Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2010, 293Wet

Wet van 24 juni 2010 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met aanpassing van het accreditatiestelsel

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de kwaliteitszorg en het toezicht op het hoger onderwijs te verbeteren en de lasten van de accreditatieprocedure voor instellingen te verminderen en in verband daarmee de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel r komt te luiden:

r. accreditatieorgaan:

de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel 1 van het Accreditatieverdrag;.

2. Onderdeel s komt te luiden:

s. accreditatie:

het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;.

3. Onderdeel t komt te luiden:

t. toets nieuwe opleiding:

het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een voorgenomen opleiding door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;.

4. Na onderdeel t wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

t1. instellingstoets kwaliteitszorg:

het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de interne kwaliteitszorg en de inzet tot verbetering van de resultaten van een instelling voor hoger onderwijs voor zover die betrekking heeft op de kwaliteit van haar opleidingen door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;.

B

Artikel 1.18 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Indien het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 5a.13a, vindt de beoordeling ten minste plaats op basis van het deel van het accreditatiekader voor de instellingstoets kwaliteitszorg en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.13b, tweede lid.

2. In het tweede lid wordt na «het eerste lid» ingevoegd: met uitzondering van de laatste volzin.

3. In het derde lid, eerste volzin, vervalt «mede».

4. In het derde lid komt de tweede volzin te luiden: De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing en de uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.

5. In het derde lid komt de laatste volzin te luiden: De beoordeling vindt ten minste plaats op basis van het deel van het accreditatiekader voor accreditatie op grond van artikel 5a.8 of artikel 5a.13f en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in 5a.8, tweede lid, of 5a.13f, eerste lid.

6. In het vierde lid wordt «Het derde lid is» vervangen door: Het eerste lid, laatste volzin en het derde lid zijn.

C

Artikel 5a.2 komt te luiden:

Artikel 5a.2. Instelling en taken accreditatieorgaan

  • 1. Er is een accreditatieorgaan dat is belast met activiteiten in het kader van het verlenen van accreditatie, de toets nieuwe opleiding en de instellingstoets kwaliteitszorg op grond van titel 2 of 2a van dit hoofdstuk. Het accreditatieorgaan bezit rechtspersoonlijkheid.

  • 2. Het accreditatieorgaan is tevens belast met het instellen van een commissie van deskundigen, die adviseert over de aanvraag om toets nieuwe opleiding of de instellingstoets kwaliteitszorg. Daarnaast stemt het accreditatieorgaan in met een door het instellingsbestuur samengestelde commissie van deskundigen, voor de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, ten behoeve van de aanvraag om accreditatie, indien het accreditatieorgaan zich ervan verzekerd heeft dat de commissie van deskundigen onafhankelijk en deskundig is. Van de in de vorige volzinnen bedoelde commissies van deskundigen maakt een student deel uit.

  • 3. Het accreditatieorgaan is desgevraagd belast met het adviseren van Onze minister over het gebruiken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5a.12b en 5a.13e, tweede lid. Voordat het accreditatieorgaan een advies als bedoeld in de eerste volzin uitbrengt, kan hij een onderzoek instellen waarbij de artikelen 5:13, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing zijn en schakelt hij een commissie van deskundigen in.

  • 4. Het accreditatieorgaan rapporteert desgevraagd aan Onze minister over de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs met het oog op de vergelijkbaarheid aan de hand van zijn beoordelingen op grond van dit hoofdstuk. Het accreditatieorgaan doet op grond daarvan voorstellen die hij in het belang van de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs nodig acht.

  • 5. Het accreditatieorgaan heeft tevens tot taak het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, te bespreken met instanties in de Europese landen, in het bijzonder met instanties in de grenslanden.

  • 6. Bij ministeriële regeling worden de overige werkzaamheden bepaald die het accreditatieorgaan verricht in verband met het beoordelen van ander onderwijs dan hoger onderwijs of in verband met opdrachten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Accreditatieverdrag.

  • 7. Onverminderd het Accreditatieverdrag en het daarop gebaseerde Beheersreglement is op het accreditatieorgaan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.

D

Na artikel 5a.2 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5a.2a. Accreditatiekader

  • 1. Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor het verlenen van accreditatie, toets nieuwe opleiding en instellingstoets kwaliteitszorg en de uitwerking van de criteria, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, 5a.10a, tweede lid, 5a.13b, tweede lid, 5a.13f, eerste lid en 5a.13g, eerste lid, vast in het accreditatiekader, waarbij voor de beoordeling ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tussen bacheloropleidingen en masteropleidingen en waarbij het verschil in de wijze van beoordeling van aanvragen op grond van titel 2a ten opzichte van titel 2 wordt opgenomen.

  • 2. Alvorens het accreditatiekader vast te stellen of te wijzigen, voert het accreditatieorgaan overleg met vertegenwoordigers van de instellingen en andere betrokkenen, waaronder studentenorganisaties als bedoeld in artikel 3.3 en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel.

  • 3. Het accreditatiekader of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Onze minister verleent zijn goedkeuring niet dan nadat vier weken zijn verstreken nadat zijn voornemen daartoe aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen 17 weken na de verzending ter goedkeuring bekendgemaakt aan het accreditatieorgaan.

  • 4. Het accreditatiekader of de wijziging daarvan wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

E

Artikel 5a.3a vervalt.

F

Artikel 5a.8 komt te luiden:

Artikel 5a.8. Uitgebreide beoordelingscriteria voor verlenen van accreditatie

  • 1. In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van accreditatie op grond van dit artikel door het accreditatieorgaan vastgelegd:

    • a. de gegevens die het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om accreditatie,

    • b. de wijze waarop de onafhankelijkheid van de beoordeling wordt gewaarborgd,

    • c. de procedure voor het instemmen met een commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5a.2, tweede lid, en

    • d. de voorwaarden voor het verlenen van de oordelen onvoldoende, voldoende, goed en excellent aan de onderdelen, bedoeld in het tweede lid.

  • 2. Bij de beoordeling van de aanvraag om accreditatie wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op de opleiding, waarbij ten minste worden beoordeeld:

    • a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is,

    • b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma,

    • c. het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, alsmede de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten,

    • d. de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel alsmede het personeelsbeleid dat van invloed is op de kwaliteit van de opleiding,

    • e. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen, en

    • f. de opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding.

G

Artikel 5a.8a vervalt.

H

Artikel 5a.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «het vorige accreditatiebesluit» vervangen door: het vorige besluit tot het verlenen van accreditatie en wordt «het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan» vervangen door: het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding.

2. In het derde lid wordt «Het accreditatiebesluit» vervangen door: Het besluit tot het verlenen van accreditatie.

3. In het vierde lid komt de tweede volzin als volgt te luiden:

Het besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige besluit tot het verlenen van accreditatie of het besluit tot het verlenen van toets nieuwe opleiding vervalt.

4. Het vijfde tot en met achtste lid worden vernummerd tot zesde tot en met negende lid.

5. Na het vierde lid wordt een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Het accreditatieorgaan verleent geen accreditatie indien het criterium, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, onder c, door hem onvoldoende is beoordeeld.

6. In het zesde lid (nieuw) vervalt «onherroepelijk», wordt «zevende lid» vervangen door: achtste lid en wordt «zesde lid» vervangen door: zevende lid.

7. Het zevende lid (nieuw) komt te luiden:

  • 7. Het besluit tot het verlenen van accreditatie vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het besluit.

8. In het achtste lid (nieuw) vervalt «onherroepelijk» en wordt «zesde» vervangen door: zevende.

9. In het achtste lid (nieuw) wordt na de tweede keer indien ingevoegd: het accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het zevende lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de periode van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar.

I

Artikel 5a.10, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het accreditatieorgaan legt haar oordeel vast in een accreditatierapport dat bestaat uit de volgende onderdelen:

    • a. het besluit op de aanvraag om accreditatie,

    • b. de bevindingen naar aanleiding van de beoordeling van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.9, derde lid,

    • c. een eindoordeel onvoldoende, voldoende, goed of excellent voor de opleiding, of

    • d. de bijzondere kenmerken van de opleiding.

2. Het tweede tot en met vierde lid worden vernummerd tot het derde tot en met vijfde lid.

3. Er wordt een nieuwe tweede lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Het accreditatierapport is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

J

Na artikel 5a.10 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5a.10a. Uitgebreide beoordelingscriteria voor verlenen toets nieuwe opleiding

  • 1. In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van de toets nieuwe opleiding op grond van dit artikel door het accreditatieorgaan vastgelegd:

    • a. de gegevens die het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om een toets nieuwe opleiding, en

    • b. voor zover een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden als bedoeld in artikel 5a.11, vierde lid, is verleend, de procedure en voorwaarden voor de instelling.

  • 2. Bij de beoordeling van de aanvraag om een toets nieuwe opleiding wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op de voorgenomen opleiding waarbij ten minste worden beoordeeld:

    • a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is,

    • b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma,

    • c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten,

    • d. de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel alsmede het personeelsbeleid dat van invloed is op de kwaliteit van de opleiding,

    • e. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen, en

    • f. de opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding.

  • 3. Onverminderd het tweede lid, legt het accreditatieorgaan zijn werkwijze vast voor de toets nieuwe opleiding van de eerste opleiding die wordt verzorgd door een rechtspersoon die geaccrediteerde opleidingen wil verzorgen overeenkomstig de kaders, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, en op grond van artikel 5a.9, derde lid.

K

Artikel 5a.11 komt te luiden:

Artikel 5a.11. Toets nieuwe opleiding

  • 1. De toets nieuwe opleiding wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur.

  • 2. Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om de toets nieuwe opleiding een besluit. In dit besluit geeft het accreditatieorgaan aan welk onderdeel van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, naar zijn oordeel voor de opleiding passend is.

  • 3. Het accreditatieorgaan besluit gedurende drie jaar geen toets nieuwe opleiding te verlenen, indien uit de gegevens van de desbetreffende aanvraag blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door diezelfde instelling, waarvoor geen accreditatie is verleend of het besluit tot het verlenen van accreditatie is ingetrokken.

  • 4. Het accreditatieorgaan kan een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden verlenen. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen het accreditatieorgaan een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden kan verlenen en welke voorwaarden hieraan gesteld kunnen worden. Indien naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen een jaar niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, verliest de opleiding een jaar na de dag waarop het besluit tot verlenen van de toets nieuwe opleiding onder voorwaarden is genomen deze toets nieuwe opleiding. Artikel 5a.12, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de tweede volzin voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

  • 5. Met een besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding laat het instellingsbestuur die opleiding als nieuwe opleiding registeren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.

  • 6. Het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding vervalt:

    • a. na zes jaar,

    • b. in afwijking van onderdeel a, een jaar na de dag waarop het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding is genomen, indien niet aan de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, is voldaan,

    • c. na tien maanden, indien het instellingsbestuur de bekostigde opleiding niet binnen deze termijn heeft laten registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, of

    • d. na zes maanden, indien het instellingsbestuur een opleiding, niet zijnde een opleiding onder c, niet binnen deze termijn heeft laten registeren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.

  • 7. De artikelen 5a.9, negende lid en 5a.10, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 8. Indien een toets nieuwe opleiding wordt aangevraagd voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs die de voortzetting vormt van een postinitiële masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs, waarvoor accreditatie is verleend, verleent het accreditatieorgaan de toets nieuwe opleiding zonder nader onderzoek voor dezelfde termijn als gold voor de accreditatie.

L

In artikel 5a.12, vijfde lid, wordt «5a.11, vijfde lid» vervangen door: 5a.11, zesde lid en «5a.11, eerste lid» vervangen door: 5a.11, vijfde lid.

M

Artikel 5a.12a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komt de tweede volzin als volgt te luiden: Daartoe besluit het accreditatieorgaan indien sprake is van een van de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen. Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de vorige volzin voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

2. In het tweede lid vervalt «procedurele».

N

Na artikel 5a.12a wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5a.12b. Intrekken accreditatie en toets nieuwe opleiding

  • 1. Onze minister kan, na advies van het accreditatieorgaan, een besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding intrekken, indien de beoordeling van de aspecten van kwaliteit van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, 5a.10a, tweede lid, 5a.13f, eerste lid, of 5a.13g, eerste lid, zodanig is gewijzigd dat deze beoordeling van die aspecten tot een afwijzing van de aanvraag om accreditatie of toets nieuwe opleiding zou leiden.

  • 2. Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen, hoort Onze minister het instellingsbestuur.

  • 3. Na intrekking van het besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding is artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid, op de opleiding van overeenkomstige toepassing.

O

Na titel 2 van hoofdstuk 5a wordt een nieuwe titel ingevoegd, luidende:

TITEL 2A. INSTELLINGSTOETS KWALITEITSZORG

Artikel 5a.13a. Instellingstoets kwaliteitszorg

Een instelling voor hoger onderwijs kan een instellingstoets kwaliteitszorg aanvragen.

Artikel 5a.13b. Beoordelingscriteria instellingstoets kwaliteitszorg
  • 1. In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg door het accreditatieorgaan vastgelegd:

    • a. de gegevens die het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg, en

    • b. de wijze waarop de onafhankelijkheid van de beoordeling wordt gewaarborgd.

  • 2. Bij de beoordeling van de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg worden voor zover die betrekking hebben op de kwaliteit van haar opleidingen beoordeeld:

    • a. de visie op de kwaliteit van haar onderwijs,

    • b. de vormgeving en de effectiviteit van de interne kwaliteitszorg van een instelling,

    • c. het gevoerde beleid op het gebied van personeel en voorzieningen,

    • d. de voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen.

Artikel 5a.13c. Aanvraag instellingstoets kwaliteitszorg
  • 1. Het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het besluit.

  • 2. Een aanvraag om verlenging van het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg wordt ten minste een jaar voor de vervaldatum van het besluit tot het verlenen van de vorige instellingstoets kwaliteitszorg bij het accreditatieorgaan ingediend.

  • 3. Indien een instellingsbestuur overeenkomstig de termijn, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg heeft ingediend, wordt, in afwijking van het eerste lid, de periode van het geldende besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg verlengd tot het moment dat onherroepelijk op de aanvraag is beslist.

  • 4. Artikel 5a.9, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5a.13d. Beoordeling door accreditatieorgaan
  • 1. Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg een besluit.

  • 2. Het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg vervalt, of indien een instelling voor de eerste maal een instellingstoets kwaliteitszorg wordt verleend, met ingang van de dag van bekendmaking van het besluit.

  • 3. Het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg wordt gebaseerd op de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid.

  • 4. Artikel 5a.10, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Indien het accreditatieorgaan besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen, kan een instellingsbestuur gedurende drie jaar vanaf de datum van het besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg aanvragen.

  • 6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen het accreditatieorgaan aan het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg voorwaarden kan verbinden en welke voorwaarden hierbij kunnen worden gesteld. Indien naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen een jaar niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, verliest de instelling een jaar na de dag waarop het besluit tot verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg is genomen de instellingstoets kwaliteitszorg. Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de eerste volzin voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

Artikel 5a.13e. Gevolgen besluit instellingstoets kwaliteitszorg
  • 1. Indien een instellingsbestuur beschikt over een besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg worden de opleidingen van de instelling bij accreditatie beoordeeld op grond van artikel 5a.13f en bij de toets nieuwe opleiding op grond van artikel 5a.13g, tenzij het instellingsbestuur het accreditatieorgaan verzoekt een aanvraag om accreditatie of toets nieuwe opleiding te beoordelen op grond van titel 2.

  • 2. Artikel 5a.12b, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de beoordeling betrekking heeft op de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.13b, tweede lid.

  • 3. Indien een instelling niet langer beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg worden de opleidingen van de instelling bij accreditatie of toets nieuwe opleiding beoordeeld op grond van titel 2 van dit hoofdstuk met uitzondering van de opleidingen waarvoor een volledige aanvraag bij het accreditatieorgaan is ingediend voor de dag dat op de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg is beslist.

  • 4. Indien bij het verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg voorwaarden zijn gesteld op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5a.13d, zesde lid, heeft een besluit tot het verlenen van accreditatie op grond van artikel 5a.13f onderscheidenlijk de toets nieuwe opleiding op grond van artikel 5a.13g op een volledige aanvraag die bij het accreditatieorgaan is ingediend gedurende het jaar waarin aan de voorwaarden moet worden voldaan, een geldigheidsduur van een jaar.

  • 5. Indien een instelling op grond van het bepaalde in de tweede volzin van artikel 5a.13d, zesde lid, de instellingstoets kwaliteitszorg verliest, wordt de geldigheidsduur van een besluit als bedoeld in het vierde lid verlengd tot een jaar na de datum waarop het accreditatieorgaan het oordeel heeft bekendgemaakt dat niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Het instellingsbestuur is verplicht binnen zes maanden na de datum waarop het accreditatieorgaan het oordeel, bedoeld in de vorige volzin, heeft bekendgemaakt een aanvraag om toetsing van de aspecten van artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen d tot en met f, of artikel 5a.10, tweede lid, onderdelen d tot en met f, bij het accreditatieorgaan in te dienen voor de aanvragen tot het verlenen van accreditatie of een toets nieuwe opleiding die zijn gedaan gedurende het jaar waarin de voorwaarden voor de instellingstoets kwaliteitszorg golden.

  • 6. Het accreditatieorgaan besluit binnen drie maanden op een aanvraag, bedoeld in het vijfde lid. Bij een positief besluit van het accreditatieorgaan op de aanvraag wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot zes jaar. Bij een negatief besluit van het accreditatieorgaan zijn artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid, en artikel 5a.12a van overeenkomstige toepassing. Indien het accreditatieorgaan niet binnen een jaar na de datum, waarop aan het instellingsbestuur het oordeel is bekendgemaakt dat niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, op de aanvraag heeft besloten, wordt de geldigheidsduur van een besluit als bedoeld in het vierde lid verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar.

  • 7. Indien de instelling naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen een jaar heeft voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij het verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg, wordt de geldigheidsduur van een besluit, bedoeld in het vierde lid, verlengd tot zes jaar.

Artikel 5a.13f. Beperkte beoordelingscriteria accreditatie bij instellingen met een instellingstoets kwaliteitszorg
  • 1. Bij de beoordeling van de aanvraag om accreditatie voor een opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de opleiding waarbij ten minste wordt beoordeeld:

    • a. het beoogde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is,

    • b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma, de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen, en

    • c. het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, alsmede de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

  • 2. De artikelen 5a.8, eerste lid, 5a.9, 5a.10, 5a.12 en 5a.12a zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat met de criteria wordt bedoeld de criteria op grond van dit artikel.

Artikel 5a.13g. Beperkte beoordelingscriteria toets nieuwe opleiding bij instellingen met een instellingstoets kwaliteitszorg
  • 1. Bij de beoordeling van de aanvraag om een toets nieuwe opleiding voor een voorgenomen opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de volgende aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de voorgenomen opleiding waarbij ten minste wordt beoordeeld:

    • a. het beoogde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is,

    • b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma, de kwaliteit en kwantiteit van het in te zetten personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen, en

    • c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

  • 2. De artikelen 5a.10a, eerste lid, 5a.11 en 5a.12, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat met de criteria wordt bedoeld de criteria op grond van dit artikel.

Oa

Artikel 9.3, achtste lid, vervalt.

Ob

Artikel 9.30a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt de tweede volzin als volgt gewijzigd: Artikel 9.34, tweede lid en derde lid aanhef en onderdelen f, g en j1, is van overeenkomstige toepassing.

2. Na het derde lid wordt een vierde lid toegevoegd dat als volgt komt te luiden:

  • 4. De gezamenlijke vergadering is bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door haar opgestelde agenda.

Oc

In artikel 9.32 wordt na het tweede lid een lid 2a ingevoegd dat als volgt komt te luiden:

  • 2a. De raad is voorts bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door hem opgestelde agenda.

Od

In artikel 9.34, derde lid, wordt na onderdeel j een nieuw onderdeel j1 ingevoegd dat luidt als volgt:

  • j1. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid die in artikel 9.32, lid 2a, aan de raad is toegekend waaronder de minimale termijn waarop het college van bestuur kan worden uitgenodigd,.

Oe

In artikel 10.2, derde lid, vervallen de woorden «en achtste».

Of

Artikel 10.16b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt de tweede volzin als volgt gewijzigd: De artikelen 10.21, tweede lid, en 10.22, aanhef en onderdelen f, g en j1, zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Na het derde lid wordt een vierde lid toegevoegd dat als volgt komt te luiden:

  • 4. De gezamenlijke vergadering is bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door haar opgestelde agenda.

Og

In artikel 10.19 wordt na het tweede lid een lid 2a ingevoegd dat als volgt komt te luiden:

  • 2a. De raad is voorts bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door hem opgestelde agenda.

Oh

In artikel 10.22 wordt na onderdeel j een nieuw onderdeel j1 ingevoegd dat luidt als volgt:

  • j1. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid die in artikel 10.19, lid 2a, aan de raad is toegekend waaronder de minimale termijn waarop het college van bestuur kan worden uitgenodigd,.

Oi

Artikel 11.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid komt de zinsnede «de ondernemingsraad van de Open Universiteit en de studentenraad, bedoeld in artikel 11.13,» te luiden als volgt: de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld,.

2. Het zevende lid vervalt.

Oj

Artikel 11.5, tweede lid, komt te luiden als volgt:

  • 2. De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen. Indien de voorgedragen kandidaten niet door Onze minister worden benoemd, wordt een nieuwe voordracht gedaan. Onze minister kan gemotiveerd afwijken van de tweede voordracht. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren.

Ok

In het eerste lid van artikel 11.6 wordt de zinsnede «artikel 1.3, derde lid,» gewijzigd in: artikel 1.3, vierde lid,.

Ol

Artikel 11.11, eerste lid, laatste volzin komt te luiden als volgt: De commissie zendt de adviezen, bedoeld onder a en c, ter kennisneming aan de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld.

Om

Het opschrift van paragraaf 4 komt te luiden: Medezeggenschap.

On

Artikel 11.13 komt te luiden als volgt:

Artikel 11.13 Regeling medezeggenschap OU

  • 1. Op de medezeggenschap zijn de artikelen 9.30 tot en met 9.36 en 9.48 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat onder instellingscollegegeld wordt verstaan instellingscollegegeld OU.

  • 2. Het college van bestuur behoeft voorts de voorafgaande instemming van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld, voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, met uitzondering van de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, en met uitzondering van de eisen, bedoeld in de artikelen 7.30a, derde lid, derde volzin, en 7.30b, eerste lid, derde volzin.

  • 3. Indien het college van bestuur besluit dat de Wet op de ondernemingsraden niet van toepassing is op de Open Universiteit is in afwijking van artikel 9.30, vierde lid, paragraaf 2 van titel 2 van hoofdstuk 9 niet van toepassing.

  • 4. Het aantal leden van de universiteitsraad van de Open Universiteit bedraagt ten hoogste achttien.

P

Artikel 14.1, tweede lid, onder c, komt te luiden:

  • c. de artikelen 5a.9, 5a.11, 5a.12b, 5a.13d, 5a.13, tweede en zesde lid, 5a.13f en 5a.13g,

Q

Na artikel 18.32 worden drie nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 18.32a. Bevoegdheid Onze minister eenmalig accreditatietermijn te verlengen

In afwijking van artikel 5a.9, zesde lid en 5a.13f kan Onze minister eenmalig besluiten de termijn van accreditatie voor door hem aangewezen bachelor- en masteropleidingen, bedoeld in de artikelen 7.3a, eerste lid en tweede lid en 7.3b, te verlengen voor de duur van maximaal twee jaar.

Artikel 18.32b. Aanvraag besluit tot deelname invoeringsregime instellingstoets kwaliteitszorg

  • 1. Gedurende drie jaar na inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293) wordt een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg ingediend, in afwijking van artikel 5a.13a, op grond van dit artikel en artikel 18.32c.

  • 2. Binnen twee maanden na inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293) dient een instellingsbestuur een aanvraag in bij het accreditatieorgaan, indien zij in aanmerking wil komen voor een besluit tot deelname aan het invoeringsregime als bedoeld in artikel 18.32c.

  • 3. Het accreditatieorgaan neemt een positief besluit op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, als het instellingsbestuur voor ten minste de helft van het aangeboden aantal opleidingen een besluit om accreditatie op grond van artikel 5a.8 heeft.

  • 4. Indien blijkt dat alle instellingsbesturen die deelnemen aan het invoeringsregime een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg hebben gedaan en er capaciteit bij het accreditatieorgaan is voor nieuwe aanvragen om instellingstoets kwaliteitszorg die onbenut blijft gedurende deze drie jaar, kan het accreditatieorgaan de aanvragen in behandeling nemen, indien een instellingsbestuur heeft laten blijken belangstelling te hebben voor het indienen van een aanvraag. Artikel 18.32c is op deze aanvragen niet van toepassing.

Artikel 18.32c. Invoeringsregime ten behoeve van de introductie van de instellingstoets kwaliteitszorg

  • 1. Het besluit tot deelname aan het invoeringsregime houdt in dat in afwijking van artikel 5a.13e, eerste lid, de aanvragen om accreditatie en toets nieuwe opleiding worden ingediend en beoordeeld op grond van artikel 5a.13f en 5a.13g.

  • 2. Aan het besluit tot deelname aan het invoeringsregime is de verplichting voor het instellingsbestuur verbonden op een door het accreditatieorgaan te bepalen tijdstip een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg in te dienen. Het tijdstip is niet gelegen na drie jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293).

  • 3. In afwijking van artikel 5a.13f en 5a.13g is de duur van het besluit om accreditatie of toets nieuwe opleiding 3 jaar.

  • 4. Indien het accreditatieorgaan besluit een instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen, dan wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding, bedoeld in het derde lid, verlengd tot zes jaar.

  • 5. Indien het accreditatieorgaan besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen dan wel indien het instellingsbestuur niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in het tweede lid, is het instellingsbestuur verplicht binnen een jaar na de datum waarop het accreditatieorgaan het besluit heeft genomen dat geen instellingstoets kwaliteitszorg wordt verleend of binnen een jaar na het door het accreditatieorgaan bepaalde tijdstip, bedoeld in het tweede lid, waarop het instellingsbestuur aan de daar genoemde verplichting had moeten voldoen, een aanvraag om toetsing van de aspecten van artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen d tot en met f, of artikel 5a.10a, tweede lid, onderdelen d tot en met f, bij het accreditatieorgaan in te dienen voor de aanvragen tot het verlenen van accreditatie of een toets nieuwe opleiding die zijn ingediend en beoordeeld volgens het invoeringsregime. Het accreditatieorgaan besluit binnen drie maanden op de aanvraag en indien het accreditatieorgaan positief besluit op de aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot zes jaar. Bij een negatief besluit van het accreditatieorgaan zijn artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid, en artikel 5a.12a van overeenkomstige toepassing.

  • 6. In afwijking van het derde lid wordt het besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar, indien het accreditatieorgaan niet over de aanvraag op grond van het tweede of vijfde lid heeft besloten.

ARTIKEL II SAMENLOOP

Indien het bij Koninklijke boodschap van 18 december 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten onder meer in verband met de verbetering van het bestuur bij de instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek en de rechtspositie van studenten (versterking besturing) (31 821) tot wet is of wordt verheven en later in werking treedt dan onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als deze wet, wordt artikel I van die wet als volgt gewijzigd:

A

De onderdelen AC, AE, AF en AG vervallen.

B

Onderdeel AI komt als volgt te luiden:

AI

Artikel 5a.12a komt te luiden:

Artikel 5a.12a. Herstelperiode

  • 1. Indien het accreditatieorgaan vaststelt dat de opleiding niet voldoet aan de aspecten van kwaliteit, bedoeld artikel 5a.8, tweede lid, kan het eenmaal de geldigheidsduur van het laatstgenomen accreditatiebesluit of het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, verlengen met een periode van ten hoogste twee jaar. Daartoe besluit het accreditatieorgaan indien sprake is van een van de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen.

  • 2. Het accreditatieorgaan maakt in het besluit tot verlenging van de geldigheidsduur melding van de te verbeteren aspecten van kwaliteit. Tevens kan hij daarin voorwaarden opnemen.

  • 3. Artikel 5a.9, achtste en negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. In afwijking van artikel 5a.9, tweede lid, dient het instellingsbestuur bij het accreditatieorgaan een aanvraag om een besluit tot vaststelling dat de opleiding alsnog aan het accreditatiekader voldoet, in ten minste een half jaar voor afloop van de geldigheidsduur van het besluit tot verlenging van accreditatie.

  • 5. Het besluit van het accreditatieorgaan, bedoeld in het vierde lid, geldt met ingang van het moment waarop het accreditatieorgaan de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan.

ARTIKEL III SAMENLOOP

Indien het bij Koninklijke boodschap van 18 december 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten onder meer in verband met de verbetering van het bestuur bij de instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek en de rechtspositie van studenten (versterking besturing) (31 821) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel AI, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als deze wet, wordt artikel I van deze wet als volgt gewijzigd:

A

Onderdeel M komt als volgt te luiden:

M

Artikel 5a.12a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid» vervangen door: de aspecten van kwaliteit, bedoeld artikel 5a.8, tweede lid.

2. In het eerste lid komt de tweede volzin als volgt te luiden:

Daartoe besluit het accreditatieorgaan indien sprake is van een van de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen.

3. In het tweede lid vervalt «procedurele».

4. In het derde lid wordt «Artikel 5a.9, zevende en achtste lid» vervangen door: Artikel 5a.9, achtste en negende lid.

ARTIKEL IV INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld en wat onderdeel Oe betreft kan terugwerken tot en met een daarbij te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 24 juni 2010

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

A. Rouvoet

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

E. M. H. Hirsch Ballin

Uitgegeven de tweeëntwintigste juli 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 32 210