Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 1999, 525AMvB

Besluit van 6 december 1999, houdende wijziging van het koninklijk besluit van 9 augustus 1948 tot uitvoering van artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. I 362), alsmede van het koninklijk besluit van 6 september 1949 tot uitvoering van artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. J 418)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 november 1999, kenmerk DVVB/MB-U-2013970;

Gelet op artikel 12, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, alsmede op artikel 11, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers;

De Raad van State gehoord (advies van 25 november 1999, nummer W13.99.0555/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 november 1999, kenmerk DVVB/MB-U-2022657;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het koninklijk besluit van 9 augustus 1948 tot uitvoering van artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. I 362)1, wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De Staatsbladaanduidingen «(Stb. 1986, 575)», «(Stb. 1990, 324)» en «(Stb. 1990, 103)» vervallen.

2. De woorden «voorraadaftrek», «vermogensaftrek» worden vervangen door: «rentevrijstelling», «dividendvrijstelling».

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «vermeerderd met voorraad- en vermogensaftrek» vervangen door: vermeerderd met de vrijgestelde bedragen ingevolge de rentevrijstelling en de dividendvrijstelling.

2. In het tweede lid, onderdeel b, vervalt de Staatsbladaanduiding «(Stb. 1962, 287)».

3. Het tweede lid, onderdeel g, komt te luiden:

g. een door een gemeente in het kader van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing verstrekte bijdrage in de kosten ter verbetering van de woning.

ARTIKEL II

Het koninklijk besluit van 6 september 1949 tot uitvoering van artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. J 418)2, wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De Staatsbladaanduidingen «(Stb. 1986, 576)», «(Stb. 1990, 324)» en «(Stb. 1990, 103)» vervallen.

2. De woorden «voorraadaftrek», «vermogensaftrek» worden vervangen door: «rentevrijstelling», «dividendvrijstelling».

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «vermeerderd met voorraad- en vermogensaftrek» vervangen door: vermeerderd met de vrijgestelde bedragen ingevolge de rentevrijstelling en de dividendvrijstelling.

2. In het tweede lid, onderdeel b, vervalt de Staatsbladaanduiding «(Stb. 1962, 287)».

3. Het tweede lid, onderdeel g, komt te luiden:

g. een door een gemeente in het kader van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing verstrekte bijdrage in de kosten ter verbetering van de woning.

ARTIKEL III

De definitieve vaststelling van de inkomsten, bedoeld in artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, over de jaren 1997 tot en met 1999 geschiedt met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de koninklijke besluiten van 9 augustus 1948 tot uitvoering van artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. I 362) en van 6 september 1949 tot uitvoering van artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. J 418), zoals deze luidden tot aan de inwerkingtreding van dit besluit.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 6 december 1999

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Uitgegeven de veertiende december 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

In de koninklijke besluiten van 9 augustus 1948 tot uitvoering van artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. I 362; Wbp) en van 6 september 1949 tot uitvoering van artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. J 418; Wbpzo) zijn nadere regelen gesteld betreffende de inkomsten die voor verrekening met het buitengewoon pensioen in aanmerking komen.

Beide besluiten worden in het vervolg aangeduid als «kortingsbesluiten».

Als maatstaf voor de vaststelling van het bedrag van de met het buitengewoon pensioen verrekenbare inkomsten gold tot 1 november 1985 ingevolge artikel 2, eerste lid, van de kortingsbesluiten het «belastbare inkomen» in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wib 1964) vermeerderd met, voor zover voor het onderhavige besluit van belang, de fiscale aftrekposten «voorraadaftrek», «vermogensaftrek», «rentevrijstelling» en «dividendvrijstelling». De gedachte achter de bijtelling is, dat met deze fiscale aftrekposten slechts een inflatie-neutrale belastingheffing wordt beoogd en deze posten derhalve niet de hoogte van het reëel genoten inkomen beïnvloeden.

Met het besluit van 31 oktober 1985 (Stb. 650) zijn de artikelen 2, eerste lid, van de kortingsbesluiten in die zin gewijzigd dat ingaande 1 november 1985 als maatstaf voor de vaststelling van het bedrag van de met het buitengewoon pensioen te verrekenen inkomsten geldt het «onzuivere inkomen» in de zin van de Wib 1964. Aangezien bij de bepaling van het onzuivere inkomen de rente- en dividendvrijstelling buiten beschouwing bleven, zijn deze fiscale aftrekposten met ingang van voornoemde wijziging niet meer als een afzonderlijke vermeerdering in de artikelen 2, eerste lid, van de kortingsbesluiten opgenomen.

Bij de wet van 13 december 1996 (Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997, Stb. 655) zijn, met ingang van 1 januari 1997, de rentevrijstelling en dividendvrijstelling in de inkomstenbelasting om redenen van administratieve vereenvoudiging (kamerstukken II 1996/97, 25 051, nr. 3, pag. 32) opgenomen als negatief bestanddeel van het onzuivere inkomen. Als gevolg van deze wijziging wordt vanaf 1 januari 1997, overeenkomstig de letterlijke tekst van de artikelen 2, eerste lid, van de kortingsbesluiten, bij de bepaling van het te korten inkomen geen rekening gehouden met een bijtelling van de rente- en dividendvrijstelling. De wijziging in de fiscale wetgeving heeft dan ook in het kader van de Wbp en Wbpzo als onbedoeld effect dat dit leidt tot een vermindering van de op het buitengewoon pensioen te verrekenen inkomsten. De belanghebbende buitengewoon gepensioneerden genieten derhalve vanaf 1 januari 1997, naast het fiscale voordeel van de rente- en dividendvrijstelling in de zin van een verlichting van de belastingdruk, het extra voordeel van een hoger buitengewoon pensioen.

Teneinde dit onbedoelde effect te beëindigen en de op het buitengewoon pensioen te korten inkomsten weer in overeenstemming te brengen met de hieraan ten grondslag liggende gedachte, voorziet het onderhavige besluit erin dat de vrijgestelde bedragen ingevolge de rente- en dividendvrijstelling in de artikelen 2, eerste lid, van de kortingsbesluiten (evenals toen het belastbare inkomen de maatstaf was voor de verrekenbare inkomsten) als een vermeerdering worden opgenomen.

Bij de bepaling van het buitengewoon pensioen door de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) wordt het inkomen van een belanghebbende ingevolge de artikelen 12, zevende lid, van de Wbp en 11, achtste lid, van de Wbpzo eerst voorlopig geschat om pas na elk kalenderjaar definitief te worden vastgesteld. In het onderhavige besluit is met het oog hierop een overgangsbepaling (artikel III) opgenomen teneinde te voorkomen dat de betrokken buitengewoon gepensioneerden over de jaren 1997 tot en met 1999 met een schuldstelling worden geconfronteerd.

De financiële consequentie van de wijziging van de artikelen 2, eerste lid, van de kortingsbesluiten voor de rijksbegroting is, dat het betreffende onderdeel zal afnemen met f 2,9 miljoen in 2000, f 4,8 miljoen in 2001 en f 7 miljoen in de daaropvolgende jaren.

De PUR heeft de buitengewoon gepensioneerden inmiddels geïnformeerd over de aanpassing en de inwerkingtredingsdatum van het onderhavige besluit en de consequenties die dat voor het uit te betalen buitengewoon pensioen van deze belanghebbenden vanaf het pensioenjaar 2000 zal hebben.

In artikel 3a van de Wbp en artikel 2 van de Wbpzo is bepaald dat op krachtens deze wetten vast te stellen algemene maatregelen van bestuur een zogeheten «voorhangprocedure» van toepassing is. In dit kader is het onderhavige besluit op 21 september 1999 aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden en voorts in de Staatscourant van 28 september 1999, nr. 186, gepubliceerd. Binnen de daarvoor geldende termijn van vier weken na de dag van bekendmaking is geen reactie ontvangen waarin wensen en bedenkingen zijn geuit.

Waar het de in de Wib 1964 gehanteerde aftrekposten «voorraadaftrek» en «vermogensaftrek» betreft, verdient het vermelding dat beide posten inmiddels zijn komen te vervallen. De voorraadaftrek is reeds bij wet van 30 september 1986 (Stb. 478) per 1 oktober 1986 afgeschaft, terwijl de vermogensaftrek bij wet van 18 december 1997 (Stb. 736) per 1 januari 1998 is komen te vervallen. Met het onderhavige besluit wordt erin voorzien dat deze beide inmiddels vervallen fiscale aftrekposten niet meer in de artikelen 2, eerste lid, van de kortingsbesluiten als een vermeerdering worden vermeld.

Bij het besluit van 20 juni 1983 (Stb. 343) is aan artikel 2, tweede lid, van de kortingsbesluiten een onderdeel toegevoegd teneinde vast te leggen dat een door een bewoner ontvangen bijdrage ingevolge de Beschikking geldelijke steun verbetering particuliere woningen 1979/II in mindering wordt gebracht op de met het buitengewoon pensioen verrekenbare inkomsten. Deze beschikking is met de inwerkingtreding van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing reeds per 1 januari 1985 vervallen. Vanaf deze datum kan een gemeente op grond van de voornoemde wet aan bewoners van een huur- en eigen woning een bijdrage verstrekken in de kosten van de verbetering van een woning. Artikel 41 van de wet bepaalt dat een gemeente daartoe een verordening opstelt. Voor de nadere aanduiding van de term «verbetering» wordt, evenals in artikel 1, derde lid, onderdeel b, de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, verwezen naar hetgeen daaronder in de Woningwet wordt verstaan. Met de gewijzigde tekst van artikel 2, tweede lid, onderdeel g, worden de kortingsbesluiten op dit punt geactualiseerd.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om, in overeenstemming met aanwijzing 86 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, de staatsbladaanduidingen van wetten met een citeertitel te schrappen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers


XNoot
1

Stb. 1985, 651, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 december 1997, Stb. 796.

XNoot
2

Stb. 1985, 652, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 december 1997, Stb. 796.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.