Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2009, 565Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 14 december 2009 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een nieuwe regeling voor de plaats van dienst voor de heffing van omzetbelasting, alsmede een nieuwe regeling voor de teruggaaf van omzetbelasting aan in een andere lidstaat gevestigde ondernemers (implementatie richtlijnen BTW-pakket)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 7 december 2009, nr. DV2009/718M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Douane en Verbruiksbelastingen;

Gelet op artikel VII, eerste lid, van de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een nieuwe regeling voor de plaats van dienst voor de heffing van omzetbelasting, alsmede een nieuwe regeling voor de teruggaaf van omzetbelasting aan in een andere lidstaat gevestigde ondernemers (implementatie richtlijnen BTW-pakket);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

De Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een nieuwe regeling voor de plaats van dienst voor de heffing van omzetbelasting, alsmede een nieuwe regeling voor de teruggaaf van omzetbelasting aan in een andere lidstaat gevestigde ondernemers (implementatie richtlijnen BTW-pakket) treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.

Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 14 december 2009

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

J. C. de Jager

Uitgegeven de drieëntwintigste december 2009

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Artikel VII, eerste lid, van de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een nieuwe regeling voor de plaats van dienst voor de heffing van omzetbelasting, alsmede een nieuwe regeling voor de teruggaaf van omzetbelasting aan in een andere lidstaat gevestigde ondernemers (implementatie richtlijnen BTW-pakket) voorziet erin dat die wet in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Het ontwerp van dit besluit is ingevolge artikel VII, tweede lid, van de hiervoor genoemde wet bij brief van 16 november 2009 1 overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal. Vervolgens is na het verstrijken van de in genoemde bepaling aangegeven termijn van twee weken de voordracht voor het koninklijk besluit gedaan, omdat geen der kamers der Staten-Generaal besloten had niet in te stemmen met het ontwerp.

De hiervoor genoemde wet is noodzakelijk om de wetgeving inzake de omzetbelasting aan te passen aan een drietal Europese richtlijnen. Het gaat daarbij om Richtlijn nr.2008/8/EG van de Raad van de Europese Unie van 12 februari 2008 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de plaats van een dienst (PbEU L 44), om Richtlijn nr.2008/9/EG van de Raad van de Europese Unie van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (PbEU L 44) en om Richtlijn nr.2008/117/EG van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de bestrijding van de belastingfraude in het intracommunautaire verkeer (PbEU L 14).

Ingevolge de hiervoor genoemde richtlijnen zijn de lidstaten van de Europese Unie gehouden de nationale wetgevingen daaraan aan te passen en deze aanpassing in werking te laten treden met ingang van 1 januari 2010. Met voorliggend besluit wordt hieraan voor Nederland invulling gegeven.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. C. de Jager


XNoot
1

Zie onder meer Kamerstukken II, 2009–2010, 31 907, nr. 11.