Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2006, 104AMvB

Besluit van 14 februari 2006, houdende regels inzake voorzieningen in verband met de leveringszekerheid

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 15 november 2005, nr. WJZ 5712882;

Gelet op de artikelen 16, negende lid, en 95f, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 en op de artikelen 10a, vierde lid en 47, tweede lid, van de Gaswet;

De Raad van State gehoord (advies van 12 januari 2006, nr. W10.05.0503/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 8 februari 2006, nr. WJZ 6009332;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: de Elektriciteitswet 1998;

b. kleinverbruiker: in artikel 95a, eerste lid, van de wet bedoelde afnemer;

c. leveringsvergunning: vergunning, bedoeld in artikel 95a, eerste lid, van de wet.

Artikel 2

  • 1. De vergunninghouder doet, indien hij voorziet of behoort te voorzien dat hij niet langer in staat zal zijn om zijn plicht tot levering van elektriciteit aan zijn kleinverbruikers na te komen of indien hij surseance van betaling heeft aangevraagd dan wel te zijnen aanzien faillissement is aangevraagd, daarvan onverwijld mededeling aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en aan Onze Minister.

  • 2. Indien een netbeheerder uit de hem ter beschikking staande gegevens redenen heeft om te vermoeden, dat de continuïteit van de levering door een vergunninghouder in gevaar komt, meldt hij dat zo spoedig mogelijk aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en aan Onze Minister.

  • 3. De vergunninghouder dan wel, indien aan deze surseance van betaling is verleend onderscheidenlijk deze failliet is verklaard, de bewindvoerder en vergunninghouder tezamen, onderscheidenlijk de curator, plegen op verzoek van Onze Minister overleg met hem en met de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet met het oog op zijn leveringsplicht en de toepassing van dit artikel.

  • 4. Een beschikking tot intrekking van een leveringsvergunning treedt ten hoogste tien werkdagen na de dag, waarop die beschikking is genomen, in werking. De vergunninghouder dan wel de bewindvoerder en vergunninghouder tezamen onderscheidenlijk de curator geeft daarvan onverwijld bericht aan de kleinverbruikers aan wie hij elektriciteit levert.

  • 5. Na het tijdstip, waarop een beschikking tot intrekking van een leveringsvergunning is genomen,

    a. zijn de kleinverbruikers van de betrokken vergunninghouder niet bevoegd hun verbintenis op te schorten, en voert een netbeheerder geen leverancierswisseling op een na dat tijdstip gedaan verzoek van die kleinverbruikers uit, tot de inwerkingtreding of intrekking van de betreffende beschikking;

    b. draagt de vergunninghouder dan wel de bewindvoerder en vergunninghouder tezamen, onderscheidenlijk de curator het bestand aan kleinverbruikers zo spoedig mogelijk geheel of in gedeelten over aan één of meer andere vergunninghouders, die de levering van elektriciteit aan de betrokken kleinverbruikers voortzetten;

    c. neemt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is om te waarborgen dat, gedurende de periode vanaf het tijdstip waarop de intrekkingsbeschikking is genomen tot aan het tijdstip waarop zij in werking treedt of wordt ingetrokken, de levering van elektriciteit aan de kleinverbruikers kan worden voortgezet, op verzoek van de vergunninghouder dan wel de bewindvoerder en vergunninghouder tezamen onderscheidenlijk de curator de betalingsverplichting over met betrekking tot toelevering van elektriciteit ten behoeve van kleinverbruikers in die periode.

  • 6. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet draagt er zorg voor dat de levering van elektriciteit aan kleinverbruikers, die op het tijdstip waarop de intrekkingsbeschikking in werking treedt nog een overeenkomst met de betrokken vergunninghouder hebben, met ingang van dat tijdstip wordt voortgezet door een andere vergunninghouder. Daartoe coördineert hij de verdeling van die kleinverbruikers over de andere vergunninghouders en geeft daartoe aanwijzingen aan de netbeheerders. De aldus aangewezen vergunninghouder zet de levering van elektriciteit aan de aan hem toegewezen kleinverbruikers vanaf dat tijdstip voort onder zijn voorwaarden. De verdeling geschiedt naar evenredigheid van het totale aantal kleinverbruikers dat de andere vergunninghouders reeds beleveren, tenzij Onze Minister tot een andere wijze van verdeling besluit. Netbeheerders verstrekken aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de gegevens, die deze nodig heeft voor de uitvoering van deze taak.

  • 7. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet brengt aan alle vergunninghouders, naar evenredigheid van het aantal kleinverbruikers dat zij beleveren, een deel van de te zijnen laste blijvende kosten, gemaakt ter uitvoering van zijn taak bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, in rekening. Elke vergunninghouder berekent het desbetreffende bedrag door aan de kleinverbruikers die hij elektriciteit levert, waarbij elke kleinverbruiker een gelijk bedrag in rekening wordt gebracht.

  • 8. Vergunninghouders hanteren in hun overeenkomsten met kleinverbruikers voorwaarden die in overeenstemming zijn met hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald.

  • 9. De inkoopcontracten van vergunninghouders bevatten geen beding tot ontbinding van rechtswege van die overeenkomsten ingeval aan de vergunninghouder surseance van betaling is verleend of deze failliet is verklaard, dan wel ingeval diens surseance of faillissement is aangevraagd, dan wel ingeval diens vergunning zal worden ingetrokken, noch bedingen die het de toeleverende producent of handelaar mogelijk maken in die gevallen de nakoming van de verbintenis op te schorten of te ontbinden of onder gewijzigde voorwaarden voort te zetten, een en ander voor zover betrekking hebbend op de levering van elektriciteit ten behoeve van kleinverbruikers.

Artikel 3

Het Besluit leveringszekerheid Gaswet wordt gewijzigd als volgt:

1. Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

Deze regeling berust op de artikelen 10a, vierde lid, en 47, tweede lid, van de Gaswet.

2. Artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, wordt vervangen door:

a. zijn de kleinverbruikers van de betrokken vergunninghouder niet bevoegd hun verbintenis op te schorten, en voert een netbeheerder geen leverancierswisseling op een na dat tijdstip gedaan verzoek van die kleinverbruikers uit, tot de inwerkingtreding of intrekking van de betreffende beschikking; .

3. In artikel 3, vijfde lid, onderdeel b, vervalt de zinsnede «, onder behoud van het recht van de kleinverbruiker om in elk geval binnen drie maanden na het tijdstip waarop de intrekkingsbeschikking in werking treedt een andere leverancier te kiezen».

4. In artikel 3, vijfde lid, onderdeel c, wordt «waarop zij in werking treedt» vervangen door: waarop zij in werking treedt of wordt ingetrokken.

5. In artikel 3, zesde lid, vervalt de zinsnede «, onder behoud van het recht van de kleinverbruiker om, zo nodig in afwijking van die voorwaarden, binnen drie maanden na dat tijdstip een andere leverancier te kiezen».

Artikel 4

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 5

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit leveringszekerheid Elektriciteitswet 1998.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 14 februari 2006

Beatrix

De Minister van Economische Zaken,

L. J. Brinkhorst

Uitgegeven de tweede maart 2006

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING1

I. ALGEMEEN

1. Doel en aanleiding

Deze algemene maatregel van bestuur (hierna: AMvB) heeft als doel het voorkomen van leveringsonderbrekingen bij kleinverbruikers als gevolg van het wegvallen van een vergunninghoudende leverancier om welke reden ook (bijvoorbeeld als gevolg van faillissement of surseance).

De AMvB speelt in op de veranderende marktstructuur (zie paragraaf 2) die het gevolg is van volledige vrijmaking van de elektriciteitsmarkt sinds 1 juli 2004 en de daarbij gewijzigde Elektriciteitswet 1998 (hierna: de wet). In de voorwaarden als bedoeld in artikel 31, lid 1, sub c van de wet (hierna: de Systeemcode) is reeds een noodleverancier-regeling opgenomen, die zowel voor alle kleinverbruikers als voor een groep grotere afnemers geldt. Deze AMvB vervangt ten dele genoemde regeling in de Systeemcode. De hoofdlijnen van de regeling voor kleinverbruikers worden bij AMvB voorgeschreven. Dit laat onverlet dat in de Systeemcode technische details in aanvulling op voorliggende AMvB afgesproken kunnen worden, en dat daarin bovendien afspraken kunnen worden gemaakt met betrekking tot anderen dan kleinverbruikers.

De vrijheid die een marktliberalisering met zich brengt, biedt voor consumenten en leveranciers zowel extra kansen als risico’s. Aangezien elektriciteitslevering aan kleinverbruikers een markt is met grote publieke belangen, worden er onder andere middels een leveranciersvergunning (Besluit vergunning levering elektriciteit aan kleinverbruikers) eisen gesteld. Voorliggende AMvB biedt, bovenop de eisen van deze leveranciersvergunning, extra zekerheid voor kleinverbruikers in een vrije elektriciteitsmarkt met een minimale, noodzakelijke en proportionele ingreep in de vrijheid van een leverancier om zelf invulling te geven aan de eis van artikel 95b van de wet om kleinverbruikers betrouwbaar te leveren.

De directe aanleiding voor deze AMvB is het gewijzigde artikel 16 van de wet, dat in het negende lid bepaalt dat bij AMvB regels worden gesteld in verband met de leveringszekerheid in het bijzonder bij faillissement van een leverancier aan kleinverbruikers.

De in deze AMvB getroffen maatregelen zijn waar mogelijk identiek aan de overeenkomstige bepalingen van artikel 3 van het Besluit leveringszekerheid Gaswet. Een kleinverbruiker zal immers in de praktijk vaak gas en elektriciteit gecombineerd contracteren bij één leverancier.

2. Liberalisering van de elektriciteitsmarkt

De Europese Unie beoogt een vrij handelsverkeer tussen de lidstaten voor alle producten en diensten. Elektriciteit en gas zijn hier geen uitzondering op; uiterlijk in 2007 kan elke burger binnen de gehele Unie kiezen wie zijn energie levert.

In Nederland is sinds 1 juli 2004 de elektriciteitsmarkt volledig geliberaliseerd. Alle afnemers, dus ook de kleinverbruikers, kunnen hun elektriciteitsleverancier kiezen. De markt met keuzevrijheid die zo ontstaat heeft een andere structuur dan de historische situatie met min of meer verplichte winkelnering. Het liberaliseren van de elektriciteitsmarkt in Nederland betekent onder meer dat elektriciteitslevering aan kleinverbruikers een concurrerende activiteit wordt. Deze concurrentie draagt het risico op faillissement in zich, omdat de portfolio kleinverbruikers niet meer zeker is sinds de marktopening.

Bovendien creëert het netwerkkarakter van de elektriciteitsmarkt een verband tussen het gedrag van de gezamenlijke leveranciers en de leveringszekerheid van een willekeurige klant, die slechts met één leverancier een contract heeft.

In een woonwijk worden verschillende klanten immers beleverd door diverse leveranciers. Als één leverancier om wat voor reden dan ook zijn verplichtingen niet meer nakomt, zou het wenselijk zijn als de fysieke problemen (bijvoorbeeld een uur zonder stroom) beperkt kunnen worden tot zijn klanten, zodat bij de buren wiens leverancier aan alle verplichtingen voldoet geen vuiltje aan de lucht is. Gegeven de huidige stand van de technologie (met name de onmogelijkheid om grote aantallen kleinverbruikers, die niet in een geografisch gebied zijn geconcentreerd, instantaan af te sluiten) is dit echter niet mogelijk. Zodoende is een regeling noodzakelijk die voorkomt dat het wegvallen van één leverancier gevolgen heeft voor klanten van andere leveranciers.

3. Inhoud van het besluit

Voorliggend besluit richt zich conform de systematiek van de wet op regelgeving ter bevordering van betrouwbare energielevering aan kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben immers in vergelijking met andere afnemers een minder sterke onderhandelingspositie, en weinig mogelijkheden zich tegen risico’s in te dekken. Bovendien geldt juist voor hen (zie paragraaf 2) dat de betrouwbaarheid afhangt van de gezamenlijke leveranciers.

In de wet komt de speciale positie van kleinverbruikers onder andere tot uiting in het vergunningstelsel (artikel 95a en verder). De wet vereist dat een leverancier betrouwbaar en tegen redelijke tarieven moet leveren aan kleinverbruikers.

Voorliggend besluit biedt extra zekerheid voor kleinverbruikers ten opzichte van de zekerheden die geboden worden door artikel 95a en verder van de wet. Deze extra zekerheid bestaat uit een goede procedure voor de intrekking van een leveranciersvergunning bijvoorbeeld als gevolg van een faillissement, die leveringsonderbreking bij kleinverbruikers voorkomt door de kleinverbruiker onder te brengen bij een andere vergunninghouder.

3.1. Intrekking leveranciersvergunning

Zoals in paragraaf 2 reeds aangegeven, is sinds de volledige vrijmaking van de markt de elektriciteitslevering aan kleinverbruikers een activiteit met concurrentie, inclusief het risico van faillissement. Normaal gesproken zal de markt een dreigend faillissement zelf oplossen, omdat het overnemen van de klantenportfolio van een leverancier in problemen zeer interessant is. Leveranciers die de bedrijfsvoering als zelfstandig bedrijf op termijn in gevaar zien komen zullen eerst naar oplossingen zoeken zoals samenwerking, fusie of overname. Mede om de kans op faillissementen van leveranciers aan kleinverbruikers te verkleinen, worden van overheidswege eisen gesteld door middel van een leveranciersvergunning. Indien zich desondanks een faillissement of surseance van betaling zou voordoen of indien een leverancier anderszins niet meer aan de vergunningseisen zou voldoen, moet worden besloten tot het intrekken van deze vergunning en zullen de afnemers bij een andere vergunninghouder terecht moeten kunnen, anders dreigt een leveringsonderbreking buiten de schuld van de afnemer.

Vanwege het publieke belang van elektriciteitslevering aan kleinverbruikers is het wenselijk in aanvulling op het vergunningstelsel extra maatregelen in te bouwen. De extra maatregelen gelden niet alleen voor de situatie van een in surseance verkerende of faillerende vergunninghouder, maar ook als de leveringsvergunning om andere redenen ingetrokken dreigt te worden. Belangrijk is om op te merken dat het faillissement van een vergunninghouder doorgaans wel, maar niet per definitie direct tot een besluit tot het intrekken van de vergunning leidt. Als de vergunninghouder niet meer aan de voorwaarden van de leveringsvergunning voldoet, maar de curator kan aantonen aan de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: NMa; aan deze is immers de bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken – hierna: de minister – om een vergunning in te trekken gemandateerd) dat binnen enkele dagen weer volledig en duurzaam aan de vergunningsvoorwaarden kan worden voldaan en dat er tevens geen leveringsonderbreking dreigt voor kleinverbruikers, kan wellicht een doorstart gerealiseerd worden. Gelet op de marktstructuur voor gas en elektriciteit zal een dergelijke doorstart, hoe wenselijk ook, naar verwachting een uitzonderingssituatie betreffen en zullen in vrijwel alle gevallen direct onomkeerbare besluiten moeten worden genomen om de leveringszekerheid te kunnen waarborgen.

Het intrekken van de leveringsvergunning zal als volgt verlopen. De NMa besluit namens de minister om de leveringsvergunning in te trekken en kondigt dit aan. De periode tussen de aankondiging en feitelijke intrekking dient om de kleinverbruikers ordelijk bij andere vergunninghoudende leveranciers onder te kunnen brengen. De NMa dient dan ook rekening te houden met deze noodzaak tot ordelijke leverancierswissel bij het intrekken van een leveranciersvergunning. Er is gekozen voor een periode van maximaal 10 werkdagen. De curator of bewindvoerder kan in deze periode het klantenbestand in de markt aanbieden. De curator of bewindvoerder moet daarom in staat worden gesteld zijn klanten ordentelijk over te dragen aan één of meer andere leveranciers. De privaatrechtelijke leveringsovereenkomsten tussen leverancier en kleinverbruiker moeten zodanig zijn, dat de in artikel 2 gestelde normen ook privaatrechtelijk doorwerken.

Om administratieve problemen (en bijbehorende lasten) bij de curator en de regionale netbeheerders (die te allen tijde de leveranciersswitch administratief uitvoeren) te voorkomen, zullen individuele verzoeken tot leverancierswisseling geen doorgang vinden in deze periode van maximaal 10 werkdagen. Wel kan de afnemer nadat hij toebedeeld is aan een andere vergunninghouder, weer zelfstandig van leverancier wisselen met een opzegtermijn van maximaal 30 dagen (artikel 95m, tiende lid van de wet).

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, die immers door artikel 16, tweede lid, van de wet de plicht heeft om voorzieningen ter waarborging van de leveringszekerheid te treffen, speelt bij de vergunningsintrekking een belangrijke coördinerende rol. Ter uitwerking van deze plicht krijgt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet thans twee concrete opdrachten. Enerzijds krijgt hij de opdracht tot het zo nodig overnemen van de betaling van toegeleverde elektriciteit gedurende de periode van maximaal 10 werkdagen tussen aankondiging en feitelijke intrekking van de leveranciersvergunning, doch alleen waar het de elektriciteitslevering aan kleinverbruikers betreft. Uiteraard staat voorop dat de curator zijn normale verantwoordelijkheden neemt en op basis van de middelen die het faillerende bedrijf ter beschikking staan maximaal streeft naar betaling van de toeleveranciers.

De kosten die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet door deze garantstelling maakt, mag hij over de overige vergunninghouders verdelen. Het voorkomen van leveringsonderbrekingen als gevolg van een faillissement is immers in ieders voordeel, ook in het voordeel van leveranciers (en daarmee hun afnemers) zonder betalingsproblemen, vanwege de onderlinge afhankelijkheid zoals geschetst in paragraaf 2. Uit ervaring is gebleken dat het onmogelijk is leveranciers aan te wijzen die nimmer geconfronteerd zullen worden met een faillissement. Het is aldus niet mogelijk leveranciers uit te sluiten van het dragen van mogelijk ontstane kosten.

Anderzijds zal de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet coördinerend optreden om de aangeslotenen, die op het moment van feitelijke intrekking van de vergunning nog niet zijn ondergebracht bij een andere leverancier, bij andere vergunninghouders onder te brengen. De regionale netbeheerders hebben hier per definitie operationeel de belangrijkste rol, omdat zij degenen zijn die de leveranciersswitch in het aansluitingenregister zullen doorvoeren. Omdat zodoende alle kleinverbruikers altijd zijn ondergebracht bij een vergunninghoudende leverancier, wordt de elektriciteitsleverantie aan de kleinverbruiker voortgezet.

De voorgestelde maatregelen sluiten aan bij wat thans al met betrekking tot de leveringszekerheid geregeld is in hoofdstuk 8, paragraaf 1a, van de wet: dat het verboden is zonder vergunning elektriciteit te leveren aan kleinverbruikers (artikel 95a), dat een vergunninghouder een leveringsplicht heeft (artikel 95b, eerste lid) en dat een vergunning kan worden ingetrokken (artikel 95f). Een leveringsvergunning kan onder andere worden ingetrokken indien de leverancier onvoldoende voldoet aan zijn leveringsplicht dan wel daartoe niet langer in staat moet worden geacht.

In aanvulling hierop wordt de vergunninghouder een meldingsplicht opgelegd ingeval hij zelf voorziet dat de leveringszekerheid in gevaar komt, bijvoorbeeld doordat surseance of faillissement dreigt of daadwerkelijk is aangevraagd. Ook de netbeheerders krijgen een meldingsplicht indien zij de continuïteit van de levering in gevaar zien komen. In het overleg dat hierop moet volgen, worden door de NMa en (in verband met de hem thans opgedragen taken) de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet samen met de vergunninghouder, dan wel diens bewindvoerder of curator, de bedreigingen besproken voor de leveringszekerheid en de mogelijkheden om die bedreiging af te wenden. Als niet direct (binnen enkele dagen) blijkt dat een doorstart mogelijk is, is de aankondiging tot intrekking van de vergunning een feit.

Zodoende wordt een procedure gecreëerd, waarin een surseance of faillissement niet meteen leidt tot intrekking van de vergunning maar waardoor wel de levering voor kleinverbruikers gegarandeerd blijft. Ook als de vergunning wel wordt ingetrokken, krijgt de curator de kans de boedel (met als belangrijkste element het klantenbestand) te gelde te maken. De normale procedure van surseance of faillissement wordt zo min mogelijk doorkruist.

3.2. Relatie tussen leverancier en programmaverantwoordelijke partij

Voorliggende AMvB richt zich op een vergunninghoudende leverancier die niet langer aan de vergunningvoorwaarden kan voldoen. Eén van deze voorwaarden – specifiek voor de elektriciteitsmarkt – is het hebben voorzien in de zogenaamde programma-verantwoordelijkheid (PV). Voor iedere (kleinverbruikers)aansluiting op het elektriciteitsnet is er namelijk een partij verantwoordelijk voor het balanceren van elektriciteitstoevoer en -afname. Deze partij draagt de programma-verantwoordelijkheid en is daarmee «PV-partij».

In het geval dat een leverancier danwel gecombineerde leverancier/programmaverantwoordelijke de vergunning verliest, is voorliggende AMvB van toepassing. Het kan echter ook zo zijn dat niet de leverancier, maar alleen de PV-partij wegvalt. Hierbij is er voor de programmaverantwoordelijke, zoals vastgelegd in de Systeemcode, een opzegtermijn zodat de leverancier een aantal dagen de tijd heeft om een nieuwe PV-partij te vinden. Lukt dit, dan treedt geen risico op tot intrekking van de leveranciersvergunning en is toepassing van voorliggende AMvB niet relevant. Lukt het de leverancier niet om een nieuwe PV-partij te vinden, dan blijft de leverancier met betrekking tot de vergunningseisen in gebreke, en kan de voorliggende AMvB alsnog toepassing vinden.

3.3. Relatie tussen Besluit leveringszekerheid Elektriciteit en de Systeemcode

In de Systeemcode is per 1 juli 2004 (DTe, besluit nr. 101789-11 d.d. 24 juni 2004) een zogenoemde «supplier of last resort»-regeling van kracht. Deze SLR-regeling gaat onder meer over de uitoefening van programmaverantwoordelijkheid, de overdracht en beëindiging daarvan en het voorzien in (nood-)programmaverantwoordelijken ingeval van surseance van betaling en faillissement. De afnemersdoelgroep waar de SLR-regeling zich op richt is breder dan alleen kleinverbruikers. Voorliggend besluit legt materieel een gedeelte van deze SLR-regeling vast in een AMvB, gericht op alleen de kleinverbruikers.

4. Advies Directie Toezicht energie

De DTe heeft geadviseerd over een concept van voorliggende AMvB. De conclusie van DTe was dat de voorgestelde regeling goed uitvoerbaar en handhaafbaar is, en dat de kosten voor de consument maximaal enkele euro’s per jaar per consument zullen bedragen.

Op enkele punten adviseerde de DTe het besluit aan te passen, zonder overigens de systematiek van de regeling ter discussie te stellen; vrijwel alle aanbevelingen daartoe van DTe zijn overgenomen.

5. Europeesrechtelijke aspecten

Voor de beoordeling vanuit het Europeesrechtelijk perspectief vormt allereerst het EG-verdrag zelf de toetssteen. Voorts is de richtlijn nr. 2003/54 EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG (PbEG L 176; hierna: de tweede elektriciteitsrichtlijn) relevant. Uitgangspunt in het EG-verdrag, met name in artikel 86, is dat lidstaten met betrekking tot openbare bedrijven en ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen geen maatregelen nemen of handhaven die in strijd zijn met het verdrag. Die bedrijven en ondernemingen vallen onder de werking van het verdrag en met name de mededingingsregels. Artikel 86, tweede lid, bevat daarop een (beperkte) uitzondering voor bedrijven.

Verder is artikel 3, vijfde lid, van de tweede elektriciteitsrichtlijn van belang. Hier wordt gesteld dat lidstaten maatregelen zullen treffen om onder andere de leveringszekerheid te bevorderen. Voorliggend besluit legt een openbare dienstverplichting (public service obligation of PSO) bij de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet in het kader van de leveringszekerheid. De noodzakelijkheid van deze openbare dienstverplichting volgt uit het feit dat zonder voorliggend besluit er een substantieel risico kan ontstaan voor betrouwbare elektriciteitslevering aan kleinverbruikers. De voorgestelde maatregelen zijn voorts proportioneel met het oog op het te bereiken doel.

6. Handhaving

De intrekking van de leveranciersvergunning is gemandateerd aan de NMa. Het voornemen bestaat om de bevoegdheden van de minister in artikel 2 van voorliggend Besluit ook te mandateren aan de NMa, zoals dit ook gebeurt voor het Besluit leveringszekerheid Gaswet.

In artikel 2 wordt de procedure bij het intrekken van de leveringsvergunning geschetst, waarmee uitvoering is gegeven aan artikel 95f, tweede lid, van de wet. Het intrekken van een vergunning dient uiterst zorgvuldig te geschieden. Indien de NMa het voornemen heeft om de leveringsvergunning in te trekken treedt hij in ieder geval in overleg met de (curator of bewindvoerder van) de leverancier en de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Alle gegevens die de NMa nodig heeft om te beoordelen of hij tot intrekking dient over te gaan dienen hem zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval direct na zijn verzoek daartoe, te worden verstrekt.

7. Administratieve lasten

De totale uit deze maatregel voortvloeiende administratieve lasten zijn uiteraard grotendeels afhankelijk van het aantal vergunningen dat daadwerkelijk zal worden ingetrokken. Per procedure zijn de volgende lasten te herkennen.

Voor leveranciers aan kleinverbruikers en regionaal netbeheerders bestaat een meldingplicht bij het niet meer kunnen voldoen aan de leveringsplicht volgens artikel 95b van de wet. Uit de «nulmeting» 2000 door EIM blijkt dat soortgelijke meldingen aan administratieve lasten circa € 500 (circa € 300 voor een middelgroot, en circa € 700 voor een groot energiebedrijf) kosten.

Verder zal in geval van faillissement een verplicht overleg plaatsvinden. De administratieve last van soortgelijk overleg wordt door EIM («nulmeting» 2000) geraamd op circa € 1500.

Voor de regionaal netbeheerders en leveranciers zal voorliggend besluit, op het moment dat van één leverancier de leveringsvergunning wordt ingetrokken, betekenen dat op zeer korte termijn in het aansluitingenregister de gegevens van een groot aantal klanten aangepast dient te worden, het zogenaamde «switchen». Alle klanten van de desbetreffende leverancier zullen immers ondergebracht moeten worden bij andere leveranciers, en de aanpassing in de regionale aansluitingenregisters wordt verricht door de regionale netbeheerders. Echter, om de administratieve lasten te drukken, gebeurt dit groepsgewijs. In de EIM-nulmeting 2003 zijn de administratieve lasten voor het switchproces voor de gehele «groene» markt (duurzaam opgewekte elektriciteit) berekend. Als we als voorbeeld nemen dat een vergunninghouder met een marktaandeel gelijk aan 25% failleert, zou dit een administratieve last betekenen van circa € 15000. Bij één faillerende vergunninghouder per twee jaar zijn de totale administratieve lasten, voortvloeiend uit het faillissement als gevolg van voorliggend besluit jaarlijks circa € 8500.

II. ARTIKELEN

Artikel 2

Eerste en tweede lid

Omwille van de leveringszekerheid van zijn klanten moet de vergunninghouder melden als hij problemen voorziet voor de continuïteit van de elektriciteitslevering aan kleinverbruikers; en in elk geval als zijn surseance of faillissement is aangevraagd. De melding dient te worden gedaan aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, met het oog op diens taken in het kader van de leveringszekerheid, en aan de minister, die immers bevoegd is de leveringsvergunning in te trekken. Het gevaar voor de continuïteit van elektriciteitslevering is een van de gronden tot intrekking. Aan de NMa wordt mandaat van deze bevoegdheid verleend; de melding dient dan ook gericht te worden aan de minister en verzonden te worden aan de NMa. Ook voor de toepassing van de andere onderdelen van artikel 2 zal de NMa namens de minister optreden. Indien de vergunninghouder de problemen had moeten zien aankomen en desondanks geen mededeling heeft gedaan, kan hij daar achteraf op worden aangesproken, zeker als ten gevolge van dat nalaten inderdaad risico’s voor de leveringszekerheid zijn ingetreden. Omdat ook de netbeheerders uit hoofde van hun verantwoordelijkheid voor het aansluitingenregister en relatie met de vergunninghouders (naar verwachting zal het merendeel van kleinverbruikers de transportkosten voldoen via de leverancier) zicht hebben op eventuele problemen voor de continuïteit van de elektriciteitslevering, moeten ook zij daarvan melding doen. Mede gelet op de tweede elektriciteitsrichtlijn dient de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet alle ter beschikking gestelde bedrijfsgevoelige informatie vertrouwelijk te behandelen.

Derde en vierde lid

Indien de NMa, al dan niet na een mededeling krachtens het eerste of tweede lid, daartoe aanleiding ziet kan hij met de vergunninghouder, dan wel in geval van surseance met de bewindvoerder en de vergunninghouder tezamen of, in geval van faillissement, met de curator, in overleg treden over de continuïteit van de elektriciteitslevering en, indien die in gevaar blijkt te zijn, over de verdere gang van zaken. Gelet op de taken die bij dit besluit aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet worden toebedeeld neemt deze zo nodig aan het overleg deel; het initiatief gaat uit van de NMa; de vergunninghouder, bewindvoerder of curator is verplicht tot het voeren van overleg. In het overleg wordt nagegaan welke mogelijke risico’s aanwezig zijn voor het voldoen aan de leveringsplicht van de vergunninghouder.

Ingeval er geen sprake is van faillissement of surseance en de risico’s voor de leveringszekerheid zodanig zijn, dat de NMa genoodzaakt is van de aan hem gemandateerde bevoegdheid tot intrekking van de leveringsvergunning gebruik te maken, wordt de intrekkingsbeschikking onmiddellijk genomen. De vergunninghouder geeft daarvan bericht aan zijn kleinverbruikers; vanaf de intrekkingsbeschikking zijn deze immers, krachtens het vijfde lid, niet meer bevoegd om zelfstandig van leverancier te wisselen en kunnen zij door de vergunninghouder worden «toegewezen» aan een andere leverancier-vergunninghouder.

In geval van surseance of faillissement wordt in het overleg met de vergunninghouder en de bewindvoerder, onderscheidenlijk met de curator nagegaan welke levenskansen voor de betrokken onderneming bestaan, welke risico’s voor de leveringszekerheid van kleinverbruikers bestaan en welke maatregelen daartegen worden getrokken. Indien de risico’s acceptabel zijn en de voorgenomen maatregelen bevredigend, hoeft de NMa nog niet meteen tot intrekking van de leveringsvergunning over te gaan, maar kan hij de vinger aan de pols houden om tot ingrijpen over te gaan als de risico’s voor de leveringszekerheid onacceptabel groot dreigen te worden; hij kan de vergunning dan (namens de minister) intrekken. Gelet op de huidige energiemarktstructuur zal dit naar verwachting een uitzonderingsgeval betreffen, maar dit is geen reden om een faillissement automatisch het einde van de onderneming te laten zijn. Op deze wijze wordt zo lang als enigszins mogelijk is ruimte geboden aan de curator voor een goede, liefst op continuïteit van de onderneming gerichte afwikkeling binnen de surseance of het faillissement, terwijl anderzijds vanuit het publieke belang kan worden gewaakt voor de leveringszekerheid.

De intrekkingsbeschikking bepaalt tevens het tijdstip waarop zij in werking treedt, het tijdstip dus waarop de vergunning feitelijk vervalt. Naarmate de acute risico’s voor de leveringszekerheid groter zijn, zal de feitelijke effectuering van de intrekking eerder moeten plaatsvinden. Vanwege de overzetting van het klantenbestand zal er altijd wel enige tijd moeten zitten tussen het nemen van de intrekkingsbeschikking en de inwerkingtreding daarvan; deze periode mag echter ook weer niet al te lang duren, mede gelet op de financiële verplichting van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet krachtens het vijfde lid. Daarom wordt in het vierde lid gekozen voor inwerkingtreding van een intrekkingsbeschikking op een termijn van ten hoogste tien werkdagen.

Vijfde lid

Dit lid regelt de rechtsgevolgen vanaf het tijdstip waarop een beschikking tot intrekking van een leveringsvergunning is genomen. Die gevolgen zijn drieërlei.

1. Teneinde administratieve problemen te voorkomen worden individuele switchverzoeken vanaf dat tijdstip niet meer uitgevoerd. Grote aantallen individuele switches in een kort tijdsbestek kunnen immers niet op tijd worden verwerkt. Omdat in deze situatie enerzijds de leveringszekerheid gevaar loopt en anderzijds de noodzakelijke switch van het kleinverbruikersbestand ordelijk moet verlopen, is deze ingreep in de individuele vrijheid van de kleinverbruikers gerechtvaardigd. Het kan vóórkomen, dat er, vlak voordat het intrekkingsbesluit werd genomen, enkele individuele switchverzoeken klaar stonden voor uitvoering, maar nog niet zijn uitgevoerd; deze mogen dan alsnog worden uitgevoerd, maar de regionale netbeheerder heeft de vrijheid om dit beperkt aantal klanten onder te brengen bij een collectieve switch naar een andere leverancier, als dat nodig is om administratieve problemen te voorkomen.

2. In plaats daarvan wordt door de betrokken onderneming collectief, hetzij voor het hele klantenbestand, hetzij voor gedeelten daarvan, bezien of een andere vergunninghouder bereid en in staat is om het kleinverbruikersbestand over te nemen. Indien dat lukt komt er een contract tot stand tussen de kleinverbruiker en de betrokken nieuwe leverancier. De betrokken kleinverbruiker, die immers een nieuwe wederpartij krijgt «toebedeeld», heeft het wettelijk recht om te allen tijde weer te switchen van leverancier met een maximale opzegtermijn van 30 dagen (artikel 95m, tiende lid van de wet).

3. Teneinde te voorkomen, dat de toeleveranciers van een vergunninghouder risico’s lopen, waardoor de toelevering van elektriciteit in gevaar zou kunnen komen, neemt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, indien nodig, op verzoek van de vergunninghouder en/of diens bewindvoerder of curator de betalingsverplichting met betrekking tot de toelevering van elektriciteit over in de beperkte periode tussen het tijdstip waarop de intrekkingsbeschikking is genomen en dat waarop zij in werking treedt. Deze overname van de betalingsverplichting wordt alleen toegepast, indien de vergunninghouder, bewindvoerder of curator kan aantonen zelf niet in staat te zijn aan de betalingverplichting te voldoen. De mogelijkheid tot het overnemen van de betalingsverplichting dient uitdrukkelijk alleen aangewend te worden als de leveringszekerheid aan kleinverbruikers in gevaar komt. Deze mogelijkheid dient uiteraard besproken te worden in het tri-partite overleg, als bedoeld in artikel 2, derde lid. Mede door bovenstaande garantstelling van de netbeheerder door het landelijk hoogspanningsnet is de kans dat toelevering van elektriciteit onder druk komt te staan geminimaliseerd.

In het Besluit leveringszekerheid Gaswet is nog een extra verantwoordelijkheid opgenomen voor de landelijke gastransportnetbeheerder, namelijk om naar vermogen gas ter beschikking te stellen. Deze verantwoordelijkheid is hier niet opgenomen, met name vanwege de fysieke verschillen tussen de gas- en elektriciteitsmarkt. De landelijke netbeheerder elektriciteit heeft een minieme operationele invloed op de feitelijke richting van elektriciteitsstromen, in tegenstelling tot de landelijke netbeheerder gas.

Zesde lid

Het hierboven omschreven systeem heeft tot doel om, als de noodzaak tot intrekking van een vergunning is komen vast te staan, de klanten zoveel mogelijk reeds onder te brengen bij een andere vergunninghouder. Het is niet ondenkbaar dat er, op het moment waarop de intrekking daadwerkelijk wordt geëffectueerd, nog klanten over zullen zijn bij de betreffende leverancier. In dat geval moet de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet het resterende klantenbestand als het ware laten verdelen (door de regionale netbeheerders) over de andere vergunninghouders, en wel naar rato van de aantallen kleinverbruikers die zij beleveren en het daarbij behorende elektriciteitsverbruik. Daardoor is enerzijds gewaarborgd, dat kleine vergunninghouders niet plotseling een grote groep klanten erbij krijgen, terwijl anderzijds de «verdeling» over de vergunninghouders plaatsvindt aan de hand van een objectief criterium. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet coördineert deze verdeling, de uitvoering berust bij de regionale netbeheerders. Bij de uitvoering dienen de regionale netbeheerders de klanten zo te verdelen, dat in de verdeelsystematiek geen voordeel voor één of enkele leveranciers besloten ligt. De betrokken kleinverbruikers worden via de nieuwe vergunninghouder op de hoogte gesteld van het feit, dat hun elektriciteitleverantie voortaan door een ander zal geschieden.

Er is een clausule opgenomen die de minister de ruimte biedt om te bepalen dat een andere wijze van verdeling plaatsvindt om te kunnen inspelen op onvoorziene omstandigheden.

Om zo min mogelijk verstoring in de ondernemingsactiviteit van de overnemende vergunninghouders te laten ontstaan, is bepaald dat de verplicht geswitchte klanten tegen tarieven en voorwaarden van de overnemende leverancier zullen worden beleverd. Dat is mede gerechtvaardigd, omdat de klant te allen tijde weer kan switchen van leverancier met een maximale opzegtermijn van 30 dagen (artikel 95m, tiende lid van de wet).

Zevende lid

De te zijnen laste blijvende kosten van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet worden verhaald op de vergunninghouders. Dezen kunnen die kosten op hun beurt verhalen door een eenmalige opslag op de kleinverbruikerstarieven; de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet berekent daartoe de grootte van de opslag. De vergunninghouders zijn verplicht het door hen verschuldigde bedrag door te berekenen door de opslag bij hun kleinverbruikers in rekening te brengen. De vergunninghouder is hiervoor de aangewezen partij, omdat het om gemaakte kosten voor kleinverbruikers gaat. De kosten die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet eventueel maakt, worden zodoende uiteindelijk over alle kleinverbruikers verdeeld. Het voorkomen van leveringsonderbrekingen als gevolg van een faillissement is immers in ieders voordeel, ook in het voordeel van leveranciers (en daarmee hun afnemers) zonder betalingsproblemen, vanwege de onderlinge afhankelijkheid.

Het is van belang dat de niet-kleinverbruikers, die ook klant kunnen zijn bij vergunninghouders, niet geconfronteerd worden met kosten, omdat zij geen baat hebben bij deze regeling. Daarom is vastgelegd dat vergunninghouders de rekening alleen mogen presenteren aan kleinverbruikers.

Achtste en negende lid

Deze leden strekken ertoe te bewerkstelligen dat de maatregelen opgenomen in dit artikel (met name de collectieve in plaats van individuele leverancierswisseling en de opslag krachtens het zevende lid) ook privaatrechtelijk doorwerken. In een leveringscontract zal moeten worden opgenomen dat in een geval waarop artikel 2 betrekking heeft, geen éénzijdige beëindiging door de kleinverbruiker mag worden geëffectueerd en dat hem een nieuwe leverancier kan worden toegewezen. Afnemers zullen dan vooraf ingestemd hebben met een overdracht naar een andere vergunninghouder in het geval dat de vergunning wordt ingetrokken.

Tevens wordt – teneinde de werking van de maatregelen in de gevallen waarop dit artikel betrekking heeft te versterken en de risico’s voor de leveringszekerheid nog verder te minimaliseren – bepaald, dat de elektriciteit-inkoopcontracten geen bedingen mogen bevatten die meebrengen dat zij in die gevallen kunnen worden opgeschort of ontbonden; de toelevering van elektriciteit (met betrekking waartoe in dit artikel ook een financiële faciliteit wordt geregeld) moet zoveel mogelijk worden gecontinueerd.

Artikel 3

Na de vaststelling van het Besluit leveringszekerheid Gaswet is de Gaswet gewijzigd; in artikel 52b, tiende lid, is het recht van de consument vastgelegd op een opzegtermijn van maximaal 30 dagen. Zodoende is het waarborgen van een acceptabele opzegtermijn niet meer nodig in dat Besluit. Het Besluit leveringszekerheid Gaswet wordt daarom, in lijn met de bepalingen van het voorliggende besluit, aan die wetswijziging aangepast.

Artikel 4

Als gevolg van voorliggend besluit kan het zijn dat bestaande vergunninghouders contracten dienen aan te passen. Een gedifferentieerde inwerkingtreding van de relevante bepalingen in dit besluit biedt deze vergunninghouder de tijd om de benodigde aanpassingen door te voeren.

De Minister van Economische Zaken,

L. J. Brinkhorst


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

XNoot
1

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).