Wijziging van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en enkele andere besluiten in verband met een betere benutting van de zittingscapaciteit

VERBETERING

Op blz. 15 en 16, nota van toelichting, is een gedeelte van de tekst van de artikelen 6a en 6b weggevallen. De toelichting op deze artikelen luidt als volgt:

Artikelen 6a en 6b

Wordt het bestuur van een gerecht geconfronteerd met een piekbelasting die niet met de «eigen» zittingscapaciteit kan worden opgevangen, dan kan het gerechtsbestuur de Raad verzoeken tijdelijk een of meer nevenzittingsplaatsen buiten het rechtsgebied aan te wijzen voor de behandeling van zaken (artikelen 6a, eerste lid, en 6b, eerste lid). Het initiatief daartoe ligt bij het gerechtsbestuur. In paragraaf 2.3. is aangegeven in welke situaties bij piekbelastingen een gebrek aan voldoende zittingscapaciteit kan ontstaan. Een gebrek aan capaciteit kan zich ook voordoen als de zittingscapaciteit die nodig is voor de gespecialiseerde behandeling van een zaak of een bepaalde categorie van zaken bij het gerecht ontbreekt (artikelen 6a, eerste lid, tweede volzin en 6b, eerste lid, tweede volzin). Het gaat hier in de regel om typen zaken die slechts incidenteel bij een gerecht worden aangebracht en die verhoudingsgewijs veel specialistische kennis vergen. Wordt een dergelijke zaak aangebracht bij een gerecht waar deze kennis niet aanwezig is, dan zal het gerecht (onevenredig veel) tijd en capaciteit moeten steken in het verwerven van de specialistische kennis die de behandeling van dergelijke zaken vereist. Indien in dergelijke situaties gebruik kan worden gemaakt van de expertise die elders aanwezig is, kunnen zaken sneller worden afgedaan. Dit effect werkt naar twee kanten toe. Het gerecht dat niet beschikt over de vereiste zittingscapaciteit hoeft geen extra capaciteit vrij te maken om de expertise te verwerven voor de specialistische behandeling van de zaken en kan de zittingscapaciteit inzetten voor de behandeling van andere zaken, waardoor deze sneller worden behandeld. Het gerecht dat wel over deze expertise beschikt kan de zaak die een gespecialiseerde behandeling vergt sneller afdoen omdat de daarvoor benodigde kennis en deskundigheid aanwezig is en niet meer behoeft te worden verworven. Als voorbeelden kunnen hier worden genoemd fraudezaken of zaken betreffende intellectuele eigendom.

De Raad voor de rechtspraak kan op verzoek van het gerechtsbestuur een of meer nevenzittingsplaatsen buiten het rechtsgebied aanwijzen, waar het gerecht tijdelijk zaken kan behandelen. De artikelen 6a, derde lid, en 6b, derde lid, bepalen de nevenzittingsplaatsen die als zodanig kunnen worden aangewezen door de Raad. Voor de gerechtshoven kunnen de hoofdplaatsen van de andere ressorten worden aangewezen als nevenzittingsplaats buiten het rechtsgebied. Voor de rechtbanken worden als zodanig de hoofdplaatsen en nevenvestigingsplaatsen in de andere arrondissementen aangewezen, evenals de nevenzittingsplaats Haarlemmermeer omdat deze rechtspraaklocatie in de praktijk als een nevenvestigingsplaats functioneert. Er is niet voor gekozen ook andere nevenzittingsplaatsen die binnen het rechtsgebied van de andere gerechten zijn gelegen als nevenzittingsplaats buiten het rechtsgebied van het gerecht aan te wijzen. Uit artikel 10 van de Wet RO volgt dat dergelijke nevenzittingsplaatsen slechts een zeer beperkte zittingscapaciteit en griffiefunctie kennen. Bovendien is de zittingcapaciteit die in deze nevenzittingsplaatsen aanwezig is, veelal afgestemd op de behandeling van kantonzaken, omdat in de regel op nevenzittingsplaatsen alleen kantonzaken worden behandeld.

Als uitgangspunt geldt dat de Raad een nevenzittingsplaats in een aangrenzend rechtsgebied aan wijst (artikelen 6a, vierde lid, en 6b, vierde lid). De Raad kan van dit uitgangspunt afwijken als de benodigde zittingscapaciteit niet in een aangrenzend rechtsgebied beschikbaar is.

De Raad wijst op verzoek van het gerechtsbestuur een nevenzittingsplaats aan, maar bepaalt niet welke zaken concreet op de aangewezen nevenzittingsplaatsen worden behandeld. De verdeling van zaken over de verschillende rechtspraaklocaties van het gerecht is een bevoegdheid die aan het gerecht (het gerechtsbestuur) zelf toekomt. Daarbij dient het gerechtsbestuur rekening te houden met de regels die voor de verdeling van zaken in het onderhavige besluit zijn neergelegd. Kantonzaken kunnen niet in een nevenzittingsplaats buiten het rechtsgebied worden behandeld, tenzij er sprake is van een kantonzaak, waarbij het personeel van de rechtbank is betrokken (artikel 7, derde lid). In de artikelen 6a, vijfde lid, en 6b, vijfde lid, is verder bepaald dat zaken waarvoor een behandeling binnen het rechtsgebied aangewezen lijkt, vanwege de aard van de zaak of de feiten of omstandigheden die met die zaak samenhangen, zo veel als mogelijk binnen het rechtsgebied worden behandeld. Het gerechtsbestuur zal bij de verdeling van zaken de behandeling van lokaal georiënteerde zaken in een rechtspraaklocatie binnen het rechtsgebied laten plaats vinden. Ook hier geldt dat het gerechtsbestuur hiervan kan afwijken als binnen het rechtsgebied geen zittingscapaciteit voorhanden is. Zoals in het algemeen deel van de nota van toelichting is aangegeven, dient het bestuur (een wijziging van) het bestuursreglement, waarin het bestuur de regels voor de verdeling van zaken vastlegt, voor goedkeuring voor te leggen aan de Raad voor de rechtspraak. De Raad zal daarbij toetsen, of de regels voor de verdeling van zaken, zoals neergelegd in het besluit, in acht worden genomen.

Indien de Raad een nevenzittingsplaats buiten het rechtsgebied aanwijst voor de behandeling van categorieën van zaken, geeft de Raad daarbij aan voor welke periode de aanwijzing geldt (artikelen 6a, zevende lid, en 6b, zevende lid). De aanwijzing kan voor ten hoogste drie jaar gelden en een maal worden verlengd met een periode van wederom ten hoogste drie jaar (artikelen 6, tweede lid, en 6b, tweede lid). De maatregel is bedoeld voor de opvang van piekbelastingen, die naar hun aard tijdelijk zijn. De aanwijzing heeft dan ook bijgevolg een beperkte geldingsduur. Gekozen is voor een precisering van het tijdelijke karakter van de aanwijzing, om te voorkomen dat een de jure tijdelijke maatregel de facto een min of meer permanent karakter krijgt. Dit zou niet zijn te verenigen met de bij wet vastgestelde regeling der relatieve competentie. Indien het gebrek aan zittingscapaciteit langer dan drie jaar duurt, is er naar alle waarschijnlijkheid sprake van een structureel probleem, waarvoor de onderhavige regeling niet is gegeven en andere oplossingen gevonden moeten worden. Er is voor gekozen een eenmalige verlengingsmogelijkheid op te nemen. Dit biedt onder meer ruimte om zonodig nader onderzoek te doen naar de aard van de capaciteitsgebreken en de oplossingen daarvoor, dan wel om de meest geeigende (structurele) voorzieningen te treffen. Daarbij kan ook worden gedacht aan het initiëren van wetgeving.

De (verlenging van de) aanwijzing van een nevenzittingsplaats buiten het rechtsgebied door de Raad wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Dit geldt ook voor het bestuursreglement, waarin het bestuur de regels voor de verdeling van zaken over de verschillende rechtspraaklocaties heeft neergelegd. Op deze wijze is voor een ieder kenbaar op welke rechtspraaklocaties bepaalde categorieën van zaken behandeld worden.

Naar aanleiding van artikelen 6a, zevende lid, en 6b, zevende lid, merkt het college op dat het voorgestelde formele traject, met name de aanwijzing van de nevenzittingsplaats door de Raad en de publicatie van de aanwijzing van de nevenzittingsplaatsen in de Staatscourant, een flexibele toewijzing van megastrafzaken en categorieën van strafzaken in de weg staat. Het college wijst hierbij op de rol van de landelijk coördinator ZM bij de verdeling van megastrafzaken. De publicatie in de Staatscourant van de aanwijzing van een of meer nevenzittingsplaatsen voor de behandeling van categorieën van strafzaken strekt ertoe voor een ieder kenbaar te maken op welke rechtspraaklocaties bepaalde categorieën van zaken worden behandeld. Een dergelijke publicatie staat niet in de weg aan een flexibele toewijzing van strafzaken, omdat de eis tot publicatie neergelegd artikelen 6a, zevende lid, en 6b, zevende lid, slechts betrekking heeft op de aanwijzing van de nevenzittingsplaats voor de behandeling van bepaalde categorieën van zaken. De publicatie heeft geen betrekking op concrete zaken. De verdeling van zaken over de verschillende rechtspraaklocaties – met andere woorden: de toewijzing van een concrete zaak of concrete zaken aan een bepaalde rechtspraaklocatie – van het gerecht is overigens een bevoegdheid van het gerechtsbestuur (artikelen 41 en 59 van de Wet RO). Zoals hiervoor aangegeven speelt de Raad hierbij geen rol. Overigens staan de bevoegdheidsverdeling neergelegd in de Wet RO en de systematiek van het onderhavige besluit er niet aan in de weg dat de gerechtsbesturen bij de uitoefening van deze bevoegdheid met het oog op een flexibele toewijzing van megastrafzaken een rol toekennen aan een landelijk coördinator ZM. Dit geldt ook indien de Raad een dergelijke functionaris zou willen betrekken bij zijn besluitvorming. Voorts wijs ik erop dat de Raad ten behoeve van een doelmatige en efficiënte uitvoering van het onderhavige besluit een leidraad voor de gerechten heeft ontwikkeld, waarin in kaart is gebracht welke activiteiten ondernomen dienen te worden in het kader van de uitvoering van het onderhavige besluit. Voor het overige verwijs ik naar paragraaf 1.2.1, waarin uitgebreid is uiteengezet waarom gekozen is voor een centrale rol voor de Raad.

’s-Gravenhage, 21 oktober 2008

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Naar boven