Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 1997, 588AMvB

Besluit van 15 november 1997, houdende wijziging van het Inrichtingsbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o., het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. en enkele andere besluiten in verband met invoering van profielen in het voortgezet onderwijs (invoering profielen voortgezet onderwijs)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 2 juli 1997, nr. 1997/10858 (3695), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op artikel 15 van de Wet op het voortgezet onderwijs juncto artikel VI, onderdeel C, van de Wet van 2 juli 1997, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs), Stb. 322, de artikelen 22, derde lid, 29, 33, achtste en negende lid, 39c, achtste en negende lid, en 56a, van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel VI, onderdeel A, van de Wet van 2 juli 1997, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs), Stb. 322, en de artikelen 7.3.4, tweede lid, en 7.4.11, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Gezien het advies van de Onderwijsraad van 7 april 1997, nr. OR 970150/143;

De Raad van State gehoord (advies van 14 oktober 1997, nr. W05.97.0402);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 13 november 1997, nr. 1997/30229 (3695), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING INRICHTINGSBESLUIT V.W.O.-H.A.V.O.-M.A.V.O.-V.B.O.

In het Inrichtingsbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

In artikel 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In de begripsomschrijving van «Onze Minister» wordt «Onderwijs en Wetenschappen» vervangen door: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

2. Na de begripsbepaling van «school» worden ingevoegd:

profiel: het profiel, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet;

gemeenschappelijk deel: het in artikel 12, vierde lid, onderdeel a, van de wet bedoelde onderdeel van het profiel;

profieldeel: het in artikel 12, vierde lid, onderdeel b, van de wet bedoelde onderdeel van het profiel;

vrij deel: het in artikel 12, vierde lid, onderdeel c, van de wet bedoelde onderdeel van het profiel;

normatieve studielast: de normatieve studielast, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de wet;.

3. In de begripsomschrijving van «stage» wordt «artikel 22, derde lid, onderdeel h» vervangen door: artikel 22, derde lid, onderdeel b.

B

In artikel 21, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In de eerste volzin wordt na «ten behoeve van leerlingen» ingevoegd: in de eerste drie leerjaren.

2. In onderdeel a wordt «artikel 12a van de wet» vervangen door: artikel 16 van de wet.

C

Artikel 22 vervalt.

D

Artikel 23 wordt vervangen door:

Artikel 23. Minimum aantal lessen lichamelijke opvoeding v.w.o. en h.a.v.o.; minimum aantal lessen bepaalde vakken m.a.v.o.

  • 1. In alle leerjaren tezamen van een school voor v.w.o. of h.a.v.o. wordt in lichamelijke opvoeding ten minste een aantal lessen verzorgd, gelijk aan 400 respectievelijk 360 uren.

  • 2. In alle leerjaren tezamen van een school voor m.a.v.o. wordt in de vakken, vermeld in de onderstaande tabel, ten minste het daarbij aangegeven aantal lessen verzorgd, waarbij wordt uitgegaan van lessen van elk 50 minuten onderwijs:

    maatschappijleer80
    kunstvakken320
    lichamelijke opvoeding400
  • 3. Indien het onderwijs in een in het tweede lid genoemd vak wordt verzorgd in een geringer aantal minuten per lesuur dan 50, dient de totale tijd waarin onderwijs voor dat vak wordt verzorgd, niet te dalen beneden die welke in dat lid is voorgeschreven.

E

In artikel 26 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De adviesurentabellen voor gymnasium, atheneum en h.a.v.o. vervallen.

2. De adviesurentabel voor m.a.v.o. wordt vernummerd tot 1, de adviesurentabel voor v.b.o. wordt vernummerd tot 2.

F

Aan hoofdstuk III, paragraaf 3, worden zes nieuwe artikelen toegevoegd, luidend:

Artikel 26a. Normatieve studielast onderdelen profiel

  • 1. In het v.w.o. is de normatieve studielast van het gemeenschappelijk deel 1960 uren, van het profieldeel 1840 uren en van het vrije deel 1000 uren.

  • 2. In het h.a.v.o. is de normatieve studielast van het gemeenschappelijk deel 1480 uren, van het profieldeel 1160 uren en van het vrije deel 560 uren.

Artikel 26b. Inrichting profielen v.w.o.

  • 1. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het v.w.o. omvat de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    Nederlandse taal en letterkunde 480

    Engelse taal en letterkunde 400

    Franse taal en letterkunde 1 160

    Duitse taal en letterkunde 1 160

    algemene natuurwetenschappen 200

    geschiedenis en maatschappijleer 200

    culturele en kunstzinnige vorming 1 200

    lichamelijke opvoeding 1 160

  • 2. Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in het v.w.o. omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    wiskunde B1,2 760

    natuurkunde 1,2 560

    scheikunde 1,2 520

  • 3. Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in het v.w.o. omvat volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    wiskunde B1 600

    natuurkunde 1 360

    scheikunde 1 400

    biologie 1,2 480,

    met dien verstande dat de leerling de deelvakken wiskunde B1, natuurkunde 1 en scheikunde 1 mag vervangen door respectievelijk de vakken wiskunde B1,2, natuurkunde 1,2 en scheikunde 1,2.

  • 4. Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in het v.w.o. omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    economie 1,2 520

    wiskunde A1,2 600

    geschiedenis 360

    aardrijkskunde 360,

    met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A1,2 mag vervangen door het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2.

  • 5. Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het v.w.o. omvat de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    a. een van de volgende deelvakken, als combinatie met het overeenkomstige deelvak van het gemeenschappelijk deel:

    Franse taal en letterkunde 2 320

    Duitse taal en letterkunde 2 320,

    dan wel een van de volgende vakken:

    Spaanse taal en letterkunde 480

    Russische taal en letterkunde 480

    Italiaanse taal en letterkunde 480

    Arabische taal en letterkunde 480

    Turkse taal en letterkunde 480

    Friese taal en letterkunde 400

    Latijnse taal en letterkunde 480

    Griekse taal en letterkunde 480

    b. een onder a genoemd vak of deelvak, met de daarbij vermelde normatieve studielast, of filosofie met een normatieve studielast van 320 uren,

    c. de combinatie van het deelvak culturele en kunstzinnige vorming 2 met een normatieve studielast van 200 uren, met een van de volgende deelvakken:

    culturele en kunstzinnige vorming 3 (beeldende vormgeving) 280

    culturele en kunstzinnige vorming 3 (muziek) 280

    culturele en kunstzinnige vorming 3 (drama) 280

    culturele en kunstzinnige vorming 3 (dans) 280

    d. geschiedenis 360

    e. wiskunde A1 360,

    met dien verstande dat de leerling het deelvak wiskunde A1 mag vervangen door het vak wiskunde A1,2, het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2.

  • 6. De toepassing van het derde tot en met vijfde lid kan in afwijking van artikel 26a, eerste lid, leiden tot een grotere normatieve studielast van het profieldeel dan 1840 uren.

  • 7. Het vrije deel van elk profiel in het v.w.o. kan omvatten:

    a. vakken en deelvakken, genoemd in het tweede tot en met vijfde lid, met dien verstande dat indien het profiel het deelvak wiskunde A1 of het vak wiskunde A1,2 omvat, in combinatie met het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2, de normatieve studielast van het in het vrije deel gekozen vak of deelvak wiskunde wordt verminderd met 280 uren,

    b. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren, met dien verstande dat deze vakken slechts deel kunnen uitmaken van het vrije deel voorzover in de desbetreffende taal niet reeds in de periode van basisvorming onderwijs is gevolgd:

    Spaanse taal en letterkunde (elementair) 480

    Russische taal en letterkunde (elementair) 480

    Italiaanse taal en letterkunde (elementair) 480

    Arabische taal en letterkunde (elementair) 480

    Turkse taal en letterkunde (elementair) 480

    c. de volgende deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    biologie 1 160

    economie 1 280

    d. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    maatschappijleer 360

    management en organisatie 360

    informatica 280

    lichamelijke opvoeding 2 280

    e. klassieke culturele vorming met een normatieve studielast van 200 uren, met dien verstande dat dit vak in elk geval deel uitmaakt van het profiel indien Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, dan wel beide, deel uitmaken van het profiel, en

    f. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen.

  • 8. In afwijking van het eerste lid omvat het profiel in het gymnasium voor elke leerling het vak klassieke culturele vorming in plaats van het deelvak culturele en kunstzinnige vorming 1. Dit laatste deelvak kan in het gymnasium behoren tot het vrije deel. Het profiel in het gymnasium omvat bovendien voor elke leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, dan wel beide, elk met een normatieve studielast van 480 uren. Het bevoegd gezag richt het onderwijs zodanig in, dat de leerling voldoet aan de verplichtingen van het eerste tot en met zevende lid, in samenhang met die voortvloeiende uit artikel 26a, eerste lid, en daarenboven onderwijs volgt met een normatieve studielast van 480 uren.

Artikel 26c. Inrichting profielen h.a.v.o.

  • 1. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het h.a.v.o. omvat de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    Nederlandse taal en letterkunde 400

    Engelse taal en letterkunde 360

    Franse, Duitse, Spaanse, Russische, Italiaanse, Arabische, Turkse of Friese taal en letterkunde 1 160

    algemene natuurwetenschappen 160

    geschiedenis en maatschappijleer 160

    culturele en kunstzinnige vorming 1 120

    lichamelijke opvoeding 1 120

  • 2. Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in het h.a.v.o. omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    wiskunde B1,2 440

    natuurkunde 1,2 440

    scheikunde 280

  • 3. Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in het h.a.v.o. omvat de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    wiskunde B1 320

    natuurkunde 1 240

    scheikunde 280

    biologie 320,

    met dien verstande dat de leerling de deelvakken wiskunde B1 en natuurkunde 1 mag vervangen door respectievelijk het vak wiskunde B1,2 en het vak natuurkunde 1,2.

  • 4. Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in het h.a.v.o. omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    economie 1,2 440

    wiskunde A1,2 280

    geschiedenis 240

    aardrijkskunde 200,

    met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A1,2 mag vervangen door het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2.

  • 5. Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het h.a.v.o. omvat de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    a. een van de volgende deelvakken, als combinatie met het overeenkomstige deelvak uit het gemeenschappelijk deel:

    Franse, Duitse, Spaanse, Russische, Italiaanse, Arabische, Turkse en Friese taal en letterkunde 2 200,

    dan wel een van de volgende vakken:

    Franse, Duitse, Spaanse, Russische, Italiaanse, Arabische, Turkse en Friese taal en letterkunde 1,2 360

    b. de combinatie van het deelvak culturele en kunstzinnige vorming 2 met een normatieve studielast van 120 uren, met een van de volgende deelvakken:

    culturele en kunstzinnige vorming 3 (beeldende vormgeving) 240

    culturele en kunstzinnige vorming 3 (muziek) 240

    culturele en kunstzinnige vorming 3 (drama) 240

    culturele en kunstzinnige vorming 3 (dans) 240

    c. geschiedenis 240

    d. economie 1 200

    e. wiskunde A1 160,

    met dien verstande dat de leerling het deelvak economie 1 mag vervangen door het vak economie 1,2 en het deelvak wiskunde A1 mag vervangen door het vak wiskunde A1,2, het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2.

  • 6. De toepassing van het derde tot en met vijfde lid kan in afwijking van artikel 26a, tweede lid, leiden tot een grotere normatieve studielast van het profieldeel dan 1160 uren.

  • 7. Het vrije deel van elk profiel in het h.a.v.o. kan omvatten:

    a. vakken en deelvakken, genoemd in het tweede tot en met vijfde lid, met dien verstande dat indien het profiel het deelvak wiskunde A1 of het vak wiskunde A1,2 omvat, in combinatie met het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2, de normatieve studielast van het in het vrije deel gekozen vak of deelvak wiskunde wordt verminderd met 160 uren,

    b. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren, met dien verstande dat deze vakken slechts deel kunnen uitmaken van het vrije deel voorzover in de desbetreffende taal niet reeds in de periode van basisvorming onderwijs is gevolgd:

    Spaanse taal en letterkunde (elementair) 360

    Russische taal en letterkunde (elementair) 360

    Italiaanse taal en letterkunde (elementair) 360

    Arabische taal en letterkunde (elementair) 360

    Turkse taal en letterkunde (elementair) 360

    c. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    maatschappijleer 200

    filosofie 360

    management en organisatie 280

    informatica 240

    lichamelijke opvoeding 2 240

    d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen,

    e. de volgende deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    Franse, Duitse, Spaanse, Russische, Italiaanse, Arabische, Turkse of Friese taal en letterkunde 1 160, en

    f. vakken en deelvakken, genoemd in artikel 26b, voorzover zij niet geheel of gedeeltelijk inhoudelijk overeenkomen met een van de andere vakken en deelvakken die het profiel omvat.

Artikel 26d. Nadere voorschriften vrij deel

  • 1. Door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen van het vrije deel, behoudens godsdienstonderwijs aan bijzondere scholen, hebben een normatieve studielast van 40 uren of een geheel veelvoud daarvan. Het bevoegd gezag kan, indien de aard van het desbetreffende andere programma-onderdeel daartoe noodzaakt, de studielast van dat andere programma-onderdeel in afwijking van de eerste volzin vaststellen op een kleiner aantal dan 40 uren.

  • 2. Indien het bevoegd gezag bij de vaststelling van vakken en andere programma-onderdelen andere instellingen of deskundige personen van buiten de school betrekt, kan het onderwijs in die vakken en andere programma-onderdelen, onverminderd de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor het onderwijs aan de school, mede worden verzorgd door die andere instellingen of deskundige personen. Daarbij stelt het bevoegd gezag als voorwaarde dat die instellingen of deskundige personen voldoen aan de met betrekking tot hun geldende wettelijke voorschriften en voorzover die voorschriften ontbreken, aan de binnen de beroepsgroep algemeen erkende normen. Artikel 33, eerste lid, van de wet is ten aanzien van degenen die dit onderwijs verzorgen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat als bewijs van bekwaamheid en bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding geldt een kwalificatie die, gelet op de eerste en tweede volzin, passend is. Het bevoegd gezag stelt de inspectie in kennis van de kwalificatie.

Artikel 26e. Vrijstellingen in periode voorbereidend hoger onderwijs v.w.o. en h.a.v.o.

  • 1. Het bevoegd gezag van een school voor v.w.o. of h.a.v.o. kan een leerling, na overleg met de leerling en, indien de leerling minderjarig is, met diens ouders, voogden of verzorgers, vrijstelling verlenen van het volgen van het onderwijs in het deelvak lichamelijke opvoeding 1 indien de leerling vanwege diens lichamelijke gesteldheid niet in staat is dit onderwijs te volgen. Het bevoegd gezag geeft de inspectie kennis van de verleende vrijstelling en vermeldt daarbij de gronden waarop deze vrijstelling berust.

  • 2. De leerling van een school voor v.w.o. die in het bezit is van het diploma h.a.v.o. is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in de volgende vakken van het gemeenschappelijk deel: algemene natuurwetenschappen, geschiedenis en maatschappijleer. Indien het betreft het atheneum is deze leerling tevens vrijgesteld van het volgen van onderwijs in het deelvak culturele en kunstzinnige vorming 1.

  • 3. Het bevoegd gezag van een school voor v.w.o. kan een leerling op diens verzoek, of indien de leerling minderjarig is, op verzoek van zijn ouders, voogden of verzorgers, vrijstellen van het volgen van onderwijs in de deelvakken Franse taal en letterkunde 1 of Duitse taal en letterkunde 1, genoemd in artikel 26b, eerste lid, of van beide, in de volgende gevallen:

    a. de leerling werd in de eerste drie leerjaren met toepassing van artikel 21, tweede lid, vrijgesteld van het volgen van onderwijs in de vakken Franse taal of Duitse taal, respectievelijk van het volgen van onderwijs in beide;

    b. de leerling is voor de eerste maal tot een school voor v.w.o. toegelaten, is geplaatst in een hoger leerjaar dan het derde en heeft voordien buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs gevolgd en daarbij geen of te weinig onderwijs in het overeenkomstige vak, respectievelijk in de overeenkomstige vakken, gevolgd;

    c. de leerling is in het bezit van het diploma h.a.v.o. en werd met toepassing van het vierde lid vrijgesteld van het volgen van onderwijs in het deelvak moderne taal en letterkunde 1.

  • 4. Het bevoegd gezag van een school voor h.a.v.o. kan een leerling op diens verzoek, of indien de leerling minderjarig is, op verzoek van zijn ouders, voogden of verzorgers, vrijstellen van het volgen van onderwijs in het deelvak moderne taal en letterkunde 1, genoemd in artikel 26c, eerste lid, in de volgende gevallen:

    a. de leerling werd in de eerste drie leerjaren met toepassing van artikel 21, tweede lid, vrijgesteld van het volgen van onderwijs in de beide vakken Franse taal en Duitse taal;

    b. de leerling is voor de eerste maal tot een school voor h.a.v.o. toegelaten, is geplaatst in een hoger leerjaar dan het derde en heeft voordien buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs gevolgd en daarbij geen of te weinig onderwijs in het overeenkomstige vak gevolgd;

    c. de leerling is in het bezit van het diploma m.a.v.o. en werd met toepassing van artikel 11e, eerste lid, van de wet vrijgesteld van het volgen van het onderwijs in een tweede moderne taal.

  • 5. Het bevoegd gezag kan de in het derde of vierde lid bedoelde vrijstelling in bijzondere gevallen ook verlenen aan een leerling die niet voldoet aan een van de in die leden genoemde voorwaarden. De vrijstelling behoeft de goedkeuring van de inspectie.

  • 6. Het bevoegd gezag bepaalt in de in het derde, vierde en vijfde lid genoemde gevallen welk onderwijs voor de leerling in de plaats komt van het onderwijs waarvoor vrijstelling is verleend, met dien verstande dat het vervangende onderwijs ten minste dezelfde normatieve studielast heeft als het onderwijs waarvoor vrijstelling is verleend, en betrekking heeft op taal en letterkunde. Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat dit laatste niet mogelijk is of ondoelmatig is, stelt het de inspectie daarvan in kennis. Daarbij doet het bevoegd gezag een voorstel voor een andere vervanging. Deze vervanging behoeft de goedkeuring van de inspectie.

Artikel 26f. Geringere omvang in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma in laatste leerjaar v.w.o. en h.a.v.o.

Het in schooltijd verzorgde onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de wet omvat in het laatste leerjaar van het v.w.o. en h.a.v.o. een aantal van ten minste 700 uren onderwijs.

G

Artikel 38 vervalt.

H

In artikel 39 vervallen het tweede lid en de aanduiding van het eerste lid.

I

Artikel 40 wordt vervangen door:

Artikel 40. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Inrichtingsbesluit W.V.O.

J

In de inhoudsopgave worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De aanduiding van artikel 23 wordt vervangen door:

Artikel 23. Minimum aantal lessen lichamelijke opvoeding v.w.o. en h.a.v.o.; minimum aantal lessen bepaalde vakken m.a.v.o.

2. In hoofdstuk III worden aan paragraaf 3 de volgende aanduidingen toegevoegd:

Artikel 26a. Normatieve studielast onderdelen profiel

Artikel 26b. Inrichting profielen v.w.o.

Artikel 26c. Inrichting profielen h.a.v.o.

Artikel 26d. Nadere voorschriften vrij deel

Artikel 26e. Vrijstellingen in periode voorbereidend hoger onderwijs v.w.o. en h.a.v.o.

Artikel 26f. Geringere omvang in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma in laatste leerjaar v.w.o. en h.a.v.o.

3. De aanduiding van artikel 38 vervalt.

ARTIKEL II. WIJZIGING EINDEXAMENBESLUIT V.W.O.-H.A.V.O.-M.A.V.O.-V.B.O.

In het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

In artikel 1, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Na de begripsbepaling onder t worden onder verlettering van de onderdelen u tot en met y tot respectievelijk x tot en met bb de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

u. vakken: wat het v.w.o. en het h.a.v.o. betreft, vakken, deelvakken en andere programma-onderdelen;

v. profielwerkstuk: het in artikel 4 bedoelde profielwerkstuk;

w. toets: een toets met schriftelijke of mondelinge vragen en opdrachten, of een praktische opdracht;.

2. Onderdeel aa wordt vervangen door:

aa. herkansing: het opnieuw dan wel alsnog deelnemen aan een toets van het centraal examen of het schoolexamen;.

B

In artikel 2, eerste lid, wordt «voorbereidend beroepsonderwijs» vervangen door: v.b.o.

C

Artikel 4 wordt vervangen door:

Artikel 4. Indeling eindexamen; profielwerkstuk

  • 1. Het eindexamen kan voor ieder vak bestaan uit een schoolexamen, uit een centraal examen dan wel uit beide.

  • 2. Het schoolexamen v.w.o. en h.a.v.o. omvat mede een profielwerkstuk. Het profielwerkstuk is een werkstuk, een presentatie daaronder begrepen, waarin op geïntegreerde wijze kennis, inzicht en vaardigheden aan de orde komen die van betekenis zijn in het desbetreffende profiel.

  • 3. Het profielwerkstuk heeft betrekking op ten minste twee vakken, twee deelvakken of een vak en een deelvak. Deze vakken en deelvakken behoren tot het desbetreffende profieldeel, met dien verstande dat indien het betreft het profiel cultuur en maatschappij, tot deze vakken en deelvakken tevens worden gerekend Nederlandse taal en letterkunde en Engelse taal en letterkunde uit het gemeenschappelijk deel.

D

In artikel 5 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De laatste volzin van het derde lid wordt vervangen door: De schriftelijke mededeling wordt tegelijkertijd in afschrift toegezonden aan de inspectie en aan de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat, indien deze minderjarig is.

2. De laatste volzin van het vierde lid wordt vervangen door: De commissie deelt haar beslissing schriftelijk mede aan de kandidaat, aan de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat indien deze minderjarig is, aan de directeur en aan de inspectie.

E

In de artikelen 5, tweede lid, onder a, b en c, 8, derde lid, 32, eerste lid, 34, 35, opschrift en eerste lid, 38, tweede lid, 45, derde lid, 47, tweede en derde lid, 53, vierde lid, en 56, onder b, wordt «schoolonderzoek» vervangen door: schoolexamen.

F

Artikel 7, eerste lid, wordt vervangen door:

  • 1. Onze Minister stelt, behalve voor door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen die onderdeel zijn van het eindexamen, voor elk van de onderwijssoorten examenprogramma's vast, waarin zijn opgenomen:

    a. een omschrijving van de examenstof voor ieder eindexamenvak,

    b. welk deel van de examenstof centraal zal worden geëxamineerd en over welke examenstof het schoolexamen zich uitstrekt, en

    c. het aantal en de tijdsduur van de toetsen van het centraal examen.

    Tevens kunnen in een examenprogramma zijn opgenomen voorschriften betreffende de aard, de omvang, het aantal, de beoordeling en de weging van de onderdelen van het schoolexamen.

G

In artikel 8 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het eerste en tweede lid worden vervangen door:

  • 1. De kandidaten kiezen, met inachtneming van dit hoofdstuk, in welke vakken zij examen willen afleggen. Voor leerlingen geldt deze keuze voorzover het bevoegd gezag, al dan niet in samenwerking met het bevoegd gezag van een of meer andere scholen, hen in de gelegenheid heeft gesteld zich op het examen in die vakken voor te bereiden. Voor wie niet als leerling is ingeschreven geldt deze keuze voorzover het bevoegd gezag hen tot het examen in die vakken toelaat.

  • 2. De kandidaten kunnen voorzover het bevoegd gezag hun dat toestaat, in meer vakken examen afleggen dan in de vakken die ten minste tezamen een eindexamen vormen.

2. In het vierde lid vervallen de woorden «het bepaalde in» en «v.w.o., h.a.v.o. of».

3. Het vijfde lid wordt vervangen door:

  • 5. In afwijking van het eerste lid dient de kandidaat die eindexamen m.a.v.o. aflegt, ten minste twee vakken te kiezen die niet een moderne taal zijn.

H

In artikel 9, eerste lid, wordt «dagscholen» vervangen door: scholen.

I

In artikel 10 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt «v.w.o., h.a.v.o.,».

2. De onderdelen a en b vervallen, onder verlettering van de onderdelen c en d tot respectievelijk a en b.

J

De artikelen 11 tot en met 13 worden vervangen door:

Artikel 11. Eindexamen v.w.o. (atheneum)

  • 1. Het eindexamen v.w.o. (atheneum) omvat:

    a. de vakken en deelvakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 26b, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., met dien verstande dat voor de bepaling van de eindcijfers de onderdelen letterkunde van alle afzonderlijke moderne talen in het profiel tezamen als vak van het gemeenschappelijk deel worden aangemerkt,

    b. de vakken en deelvakken van het profieldeel van een van de profielen, genoemd in artikel 26b, tweede tot en met vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., waaronder tevens begrepen een profielwerkstuk, en

    c. vakken, deelvakken en andere programma-onderdelen van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 26b, zevende lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., die tezamen overeenkomen met een normatieve studielast van ten minste 480 uren zoals geldend voor de scholen voor v.w.o., met dien verstande dat door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen onderdeel zijn van het eindexamen uitsluitend voorzover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.

  • 2. Indien voor de kandidaat het profieldeel een normatieve studielast heeft van meer dan 1840 uren, wordt het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde getal van 480 uren met het meerdere verlaagd.

  • 3. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor v.w.o., bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken en deelvakken van het gemeenschappelijk deel voor welke hij werd vrijgesteld van het volgen van onderwijs op grond van artikel 26e, eerste tot en met derde lid, of vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

  • 4. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, bij het eindexamen vrijgesteld van de deelvakken culturele en kunstzinnige vorming 1 en lichamelijke opvoeding 1 van het gemeenschappelijk deel.

  • 5. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, en in het bezit is van het diploma h.a.v.o., bij het eindexamen vrijgesteld van de volgende vakken van het gemeenschappelijk deel: algemene natuurwetenschappen, geschiedenis en maatschappijleer.

  • 6. In afwijking van het eerste lid kan de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, op zijn verzoek bij het eindexamen worden vrijgesteld van de deelvakken Franse taal en letterkunde 1 of Duitse taal en letterkunde 1 van het gemeenschappelijk deel of van beide, in de volgende gevallen:

    a. de kandidaat heeft eerder in Nederland onderwijs op een school voor voortgezet onderwijs gevolgd en werd daarbij vrijgesteld van het volgen van onderwijs in een tweede moderne taal op grond van artikel 11e, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of van het volgen van onderwijs in Franse taal en letterkunde of Duitse taal en letterkunde of beide, op grond van artikel 21, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. of artikel 26e, derde of vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., of van het volgen van onderwijs in moderne taal en letterkunde 1 op grond van artikel 26e, vierde of vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., of

    b. de kandidaat heeft voordien buiten Nederland onderwijs gevolgd en daarbij geen of te weinig onderwijs in het overeenkomstige vak gevolgd.

  • 7. De inspectie kan in bijzondere gevallen goedkeuren dat de in het zesde lid bedoelde vrijstelling wordt verleend aan een kandidaat die niet voldoet aan de in dat lid onder a of b genoemde voorwaarde.

  • 8. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goedkeuring kan worden verleend.

Artikel 12. Eindexamen v.w.o. (gymnasium)

  • 1. Het eindexamen v.w.o. (gymnasium) omvat:

    a. de vakken en deelvakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 26b, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., met inachtneming van artikel 26b, achtste lid, eerste volzin, en met dien verstande dat voor de bepaling van de eindcijfers de onderdelen letterkunde van alle afzonderlijke moderne talen in het profiel tezamen als vak van het gemeenschappelijk deel worden aangemerkt,

    b. de vakken en deelvakken van het profieldeel van een van de profielen, genoemd in artikel 26b, tweede tot en met vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., waaronder tevens begrepen een profielwerkstuk, en

    c. vakken, deelvakken en andere programma-onderdelen van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 26b, zevende lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., die tezamen overeenkomen met een normatieve studielast van ten minste 960 uren zoals geldend voor de scholen voor v.w.o., met dien verstande dat door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen onderdeel zijn van het eindexamen uitsluitend voorzover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.

  • 2. Het eindexamen v.w.o. (gymnasium) omvat in elk geval het vak Latijnse taal en letterkunde of het vak Griekse taal en letterkunde. Het kan beide vakken omvatten.

  • 3. Indien voor de kandidaat het profieldeel een normatieve studielast heeft van meer dan 1840 uren, wordt het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde getal van 960 uren met het meerdere verlaagd.

  • 4. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor v.w.o., bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken en deelvakken van het gemeenschappelijk deel voor welke hij werd vrijgesteld van het volgen van onderwijs op grond van artikel 26e, eerste tot en met derde lid, of vijfde lid van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

  • 5. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, bij het eindexamen vrijgesteld van het deelvak lichamelijke opvoeding 1 van het gemeenschappelijk deel.

  • 6. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, en die in het bezit is van het diploma h.a.v.o., bij het eindexamen vrijgesteld van de volgende vakken van het gemeenschappelijk deel: algemene natuurwetenschappen, geschiedenis en maatschappijleer.

  • 7. In afwijking van het eerste lid kan de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, op zijn verzoek bij het eindexamen worden vrijgesteld van de deelvakken Franse taal en letterkunde 1 of Duitse taal en letterkunde 1 van het gemeenschappelijk deel, of van beide, in de volgende gevallen:

    a. de kandidaat heeft eerder in Nederland onderwijs op een school voor voortgezet onderwijs gevolgd en werd daarbij vrijgesteld van het volgen van onderwijs in een tweede moderne taal op grond van artikel 11e, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of van het volgen van onderwijs in Franse taal en letterkunde of Duitse taal en letterkunde of beide, op grond van artikel 21, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. of artikel 26e, derde of vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., of van het volgen van onderwijs in moderne taal en letterkunde 1 op grond van artikel 26e, vierde of vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., of

    b. de kandidaat heeft voordien buiten Nederland onderwijs gevolgd en daarbij geen of te weinig onderwijs in het overeenkomstige vak gevolgd.

  • 8. De inspectie kan in bijzondere gevallen goedkeuren dat de in het zevende lid bedoelde vrijstelling wordt verleend aan een kandidaat die niet voldoet aan de in dat lid onder a of b genoemde voorwaarde.

  • 9. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goedkeuring kan worden verleend.

Artikel 13. Eindexamen h.a.v.o.

  • 1. Het eindexamen h.a.v.o. omvat:

    a. de vakken en deelvakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 26c, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., met dien verstande dat voor de bepaling van de eindcijfers de onderdelen letterkunde van alle afzonderlijke moderne talen in het profiel tezamen als vak van het gemeenschappelijk deel worden aangemerkt,

    b. de vakken en deelvakken van het profieldeel van een van de profielen, genoemd in artikel 26c, tweede tot en met vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., waaronder tevens begrepen een profielwerkstuk, en

    c. vakken, deelvakken en andere programma-onderdelen van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 26c, zevende lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., die tezamen overeenkomen met een normatieve studielast van ten minste 320 uren zoals geldend voor de scholen voor h.a.v.o., met dien verstande dat door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen onderdeel zijn van het eindexamen uitsluitend voorzover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.

  • 2. Indien voor de kandidaat het profieldeel een normatieve studielast heeft van meer dan 1160 uren, wordt het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde getal van 320 uren met het meerdere verlaagd.

  • 3. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor h.a.v.o., bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken en deelvakken van het gemeenschappelijk deel voor welke hij werd vrijgesteld van het volgen van onderwijs op grond van artikel 26e, eerste, vierde of vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

  • 4. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, bij het eindexamen vrijgesteld van de deelvakken culturele en kunstzinnige vorming 1 en lichamelijke opvoeding 1 van het gemeenschappelijk deel.

  • 5. In afwijking van het eerste lid kan de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs op zijn verzoek bij het eindexamen worden vrijgesteld van het deelvak moderne taal en letterkunde 1 van het gemeenschappelijk deel in de volgende gevallen:

    a. de kandidaat heeft eerder in Nederland onderwijs op een school voor voortgezet onderwijs gevolgd en werd daarbij vrijgesteld van het volgen van onderwijs in een tweede moderne taal op grond van artikel 11e, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of van het volgen van onderwijs in Franse taal en letterkunde en Duitse taal en letterkunde op grond van artikel 21, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., of van het volgen van onderwijs in moderne taal en letterkunde 1 op grond van artikel 26e, vierde of vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., of

    b. de kandidaat heeft voordien buiten Nederland onderwijs gevolgd en daarbij geen of te weinig onderwijs in het overeenkomstige vak gevolgd.

  • 6. De inspectie kan in bijzondere gevallen goedkeuren dat de in het vijfde lid bedoelde vrijstelling wordt verleend aan een kandidaat die niet voldoet aan de in dat lid onder a of b genoemde voorwaarde.

  • 7. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goedkeuring kan worden verleend.

K

De artikelen 14 tot en met 16 en 20 tot en met 21a vervallen.

L

In de artikelen 22 en 29b, tweede lid, onderdeel d, wordt «artikel 10, onderdeel c» vervangen door: artikel 10, onderdeel a.

M

In de artikelen 23 tot en met 29b, tweede lid, onderdeel c, wordt «artikel 10, onderdeel d» telkens vervangen door: artikel 10, onderdeel b.

N

Artikel 31 wordt vervangen door:

Artikel 31. Examenreglement en programma van toetsing en afsluiting

  • 1. Het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs, respectievelijk de examencommissie v.a.v.o., stelt een examenreglement vast. Het examenreglement bevat in elk geval informatie over de maatregelen, bedoeld in artikel 5, en de toepassing daarvan, alsmede regels met betrekking tot de organisatie van het eindexamen, de gang van zaken tijdens het eindexamen, en wat scholen voor voortgezet onderwijs betreft, de samenstelling en het adres van de in artikel 5 bedoelde commissie van beroep.

  • 2. Het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs, respectievelijk de examencommissie v.a.v.o., stelt jaarlijks voor 1 oktober een programma van toetsing en afsluiting vast, dat in elk geval betrekking heeft op het desbetreffende schooljaar. In het programma wordt in elk geval aangegeven welke onderdelen van het examenprogramma in het schoolexamen worden getoetst, de inhoud van de onderdelen van het schoolexamen, de wijze waarop het schoolexamen plaatsvindt, de herkansing van het schoolexamen, het herexamen van het schoolexamen, alsmede de regels voor de wijze waarop het cijfer voor het schoolexamen voor een kandidaat tot stand komt.

  • 3. Het examenreglement en het programma van toetsing en afsluiting worden door de directeur voor 1 oktober toegezonden aan de inspectie en verstrekt aan de kandidaten.

O

In hoofdstuk III wordt het opschrift van Afdeling 2 vervangen door:

AFDELING 2. SCHOOLEXAMEN.

P

In artikel 32 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift wordt «Schoolonderzoek» vervangen door: Schoolexamen.

2. Het tweede en derde lid worden vervangen door:

  • 2. Het bevoegd gezag bepaalt het tijdstip waarop het schoolexamen aanvangt. Het schoolexamen v.w.o., h.a.v.o. en m.a.v.o. wordt afgesloten voor de aanvang van het centraal examen. Het schoolexamen v.b.o. in een vak waarin de kandidaat tevens centraal examen zal afleggen, wordt afgesloten voor de aanvang van het centraal examen.

  • 3. Het schoolexamen v.w.o. in de deelvakken Franse taal en letterkunde 1 en Duitse taal en letterkunde 1 wordt afgesloten in het zesde leerjaar.

Q

Artikel 33 wordt vervangen door:

Artikel 33. Mededeling cijfers schoolexamen

  • 1. Voor de aanvang van het centraal examen v.w.o., h.a.v.o. of m.a.v.o. maakt de directeur aan de kandidaat bekend, voorzover van toepassing:

    a. welke cijfers hij heeft behaald voor het schoolexamen,

    b. de beoordeling van de vakken waarvoor geen cijfer wordt vastgesteld, en

    c. de beoordeling van het profielwerkstuk.

  • 2. Voor de aanvang van het centraal examen v.b.o. maakt de directeur aan de kandidaat bekend welke cijfers hij heeft behaald voor het schoolexamen in de vakken waarin hij tevens centraal examen zal afleggen.

R

In het opschrift van artikel 34 wordt «Schoolonderzoek» vervangen door: Schoolexamen.

S

Aan artikel 35 worden een derde tot en met vijfde lid toegevoegd, luidend:

  • 3. In afwijking van het eerste lid, worden het deelvak culturele en kunstzinnige vorming 1 en het deelvak lichamelijke opvoeding 1 uit het gemeenschappelijk deel van elk profiel, beoordeeld met «voldoende» of «goed». Deze beoordeling gaat uit van de mogelijkheden van de leerling en geschiedt op de grondslag van het genoegzaam afsluiten van de desbetreffende deelvakken, zoals blijkend uit het examendossier.

  • 4. In afwijking van het eerste lid wordt het profielwerkstuk beoordeeld met «voldoende» of «goed». Deze beoordeling geschiedt op de grondslag van het genoegzaam voltooien van het profielwerkstuk, zoals blijkend uit het examendossier.

  • 5. De artikelen 35a en 35b zijn niet van toepassing op de in het derde en vierde lid genoemde gevallen.

T

Aan hoofdstuk III, afdeling 2, worden drie nieuwe artikelen toegevoegd, luidend:

Artikel 35a. Herkansing toetsen schoolexamen v.w.o. en h.a.v.o.

  • 1. De kandidaat die eindexamen v.w.o. of h.a.v.o. aflegt, heeft met inachtneming van het tweede lid het recht om opnieuw dan wel alsnog deel te nemen aan toetsen van het schoolexamen die worden beoordeeld door middel van een cijfer, indien hij voor de desbetreffende toets een cijfer heeft behaald lager dan 6, dan wel door ziekte of ten gevolge van een bijzondere, van zijn wil onafhankelijke omstandigheid niet in staat is geweest aan de desbetreffende toets deel te nemen.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt regels vast voor de toepassing van het eerste lid, waaronder in elk geval regels over het aantal malen dat aldus opnieuw dan wel alsnog aan een toets mag worden deelgenomen, met dien verstande dat dit aantal malen ten hoogste twee is. Het totale aantal malen dat aldus opnieuw dan wel alsnog aan een of meer toetsen mag worden deelgenomen is:

    a. ten minste het aantal toetsen van het schoolexamen die worden beoordeeld door middel van een cijfer, gedeeld door tien, en

    b. ten hoogste het aantal toetsen van het schoolexamen die worden beoordeeld door middel van een cijfer, gedeeld door vier.

  • 3. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag het aantal malen dat opnieuw dan wel alsnog aan een of meer toetsen van het schoolexamen mag worden deelgenomen, vaststellen op een hoger aantal dan volgt uit de berekening in het tweede lid, onder b. Het bevoegd gezag stelt de inspectie daarvan in kennis, onder mededeling van de bijzondere redenen voor de verhoging.

  • 4. De uitkomsten van de in het tweede lid genoemde delingen worden afgerond op het naasthogere gehele getal.

  • 5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de kandidaat die deeleindexamen v.w.o. of h.a.v.o. aflegt. Het bevoegd gezag stelt regels vast voor de toepassing van het eerste lid, met dien verstande dat per vak of deelvak aan één toets eenmaal opnieuw dan wel alsnog mag worden deelgenomen. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag toestaan dat wordt afgeweken van de tweede volzin. Het bevoegd gezag stelt de inspectie daarvan in kennis.

  • 6. Het hoogste van de cijfers behaald bij de herkansing en bij de eerder afgelegde toets van het schoolexamen geldt als definitief cijfer voor die toets.

Artikel 35b. Herexamen schoolexamen v.w.o. en h.a.v.o.

  • 1. Onverminderd artikel 35a, eerste lid, kan de kandidaat die eindexamen v.w.o. of h.a.v.o. aflegt, voor één vak waarin alleen een schoolexamen wordt afgelegd, dat schoolexamen opnieuw afleggen, indien hij voor dat vak een eindcijfer heeft behaald lager dan 6. Het herexamen omvat door het bevoegd gezag aangegeven onderdelen van het examenprogramma.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt vast hoe het cijfer van het herexamen wordt bepaald, waarbij de cijfers van die toetsen van het eerder afgelegde schoolexamen worden betrokken die betrekking hadden op niet tot het herexamen behorende onderdelen van het examenprogramma.

  • 3. Het hoogste van de cijfers behaald bij het herexamen in een vak en bij het eerder afgelegde schoolexamen in dat vak geldt als eindcijfer voor dat vak.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de kandidaat die deeleindexamen aflegt.

Artikel 35c. Examendossier v.w.o. en h.a.v.o.

Het schoolexamen voor het v.w.o. en het h.a.v.o. bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het schoolexamen zoals gedocumenteerd in een door het bevoegd gezag gekozen vorm.

U

Artikel 37 wordt vervangen door:

Artikel 37. Tijdvakken en afneming centraal examen

  • 1. Het centraal examen voor de scholen voor voortgezet onderwijs wordt afgenomen in het laatste leerjaar.

  • 2. Het centraal examen voor de scholen kent drie tijdvakken: het eerste, het tweede en het derde tijdvak.

V

Artikel 46 vervalt.

W

In artikel 48 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid vervallen de woorden «het bepaalde in».

2. In het tweede lid vervalt «als bedoeld in de artikelen 11 tot en met 29a».

X

Artikel 49 wordt vervangen door:

Artikel 49. Uitslag

  • 1. De kandidaat die eindexamen heeft afgelegd aan een school voor m.a.v.o. of voor v.b.o. en al zijn eindcijfers heeft behaald binnen een schooljaar, is geslaagd indien hij:

    a. voor al zijn examenvakken eindcijfers heeft behaald van 6 of meer,

    b. voor één van zijn examenvakken het eindcijfer 5 heeft behaald en voor zijn overige examenvakken eindcijfers heeft behaald van 6 of meer,

    c. voor ten hoogste één van zijn examenvakken het eindcijfer 4 heeft behaald, voor zijn overige examenvakken eindcijfers heeft behaald van 6 of meer mits het gemiddelde van zijn eindcijfers 6 of meer bedraagt, of

    d. voor ten hoogste twee van zijn examenvakken het eindcijfer 5 heeft behaald, voor zijn overige examenvakken eindcijfers heeft behaald van 6 of meer mits het gemiddelde van zijn eindcijfers 6 of meer bedraagt.

  • 2. De kandidaat die eindexamen v.w.o. of h.a.v.o. heeft afgelegd en het centraal examen voor alle vakken heeft afgelegd binnen een schooljaar, is geslaagd indien hij:

    a. gemiddeld voor al zijn examenvakken als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, daaronder niet meer dan twee cijfers lager dan 6, waarvan ten hoogste één 4 en geen cijfer lager dan 4, en

    b. gemiddeld voor de vakken van het profieldeel als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, daaronder niet meer dan één cijfer lager dan 6.

  • 3. In aanvulling op het tweede lid geldt tevens als voorwaarde dat het profielwerkstuk, en bij scholen voor v.w.o. en h.a.v.o. bovendien de deelvakken culturele en kunstzinnige vorming 1 en lichamelijke opvoeding 1 van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, moeten zijn beoordeeld als «voldoende» of «goed».

  • 4. De kandidaat die deeleindexamen heeft afgelegd, is geslaagd voor dat deeleindexamen indien hij voor het desbetreffende vak een eindcijfer van 6 of meer heeft behaald.

  • 5. De kandidaat die eindexamen dan wel deeleindexamen heeft afgelegd en die niet voldoet aan de voorwaarden, genoemd in het eerste tot en met derde lid, respectievelijk genoemd in het vierde lid, is afgewezen, behoudens de mogelijkheid tot herkansing, bedoeld in artikel 51.

  • 6. Zodra de uitslag ingevolge het eerste tot en met vijfde lid is vastgesteld, maakt de directeur deze tezamen met de eindcijfers schriftelijk aan iedere kandidaat bekend, onder mededeling van het in artikel 51 bepaalde. De in de eerste volzin bedoelde uitslag is de definitieve uitslag indien artikel 51, eerste lid, geen toepassing vindt.

Y

Artikel 50 wordt vervangen door:

Artikel 50. Deeleindexamen aan meer dan één instelling voor educatie en beroepsonderwijs

  • 1. Ten aanzien van een kandidaat die in een schooljaar deeleindexamens aan twee of meer instellingen voor educatie en beroepsonderwijs aflegt welke deeleindexamens samen een eindexamen omvatten, wordt bij de bepaling van de uitslag artikel 49, eerste lid, of tweede en derde lid, toegepast.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde kandidaat doet een schriftelijk verzoek tot toepassing van artikel 49, eerste lid, of tweede en derde lid, aan de examencommissie v.a.v.o. van de instelling voor educatie en beroepsonderwijs waar hij deeleindexamen in het grootste aantal vakken aflegt.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de uitvoering van het eerste en tweede lid.

Z

Artikel 52 wordt vervangen door:

Artikel 52. Diploma en cijferlijst

  • 1. De directeur reikt op grond van de definitieve uitslag aan elke kandidaat die eindexamen heeft afgelegd een lijst uit waarop zijn vermeld de cijfers voor het schoolexamen, indien zich dat voordoet volgens welk programma elk vak is geëxamineerd en de cijfers voor het centraal examen, de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk, de beoordeling van het profielwerkstuk, en bij scholen voor v.w.o. en h.a.v.o. de beoordeling van de deelvakken culturele en kunstzinnige vorming 1 en lichamelijke opvoeding 1, de eindcijfers voor de examenvakken, alsmede de uitslag van het eindexamen.

  • 2. De examencommissie v.a.v.o. reikt op grond van de definitieve uitslag aan elke voor een deeleindexamen afgewezen kandidaat een lijst uit waarop ten aanzien van de eindexamenvakken waarvoor hij een eindcijfer lager dan 6 heeft behaald, zijn vermeld de cijfers van het schoolexamen, de cijfers van het centraal examen en de eindcijfers.

  • 3. De directeur reikt op grond van de definitieve uitslag aan elke voor het eindexamen geslaagde kandidaat een diploma uit, waarop alle vakken zijn vermeld die bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken. Duplicaten van diploma's worden niet verstrekt.

  • 4. Tevens reikt de directeur op verzoek van de kandidaat een diploma uit aan de kandidaat die in een of meer vakken met gunstig gevolg deeleindexamen heeft afgelegd en die daarnaast een certificaat of een bewijs van vrijstelling overlegt voor andere vakken die tezamen met eerder bedoelde vakken een eindexamen vormen.

  • 5. Voor de toepassing van het vierde lid worden met certificaten gelijkgesteld, certificaten als bedoeld in het Besluit staatsexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. 1978.

  • 6. Indien een kandidaat in meer vakken examen heeft afgelegd dan in de vakken die ten minste tezamen een eindexamen vormen, worden de eindcijfers van de vakken die niet bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken, op de cijferlijst vermeld, tenzij de kandidaat daartegen bezwaar heeft.

  • 7. Onze Minister stelt de modellen van de cijferlijst vast.

  • 8. De directeur en de secretaris van het eindexamen tekenen de diploma's en de cijferlijsten.

AA

In artikel 58 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het eerste lid en de aanduiding «2.» voor het tweede lid vervallen.

2. De woorden «voor zover het een rijksschool betreft, afwijken van dit besluit en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, toestaan dat daarvan wordt afgeweken» worden vervangen door: toestaan dat van dit besluit wordt afgeweken.

BB

Artikel 59 wordt vervangen door:

Artikel 59. Spreiding voltooiing eindexamen

  • 1. Het bevoegd gezag kan, de inspectie gehoord, toestaan dat ten aanzien van een kandidaat die in het laatste leerjaar langdurig ziek is, en ten aanzien van een kandidaat die lange tijd ten gevolge van een bijzondere, van de wil van de kandidaat onafhankelijke omstandigheid niet in staat is geweest het onderwijs in alle betrokken eindexamenvakken gedurende het laatste leerjaar te volgen, het eindexamen gespreid over twee opeenvolgende schooljaren wordt afgelegd. In dat geval wordt het eindexamen in een vak in het eerste of in het tweede van deze schooljaren afgesloten. Aan een kandidaat van een instelling voor beroepsonderwijs en educatie kan de in de eerste volzin bedoelde toestemming uitsluitend worden verleend indien de kandidaat de bedoeling had, in het laatste leerjaar centraal examen af te leggen in alle betrokken eindexamenvakken, en dit voornemen tijdig aan het begin van het desbetreffende schooljaar aan het bevoegd gezag kenbaar heeft gemaakt.

  • 2. Het bevoegd gezag geeft zijn in het eerste lid bedoelde toestemming uiterlijk voor de aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag afwijken van de eerste volzin ten behoeve van een kandidaat die nog niet in alle betrokken eindexamenvakken centraal examen heeft afgelegd.

  • 3. Artikel 51, eerste tot en met vierde lid, is ten aanzien van de kandidaat van toepassing in het eerste en in het tweede schooljaar van het gespreid eindexamen, met dien verstande dat het in dat artikel bedoelde recht in het eerste schooljaar ontstaat nadat de eindcijfers van de vakken waarvoor in het eerste schooljaar het eindexamen is afgesloten, voor de eerste maal zijn vastgesteld.

  • 4. Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de cijfers van de centrale examens die zijn afgelegd in het eerste schooljaar van het gespreid eindexamen, zendt het bevoegd gezag aan de inspectie een lijst waarop voor die kandidaat zijn vermeld de gegevens, genoemd in artikel 56, onderdelen a tot en met d.

  • 5. De vaststelling van de uitslag geschiedt overeenkomstig artikel 49, eerste lid, respectievelijk tweede en derde lid.

  • 6. De directeur en de secretaris van het eindexamen kunnen aan het einde van het eerste schooljaar van het gespreid eindexamen toepassing geven aan het vijfde lid.

CC

In hoofdstuk VI wordt een artikel 60 ingevoegd, luidend:

Artikel 60. Scholen, aangewezen met toepassing van artikel 56a WVO

Ten aanzien van het eindexamen aan een school die is aangewezen op grond van artikel 56 van de wet, op welke school op grond van artikel 12.2.11 van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 56a van de wet van toepassing is, zijn van overeenkomstige toepassing de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op de instellingen voor educatie en beroepsonderwijs, onder de voorwaarde dat deze scholen ten aanzien van de toelating van de leerlingen toepassing geven aan het bepaalde bij en krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs ten aanzien van de leeftijd voor toelating tot de opleidingen v.a.v.o.

DD

In de inhoudsopgave worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De aanduiding van artikel 4 wordt vervangen door:

Artikel 4. Indeling eindexamen; profielwerkstuk

2. In de aanduiding van artikel 10 vervalt «v.w.o., h.a.v.o.,».

3. De aanduidingen van de artikelen 11 tot en met 13 worden vervangen door:

Artikel 11. Eindexamen v.w.o. (atheneum)

Artikel 12. Eindexamen v.w.o. (gymnasium)

Artikel 13. Eindexamen h.a.v.o.

4. De aanduidingen van de artikelen 14 tot en met 16 en 20 tot en met 21a vervallen.

5. De aanduiding van artikel 31 wordt vervangen door:

Artikel 31. Examenreglement en programma van toetsing en afsluiting

6. In hoofdstuk III wordt de aanduiding van Afdeling 2 vervangen door:

AFDELING 2. SCHOOLEXAMEN

7. De aanduiding van artikel 32 wordt vervangen door:

Artikel 32. Schoolexamen

8. De aanduiding van artikel 33 wordt vervangen door:

Artikel 33. Mededeling cijfers schoolexamen

9. In de aanduiding van artikel 34 wordt «Schoolonderzoek» vervangen door: Schoolexamen.

10. In de aanduiding van artikel 35 wordt «schoolonderzoek» vervangen door: schoolexamen.

11. Aan hoofdstuk III, afdeling 2, worden drie aanduidingen toegevoegd, luidend:

Artikel 35a. Herkansing toetsen schoolexamen v.w.o. en h.a.v.o.

Artikel 35b. Herexamen schoolexamen v.w.o. en h.a.v.o.

Artikel 35c. Examendossier v.w.o. en h.a.v.o.

12. De aanduiding van artikel 37 wordt vervangen door:

Artikel 37. Tijdvakken en afneming centraal examen

13. De aanduiding van artikel 46 vervalt.

14. De aanduiding van artikel 50 wordt vervangen door:

Artikel 50. Deeleindexamen aan meer dan één instelling voor educatie en beroepsonderwijs

15. De aanduiding van artikel 59 wordt vervangen door:

Artikel 59. Spreiding voltooiing eindexamen

16. Aan hoofdstuk VI wordt de volgende aanduiding toegevoegd:

Artikel 60. Scholen, aangewezen met toepassing van artikel 56a WVO

ARTIKEL III. WIJZIGING INRICHTINGSBESLUIT V.A.V.O.

De artikelen 2 tot en met 5 van het Inrichtingsbesluit v.a.v.o.3 vervallen.

ARTIKEL IV. WIJZIGING SCHOOLPRACTICUMBESLUIT VOORTGEZET ONDERWIJS

In het Schoolpracticumbesluit voortgezet onderwijs4 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

In artikel 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De Staatsbladaanduidingen vervallen.

2. «artikel 39a» wordt vervangen door: artikel 39c.

B

In de artikelen 2 en 4 wordt «artikel 39a» telkens vervangen door: artikel 39c.

C

Artikel 3 wordt vervangen door:

Artikel 3. Aantal studenten per vak

Het aantal studenten, bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de wet, dat bij dezelfde les kan worden toegelaten, bedraagt:

a. ten hoogste 2 voor praktijkvakken, en

b. ten hoogste 3 voor de overige vakken.

D

De artikelen 9 tot en met 12 vervallen.

ARTIKEL V. WIJZIGING BESLUIT ONDERWIJSBEVOEGDHEDEN W.V.O./O.W.V.O.

In het Besluit onderwijsbevoegdheden W.V.O./O.W.V.O.5 wordt na artikel 3c een artikel 3d ingevoegd, luidend:

Artikel 3d. Tijdelijke afwijkingsbevoegdheid in verband met invoering profielen in havo en vwo

  • 1. Indien het bevoegd gezag van een school voor v.w.o. of h.a.v.o. vaststelt dat ten gevolge van de invoering van de profielen, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, onderwijs in enig vak of deelvak niet door een daartoe bevoegd leraar kan worden gegeven, kan dat onderwijs met inachtneming van het tweede lid door het bevoegd gezag tot 1 augustus 2003 met instemming van betrokkene worden opgedragen aan een in vaste dienst benoemde leraar, indien deze leraar niet over het voor dat vak vereiste bewijs van bekwaamheid, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de wet beschikt, doch door het bevoegd gezag tot het geven van onderwijs in dat vak bekwaam wordt geacht. De eerste volzin is uitsluitend van toepassing indien bedoeld onderwijs binnen de betrekkingsomvang van de leraar kan worden gegeven.

  • 2. Aan het eerste lid wordt uitsluitend toepassing gegeven indien tussen het bevoegd gezag en de leraar in ieder geval schriftelijk is vastgelegd onder welke voorwaarden en in welke periode betrokkene zich bekwaamt om het voor het vak vereiste bewijs van bekwaamheid te behalen.

ARTIKEL VI. OVERGANGSBEPALING INRICHTING V.W.O.

  • 1. In afwijking van artikel 26b, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. omvat het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het v.w.o. tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in plaats van «geschiedenis en maatschappijleer» de volgende vakken met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    maatschappijleer 120

    geschiedenis 80.

  • 2. In afwijking van artikel 26b, vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. omvat het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het v.w.o. tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    a. geschiedenis 360

    b. wiskunde A1 360

    c. een van de volgende deelvakken, als combinatie met het overeenkomstige deelvak van het gemeenschappelijk deel:

    Franse taal en letterkunde 2 320

    Duitse taal en letterkunde 2 320,

    dan wel een van de volgende vakken:

    Spaanse taal en letterkunde 480

    Russische taal en letterkunde 480

    Italiaanse taal en letterkunde 480

    Arabische taal en letterkunde 480

    Turkse taal en letterkunde 480

    Friese taal en letterkunde 400

    Latijnse taal en letterkunde 480

    Griekse taal en letterkunde 480

    d. twee van de volgende vakken en deelvakken:

    filosofie 320

    maatschappijleer 360

    aardrijkskunde 360

    muziek 480

    een van de vakken en deelvakken, genoemd onder c

    een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid), handvaardigheid II (textiele werkvormen), elk met een normatieve studielast van 480 uren.

  • 3. De leerling mag in afwijking van het tweede lid, het deelvak wiskunde A1 vervangen door het vak wiskunde A1,2, het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2.

  • 4. Bij de toepassing van het tweede lid, in samenhang met het derde lid, kunnen in afwijking van artikel 26a, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. de vakken en deelvakken zodanig worden gekozen dat zij tezamen een normatieve studielast hebben van minder dan 1840 uren, maar ten minste 1680 uren. In dat geval wordt de normatieve studielast van het vrije deel verhoogd met het mindere.

ARTIKEL VII. OVERGANGSBEPALING INRICHTING H.A.V.O.

  • 1. In afwijking van artikel 26c, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. omvat het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het havo tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in plaats van «geschiedenis en maatschappijleer» het vak maatschappijleer, met een normatieve studielast van 160 uren.

  • 2. In afwijking van artikel 26c, vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. omvat het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het havo tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij behorende normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    a. wiskunde A1 160

    b. geschiedenis 240

    c. economie 1 200

    d. een van de volgende deelvakken, als combinatie met het overeenkomstige deelvak van het gemeenschappelijk deel:

    Franse, Duitse, Spaanse, Russische, Italiaanse, Arabische, Turkse en Friese taal en letterkunde 2 200,

    dan wel een van de volgende vakken:

    Franse, Duitse, Spaanse, Russische, Italiaanse, Arabische, Turkse en Friese taal en letterkunde 1,2 360

    e. een of twee van de volgende vakken en deelvakken:

    filosofie 360

    maatschappijleer 200

    aardrijkskunde 200

    muziek 360

    een van de vakken en deelvakken, genoemd onder d

    een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid), handvaardigheid II (textiele werkvormen), elk met een normatieve studielast van 360 uren.

  • 3. De leerling mag in afwijking van het tweede lid, het deelvak wiskunde A1 vervangen door het vak wiskunde A1,2, het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2, en het deelvak economie 1 vervangen door het vak economie 1,2, met een normatieve studielast van 440 uren.

  • 4. Bij de toepassing van het tweede lid in samenhang met het derde lid, kunnen in afwijking van artikel 26a, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. de vakken en deelvakken zodanig worden gekozen dat zij tezamen een normatieve studielast hebben van minder dan 1160 uren, maar ten minste 1000 uren. In dat geval wordt de normatieve studielast van het vrije deel verhoogd met het mindere.

ARTIKEL VIII. OVERGANGSBEPALING EINDEXAMENS

  • 1. Voor de kandidaat die eindexamen v.w.o. (atheneum) aflegt en op wie artikel V van toepassing is, wordt dat eindexamen dienovereenkomstig aangepast. Indien voor die kandidaat het profieldeel een normatieve studielast heeft van minder dan 1840 uren, wordt het in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. genoemde getal van 480 uren verhoogd met het mindere. Indien het bevoegd gezag van een school voor v.w.o. met toepassing van artikel VI, onderdeel C, derde lid, van de Wet van 2 juli 1997, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs), Stb. 322, pas met ingang van 1 augustus 1999 met het onderwijs in algemene natuurwetenschappen aanvangt, wordt het getal van 480 uren, zo nodig na de in de tweede volzin bedoelde verhoging, verhoogd met 160 uren voor die kandidaten die alleen in het schooljaar 1998–1999 het onderwijs in het vierde leerjaar volgden. Voor de kandidaat die voor 1 augustus 2004 eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, kan het bevoegd gezag bepalen dat het gemeenschappelijk deel niet het vak algemene natuurwetenschappen omvat. In dat geval wordt het getal van 480 uren, zo nodig na de in de tweede volzin bedoelde verhoging, verhoogd met 160 uren.

  • 2. Voor de kandidaat die eindexamen v.w.o. (gymnasium) aflegt en op wie artikel V van toepassing is, wordt dat eindexamen dienovereenkomstig aangepast. Indien voor die kandidaat het profieldeel een normatieve studielast heeft van minder dan 1840 uren, wordt het in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. genoemde getal van 960 uren verhoogd met het mindere. Indien het bevoegd gezag van een school voor v.w.o. met toepassing van artikel VI, onderdeel C, derde lid, van de Wet van 2 juli 1997, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs), Stb. 322, pas met ingang van 1 augustus 1999 met het onderwijs in algemene natuurwetenschappen aanvangt, wordt het getal van 960 uren, zo nodig na de in de tweede volzin bedoelde verhoging, verhoogd met 160 uren voor die kandidaten die alleen in het schooljaar 1998–1999 het onderwijs in het vierde leerjaar volgden. Voor de kandidaat die voor 1 augustus 2004 eindexamen v.w.o. aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, kan het bevoegd gezag bepalen dat het gemeenschappelijk deel niet het vak algemene natuurwetenschappen omvat. In dat geval wordt het getal van 960 uren, zo nodig na de in de tweede volzin bedoelde verhoging, verhoogd met 160 uren.

  • 3. Voor de kandidaat die eindexamen h.a.v.o. aflegt en op wie artikel VI van toepassing is, wordt dat eindexamen dienovereenkomstig aangepast. Indien voor die kandidaat het profieldeel een normatieve studielast heeft van minder dan 1160 uren, wordt het in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. genoemde getal van 320 verhoogd met het mindere. Indien het bevoegd gezag van een school voor h.a.v.o. met toepassing van artikel VI, onderdeel C, derde lid, van de Wet van 2 juli 1997, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs), Stb. 322, pas met ingang van 1 augustus 1999 met het onderwijs in algemene natuurwetenschappen aanvangt, wordt het getal van 320 uren, zo nodig na de in de tweede volzin bedoelde verhoging, verhoogd met 160 uren voor die kandidaten die alleen in het schooljaar 1998–1999 het onderwijs in het vierde leerjaar volgden. Voor de kandidaat die voor 1 augustus 2003 eindexamen h.a.v.o. aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, kan het bevoegd gezag bepalen dat het gemeenschappelijk deel niet het vak algemene natuurwetenschappen omvat. In dat geval wordt het getal van 320 uren, zo nodig na de in de tweede volzin bedoelde verhoging, verhoogd met 160 uren.

ARTIKEL IX. INWERKINGTREDING

  • 1. Dit besluit treedt wat de artikelen III tot en met VIII betreft in werking met ingang van 1 augustus 1998.

  • 2. De artikelen I en II treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen voordat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in de artikelen I en II van het onderhavige besluit geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld.

  • 3. Artikel 3d van het Besluit onderwijsbevoegdheden W.V.O./O.W.V.O. vervalt met ingang van 1 augustus 2003.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 15 november 1997

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

T. Netelenbos

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen

Uitgegeven de vierde december 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit brengt de nodige wijzigingen aan in uitvoeringsbesluiten in verband met de invoering van profielen in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo) en het hoger algemeen voortgezet onderwijs (hierna: havo).

Het besluit strekt daarmee tot uitvoering van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), zoals deze wet met ingang van 1 augustus 1998 luidt na de wijziging door de Wet van 2 juli 1997 houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs), Stb. 322 (in het volgende kortweg genoemd: Wet profielen). Voor een algemene toelichting wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij die wet.

De uitvoeringsvoorschriften betreffen voornamelijk het Inrichtingsbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. (dat een andere naam heeft gekregen: Inrichtingsbesluit W.V.O.) en het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. Op een later tijdstip, maar nog voor 1 augustus 1998, zal ook het Besluit staatsexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. 1978 worden aangepast.

Inhoudelijk gezien regelt het voorliggende wijzigingsbesluit in hoofdzaak de nadere invulling van de profielen (inclusief gemeenschappelijk deel en vrij deel) wat de vakken en de normatieve studielast betreft, en aanpassingen van de examensystematiek . De achtergronden van deze invulling zijn weergegeven in een aantal opeenvolgende beleidsnota's, adviezen en beleidsreacties daarop.

Korte geschiedenis

In maart 1991 bracht de toenmalige Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen de nota «Profiel van de tweede fase voortgezet onderwijs» uit. Deze nota, op 15 april 1991 aan de Tweede Kamer gezonden, beschrijft de hoofdlijnen van het beleid inzake vernieuwingen in de tweede fase. Tot de tweede fase behoren de schoolsoorten havo, en wel het vierde en vijfde leerjaar, en vwo, het vierde tot en met zesde leerjaar.

Na het uitbrengen van de Profielnota zijn de voorstellen open ter discussie gesteld. Dit heeft geleid tot een vervolgnota met enkele beleidswijzigingen. Deze nota is aan de Tweede Kamer gezonden op 27 mei 1992 (kamerstukken II 1991/92, 22 645, nrs. 1–2).

In 1993 werd de Stuurgroep Profiel Tweede fase voortgezet onderwijs ingesteld om het geschetste beleid uit de Profielnota uit te werken. De Stuurgroep bracht in januari 1994 een eerste advies op hoofdlijnen uit: «Tweede fase, scharnier tussen basisvorming en hoger onderwijs», waarop de Minister van Onderwijs en Wetenschappen reageerde in zijn brief van 27 januari 1994. Advies en reactie werden in hoofdlijnen instemmend besproken met de vaste commissie voor Onderwijs en Wetenschappen uit de Tweede Kamer, op 3 maart 1994 (kamerstukken II 1993/94, 23 400 VIII, nr. 79).

Een nadere uitwerking volgde in het tweede advies «De tweede fase vernieuwt», dat door staatssecretaris Netelenbos van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Tweede Kamer werd gezonden bij brief van 5 oktober 1994. Ook zond de staatssecretaris haar beleidsreactie op dat tweede advies naar de Kamer (kamerstukken II 1994/95, 23 900 VIII, nr. 96). De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voerde daarover op 15 mei 1995 overleg met de staatssecretaris (het verslag daarvan is gedrukt onder kamerstukken II 1994/95, 23 900 VIII, nr. 104).

De Stuurgroep heeft vervolgens over de examens een afzonderlijk advies uitgebracht onder de titel «Examen in het studiehuis». Dit advies is met de reactie van staatssecretaris Netelenbos besproken in het Onderwijsoverleg primair en voortgezet onderwijs van 29 januari 1996. Een bijgestelde reactie is aan de Tweede Kamer verzonden op 14 maart 1996 (kamerstukken II 1995/96, 24 400 VIII, nr. 74) en met de vaste commissie besproken op 27 juni 1996. Het verslag is gedrukt als kamerstukken II 1995/96, 24 400 VIII, nr. 106.

Over de vakken en andere programma-onderdelen die deel uitmaken of kunnen uitmaken van het gemeenschappelijk deel, de vier profieldelen en het vrije deel, heeft de Stuurgroep geadviseerd in haar eerste twee adviezen. Op basis van deze adviezen, de beleidsreacties daarop en de bespreking daarvan met de vaste commissie, heeft de Stuurgroep Profiel concept-examenprogramma's laten ontwikkelen voor alle vakken, die aan de staatssecretaris zijn aangeboden bij brief van 6 december 1995. Deze aanbiedingsbrief bevat ook enkele aanvullende adviezen over de inhoud van de vakken en de status van de vakken in de profieldelen.

De concept-examenprogramma's zijn daarna voor advies gezonden aan een groot aantal organisaties. Het advies van de Onderwijsraad, uitgebracht op 5 april 1996, is afzonderlijk aan de Tweede Kamer gezonden op 25 april 1996. Op 10 juni 1996 volgde een reactie van staatssecretaris Netelenbos op de concept-examenprogramma's, op basis van het geheel van de adviezen (kamerstukken II 1995/96, 24 773, nr. 1). In deze brief werd ook het voorstel omtrent de vakken in de verschillende delen van het profiel wat aangepast. Deze reactie is met de vaste commissie besproken op 27 juni 1996. Het verslag is gedrukt als kamerstukken II 1995/96, 24 400 VIII, nr. 106. De wijzigingen die uit deze bespreking voortkwamen over de status van enkele vakken heeft de staatssecretaris neergelegd in haar brief aan de Kamer van 23 augustus 1996 (kamerstukken II 1995/96, 24 773, nr. 2).

De vaste commissie voerde met de staatssecretaris over het wetsvoorstel op 12 mei 1997 overleg. Het verslag daarvan is gedrukt onder kamerstukken II 1996/97, 25 168, nr. 10. Het overleg leidde tot het voorstel voor een andere invulling van het profiel cultuur en maatschappij dan eerder voorzien, in relatie tot de positie van wiskunde en filosofie (Tweede nota van wijziging, kamerstukken II 1996/97, 25 168, nr. 12) en tot de introductie van de mogelijkheid voor scholen om te kiezen voor invoering per 1 augustus 1998 of per 1 augustus 1999 (Derde nota van wijziging, kamerstukken II 1996/97, 25 168, nr. 15). De plenaire behandeling van het wetsvoorstel vond vervolgens plaats op 28 mei 1997. De dag daarna is het wetsvoorstel met algemene stemmen door de Tweede Kamer aanvaard. De Eerste Kamer aanvaardde het wetsvoorstel op 30 juni 1997.

Financiële gevolgen

De vernieuwde tweede fase gaat uit van dezelfde financiële middelen als onder de voor invoering daarvan bestaande situatie. Dit is ook uitgangspunt van de hier aan de orde zijnde wijzigingen in besluiten. De extra middelen voor ontwikkelingsactiviteiten zijn beschreven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de Wet profielen. Aanvullend is ten behoeve van de invoering een bedrag ter beschikking gesteld van f 50 miljoen (brief van 20 mei 1997, kamerstukken II 1996/97, 25 168, nr. 13).

Advies Onderwijsraad en overige ontvangen commentaren

Het ontwerp-besluit is om advies voorgelegd aan de Onderwijsraad (OR). De Raad adviseerde bij brief van 7 april 1997 (nr. OR 970150/143) over het ontwerp.

Van de eveneens geboden gelegenheid om commentaar te geven op het ontwerp is binnen de daarvoor gestelde termijn gebruik gemaakt door de Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren (NVW), de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), het Centraal instituut voor Toetsontwikkeling (Cito), de Algemene Onderwijsbond (AOB), de Koninklijke Vereniging van Leraren Lichamelijke Opvoeding (KVLO), het Overleg Docenten Kunstgeschiedenis, de Vereniging van Leraren in Levende Talen (VLLT), de Besturenraad PCO (BPCO), de Katholieke Vereniging voor A.V.O. en V.W.O. (KV-AVO), de Nederlandse Vereniging voor Tekenonderwijs (NVTO) en de Vereniging Leraren Beeldende Vakken (VLBV) , de Beroepsvereniging Dramadocenten (BDD), de Nederlandse Vereniging van Schooldecanen (NVS), de Vereniging van Classici in Nederland (VCN), het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS) en de BVE-Raad.

In veel van de commentaren is ingegaan op een groot aantal aspecten rond de profielvoorstellen in het algemeen: de wet, de invoering, de middelen, de verdere uitwerking. In het volgende wordt alleen ingegaan op hoofdpunten uit de commentaren voorzover die het besluit zelf betreffen. Het advies van de OR fungeert daarbij als leidraad.

Niet wordt ingegaan op punten in de ontvangen commentaren en het advies van de OR die berusten op misverstanden: in een aantal gevallen hebben die misverstanden geleid tot een iets andere formulering in het besluit, dan wel tot een kleine aanvullende toelichting.

Met inachtneming van het hierboven gestelde wordt als volgt gereageerd op de door de Onderwijsraad (OR) naar voren gebrachte aspecten.

1. De OR meende dat duidelijkheid moet worden verschaft omtrent de positie van literatuur. Literatuur (letterkunde) blijft in de inrichtingsvoorschriften voor het onderwijs en in de examenprogramma's onderdeel van de verschillende talenvakken. Om de afstemming te bevorderen wordt echter op de cijferlijst van het examen één gemeenschappelijk cijfer voor literatuur vastgelegd. Dat cijfer ontstaat door bijdragen vanuit de verschillende vakken moderne taal en letterkunde.

2. De OR en verschillende organisaties hadden moeite met de wijze waarop in het aan hun voorgelegde ontwerp van besluit vorm werd gegeven aan de in de wet vastgelegde mogelijkheid om een verplicht minimaal aantal lessen in lichamelijke opvoeding in het besluit voor te schrijven. De opmerkingen hebben geleid tot een andere regeling (zie hieronder).

3. De kritische kanttekeningen van de OR bij de inwisselbaarheid van deelvak X1 voor vak X1,2 hebben niet geleid tot aanpassing van het ontwerp-besluit. Het is – alle voorstellen vanaf het begin gingen daar ook van uit- vanzelfsprekend dat een leerling bijvoorbeeld het deelvak natuurkunde 1 mag «uitbreiden» tot het vak natuurkunde 1,2. De OR achtte verder een nader onderzoek gewenst naar de inwisselbaarheid van wiskunde A voor wiskunde B. Vergelijking van de programma's bevestigt een grote overlapping. Deze overlapping is vergroot doordat wat eerder wiskunde in het gemeenschappelijk deel (vwo) was, inmiddels in de wiskundevakken van elk profieldeel is opgenomen. Dat betekent bijvoorbeeld dat van de 360 uur normatieve studielast van wiskunde A1 in principe ten minste 280 uur ook voorkomen in het (veel grotere) deelvak wiskunde B1. De mogelijkheid met name van inwisseling van wiskunde A voor wiskunde B1 vergroot verder in zeer sterke mate de doorstroommogelijkheid, dit zonder ook maar iets af te doen aan de doorstroomrelevantie voor de studierichtingen waarop de profielen economie en maatschappij en cultuur en maatschappij specifiek zijn gericht. Wel is naar aanleiding van de advisering het mogelijk gemaakt in een profiel (profieldeel en vrij deel samen) wiskunde A en wiskunde B met elkaar te combineren.

4. Een beperking van het profielwerkstuk tot twee (deel)vakken is niet bedoeld: het kunnen er meer zijn. De regeling is dienovereenkomstig aangepast.

5. De OR meende dat de overstap van havo naar vwo moeilijk zal zijn te realiseren. De OR is echter in dit verband geen voorstander van het geven van vrijstellingen en meende bovendien dat het weinig voor de hand ligt om dergelijke vrijstellingen te geven als bedacht wordt dat het beleid erop is gericht havo en vwo nadrukkelijker te profileren. De uiterste consequentie van dit geheel van argumenten is dat de overstap van havo naar vwo bijna onmogelijk zou kunnen worden gemaakt en dat dit, gezien het uitgangspunt van het geven van een eigen «profiel» aan havo respectievelijk vwo, ook aanvaardbaar zou zijn te achten. Wet en besluit gaan hiervan echter niet uit. De overstap van havo naar vwo is niet de «eerste weg», maar moet, alleen voor de betere leerlingen, wel mogelijk blijven. Beperkte vrijstellingen passen daarin. Hetzelfde geldt m.m. voor de vrijstellingen voor allochtone leerlingen wat betreft de talen.

6. De OR vreesde dat beperking van de herkansingsmogelijkheden zieke leerlingen benadeelt. Het desbetreffende artikel 35a van het Eindexamenbesluit bevat echter een voorziening voor bijzondere gevallen. De opvatting van de OR dat een mogelijkheid om ook een toets met voldoende resultaat te herkansen past bij een zelfstandige, verantwoordelijkheid nemende leerling, wordt niet gedeeld.

7. De OR stemde in met het uitgangspunt van de geformuleerde uitslagregel: op gelijke wijze toepasbaar voor verschillende gevallen. Hij meende echter wel dat de regel is verzwaard. Ook enkele organisaties hebben dit opgemerkt. De regel is niet aangepast. Weliswaar is het aantal eindexamenvakken vergroot, maar de nu vastgestelde uitslagregel is dan ook wat soepeler dan de voorheen geldende. Bovendien leidt het grotere aantal vakken ook tot een grotere compensatiemogelijkheid.

8. De OR meende dat met de regel dat de beoordeling van CKV1 en lichamelijke opvoeding voldoende/goed moet zijn om te slagen, deze onderdelen een onevenredig zwaar accent krijgen. Een dergelijke beoordeling kan niet worden gecompenseerd door een of meer andere vakken. Dat is op zichzelf wel waar, maar één van de redenen voor de regel is nu juist dat het alternatief (het geven van een cijfer dat gewoon«meetelt») leidt tot het omgekeerde – zeer onwenselijke – effect: dat een hoog cijfer voor lichamelijke opvoeding een onvoldoende voor bij voorbeeld Nederlands of wiskunde kan compenseren (maar in het vavo weer niet, want daar wordt geen lichamelijke opvoeding gegeven). Niettemin is de regeling aangepast. Allereerst door daarin aan te geven wat de aard, het criterium van de beoordeling is. De beoordeling gaat uit van de mogelijkheden van de leerling. Verder is duidelijk gemaakt dat de beoordeling voldoende/goed mede de strekking heeft dat de leerling steeds in de gelegenheid moet worden gesteld alsnog de vereiste inspanning te leveren, in uiterste instantie door middel van een compenserende activiteit. Een redelijke inspanning («voldoende») op basis van de mogelijkheden van de leerling is op deze manier een alleszins aanvaardbare eis in het onderwijs aan jeugdigen. Is deze inspanning, blijkens het examendossier, verricht, dan is de beoordeling «voldoende».

9. Nieuwe regelingen ten aanzien van mavo en vbo worden in het besluit niet getroffen: waar nodig is dit door een tekstaanpassing verduidelijkt. De enige uitzondering (afgezien van kleine redactionele aanpassingen) is een terminologische: eenvoud en leesbaarheid zijn ermee gediend ook in mavo/vbo de term schoolexamen in te voeren.

10. De OR oordeelde het onjuist om artikel 46 van het Eindexamenbesluit (eigen centraal examen voor identiteitsgevoelige vakken) te schrappen. In deze nota van toelichting is de argumentatie gegeven. Deze argumentatie berust op een geheel van overwegingen. De kanttekeningen die de OR plaatst bij afzonderlijke argumenten doen daaraan niet af. In de politieke besluitvorming rond de wet is hieraan uitdrukkelijk aandacht besteed.

11. De OR meende dat de overgangsregeling voor de onderwijsbevoegdheid voor een aantal nieuwe vakken te ruim is. Deze opvatting wordt niet gedeeld: er zijn duidelijke normen. Inmiddels is de voorziene omscholing op gang gekomen. Voor de omscholing ANW is grote belangstelling gebleken. De eerste «tranche» werd wat betreft het aantal deelnemers uitgebreid in vergelijking met de oorspronkelijke plannen. Het effect is dat op korte termijn alle lessen zullen kunnen worden gegeven door bevoegde leraren.

Naar aanleiding van de commentaren van de organisaties en het advies van de OR is één belangrijke wijziging aangebracht op het aan deze voorgelegde ontwerp. Dit betreft de omschrijving van het aantal verplicht te geven lessen (over de gehele cursus gerekend) in lichamelijke opvoeding 1. Het gaat hier om een technisch probleem, namelijk het «op één lijn brengen» van de systematiek van de onderbouw (periode van basisvorming: lessen van 50 minuten) en die van de bovenbouw (periode van voorbereidend hoger onderwijs: normatieve studielast uitgedrukt in klokuren). Zie hiervoor de toelichting bij artikel 23 van het Inrichtingsbesluit.

Artikelen

Artikel I. Wijziging Inrichtingsbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.

Algemeen

– De regels over de vakken die gedurende de periode van basisvorming in combinatie met elkaar gegeven en getoetst kunnen worden, hadden tot 1 augustus 1998 een wettelijke grondslag in artikel 22, derde lid, onderdeel a, van de WVO. Vanaf 1 augustus 1998 is die grondslag artikel 11a, zevende lid, WVO;

– De regels over het aantal lessen dat gedurende de cursus in vakken of in groepen van vakken ten minste moet worden verzorgd en het aantal studielessen dat gedurende de cursus moet worden verzorgd, hadden tot 1 augustus 1998 hun grondslag in artikel 22, derde lid, onderdeel c, WVO. Nu zijn die regels, maar dan beperkt tot mavo en vbo, gebaseerd op het nieuwe artikel 22, derde lid, onderdeel a, WVO.

Opgemerkt wordt nog dat artikel 10, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. (hierna kortweg: het Inrichtingsbesluit) (nog) niet wordt gewijzigd. Dat betekent dat als minimale wettelijke toelatingsvoorwaarde bij de doorstroming van middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (hierna: mavo) naar havo geldt de 6 x D-eis. Er geldt dus geen «pakketvoorschrift». Het is de bedoeling te zijner tijd in het kader van de herstructurering mavo/vbo wel zo'n voorschrift te formuleren, zodat het vakkenpakket mavo en het havo-profiel op elkaar aansluiten. Voorlopig garandeert de 6 x D-eis in elk geval een niveau dat doorstroming in algemene zin mogelijk maakt. Sluit het vakkenpakket van het mavo-diploma niet aan bij de profielvoorschriften zoals die gelden voor het havo, dan zullen leerling en school moeten uitmaken of doorstroming mogelijk en verstandig is, en zo ja onder welke voorwaarden. Daarbij moet worden bedacht dat de 6 x D-eis een minimumeis is, en dus geen recht geeft op doorstroming: het bevoegd gezag beslist over de toelating.

Onderdeel A (artikel 1)

Deze wijzigingen zijn juridisch-technisch van aard.

Onderdeel B (artikel 21)

De wijziging van artikel 21, tweede lid, onderdeel a, is nodig omdat artikel 12a van de WVO door de Wet profielen met ingang van 1 augustus 1998 is vernummerd tot artikel 16.

Onderdeel C (artikel 22)

Artikel 22 regelde de vakken in het vierde leerjaar van het vwo; deze voorschriften zijn nu vervangen door de voorschriften over de inrichting van de profielen.

Onderdeel D (artikel 23)

De voorschriften over minimaal te geven aantallen lessen (gedurende alle leerjaren) in maatschappijleer en de kunstvakken gelden voortaan alleen voor het mavo; voor het vwo en het havo gelden de profielvoorschriften, en voor de onderbouw de voorschriften van de basisvorming.

Voor lichamelijke opvoeding (het vak waarvoor in de periode van basisvorming geen landelijke toetsen zijn voorgeschreven) zijn echter ook voor vwo en havo voorschriften over minimaal te geven aantallen lessen gehandhaafd. De WVO geeft daarvoor de mogelijkheid, ook na de wijziging door de Wet profielen (artikel 22, derde lid, onderdeel a, van de WVO). Wel is het aantal lessen lichamelijke opvoeding voor vwo en havo nu uitgedrukt in klokuren, om aansluiting te geven op de nieuwe systematiek van studielasturen in de bovenbouw. De in artikel 23 genoemde uren zijn klokuren.

De genoemde 400 (vwo) en 360 (havo) klokuren zijn «contacturen». Zij komen precies (vwo) of afgerond (havo) overeen met het voorschrift vóór 1 augustus 1998: 480 respectievelijk 440 lesuren van 50 minuten. De adviestabel basisvorming gaat uit van in totaal 360 lesuren van 50 minuten, dus 300 klokuren les in de periode van basisvorming (de eerste drie leerjaren). Daar komen voor de bovenbouw de lesuren bij die overeenkomen met een normatieve studielast van 160 (vwo) respectievelijk 120 (havo) klokuren. De nu in artikel 23 vastgelegde regeling is er met andere woorden op gebaseerd dat deze uren normatieve studielast geacht kunnen worden overeen te komen met 100 (vwo) respectievelijk 60 (havo) klokuren «contacttijd». Dat komt precies (vwo) en ongeveer (havo) overeen met de vermenigvuldigingsfactor 1000/1600 die zou voortvloeien uit de verhouding «in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma»/totale studielast die artikel 12, vijfde lid, van de WVO noemt. In werkelijkheid zal deze verhouding, afhankelijk van de individuele school, echter wel hoger liggen: bij dit vak kan een groter deel van de totale studielast bestaan uit «contacttijd». Waar dit zo is, kunnen in de bovenbouw méér klokuren «les» worden gegeven, en bijvoorbeeld in de onderbouw wat minder. Dit is toegestaan. Voor de periode van basisvorming geldt immers een adviesurentabel. Voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs (de bovenbouw vwo/havo) geldt de normatieve studielast en die norm laat – ter keuze van de school – ruimte voor wat betreft de omrekening in contacttijd. De regel waaraan de school moet voldoen is dus dat de totale contacttijd over de gehele cursus 400 (vwo) respectievelijk 360 (havo) klokuren bedraagt.

Onderdeel E (artikel 26)

De adviesurentabellen voor de gehele cursus zijn voor vwo en havo vervallen, want voor de bovenbouw gelden nu de profielvoorschriften. Maar voor de onderbouw blijft de adviesurentabel basisvorming bestaan. Deze adviesurentabel is opgenomen in het kerndoelenbesluit.

Onderdeel F (artikelen 26a tot en met 26f)

Artikel 26a

Dit nieuwe artikel is gebaseerd op artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de WVO, waarin is voorgeschreven dat bij algemene maatregel van bestuur de normatieve studielast wordt vastgesteld van elk van de onderdelen van het profiel. Uitgangspunt is een totale normatieve studielast van 3 x 1600 = 4800 uren voor het vwo, en van 2 x 1600 = 3200 uren voor het havo. De normatieve studielast van het profieldeel (1840 respectievelijk 1160 uren) is overigens een algemeen getal dat mag worden overschreden. In de artikelen 26b en 26c is aangegeven dat bepaalde keuzemogelijkheden binnen een profieldeel ertoe kunnen leiden dat een leerling invulling geeft aan meer uren normatieve studielast voor de vakken in het profieldeel. Dat komt erop neer dat een deel van het vrije deel wordt gebruikt om het profieldeel uit te breiden. Het vrije deel omvat ongeveer 1/5 deel van de totale studielast: 1000 uren in het vwo (21% van het totaal) en 560 uren (17,5 %) in het havo. Dat vrije deel is niet geheel vrij in de zin dat dit geheel beschikbaar is voor door school en/of leerling zelf te kiezen programma-onderdelen die buiten de examenvoorbereiding vallen. In een deel van het vrije deel (ongeveer de helft) moeten een of meer examenonderdelen worden gekozen. Die mogen overigens ook door de school zelf worden omschreven, en zijn in die zin weer geheel vrij. Een en ander is aangegeven in de nieuwe voorschriften van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. (hierna kortweg: het Eindexamenbesluit) (zie de artikelen 11 tot en met 13 van dat besluit). Uitgangspunt daarbij is de situatie zoals die bestond voorafgaand aan 1 augustus 1998. Uitgaande van 30 lesuren per week werd daarvan in elk geval ongeveer 90% besteed aan examenvakken, en was 10% geheel vrij ter keuze van de school. In die 10% kon onder meer godsdienst worden gegeven.

Aansluitend daarop is nu in het Eindexamenbesluit vastgelegd dat ten minste 10% van de totale studielast, ofwel ongeveer de helft van het vrije deel, moet worden besteed aan vrij te kiezen examenvakken. De andere helft is «geheel vrij» ( met inachtneming van artikel 26d), maar dat betekent ook dat deze – ter keuze – mag worden besteed voor aanvullende examenvakken. Een en ander is overeenkomstig de voorstellen van de Stuurgroep. Deze heeft verschillende functies van het vrije deel genoemd: keuze van examenvakken om te voldoen aan de eisen van een tweede profiel, keuze van examenvakken met een ander doel, niet-vakgebonden activiteiten, verbreding en verdieping, aansluitingsmodulen. Hieraan wordt nog toegevoegd dat het «geheel vrije» deel van het vrije deel wel moet worden gebruikt voor andere vakken/deelvakken/programma-onderdelen dan die al worden gevolgd. Het is dan ook bijvoorbeeld niet mogelijk om de desbetreffende normatieve studielast te besteden aan méér tijd voor (het programma van) een van de vakken of deelvakken van het gemeenschappelijk deel of van het profieldeel. Het is wel mogelijk om het geheel vrije deel te besteden aan een uitbreiding en/of verdieping van zo'n vak in de vorm van «eigen» onderdelen buiten het examenprogramma. Zo zou een bijzondere school als uitbreiding van het profielvak geschiedenis een onderdeel kerkgeschiedenis kunnen geven, enz.

De keuzemogelijkheden binnen profieldelen en in het vrije deel die in de artikelen 26b en 26c worden genoemd (in artikel 26c ook in het gemeenschappelijk deel), worden de leerling steeds alleen geboden binnen de mogelijkheden die de school kan en wil bieden: zie artikel 13, vijfde lid, en artikel 14, vijfde lid, van de WVO zoals luidend door de Wet profielen. De school behoeft dus niet alle keuzemogelijkheden te bieden, en kan zelfs één «keuze» voorschrijven.

Artikel 26b

Dit nieuwe artikel is gebaseerd op artikel 15, eerste lid, onderdelen b en c, van de WVO, waarin is voorgeschreven dat bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld de verdeling van vakken in deelvakken, de nadere ordening van de in de artikelen 13 en 14 van de wet genoemde vakken met het oog op hun plaats in de drie delen van elk profiel, en de normatieve studielast van de vakken en deelvakken. Artikel 26b bevat een regeling voor de drie delen van elk profiel in het vwo.

Wat de benamingen van de vakken en deelvakken betreft is sprake van de volgende systematiek: «vak» X 1 geeft aan: deelvak 1 van vak X; vak X 1,2 geeft aan: het gehele vak X, bestaande uit deelvak 1 aangevuld met een onderdeel 2, dat al of niet ook als afzonderlijk deelvak kan voorkomen (dat laatste blijkt uit de opsomming van vakken en deelvakken in het artikel).

In het eerste lid worden de vakken en deelvakken van het gemeenschappelijk deel opgesomd. De deelvakken Franse taal en letterkunde 1 en Duitse taal en letterkunde 1 omvatten een belangrijk onderdeel in de voorbereiding op het wetenschappelijk onderwijs: de leesvaardigheid. De (volledige) vakken Nederlandse taal en letterkunde en Engelse taal en letterkunde omvatten meerdere taalvaardigheden en bovendien literatuur. Om het literatuuronderwijs bij de verschillende moderne talen beter op elkaar af te stemmen, wordt het onderdeel letterkunde in de examenprogramma's van de moderne talen op elkaar afgestemd. Bovendien zal de cijferlijst behorende bij het diploma één cijfer voor (moderne) letterkunde aangeven. Dat cijfer zal worden samengesteld uit de onderdelen Nederlandse en Engelse letterkunde uit het gemeenschappelijk deel, en de onderdelen letterkunde behorende bij de moderne talen die in het profieldeel cultuur en maatschappij en/of het vrije deel zijn gevolgd.

«Geschiedenis en maatschappijleer» is de korte vakbenaming die in het besluit is gekozen voor wat de wet (artikel 13, eerste lid) noemt: de combinatie geschiedenis en maatschappijleer.

Het algemeen-verplichte onderdeel lichamelijke opvoeding wordt aangegeven als deelvak lichamelijke opvoeding 1. Het in het vrije deel te kiezen examenvak lichamelijke opvoeding wordt aangegeven als lichamelijke opvoeding 2. Deze manier van onderscheiden past in de gekozen systematiek van vakken en deelvakken.

Het tweede lid regelt de vakken van het profieldeel natuur en techniek.

Het derde lid regelt de vakken en deelvakken van het profieldeel natuur en gezondheid. De leerling kan ervoor kiezen de deelvakken wiskunde B1, natuurkunde 1 en scheikunde 1 uit te breiden tot de volledige vakken wiskunde B1,2, natuurkunde 1,2 en scheikunde 1,2 . Als hij dit doet voor alle drie de deelvakken, voldoet hij tevens aan de eisen van het profiel natuur en techniek.

De normatieve studielast van het profieldeel bij zo'n uitbreiding boven 1840 uren (zie het zesde lid) is dan een invulling van het vrije deel.

Het vierde lid regelt de vakken van het profieldeel economie en maatschappij. De leerling kan het vak wiskunde A1,2 vervangen door het deelvak wiskunde B1, dat dezelfde normatieve studielast heeft, of, «bij uitbreiding», door het vak wiskunde B1,2. Er is sprake van een inhoudelijke overlap tussen de programma's van wiskunde A en wiskunde B, blijkend uit de vakinhoudelijke eindtermen en de vaardigheden (deze overlap in kennis, inzicht en vaardigheden in het vakgebied wiskunde is nog vergroot door de incorporatie van de «gemeenschappelijke» wiskunde in de wiskundevakken van elk profieldeel).

Door de vervanging treedt maar zeer ten dele een verlies van specifieke economisch-maatschappelijke gerichtheid op. Dit «verlies» van economisch-maatschappelijke gerichtheid wordt bovendien gecompenseerd door de kwalitatieve verhouding tussen de niveaus van «zuivere wiskunde» die wiskunde A en wiskunde B vertegenwoordigen. Een profiel economie en maatschappij met wiskunde B1 is praktisch gezien een even goede voorbereiding op economische en maatschappelijke vervolgstudies als dit profiel met wiskunde A. In de praktijk zou er bovendien door de wijze waarop wiskunde A en wiskunde B zich wat hun programma's betreft tot elkaar verhouden, een probleem ontstaan als wiskunde B niet wiskunde A zou mogen vervangen. De overlap maakt de keuze van wiskunde B in het vrije deel naast wiskunde A in het profieldeel in veel gevallen eigenlijk niet reëel. Het gaat dan om een keuze die nodig kan zijn als de leerling aan de eisen van een tweede profiel wil voldoen, dan wel wil voldoen aan doorstroomvereisten voor bepaalde niet bij het profiel aansluitende opleidingen in het hoger onderwijs. Er zou dan voor de leerling door de overlap sprake zijn van een te geringe studielast, maar anderzijds zou een te groot deel van de totale studielast worden ingenomen door het ene vakgebied wiskunde: dat is in strijd met het uitgangspunt van brede vorming. De mogelijkheid om wiskunde A te vervangen door wiskunde B voorkomt deze problemen. Dit leidt juist tot het praktische voordeel dat twee profielen gemakkelijker met elkaar kunnen worden gecombineerd, of dat op zijn minst de doorstroommogelijkheden gemakkelijker kunnen worden vergroot. Overigens is het voor degenen die dat willen, wel toegestaan om wiskunde A met wiskunde B te combineren. De normatieve studielast van het in het vrije deel gekozen (deel)vak wiskunde wordt dan echter «gekort» om rekening te houden met het overlappende deel. Dit is geregeld in het zevende lid, onderdeel a.

In het vijfde lid worden de vakken en deelvakken van het profieldeel cultuur en maatschappij genoemd:

a. Een taal, modern of klassiek. Als een klassieke taal wordt gekozen, moet ook het vak klassieke culturele vorming worden gevolgd. Op het gymnasium gebeurt dit door de in de wet (artikel 13, zesde lid) opgenomen verplichting om culturele en kunstzinnige vorming 1 uit het gemeenschappelijk deel te vervangen door klassieke culturele vorming. Latijnse en ook Griekse taal en letterkunde kan echter ook worden gekozen in het atheneum. Dan moet daarnaast wel klassieke culturele vorming worden gevolgd in het vrije deel (zie het zevende lid van artikel 26b, onderdeel e). Als taal kan ook Fries worden gekozen. In dit besluit is de normatieve studielast van dat vak bepaald op 400 uren: gelijk aan het aantal uren van de meest verwante taal, Engels. Tenslotte wordt opgemerkt dat indien Frans 2 of Duits 2 wordt gekozen, deze deelvakken de deelvakken Frans 1 en Duits 1 uit het gemeenschappelijk deel aanvullen tot de volledige vakken Frans 1,2 en Duits 1,2, die dan dus als een geheel moeten worden beschouwd.

b. Een andere taal, of ter keuze filosofie (gelet op artikel 13, tweede lid, ten tweede, van de WVO berust de keuze bij het bevoegd gezag, maar kan het bevoegd gezag ook bepalen dat de leerling zelf kiest).

c. Culturele en kunstzinnige vorming 2,3. Er wordt in dit besluit afgeweken van de eerder in de beleidsadvisering en beleidsnota's gebezigde term culturele en kunstzinnige vorming 2, en ook van de algemene systematiek van vakken en deelvakken. Er is hier, in het profiel cultuur en maatschappij, sprake van een vaste «combinatie van deelvakken» (met een normatieve studielast van in totaal 480 uren) , en dus niet van één (deel)vak. Allereerst zijn er vier varianten, waaruit een keuze moet worden gemaakt: muziek, drama, dans en beeldende vormgeving (dat wil zeggen de integratie van tekenen, handenarbeid, textiele werkvormen en audio-visuele vormgeving). Elk van deze varianten omvat een algemeen-theoretisch deel dat voor alle varianten identiek is en vooral van belang is in verband met de doorstroming naar het wetenschappelijk onderwijs. Dit algemeen-theoretische deel is deelvak 2 (200 uren). Binnen het profiel cultuur en maatschappij moet dit deelvak altijd worden gevolgd en bovendien altijd in combinatie met een disciplinegericht deel, deelvak 3 (280 uren), dat de theorie en de praktische beoefening van één van de vier genoemde (groepen van) kunstdisciplines omvat. Ondanks het feit dat het hier een vaste combinatie 2,3 betreft, die in het profiel cultuur en maatschappij dus fungeert als één vak, worden toch de onderdelen 2 en 3 afzonderlijk benoemd. Dit maakt het mogelijk dat een leerling het deelvak 3 afzonderlijk in het vrije deel kiest: als de leerling het profiel cultuur en maatschappij volgt, is dat dan een van de andere varianten van deelvak 3. De leerling die een ander profiel volgt dan cultuur en maatschappij, kan in het vrije deel kiezen: de combinatie 2,3, of deelvak 2 afzonderlijk, of een of meer van de varianten van deelvak 3 afzonderlijk.

d. geschiedenis.

e. wiskunde A1.

Het zesde lid legt vast dat een leerling binnen het profieldeel zodanige keuzen kan maken dat de normatieve studielast daarvan zich als het ware uitbreidt in het vrije deel. Zie ook de toelichting bij artikel 26a. Het betreft de keuzemogelijkheden in het profiel cultuur en maatschappij, maar ook de «uitbreidingen» van deelvak 1 tot vak 1,2 in met name de profielen natuur en gezondheid en cultuur en maatschappij, en de vervanging van wiskunde A door wiskunde B in de profielen economie en maatschappij en cultuur en maatschappij.

Het zevende lid legt de vakken, deelvakken en andere programma-onderdelen vast van het vrije deel. Zie ook de toelichting bij artikel 26a.

Onder a is vastgelegd dat alle vakken en deelvakken van een profiel door een leerling die dat profiel niet volgt, kunnen worden gevolgd in het vrije deel. De doorstroommogelijkheden kunnen dan eventueel worden vergroot, en er kan zelfs sprake van zijn dat aan de eisen van een tweede profiel wordt voldaan.

De onder b genoemde vakken zijn vreemde talen als «startersvak». Dat wil zeggen dat ze zijn bedoeld voor leerlingen die in de bovenbouw instromen zonder voorkennis van die talen, en deze talen dus niet in de onderbouw hebben gevolgd. Dit karakter maakt dat ze alleen kunnen worden gekozen in het vrije deel, dus niet in het profieldeel cultuur en maatschappij: de «startersvakken» bereiden onvoldoende voor op vervolgstudies in de culturele sfeer, en dienen meer de algemene vorming.

De onder c genoemde deelvakken biologie 1 (160 uren) en economie 1 (280 uren) zijn apart onderscheiden. Dat is gedaan omdat de overeenkomstige volledige vakken 1,2 een zodanig grote studielast hebben dat zij bij een keuze daarvan een zo groot deel van het vrije deel innemen, dat er nog maar weinig keuzemogelijkheden overblijven.

Onder d worden vakken genoemd die een landelijk examenprogramma hebben maar die niet als profielvak voorkomen. Informatica en lichamelijke opvoeding 2 zijn als te kiezen examenvak nieuw in vergelijking met de situatie van voor 1 augustus 1998. Het vak management en organisatie is in de plaats gekomen van het vak economische wetenschappen II en recht («bedrijfseconomie en – administratie»).

Het onder e genoemde vak klassieke culturele vorming moet steeds worden gevolgd als Latijn of Grieks wordt gevolgd. Zie de toelichting bij het vijfde lid van artikel 26b. Het omgekeerde geldt echter niet: de leerling van het atheneum kan in het vrije deel klassieke culturele vorming volgen zonder daarnaast Latijn of Grieks te volgen.

Onder f wordt aangegeven dat het vrije deel ook kan omvatten vakken en andere programma-onderdelen die door het bevoegd gezag worden vastgesteld. Zie de toelichting bij artikel 26d.

Het achtste lid bevat de specifieke voorschriften voor de inrichting van het onderwijs in het gymnasium. Enerzijds moet het onderwijs voldoen aan de vereisten van het eerste tot en met zevende lid, in samenhang met het in artikel 26a, eerste lid, genoemde voorschrift over de omvang van het vrije deel: die vereisten zijn samen als het ware het algemene model van het vwo. In het gymnasium komt daar als algemene verplichting iets bij: het onderwijs in Latijn en/of Grieks, aanvullend op het algemene model, en in samenhang daarmee het onderwijs in klassieke culturele vorming, in plaats van het onderwijs in culturele en kunstzinnige vorming 1, en dus als «variant» van het model. De normatieve studielast van Latijn en van Grieks is 480 uren. Dat is dus 10% van de totale normatieve studielast van de bovenbouw van het vwo. Omdat die 10% komt bovenop het algemene vwo-model, is het programma op het gymnasium intensiever dan op het atheneum.

De 10% ruimte komt beschikbaar doordat de gymnasiumleerling minder tijd nodig heeft voor het algemene vwo-programma: dat wordt als het ware ingedikt. Een en ander betekent dat een gymnasiumleerling in elk geval Latijn of Grieks volgt, en daarenboven een volledig programma volgt van 3 x 1600 = 4800 uren normatieve studielast volgens het algemene vwo-model. Dat kan met andere woorden, uitgaande van een jaar van 1600 feitelijke werkuren, alleen maar doordat in die 1600 uren de «gemiddelde» leerling van het gymnasium meer doet dan de «gemiddelde» leerling van het atheneum. Aan de gymnasiumeisen wordt dus niet voldaan als bijvoorbeeld de 480 uren voor Latijn/Grieks worden geplaatst in dat deel van het vrije deel (ongeveer de helft) dat niet is gereserveerd voor het examenpakket (zie de toelichting bij artikel 26a). Zie tevens de toelichting bij artikel II, onderdeel J (artikel 12 van het Eindexamenbesluit). Als het profiel cultuur en maatschappij wordt gevolgd, kan Latijn en/of Grieks in het profieldeel worden gekozen. Dat geldt zowel voor atheneum als voor gymnasium. Maar in het gymnasium blijft dan de verplichting overeind, in het totaal van het programma dat de leerling volgt, op herkenbare wijze invulling te geven aan (nog eens) een normatieve studielast van 480 uren. Overigens geldt dit alles ten aanzien van een normatieve studielast van 480 uren die overeenkomt met de in het gymnasium verplicht te volgen eerste klassieke taal. De tweede klassieke taal is niet verplicht, kan worden gekozen, en de normatieve studielast ervan maakt dan deel uit van de normatieve studielast volgens het algemene vwo-model. Uit artikel 12 (nieuw) van het Eindexamenbesluit vloeit voort dat de gymnasiumleerling een examenpakket volgt met een normatieve studielast van 1960 (gemeenschappelijk deel) + 1840 (profieldeel) + 960 (vrij deel) = 4760 uren. Gelet op de «10%-eis» moet daarnaast nog een «vrij» programma worden gevolgd van (4800 – 4760) + 480 = 520 uren (godsdienst, enzovoort, of een of meer extra examenvakken).

Artikel 26c

Dit artikel betreft het havo en is vergelijkbaar met artikel 26b.

De tweede moderne taal (zie het eerste lid) in het gemeenschappelijk deel (deelvak) omvat vaardigheden die voor de doorstroming naar het hbo van betekenis zijn. Dit zijn andere vaardigheden dan die in het wetenschappelijk onderwijs allereerst worden vereist. De deelvakken Franse en Duitse taal en letterkunde 1 kennen dus een andere gerichtheid dan de gelijknamige deelvakken in het vwo. De vaardigheden worden uitgewerkt in het eindexamenprogramma. In het profieldeel cultuur en maatschappij of in het vrije deel kan het deelvak taal X 1 worden aangevuld met het deelvak taal X 2 tot één combinatietaal X1,2. Het deelvak taal X 2 kan dus niet afzonderlijk worden gevolgd. Zie het vijfde lid, onderdeel a.

Het vak management en organisatie (vrij deel; zevende lid) is in de plaats gekomen van het vak handelswetenschappen en recht. Het vak informatica en het deelvak lichamelijke opvoeding 2, en voor het havo ook het vak filosofie, zijn als te kiezen examenvak nieuw in vergelijking met de situatie van voor 1 augustus 1998.

Het zevende lid onder f maakt het mogelijk dat een havo-leerling in het vrije deel een vwo-vak kiest. Deze expliciete bepaling betekent dat een dergelijke keuze, die uitzondering zal zijn en niet «regulier» is, niet in het gemeenschappelijk deel of het profieldeel mogelijk is. Zo'n mogelijkheid zou de kern van de profielgedachte aantasten, en bovendien op termijn kunnen leiden tot een verlaging van het vwo-niveau. Op zichzelf zou het immers voor een school om organisatorische en/of beheersmatige redenen aantrekkelijk kunnen zijn om het niveau van de vwo-vakken zo aan te passen dat zoveel mogelijk havo-leerlingen een vwo-vak zouden kunnen volgen. Een dergelijke ontwikkeling moet worden voorkomen. Daarentegen ontmoet het geen bezwaar dat bijvoorbeeld in het vrije deel een havo-leerling het vwo-vak klassieke culturele vorming volgt, of een taal als «startersvak» op vwo-niveau.

Als het desbetreffende vak overigens een centraal examen kent, moet rekening worden gehouden met praktische (on)mogelijkheden in verband met het rooster van het centraal examen; voor havo en vwo wordt dat rooster immers afzonderlijk opgesteld.

Artikel 26d

Dit artikel betreft het vrije deel en berust op artikel 15, eerste lid, onderdeel d, van de WVO, waarin is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven omtrent de vakken en andere programma-onderdelen, bedoeld in de artikelen 13, derde lid, onderdeel c, en 14, derde lid, onderdeel c, van de WVO.

Voor een goed begrip hiervan is het zinvol eerst de aard en functie van het vrije deel toe te lichten.

Zoals in de toelichting bij artikel 26a is aangegeven, wordt ongeveer de helft van het vrije deel in elk geval ingevuld met eindexamenonderdelen. De andere helft is «geheel vrij», het betreft onder andere onderdelen die door het bevoegd gezag worden vastgesteld. Godsdienst is hiervan het voorbeeld. In het Eindexamenbesluit is echter geregeld dat door het bevoegd gezag vastgestelde programma-onderdelen óók onderdeel kunnen uitmaken van het eindexamen. Ze moeten dan wel aan bepaalde voorwaarden voldoen: zie artikel II, onderdeel J (artikelen 11 tot en met 13 van het Eindexamenbesluit). In artikel 26d van het Inrichtingsbesluit gaat het niet om díe voorwaarden, maar om voorwaarden waaraan elk onderdeel van het vrije deel moet voldoen: alleen voor godsdienst wordt geen enkele voorwaarde gesteld.

Allereerst is in het eerste lid bepaald dat door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen in principe een normatieve studielast moeten hebben van ten minste 40 uren. Dat vereiste is opgenomen om versnippering te voorkomen. Uitzonderingen zijn overigens mogelijk: bijvoorbeeld een excursie die vier dagen duurt en niet vijf. De tweede volzin van het eerste lid regelt dit.

Is de normatieve studielast hoger dan 40 uren, dan moet deze een geheel veelvoud zijn van 40: dat bevordert de evenwichtigheid en vergelijkbaarheid.

Binnen deze kaders is zeer veel mogelijk. Er is plaats voor eigen keuzen van scholen. Er is ook plaats voor nieuwe ontwikkelingen die perspectieven bieden voor een latere verbreiding naar andere scholen. In combinatie met de studielastbenadering zijn niet alleen geheel nieuwe inhouden mogelijk, maar ook geheel nieuwe vormen. Een voorbeeld daarvan is een invulling in samenwerking met of zelfs feitelijk door het vervolgonderwijs: dit kan de vorm hebben van korte oriënterende «meeloopperioden», maar ook van het volgen van een cursus in het vervolgonderwijs, of het kan de vorm hebben van een meer of minder omvangrijk en intensief speciaal voortraject, zoals die bestaan door samenwerking tussen het voortgezet onderwijs en het kunstvakonderwijs. Ook samenwerking met buitenschoolse instellingen op het gebied van kunst, cultuur, het beroepsleven en lichamelijke opvoeding/sport is mogelijk. Het vrije deel biedt dus mogelijkheden voor een directe «vermaatschappelijking» van het onderwijs.

Het tweede lid van artikel 26d bevat in verband met deze samenwerking met andere instellingen en personen van buiten de school een voorziening die nodig is vanwege overheidsverantwoordelijkheid voor de deugdelijkheid van het onderwijs en voor de waarborgen ten aanzien van de inzet van personeel in het onderwijs.

Het bevoegd gezag kan, zoals hierboven al toegelicht, bij de vaststelling van vakken en andere programma-onderdelen andere instellingen of deskundige personen van buiten de school betrekken. In dat geval, zo bepaalt het tweede lid, kan het onderwijs in die vakken en andere programma-onderdelen mede worden verzorgd door die andere instellingen of deskundige personen. Wel blijft in alle gevallen het bevoegd gezag uiteindelijk verantwoordelijk voor het verzorgde onderwijs. Het bevoegd gezag moet bewaken dat het onderwijs wordt verzorgd volgens maatschappelijk erkende normen. Dit moet blijken doordat die instellingen of de functies van de betrokken personen voldoen aan geldende wettelijke voorschriften ofwel, als deze ontbreken, aan normen die voor de desbetreffende maatschappelijke sector gebruikelijk zijn en algemeen erkend zijn. Verder wordt artikel 33, eerste lid, van de WVO (de basis van de onderwijsbevoegdheidsregeling) voor degenen die dit onderwijs verzorgen van overeenkomstige toepassing verklaard, met dien verstande dat in plaats van een bewijs van bekwaamheid en een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding op grond van de WVO als voorwaarde geldt het bezit van een kwalificatie die passend is, gezien de maatschappelijke sector waar het om gaat.

Wanneer bijvoorbeeld een school zou besluiten om, in overleg met (para)medisch vervolgonderwijs, in het vrije deel een oriëntatiecursus op te nemen gericht op dat (para)medisch vervolgonderwijs, dan zullen docenten die vanuit het vervolgonderwijs in de school voor vwo of havo het desbetreffende onderwijs geven, moeten voldoen aan de wettelijke benoembaarheidseisen die gelden voor de docenten in dat vervolgonderwijs. Als de school zonder inschakeling van het (para)medisch vervolgonderwijs besluit om zo'n oriëntatiecursus in te richten, dan zouden de docenten die daartoe van buiten de school worden aangesteld, moeten voldoen aan de wettelijke eisen die gelden voor de uitoefening van het desbetreffende (para)medische beroep, waaronder de eis van het bezit van het desbetreffende diploma of getuigschrift. Als een cursus wordt georganiseerd in samenwerking met een sector van het bedrijfsleven waarvoor geen specifieke wettelijke regels gelden, dan zou als «maatschappelijk erkende norm» bijvoorbeeld kunnen gelden dat het om bedrijven gaat die vallen onder een erkenningsregeling en/of een garantieregeling van het bedrijfsleven en/of van consumentenorganisaties. Als alternatief voor het in het onderwijs gebruikelijke bewijs van bekwaamheid zou dan bijvoorbeeld een vakdiploma kunnen gelden dat een rol speelt in de erkenningsregeling, en/of dat in de desbetreffende CAO wordt genoemd, enz.

Artikel 26e

Artikel 26e regelt vrijstellingen en berust op artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de WVO, waarin twee groepen van leerlingen zijn vermeld die in elk geval voor vrijstelling in aanmerking kunnen komen.

De eerste in de wet genoemde categorie is uitgewerkt in het eerste lid van artikel 26e: vrijstelling van het volgen van het onderwijs in lichamelijke opvoeding 1 indien de leerling niet in staat is dit onderwijs te volgen.

Bij de hier genoemde vrijstelling voor lichamelijke opvoeding 1 komt er geen onderwijs voor in de plaats. Het gaat in principe om gehandicapte leerlingen, die de vrijgekomen studielast in veel gevallen goed zullen kunnen gebruiken om aan de eisen van de rest van het programma te voldoen. Het initiatief voor de vrijstelling kan uitgaan van de leerling of diens ouders, voogden of verzorgers, maar ook van de school.

In het tweede lid is vastgelegd dat de leerling die met een havo-diploma wordt toegelaten tot het vwo (vijfde leerjaar) is vrijgesteld van een aantal onderdelen van het gemeenschappelijk deel die hij al heeft gevolgd in het havo. Weliswaar hebben deze onderdelen in het havo ten dele een iets ander programma, en een wat kleinere normatieve studielast, maar daar staat als compensatie tegenover dat de leerling al de stevige, brede ondergrond van een diplomastudie heeft. Deze regeling heeft bovendien een praktische reden: de desbetreffende onderdelen zijn veelal in het vwo al geheel of voor een groot deel afgerond in het vierde leerjaar, zodat het voor de havo-leerling moeilijk is alsnog te voldoen aan de eisen in het vijfde leerjaar vwo.

De tweede in de wet genoemde categorie is uitgewerkt in het derde en vierde (en vijfde) lid: het betreft vrijstellingen voor moderne vreemde talen voor leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond.

In het derde lid wordt vastgelegd dat bepaalde groepen van leerlingen in het vwo door de school kunnen worden vrijgesteld van onderwijs in de deelvakken Franse en/of Duitse taal en letterkunde 1 van het gemeenschappelijk deel. Het kan daarbij gaan om de volgende redenen.

a. De leerling heeft in de onderbouw niet of onvoldoende onderwijs in de desbetreffende taal of talen gevolgd: hij is in de onderbouw daarvan vrijgesteld als leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en/of afkomstig uit het buitenland;

b. De leerling heeft geen onderwijs in de (Nederlandse) onderbouw gevolgd, maar is als «zij-instromer» direct in de bovenbouw geplaatst;

c. De leerling heeft een havo-diploma en was eerder om vergelijkbare redenen vrijgesteld van het onderwijs in Frans en/of Duits.

Overigens mag de school alleen een vrijstelling geven voor het onderwijs in Frans en/of Duits als dat onderwijs ook daadwerkelijk in het voortraject ontbrak. Ontbrak alleen Frans, dan moet Duitse taal en letterkunde 1 natuurlijk wel worden gevolgd, en omgekeerd.

Het vierde lid bevat een soortgelijke regeling voor het onderdeel moderne taal en letterkunde 1 uit het gemeenschappelijk deel havo. De categorie c betreft hier de leerling die met een mavo-diploma doorstroomt naar het havo, en reeds in de periode van basisvorming werd vrijgesteld van onderwijs in de tweede moderne (vreemde) taal (Frans/Duits).

De in het havo gegeven vrijstelling is niet zo vanzelfsprekend als die in het vwo. In het vwo zijn immers Frans en Duits beide in het gemeenschappelijk deel verplicht. In het havo is er een keuze mogelijk wat betreft de tweede moderne taal in het gemeenschappelijk deel: er kan ook worden gekozen voor bijvoorbeeld Turks of Arabisch. Er zullen echter scholen zijn die alleen Frans en Duits kunnen aanbieden. De vrijstellingsmogelijkheid is dus ook in het havo wel degelijk nodig. Het is echter geen automatisme. De school kán de vrijstelling verlenen, en bovendien: in het zesde lid is bepaald dat er dan ander onderwijs in de plaats komt van de vrijstelling. Indien mogelijk en nuttig heeft dat onderwijs betrekking op «taal». Dat behoeft echter niet «taal» als examenvak te zijn. Het is mogelijk om bijvoorbeeld extra onderwijs in Nederlands te geven. Of onderwijs in een «kleine» allochtone taal, die geen landelijk examenvak is. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het onderwijs dat voor de leerling in de plaats komt van de verplichte taal nooit tot het gemeenschappelijk deel gerekend kan worden; in zekere zin wordt het vrije deel verruimd. De gevolgen van de vrijstellingen op het examenpakket zijn geformaliseerd in de desbetreffende voorschriften van het Eindexamenbesluit (nieuwe artikelen 11, 12 en 13).

Het vijfde lid biedt de mogelijkheid dat de inspectie in bijzondere gevallen kan goedkeuren dat de vrijstelling voor de talenonderdelen in het gemeenschappelijk deel ook kan worden verleend aan een leerling die niet voldoet aan de daartoe algemeen gestelde voorwaarden. Hier zou gedacht kunnen worden aan een leerling met een mavo-diploma zónder tweede vreemde taal in het examenpakket (zonder dat in de basisvorming sprake is geweest van vrijstelling voor Frans/Duits) die doorstroomt naar het havo. Die groep is te identificeren, maar het ligt niet in de rede daarvoor een algemene regeling te treffen. Het geven van vrijstelling is hier geen vanzelfsprekend automatisme, zal wellicht in een enkel geval redelijk zijn, echter niet als algemene regel. De leerling heeft in elk geval wel Frans en/of Duits gevolgd in de periode van basisvorming. Een individuele toetsing door de inspectie, waarbij op grond van de ervaring normen ontwikkeld worden, ligt in de rede.

Artikel 26f

Dit artikel berust op artikel 15, tweede lid, van de WVO. Het «examenjaar» is korter, en de zelfstudie voor het (centraal) examen is groter. Daarom omvat het in schooltijd verzorgde onderwijsprogramma minder uren. Overigens is het in artikel 26f genoemde aantal van 700 uren groter dan het aantal uren (650 klokuren) dat bij de toepassing van de Wet tegemoetkoming studiekosten als voorwaarde geldt om ten aanzien van het laatste leerjaar in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de studiekosten. Zie daarvoor de beleidsregels van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen inzake Toetsing nieuwe urennorm Wet op de studiefinanciering/Wet tegemoetkoming studiekosten, 26 februari 1996, nr. SFB-9600 5520 (Stcrt. 1996, 41).

Onderdelen G en H (artikelen 38 en 39)

De bepaling in artikel 38 heeft haar werking inmiddels verloren en wordt om die reden uit het besluit verwijderd. Daarom moet ook artikel 39 worden aangepast.

Onderdeel I (artikel 40)

Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 1996 van de WEB heeft de WVO uitsluitend nog betrekking op vwo, havo, mavo en vbo. Daarom heeft vermelding van de schoolsoorten in de citeertitel van het Inrichtingsbesluit haar onderscheidende betekenis verloren. In plaats daarvan wordt, net als bij het Bekostigingsbesluit W.V.O. en het Formatiebesluit W.V.O., de aanduiding «W.V.O.» toegevoegd.

Artikel II. Wijziging Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.

Algemeen

Het Eindexamenbesluit moet worden gewijzigd in verband met de invoering van de profielen. De wijzigingen houden allereerst in, het opnemen van de profielvoorschriften in de voorschriften over het examenpakket: onderdeel J, nieuwe artikelen 11, 12 en 13. Daaruit vloeit ook voort een nieuwe uitslagregeling (onderdeel X, artikel 49). Verder is er een aanpassing nodig aan de systematiek waardoor het «schoolonderzoek» wordt vervangen door een schoolexamen met een sterker eigen karakter (onderdeel C, artikel 4). Dat eigen karakter komt tot uitdrukking in het door de Stuurgroep voorgestelde examendossier (onderdeel T, artikel 35c). Onder andere omdat sommige (meest «kleinere») vakken alleen een schoolexamen hebben en geen centraal examen, en ook om het schoolexamen meer gewicht te geven wordt het schoolexamen sterker aan kwaliteitsnormen gebonden dan voor het schoolonderzoek gebruikelijk was: door nauwkeuriger voorschriften over de inhoud cum annexis in de examenprogramma's (onderdeel F, artikel 7), door voorschriften over het aantal herkansingen (onderdeel U, artikel 35a) en over het examendossier (onderdeel T, artikel 35c). Dat het schoolexamen meer gewicht moet hebben komt onder andere omdat daarin veel algemene vaardigheden zullen worden getoetst en omdat ernaar wordt gestreefd overlap tussen schoolexamen en centraal examen te vermijden.

Een aantal technische wijzigingen is nodig omdat het eindexamen zich in het vervolg, wat het schoolexamen betreft, uitstrekt over de gehele bovenbouw: sommige vakken (van het gemeenschappelijk deel) zullen zelfs in het algemeen al worden afgesloten aan het eind van het vierde leerjaar.

Een tweetal zaken zal nog in een volgend besluit worden geregeld, omdat ze nader overleg en technische uitwerking vereisen. Het gaat om de mogelijke invoering van een uitgebreider tweede centraal examen in augustus, en om het zo genaamde sprokkelen in het vavo, in relatie tot het dagonderwijs. Verder moeten de examenprogramma's nog formeel worden vastgesteld. Op grond van artikel III van de Wet van 9 juni 1994 , Stb. 454 (nevenvestigingen) gebeurt dit bij ministeriële regeling. In een vervolgbesluit zal ook het Besluit staatsexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. 1978 worden aangepast aan de profielensystematiek.

Onderdeel A (artikel 1)

Deze wijzigingen zijn van technische aard.

Omdat het schoolexamen in het vervolg behalve «toetsen» in de traditionele zin ook praktische opdrachten e.d. zal omvatten, is een begripsbepaling van «toetsen» opgenomen.

Onderdeel C (artikel 4)

De term «schoolonderzoek» is in het gehele besluit vervangen door de term «schoolexamen» (zie onderdeel E), ook voor mavo en voorbereidend beroepsonderwijs (hierna: vbo). De aanpassing is wat mavo en vbo betreft echter louter een technisch-redactionele, dus zonder inhoudelijke betekenis. Zij is aangebracht omdat anders door het hele besluit heen twee verschillende aanduidingen zouden moeten worden gehanteerd. De geldende examenprogramma's behoeven overigens niet te worden aangepast: voor de vermelding van «schoolonderzoek» daarin kan in het vervolg eenvoudig worden gelezen: schoolexamen.

Specifiek voor vwo en havo bepaalt artikel 4 verder dat het schoolexamen tevens een profielwerkstuk omvat.

Onderdeel E (artikelen 5, 8, 32, 34, 35, 38, 45, 47, 53 en 56)

De term «schoolonderzoek» is in het gehele besluit vervangen door de term «schoolexamen».

Onderdeel F (artikel 7)

Door de tweede volzin worden stringentere voorwaarden geformuleerd voor de inhoudelijke opzet van het schoolexamen dan gebruikelijk was voor het schoolonderzoek.

Onderdeel G (artikel 8)

De woorden «in het laatste leerjaar van de cursus» (eerste lid) zijn geschrapt omdat onder de profielen het examen zich niet beperkt tot het laatste leerjaar. Deze wijziging strekt zich ook uit tot mavo en vbo.

Het gewijzigde vijfde lid is nu beperkt tot het mavo, omdat voor het vwo en het havo het vakkenpakket is neergelegd in de nieuwe artikelen 11 tot en met 13.

Onderdeel I (artikel 10)

Deze wijziging houdt in dat het vwo en het havo zijn geschrapt uit het artikel dat de eindexamenvakken opsomt. In plaats daarvan gelden voor vwo en havo de artikelen 11 tot en met 13.

Onderdeel J (artikelen 11 tot en met 13)

Artikel 11

In dit artikel worden specifiek de onderdelen van het eindexamen vwo (atheneum) genoemd.

Wat het gemeenschappelijk deel betreft wordt ten aanzien van de letterkunde opgemerkt dat dit in de inrichtingsvoorschriften en de eindexamenprogramma's niet een afzonderlijk «vak» is, maar dat de verschillende onderdelen (moderne) letterkunde wel op elkaar worden afgestemd in de examenprogramma's. Er wordt vervolgens één eindcijfer voor letterkunde vastgesteld welk onderdeel dan wordt gerekend tot het gemeenschappelijk deel. Het is samengesteld uit Nederlandse en Engelse letterkunde, én de onderdelen letterkunde van de moderne talen die in het profieldeel (cultuur en maatschappij) en/of het vrije deel zijn opgenomen.

Tot het profieldeel behoort onder andere een profielwerkstuk. Het heeft betrekking op ten minste twee (deel)vakken van het profieldeel, en maakt als zodanig deel uit van de examenprogramma's van die vakken. De bedoeling van het profielwerkstuk is dat de kandidaat daarin of daarmee zijn kennis, inzicht en vaardigheid toont op een geïntegreerde wijze.

Behalve de onderdelen van het gemeenschappelijk deel en van het profieldeel, moeten ook nog examenonderdelen worden gekozen in het vrije deel. Zie de toelichting bij artikel 26d van het Inrichtingsbesluit W.V.O. Ongeveer de helft van het vrije deel is bedoeld voor examenonderdelen. Gezien de normatieve studielast van de verschillende vakken en deelvakken, en in verband met het streven om de omvang van onderdelen van het eindexamen steeds te bepalen op een normatieve studielast die een veelvoud van 40 uren is, wordt «ongeveer de helft» nader bepaald op een normatieve studielast van 480 uren (eerste lid, onderdeel c). Als het profieldeel een grotere normatieve studielast heeft dan 1840 uren, behoeft in het vrije deel dienovereenkomstig minder normatieve studielast te worden ingevuld voor het examen (tweede lid).

Nieuw is dat het bevoegd gezag «eigen» examenvakken en andere programma-onderdelen van het examen mag vaststellen, op voorwaarde dat de minister daarvoor goedkeuring verleent. Zie ook de toelichting bij artikel 26d van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

In het derde lid wordt vastgelegd dat een kandidaat die eindexamen aflegt aan een school voor vwo (= een dagschool in het «jeugdonderwijs») voor het eindexamen wordt vrijgesteld van de onderdelen waarvoor hij werd vrijgesteld van het volgen van onderwijs op grond van het Inrichtingsbesluit W.V.O. (artikel 26e van dat besluit). Op de opleidingen vavo is dat inrichtingsbesluit niet van toepassing, daarom worden in afzonderlijke leden voor de opleidingen vavo overeenkomstige vrijstellingen vastgelegd naast de vrijstelling voor die opleidingen in het vierde lid.

Artikel 12

In dit artikel is aangegeven welke onderdelen het eindexamen vwo (gymnasium) omvat. Naast de onderdelen die overeenkomen met het eindexamen vwo (atheneum), waarbij culturele en kunstzinnige vorming 1 is vervangen door klassieke culturele vorming, omvat het eindexamen altijd Latijn en/of Grieks. In verband daarmee moet de kandidaat behalve de vakken en deelvakken van het gemeenschappelijke deel (waaronder dus klassieke culturele vorming) en van het profieldeel nog examenonderdelen in het eindexamen opnemen tot een normatieve studielast van 960 uren (eerste lid, onderdeel c): de normatieve studielast van Latijn en van Grieks is 480 uren. Zie voor de consequenties voor het onderwijs ook de toelichting bij artikel 26b, achtste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. Zie verder de toelichting bij artikel 11.

Artikel 13

Zie de toelichting bij de artikelen 11 en 12. In het vrije deel moeten nog eindexamenonderdelen worden gekozen met een normatieve studielast van minimaal 320 uren (ongeveer de helft van 560 uren).

Onderdeel K (artikelen 14 tot en met 16 en 20 tot en met 21a)

Deze bepalingen zijn inhoudelijk vervangen door de nieuwe artikelen 11, 12 en 13.

Onderdeel N (artikel 31)

Deze wijzigingen van artikel 31 houden (voorzover niet technisch of redactioneel van aard) in dat het programma van toetsing en afsluiting ook regels moet bevatten over de herkansing van onderdelen van het schoolexamen en over het herexamen (zie de artikelen 35a en 35b).

Onderdeel P (artikel 32)

Nieuw is dat het bevoegd gezag bepaalt wanneer het schoolexamen begint. Dit begin zal, zeker in het vwo en havo, in het algemeen niet meer vallen in het laatste leerjaar.

Ten aanzien van de afsluiting van het schoolexamen bepaalt het derde lid dat de afsluiting van het schoolexamen vwo in de deelvakken Franse taal en letterkunde 1 en Duitse taal en letterkunde 1 plaatsvindt in het laatste leerjaar. Dit waarborgt een voldoende leesvaardigheid Frans en Duits op het moment van instroom in het wetenschappelijk onderwijs.

Onderdeel S (artikel 35)

Het nieuwe derde lid van artikel 35 bepaalt dat de daar genoemde deelvakken van het schoolexamen geen «cijfer» krijgen, maar een beoordeling met «voldoende» of «goed». Dit hangt samen met de aard van die onderdelen. Enerzijds zijn die niet te beoordelen met de exactheid die een cijfer suggereert: een cijfer dat dan vervolgens wel zou meetellen in de slaag/zakregeling, en dus bijvoorbeeld een onvoldoende bij Nederlands of wiskunde zou kunnen compenseren.

Anderzijds mag een «voldoende» afronding van deze onderdelen worden gevraagd, rekening houdend met de mogelijkheden van de kandidaat. Zie artikel 49. Zie ook het algemene deel van deze nota van toelichting, onderdeel «Advies Onderwijsraad en overige ontvangen commentaren».

Het vierde lid bepaalt dat ook de (uiteindelijke) beoordeling van het profielwerkstuk «voldoende» of «goed» moet zijn. Zie ook de toelichting bij artikel 35a.

Onderdeel T (artikelen 35a tot en met 35c)

Artikel 35a

In artikel 35a wordt enerzijds de kandidaat het recht gegeven om een aantal onderdelen van het schoolexamen te herkansen. Anderzijds wordt in dit artikel een beperking aangebracht van de herkansingsmogelijkheden in het schoolexamen. Deze beperking is gewenst om het niveau en de gelijkwaardigheid van de schoolexamens te verhogen respectievelijk te vergroten. Voor 1 augustus 1998 bestonden in het schoolonderzoek wat dit betreft vrij grote verschillen tussen scholen. Deze verschillen zijn ongewenst. Het schoolexamen omvat per vak verschillende soorten onderdelen: traditionele toetsen (schriftelijke of mondelinge vragen en opdrachten), en praktische opdrachten, maar ook zo genaamde handelingsdelen en een profielwerkstuk. De handelingsdelen en het profielwerkstuk worden niet beoordeeld met een cijfer (zie onderdeel S, artikel 35). Ze vallen ook niet onder de beperking van de herkansingsmogelijkheid. Ze moeten namelijk in alle gevallen «naar genoegen» worden afgerond, en dat kan in het uiterste geval enkele malen «herhaling» vragen: in de praktijk zal dat soms op andere wijze worden opgelost, bijvoorbeeld door bijsturing tijdens het proces van uitvoering. De beperking van de herkansingsmogelijkheid heeft dus betrekking op die onderdelen van het schoolexamen (toetsen, waaronder begrepen praktische opdrachten) die worden beoordeeld met een cijfer. Daarbij is gekozen voor een eenvoudige systematiek die niet allerlei soorten gevallen en «herkansingen» onderscheidt.

Allereerst (eerste lid) kan een toets/opdracht alleen opnieuw worden gemaakt als het cijfer lager dan 6 was. De toets/opdracht kan ook worden ingehaald, als de kandidaat niet kon deelnemen door ziekte of andere vormen van overmacht.

Het tweede lid geeft een eenvoudige regel voor het maximale aantal malen dat aldus kan worden deelgenomen aan een herkansings-/inhaaltoets: het aantal malen per toets is maximaal twee, en het totaal is maximaal gelijk aan het aantal met een cijfer beoordeelde toetsen van het schoolexamen gedeeld door vier. Als er bijvoorbeeld in totaal 28 van zulke toetsen zijn, dan is het maximale aantal herkansings- plus inhaalmogelijkheden 7. De regeling voor het «jeugdonderwijs» houdt geen voorschrift in over de verdeling van dat maximum over herkansingen en inhaaltoetsen, over vakken, etc. De school/instelling moet overigens zelf regels vaststellen: die kunnen betrekking hebben op aanvullende beperkingen. Anderzijds moet de school in elk geval de kandidaat een minimaal aantal herkansingsmogelijkheden aanbieden: het aantal met een cijfer beoordeelde toetsen van het schoolexamen gedeeld door 10.

Artikel 35b

Door artikel 35b wordt de kandidaat een aanvullende mogelijkheid gegeven om een onvoldoende resultaat te verbeteren voor een vak waarvoor het cijfer van het schoolexamen tevens eindcijfer is: dat is met andere woorden een vak waarvoor geen centraal examen bestaat, en waarvoor er daardoor niet een mogelijkheid is om het cijfer te verbeteren in het centraal examen. Als – ook na eventuele herkansingen voor onderdelen – het (eind)cijfer onvoldoende is, mag voor één zo'n vak een herexamen worden afgelegd. De school moet deze mogelijkheid bieden. De school bepaalt, gelet op het examenprogramma, de stof waarop het herexamen betrekking heeft. Dat wil zeggen: het herexamen heeft in principe betrekking op de gehele examenstof, maar de school kan voldoende resultaten die eerder werden behaald op onderdelen, betrekken in de cijferbepaling, door bijvoorbeeld het herexamen alleen betrekking te laten hebben op de stof van toetsen/opdrachten van het schoolexamen met een onvoldoende resultaat. Het herexamen omvat in beginsel één zitting/toets, maar waar er bij voorbeeld sprake is van praktische opdrachten, zou ook van meerdere zittingen sprake kunnen zijn.

Artikel 35c

In dit artikel wordt aangegeven dat het schoolexamen de vorm krijgt van een examendossier. Er wordt mee tot uitdrukking gebracht dat het schoolexamen een samenhangend geheel is dat niet bestaat uit losse toetsen die een momentopname vormen waarvan de weerslag alleen een cijfer is. Het schoolexamen documenteert een geheel aan kennis, inzicht en vaardigheden, dat ook als zodanig moet worden vastgelegd of bewaard («dossier»). Dan kan bijvoorbeeld het vervolgonderwijs door studie te maken van het dossier bij de toelating een beter inzicht krijgen in de capaciteiten van de aankomende student. Een aanzet tot concretisering hiervan wordt gegeven doordat het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk afzonderlijk wordt vermeld op de «cijferlijst» (zie artikel 52). Verder worden wat dit betreft aanzetten gegeven in de examenprogramma's. Voor het overige moet het examendossier zich geleidelijk verder ontwikkelen, en worden in dit stadium geen nadere voorschriften gegeven. Voorlopig kan het dossier als documentatie de vorm hebben van de (wat uitgebreide) cijferlijst, maar een school/instelling kan ook kiezen voor een «examenboekje» waarin resultaten uitgebreider worden gedocumenteerd. En een dossier in materiële zin (een «map» met werkstukken en dergelijke) is ook heel goed mogelijk.

Onderdeel V (artikel 46)

Artikel 46 van het Eindexamenbesluit vervalt. In dit artikel was geregeld dat een bijzondere school aan de Onderwijsraad kon verzoeken niet te hoeven deelnemen aan het centraal examen in de «identiteitsgevoelige» vakken geschiedenis en staatsinrichting of maatschappijleer, indien het bevoegd gezag dringend bezwaar had tegen een onderwerp dat werd aangewezen voor het centraal examen. Voor maatschappijleer moet de regeling vervallen: noch het in het kader van de profielen voor dat vak voorgestelde examenprogramma vwo en havo, noch het geldende nieuwe examenprogramma mavo/vbo C/D kent nog door de minister aangewezen onderwerpen. De bepaling is daardoor voor dit vak overbodig geworden.

Een dergelijke regeling heeft voor het overige het bezwaar dat examens daardoor ongelijk worden. Verder is het de verantwoordelijkheid van de minister om met de verscheidenheid aan opvattingen rekening te houden bij de aanwijzing en het doen uitwerken van (wisselende) onderwerpen. De ontheffingsmogelijkheid moet met andere woorden niet nodig zijn, en werkt in zekere zin eerder als een ontheffing voor de minister: van zijn verantwoordelijkheid in het Nederlandse bestel. De ervaring heeft uitgewezen dat alle betrokkenen ernaar hebben gestreefd om op correcte wijze vorm te geven aan de wederzijdse verantwoordelijkheden. Met de aanwijzing van onderwerpen door de minister én de reactie daarop door bijzondere scholen is prudent omgesprongen, zonder dat dit leidde tot kleurloze onderwerpen in het examen en «kleurloos» onderwijs op de betrokken scholen. Van het artikel is dan ook in de praktijk nooit gebruik gemaakt. Daarbij komt nog dat ook in de examenprogramma's van geschiedenis, zoals die tot stand komen in een uitvoerige procedure van hoor en wederhoor, nu veel meer dan in het verleden de onderwerpen (in de vorm van domeinen/subdomeinen) expliciet worden benoemd en uitgewerkt (in eindtermen). Dat geldt, met de andere overwegingen, ook voor mavo/vbo C/D, zodat de bepaling nu in algemene zin is geschrapt, ook voor deze schoolsoorten.

Onderdeel X (artikel 49)

Het spreekt vanzelf dat de uitslagregeling moet worden aangepast aan de nieuwe ordening van profielen, vakken en deelvakken. Probleem daarbij is dat, anders dan in de structuur vóór 1 augustus 1998, er qua systematiek niet een uniform pakket van zes of zeven examenvakken is. Het pakket kan nu verschillen: er zijn meer of minder vakken, er zijn vakken en deelvakken, «grote» en «kleine» vakken en deelvakken, vakken met een centraal examen en zonder een centraal examen, enzovoort. De nu geformuleerde uitslagregel heeft als uitgangspunt dat hij op gelijke wijze toepasbaar is voor verschillende gevallen, zonder dat de toepassing van de regeling door school of leerling wezenlijk is te beïnvloeden. Een regeling waarbij afzonderlijke voorschriften voor schoolexamen en centraal examen worden vastgesteld (zoals in de beleidsvoorbereiding en -advisering voorgesteld), heeft onder andere als nadeel dat zij «manipuleerbaar» is, door al of niet (deel)vakken te kiezen met een centraal examen. De nu vastgestelde regeling heeft dat nadeel niet, maar geeft toch een zeker extra gewicht aan het centraal examen, doordat aan een afzonderlijke «slaag-zakregel» moet worden voldaan voor de profielvakken: dat zijn in het algemeen de vakken en deelvakken met een centraal examen. De (deel)vakken van het profieldeel zijn bovendien overwegend «grote» vakken, zodat het effect wordt voorkomen dat een hoog cijfer voor een «klein» vak of deelvak van het gemeenschappelijk deel zonder meer een onvoldoende cijfer voor een «groot» profielvak kan compenseren. De (deel)vakken van het profieldeel zijn ook de onderdelen die iets «zwaarder» mogen wegen in verband met hun belang voor de doorstroming. De regel in onderdeel b van het tweede lid van artikel 49 honoreert deze overwegingen. De regel in onderdeel a van het tweede lid honoreert echter óók het belang van een redelijk resultaat over het geheel van het examenpakket. De uitslagregel heeft ten slotte als groot voordeel dat terwijl aan al deze overwegingen tegemoet wordt gekomen de regel toch eenvoudig blijft. De school en de kandidaat kunnen op eenvoudige wijze vaststellen of aan de voorwaarden a én b wordt voldaan.

Als aanvulling op deze «cijferregel» geldt als voorwaarde voor slagen dat de beoordeling van het profielwerkstuk (en voor het dagonderwijs die van de deelvakken culturele en kunstzinnige vorming 1 en lichamelijke opvoeding 1, rekening houdende met de mogelijkheden van de kandidaat), «voldoende» of «goed» moet zijn. Dit honoreert het belang van deze onderdelen, zonder dat deze moeilijk te «becijferen» onderdelen bijvoorbeeld een onvoldoende cijfer voor Nederlands of voor een profielvak zouden kunnen compenseren.

Voor de leesbaarheid is artikel 49 in zijn geheel vervangen door een nieuw artikel.

Onderdeel Y (artikel 50)

Expliciet is nu aangegeven dat het artikel uitsluitend betrekking heeft op de opleidingen vavo.

Onderdeel Z (artikel 52)

Deze wijzigingen zijn grotendeels technisch van aard. In het eerste lid is bovendien opgenomen dat het profielwerkstuk afzonderlijk op de cijferlijst wordt vermeld.

Onderdeel AA (artikel 58)

Het eerste lid is vervallen in verband met de invoering van profielen.

In het tweede lid moest de verwijzing naar rijksscholen vervallen. Deze scholen bestaan immers niet meer.

Onderdeel BB (artikel 59)

De regeling van het zogenaamde gespreid eindexamen is technisch aangepast en verduidelijkt.

Onderdeel CC (artikel 60)

In dit artikel is bepaald dat voor «aangewezen» niet-bekostigde opleidingen (dat wil zeggen dat zij zelf een examen mogen organiseren en diploma's uitreiken) met vavo-signatuur (dat wil zeggen, zich richtend op volwassenen) de examenbepalingen gelden zoals die gelden voor het vavo dat op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs wordt bekostigd.

Artikel III. Wijziging Inrichtingsbesluit v.a.v.o.

Nu niet langer behoefte bestaat aan inrichtingsvoorschriften voor de opleidingen vavo, dienen de artikelen 2 tot en met 5 van het Inrichtingsbesluit v.a.v.o. te vervallen.

Artikel IV. Wijziging Schoolpracticumbesluit voortgezet onderwijs

Deze wijzigingen houden hoofdzakelijk verband met de technische wijzigingen die de Wet profielen aanbrengt in artikel 39c van de WVO, de grondslag van het Schoolpracticumbesluit.

Onderdeel A (artikel 1)

Deze wijzigingen zijn van technische aard.

Onderdeel B (artikelen 2 en 4)

Deze wijzigingen zijn van technische aard.

Onderdeel C (artikel 3)

Dit artikel bevat een versimpeld voorschrift voor de vaststelling van het maximum aantal studenten dat bij dezelfde les kan worden toegelaten. Tevens is een actualisering van het artikel aangebracht.

Onderdeel D (artikelen 9 tot en met 12)

Deze artikelen zijn uitgewerkt en kunnen daarom vervallen.

Artikel V. Wijziging Besluit onderwijsbevoegdheden W.V.O./O.W.V.O.

Artikel 3d

Dit artikel berust op artikel III, onderdeel A, van de Wet profielen. De bedoeling ervan is een voorziening te scheppen in verband met onderwijsbevoegdheden bij de invoering van de profielen. Allereerst is dat nodig in verband met de invoering van nieuwe vakken. Het gaat daarbij in de eerste plaats om algemene natuurwetenschappen. Daarvoor bestaat geen aangewezen bewijs van bekwaamheid. Er zal in worden voorzien door een omscholingscursus voor leraren die een (eerstegraads) bevoegdheid hebben voor één van de vakken natuurkunde, scheikunde, biologie. Gedurende een periode van vijf jaren (dat wil zeggen tot 1 augustus 2003) krijgt de leraar dan de gelegenheid om de bevoegdheid te behalen. Het kan ook zijn dat een school wordt geconfronteerd met een noodzakelijke verschuiving in het personeelsbestand, wat betreft de verdeling van vakken. Naar verwachting zal deze verschuiving in normale gevallen zeer gering zijn, en de flexibiliteit van de studielastbenadering geeft goede mogelijkheden om de personele gevolgen op te vangen, te meer daar de verschuiving in de tijd geleidelijk is: het onderwijs volgens profielen begint in leerjaar 4. Een dergelijke personele aanpassing wordt gemakkelijker als een leraar waarvan het vak wat in omvang is afgenomen enkele jaren de gelegenheid krijgt zich om te scholen voor een ander vak dat door de invoering van de profielen van meer belang is geworden en dat hij dan bijvoorbeeld na enige tijd gedurende een beperkte periode al mag onderwijzen, in afwachting van het verwerven van het desbetreffende bewijs van bekwaamheid.

Artikel VI. Overgangsbepaling inrichting v.w.o.

Dit artikel houdt verband met artikel VII, onderdeel C, eerste lid, van de Wet profielen. Het regelt een overgangssituatie voor het vwo.

Het eerste lid is nodig omdat het nieuwe combinatievak «geschiedenis en maatschappijleer» nog in ontwikkeling is. Zolang een examenprogramma daarvoor nog niet is opgesteld, worden in het gemeenschappelijk deel de afzonderlijke vakken «maatschappijleer» en «geschiedenis» gegeven. Dit sluit aan bij de situatie in het vwo van voor 1 augustus 1998.

Het tweede lid heeft een soortgelijke achtergrond, specifiek voor het profiel cultuur en maatschappij. De combinatie van deelvakken culturele en kunstzinnige vorming 2,3 is nog niet volledig ontwikkeld: met name zijn het deelvak 2 (algemene theorie) en de leermiddelen daarvoor nog in ontwikkeling, en bij deelvak 3 is de variant beeldende vormgeving als integratie van de zogenaamde beeldende vakken nog in ontwikkeling. In afwachting daarvan kan culturele en kunstzinnige vorming 2,3 nog niet als verplicht onderdeel van het profieldeel gelden. In plaats daarvan kan een keuze worden gemaakt die is aangegeven in onderdeel d. De keuze kan betreffen één taal, één van de kunstvakken (niet meer) en/of één of twee van de overige onder d genoemde vakken. Zolang culturele en kunstzinnige vorming 2,3 nog niet is ontwikkeld, blijven voor de kunstvakken (muziek en drie beeldende vakken) de examenprogramma's bestaan van voor 1 augustus 1998. Die voorzien niet in een profielwerkstuk, maar het spreekt voor zich dat in het profiel cultuur en maatschappij in deze overgangssituatie het profielwerkstuk ook betrekking kan hebben op deze kunstvakken met oud programma.

In de overgangssituatie is het verder mogelijk dat in het profieldeel een keuze wordt gemaakt die ertoe leidt dat de normatieve studielast wat kleiner is dan 1840 uren: 1680 uren. Dit is vastgelegd in het vierde lid. Deze regeling vermijdt gekunstelde combinaties van vakken (gekunsteld in die zin dat zou moeten worden «gezocht» om precies op het getal van 1840 uren te komen). Als zo de normatieve studielast van het profieldeel lager wordt dan 1840 uren, wordt het vrije deel dienovereenkomstig groter.

Artikel VII. Overgangsbepaling inrichting h.a.v.o.

Dit artikel houdt verband met artikel VI, onderdeel C, tweede lid, van de Wet profielen. Het artikel heeft eenzelfde bedoeling als artikel V, maar dan ten aanzien van het havo.

In het eerste lid is geregeld dat «geschiedenis en maatschappijleer» tijdelijk wordt vervangen door één vak: maatschappijleer. Er zijn in het havo voor de maatschappelijke vorming in het gemeenschappelijk deel minder uren normatieve studielast beschikbaar dan in het vwo. Daardoor zou een verdeling tussen maatschappijleer en geschiedenis – zoals bij het vwo – leiden tot versnippering. De keuze van maatschappijleer sluit bovendien aan bij de situatie van voor 1 augustus 1998.

Artikel VIII. Overgangsbepaling eindexamens

Dit artikel bepaalt allereerst, in het eerste en tweede lid, dat voor de vwo-leerling die op grond van artikel VI een programma heeft gevolgd dat afwijkt van het voor de definitieve situatie voorziene programma, ook het examenpakket dienovereenkomstig wordt aangepast. Dit spreekt vanzelf. Als daarbij in het profieldeel cultuur en maatschappij een keuze is gemaakt die leidt tot een lagere normatieve studielast dan 1840 uren, moet dit ook in het examenpakket worden gecompenseerd in het vrije deel. Als bijvoorbeeld de normatieve studielast van het profieldeel 1720 uren was, moeten in het vrije deel nog examenonderdelen worden gekozen met een omvang (in uren normatieve studielast) van 480 (regulier) + (1840 – 1720) = 600 uren.

Verder bevat het artikel een soortgelijke bepaling voor de kandidaat die niet het vak algemene natuurwetenschappen heeft gevolgd, omdat de school de invoering van dat vak heeft uitgesteld tot 1 augustus 1999. De desbetreffende 200 uren normatieve studielast moeten dan worden gecompenseerd. Een compensatie van precies 200 uren ligt niet zo in de rede: er is maar één ander vak met een normatieve studielast van 200 uren. Dat vak is klassieke culturele vorming, dat in elk geval in het gymnasium toch al gevolgd is. Een redelijke vervanging voor algemene natuurwetenschappen is wel het natuurwetenschappelijke deelvak biologie 1. Dat heeft een normatieve studielast van 160 uren, en dat is de reden dat als algemene natuurwetenschappen niet gevolgd wordt, een compensatie van 160 uren is toegestaan. De vervanging van algemene natuurwetenschappen is alléén toegestaan voor één jaar, voor leerlingen die in het schooljaar 1998–1999 het onderwijs in het vierde leerjaar volgen. Met ingang van 1 augustus 1999 móet de school het vak invoeren, in het vierde leerjaar. Leerlingen die aan het eind van het schooljaar 1998–1999 blijken te moeten doubleren, volgen in het schooljaar 1999–2000 in het vierde leerjaar gewoon algemene natuurwetenschappen. Er is dus geen «bezemregeling» voor zittenblijvers. Voor de opleidingen vavo is een regeling op basis van leerjaren niet mogelijk, door de meer gevarieerde inrichting. Voor de opleidingen vavo geldt daarom dat tot 1 augustus 2004 een eindexamen kan worden afgelegd zonder algemene natuurwetenschappen.

Het derde lid bevat overeenkomstige bepalingen voor het havo.

Artikel IX. Inwerkingtreding

Het is de bedoeling dat dit besluit in werking treedt met ingang van 1 augustus 1998. Voor de wijzigingen van het Inrichtingsbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. en het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. geldt een voorhangprocedure. Daarom is de inwerkingtreding van die wijzigingen afhankelijk gemaakt van een koninklijk besluit.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

T. Netelenbos

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen


XNoot
1

Stb. 1993, 207, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 juli 1997, Stb. 355.

XNoot
2

Stb. 1994, 624, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 31 oktober 1997, Stb. 529.

XNoot
3

Stb. 1993, 365, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 31 oktober 1997, Stb. 529.

XNoot
4

Stb. 1985, 563.

XNoot
5

Stb. 1985, 506, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 januari 1996, Stb. 50.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 13 januari 1998, nr. 7.