Wet van 19 december 2002, houdende wijziging van de Wet luchtvaart (geluidscertificaat en geluidsverklaring)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het gebruik van een geluidscertificaat dan wel een geluidsverklaring voor te schrijven voor bepaalde luchtvaartuigen, en enkele regels met betrekking tot luchtwaardigheid en vluchtuitvoering aan te passen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet luchtvaart1 wordt gewijzigd als volgt:

A

Titel 3.2 komt te luiden:

Titel 3.2 Luchtwaardigheids- en geluidseisen

B

Het opschrift van § 3.2.1 komt te luiden:

§ 3.2.1 Type-certificaat, bewijs van luchtwaardigheid, geluidscertificaat, geluidsverklaring

C

Artikel 3.17 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt onder verlettering van de onderdelen b en c tot c en d een onderdeel ingevoegd luidende:

b. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is geschorst; .

2. In het derde lid, onder a, vervallen de woorden «geschorst of»

D

Na artikel 3.19 worden zes artikelen ingevoegd luidende:

Artikel 3.19a

  • 1. Het is verboden een vlucht uit te voeren met een burgerluchtvaartuig, dat:

    a. niet voldoet aan de voor dat luchtvaartuig geldende geluidseisen, of

    b. niet is voorzien van een geldig voor dat luchtvaartuig afgegeven geluidscertificaat of van een passende verklaring in een ander document dat door de staat van registratie is goedgekeurd voor zover dit voor dat luchtvaartuig vereist is.

  • 2. Voor het uitvoeren van een vlucht met een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting is vereist, hetzij

    – een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor dat luchtvaartuig afgegeven (voorlopig) geluidscertificaat, (voorlopige) geluidsverklaring of (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring, hetzij

    – een geluidscertificaat als bedoeld in artikel 3.20.

Artikel 3.19b

  • 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting, waarvoor geluidseisen gelden en dat in Nederland dan wel in het register van een staat of van een internationale organisatie als bedoeld in artikel 3.20 is ingeschreven, met betrekking tot dat luchtvaartuig een geluidscertificaat af, indien:

    a. ten aanzien van het betrokken type-ontwerp een type-certificaat als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, of artikel 3.20 is afgegeven;

    b. ten aanzien van dat luchtvaartuig geen geluidscertificaat is afgegeven; en

    c. het betrokken luchtvaartuig voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde geluidseisen; deze eisen kunnen voor verschillende categorieën luchtvaartuigen verschillend zijn.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangegeven in welke gevallen aan de houder van een burgerluchtvaartuig, waarvoor geen type-certificaat is afgegeven, door onze Minister van Verkeer en Waterstaat een geluidscertificaat kan worden afgegeven.

  • 3. Een geluidscertificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidscertificaat kan een voorlopig geluidscertificaat worden afgegeven.

  • 4. Aan een geluidscertificaat dan wel een voorlopig geluidscertificaat kunnen voorschriften of beperkingen met betrekking tot het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.

  • 5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is, geluidseisen stellen die afwijken van de in voorgaande leden bedoelde geluidseisen.

Artikel 3.19c

  • 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting, waarvoor geen geluidseisen gelden, en dat in Nederland dan wel in het register van een staat of van een internationale organisatie als bedoeld in artikel 3.20 is ingeschreven, een geluidsverklaring af. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betrokken luchtvaartuig geen geluidseisen gelden.

  • 2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig, in aanvulling op het in artikel 3.19b bedoelde geluidscertificaat een geluidsverklaring afgeven omtrent geluidsniveaus bepaald op andere wijze dan ingevolge de geldende eisen. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betreffende luchtvaartuig een geluidscertificaat is afgegeven alsmede de wijze waarop van de voorschriften ingevolge de geldende eisen is afgeweken.

  • 3. De geluidsverklaring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidsverklaring respectievelijk een aanvullende geluidsverklaring, als bedoeld in de voorgaande leden, kan een voorlopige geluidsverklaring respectievelijk een voorlopige aanvullende geluidsverklaring worden afgegeven.

  • 4. Aan een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring kunnen voorschriften of beperkingen met betrekking tot het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.

Artikel 3.19d

  • 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wijzigt op aanvraag van de houder een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig, nadat de houder een wijziging aan het luchtvaartuig heeft uitgevoerd, indien:

    a. het luchtvaartuig na de wijziging aan de geluidseisen blijft voldoen, en

    b. de houder het geluidscertificaat daartoe bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft ingeleverd.

  • 2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat ambtshalve wijzigen wanneer:

    a. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verwerkt of verstrekt, of

    b. gegevens op het certificaat wijziging hebben ondergaan.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging van een geluidsverklaring.

Artikel 3.19e

  • 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een (voorlopig) geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig vernieuwen, indien het verloren is gegaan, beschadigd of anderszins onbruikbaar is geworden.

  • 2. Indien een (voorlopig) geluidscertificaat wegens verlies is vernieuwd en het certificaat wordt teruggevonden, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het teruggevonden (voorlopige) certificaat binnen acht dagen bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in.

  • 3. Indien een (voorlopig) geluidscertificaat anders dan wegens verlies is vernieuwd, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het oorspronkelijke (voorlopige) geluidscertificaat binnen acht dagen na ontvangst van het vernieuwde (voorlopige) certificaat bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.

Artikel 3.19f

  • 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer:

    a. een ernstig vermoeden rijst dat niet meer aan de geluidseisen wordt voldaan;

    b. een ernstig vermoeden rijst dat de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat onderhouden;

    c. een ernstig vermoeden rijst dat met betrekking tot dat luchtvaartuig een wijziging is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd;

    d. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is geschorst of ingetrokken;

    e. een ernstig vermoeden rijst dat ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    f. een ernstig vermoeden rijst dat op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld; of

    g. de houder van het luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt.

  • 2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn vervallen.

  • 3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer:

    a. een wijziging met betrekking tot het luchtvaartuig is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd;

    b. het geluidscertificaat gedurende tenminste drie maanden is geschorst;

    c. ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, of

    d. op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld.

  • 4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig in, wanneer:

    a. het luchtvaartuig niet aan de geluidseisen voldoet ;

    b. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd, of

    c. het betrokken luchtvaartuig uit het register van Nederlandse burgerluchtvaartuigen dan wel uit het register van een staat of van een internationale organisatie als bedoeld in artikel 3.20 is uitgeschreven.

  • 5. De houder van het burgerluchtvaartuig waarvan het geluidscertificaat is geschorst of ingetrokken, levert op eerste vordering van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het geluidscertificaat binnen acht dagen in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

  • 6. Wanneer de schorsing wordt opgeheven doet Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het ingeleverde geluidscertificaat terstond wederom toekomen aan de houder van het betrokken burgerluchtvaartuig.

  • 7. Het eerste lid onder b tot en met g, het tweede, derde, vierde lid onder b en c, het vijfde en het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.

  • 8. Onverminderd het zevende lid wordt een (voorlopige) geluidsverklaring, afgegeven in aanvulling op een (voorlopig) geluidscertificaat, geschorst indien het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt geschorst, onderscheidenlijk ingetrokken, wanneer het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt ingetrokken.

E

Art. 3.20 komt te luiden:

Artikel 3.20

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van een internationale overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie typecertificaten, aanvullende typecertificaten, bewijzen van luchtwaardigheid of geluidscertificaten, die op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel 3.9, eerste lid, artikel 3.13, eerste lid, respectievelijk artikel 3.19b, eerste lid, gestelde eisen, zijn afgegeven door:

– de bevoegde autoriteit van een door hem bij ministeriële regeling aangewezen staat, of

– een door hem bij ministeriële regeling aangewezen internationale organisatie erkennen als geldig type-certificaat, aanvullend type-certificaat, bewijs van luchtwaardigheid of geluidscertificaat.

Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

F

Onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid worden in artikel 3.22 twee nieuwe leden ingevoegd die luiden:

  • 2. De houder van een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting ziet er op toe dat:

    a. het luchtvaartuig blijft voldoen aan de geldende geluidseisen, en

    b. het luchtvaartuig in de configuratie blijft waarvoor het geluidscertificaat of de geluidsverklaring is verleend.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan worden aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een afwijking van beperkte duur van het bepaalde in het tweede lid, onder b, is toegestaan.

G

Artikel 3.23 komt te luiden:

Artikel 3.23

Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot het in deze paragraaf bepaalde. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:

a. de aanvraag en de afgifte van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;

b. de wijziging en overdracht van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring, een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring en een bewijs van luchtwaardigheid en de verlenging van zulk een bewijs;

c. de procedure van aanvraag, wijziging, schorsing en intrekking van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;

d. de procedure van aanvraag, wijziging, verlenging, schorsing en intrekking van een bewijs van luchtwaardigheid;

e. hetgeen moet worden verstaan onder een ingrijpende wijziging als bedoeld in artikel 3.11, eerste lid;

f. het aan luchtvaartuigen te verrichten onderhoud;

g. de vernieuwing van een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;

h. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of overdracht van een type-certificaat, of van een aanvullend type-certificaat, en

i. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of vernieuwing van een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring, een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring en een bewijs van luchtwaardigheid of de verlenging van een bewijs van luchtwaardigheid, dan wel van zijn aanvraag om een ontheffing.

H

Artikel 3.24 komt te luiden:

Artikel 3.24

Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het model en de uitvoering van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring of een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring voor een burgerluchtvaartuig regels worden gesteld.

I

Artikel 3.25 wordt gewijzigd als volgt::

1. In het eerste lid wordt na «luchtwaardigheid» ingevoegd: of de geluidsproductie.

2. In het vierde lid wordt na «werkzaamheden»ingevoegd: verband houdende met de luchtwaardigheid van burgerluchtvaartuigen of onderdelen daarvan.

J

Artikel 3.29 wordt gewijzigd als volgt:

1. In onderdeel d vervalt «en».

2. Onderdeel e komt te luiden:

e. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, verlenging, vernieuwing of wijziging van een erkenning;

3. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

f. de vergoeding die de aanvrager verschuldigd is voor het verlenen van toestemming tot het verrichten van werkzaamheden zonder erkenning als bedoeld in artikel 3.25, derde lid en

g. het model en de uitvoering van de erkenningen.

K

Artikel 4.1 wordt gewijzigd als volgt:

Het derde en vierde lid komen te luiden:

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan aangegeven worden welke AOC's Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan afgeven alsmede de verplichtingen en bevoegdheden welke aan een AOC verbonden zijn.

  • 4. Aan een AOC kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden vluchten uit te voeren in strijd met de aan een AOC verbonden voorschriften of beperkingen.

L

Na artikel 4.7 wordt een nieuw artikel 4.8 toegevoegd dat komt te luiden:

Artikel 4.8

De gezagvoerder van een burgerluchtvaartuig is verplicht de bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat genoemde documenten mee te voeren.

M

Artikel 11.9, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel a, 3° komt te luiden:

3°. 3.1, 3.2, 3.5, vierde lid, 3.8, tweede lid, 3.16, derde lid, 3.19, eerste lid, 3.19a, 3.19b, vierde lid, 3.19c, vierde lid, 3.19e, tweede, derde en vierde lid, 3.19f, vijfde en zevende lid, 3.22, eerste en tweede lid, 3.25, vierde lid, 3.30, tweede lid;

2. In onderdeel a wordt een nieuw onderdeel 4° ingevoegd dat komt te luiden:

4°.: 4.8;

N

Artikel 11.10, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

In onderdeel c wordt «3.13, derde en vierde lid,» vervangen door: 3.13, vierde en vijfde lid.

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL II

De houder van een burgerluchtvaartuig waarvoor bij de inwerkingtreding van deze wet een bewijs van luchtwaardigheid of een ontheffing als bedoeld in artikel 3.21 is afgegeven, dient zijn aanvraag voor een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring of (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring in, tegelijkertijd met de eerstvolgende aanvraag tot afgifte of verlenging van het bewijs van luchtwaardigheid van dat luchtvaartuig, dan wel tot afgifte of verlenging van de ter zake verleende ontheffing.

ARTIKEL III

  • 1. Documenten omtrent de geluidsproductie van een burgerluchtvaartuig welke zijn afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet vervallen op de dag waarop ingevolge deze wet dat luchtvaartuig voorzien dient te zijn van een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring of een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.

  • 2. Een document dat is vervallen ingevolge het eerste lid wordt op eerste vordering van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat binnen acht dagen ingeleverd bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan alsmede voor daarbij aan te geven categorieën luchtvaartuigen verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 19 december 2002

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

R. H. de Boer

Uitgegeven de drieëntwintigste januari 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XNoot
1

Stb. 1999, 274, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 oktober 2002, Stb. 542.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 2001/2002, 2002–2003, 28 357.

Handelingen II 2002/2003, blz. 1621.

Kamerstukken I 2002/2003, 28 357 (79).

Handelingen I 2002/2003, zie vergadering d.d. 17 december 2002.

Naar boven