorg

hoog

– bachelor klinische technologie

– diergeneeskunde

– geneeskunde

– master arts, klinisch onderzoeker

– master geneeskunde, klinisch onderzoeker

– master technical medicine

– tandheelkunde

– advanced nursing practice

– physician assistant

– verloskunde

– mondzorgkunde

top

economie

laag

– hoger hotelonderwijs

hoog

recht

laag

  

gedrag en maatschappij

laag

  

taal en cultuur

laag

* opleidingen op het gebied van de kunst

* masteropleidingen op het gebied van de bouwkunst

hoog

sectoroverstijgend

laag

* onderwijs/landbouw en natuurlijke omgeving/natuur/ techniek/gezondheid

hoog

Indien bij de opleidingen niet expliciet is aangegeven dat het bachelor- of masteropleidingen betreft, worden, voor zover van toepassing, zowel de bachelor-, de master-, de voortgezette, als de ongedeelde opleiding bedoeld.

ARTIKEL VI

  • 1. Artikel I treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2010, met dien verstande dat:

    • a. onderdeel D terugwerkt tot 1 september 2008 en vervalt met ingang van 31 augustus 2009;

    • b. onderdeel E terugwerkt tot 1 september 2008;

    • c. onderdeel F terugwerkt tot 1 januari 2008;

    • d. de onderdelen B, G, J en K terugwerken tot 1 januari 2009;

    • e. onderdeel H terugwerkt tot 22 juli 2009;

    • f. onderdeel I terugwerkt tot 1 september 2009.

  • 2. Artikel II en artikel IV, onderdelen A, B, C, F, G en I treden in werking met ingang van 1 september 2010.

  • 3. Artikel III treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.

  • 4. Artikel IV, onderdelen D, E en H, treden in werking met ingang van 1 januari 2012.

  • 5. Artikel V treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 24 juli 2010

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

Uitgegeven de derde augustus 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Algemeen

Dit besluit strekt tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008. De wijziging behelst uitvoering van het voornemen in de strategische agenda voor hoger onderwijs-, onderzoeks- en wetenschapsbeleid Het hoogste goed van 23 november 2007 voor een nieuw stelsel voor financiering van het hoger onderwijs (Kamerstukken II 2007/2008, 31 288, nr. 1).

Dit besluit strekt overigens tot uitvoering van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), zoals gewijzigd met de Wet van 4 februari 2010 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten onder meer in verband met de verbetering van het bestuur bij de instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek en de rechtspositie van studenten (versterking besturing) (Stb. 2010, 119).

Deze toelichting wordt mede ondertekend namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

2. Wijziging van de bekostiging hoger onderwijs per 2011

Vanaf 2011 wordt de rijksbijdrage die instellingen voor hoger onderwijs ontvangen vanwege het verzorgen van bachelor- en masteropleidingen, gebaseerd op:

  • het aantal bekostigde inschrijvingen bij geaccrediteerde bachelor- en masteropleidingen binnen de nominale studieduur,

  • het aantal bekostigde bachelor- en mastergraden dat is verleend, en

  • een instellingsspecifieke onderwijsopslag.

Met deze beoogde aanpassingen vervallen de huidige voor hogescholen en universiteiten van elkaar verschillende bepalingen inzake de bekostiging voor hoger onderwijs. In plaats van de complexe telling van eerstejaars- en onderwijsvragende studenten wordt het aantal ingeschreven studenten gehanteerd. Dit doet meer recht aan de onderwijsinspanningen die instellingen leveren. Daarbij tellen voor de bekostiging alleen studenten mee die binnen de nominale studieduur studeren. Dit is een stimulans voor kwalitatief hoogwaardig onderwijs en goede studiebegeleiding gericht op afstuderen. Ook ingeval de student studievertraging heeft opgelopen, blijft een diplomaopslag beschikbaar. De overgangsmaatregel vanwege de invoering van de bachelor-masterstructuur bij universiteiten vervalt (Kamerstukken II, 2008/2009, 29 281, nr. 17).

2.1 De bekostigde inschrijving en graad

De inschrijving van een student kan meetellen voor bekostiging als die inschrijving aan de volgende voorwaarden voldoet: de student moet op de peildatum voldoen aan het nationaliteits- en woonplaatsvereiste en er mag geen sprake zijn van vrijstelling of vermindering van collegegeldverplichtingen. Dit geldt zowel voor studenten die een bachelor- als degenen die een masteropleiding volgen. Verder geldt als uitgangspunt dat de overheid verantwoordelijk is voor de financiële ondersteuning van het volgen en succesvol afronden van niet meer dan één bachelor- en één masteropleiding. Een inschrijving aan een bacheloropleiding telt mee voor de bekostiging indien aan de student die de bachelor-opleiding volgt nog geen graad Bachelor of Master is verleend. Een inschrijving aan een masteropleiding telt mee voor de bekostiging indien aan de student die de masteropleiding volgt nog geen graad Master is verleend.

In verband met de bijzondere verantwoordelijkheid van de overheid voor de sectoren onderwijs en gezondheidszorg geldt er, zolang dat gelet op de situatie op de arbeidsmarkt noodzakelijk is, voor die sectoren een uitzondering op voornoemde regel. Er is dan sprake van een bekostigde inschrijving, indien een student zich bij een opleiding in één van deze CROHO-onderdelen (onderwijs en gezondheidszorg) inschrijft zonder dat aan hem een graad is verleend aan een opleiding in één van deze onderdelen, maar hem wel een graad is verleend voor een opleiding in een ander CROHO-onderdeel.

Er is sprake van een bekostigde inschrijving indien een student op 30 september:

het volledige wettelijk collegegeld verschuldigd is (inschrijving eerste opleiding),

aan het woonplaatsvereiste voldoet,

aan het nationaliteitsvereiste voldoet,

nog geen graad Bachelor of Master is verleend bij inschrijving bij een bacheloropleiding, en

nog geen graad Master is verleend bij inschrijving bij een masteropleiding (met een uitzonderingsbepaling bij inschrijving bij de CROHO-onderdelen onderwijs of gezondheidszorg),

niet meer malen heeft meegeteld voor de bekostiging in het hoger onderwijs dan de studielast (ECTS) gedeeld door 60 van de bachelor- respectievelijk masteropleiding waar de student is ingeschreven.

Tenslotte wordt bij het bepalen van het aantal bekostigde inschrijvingen uitgegaan van de nominale studieduur van opleidingen. Een inschrijving telt een beperkt aantal jaren mee voor de bekostiging, rekening houdend met de nominale studieduur van de opleiding die deze student volgt. Bij de nominale studieduur gaat het om het aantal studiepunten behorend bij een opleiding: elke 60 studiepunten telt als één jaar. De inschrijving van een bekostigde student telt mee indien hij volgens het CRIHO niet langer dan de wettelijke studielast gedeeld door 60 is ingeschreven. Hetzelfde geldt voor masteropleidingen. Voor elke opleiding is in de wet of in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 de studielast in studiepunten bepaald. Omwille van de rechtszekerheid en transparantie is in het besluit de studielast van de masteropleiding pedagogiek hbo vastgelegd die niet expliciet in de wet of het besluit stond, maar waarover wel eerder besluitvorming heeft plaatsgevonden en die als zodanig is opgenomen in het CROHO.

Er is sprake van een bekostigde graad indien een student:

in de peilperiode een graad Bachelor of Master is verleend,

het volledige collegegeld verschuldigd is,

aan het woonplaatsvereiste voldoet,

aan het nationaliteitsvereiste voldoet,

nog geen graad Bachelor of Master is verleend bij inschrijving bij een bacheloropleiding, en

nog geen graad Master is verleend bij inschrijving bij een masteropleiding (met een uitzonderingsbepaling bij inschrijving bij de CROHO-onderdelen onderwijs of gezondheidszorg).

Bij graden die meetellen voor bekostiging gaat het om de graden Bachelor en Master die zijn verleend in de peilperiode aan een student die aan alle bekostigingsvoorwaarden voldoet, uitgezonderd de bepaling over de nominale studieduur. Dus ook als na het verstrijken van de nominale studieduur de inschrijving niet meer meetelt voor de bekostiging, is nog sprake van een diplomaopslag. Tevens maakt het niet uit bij welke opleiding de student is ingeschreven: ook een graad verleend bij een parallel gevolgde (tweede) opleiding, telt mee voor de bekostiging. De graad Associate Degree telt niet mee.

2.2 Bedragen per bekostigde inschrijving en graad

Per bekostigde inschrijving en bekostigde graad bij een opleiding is eenzelfde bedrag beschikbaar. Gegeven het karakter van de bekostigingssystematiek als verdeelmodel is er daarmee sprake van een bedrag per inschrijving rekening houdend met de gemiddelde inspanning die een instelling voor een bekostigde student levert in één jaar in de wetenschap dat deze inspanning per student divergeert. Ditzelfde geldt voor de omvang van het bedrag per graad.

Het onderstaande schema maakt inzichtelijk welke stappen vanaf 2011 worden gezet om de rijksbijdrage (vanwege onderwijs) voor een instelling te berekenen.

Zoals uit het schema blijkt wordt de rijksbijdrage voor onderwijs enerzijds bepaald op basis van het aantal bekostigde inschrijvingen en bekostigde graden en anderzijds op basis van de onderwijsopslag. In de strategische agenda is aangegeven dat 60% van het onderwijsdeel beschikbaar voor het hoger onderwijs verdeeld wordt op basis van het aantal ingeschreven studenten en 20% op basis van het aantal bachelor- en mastergraden, bij elkaar 80%. De resterende 20% wordt verdeeld op basis van de onderwijsopslag-percentages. Voor hbo en wo afzonderlijk kunnen de bij invoering te bepalen percentages verschillen.

De onderwijsopslag-bedragen zijn opgebouwd uit bedragen gerelateerd aan kwaliteit, kwetsbare opleidingen, en bijzondere voorzieningen. Daarnaast is sprake van de onderwijsopslag-percentages. Bij de bedragen als onderdeel van de onderwijsopslag gaat het om bestuurlijk en beleidsmatig geoormerkte (vaste) bedragen die vanwege beleidsmatige overwegingen of bestuurlijke afspraken afzonderlijk zichtbaar en aanpasbaar moeten blijven. Dit zonder de suggestie te willen wekken dat jaarlijks besloten kan en moet worden over elk van de onderliggende bedragen. In de strategische agenda voor hoger onderwijs-, onderzoeks- en wetenschapsbeleid is aangegeven dat na een periode van vijf jaar zal geëvalueerd worden of de instellingsspecifieke onderwijsopslag in relatie tot de doelen genoemd in deze agenda nog noodzakelijk is. Deze evaluatie is voorzien per 2016.

Een bekostigde inschrijving of een verleende graad telt niet bij elke opleiding even zwaar mee bij de berekening: gerelateerd aan groepen van opleidingen worden 3 bekostigingsniveaus (laag/hoog/top) gehanteerd. De verhouding tussen de bekostigingsniveaus wordt bepaald bij ministeriële regeling en kan verschillen voor wo- en hbo-opleidingen.

Het gemiddelde bedrag per bekostigde inschrijving of graad voor wo-opleidingen wordt berekend door de bekostigde inschrijvingen en graden bij de bachelor- en masteropleidingen anders dan op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving (en bij regeling aan te wijzen opleidingen in het CROHO-onderdeel sectoroverstijgend), gewogen naar de bekostigingsniveaus, op te tellen. Het bij ministeriële regeling bepaalde deel van het onderwijsdeel wo, jaarlijks opgenomen in de rijksbegroting van OCW, wordt gedeeld door deze optelsom. Per instelling is zo een studentgebonden bedrag beschikbaar, gegeven het aantal bekostigde inschrijvingen en verleende graden bij wo-opleidingen bij de betreffende universiteit of hogeschool. Dezelfde systematiek geldt voor hbo-opleidingen. Deze bedragen gelden ook voor de opleidingen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving.

De bedragen voor bekostigde inschrijvingen en graden bij hbo-opleidingen gaan ten laste van het onderwijsbudget hbo. De bekostiging van het aantal studenten dat is ingeschreven of aan wie een graad is verleend behorend bij wo-opleidingen gaat ten laste van het onderwijsbudget wo. De bedragen voor bekostigde inschrijvingen en graden vanwege wo-opleidingen en hbo-opleidingen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving komen daarbij ten laste van de onderwijsdelen op de rijksbegroting van LNV. Wanneer sprake is van een overwegende inhoudelijke verwantschap met landbouw en natuurlijke omgeving van – bij ministeriële regeling te bepalen – bekostigde inschrijvingen en graden in het CROHO-onderdeel sectoroverstijgend komen deze eveneens ten laste van de onderwijsdelen op de rijksbegroting van LNV. De bedragen voor bekostigde studenten en graden vanwege opleidingen in de andere CROHO-onderdelen komen ten laste van de onderwijsdelen op de rijksbegroting van OCW.

2.3 Historisch bestand hoger onderwijs

De gegevens over inschrijvingen en graden die bij de berekening van de rijksbijdrage en de ijking worden benut, worden ontleend aan het Centraal register inschrijvingen hoger onderwijs (CRIHO). De inhoud van het CRIHO die betrekking heeft op registraties van inschrijvingen en graadverleningen wordt in de vorm van een historisch (bekostigings)bestand hoger onderwijs bevroren, voor zover het de instellingsbekostiging betreft voorafgaand aan het betreffende begrotingsjaar. Bij de berekening van de rijksbijdrage voor een begrotingsjaar wordt uitgegaan van dit historische bestand hoger onderwijs en van de relevante (nieuwe) inschrijvingen en graden. Wijzigingen in het CRIHO die op de «bevroren» periode betrekking hebben, hebben daarmee geen gevolgen voor de rijksbijdrage. Het historisch bekostigingsbestand is opgesteld door de Dienst Uitvoering Onderwijs gelet op de bepalingen in dit besluit en een met VSNU en HBO-raad in bestuurlijk overleg van 4 maart 2009 afgesproken bewerking op de beschikbare gegevens.

Het historisch bestand hoger onderwijs is samengesteld met als doel rekening te houden met in het verleden bekostigde inschrijvingen en graden. Dit historisch bestand is een gestolde weergave van een werkelijkheid die ontleend is aan het CROHO en de door instellingen aan het CRIHO aangeleverde gegevens vanaf het inschrijvingsjaar 1991–1992 waarop beslisregels zijn toegepast.

Het historisch bestand hoger onderwijs is bij de totstandkoming gebaseerd op het bestand 1 cijfer Hoger Onderwijs. Dit bestand bevat de inschrijvingsgegevens uit het CRIHO, aangevuld met attributen die worden gebruikt om tot eenduidige tellingen te komen. Indien en voor zover deze attributen zijn gebruikt voor de berekening van de rijksbijdrage in eerdere jaren zijn zij gevalideerd door de accountant die een verklaring ter zake heeft afgegeven. De systematiek om tot het bestand 1 cijfer Hoger Onderwijs te komen is vastgesteld in het overleg van betrokkenen bij statistieken over het hoger onderwijs, zoals CBS, DUO, VSNU, HBO-raad, Inspectie van het Onderwijs en het Ministerie van OCW. Met het bestand 1 cijfer Hoger Onderwijs is voorzien in eenduidige gedefinieerde aantallen ingeschrevenen en graadverleningen. Dit bestand wordt geproduceerd door DUO. Om het bestand 1 cijfer Hoger Onderwijs geschikt te maken als basis voor het Historisch Bestand Hoger Onderwijs – zodat de bekostigingsstatus van graden en inschrijvingen op een correcte manier op basis van de voorwaarden in het ontwerpbesluit kan worden bepaald – dienen enerzijds enkele variabelen uit 1 cijfer Hoger Onderwijs te worden omgezet, anderzijds enkele attributen extra te worden toegevoegd. Verder worden er nog andere zaken genoemd waarmee rekening gehouden moet worden.

Bij de bekostiging wordt uitgegaan van gegevens van twee jaar terug (t-2 systematiek). De historische gegevens uit het studiejaar 2008–2009 en verder terug tot en met het jaar van de eerste inschrijving of graadverlening worden hierbij in beschouwing genomen. Omdat gegevens in het CRIHO tot en met studiejaar 1990/1991 onvolkomen zijn, zijn deze niet benut bij het opstellen van het historisch bestand. Het CRIHO is op de persoonskenmerken woonplaats, nationaliteit en verblijfsvergunning in de historische jaren niet genoeg gevuld om hiermee rekening te houden bij de opbouw van de historie. Bij het opstellen van het bestand is het gelet op het besluit van belang of en inschrijving of graadverlening is geregistreerd in relatie tot een opleiding in de CROHO-onderdelen onderwijs of gezondheidszorg, of een «lerarenopleiding» in het CROHO-onderdeel landbouw en natuurlijke omgeving (verder LG-opleiding).

Bij het vaststellen of een inschrijving geregistreerd in CRIHO gelijkgesteld kan worden aan een bekostigde inschrijving in de zin van dit besluit en als zodanig in het historisch bestand opgenomen, wordt bezien of deze voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. de inschrijving betreft de hoofdinschrijving van de student op 30 september van het betreffende inschrijvingsjaar;

  • b. de instelling heeft aangegeven dat de student het collegegeld heeft voldaan (code bekostiging Ja);

  • c. de inschrijving van de persoon is niet als extraneus;

  • d. de opleiding van de student valt niet in het CROHO-onderdeel «ongeldig»;

  • e. het aantal inschrijvingen, als bedoeld onder a. tot en met d. is minder dan de studielast gedeeld door 60, waarbij naar boven wordt afgerond (bij een opleiding met een studielast van 90 worden twee inschrijvingen bekostigd), en bij inschrijving bij een LG-opleiding na het behalen van de eerste niet-LG graad zijn alleen de inschrijvingen na het behalen van die niet-LG graad van belang.

De verschillende hiervoor genoemde voorwaarden zijn voor inschrijvingen in bachelor-, master- en ongedeelde opleidingen verschillend. Daarbij worden van ongedeelde opleidingen globaal de eerste drie jaar als bachelor geteld en de overige jaren als master om de BaMa-structuur te simuleren.

Bij het vaststellen of een graad geregistreerd in CRIHO gelijkgesteld kan worden aan een bekostigde graad in de zin van dit besluit, en als zodanig in het historisch bestand opgenomen, is uitgegaan van het bekende examenresultaat, horend bij het afsluitend examen. Een graad wordt in het bestand opgenomen wanneer de graad is behaald in een inschrijving als student, dus niet in een inschrijving als extraneus. Bij de graad wordt geregistreerd  of:

  • a. het een bachelor in een niet-LG-opleiding betreft;

  • b. het een bachelor in een LG-opleiding betreft;

  • c. het een master in een niet-LG-opleiding betreft;

  • d. het een master in een LG-opleiding betreft.

Een en ander zal in een ministeriële regeling worden vastgelegd.

Deze beslisregels zijn vanaf het jaar 2009–2010 volledig conform het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 vastgesteld en tot het jaar 2009–2010 zoveel mogelijk conform het besluit. Voor alle historische inschrijvingen en graden is zo in het historisch bestand een status bepaald die meegewogen wordt bij de actuele bekostiging volgens het besluit. Door een accountant is vastgesteld dat de beslisregels in de initiële versie van dit bestand volledig gevolgd zijn. De initiële versie van het historisch bestand is samengesteld in overleg met en na toetsing door vertegenwoordigers vanuit het hbo en het wo.

Jaarlijks worden de gegevens van de bekostigde inschrijvingen en graden toegevoegd aan dit bestand volgens de regels uit het besluit. Deze jaarlijkse toevoeging is de enige toegestane wijziging van het historisch bestand hoger onderwijs.

2.4 Open Universiteit

Aangezien bij de Open Universiteit de mogelijkheid bestaat om bij onderwijseenheden in te schrijven die gedurende het studiejaar kunnen worden begonnen, is voor Open Universiteit voorzien in een specifieke wijze van telling van het aantal bekostigde inschrijvingen. Onverminderd de overige voorwaarden die bij alle bekostigde inschrijvingen van toepassing zijn, wordt bij Open Universiteit het aantal relevante onderwijseenheden geteld, gerelateerd aan de studielast van de afzonderlijke onderwijseenheden. De optelsom van de studielast van deze onderwijseenheden wordt gedeeld door 60 om tot een vergelijkbare telling te kunnen komen van een inschrijving bij een reguliere bachelor- of masteropleiding.

De Open Universiteit is technisch niet aangesloten op het CRIHO. Inschrijvingen bij onderwijseenheden kunnen (nog) niet in dit register worden geregistreerd. In overleg tussen deze instelling en Dienst Uitvoering Onderwijs zijn afspraken gemaakt te verkennen vanaf welk begrotingsjaar dit wel mogelijk is. In een gezamenlijke analyse wordt verkend welke aanpassingen bij deze instelling nodig zijn voor de aansluiting op CRIHO (of de BRON-HO als opvolger van dit register) en welke investeringen hiermee gemoeid zijn, vanuit het streven vanaf het begrotingsjaar 2013 inschrijvingen bij Open Universiteit bij de berekening van de rijksbijdrage te kunnen betrekken. Uiteindelijk wordt bij koninklijk besluit bepaald vanaf welk begrotingsjaar dit daadwerkelijk mogelijk is. Tot dat moment wordt de rijksbijdrage van Open Universiteit vanwege het verzorgen van onderwijs conform de al sinds enkele jaren gebruikte systematiek gebaseerd op het aantal verleende graden en een onderwijsopslag.

2.5 Invoering

Uitgangspunt is budgettair-neutrale invoering op macro-niveau.

Met de HBO-raad zijn in bestuurlijk overleg op 30 september 2009 afspraken over de invoering en uitvoering van de nieuwe systematiek gemaakt. Het gaat daarbij met name om de volgende keuzes:

  • a. de HBO-raad geeft aan dat de Algemene vergadering op 2 juli 2009 de voorkeur heeft uitgesproken voor onmiddellijke werking van de nieuwe systematiek per 2011, zonder dat sprake is van structurele mitigering van de herverdeeleffecten via de onderwijsopslagpercentages aangezien daarmee onevenwichtigheden in de te vervallen systematiek een structurele doorwerking krijgen.

  • b. de reallocatieve effecten van de invoering van het nieuwe systeem moeten worden opgevangen door een overgangsmaatregel. Op basis van het driejarig gemiddeld effect zoals gesimuleerd voor de bekostigingsjaren 2008, 2009 en 2010 wordt per hogeschool (of per bestuur indien sprake is van verschillende hogescholen die onder één bestuur vallen) het herverdeeleffect bepaald. Indien sprake is van een negatief herverdeeleffect dan dient gedurende een periode van maximaal 5 jaar gecompenseerd te worden waarbij elke hogeschool geacht moet worden om 1% per jaar (cumulatief) zelf te kunnen opvangen. Voor deze overgangsperiode van 5 jaar wordt de compensatie aan de betrokken hogescholen vooraf vastgesteld zodat op het moment van overgang meerjarige duidelijkheid bestaat. Dit wordt nader uitgewerkt bij ministeriële regeling en technisch vertaald in de onderwijsopslagbedragen.

  • c. de onderwijsopslagpercentages wordt bij de betreffende instelling verhoogd met het surplus in de (voormalige) huisvestingsvergoeding per hogeschool voor zover die uitstijgt boven de minimale vergoeding per gewogen onderwijsvragende. Het totaal met de onderwijsopslagpercentages gemoeide bedrag wordt gefixeerd en behoudens beleidsrijke aanpassingen, alleen vanwege loon- en prijsbijstelling gewijzigd.

Inzake de universiteiten zijn de volgende keuzes gemaakt over de invoering en uitvoering van de nieuwe bekostigingssystematiek, in te voeren per 2011.

  • a. De bekostigingssystematiek treedt onmiddellijk in werking per 2011, waarbij voor de onderwijs- en onderzoekbekostiging sprake is van een budgettair-neutrale overgang geijkt op 2010 en gecorrigeerd voor de onbedoelde incidentele effecten, bedoeld in de door alle universiteiten onderschreven systematiek die is ontwikkeld door Deloitte als basis voor de afspraken over de omgang met de overgangsmaatregel invoering bachelor-masterstructuur (Kamerstukken II, 2008/2009, 29 281, nr. 17). Dit vertaalt zich in een aanpassing van de bedragen en percentages onderwijsopslag en in de bedragen voor onderzoek.

  • b. De correctie op de rijksbijdrage wordt opgevangen door een overgangsmaatregel. Indien sprake is van een negatief herverdeeleffect dan wordt dit gedurende een periode van maximaal 5 jaar gecompenseerd. Bij het bepalen van de omvang van die compensatie vangt elke universiteit 1% per jaar geijkt op het begrotingsjaar 2010 (cumulatief) zelf op. Voor deze overgangsperiode van 5 jaar wordt de compensatie aan de betrokken universiteiten vooraf vastgesteld zodat op het moment van overgang meerjarige duidelijkheid bestaat. Dit wordt vertaald in de onderwijsopslagbedragen.

  • c. De bekostigingsniveaus die voor onderwijs worden gehanteerd, zijn gelijk aan de factoren die tot en met 2010 ook voor onderzoek zijn gebruikt.

  • d. Het totaal met de onderwijsopslagpercentages gemoeide bedrag wordt gefixeerd voor universiteiten die ten laste van de OCW-begroting worden bekostigd en, behoudens beleidsrijke aanpassingen, alleen vanwege loon- en prijsbijstelling gewijzigd.

De aanpassingen in de berekening vanwege het verlenen van ondersteuning aan geneeskundig onderwijs en onderzoek (ook bekend als werkplaatsfunctie academische ziekenhuizen) geschieden budgettair neutraal. Met de NFU zijn separate afspraken gemaakt over de technische invulling daarvan, waaronder de keuze voor het basisjaar voor de ijking.

3. Overige wijzigingen

Bij de berekening van de bijdrage vanwege ondersteuning van geneeskundig onderwijs en onderzoek (academische ziekenhuizen) is in de telling van eerstejaars omgezet in de telling van inschrijvingen, met bijbehorende aanpassing van het financiële gewicht van inschrijvingen (zes keer dat van eerstejaars).

Het al gehanteerde principe dat per CROHO-onderdeel een bekostigingsniveau van toepassing is, wordt op termijn doorgezet door het aantal uitzonderingen op deze hoofdregel verder te beperken. Dit komt mede ten goede aan de handhaafbaarheid (beperking van misbruik en oneigenlijk gebruik) en uitvoerbaarheid. Tevens doet het recht aan het belang van lerarenopleidingen en gezondheidszorgopleidingen. In bijlage 3 is bepaald welk bekostigingsniveau standaard op een CROHO-onderdeel van toepassing is en welke uitzonderingen daar tevens gelden.

Aangezien de percentages die worden benut om de aanspraak van een universiteit vanwege een onderzoekschool of toponderzoekschool, in elk geval betreffende de laatste, periodiek wijzigen, worden deze vanaf het begrotingsjaar 2010 bij ministeriële regeling vastgesteld.

Conform de brief van 27 april 2009 (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 700 VIII, nr. 174) wordt het aantal (landelijke) beurzen dat wordt verstrekt op basis van artikel 7.51, zevende lid van de wet, verhoogd van 20 naar 40 beurzen.

Dit besluit omvat een aantal wijzigingen van bijlage 1. Artikel 7.4a, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur tweejarige masteropleidingen kunnen worden aangewezen. In artikel 5.6, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 is – onder meer – geregeld dat één jaar extra studiefinanciering wordt verstrekt aan studenten die masteropleidingen volgen als bedoeld in 7.4a, vijfde lid, van de WHW. Instellingen kunnen bij de Minister een verzoek indienen om specifieke masteropleidingen aan te wijzen als tweejarige masteropleidingen. Op verzoek van de Minister adviseert de NVAO – vanwege haar inhoudelijke expertise – over de vraag of de extra studielast die door de instelling wordt voorgesteld (120 studiepunten in plaats van 60) onderwijsinhoudelijk wenselijk is. De NVAO heeft voor een aantal nieuwe wo-masteropleidingen geadviseerd deze op te nemen in de bijlage. Opname in de bijlage vereist aanpassing van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008. Daarnaast is in de meeste gevallen sprake van een naamswijziging van een opleiding.

4. Wijziging vanwege de wet versterking besturing

De wet versterking besturing heeft een aantal gevolgen voor het Uitvoeringsbesluit WHW 2008: bepalingen vervallen, worden gewijzigd of toegevoegd.

Na inwerkingtreding van de betreffende bepalingen in de wet versterking besturing vervalt uit de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) een aantal opdrachten tot het regelen bij algemene maatregel van bestuur. Met dit besluit vervallen in het verlengde daarvan enkele in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 opgenomen bepalingen.

Het gaat daarbij om het volgende:

  • a. De bepalingen in hoofdstuk 2, afdeling 2, over Voorwaarden voor ondersteuning door het Rijk vervallen gelet op de aanpassing van artikel 7.51 inzake landelijke beurzen. In het aanpaste artikel is voorzien dat de voorwaarden voor financiële ondersteuning voor deze landelijke beurzen worden gesteld bij ministeriële regeling. Bij de aanpassing van de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de voornemens in de brief van 27 april 2009 (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 700 VIII, nr. 174) uitgangspunt.

  • b. De bepalingen in hoofdstuk 3, afdeling 3, over masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 120 studiepunten vervallen vanwege wijziging van artikel 7.4a van de wet. Daarmee kan ook een overgangsbepaling over studielast uit het besluit vervallen.

Vanwege bedoelde aanpassing van de WHW wijzigt ook een aantal bepalingen in het besluit. Het gaat daarbij om het volgende:

  • a. De definitie van instellingen, universiteiten en hogescholen, wijzigt vanwege de aanpassing van de bijlage bij de wet inclusief de inbedding van levensbeschouwelijke universiteiten.

  • b. In verband met de opname van de Theologische Universiteit Kampen in de bijlage bij de wet is overigens in enkele specifieke bepalingen voorzien over inwerkingtreding van bekostigingsbepalingen. Bepaald is dat voor de begrotingsjaren 2010 en 2011 deze instelling een rijksbijdrage ontvangt die nog niet is gebaseerd op aan te leveren gegevens. Vanaf 2012 is dat wel mogelijk en zal ook de rijksbijdrage van deze instelling mede gebaseerd worden op het aantal bekostigde inschrijvingen, graden en proefschriften (geijkt op de uitkomsten voor 2011).

  • c. In verband met de aanpassing van de collegegeldsystematiek is een aantal bepalingen uit de wet overgenomen in het besluit en zijn verwijzingen in het besluit aangepast.

  • d. De invoering van zogenoemde joint degrees (artikel 7.3c) en joint doctorates (7.18) in de wet, gaat gepaard met aanpassing van de bekostigingsbepaling met als strekking dat het bedrag dat per verleende graad (Bachelor en Master) of proefschrift leidend tot een promotie (en de graad Doctor) beschikbaar is evenredig over de betrokken Nederlandse instellingen wordt verdeeld. Het verzorgen van een joint degree heeft geen gevolg voor de onderwijsopslag van de betrokken instellingen.

5. Gevoerd overleg

Een voorontwerp van dit besluit is aan de VSNU, de HBO-raad en de NFU voorgelegd met het verzoek om een bestuurlijk oordeel. Dit overleg is gevoerd conform de mijlpalenplanning die in oktober 2008 in overleg met de VSNU en de HBO-raad is vastgesteld. De VSNU en de NFU hebben geen commentaar op het voorontwerp van dit besluit gegeven dat aanleiding is geweest tot bijstelling van het voorontwerp. Naar aanleiding van het overleg met de HBO-raad zijn de bepalingen over bekostigingsniveaus aangepast en zijn de afspraken over de invoerings- en uitvoeringsmaatregelen opgenomen in de toelichting

6. Uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets

Een voorontwerp van dit besluit is voor een uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets voorgelegd aan de Dienst Uitvoering Onderwijs en de Inspectie van het Onderwijs.

6.1 Uitvoeringstoets

De Dienst Uitvoering Onderwijs heeft (via haar voorgangers CFI en Informatie Beheer Groep) aangegeven dat het besluit uitvoerbaar is. Naar aanleiding van de uitvoeringstoets is een aantal aanpassingen in het voorontwerp van het besluit aangebracht, te weten:

  • de bepaling over en de toelichting bij het historisch bestand (zie paragraaf 2.3) zijn aangescherpt;

  • de toelichting inzake de bijzondere positie van de Open Universiteit en de levensbeschouwelijke universiteiten is verhelderd;

  • enkele bepalingen zijn technisch aangescherpt en redactioneel verbeterd, waaronder een ordening van bepalingen naar moment van inwerkingtreding.

6.2 Handhaafbaarheidstoets

Bij de handhaafbaarheidstoets is vastgesteld dat het besluit op voorwaarde van enkele verhelderingen handhaafbaar is.

De bekostigingssystematiek behorende bij het besluit heeft het karakter van een verdeelmodel. Zoals is aangegeven in paragraaf 2.2 is daarbij sprake van een bedrag per inschrijving rekening houdend met de gemiddelde inspanning die een instelling voor een bekostigde student levert in één jaar, in de wetenschap dat deze inspanning per student divergeert. Ditzelfde geldt voor de omvang van het bedrag per graad.

Dit laat onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarbij op voorhand bekend is dat de ontvangen onderwijsbekostiging in relatie tot de geleverde onderwijsinspanning onevenredig hoog is. Dit zou ertoe kunnen leiden dat constructies ontstaan om de onderwijsbekostiging te maximaliseren, bijvoorbeeld door specifieke doelgroepen te stimuleren zich bij de onderwijsinstelling in te schrijven. Dit leidt tot een ongewenste beïnvloeding van het gemiddelde van de onderwijsinspanningen. Een toename van deze handelwijze zou kunnen duiden op misbruik of ongewenst gebruik van bekostigingsregelgeving.

Deze wetenschap is vooralsnog geen aanleiding tot verfijning van de regelgeving maar wel tot het benoemen van deze onbedoelde en ongewenste situaties. Het gaat daarbij met name om de volgende situaties:

a. korte inschrijvingsduur:

een inschrijving wordt bekostigd wanneer de student op 30 september is ingeschreven en aan de bekostigingsvoorwaarden voldoet. Uitschrijving binnen een korte periode na de peildatum is mogelijk en in sommige gevallen te verklaren, bijvoorbeeld vanwege herziening van de studiekeuze. Deze ruimte in het besluit is bedoeld voor deze uitzonderingsgevallen. Het is ongewenst deze ruimte te gebruiken voor het uitschrijven van grote aantallen studenten kort na de peildatum. Indien bij een of meer instellingen of opleidingen sprake is van forse verkorting van de inschrijvingsduur, en daarbij geen evidente en legitieme verklaringen kenbaar zijn, zal nader worden onderzocht of er sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik van de bekostiging per jaar. Indien deze situatie zich voordoet, zullen passende maatregelen worden getroffen. Bijzondere aandacht verdienen daarbij studenten die vormen van voorgestructureerde deelprogramma’s volgen, die onderdeel zijn van reguliere bachelor- en masteropleidingen onderwijs (ingebedde vormen van contract- en deeltijdonderwijs).

b. korte inschrijvingsduur tot graadverlening:

een graadverlening wordt bekostigd wanneer de student in de peilperiode is ingeschreven en aan de bekostigingsvoorwaarden voldoet. Graadverlening kan kort na aanvang van de inschrijving geschieden. Graadverlening binnen een korte periode na aanvang van de inschrijving bij een hogeschool of universiteit is mogelijk wanneer een student elders al de nodige kennis en vaardigheden heeft opgedaan. Het is ongewenst om specifieke doelgroepen studenten aan te trekken, die relatief snel naar een graad toe te leiden zijn, waarbij het vooropgezette doel is met een minimale onderwijsinspanning de bekostiging voor de graad te ontvangen (naast de bekostiging voor het inschrijvingsjaar). Indien bij een of meer instellingen of opleidingen sprake is van forse verkorting van de inschrijvingsduur gerelateerd aan de graadverlening (een opzienbarende toename van het aantal snelle afstudeerders), en daarbij geen evidente en legitieme verklaringen kenbaar zijn, wordt bezien of er sprake is van misbruik of oneigenlijk of ongewenst gebruik van deze wijze van bekostiging van de graadverlening. Indien dit het geval is, zal overwogen worden om deze vorm van excessieve bekostiging uit te sluiten. Bijzondere aandacht verdient de graadverlening aan studenten die in het buitenland een (deel) van een opleiding volgen of hebben gevolgd, studenten waarbij sprake is van vrijstelling van het volgen van onderwijs vanwege een evc-procedure en studenten die middels samenwerkingsverbanden met particuliere onderwijs aanbieders naar een graad worden toegeleid.

c. korte inschrijvingsduur zonder collegegeldbetaling:

een inschrijving wordt onder voorwaarden bekostigd wanneer de student op 30 september is ingeschreven en de verplichting tot betaling van het collegegeld is aangegaan. Het is mogelijk dat een student ook na aanmaning niet blijkt te (kunnen) voldoen aan deze verplichting. Indien bij een of meer instellingen of opleidingen sprake is van forse toename van deze situatie en de instelling niet alle middelen heeft benut om collegegeldbetaling mogelijk te maken, zal bezien worden of sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik van deze samenloop van bepalingen in dit besluit en in de wet (over in- en uitschrijving) en zullen zo nodig passende maatregelen worden getroffen.

d. tweede inschrijving:

Uitgangspunt voor dit besluit is dat één bachelor- en één mastergraad per student bekostigd wordt. Uitzondering op dit uitgangspunt zijn de opleidingen in het CROHO-onderdeel onderwijs of gezondheidszorg. Een student die een graad verleend is, kan indien nog geen graad verleend is voor een opleiding in het CROHO-onderdeel onderwijs of gezondheidszorg, deze tegen wettelijk collegegeld en bekostigd volgen. Echter, een student kan gedurende deze tweede bekostigde inschrijving tegelijkertijd (parallel) een andere opleiding volgen (met vrijstelling van de collegegeldverplichting). Het is ongewenst de bekostiging voor deze tweede opleiding gezondheidszorg of onderwijs aan te wenden als financiering van een andere opleiding dan waar de bekostiging voor ontvangen wordt. Deze tweede inschrijvingen voor deze opleidingen in het CROHO-onderdeel onderwijs of gezondheidszorg zullen worden gemonitord. Indien er aanwijzingen zijn dat deze situatie zich voordoet, bijvoorbeeld blijkend uit het grote aantal uitvallers voor de vervolginschrijving in het CROHO-onderdeel onderwijs of gezondheidszorg, zal worden bezien of hier nadere maatregelen nodig zijn.

e. inschrijving bij een hoger bekostigde opleiding:

een student kan worden uitgenodigd om zich bij een hoger bekostigde opleiding in te schrijven, die inhoudelijk verwant is aan de eerste keuze van de persoon. Ook is het denkbaar dat een instelling de naam van een opleiding wijzigt, zonder inhoudelijke redengeving, maar wel met een financieel effect vanwege wijziging van het bekostigingsniveau. Totdat bijlage 3 is aangepast (waarbij een groot aantal uitzonderingsituaties zal vervallen) zal dit nadrukkelijk onderwerp van aandacht zijn.

Bovenstaande situaties zullen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit worden gemonitord. Hierbij zal uitdrukkelijk aandacht zijn voor de ontwikkeling van deze situaties in relatie tot het verleden. Indien er sprake is van een trendbreuk zal direct nader worden onderzocht wat hiervan de oorzaken zijn. Daar waar aanwijzingen zijn van misbruik of oneigenlijk gebruik en/of ongewenste effecten van de ruimte die met dit besluit wordt geboden, zullen passende maatregelen worden getroffen.

7. Financiële gevolgen

De wijzigingen in dit besluit hebben geen gevolgen voor de Rijksbegroting. De wijzigingen leiden vanaf 2011 tot een aanpassing in de verdeling over alle op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bekostigde universiteiten en hogescholen. De financiële gevolgen vanwege de extra aanspraak op studiefinanciering komen ten laste van de OCW-begroting.

8. Administratieve lasten

De maatregelen in het onderhavige besluit hebben geen gevolgen voor de administratieve lasten van de universiteiten en hogescholen. De informatieverplichtingen van instellingen veranderen niet vanwege de wijzigingen in dit besluit. Voor uitvoeringslasten bij bedrijven en burgers (studenten) verandert vanwege dit besluit evenmin iets.

9. Voorhang ontwerpbesluit

Overeenkomstig artikel 2.6, zesde lid, van de WHW is het ontwerpbesluit voorafgaand aan de advisering door de Raad van State aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal voorgelegd bij brief van 7 december 2009 (Kamerstukken II 2009/2010, 31 288, nr. 74). Tevens is het ontwerpbesluit ter kennisgeving aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal gezonden.

Artikelsgewijs

Artikel I Wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 per 1 januari 2010

Onderdeel A

Vanwege aanpassing van artikel 4.22 wordt de bepaling over het overleg over de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 4.7, aangepast.

Onderdeel B

Met dit onderdeel is de definitie van eerstejaars in overeenstemming gebracht met de uitvoeringspraktijk.

Onderdeel C

Overeenkomstig het algemeen deel van de toelichting wordt de bepaling inzake onderzoekscholen en toponderzoekscholen technisch aangepast.

Onderdelen D tot en met I

Vanwege het vervallen en toevoegen alsmede naamswijzigingen van 2-jarige masteropleidingen wordt bijlage 1 bij het besluit aangepast.

Onderdelen J en K

De percentages voor de betreffende instellingen zijn aangepast (wijziging met 0,001%) en in overeenstemming gebracht met de uitvoeringspraktijk.

Onderdeel L

Vanwege herziening van artikel 4.22 vervallen de bijlagen 8 en 9 en worden de betreffende percentages opgenomen in een ministeriële regeling.

Artikel II Wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 per 1 september 2010

In overeenstemming met de algemene toelichting wordt het aantal landelijke beschikbare beurzen uitgebreid van twintig naar veertig.

Artikel III Wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 per 1 januari 2011

Onderdeel A

Vanwege de wijziging van afdeling 2 van hoofdstuk 4 van het besluit wijzigen enkele begripsbepalingen.

Met het eerste lid zijn enkele verwijzingen naar artikelen aangepast aan de gewijzigde nummering van deze artikelen. Met het tweede lid wordt ook voor die situaties waarin een student niet het collegegeld is verschuldigd vanwege het volgen van een voltijdse studie, bedoeld in artikel 7.43, eerste lid van de wet, geregeld dat bij meer inschrijvingen in hetzelfde studiejaar de opleiding waar de student (in de tijd) als eerste is ingeschreven als de opleiding van eerste inschrijving wordt gezien. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om inschrijving bij twee deeltijdse opleidingen. Met het derde lid wordt de definitie van student aangepast. De herhaling van het bepaalde in artikel 2.6, vierde lid van de wet is overbodig en vervalt. Daardoor verandert de nummering van dit onderdeel. Aan het reeds bepaalde is de voorwaarde toegevoegd onder 2°, die eerder was opgenomen onder het nu gewijzigde onderdeel q. Onder 3° en 4° zijn de voorwaarden zoals beschreven in het algemene deel van deze toelichting, opgenomen om de bekostiging te beperken tot één bacheloropleiding en één masteropleiding. Met het vijfde lid wordt de peildatum van 1 oktober gewijzigd in 30 september. Aangezien in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs (CRIHO) inschrijvingen worden geregistreerd naar de maand waarin deze inschrijving aanvangt, diende, om de bekostiging op de peildatum van 1 oktober te kunnen realiseren, deze inschrijving te worden geregistreerd als een inschrijving in september. Daarmee is sprake van ongewenste vervuiling van CRIHO en verschillen met de studentenadministraties. Met de wijziging in de peildatum met één dag wordt dit probleem opgelost. Met het zesde lid wordt de wettelijke studielast van belang voor de toepassing van hoofdstuk 4 gedefinieerd. Met het zevende lid wordt de definitie van graad ontdaan van voorwaarden die al bij de definitie van student, onderdeel r. zijn opgenomen.

Onderdelen B tot en met E en I

Vanwege aanpassing van diverse artikelen dienen verwijzingen te worden aangepast.

Vanwege de wijziging van afdeling 2 van hoofdstuk 4 van het besluit kan artikel 4.1 vervallen en geschiedt vernummering van de overige artikelen in deze paragraaf. Tevens worden de verwijzingen in deze artikelen aangepast aan de wijziging van paragraaf 2.

In onderdeel C is artikel 4.2 (nieuw), eerste en tweede lid, in overeenstemming gebracht met de bepalingen over het onderwijsdeel hbo en recht gedaan aan de bekostigingsverantwoordelijkheid van de minister van LNV voor opleidingen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving of een overwegende verwantschap daarmee in het CROHO-onderdeel sectoroverstijgend.

In onderdeel D wordt een nieuw lid toegevoegd aan artikel 4.4 (nieuw) waarmee invulling wordt gegeven aan de bepaling over het historisch bestand hoger onderwijs zoals beschreven in paragraaf 2.3 van het algemene deel van deze toelichting.

Onderdeel F

Vanwege de per 2011 te wijzigen bepalingen wordt artikel 4.6 (nieuw) aangepast.

Onderdeel G

Met dit onderdeel wijzigt afdeling 2 van hoofdstuk 4 overeenkomstig de voornemens die in paragraaf 1 van het algemeen deel van deze toelichting zijn verwoord.

Artikel 4.7 Studentgebonden financiering geeft aan hoe de bedragen die resulteren uit de berekening in de andere artikelen ten laste worden gebracht van het onderwijsdeel waar het betrekking op heeft. Zo worden bedragen gerelateerd aan inschrijvingen en graden vanwege wo-opleidingen ten laste van het onderwijsdeel wo gebracht. Tevens geeft het artikel aan hoe het bedrag per opleiding wordt bepaald, gegeven het voor student-gebonden financiering bij regeling bepaald bedrag, en het aantal bekostigde inschrijvingen en graden per opleiding gewogen naar bekostigingsniveau gerelateerd aan de onderscheiden onderwijsdelen hbo en wo. Het resterende deel wordt verdeeld via de onderwijsopslag, bedoeld in artikel 4.11.

In artikel 4.8 Bekostigde inschrijving is bepaald welke inschrijvingen worden betrokken in de berekening van de rijksbijdrage. Het gaat daarbij om inschrijvingen die voldoen aan de bekostigingsvoorwaarden zoals bedoeld in paragraaf 1.2 van het algemene deel van deze toelichting. Deze bepaling is niet van toepassing op de Open Universiteit, zoals ook het aantal eerstejaars wo niet werd betrokken bij het bepalen van de rijksbijdrage van deze instelling.

In artikel 4.9 Bekostigde graden is bepaald in welke gevallen een graad die is verleend, meetelt voor de bekostiging.

In artikel 4.10. Aantal bekostigde inschrijvingen en graden per opleiding is aangegeven hoe, in overeenstemming met paragraaf 1.3 van het algemene deel van deze toelichting, de inschrijvingen gewogen worden door middel van de vermenigvuldiging met de factoren die behoren bij de bekostigingsniveaus. Deze worden bij ministeriële regeling bepaald.

In artikel 4.11 Onderwijsopslag is bepaald hoe de onderwijsopslag tot stand komt. In overeenstemming met de artikelen 4.10 en 4.19 van het gewijzigde besluit alsmede de Regeling financiën hoger onderwijs kan de minister onder de noemer onderwijsopslag per instelling een bedrag respectievelijk percentage (van het te verdelen restbedrag) vaststellen.

In artikel 4.12 Bijzondere bepalingen Universiteit Maastricht en Open Universiteit is artikel 4.11 in het gewijzigde besluit zodanig aangepast dat het aansluit bij de wijzigingen in afdeling 2 van hoofdstuk 4, inzake de mee te tellen bekostigde inschrijvingen en bekostigde graden. Tevens is een bepaling inzake de Open Universiteit opgenomen.

Onderdeel H

Vanwege wijziging van afdeling 2 van hoofstuk 4 en het vervallen van de overgangsmaatregeling invoering bachelor-masterstructuur is artikel 4.20 gewijzigd.

Onderdeel J

Vanwege het vervallen van de telling van eerstejaars is artikel 4.27, eerste lid, onder b, aangepast, overeenkomstig het algemeen deel van deze toelichting.

Onderdeel K

In het besluit is bepaald dat bekostiging van graden geschiedt blijkens in het CRIHO geregistreerde gegevens. Alleen de Open Universiteit is nog niet op CRIHO aangesloten. In artikel 4.12 is daarom bepaald dat voor de Open Universiteit het aantal graden niet op CRIHO wordt gebaseerd. Van de Open Universiteit wordt een eigenstandige informatielevering verwacht. De wijze van aanlevering van gegevens laat overigens onverlet dat ook voor de Open Universiteit de termijnen in genoemd in artikel 4.3 (nieuw) onverkort op deze instelling van toepassing zijn. Artikel 5.1 regelde een uitzondering op deze gegevenstermijnen en kan daarom vervallen.

Onderdeel L

Vanwege de wijziging van afdeling 2 van hoofdstuk 4 zijn twee nieuwe overgangsbepalingen toegevoegd.

In Artikel 5.2. Opleidingen onderwijs en gezondheidszorg is de uitzonderingsmaatregel, beschreven in paragraaf 1.2 van het algemene deel inzake de omgang met inschrijvingen en graadverleningen van studenten die nog geen graad is verleend vanwege een opleiding ingedeeld in het CROHO-onderdeel onderwijs of het onderdeel gezondheidszorg, invulling gegeven. In dat verband kan deze uitzonderingsbepaling bij ministeriële regeling van toepassing worden verklaard op opleidingen in andere CROHO-onderdelen. Daarbij gaat het om de lerarenopleidingen die niet in het onderdeel onderwijs maar in het onderdeel landbouw en natuurlijke omgeving zijn geregistreerd, te weten de opleidingen opgesomd in artikel 2.2 zoals voorzien in Artikel II, onderdeel E.

In Artikel 5.3. Gelijkstelling bekostigde inschrijvingen en graden is bepaald hoe wordt omgegaan met de inschrijvingen en afsluitende examens bij ongedeelde en voortgezette opleidingen.

Onderdeel M

Vanwege de wijziging in afdeling 2 en 3 van hoofdstuk 4 van het besluit vervalt de grondslag voor de bijlagen 4, 5 en 6 per 2011.

Artikel IV Wijzigingen van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 verband houdende met de wet versterking besturing

Onderdelen A, G en H

Vanwege wijziging van de wet vervalt artikel 16.20 en wordt de bijlage bij de wet aangepast.

Met onderdeel A worden onderdelen c. tot en met e. in artikel 1.1 inzake de definities van instelling, universiteit en hogeschool aangepast.

Vanwege de toevoeging van de Theologische Universiteit Kampen aan de bekostigde universiteiten is in onderdeel G bepaald dat in de begrotingsjaren 2010 en 2011 de student-gerelateerde gegevens en de gegevens inzake het aantal promoties niet worden betrokken bij het bepalen van de rijksbijdrage van de Theologische Universiteit Kampen; dit geschiedt in deze jaren (enkel) via de onderwijsopslag en de bedragen onderzoek. Vanaf 2012 is voorzien in berekening van de rijksbijdrage van deze instelling zoals dat voor alle (levensbeschouwelijke) universiteiten geschiedt zodat artikel 5.5 dan weer kan vervallen (onderdeel H).

Onderdelen A en B

Met onderdeel B vervalt vanwege aanpassing van artikel 7.51, in de wet, afdeling 2 van hoofdstuk 2 inzake landelijke beurzen. Krachtens het gewijzigde artikel worden bij ministeriële regeling voorwaarden gesteld waaronder financiële ondersteuning plaatsvindt van studenten die bestuurslid zijn van de organisaties bedoeld in artikel 7.51.

Met de onderdelen A en B wordt overigens recht gedaan aan de wijziging van de collegegeldsystematiek in de wet.

Met onderdeel A wordt via de aanpassing van onderdeel o. in artikel 1.1, de definitie van opleiding van eerste inschrijving aangepast aan de gewijzigde wettelijke bepalingen over collegegeld.

Met onderdeel B wordt een nieuwe afdeling inzake collegegelden geïntroduceerd. Op basis van artikel 7.45 van de (gewijzigde) wet dient in het besluit het volgende te worden bepaald:

  • a. De omvang van het wettelijk collegegeld. Voor het studiejaar 2010/2011 is in artikel 2.2, eerste lid, het bedrag opgenomen dat is bepaald op basis van de wet, voor wetswijziging, in de Regeling financiën hoger onderwijs. In artikel 2.2, derde lid, is in aanvulling daarop overeenkomstig de wet voor wijziging opgenomen dat het collegegeld tot en met het studiejaar 2018–2019 jaarlijks wordt verhoogd met 22 euro.

  • b. De omvang van het collegegeldbedrag dat minimaal dient te worden gevraagd aan een student die een deeltijdse of duale opleiding volgt. Voor het studiejaar 2010/2011 is in artikel 2.2, tweede lid, het laagste bedrag opgenomen dat een instelling voor wetswijziging aan deze studenten vraagt.

  • c. De wijze van indexering van het collegegeld. In artikel 2.2, vierde en vijfde lid, is de wijze van indexering van het collegegeld opgenomen, die vorm is gegeven gelijk aan de manier van indexering voor de wetswijziging. Indexering geschiedt na de verhoging met 22 euro.

  • d. De uitbreiding van de groep studenten die het wettelijk collegegeld verschuldigd is. In artikel 2.3. is een opsomming van betreffende opleidingen gegeven, te weten de lerarenopleidingen die niet in het onderdeel onderwijs maar in het onderdeel landbouw en natuurlijke omgeving zijn geregistreerd (zie ook artikel 5.2).

Op basis van artikel 7.47 van de wet dient in het besluit te worden aangegeven welke administratiekosten een instelling in rekening kan brengen bij gespreide inning van het collegegeld. In artikel 2.4 in het besluit is daartoe een bedrag van 24 euro opgenomen (twee euro per maand); het voor wetswijziging in de wet bepaalde bedrag is daarbij aangepast aan de indexering sinds opname van het betreffende bedrag in de WHW.

Onderdelen A, C, F en I

Met deze onderdelen worden de bepalingen in het besluit over studielast aangepast vanwege wijziging van artikel 7.4a. van de wet. Met onderdeel A wordt in onderdeel u. in artikel 1.1 aangesloten bij de gewijzigde wettelijke bepaling. Met onderdelen C en I vervallen de bepalingen en bijlage in het besluit over masteropleidingen met een studielast van 120 studiepunten of meer. Met onderdeel G is in artikel 5.4 de studielast van de masteropleiding pedagogiek hbo opgenomen, in aanvulling op het bepaalde in artikel 7.4b. van de wet.

Onderdelen D en E

Met deze onderdelen wordt bepaald dat ingeval van een gezamenlijke en daarmee ook gelijktijdige graadverlening (Bachelor, Master of Doctor) door meer Nederlandse instellingen, de bijdrage vanwege deze graadverlening evenredig wordt verdeeld over het aantal betrokken Nederlandse instellingen.

Het ontbinden van de samenwerking bij een joint degree heeft tot consequentie dat de gezamenlijke opleiding vervalt en daarmee de opleiding bij de deelnemende instellingen. Voortzetting van de opleiding betekent een aanvraag voor toets nieuwe opleiding bij de NVAO en een macrodoelmatigheidsaanvraag bij de minister. Met het vervallen van de opleiding vervalt uiteraard de bekostiging, met dien verstande dat de zittende studenten in de gelegenheid gesteld moeten worden de opleiding af te ronden en deze studenten meetellen voor de bekostiging.

Artikel V Wijzingen van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 bij koninklijk besluit te bepalen datum

Onderdelen A en B

Op de BES-eilanden is de US dollar het wettig betaalmiddel. Dit betekent dat het voor een bepaald studiejaar vastgestelde wettelijk collegegeld moet worden omgezet in US dollars. Daarbij is er voor gekozen uit te gaan van de koers van 1 april voorafgaande aan de aanpassing van de hoogte van het collegegeld. Dit betekent dat voor het studiejaar 2010–2011 wordt uitgegaan van de gemiddelde koers van 1 april 2009 (1,3277 euro). Zo wordt het bedrag 2.219,58, afgerond 2.220 US dollar. Het minimum collegegeld voor een duale opleiding danwel een deeltijdse opleiding wordt op dezelfde wijze berekend op 1.261 US dollar.

Voor de omrekening van het bedrag van de jaarlijkse verhoging, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, en de berekening van de kosten die een instelling in rekening mag brengen voor het treffen van een betalingsregeling en de inning van deze termijnen (artikel 2.4) is uitgegaan van de gemiddelde koers van de maand april 2010 (1.3345 euro). Het eerste bedrag wordt dan afgerond 30 US dollar en het bedrag, genoemd in artikel 2.4, wordt afgerond 32 US dollar.

Onderdelen C en D

Overeenkomstig de algemene toelichting wijzigt vanwege de beoogde bekostiging op inschrijvingen bij Open Universiteit op een bij koninklijk besluit te bepalen termijn artikel 4.12 aangepast en wijzigt tevens artikel 4.8.

Onderdeel E

Overeenkomstig de algemene toelichting wijzigt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de indeling van opleidingen naar bekostigingsniveaus, waarbij vanwege deze aanpassing een groot aantal uitzonderingen op het per CROHO-onderdeel bepaalde standaardniveau vervalt.

Artikel VI

De terugwerkende kracht voor artikel I, onderdelen D tot en met I, heeft te maken met de datum waarop de opleidingen zijn aangewezen als tweejarige master. De Minister bepaalt welke opleidingen worden aangewezen als tweejarige master. Dit besluit wordt genomen, nadat de opleiding door de macrodoelmatigheidstoets heen is en de NVAO een advies heeft gegeven over de voorgenomen tweejarige master. Vanaf dat moment hebben studenten recht op een extra jaar studiefinanciering. Daarom is het van belang dat in de bijlage de juiste naam van de opleiding staat vermeld. Voor de instellingen levert de terugwerkende kracht geen nadelige gevolgen op aangezien opname in de bijlage niets wijzigt in de bekostiging.

De terugwerkende kracht van artikel I, onderdeel B, en artikel I, onderdelen J en K, tot 1 januari 2009 is noodzakelijk om de definitie van eerstejaars in overeenstemming te brengen met de uitvoeringspraktijk zoals die in overeenstemming met alle betrokkenen sedert dat jaar wordt gehanteerd.

De terugwerkende kracht van artikel I, onderdelen A, C en L, ten slotte tot 1 januari 2010 houdt verband met het feit dat de oorspronkelijk in de bijlagen 8 en 9 vermelde percentages met ingang van die datum in een ministeriële regeling zijn vastgelegd.

Artikel III treedt in werking met ingang van het 1 januari 2011 ofwel met ingang van het bekostigingsjaar 2011.

De onderdelen A, B, C, F, G en I van artikel IV treden per 1 september 2010 in werking, dat wil zeggen op dezelfde datum als waarop de corresponderende artikelen van de Wet versterking besturing (Stb. 2010, 119) in werking treden.

Voor de onderdelen D en E van artikel IV geldt dat zij voor het eerst effect hebben op de bekostiging in het jaar 2012. Daarom treden zij in werking met ingang van 1 januari van dat jaar.

Ook onderdeel H van artikel IV treedt in werking op 1 januari 2012. Dat is het moment waarop de berekening van de rijksbijdrage van deze instelling zal plaatsvinden zoals dat voor alle (levensbeschouwelijke) universiteiten geschiedt en een uitzonderingspositie voor de Theologische Universiteit Kampen niet meer nodig is.

Wat betreft artikel V is in het algemeen deel van deze toelichting al aangegeven dat de Open Universiteit technisch niet is aangesloten op het CRIHO en dat daarom inschrijvingen bij onderwijseenheden (nog) niet in dit register kunnen worden geregistreerd. Tussen deze instelling en de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt verkend vanaf welk begrotingsjaar dit wel mogelijk is. Omdat hierover nog onduidelijk bestaat, is voorzien in inwerkingtreding op een bij koninklijk besluit te bepalen datum.

De inwerkingtreding van de bepalingen die verband houden met de Amerikaanse dollar als wettig betaalmiddel voor de BES-eilanden treden in werking op hetzelfde moment als de aanpassingen in de WHW voor de BES-eilanden in werking zullen treden.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionale aard bevat.