Ontwerp Projectbesluit N303 Putten-Voorthuizen

Gedeputeerde Staten van Gelderland, 

- Gelet op de beslissing om de verbetering van de N303 juridisch-planologisch mogelijk te maken; 

- Overwegende de inhoudelijke onderbouwing van dit besluit in de Motivering bij het besluit;

Artikel I Ontwerp-projectbesluit N303 Voorthuizen - Putten

Het ontwerp Projectbesluit N303 Voorthuizen - Putten, zoals opgenomen in bijlage A in ontwerp vast te stellen.

Artikel II

Dit artikel betreft de wijzigingen in 'bijlage B'.

Artikel III

Dit artikel betreft de wijzigingen in 'bijlage C'.

Artikel IV Ter inzagelegging

Het ontwerp-projectbesluit ter inzage te leggen vanaf donderdag 30 april tot en met woensdag 10 juni 2026.





Gedeputeerde Staten van Gelderland

Daniël Wigboldus

Commissaris van de Koning

Johan Osinga

Secretaris

Bijlage A Bijlage voor 'Projectbesluit N303 Putten-Voorthuizen'

Projectbesluit N303 Putten-Voorthuizen

Hoofdstuk 1 Beschrijving van het project

Paragraaf 1.1 Inleiding

Dit projectbesluit heeft als doel de beoogde verbetering van de N303 Voorthuizen-Putten mogelijk te maken. 

Het aanpakken van deze weg is noodzakelijk, want de weg voldoet niet aan de huidige verkeersveiligheidseisen, vooral omdat de hoofdrijbaan te smal is. Ook het naastgelegen fietspad voldoet niet aan de hedendaagse eisen. Het is te smal waardoor fietsers elkaar niet goed kunnen passeren. Daarnaast is sprake van gevaarlijke obstakels in de vorm van – vaak forse – bomen die te dicht op de weg staan. Tenslotte is de oversteekbaarheid van de weg voor langzaam verkeer problematisch door onveilige fietsoversteken en is het zicht voor oprijdend (vracht)verkeer vanuit de inritten in enkele gevallen te beperkt. 

In 2019 is gestart met participatie over een voorkeursalternatief. Het voornemen wordt als volgt omschreven: “We willen de N303 tussen Voorthuizen en Putten verbeteren door volgende drie punten aan te pakken:

  • 1.

    De inrichting van de weg afstemmen op het toekomstige gebruik.

  • 2.

    Verbreden van het vrij liggend fietspad.

  • 3.

    De maximumsnelheid te verlagen van 80 naar 60 kilometer per uur.

Dit projectbesluit kan worden gezien als het sluitstuk van de projectprocedure en beoogt de planologisch juridische kaders vast te leggen voor de verbetering van de N303.

Paragraaf 1.2 Beschrijving van de bestaande situatie

De provinciale weg N303 is de weg tussen Voorthuizen en Putten. Dit is de Voorthuizerstraat. Bij Voorthuizen gaat dit over in de Voorthuizerweg.  

De N303 is een oude verkeersverbinding tussen Voorthuizen, via Huinen naar Putten en loopt in noord-zuid richting. Dit is van oudsher een belangrijke transportverbinding voor o.a. fietsers, auto’s en vrachtverkeer. Langs de weg bevindt zich relatief veel bebouwing.  

Het project gaat om het deel tussen de nieuwe rondweg Voorthuizen en de zuidelijke komgrens van Putten, exclusief de bebouwde kom van Huinen.  

Voorthuizen en Putten zijn via de Voorthuizerweg en de Voorthuizerstraat (de N303) met elkaar verbonden. Dit is grotendeels een provinciale weg met een tweerichtingenfietspad ernaast. Een klein deel is een gemeentelijke weg. Dagelijks rijden er zo’n 12.000 motorvoertuiten per etmaal over de weg.

Regelingsgebied Projectbesluit N303

Langs en rond de N303 is veel waardevol(le) landschap, natuur en cultuurhistorie te vinden. De weg doorkruist het Gelders Natuur Netwerk (GNN), enkele watergangen en de landgoederen Gerven en Hell (Bron: Planstudie N303 Voorthuizen-Putten, Provincie Gelderland/MLG/Sweco, 2023).

Paragraaf 1.3 Beschrijving van het project

Het 'projectgebied' is het regelingsgebied van dit projectbesluit zoals weergegeven in figuur 1. Binnen het projectgebied worden naast de permanente maatregelen (zie hoofdstuk 2 Permanente en tijdelijke maatregelen en voorzieningen om het project te realiseren) ook tijdelijke maatregelen (zie hoofdstuk 3 Maatregelen ter beperking of compensatie) getroffen om het project uit te voeren. Het project houdt het volgende in: 

Het uitvoeren van groot onderhoud aan de weg en het verbeteren van de verkeersveiligheid van de weg, alsmede het behoud maar vooral ook de versterking van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden (LNC-waarden) in het aangrenzende gebied. Daarvoor worden de volgende maatregelen getroffen:

  • verbreding van de hoofdrijbaan en aanleg van een verhoogde (maar wel overrijdbare) middengeleider om inhalen te ontmoedigen; 

  • verlaging van de snelheid van 80 km/uur naar 60 km/uur; 

  • het twee-richtingen fietspad wordt circa twee maal zo breed (van ca 1,5m naar minimaal 3m) en wordt daarmee veiliger. Het betreft een verbreding van het fietspad naar 3m tussen Voorthuizen en Huinen en 3,5 meter tussen Huinen en Putten;

  • verwijdering van bomen die te dicht op de weg staan met een zo smal mogelijk wegprofiel ter hoogte van het landgoed Gerven en Hell, waarbij de bomen in de berm tussen weg en fietspad worden verwijderd, maar de bomenrijen aan de rand van weg (westzijde) en aan de rand van het fietspad (oostzijde) behouden blijven;

  • verbetering (fiets-)oversteekplaatsen. Op kruisingen worden snelheidsverlagende maatregelen getroffen. Ook de fietser kan daardoor op veel kruispunten in twee fasen oversteken;

  • verbetering zichthoeken bij kruispunten;

  • het ontwerp voorziet in een betere waterhuishouding door minder (diepe) sloten en meer ruimte voor het vasthouden van water en infiltratie.

Naast het wegontwerp bestaat het plan om ook buiten het tracé groen te compenseren, maar vooral ook waarden toe te voegen, met daarin onder andere:

  • het herstel van de heide-verbinding tussen twee natuurgebieden die nu door de N303 doorsneden wordt;

  • nieuwe groenstructuren die het gebied geschikt maken als ecologische verbinding tussen Veluwe en Utrechtse Heuvelrug/Gelderse vallei;

  • het verbinden van leefgebieden van groot en klein wild door de aanleg van een reptielenpassage en (droge & natte) faunapassages;

  • de aanleg van nieuwe natuur (GNN) waarmee het natuurnetwerk robuuster wordt.

Deze maatregelen zijn opgenomen in het wegontwerp (zie bijlage II).

De onderstaande tabel beschrijft de voorkeursvariant per deellocatie binnen het projectgebied, ‘kralen’ genoemd.

Aanéénschakeling van het kralensnoer tot één Voorkeursvariant (VKA), Planstudie N303 Voorthuizen-Putten Eindrapportage, oktober 2023
afbeelding binnen de regeling
Aanéénschakeling van het kralensnoer tot één Voorkeursvariant (VKA), Planstudie N303 Voorthuizen-Putten Eindrapportage, oktober 2023 (vervolg)
afbeelding binnen de regeling

De integrale keuzes per wegvak/kraal zijn beschreven in de motivering en in hoofdstuk 8 van de Planstudie N303 Voorthuizen Putten, zie bijlage 2 van de motivering. 

De Voorkeursvariant is vertaald naar een wegontwerp zoals opgenomen in bijlage II. 

Paragraaf 1.4 Beschrijving van beheer

De Provincie Gelderland beheert de weg en de wegbermen. Een deel van de weg wordt nog beheerd door de gemeente Nijkerk. Dit beheer zal op termijn worden overgedragen.

Hoofdstuk 2 Permanente en tijdelijke maatregelen en voorzieningen om het project te realiseren

Paragraaf 2.1 Permanente maatregelen en voorzieningen om het project te realiseren

De volgende permanente maatregelen worden doorgevoerd ter verbetering van de veiligheid en gebruiksvriendelijkheid van de weg.

Algemene maatregelen

  • verbreding van de hoofdrijbaan en aanleg van een middengeleider;

  • verbreding van het fietspad;

  • verwijdering van bomen die te dicht op de weg staan;

  • verbetering (fiets-)oversteekplaatsen;

  • verbetering zichthoeken bij kruispunten;

  • verlegging van watergangen en verbetering/verbreding van kunstwerken;

  • verlegging van kabels en leidingen;

Water

Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.

Lange afstandswandelroute

De oversteeklocatie naast Voorthuizerstraat 286 (Putten) van het Marskramerpad blijft in stand. Bij de Dops Akker wordt rekening gehouden met het bestaande gebouw naast de weg

Toegankelijkheid van de openbare ruimte

  • het twee-richtingen fietspad wordt ca twee keer zo breed (van ca 1,5m naar minimaal 3m) en wordt daarmee veiliger. Het betreft een verbreding van het fietspad naar 3 m tussen Voorthuizen en Huinen en 3.5 meter tussen Huinen en Putten;

  • verwijdering van bomen die te dicht op de weg staan;

  • verbetering (fiets-)oversteekplaatsen, op kruisingen worden snelheidsverlagende maatregelen uitgevoerd. Ook de fietser kan daardoor op veel kruispunten in twee fasen oversteken;

  • verbetering zichthoeken bij kruispunten, zodat kruispunten overzichtelijker worden.

De permanente maatregelen zijn zichtbaar in het wegontwerp, zoals opgenomen in bijlage II bij dit projectbesluit.

Paragraaf 2.2 Tijdelijke maatregelen en tijdelijke voorzieningen en maatregelen ter voorkoming van nadelige gevolgen van het project

De volgende tijdelijke maatregelen worden doorgevoerd ter uitvoering van de werkzaamheden aan de weg. 

Aanlegfase 

De werkzaamheden aan de N303 zullen in twee fases worden uitgevoerd. In beide fases zullen er omleidingsroutes worden aangelegd, waardoor de bereikbaarheid gewaarborgd wordt. Tijdens beide fases is er sprake van drie omleidingsroutes en wegafsluitingen, zoals op de afbeeldingen hieronder weergegeven wordt.

Omleidingsroutes fase Noord
Omleidingsroutes fase Zuid

Bodem

  • Het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar de geconstateerde verontreinigingen.

  • Nader waterbodemonderzoek is voor werkzaamheden aan de watergangen en de duikers. 

Archeologie

Een archeologische begeleiding van de hoge en middelhoge archeologische verwachting op basis van het Programma van Eisen. 

Explosieven

Indien de voorgenomen werkzaamheden tussen Voorthuizerstraat 164 en 178 te Putten tot of dieper zullen reiken dan de bestaande wegfunderingen dient er een opsporingsonderzoek conform hoofdstuk 4 van het CS-OOO plaats te vinden. De wijze waarop dit onderzoek zal plaatsvinden dient vastgesteld te worden aan de hand van de werkzaamheden en de locatie specifieke omstandigheden.

Instandhouding tijdelijke maatregelen

Tijdelijke maatregelen mogen niet langer in stand gehouden worden dan tot zes maanden na realisatie van het project.

Hoofdstuk 3 Maatregelen ter beperking of compensatie

Paragraaf 3.1 Maatregelen ter beperking/mitigatie van nadelige gevolgen van het project

De volgende maatregelen ter beperking/mitigatie van nadelige gevolgen van het project worden doorgevoerd.

Natuur

Er wordt een aantal maatregelen genomen om effecten te voorkomen of te mitigeren:

  • Zorgplicht naleven. 

  • Bij voorkeur kappen buiten broedseizoen. 

  • Buiten broedseizoen werken of vooraf inspectie. 

  • Voor bepaalde soorten wordt soortenspecifieke mitigatie toegepast. 

  • Ontsnippering en tegengaan barrièrewerking door voor bepaalde soorten een -faunatunnel/duiker/dassentunnel aan te leggen.

Voor de buizerd, kleine marterachtingen en hazelworm wordt een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.

Paragraaf 3.2 Maatregelen ter compensatie van nadelige gevolgen van het project

De volgende maatregelen ter compensatie van nadelige gevolgen van het project worden doorgevoerd.

Landschap

  • De compensatie van de kap-meldingsplichtige bomen bedraagt (263 bomen en daarmee) 18.115m2 kroonoppervlak en is geborgd en wordt uitgevoerd ter hoogte van het Landgoed Gerven, door aanplant van bomen en verbetering van oost-west verbindingen conform de Compensatiestrategie N303 (Bijlage 6, bouwsteen 19, 20, 21, deel 1 & 2 in paragraaf 6.3.21 tot en met 6.3.23). 

Water

  • Compensatie van de toename aan verhard oppervlak door aanleg van extra waterberging (zie ontwerp in bijlage 13), infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan worden gedimensioneerd conform T=10 bui (40 mm in 1 uur en 60 mm in 10 uur) gerekend over het aantal m².

  • Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG.

Natuur

Aanleg van natuur ter compensatie van het GNN op het perceel ten noorden van Voorthuizerweg 13, kadastraal perceel 1051-zuid zijde.

Hoofdstuk 4 Termijn niet vaststellen belemmerende regels in het omgevingsplan

Paragraaf 4.1 Termijn niet vaststellen belemmerende regels in het omgevingsplan

Vanaf het moment waarop het projectbesluit is vastgesteld tot tien jaar na vaststelling van het projectbesluit, of, wanneer het project waarvoor het projectbesluit is vastgesteld eerder is gerealiseerd, worden in het omgevingsplan van de gemeenten Nijkerk en Putten geen regels opgenomen die het uitvoeren van het project belemmeren.

Hoofdstuk 5 Rechtsmiddelen

Het projectbesluit is op grond van artikel 5.46 Omgevingswet opgesteld en vastgesteld door het Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland. Dit besluit is tot stand gekomen met toepassing van de regels over de openbare voorbereidingsprocedure in afdeling 3.4 in de Algemene wet bestuursrecht. Het definitieve projectbesluit wordt, na de proceduretijd conform afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht, vastgesteld door de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland.

Hoofdstuk 6 Monitoringsmaatregelen

De provincie draagt zorg voor de monitoring. Het monitoren van de voortgang gebeurt aan de hand van de maatregelen. Dit gebeurt tussentijds en er wordt jaarlijks een rapportage opgesteld. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de bestaande planning en control cyclus. 

Hoofdstuk 7 Wijziging regels omgevingsplan

Dit projectbesluit wijzigt de omgevingsplannen van de gemeenten Nijkerk en Putten. Deze wijzigingen zien op:

  • Het wijzigen van de functies binnen het nieuwe wegprofiel op basis van het wegontwerp (zie bijlage II) naar het gebied functie Verkeer. 

  • Het wijzigen van de functie Agrarisch met waarden – Landschap op het perceel ten noorden van Voorthuizerweg 13, kadastraal perceel 1051-zuid zijde, naar de functie Natuur, ten behoeve van compensatie van het NNN, waarbij de overige gebiedsaanduidingen uit het omgevingsplan van toepassing blijven.

  • Het wijzigen van de functie ‘water’ ter plaatse van een watergang onder de N303 tussen de Woudweg en Voorthuizerstraat 286. 

  • Het opnemen van zichtlijnen bij zijwegen en inritten die vrij dienen te blijven van bouwwerken geen gebouwen zijnde en beplantingen hoger dan 1 meter. 

  • Een algemene vrijstelling voor uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden voor de uitvoering van activiteiten en handelingen die nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden voor het Projectbesluit.

De wijzigingen zijn onderdeel van de betreffende omgevingsplannen zelf en zijn opgenomen in Bijlage B en Bijlage C van het Besluit op overheid.nl.

Bijlage I

Begrippenlijst

Gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom

een ondergeschikte weg met een lokale ontsluitingsfunctie en een profiel van één rijbaan met twee rijstroken en een maximum snelheid van 60 dan wel 80 km/h.

Projectbesluit

het projectbesluit N303 Voorthuizen-Putten met identificatienummer van de Provincie Gelderland

Projectbesluitgebied

het gebied waarvoor het projectbesluit N303 Voorthuizen - Putten van de Provincie Gelderland van toepassing is

Zichtlijn

een ruimtelijk begrensd gebied langs of ter plaatse van wegen, kruispunten en in- en uitritten, dat vrij moet worden gehouden van bouwwerken, beplanting en andere objecten die het zicht van weggebruikers kunnen belemmeren, om een onbelemmerd en wederzijds zicht tussen weggebruikers te waarborgen en daarmee de verkeersveiligheid te verzekeren, als onderdeel van het streven naar een veilige, fysieke leefomgeving.

Bijlage II

Bijlage B Regels voor de gemeente Nijkerk

Omgevingsplanregels uit projectbesluit van de provincie Gelderland N303 Voorthuizen - Putten

Voorrangsregel

Dit tijdelijk regelingdeel bevat regels voor het projectbesluitgebied N303 Voorthuizen–Putten:

  • a.

    Voor zover dit tijdelijk regelingdeel regels stelt over de toegelaten functies en het gebruik van gronden en bouwwerken binnen het projectbesluitgebied, treden deze regels in de plaats van de regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan die daarop betrekking hebben.

  • b.

    De regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan die strekken tot bescherming van archeologische waarden, waterstaatkundige belangen, externe veiligheid, leidingen, cultuurhistorische waarden en ecologische waarden, blijven onverminderd van toepassing, tenzij in dit tijdelijk regelingdeel uitdrukkelijk anders is bepaald.

  • c.

    In geval van strijd tussen dit tijdelijk regelingdeel en andere regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, gaan de regels van dit tijdelijk regelingdeel voor.

Hoofdstuk 1 Nijkerk

Afdeling 1.1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

projectbesluit: 

het projectbesluit N303 Voorthuizen - Putten met identificatienummer van de Provincie Gelderland

projectbesluitgebied

het gebied waarvoor het projectbesluit N303 Voorthuizen - Putten van de Provincie Gelderland van toepassing is.

zichtlijn: 

een ruimtelijk begrensd gebied langs of ter plaatse van wegen, kruispunten en in‑ en uitritten, dat vrij moet worden gehouden van bouwwerken, beplanting en andere objecten die het zicht van weggebruikers kunnen belemmeren, om een onbelemmerd en wederzijds zicht tussen weggebruikers te waarborgen en daarmee de verkeersveiligheid te verzekeren, als onderdeel van het streven naar een veilige, fysieke leefomgeving.

gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom: 

een ondergeschikte weg met een lokale ontsluitingsfunctie en een profiel van één rijbaan met twee rijstroken en een maximumsnelheid van 60 dan wel 80 km/h.

Artikel 1.2 Servicebepaling

Dit tijdelijk regeling deel maakt onderdeel uit van het projectbesluit N303 Voorthuizen - Putten.

Artikel 1.3 Vrijstelling uitvoeren van werken en werkzaamheden in het kader van N303

Voor zover het omgevingsplan ter plaatse van het projectbesluitgebied bepaalt dat een omgevingsvergunning of melding is vereist voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid, geldt die bepaling niet voor de uitvoering van activiteiten en/of handelingen die nodig zijn ten behoeve van het Projectbesluit N303 Voorthuizen-Putten.

Afdeling 1.2 Functies en activiteiten

Paragraaf 1.2.1 Bestemming- en functieoverstijgende regels
Artikel 1.4 Toepassingsbereik
  • 1

    Binnen het werkingsgebied van de aanduiding Zichtlijnen prevaleren de regels van artikel 1.5 op de regels van het omgevingsplan.

  • 2

    Bij strijdigheid tussen de regels van artikel 1.5 en andere regels van het omgevingsplan prevaleren de regels van artikel 1.5.

Artikel 1.5 Zichtlijnen
  • 1

    Het is verboden op gronden binnen de aanduiding Zichtlijnen objecten te plaatsen of in stand te houden die het zicht belemmeren. 

  • 2

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      Bouwwerken van ondergeschikte aard en hoogte (maximaal 1 meter), zoals erfafscheidingen of zitbanken; 

    • b.

      Tijdelijke bouwwerken met een maximale duur van instandhouding van 30 dagen, mits vooraf gemeld bij het bevoegd gezag.

  • 3

    Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het verbod. Deze omgevingsvergunning wordt verleend als uit een ruimtelijke onderbouwing blijkt dat:

    • a.

      het zicht op de weg in hoofdzaak behouden blijft; en

    • b.

      de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast.

  • 4

    Bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk binnen de aanduiding Zichtlijnen dient een zichtanalyse te worden overgelegd, waarin de impact op de zichtlijn wordt beoordeeld.

Paragraaf 1.2.2 Functie Verkeer categorie 2
Artikel 1.6 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het gebied met de functie Verkeer.

Artikel 1.7 Gebruiksactiviteiten

De gronden ter plaatse van de functie Verkeer mogen uitsluitend worden gebruikt voor: 

  • a.

    verkeersdoeleinden in de vorm van doorgaande gebiedsontsluitingswegen met bijbehorende parkeervoorzieningen, opstelstroken, fiets- en voetpaden, bermen en bermsloten, bestaande in- en uitritten, nutsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen;

  • b.

    wegen en paden, gelijk- of ongelijkvloers ten opzichte van de weg, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - overbrugging';

  • c.

    groenvoorzieningen;

  • d.

    water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Artikel 1.8 Bouwactiviteiten
  • 1

    Op de gronden als bedoeld in artikel 1.7 mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn, zoals viaducten, verkeerstekens, lichtmasten, portalen, afrasteringen, geluidwerende voorzieningen en nutsbebouwing, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen.

  • 2

    Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in het eerste lid geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken niet meer mag bedragen dan hierna is aangegeven:

    Bouwwerken 

    Max. bouwhoogte in m

     
     

    Viaducten en soortgelijke kunstwerken 

    10 

    Verkeerstekens, palen en masten op de gronden

    Geluidwerende voorzieningen  

    Overige andere bouwwerken 

Bijlage A Overzicht informatieobjecten

Bijlage B Overzicht begrippen

Overzicht begrippen

Educatief medegebruik

gebruik van gronden voor activiteiten met een educatief of voorlichtend karakter over natuur, landschap of aanverwante onderwerpen, voor zover deze activiteiten ondergeschikt zijn aan en verenigbaar zijn met het behoud, het beheer of de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. 

Extensief agrarisch medegebruik

gebruik van gronden voor een vorm van agrarisch gebruik met een laag beheers- of gebruiksintensiteitsniveau, zoals beweiding, dat ondergeschikt is aan en in functie staat van het behoud, het beheer of de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.

Gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom

een ondergeschikte weg met een lokale ontsluitingsfunctie en een profiel van één rijbaan met twee rijstroken en een maximum snelheid van 60 dan wel 80 km/h.

Projectbesluit

het projectbesluit N303 Voorthuizen - Putten met identificatienummer van de Provincie Gelderland

Projectbesluitgebied

het gebied waarvoor het projectbesluit N303 Voorthuizen-Putten van de Provincie Gelderland van toepassing is.

Zichtlijn

een ruimtelijk begrensd gebied langs of ter plaatse van wegen, kruispunten en in- en uitritten, dat vrij moet worden gehouden van bouwwerken, beplanting en andere objecten die het zicht van weggebruikers kunnen belemmeren, om een onbelemmerd en wederzijds zicht tussen weggebruikers te waarborgen en daarmee de verkeersveiligheid te verzekeren, als onderdeel van het streven naar een veilige fysieke leefomgeving. 

Bijlage C Regels voor de gemeente Putten

Omgevingsplanregels uit projectbesluit van de provincie Gelderland N303 Voorthuizen - Putten

Voorrangsregel

Dit tijdelijk regelingdeel bevat regels voor het projectbesluitgebied N303 Voorthuizen–Putten:

  • a.

    Voor zover dit tijdelijk regelingdeel regels stelt over de toegelaten functies en het gebruik van gronden en bouwwerken binnen het projectbesluitgebied, treden deze regels in de plaats van de regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan die daarop betrekking hebben.

  • b.

    De regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan die strekken tot bescherming van archeologische waarden, waterstaatkundige belangen, externe veiligheid, leidingen, cultuurhistorische waarden en ecologische waarden, blijven onverminderd van toepassing, tenzij in dit tijdelijk regelingdeel uitdrukkelijk anders is bepaald.

  • c.

    In geval van strijd tussen dit tijdelijk regelingdeel en andere regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, gaan de regels van dit tijdelijk regelingdeel voor.

Hoofdstuk Putten

Afdeling 1.1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

projectbesluit:

het projectbesluit N303 Voorthuizen - Putten met identificatienummer van de Provincie Gelderland.

projectbesluitgebied:

het gebied waarvoor het projectbesluit N303 Voorthuizen - Putten van de Provincie Gelderland van toepassing is.

zichtlijn

een ruimtelijk begrensd gebied langs of ter plaatse van wegen, kruispunten en in‑ en uitritten, dat vrij moet worden gehouden van bouwwerken, beplanting en andere objecten die het zicht van weggebruikers kunnen belemmeren, om een onbelemmerd en wederzijds zicht tussen weggebruikers te waarborgen en daarmee de verkeersveiligheid te verzekeren, als onderdeel van het streven naar een veilige, fysieke leefomgeving.

extensief agrarisch medegebruik

gebruik van gronden voor een vorm van agrarisch gebruik met een laag beheers- of gebruiksintensiteitsniveau, zoals beweiding, dat ondergeschikt is aan en in functie staat van het behoud, het beheer of de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.

Educatief medegebruik

gebruik van gronden voor activiteiten met een educatief of voorlichtend karakter over natuur, landschap of aanverwante onderwerpen, voor zover deze activiteiten ondergeschikt zijn aan en verenigbaar zijn met het behoud, het beheer of de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.

Artikel 1.2 Servicebepaling

Dit tijdelijk regeling deel maakt onderdeel uit van het projectbesluit N303 Voorthuizen - Putten.

Artikel 1.3 Vrijstelling uitvoeren van werken en werkzaamheden in het kader van N303

Voor zover het omgevingsplan ter plaatse van het projectbesluitgebied bepaalt dat een omgevingsvergunning of melding is vereist voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid, geldt die bepaling niet voor de uitvoering van activiteiten en/of handelingen die nodig zijn ten behoeve van het Projectbesluit N303 Voorthuizen-Putten.

Afdeling 1.2 Functies en activiteiten

Paragraaf 1.2.1 Bestemming- en functie overstijgende regels
Artikel 1.4 Toepassingsbereik
  • 1

    Binnen het werkingsgebied van de aanduiding Zichtlijnen prevaleren de regels van artikel 1.5 op de regels van het omgevingsplan.

  • 2

    Bij strijdigheid tussen de regels van artikel 1.5 en andere regels van het omgevingsplan prevaleren de regels van artikel 1.5

Artikel 1.5 Zichtlijnen
  • 1

    Binnen de aanduiding Zichtlijnen’ is het verboden bouwwerken op te richten die het zicht op het aangeduide object of gebied belemmeren.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor: 

    • a.

      bouwwerken van ondergeschikte aard en hoogte (maximaal 1 meter), zoals erfafscheidingen of zitbanken. 

    • b.

      tijdelijke bouwwerken met een maximale duur van instandhouding van 30 dagen, mits vooraf gemeld bij het bevoegd gezag.

  • 3

    Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het verbod. Deze omgevingsvergunning wordt verleend als uit een ruimtelijke onderbouwing blijkt dat:

    • a.

      het zicht op het waardevolle object of gebied behouden blijft; en 

    • b.

      de ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde van de omgeving niet onevenredig worden aangetast.

  • 4

    Bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk binnen de aanduiding Zichtlijnen dient een zichtanalyse te worden overgelegd, waarin de impact op de zichtlijn wordt beoordeeld.

Paragraaf 1.2.2 Functie Verkeer
Artikel 1.6 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het gebied functie Verkeer.

Artikel 1.7 Gebruiksactiviteiten

De voor Verkeer aangewezen gronden zijn uitsluitend bestemd voor: 

  • a.

    wegen met maximaal 4 rijstroken;

  • b.

    voet- en rijwielpaden;

  • c.

    parkeer- en groenvoorzieningen;

  • d.

    in- en uitritten;

  • e.

    nutsvoorzieningen; en

  • f.

    water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Artikel 1.8 Bouwactiviteiten
  • 1

    Gebouwen zijn niet toegestaan.

  • 2

    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan, waarbij geldt dat de bouwhoogte maximaal 12 m bedraagt.

Paragraaf 1.2.3 Functie Water
Artikel 1.9 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het gebied met de functie Water.

Artikel 1.10 Gebruiksactiviteiten

Op de gronden ter plaatse van de functie Water zijn uitsluitend de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a.

     het behoud, herstel en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden; 

  • b.

    de bescherming van de leefgebieden van vogels; 

  • c.

    water, waterhuishouding en waterlopen;

  • d.

     (hoofd)watergangen; 

  • e.

    waterkering, oevers en taluds; 

  • f.

    scheepvaart;

  • g.

     extensieve dagrecreatie;

  • h.

    bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers.

Artikel 1.11 Bouwactviteiten
  • 1

    Gebouwen zijn niet toegestaan.

  • 2

    Bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegestaan, waarbij de bouwhoogte:

    • a.

      maximaal 12 m bedraagt van bouwwerken ten behoeve van de geleiding en regeling van het verkeer;

    • b.

       maximaal 3 m bedraagt van overige bouwwerken.

Paragraaf 1.2.4 Functie Natuur
Artikel 1.12 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het gebied met de functie Natuur.

Artikel 1.13 Gebruiksactiviteiten
  • 1

    Op de voor de functieNatuur aangewezen gronden zijn uitsluitend de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

    • a.

      het behoud en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;

    • b.

      met daaraan ondergeschikt: 

    • c.

      bestaande wandel-, fiets- en ruiterpaden en wegen met het bestaande aantal rijstroken;

    • d.

      watergangen en waterpartijen;

    • e.

      voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;

    • f.

      extensief agrarisch medegebruik;

    • g.

      educatief medegebruik en extensieve dagrecreatie;

    • h.

      met de daarbij behorende: bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

  • 2

    Onder het doel 'behoud en herstel van landschapswaarden' is de instandhouding begrepen van de landschapswaarden van:  

    • a.

      de Volenbeek als natte ecologische verbindingszone; 

    • b.

      de stroomgebieden Veldbeek, Groot Hell en Blarinckhorsterbeek die onderdeel uitmaken van het Veldbeeksysteem; 

    • c.

      het behoud van de open ruimtes ter bescherming van het zeer open landschap als leefgebied van de weidevogels en het half open landschap ter bescherming van het landschappelijke contrast met het gesloten bosgebied; 

    • d.

      onverharde wegen en paden; beplantingselementen, zoals houtwallen, kleine bosperceeltjes, oeverbeplanting, erfbeplanting en oude laanbeplanting.

Artikel 1.14 Bouwactiviteiten
  • 1

    Gebouwen zijn niet toegestaan.

  • 2

    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan, waarbij de bouwhoogte van maximaal 2 m bedraagt.

  • 3

    Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 1 voor de bouw van gebouwen ten behoeve van beheer en onderhoud, zoals houtloodsen en bergingen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

    • a.

      de oppervlakte bedraagt maximaal 30 m²;

    • b.

      de goothoogte bedraagt maximaal 2,5 m;

    • c.

      de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 m;

    • d.

      aangetoond dient te worden dat de bouw noodzakelijk is vanuit het oogpunt van het op handhaving van de bestemming gerichte beheer;

    • e.

      er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van in de omgeving aanwezige functies en waarden;

    • f.

      er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

Artikel 1.15 Gebodsbepaling
  • 1

    Binnen het gebied met de functie Natuur geldt het gebod om de gronden in te richten en in stand te houden als natuur. 

  • 2

    De inrichting en instandhouding als bedoeld in artikel 1.14, eerste lid moeten voldoen aan de compensatiestrategie, welke als Bijlage Compensatieplan bij deze regels is gevoegd en de inrichting moet worden uitgevoerd binnen een termijn van vijf jaar, of zo mogelijk een kortere termijn, na vaststelling van het projectbesluit.

  • 3

    Binnen het gebied functie Natuur is het verboden de gronden te gebruiken of in te richten op een wijze die strijdig is met het gebod uit artikel 1.14, eerste lid.

Bijlage A Overzicht informatieobjecten

Bijlage B Overzicht begrippen

Educatief medegebruik

gebruik van gronden voor activiteiten met een educatief of voorlichtend karakter over natuur, landschap of aanverwante onderwerpen, voor zover deze activiteiten ondergeschikt zijn aan en verenigbaar zijn met het behoud, het beheer of de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. 

Extensief agrarisch medegebruik

gebruik van gronden voor een vorm van agrarisch gebruik met een laag beheers- of gebruiksintensiteitsniveau, zoals beweiding, dat ondergeschikt is aan en in functie staat van het behoud, het beheer of de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.

Gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom

een ondergeschikte weg met een lokale ontsluitingsfunctie en een profiel van één rijbaan met twee rijstroken en een maximum snelheid van 60 dan wel 80 km/h.

Projectbesluit

het projectbesluit N303 Voorthuizen - Putten met identificatienummer van de Provincie Gelderland

Projectbesluitgebied

het gebied waarvoor het projectbesluit N303 Voorthuizen-Putten van de Provincie Gelderland van toepassing is.

Zichtlijn

een ruimtelijk begrensd gebied langs of ter plaatse van wegen, kruispunten en in- en uitritten, dat vrij moet worden gehouden van bouwwerken, beplanting en andere objecten die het zicht van weggebruikers kunnen belemmeren, om een onbelemmerd en wederzijds zicht tussen weggebruikers te waarborgen en daarmee de verkeersveiligheid te verzekeren, als onderdeel van het streven naar een veilige fysieke leefomgeving. 

Motivering Projectbesluit N303 Voorthuizen-Putten

Hoofdstuk 1 Inleiding

Paragraaf 1.1 Aanleiding

Deze motivering maakt onderdeel uit van het projectbesluit N303 Voorthuizen – Putten van de provincie Gelderland. In dit document wordt toegelicht dat het project nodig is om verbetering van de weg mogelijk te maken, welke maatregelen het omvat en hoe daarbij belangen op het gebied van met name verkeersveiligheid, bereikbaarheid, landschap, cultuurhistorie en natuur zijn afgewogen. Deze motivering vormt de onderbouwing van de in het projectbesluit vastgelegde maatregelen en afwegingen.

Het projectbesluit heeft op basis van de Omgevingswet rechtstreekse werking en is bindend voor iedereen. De motivering geeft inzicht in de gemaakte keuzes en belangenafwegingen en is relevant voor bestuursorganen bij de uitvoering en toepassing van het projectbesluit, en ook voor belanghebbenden in het kader van inspraak en rechtsbescherming.

Voorthuizen en Putten zijn via de Voorthuizerweg en de Voorthuizerstraat (de N303) met elkaar verbonden. Dit is grotendeels een provinciale weg met een tweerichtingenfietspad ernaast. Een klein deel is een gemeentelijke weg. 

Dagelijks rijden er zo’n 12.000 motorvoertuigen per dag over de weg. De N303 ligt in een prachtig, oud landschap. De weg doorkruist diverse watergangen en de landgoederen Gerven en Hell, die begrensd worden door eeuwenoude wildwallen. De weg ligt in het stroomgebied van de Veldbeek en de Droste-beek en bevat hoge natuurwaarden.

In haar rol van wegbeheerder gaat de Provincie Gelderland groot onderhoud uitvoeren. Ze wil dat combineren met een duurzaam veilige herinrichting van de weg en het fietspad, met als doel het fietsgebruik te stimuleren. Onderhoud aan de weg is noodzakelijk, want de weg voldoet niet aan de huidige verkeersveiligheidseisen, vooral omdat de hoofdrijbaan te smal is. Ook het naastgelegen fietspad voldoet niet aan de hedendaagse eisen. Het is te smal, waardoor fietsers elkaar niet goed kunnen passeren. Daarnaast is sprake van gevaarlijke obstakels in de vorm van – vaak forse – bomen die te dicht op de weg staan. Tenslotte is de oversteekbaarheid van de weg voor langzaam verkeer problematisch door onveilige fietsoversteken en is het zicht voor oprijdend (vracht)verkeer vanuit de inritten in enkele gevallen te beperkt.

Opgave

De opgave houdt in, het plegen van onderhoud aan de weg en het verbeteren van de verkeersveiligheid van de weg, alsmede het behoud maar vooral ook de versterking van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden (LNC-waarden) in het aangrenzende gebied. 

Daarvoor worden de volgende maatregelen doorgevoerd:

  • verbreding van de hoofdrijbaan en aanleg van een middengeleider;

  • verbreding van het fietspad;

  • verwijdering van bomen die te dicht op de weg staan;

  • verbetering (fiets-)oversteekplaatsen;

  • verbetering zichthoeken bij kruispunten.

Deze maatregelen zijn opgenomen in het wegontwerp (zie Bijlage 13).

Gedeeltelijk passen de verbeteringen niet in de geldende omgevingsplannen van de gemeenten Nijkerk en Putten. Dit betreft met name de verbreding van de weg en het fietspad en het verbeteren van kruispunten. Het projectbesluit N303 Voorthuizen- Putten heft de strijdigheid met het vigerende tijdelijke deel van de omgevingsplannen op. 

Paragraaf 1.2 Beschrijving van de projectlocatie

De provinciale weg N303 verbindt Voorthuizen met Putten. Dit is de Voorthuizerstraat. Bij Voorthuizen gaat dit over in de Voorthuizerweg. 

De N303 is een historische verkeersverbinding tussen Voorthuizen, via Huinen, naar Putten. Dit is van oudsher een belangrijke transportverbinding voor fietsers, auto’s en vrachtverkeer. Langs de weg bevindt zich relatief veel bebouwing. 

Het project strekt zich uit tot het deel tussen de nieuwe rondweg Voorthuizen en de zuidelijke komgrens van Putten, exclusief de bebouwde kom van Huinen (Bron: Planstudie N303 Voorthuizen-Putten, Provincie Gelderland/MLG/Sweco, 2023, opgenomen in Bijlage 2) Langs en rond de N303 is waardevol(le) landschap, natuur en cultuurhistorie aanwezig. De weg doorkruist bijvoorbeeld het Gelders Natuur Netwerk (GNN), diverse watergangen en de landgoederen Gerven en Hell (Bron: Planstudie N303 Voorthuizen-Putten, Provincie Gelderland/MLG/Sweco, 2023, zie Bijlage 2). 

Overzichtskaart locatie projectbesluit N303 Voorthuizen – Putten
afbeelding binnen de regeling

Probleemanalyse

De N303 tussen Voorthuizen en Putten is een provinciale weg met een groot lokaal en recreatief belang. Het verkeer dat gebruikt maakt van de weg is dan ook grotendeels bestemmingsverkeer; het heeft een herkomst of bestemming in Putten, Voorthuizen of ergens daar tussenin. Het is daarmee géén doorgaande weg. De verkeersintensiteiten zijn opgenomen in ‘Bijlage 2B Bijlagenboek Planstudie N303 Voorthuizen Putten’ in bijlage 3h. Het naastgelegen fietspad is in de huidige situatie te smal en onveilig. Onderhoud aan de hoofdrijbaan is noodzakelijk en de weg voldoet niet aan de huidige gewenste inrichtingskenmerken. De onveiligheid kenmerkt zich door de breedte van het fietspad en de hoofdrijbaan, maar ook door de gevaarlijke obstakels, zoals forse bomen die dicht op de weg staan. De oversteekbaarheid van de weg voor langzaam verkeer is op veel plekken onveilig. De fietsintensiteiten zijn opgenomen in ‘Bijlage 2B Bijlagenboek Planstudie N303 Voorthuizen Putten’ in bijlage 3h. Niet alleen de fietsoversteken zijn onveilig, ook het in- en uitrijden van en naar de erven en bedrijven door (vracht)verkeer is verre van ideaal. Het gaat niet alleen om onderhoud en het verbeteren van de verkeersveiligheid, maar ook om de combinatie van een toekomstbestendig duurzaam veilig ingerichte weg met behoud van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden in het gebied. Deze combinatie is nodig om een toekomstige veilige en duurzame verbinding te realiseren.

Verkeers(on)veiligheid 

De N303 is qua veiligheidsrisico een van de onveiligste wegen van Gelderland. Dit is direct gerelateerd aan de hoeveelheid objecten, vooral bomen, die langs de weg staan en het gebrek aan uitwijkruimte. De weg is op veel plaatsen niet breder dan 6 meter. Dat is ongeveer 1,5 meter smaller dan de landelijke standaard van een 80km-weg. In Gelderland bevinden zich vrijwel geen 80km-wegen die zo smal zijn. Deze huidige breedte is onvoldoende om grotere voertuigen elkaar veilig te laten passeren. Omdat er langs grote delen forse bomen dicht op de weg staan, is er geen uitwijkruimte en ontstaan er veel ‘bijna-botsingen’ met een boom. De hoeveelheid spiegels die met grote regelmaat worden gevonden in bermen zegt veel over het smalle profiel. Er is vrijwel geen mogelijkheid om een onbedoelde manoeuvre nog te corrigeren. Ook de inrichting van de kruisingen valt negatief op. Veel kruisingen zijn pas laat voor de naderende automobilist herkenbaar of zichtbaar. Het zicht van en naar de zijwegen laat op veel kruisingen te wensen over. Overstekende fietsers hebben op de meeste plekken géén mogelijkheid om in twee fasen over te steken.

Ongevallenbeeld

In de periode 2017 tot en met 2022 hebben zich op de N303 tussen Voorthuizen en Putten (exclusief het gedeelte in Huinen) 53 geregistreerde ongevallen voorgedaan. Hierbij waren in totaal 26 gewonden en 1 dodelijk slachtoffer te betreuren. Belangrijke opmerking hierbij is dat veel ongevallen niet geregistreerd worden. Vooral ongevallen zonder letsel en eenzijdige ongevallen zijn zoals dat heet ‘ondergeregistreerd’. Met name incidenten met auto’s en fietsers die (om welke reden dan ook) in de berm raken maar waarbij geen letsel wordt opgelopen, zijn daarom niet of nauwelijks terug te zien in de statistieken. Zowel het aantal ongevallen als de letselgraad zijn relatief hoog. Het dodelijke ongeval was een automobilist die de macht over het stuur verloor en tegen een boom reed.

Ongevallen op de hoofdrijbaan

Bij 41 van de 53 ongevallen was een voertuig op de hoofdrijbaan betrokken. Bij 16 van deze ongevallen viel een gewonde of dodelijk slachtoffer te betreuren. Van alle geregistreerde ongevallen met voertuigen op de hoofdrijbaan – voor zover de toedracht valt te achterhalen – kan met zekerheid gezegd worden dat het risico afneemt als gevolg van de verlaging van de maximumsnelheid en de voorgestelde fysieke aanpassingen. 

Dit manifesteert zich op drie manieren:

  • De lagere snelheid geeft verkeersdeelnemers meer tijd om te reageren of te anticiperen op een naderende conflictsituatie.

  • Met een lagere snelheid is de kans kleiner dat een bestuurder de controle over het stuur verliest.

  • Als er toch een ongeval plaatsvindt is de impactsnelheid lager, wat de kans op letsel verkleint.

De N303 is qua veiligheidsrisico één van de onveiligste wegen van Gelderland. Dit is direct gerelateerd aan het ruimtegebrek en, daaraan gekoppeld, de hoeveelheid objecten die pal aan de weg staan.

Fietsers en ongevallen

De fietsstructuur langs de N303 wordt gekwalificeerd als een school- en doorfietsroute. De omvang van het aantal fietsers bedraagt circa 600 tot 1.200 per dag. Deze doorfietsroute moet in de planuitwerking voldoen aan de Gelderse eisen van een snelle doorfietsroute. Met de keuze om het wegvak af te waarderen naar een 60 km/u betekent dit het handhaven van het landbouwverkeer op de hoofdrijbaan.

Van de 53 geregistreerde ongevallen vonden er 6 plaats op het fietspad zonder dat daar een auto bij betrokken was. 4 van deze ongevallen liepen af met (ziekenhuis)letsel. In 4 van de 6 gevallen ging het om een eenzijdig (brom)fietsongeval, waarbij de tweewieler van het pad af raakte. Met name deze eenzijdige ongevallen zijn zwaar ondergeregistreerd omdat er geen politie is ingeschakeld. In 2 gevallen ging het om een frontaal ongeval tussen (brom)fietsers onderling. Zowel eenzijdige als frontale fietsongevallen hebben een relatie met de breedte van het fietspad. De kans op dergelijke ongevallen wordt substantieel kleiner wanneer het fietspad voldoende breed wordt vormgegeven. 

Dit manifesteert zich op de volgende manieren:

  • Een breder fietspad zorgt ervoor dat elkaar tegemoetkomende (brom)fietsers niet vlak langs de rand van het asfalt hoeven te rijden als ze elkaar passeren.

  • Een breder fietspad zorgt ervoor dat duo’s naast elkaar kunnen rijden en niet steeds hoeven uit te wijken bij tegenliggers (wat nu vaak gebeurt). Hoe minder manoeuvres (brom)fietsers hoeven te maken, hoe lager de ongevalskans.

Net als de hoofdrijbaan onderscheidt ook het fietspad zich qua breedte en ruimte in negatieve zin. Het fietspad is op veel plekken niet breder dan 1,5 meter (de landelijke standaard voor tweerichtingsfietspaden is 3,5 meter). Fietsers die naast elkaar rijden moeten bij een tegenligger altijd achter elkaar gaan rijden. Het fietspad ligt op veel plaatsen zo dicht naast de hoofdrijbaan dat een auto vrijwel meteen op het fietspad terechtkomt als deze van de weg raakt.

Paragraaf 1.3 Toets aan omgevingsplannen

De herinrichting van het tracé is niet uitvoerbaar binnen de kaders van de ter plaatse van het wegtracé vigerende bestemmingsplannen, thans behorend tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan van respectievelijk Putten en Nijkerk. Voor de gemeente Putten is dit het bestemmingsplan Westelijk Buitengebied dat is vastgesteld op 4 juli 2014, alsmede het ‘Veegplan Westelijk Buitengebied’, vastgesteld 4 oktober 2018 en geheel onherroepelijk in werking (identificatie NL.IMRO.0273.BPBGWVeegplan-VA02). Voor de gemeente Nijkerk gaat het om het bestemmingsplan Buitengebied 2017, vastgesteld op 30 mei 2017 en de daaropvolgende veegplannen bestemmingsplan ‘Buitengebied Nijkerk 2017, veegplan 1’, vastgesteld 13 mei 2020, ‘Buitengebied Nijkerk 2017, veegplan 2’, vastgesteld 30 mei 2024 en geheel onherroepelijk in werking (identificatie NL.IMRO.0267.BP0172-0003) en de ‘5e Herziening Bestemmingsplan Buitengebied 2017, Veegplan 2’ van de gemeente Nijkerk vastgesteld op 22 mei 2025. Voor het zuidelijke deel geldt het provinciale inpassingsplan ‘Rondweg Voorthuizen N303’, vastgesteld op 17 december 2014. Tevens geldt de parapluherziening (on)zelfstandige woonruimte en voorgevelrooilijn van de gemeente Nijkerk, vastgesteld 24 september 2020.  

Zie ook de afbeelding hieronder.

Vigerende omgevingsplannen ter plaatse van de N303
afbeelding binnen de regeling

De strijdigheid van het wegontwerp met het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de vigerende bestemmingsplannen) heeft betrekking op de volgende tracédelen, zoals opgenomen in Bijlage 14.

Om de strijdigheid op te heffen is het doorlopen van de projectprocedure van Afdeling 5.2 Omgevingswet nodig (het projectbesluit vindt zijn grondslag in de artikelen 5.44 tot en met 5.55 Ow. Regels omtrent de procedure tot vaststelling van een projectbesluit zijn opgenomen in artikel 16.70 tot en met 16.73 Ow). Die procedure mondt uit in de vaststelling van een provinciaal projectbesluit. Het projectbesluit strekt zich uit tot het opheffen van de geconstateerde strijdigheden. Daarnaast bevat het een maatwerkvoorschrift ter regeling van de noodzakelijke bomenkap.

Paragraaf 1.4 Subsidiariteit en proportionaliteit

Het projectbesluit is een uitvoeringsgericht instrument om één of meerdere concrete doelen in de fysieke leefomgeving te bereiken. Het projectbesluit heeft een invasief karakter. Het is een instrument waarmee een hogere overheid de bestaande ordening van een lagere overheid wijzigt ten gunste van een daarmee strijdig project. Vanwege dit invasieve karakter schrijft de wet terughoudendheid voor bij de inzet van het projectbesluit (artikel 2.3 Ow): ‘de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet wordt overgelaten aan de bestuursorganen van een gemeente, tenzij daarover andere regels zijn gesteld. 

Een bestuursorgaan van een provincie oefent een taak of bevoegdheid, als dat bij de regeling daarvan is bepaald, alleen uit als dat nodig is:

  • a.

    met het oog op een provinciaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kan worden behartigd, of

  • b.

    voor een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van deze wet of de uitvoering van een internationaalrechtelijke verplichting.’

De beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit in art. 2.3 Ow brengen een verzwaarde motiveringslast voor de provincie met zich mee. Het is niet voldoende om in het besluit enkel te wijzen op het provinciale belang dat met een zeker project is gemoeid, ook moet worden onderbouwd waarom dit belang niet doelmatig en doeltreffend door de gemeente(n) op wier grondgebied het project zich afspeelt, kan worden behartigd. De memorie van toelichting bij de Omgevingswet noemt vijf typen gevallen waarin de zorg voor de fysieke leefomgeving in ieder geval wordt belegd bij het Rijk of de provincies. 

Voor de provincie zijn de volgende drie typen relevant:

  • Schaalniveau (fysieke onderdelen). Het gaat daarbij om onderwerpen met een zodanig geografisch schaalniveau dat de gemeente deze zorg niet doelmatig of doeltreffend kan behartigen. Zo zijn beheertaken voor niet-Rijksinfrastructuur en beschermde (natuur)gebieden belegd bij de provincie.

  • Schaalniveau (beleidsmatige onderdelen). Hier gaat het om beleidsmatige belangen op een hoger geografisch schaalniveau. Dit speelt met name in de ruimtelijke ordening. Het is onwenselijk het primaat voor de ruimtelijke ordening aan de gemeente te onttrekken maar soms is het nodig om voor bepaalde deelonderwerpen op een hoger schaalniveau beleid te formuleren.

  • Complexe initiatieven. Er zijn gebiedsinitiatieven die omwille van hun schaalgrootte, maatschappelijk belang, gevolgen voor de fysieke leefomgeving of bestuurlijke complexiteit tot de zorg van de provincie worden gerekend. Bestuurlijke complexiteit kan ontstaan doordat er spanning is tussen de lokale belangen en het algemeen belang op een grotere geografische schaal. In dat licht kan de provincie bij de keuze voor het terzijde stellen van de gemeente betrekken of de afweging van de betrokken lokale belangen ten opzichte van het provinciale belang naar haar oordeel redelijkerwijs gemaakt kan worden, of behoort te worden, door het gemeentebestuur. 

Toegepast op de N303 betekent dit het volgende:

  • Het gaat om een provinciale weg. Het provinciale belang is de verkeersveiligheid op de weg en het naastliggende fietspad. Dit belang zou in theorie door de beide gemeenten kunnen worden behartigd, maar het wegbeheer, de planvorming en de uitvoering liggen bij de provincie, waardoor het doelmatiger is om dit in één hand te houden, in plaats van het te verdelen over verschillende gemeenten. Daarnaast heeft de provincie een regionale functie voor verkeer (het ontsluiten van gebieden). Ook behoud en versterking van natuur en landschap, wat ook een rol speelt bij inpassing van de weg, is een provinciale taak. Verder is sprake van één project dat zich uitstrekt over meerdere gemeenten. De projectdoelen worden alleen gehaald als alle maatregelen van de voorkeursvariant worden getroffen. Daarvoor is toedeling naar één bevoegd gezag een noodzakelijke voorwaarde.

  • Beide gemeenten hebben nog het ‘tijdelijke’ omgevingsplan. Er zou een tijdelijk hoofdstuk aan de omgevingsplannen van beide gemeenten kunnen worden toegevoegd, of de gemeenten zouden een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) kunnen verlenen. Dat betekent dat iedere gemeente afzonderlijk de procedures moet gaan voeren, waarbij de provincie de voorbereiding en uitvoering voor zijn rekening neemt. Het is wat betreft procedure tijd (één procedure projectbesluit i.p.v. twee procedures wijziging omgevingsplan of BOPA met bijbehorende risico’s op beroepsprocedures) en inzet van middelen efficiënter om dit in één hand te houden en één projectbesluit te nemen met één beroepsprocedure. 

Paragraaf 1.5 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 Procesverloop en belangenafweging over het procesverloop en de uitgevoerde participatie en belangenafweging. In hoofdstuk 3 Type projectbesluit is het type projectbesluit nader geduid. In hoofdstuk 4 Toetsing aan Beleidskader wordt getoetst of de verbetering van de weg past binnen het geldende beleid. In hoofdstuk 5 Evenwichtige toedeling van functies is de ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal) getoetst. Dit is de uitvoerbaarheidstoets. Hierin is ook getoetst aan de instructieregels van het rijk en de provincie. In hoofdstuk 6 Samenvatting maatregelen zijn de benodigde maatregelen samengevat. Deze zijn ook opgenomen in het vrije tekstdeel van dit projectbesluit. In hoofdstuk 7 Juridische opzet projectbesluit is de juridische opzet van het projectbesluit toegelicht en in hoofdstuk 8 Financieel en economisch niet evident onuitvoerbaar is aangetoond dat de ontwikkeling op voorhand niet evident onuitvoerbaar is.

Hoofdstuk 2 Procesverloop en belangenafweging

Paragraaf 2.1 Inleiding

Paragraaf 2.1.1 Het gevoerde proces en participatie

In het projectbesluit wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten zijn van de uitgevoerde verkenning, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de door derden voorgedragen mogelijke oplossingen en de daarover door deskundigen uitgebrachte adviezen.  

De procedure start met de kennisgeving van het voornemen om een verkenning uit te voeren naar de noodzaak om een projectbesluit vast te stellen en al dan niet een voorkeursbeslissing te nemen. Dit is geregeld in art. 5.47 Ow.

Routekaart

In de routekaart N303 Voorthuizen – Putten is het participatieproces opgenomen (Routekaart N303 Voorthuizen-Putten) Zie onderstaand figuur.

Routekaart N303
afbeelding binnen de regeling

Gevoerd proces

Op 12 juli 2021 (en derhalve onder oud recht) publiceerde de provincie de ‘Kennisgeving voornemen en participatie Verbetering N303 Voorthuizen-Putten’ (Provinciaal blad 2021, 5590). De kennisgeving verwijst naar 2019, het jaar waarin – in samenspraak met een vertegenwoordiging uit de omgeving - een voorkeursalternatief naar voren is gekomen dat ervan uitgaat dat de weg duurzaam veilig wordt ingericht met een snelheidsregime van 60 km. per uur, inclusief de verbreding van het fietspad.

Het voornemen werd als volgt omschreven: ‘We willen de N303 tussen Voorthuizen en Putten verbeteren door de volgende drie punten aan te pakken:

‘We willen de N303 tussen Voorthuizen en Putten verbeteren door de volgende drie punten aan te pakken:

  • 1.

    De inrichting van de weg afstemmen op het toekomstige gebruik.

  • 2.

    Verbreden van het vrij liggend fietspad.

  • 3.

    De maximumsnelheid verlagen van 80 naar 60 kilometer per uur.

In de kennisgeving werd de mogelijkheid gegeven om te reageren op het voornemen en op het communicatie- en participatieplan N303 Voorthuizen-Putten. Van de reacties is een reactienota gemaakt (zie Bijlage 1). De kennisgeving gaf aan dat de planuitwerkingsfase zal worden gestart zonder een zogenoemde formele voorkeursbeslissing. Dit had onvoldoende meerwaarde, omdat de al uitgevoerde (pre-)verkenningen hadden aangetoond dat de afwegingsruimte beperkt is en er een uitgebreid participatietraject doorlopen werd. De (pre-)verkenningen zijn neergelegd in de Eindrapportage Planstudie N303 (2023), die als Bijlage 2 aan deze motivering is toegevoegd. In dit hoofdstuk zijn de resultaten uit die verkenning samengevat en is beknopt aangegeven welke inbreng participanten hierop hebben gegeven. 

De manier waarop maatschappelijke partijen zijn betrokken tijdens de verschillende fasen van het project is nader beschreven in het participatie- en communicatieplan ‘Verkenning N303 Voorthuizen-Putten’ (www.gelderland.nl/N303-voorthuizen-putten). Op basis daarvan kon een ieder haar of zijn belangen, wensen en ideeën kenbaar maken, zodat die in de afwegingen mee konden worden genomen om uiteindelijk tot een zorgvuldig uitgevoerde uitwerking van het voorkeursalternatief te komen. Het resultaat van deze studie is in 2022 aangeboden aan GS. 

Na deze inventarisatiefase (stap 1) zijn scenario’s opgesteld (stap 2). Vanuit de scenario’s zijn vervolgens drie realistische varianten (stap 3) opgesteld om tot slot te komen tot een uiteindelijke voorkeursvariant (stap 4) die geborgd is in een Definitieve Voorontwerp (DVO) (stap 5). Het gaat hier dan om een verdiepende voorkeursvariant op de eerdere VKV uit de verkenningsfase 2019.

Bij elke tussenstap is de omgeving geraadpleegd. Soms in de vorm van de Klankbordgroep, soms door een bredere bewonersbijeenkomst. Gedurende het gehele proces is een Klant Eis Systeem (KES) gebruikt om alle input die opgehaald is structureel te ordenen, om zo de eisen goed mee te kunnen nemen bij de volgende ontwerpstap. In de volgende figuur is per stap te lezen hoe dat proces in zijn werk ging. De gekleurde symbolen naast de titel geven aan welke participatie-instrumenten daarbij zijn gebruikt.

Werkproces per stap (Bron Planstudie N303 Voorthuizen-Putten, 2023)
afbeelding binnen de regeling
Paragraaf 2.1.2 De ingezette participatie-instrumenten op een rijtje

In de Planstudie N303 Voorthuizen-Putten is uiteengezet welke participatie instrumenten zijn gebruikt. Gedurende het traject is de omgeving op verschillende wijzen betrokken door: 

Project website 

Een projectwebpagina, waar alle betrokkenen bij de N303 (intern én extern) op elk willekeurig moment een bezoek aan konden brengen. Hier is de algemene informatie over het project te vinden: www.gelderland.nl/n303.

Inloopbijeenkomsten/informatiemarkt

Deze bijeenkomsten zijn breed in de media aangekondigd en bedoeld voor alle geïnteresseerden. 

Gedurende het traject hebben meerdere inloopbijeenkomsten plaatsgevonden:

  • 1 en 3 november 2022: informatie over de drie ontwerpvarianten;

  • en 5 juli 2023: informatie over het definitief voorkeursontwerp.

Relevante input die tijdens deze bijeenkomsten is opgedaan, is geborgd in de KES en meegenomen binnen het ontwerpproces.

Bijeenkomsten met de klankbordgroep

De klankbordgroep is een vertegenwoordiging vanuit het gebied bestaande uit vijf thema’s van elk ca. drie personen:

  • 1.

    Bewoners/wijken

  • 2.

    Recreatie/toerisme

  • 3.

    Ondernemers/agrariërs

  • 4.

    Verkeer

  • 5.

    Landschap, natuur en cultuurhistorie

Voorwaarde om lid te zijn van deze klankbordgroep is het vertegenwoordigen van een achterban. Doel van de bijeenkomsten was om vanuit de verschillende thema’s input en advies te krijgen op de ontwerpkeuzes en het proces. 

In totaal zijn negen bijeenkomsten georganiseerd met de klankbordgroep:

  • Maart 2022: scenario’s bouwen

  • Maart 2022: presentatie scenario’s met moodboards

  • April 2022: LNC-special (speciale aandacht voor omgang met LNC-waarden in project)

  • Juni 2022: presentatie scenario’s met ontwerpen en effecten

  • September 2022: presentatie 3 ontwerpvarianten

  • Oktober 2022: presentatie effecten 3 ontwerpvarianten

  • December 2022: presentatie Voorkeursvariant/kralensnoer

  • Maart 2023: ontwerpkeuzes t.b.v. Definitief voorkeursontwerp

  • Juni 2023: presentatie Definitief voorkeursontwerp & 3D visualisatie

De opgehaalde input is verwerkt in de KES.

KES-gesprekken met sleutelpartijen

Gedurende het proces hebben gesprekken plaatsgevonden met sleutelpartijen: partijen die een grote invloed hebben op, of belang hebben bij, het ontwerp. Hierbij is gesproken met de gemeenten Nijkerk en Putten, Waterschap Vallei en Veluwe, de particuliere eigenaresse van de Landgoederen Gerven & Hell en andere belangenorganisaties. Tijdens de gesprekken zijn raakvlakken, wensen en aandachtspunten van deze partijen besproken, die input vormden voor de KES.

Inspiratiesessies ‘natuur inclusief & duurzaam werken’

Er is een (inspiratie)sessie georganiseerd, waarbij het Grond-, weg- en waterbouw (GWW)-ambitieweb centraal stond. Tijdens de sessie is bepaald op welke thema’s en doelen (bv. biodiversiteit, ruimtelijke kwaliteit of veiligheid) specifiek inzetbaar zijn gelet op de doelen en kenmerken van deze verbinding. Deze zijn opgenomen in de KES en zo mogelijk vertaald naar passende en concrete maatregelen. Ook maatregelen die in later stadium van uitwerking een bijdrage leveren aan natuurinclusief en duurzaam werken.

Tussentijdse ‘check-gesprekken’ met bevoegd gezag en nutsbedrijven

Er hebben tussentijdse gesprekken plaatsgevonden met de bevoegde gezagsorganen (gemeenten, waterschap, provincie) en nutsbedrijven. Tijdens deze gesprekken is de haalbaarheid van oplossingen afgetast.

Gebiedsexcursie in het veld over landschap, natuur en/of cultuurhistorie

Er is een gebiedsexcursie gehouden waarbij door de LNC-leden vanuit de klankbordgroep is uitgelegd wat de huidige belangrijke kwaliteiten van het gebied zijn.

Paragraaf 2.2 Bespreking van de fase Verkenning

Paragraaf 2.2.1 Verkenning

In nauwe samenwerking met de gemeenten Nijkerk en Putten, Waterschap Vallei en Veluwe, een klankbordgroep en aan- en omwonenden zijn de knelpunten van de huidige N303 in kaart gebracht. Vervolgens is daar, na een intensief participatieproces van twee jaar, de voorkeursvariant uit naar voren gekomen. 

Deze gaat uit van het treffen van de volgende drie maatregelen:

  • 1.

    Een duurzaam veilige inrichting van de weg om ongelukken te voorkomen.

  • 2.

    Een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur.

  • 3.

    Het verbreden van het vrij liggende fietspad, passend bij de grote hoeveelheid fietsers.

Eén en ander gecombineerd met het uitvoeren van groot onderhoud en het behoud en de versterking van de landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden (LNC-waarden).

Paragraaf 2.2.2 Vijf scenario’s

Op basis van de inventarisatie en input vanuit klankbordgroep, de gemeenten en het waterschap zijn vijf scenario’s ontwikkeld. 

De vijf scenario’s zijn:

  • 1.

    0-plus variant (minimale variant)

  • 2.

    Borgen (integrale veiligheid & toegankelijkheid), LNC volgend

  • 3.

    Poort/Entree Veluwe, functie & LNC hand in hand

  • 4.

    Groene ‘zandloper’ N303, Natuurinclusief, LNC als leidend principe

  • 5.

    Ruim baan voor de fiets, LNC volgt fietspad

Deze vijf scenario’s zijn globaal en vooral beeldend uitgewerkt om daarmee een eerste (droom)beeld van de toekomstige weg, de N303, te krijgen.

Paragraaf 2.2.3 Van vijf scenario’s naar drie ontwerpvarianten

Bij de vijf scenario’s zijn voor de zes meest onderscheidende en dominante thema’s verkeer, landschap-natuur-cultuurhistorie (LNC), geluid & trillingen en water globaal de effecten beoordeeld ten opzichte van de huidige situatie. Dit is uitgevoerd door experts van deze thema’s op basis van ‘expert judgement’. 

Hieruit zijn, met inbreng van gemeenten, waterschap, klankbordgroep en landgoedeigenaresse op de scenario’s, door het provinciaal projectteam drie realistische ontwerpvarianten gekozen:

  • 1.

    focus op ‘minimaal ingrijpen’ - maximaal behoud van de huidige waarden – fietspad 3 meter breed;

  • 2.

    focus op ‘verkeerverkeersveiligheid’ - kruispunten worden uitgebreid (maximaal verkeersveilig) - fietspad 3,5 meter breed;

  • 3.

    focus op ‘recreatie’ - fietspad 3,5 meter breed en (ter hoogte van het landgoed) gelegen achter een houtwal - kruispunten worden minder ingrijpend ingericht.

Voor alle drie de ontwerpvarianten is per locatie (dat wil zeggen 16 wegvakken) een gespecificeerde effectenbeoordeling uitgevoerd, zie bijlage 2B: ‘Bijlagenboek Planstudie N303 Voorthuizen Putten Bijlagenboek (augustus 2023) in Bijlage 6. Beschrijving en effecten drie varianten’. 

De drie ontwerpvarianten zijn teruggebracht naar één voorkeursvariant, waarbij de voorkeursvariant bestaat uit een optimale mix van de drie ontwerpvarianten.

Paragraaf 2.3 Voorkeursalternatief

De verkenning leverde drie ontwerp varianten op. In de planstudiefase is van drie ontwerpvarianten naar een voorkeursvariant toegewerkt. De onderstaande tabel 1 beschrijft de drie ontwerpvarianten en de voorkeursvariant per deellocatie, ‘kralen’ genoemd. Om van drie ontwerpvarianten naar één voorkeursvariant te komen is per ‘wegvak’ gekeken welke effecten optreden en welke oplossingskeuze het best scoort en dus de voorkeur heeft. Ook zijn daar het advies van de klankbordgroep, van de stakeholders en de reacties uit de inloopmomenten in meegewogen. Dit vormt in zijn geheel de voorkeursvariant (zie eveneens tabel 1).De integrale keuzes per wegvak/kraal zijn beschreven in hoofdstuk 8 van de Planstudie N303 Voorthuizen Putten, zie Bijlage 2.  

In groen is aangegeven welke onderdelen in het voorkeursalternatief zijn opgenomen. 

Tabel 1. Aanéénschakeling van het kralensnoer tot één Voorkeursvariant (VKA), Planstudie N303 Voorthuizen-Putten Eindrapportage, oktober 2023

Kraal

Locatie

V1 – Focus op minimaal ingrijpen

V2 – Focus op verkeersveiligheid

V3 – Focus op recreatie

Oplossing in VKA

 

Voorthuizen

 
 
 

Voorthuizen

1

Poort 80–60 (Voorthuizen)

Drempel

Uitbuiging

Poortconstructie met gemengde hagen

Uitbuiging als snelheidsremmer, overgang van 80 naar 60 km/uur - poortfunctie

2

Wegvak: Poort 80–60 → kruispunt Woudweg/Prinsenweg

6,5 m weg; 1,5 m groene tussenberm (gras); 3,0 m fietspad

6,5 m weg; 1,5 m groene tussenberm (gras); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 1,5 m groene tussenberm (gras); 3,5 m fietspad

6,5 m weg, 3,0 m fietspad (i.v.m. Appelsche Maalschap/voortuinen), 1,5 m groene tussenberm, geen geleiderail; watergang gedempt en IT‑riool, hierdoor wordt de ruimte gebruikt om het fietspad en de groenstructuur maximaal te behouden.

3

Kruispunt Woudweg/Prinsenweg

Plateau

Rotonde met groene elementen

Uitbuiging

uitbuiging en de toepassing van een middengeleider om met name de fietsoversteek veiliger te maken. De uitbuiging leidt tot verhoogde attentiewaarde en snelheidsvermindering; geen rotonde/plateau

4

Wegvak: Woudweg - Koestapel

6,5 m weg; 3,0 m tussenberm met bestaaande + evt nieuwe bomen; 3,0 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (bloemrijk gras); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; geen tussenberm (nieuwe groenstrook op bestaande fietspad); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm; 3,0 m fietspad; geen geleiderail; faunapassages (natte en droge), eekhoornbruggen en dassentunnel

5

Toegang Koestapels

Uitbuiging richting Koestapels, onderhoudspad dicht

Plateau, onderhoudspad dicht

Verkeersplateau; onderhoudspad dicht; locatie inrit Groot Koestapel n.t.b. historische hoofdingang behouden (grasbeton/landelijk hekje)

6

Wegvak: Koestapel - Tolweg (Tolhuisje)

6,5 m weg; 3,0 m tussenberm met bestaande +evt nieuwe bomen; 3,0 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (bloemrijk gras); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (heide); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm; 3,0 m fietspad; (als kraal 4)

7

Wegvak: Tolweg (Tolhuisje) - rotonde Huinen

6,5 m weg; 1,5 m groene tussenberm (gras); 3,0 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (bloemrijk gras); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (heide); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm; 3,0 m fietspad; (als kraal 4 en 6); Om Tolhuisje heen gebogen; fietspad om bomenrij heen het weiland in.

 

Bebouwde kom Huinen

 
 
 

Bebouwde kom Huinen

8

Wegvak: Kom Huinen - kruising Kolthoornseweg-Bato'sweg/Klunenweg (S‑bochten)

6,5 m weg; 1,5 m groene tussenberm (gras); 3,0 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (bloemrijk gras); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (heide); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm; 3,5 m fietspad; bomen westzijde handhaven; tussenberm-bomen vervallen; herplant aaneengesloten bomenrij; uitbuiging bij Bakkerweg, waardoor de automobilist de mogelijkheid heeft om zich tussen het fietspad en de weg op te stellen.

9

Kruispunt Klunenweg/Kolthoornseweg - Bato'sweg

Plateau

3,5 m middengeleider*

3,5 m middengeleider*

3,5 m middengeleider *Met optimalisatie Uitbuiging + middengeleider; geen plateau

10

Wegvak: Kruispunt Klunenweg/Kolthoornseweg - Bato'sweg - kruispunt Huinerweg

6,5 m weg; 1,5 m groene tussenberm (gras); 3,0 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (bloemrijk gras); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (heide); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm; 3,5 m fietspad; Bomen westzijde handhaven; oostzijde beperkt; bij ‘Dops Akker’ berm over een korte afstand 1,5 m; grondwal+scherm herstellen

11

Kruispunt Huinerweg

Schijnplateau

Schijnplateau + afsluiten west-/oost gemotoriseerd verkeer

Schijnplateau + afsluiten oost gemotoriseerd verkeer

Schijnplateau; afsluiting oostzijde voor gemotoriseerd verkeer; westzijde open

12

Wegvak: Kruispunt Huinerweg - rotonde ‘Melkmeisje’

6,5 m weg; 1,5 m groene tussenberm (gras); 3,0 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (bloemrijk gras); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (heide); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm; 3,5 m fietspad; bomen westzijde handhaven; verbeteringen rond rotonde ‘Melkmeisje’ (oversteken, vergroenen)

 

rotonde Melkmeisje

-

Verbeteren verkeersveiligheid

Vergroenen rotonde

Veiliger/groener in overleg met gemeente

13

Wegvak: rotonde ‘Melkmeisje’ - palletfabriek/transportbedrijf

6,5 m weg; 1,5 m groene tussenberm (gras); 3,0 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (bloemrijk gras); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (heide); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm; 3,5 m fietspad; bomen oost en west handhaven (behalve tussen watergang en weg); tussenberm-bomen verdwijnen

14

In- en uitritten palletfabriek/transportbedrijf

Links‑af strook + uitbuiging fietspad

Linksaf‑voorsorteerstrook naar transportbedrijf Vd Brug; geen aparte linksaf voor palletfabriek; 

15

Wegvak: palletfabriek/transportbedrijf - vakantiepark

6,5 m weg; 1,5 m groene tussenberm (gras); 3,0 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (bloemrijk gras); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm (heide); 3,5 m fietspad

6,5 m weg; 2,0 m groene tussenberm; 3,5 m fietspad; bomen westzijde grotendeels handhaven

16

In- en uitrit vakantiepark

Links‑af strook + uitbuiging fietspad

Links‑af strook + uitbuiging fietspad

Links‑af strook + uitbuiging fietspad; harde scheidingen bushaltes vervallen; enkele boom wijkt; maakt uiteindelijk geen onderdeel uit van de provinciale uitvoering, deze aansluiting zal opgepakt worden door de gemeente Putten;

 

Putten

 
 
 

Putten

Effect op LNC

 

Minst impact op laanbomen, bos en GNN

Meest impact op laanbomen en bos

Weinig impact po laanbomen/bos, meest impact op GNN

Minst impact op GNN, weinig impact op bos, (relatief) veel impact op laanbomen

Plussen LNC

 

Bomen in (smalle) tussenberm+LNC ambitiekaart

Groene (brede) tussenbermen+groene kruispunten+LNC ambitiekaart

Meest groene bermen + groene kruispunten+LNC ambitiekaart

Groene (brede) tussenbermen + groene kruispunten + LNC ambitiekaart

(Tussen)bermen

 

Groene tussenberm (gras)

Groene tussenberm (bloemrijk gras)

Groene tussenberm (heide, heggen)

Groene tussenbermen: inrichting & beheer afhankelijk van (groei)locatie en zichtlijnen

Hoofdkeuzes voorkeursvariant

De hoofdkeuzes voor de voorkeursvariant zijn:

  • Creëren van een veilige breedte bij 60 km/u op het gehele tracé en verhoogde (maar wel overrijdbare) middenas om inhalen te ontmoedigen.

  • Ter hoogte van het landgoed staan relatief veel bomen. Deze staan aan de westzijde van de weg, tussen de weg en het fietspad en ook aan de oostzijde van het fietspad. Om ruimte te maken voor weg en fietspad kunnen niet alle bomen behouden blijven. Door te kiezen voor een zo smal mogelijk wegprofiel en de bomen in de berm tussen weg en fietspad te verwijderen, kunnen de bomenrijen aan de rand van de weg (westzijde) en aan de rand van het fietspad (oostzijde) behouden blijven.

  • De standaardbreedte en tevens minimale breedte voor een fietspad met deze hoeveelheden fietsers bedraagt 3,5 meter.

  • Het fietspad tussen Huinen en Putten is een belangrijke recreatieve verbinding en kent een hoog aantal fietsers variërend van 700 tot 1.200 per dag. Ten zuiden van de Oude Prinsenweg ligt de intensiteit op de gehele N303 rond de 700 fietsers per dag. Ten noorden ervan ligt het aandeel richting de 1200 fietsers per dag;

  • Bermen worden ingezaaid met bloemrijke kruiden en op diverse locaties worden hagen tussen weg en fietspad aangebracht.

  • Het fietspad tussen Voorthuizen en Huinen doorsnijdt het Gelders Natuurnetwerk (GNN), er liggen oude wildwallen naast het fietspad en er zijn veel bomen aanwezig. Door hier te kiezen voor een maatwerk-oplossing met een 3 meter breed fietspad (in plaats van de minimale gewenste 3,5 meter) kunnen hier de oude wildwallen gespaard blijven en wordt er minder GNN en bomen aangetast. Hiermee prefereren LNC componenten boven de minimaal gewenst fietspadbreedte van 3,5 meter, dus ten gunste van LNC. Omdat hier de fietsintensiteit wat lager ligt dan in het noordelijk deel wordt dit als een acceptabele concessie beschouwd.

Nadere beschrijving van de Voorkeursvariant - Integrale keuzes per kraal 

  • Kraal 1: De overgang annex toegangspoort tot de Veluwe is bedoeld om de snelheidsovergang van 80 naar 60 km/uur duidelijk te markeren. De uitbuiging werkt het meest effectief als snelheidsremmer en markeert de overgang naar 60 km/u. De maatregel heeft weinig impact op de tuinen en de omliggende bebouwing, landschap, natuur of cultuurhistorie, noch op waterafvoer.

  • Kraal 2: Door de beperkte ruimte i.v.m. de Appelsche Maalschap wordt vanwege besparingen van voortuinen en aangrenzende bebouwing een minimale fietspadbreedte van 3 meter toegepast. Dat kan, omdat op dit traject minder fietsers fietsen. Er wordt geen fysieke afscheiding of geleiderail toegepast omdat dit een averechtse werking heeft m.b.t. de snelheidsverlaging en het biedt dan ook geen uitwijkmogelijkheden bij bijvoorbeeld pech. De watergang wordt vervangen door een IT-riool, zodat er ruimte is voor het fietspad en de groenstructuur. Er is beperkt impact op de groenstructuur of kap van bomen nodig. 

  • Kraal 3: Een uitbuiging met middengeleider verbetert de veiligheid. Met de uitbuiging wordt een relatief klein deel van het aangrenzende bosperceel aangetast dat onderdeel uitmaakt van GNN. Het fietspad wordt t.o.v. de kruising uitgebogen zodat er ruimte ontstaat voor de auto’s om zich tussen weg en fietspad op te stellen. Een rotonde zou te veel ruimte vragen en een plateau zou trillingen (bij aanleg van naden) en geluid kunnen veroorzaken. Er is een beperkt aantal te kappen bomen. 

  • Kraal 4: Het fietspad wordt 3 meter om GNN, bos en wildwallen te sparen. Een natte én een droge faunapassage worden toegevoegd en er worden eekhoornbruggen en een dassentunnel aangebracht. Er geen geleiderail vanwege snelheidsrisico’s, uitwijkmogelijkheden en barrière voor overstekend wild. 

  • Kraal 5: Een verkeersplateau zorgt voor attentiewaarde zonder aantasting van groen en bestaande landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden. De historische toegang blijft behouden in sobere vorm. Bezoekers worden naar de parkeerplekken geleid. 

  • Kraal 6: Zelfde uitgangspunten als kraal 4: fietspad 3 meter, groene tussenberm. 

  • Kraal 7: vergelijkbare afweging als kraal 4 & 6. Fietspad wordt om het Tolhuisje en een bomenrij heen gelegd. Een tuin wordt geraakt. 

  • Kraal 8: Hier geldt minimale fietspadbreedte van 3,5 meter. Bomen westzijde blijven; tussenbermbomen verdwijnen door een beperkte toekomstverwachting. De oostzijde is ook de zijde van de van oorsprong meer open Huinerenk. Bij de herplant wordt op deze locatie een aaneengesloten bomenrij aangeplant. Ter hoogte van de kruising Bakkerweg wordt hier, zoals ook op andere locaties, het fietspad uitgebogen, waardoor de automobilist de mogelijkheid heeft om zich tussen het fietspad en de weg op te stellen. 

  • Kraal 9: Uitbuiging en middengeleider om de fietsoversteek veiliger te maken. Plateau is minder geschikt vanwege mogelijke trillingshinder bij aanleg van naden en geen verbetering voor overstekende fietsers. De specifieke positionering van de uitbuiging zoals nu is ontworpen, is dusdanig gebeurd dat de impact op groen, bebouwing en benodigde grondaankoop zo klein mogelijk blijft. Er is een beperkt aantal te kappen bomen. 

  • Kraal 10: Bomen westzijde blijven; oostzijde deels verwijderd voor een veilige weg en een veilig breed fietspad ten gunste van de bomen aan de westkant. Bomen aan de oostkant hebben een beperkte toekomstverwachting. Nabij camping Dops Akker wordt de berm over een klein deel versmald om bebouwing te sparen. De grondwal met scherm wordt hersteld en ingepast in de nieuwe inrichting. 

  • Kraal 11: Schijnplateau voor attentie verhogend effect. Het schijnplateau voorkomt trillingen voor woningen dicht bij de weg. Oostzijde wordt afgesloten voor gemotoriseerd verkeer; westzijde blijft open voor alle verkeer. De weg wordt hier niet uitgebreid in westelijke richting omdat dit anders leidt tot onevenredige grote impact op bomen. 

  • Kraal 12: Fietspad 3,5 meter en behoud bomen westzijde. Afweging is in lijn met de afwegingen voor de kralen 8 en 10. 

  • Rotonde ‘Melkmeisje’: Bij rotonde Melkmeisje worden oversteken en groen verbeterd. Er wordt een betere inleiding van fietsverkeer gecreëerd in westelijke richting. De oversteek op de zuidtak wordt verbreed. Er wordt op het noordelijke fietspad langs de Oude Garderenseweg een bord geplaatst ‘verboden in te rijden’ voor fietsers vanaf Putten, om spookrijden tegen te gaan. Het middeneiland en de middengeleider wordt ‘vergroend’. 

  • Kraal 13: Het fietspad wordt 3,5 meter. Bomen aan beide zijden blijven grotendeels met uitzondering van de bomen die tussen de watergang en de weg staan. De tussenbermbomen verdwijnen. De afweging is sterk in lijn met de afwegingen voor de kralen 8 en 10. 

  • Kraal 14: Linksaf voorsorteervak naar transportbedrijf verbetert de veiligheid. De ruimte die deze maatregel vergt heeft impact op de aan de oostkant bestaande bomenrij. Geen aparte afslag linksaf voorzien voor het perceel van de palletfabriek. De Oude Prinsenweg blijft onveranderd. 

  • Kraal 15: Fietspad 3,5 meter en behoud van bomen aan westzijde. Afwegingen vergelijkbaar met de kralen 8 en 10. 

  • Kraal 16: Deze kraal maakt uiteindelijk geen onderdeel uit van de provinciale uitvoering, deze aansluiting zal opgepakt worden door de gemeente Putten. Linksafvak creëert veilige toegang tot het vakantiepark. De harde scheidingen bij de bushaltes verdwijnen, zodat vrachtwagens die vanaf het vakantiepark richting Voorthuizen draaien de bushalte kunnen gebruiken als manoeuvreerruimte. Enkele bomen wijken.

De gekozen voorkeursvariant is uitgewerkt in een definitief voorontwerp (DVO). In dit definitief voorontwerp zijn o.a. de wegtracés, kruisingen, landschappelijke elementen, mitigerende en compenserende maatregelen en aanpassingen aan de waterhuishouding opgenomen. Het ontwerp is technisch haalbaar en conform de eisen van de bevoegde gezagsorganen. Met het 3D-ontwerp van het DVO is een goed inzicht gegeven t.a.v. ondergrondse infrastructuur én ophogingen of verlagingen van het maaiveld rondom bomen en velden langs de N303. Het wegontwerp is opgenomen in Bijlage 13

Paragraaf 2.4 Bespreking formele procedure

Er is aan het begin van de projectprocedure besloten dat de stap van een voorkeursbeslissing tussen de verkenning en het projectbesluit zou worden overgeslagen. Deze stap is formeel immers niet vereist en bood in deze procedure ook geen meerwaarde, omdat de al uitgevoerde (pre)verkenningen hebben uitgewezen dat de afwegingsruimte beperkt was en er een uitgebreid participatietraject doorlopen is. 

Het ontwerp-projectbesluit is opgesteld en vrijgegeven voor ter inzage legging door het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland.  

Dit besluit komt tot stand met toepassing van de regels over de openbare voorbereidingsprocedure in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met afdeling 5.2 van de Omgevingswet. Het definitieve projectbesluit wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland.

Paragraaf 2.5 Bespreking belangenafweging

Uit hetgeen is opgenomen in de paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3 blijkt dat alle betrokken belangen – zoals milieu, gezondheid, veiligheid, ecologie, cultuurhistorie, archeologie en mobiliteit – zorgvuldig zijn meegewogen. Daarmee is sprake van een transparante afweging van publieke en private belangen.

Hoofdstuk 3 Type projectbesluit

Paragraaf 3.1 Het ‘Projectbesluit N303’ is een projectbesluit light

Het projectbesluit vormt de projecttoestemming van een specifiek project en bevat de regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project. Hiermee wordt het omgevingsplan van de gemeenten gewijzigd. 

Daarnaast zijn bij een project, zo ook dit project, diverse vergunningen en toestemmingen nodig om het mogelijk te maken. 

  Een projectbesluit kan hierbij op twee manieren worden opgezet: 

  • Als een integraal projectbesluit, waarbij die vergunningen en toestemmingen integraal deel uit maken van het projectbesluit. 

  • Als een projectbesluit light, waarbij die vergunningen en toestemmingen separaat blijven van het projectbesluit: het projectbesluit vormt dan uitsluitend de planologische toestemming (de projecttoestemming en wijziging van het omgevingsplan).

Bij onderhavig project is gekozen voor de tweede optie. Dat is gedaan omdat de diverse vergunningen en toestemmingen een groter detailniveau hebben en een langere doorlooptijd hebben. 

Wel is ervoor gekozen de vergunningen en toestemmingen behorende bij dit projectbesluit te coördineren. Dat betekent dat deze samen één procedure doorlopen en dat eenieder bij één loket eventuele bezwaren kan indienen. De provincie vormt hierbij het bevoegde gezag en coördineert deze procedure.  

De besluiten die ex artikel 5.45 lid 1 Ow vrijwillig worden mee gecoördineerd, zijn in ieder geval: 

  •  omgevingsvergunningen voor natuur (flora en fauna en houtopstanden);

  • de watervergunning(en);

  • de (gemeentelijke) kapvergunningen;

Paragraaf 3.2 Projectbesluit en transitiefase

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 hebben gemeenten van rechtswege het zogenaamde tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de overgangsfase naar het definitieve omgevingsplan, die tot 1 januari 2032 duurt, hoeft het Rijk, de provincie of het waterschap met het projectbesluit het gemeentelijke omgevingsplan niet te wijzigen. Dit volgt uit artikel 22.16, lid 1, eerste zin, Omgevingswet. Het bepaalt dat, voor zover het projectbesluit in strijd is met het omgevingsplan, het projectbesluit geldt als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Rijk, provincie en waterschap hoeven wijzigingen in het omgevingsplan dan nog niet zelf aan te brengen maar de gemeente moet er tezijnertijd voor zorgen dat zij het nieuwe deel van het omgevingsplan in overeenstemming brengt met deze omgevingsvergunning. Dit moet uiterlijk aan het einde van de overgangsfase zijn gebeurd of binnen 5 jaar na het vaststellen van het projectbesluit (artikel 4.17 en 22.5 en 22.16, lid 2 Omgevingswet). 

Daarmee ligt de keuze voor om:

  • 1.

    een projectbesluit, geldend als omgevingsvergunning vast te stellen, of

  • 2.

    een projectbesluit, inclusief een ‘tijdelijk regelingdeel’, vast te stellen wat het omgevingsplan wel wijzigt (met voorrangsregels).

Ad 1.

Hierbij wordt gebruik gemaakt van het overgangsrecht bij de Omgevingswet en wordt geen ‘tijdelijk regeldeel’ opgesteld met regels die het gemeentelijke omgevingsplan wijzigen. Het geldt als een omgevingsvergunning, als juridische grondslag voor de uitvoering van het project. De gemeenten verwerken dit binnen de toepasselijke overgangsrechtelijke regels in hun omgevingsplan. Het nadeel hiervan is dat de huidige functies niet ‘geschrapt’ worden uit het omgevingsplan. Waar op basis van het tijdelijke omgevingsplan een woning is toegelaten, of een bedrijfsmatige activiteit, blijven die woning of activiteiten toegelaten. 

Ad 2.

In de overgangsfase van het tijdelijke omgevingsplan naar het nieuwe omgevingsplan, kunnen als gevolg van technische beperkingen nog geen projectbesluiten als bedoeld in artikel 5.52, lid 1, Omgevingswet worden vastgesteld die daadwerkelijk de regels van het omgevingsplan wijzigen. Wel kan het projectbesluit het omgevingsplan direct wijzigen door een zogenoemd ‘tijdelijk regelingdeel’ aan het omgevingsplan toe te voegen voor de desbetreffende gemeente. Dit staat in de TPOD projectbesluit. In het ‘tijdelijk regelingdeel’ worden regels opgenomen die ‘voor gaan’ op de regels in het tijdelijke omgevingsplan, door een voorrangsbepaling op te nemen. Hiermee kunnen derhalve wel bestaande functies ‘geschrapt’ worden (meervoudig bronhouderschap bestaat nog niet dus: Tijdelijk regelingdeel. In het tijdelijk regelingdeel staan die regels die rechtstreeks in het omgevingsplan worden aangepast. Het is in zoverre niet tijdelijk dat het wel degelijk de bedoeling is dat de gemeente de regels op enige termijn overneemt in het omgevingsplan). Ook kunnen daarmee bepaalde algemene gebruiks-/bouwregels buiten werking worden gesteld. Dit kan bijvoorbeeld gaan om realisatie van nieuwe uitwegen, wat moet worden voorkomen in het projectbesluit. 

Voor het projectbesluit N303 is de voorkeur gegeven aan keuze 2, aangezien de functie ‘verkeer’ moet worden toegevoegd, voor zover de weg buiten de bestaande verkeersbestemming komt. Het projectbesluit kan op deze manier zo nodig ook een basis vormen voor onteigening van gronden. Het projectbesluit legt in het tijdelijk regelingdeel namelijk de nieuwe functie ‘Verkeer’ vast, voor zover het omgevingsplan dat niet toeliet.

Paragraaf 3.3 Onderdelen van het projectbesluit

De officiële bekendmaking van het projectbesluit gaat via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB). Het besluit is ook te zien in de regelingenbank. Daarnaast is het projectbesluit automatisch te raadplegen in het Omgevingsloket, in het onderdeel Regels op de Kaart. Iedereen kan dan op de kaart zien welke regels waar gelden. 

Een projectbesluit bestaat uit de volgende onderdelen (de wettelijke eisen die worden gesteld aan het (ontwerp)projectbesluit zijn terug te vinden in par. 5.2.3 Omgevingswet (Ow), afdeling 5.3 Omgevingsbesluit (Ob) en hoofdstuk 10 Omgevingsregeling (Or):

1.

Vaststellingsbesluit (Besluit)

Dit is het besluit dat door het college van GS wordt genomen (collegebesluit). Het wordt gepubliceerd op www.overheid.nl

2.

Projectbesluit (Regeling, vrije tekstgedeelte)

Inhoud van het besluit:

 

  • omschrijving project; 

  • maatregelen; 

  • uitvoeringsbesluiten; 

  • termijn regels stellen in het omgevingsplan; 

  • buiten toepassing laten regels; 

  • uitwerking projectbesluit; 

  • wijziging omgevingsplannen in het tijdelijk regeling deel.

3.

Wijziging van omgevingsplan(nen) (art. 5.52, lid 2 onder a Ow) (NB tijdens de overgangsperiode is dit onderdeel op grond van art. 22.16 Ow facultatief, maar wel gewenst door de provincie)

Regels in het ‘tijdelijk regelingdeel’, zo nodig inclusief bijbehorende (artikelsgewijze) toelichting

4.

Motivering (als separaat onderdeel van het Besluit)

De resultaten van de verkenning, participatie, vigerend beleid, uitvoerbaarheid (vergelijkbaar met de toelichting van het inpassingsplan)

Het Projectbesluit valt uiteen in twee lichamen: het Besluit (1) en de Regeling (2). Alleen de Regeling wordt ontsloten via DSO en daar verbonden middels ‘geo-informatie’ aan een viewer.

Bij het Besluit (op www.overheid.nl) is niet alleen de regeling (2) zichtbaar en het tijdelijk regeling deel (3), maar is ook de Motivering (4) gevoegd, met de resultaten van de verkenning, participatie, vigerend beleid, uitvoerbaarheid. 

In de Regeling (op overheid.nl en in DSO) is opgenomen:

  • het ‘vrijetekstgedeelte’, waarin een beschrijving staat van het project, de aanlegfase en maatregelen ter compensatie, mitigatie, voorkoming van schade.

  • de regels die het omgevingsplan wijzigingen (het tijdelijke regelingdeel) en hoe deze regels worden gewijzigd, inclusief een voorrangsbepaling (3).

Schematische inhoud Projectbesluit
afbeelding binnen de regeling

Hoofdstuk 4 Toetsing aan Beleidskader

Paragraaf 4.1 Inleiding

In deze paragraaf worden de uitgangspunten en opgaven uit het beleid van rijk, provincie en gemeenten Nijkerk en Putten beschreven, voor zover dit betrekking heeft op de verbetering van de N303.  

Van belang is dat het niet gaat om een nieuwe ontwikkeling, maar om een bestaande provinciale weg die op onderdelen verbeterd wordt. Dit is nodig voor de doorstroming en de verkeersveiligheid en de noodzaak tot onderhoud en verbetering van de provinciale weg. Er is daarmee een noodzaak, die van groot openbaar belang is. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, doordat de weg zelf zoveel mogelijk in stand blijft en verbeterd wordt en alleen op cruciale onderdelen wordt verlegd of iets uitgebreid, bijvoorbeeld ter plaatse van bepaalde kruispunten of ter verbetering van het fietspad. 

Paragraaf 4.2 Rijksbeleid

Nationale omgevingsvisie (NOVI, 2020) 

Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten: 

  • 1.

    Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.

  • 2.

    Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel.

  • 3.

    Sterke en gezonde steden en regio's.

  • 4.

    Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Dit projectbesluit biedt het kader voor een bestaande provinciale weg, die verbeterd wordt. Deze ontwikkeling past binnen de nationale belangen in de NOVI en sluit aan bij prioriteit 2 en 3, daar waar het gaat om ‘er wordt ingezet op een aantrekkelijke, gezonde en veilige omgeving en een goed vestigingsklimaat, inclusief een goede bereikbaarheid en duurzame mobiliteit’ (prioriteit 2) en ‘een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's’ (prioriteit 3). 

Besluit Kwaliteit Leefomgeving en Omgevingsregeling

In hoofdstuk 5 Evenwichtige toedeling van functies wordt ook getoetst aan het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en de Omgevingsregeling, waardoor dit hier niet apart beschreven wordt.

Conclusie

Het projectbesluit is niet strijdig met rijksbeleid.

Paragraaf 4.3 Provinciaal beleid en waterschap

Paragraaf 4.3.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De provincie wil zorgen voor de veiligheid en vlotte doorstroming op het mobiliteitsnetwerk. Als wegbeheerder zorgt zij voor veilige provinciale wegen. De verbetering van de N303 sluit daarop aan.

Paragraaf 4.3.2 Omgevingsverordening Gelderland

Op basis van de provinciale Omgevingsverordening Gelderland geldt een aantal (instructie)regels voor het omgevingsplan. Op basis van artikel 6.18 van de omgevingsverordening zijn de instructieregels voor het omgevingsplan van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit. Dit projectbesluit ziet uitsluitend op het uitvoeren, in werking hebben en in stand houden van het project en is beperkt tot die delen van het projectbesluit die met de regels van het omgevingsplan in strijd zijn. Er worden geen andere regels opgenomen, tenzij dit nodig is voor de uitvoerbaarheid van het project. Het projectbesluit betreft immers alleen het faciliteren van het uitvoeren, in werking hebben of in stand houden van het specifieke project, de verbetering van de N303. Bij de motivering van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (EFTAL) spelen ook de normen en waarden uit de omgevingsverordening een rol. Deze afweging is opgenomen in hoofdstuk 5 Evenwichtige toedeling van functies.  

De volgende regels en waarden uit de omgevingsverordening gelden voor het plangebied:

Beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg en een beperkingengebied zorgplicht provinciale weg (artikel 4.66 e.v. en instructieregel omgevingsplan afdeling 5.6)

Dit is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van de wegbeheerder (artikel 4.66 onder 2), waardoor dit de uitvoering van de verbetering van de N303 niet beperkt. 

Voor omwonenden betekent dit dat binnen het ‘beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg’ een omgevingsvergunning van de provincie nodig is voor onder andere het maken van een uitweg, een uitweg veranderen of houtgewas te beplanten, te behouden of te vellen (artikel 4.68). 

De instructieregel luidt dat een omgevingsplan geen regels bevat die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van een beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg belemmeren. 

Dit is binnen het projectbesluit niet aan de orde. 

Intrekgebied (artikel 4.16)

Grondwaterbedreigende activiteiten dienen te worden voorkomen. Het verbeteren van de weg is geen grondwaterbedreigende activiteit. 

Gelderse Streek Gelderse Vallei (artikel 5.37) en Gelderse streek Randmeerkust

De instructieregel luidt dat bij een nieuwe ontwikkeling rekening gehouden wordt met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in de bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Gelderse Vallei en Randmeerkust. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen uit deze bijlage zijn overgenomen in Bijlage 3 bij deze motivering. Dit is nader omschreven in paragraaf 5.11 Landschap, archeologie en cultuurhistorie

Geldersnatuurnetwerk (artikel 5.5 e.v.)

De instructieregel luidt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen wordt toegelaten als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in de bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. 

Er is geen sprake van nadelige gevolgen voor de oppervlakte als die in overeenstemming met de artikelen 5.12 tot en met 5.18 worden gecompenseerd: 

  • a.

    in de nabijheid van het Gelders natuurnetwerk; of 

  • b.

    in het Gelders natuurnetwerk op gronden die op de ambitiekaart bij het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland zijn aangeduid met code N00.01.

De aanpassingen van de N303, zoals voorzien in het projectbesluit, raken het GNN en de Groene ontwikkelingszone. Dat betekent dat dit gecompenseerd moet worden. Hiervoor is een compensatieplan opgesteld (Compensatiestrategie N303 Voorthuizen-Putten km 7.0 – km 12.4, oktober 2023, MLG BV/Sweco). Dit wordt nader uitgelegd in paragraaf 5.5.2.2 Natuurcompensatie GNN

Ook ligt de N303 in de Groene Ontwikkelingszone. Voor ontwikkelingen in deze zone geldt artikel 5.20. Op basis daarvan moeten de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in de bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang mag niet verloren gaan. De versterking wordt bepaald aan de hand van de bijlage Versterking Groene ontwikkelingszone. Dit wordt verder uitgewerkt in paragraaf 5.5.2.2 Natuurcompensatie GNN

Melding houtopstanden (artikel 4.10) en kapverbod (artikel 4.11)

Er geldt een meldplicht op basis van artikel 4.10 en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor het vellen van houtopstanden. Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 5.5.2.4 Houtopstanden en paragraaf 5.11.2 Onderzoek. Ter plaatse van de locatie ‘Oude Bosgroeiplaats’ (zie de volgende afbeelding) geldt een kapverbod op grond van artikel 4.11. Met het project worden geen oude bosgroeiplaatsen aangetast. De bossen tussen Voorthuizen en Huinen zijn deels aangemerkt als oude bosgroeiplaats, maar de wegbeplanting langs de N303 is hierbuiten gelaten’. Dit is beoordeeld in het rapport Bomen- en natuurcompensatie (zie Bijlage 26). 

Locatie ‘Oude Bosgroeiplaats’, bron Omgevingsverordening Gelderland 
afbeelding binnen de regeling

Beperkingengebied Stikstofemissie (voorbeschermingsregels)

het besluitgebied ligt gedeeltelijk in het beperkingengebied stikstofemissie, zoals opgenomen op de volgende afbeelding. Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het beperkingengebied stikstofemissie een nieuwe activiteit met stikstofdepositie op de stikstofgevoelige natuur binnen de aangegeven Natura 2000-gebieden te verrichten of een bestaande activiteit met stikstofdepositie op de stikstofgevoelige natuur binnen de aangegeven Natura 2000-gebieden uit te breiden. Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit kan worden gerechtvaardigd op grond van redenen van groot openbaar belang. Het onderdeel stikstof is nader onderzocht in paragraaf 5.5.2.1 Gebiedsbescherming.

Beperkingengebied Stikstofemissie
afbeelding binnen de regelingOmgevingsverordening Gelderland

Overige instructieregels die van belang zijn voor het projectbesluit:

Artikel 5.85 (klimaatadaptatie) 

Voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, wordt beschreven welke maatregelen of voorzieningen worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Betrokken wordt waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte.  In dit geval gaat het om de verbetering van een weg. Er wordt hierbij enige extra verharding gerealiseerd. Het toegenomen verhard oppervlak hiervan wordt gecompenseerd en er wordt in voldoende mate waterberging gerealiseerd. Te dempen watergangen worden zo mogelijk verlegd. Dit is verder uitgewerkt in de paragraaf 5.7 Weging van het waterbelang. Ook te verwijderen bomen worden gecompenseerd. Zie paragraaf 5.5.2.4 Houtopstanden en paragraaf 5.5.3 Maatregelen. Het waterschap is betrokken bij de voorbereiding van dit besluit. 

Paragraaf 4.4 Gemeentelijk beleid

De N303 ligt binnen de ambtsgebieden van de gemeenten Nijkerk en Putten.  

Op basis van de omgevingsvisies van beide gemeenten (Omgevingsvisie Nijkerk 2040 en Omgevingsvisie Putten) kan gesteld worden dat het project hierbinnen past en in ieder geval niet strijdig is.  

In de omgevingsvisie van Putten wordt ingegaan op een nieuwe zuidelijke ontsluitingsweg, tussen de N303 en N798. Dit heeft geen directe relatie met het projectbesluit. Onafhankelijk daarvan is aanpak van de N303 noodzakelijk. De gemeente streeft verder naar gastvrije, groene dorpsentrees. De verbetering van de N303 draagt hieraan bij, de landschappelijke inpassing van de N303 is geborgd in het compensatieplan.  

In de omgevingsvisie van de gemeente Nijkerk is aangegeven dat routes herkenbaar, comfortabel en veilig moeten worden vormgegeven. De verschillen in massa, snelheid en breedte van voertuigen op fietspaden neemt toe. Voldoende brede en veilige afgeschermde fietsvoorzieningen zijn daarom noodzakelijk. Het projectbesluit voor de N303 draagt daaraan bij. In de Mobiliteitsvisie, die is opgesteld als uitwerking van de Omgevingsvisie, is de hoofdstoelstelling optimaal verkeersveilige en leefbare woongebieden welke net als de andere gebieden in de gemeente bereikbaar zijn op duurzame wijze. Het project voor de N303 draagt daaraan bij. 

In beide gemeenten geldt een omgevingsplan. Momenteel beschikken de gemeenten nog niet over een gemeente dekkend omgevingsplan en gelden de geldende bestemmingsplannen als het tijdelijke deel van de omgevingsplannen. In paragraaf 1.3 Toets aan omgevingsplannen is de toetsing aan de omgevingsplannen beschreven.  

Omdat het projectbesluit geen nieuwe ontwikkeling betreft, maar een verbetering van een bestaande provinciale weg omvat, is niet getoetst aan overig gemeentelijk beleid. 

Hoofdstuk 5 Evenwichtige toedeling van functies

Paragraaf 5.1 Inleiding

De onderzoekslast voor het projectbesluit volgt uit diverse wettelijke grondslagen. Artikel 5.6 Omgevingsbesluit bevat een beschrijving van de onderdelen die het projectbesluit moet bevatten. 

Het projectbesluit bevat in ieder geval:

  • een beschrijving van het project;

  • de voor de fysieke leefomgeving relevante permanente of tijdelijke maatregelen en voorzieningen om het project te realiseren (bijvoorbeeld wegafsluitingen, bouwlocaties); en

  • de maatregelen die zijn gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van het project of van het in werking hebben of in stand houden daarvan voor de fysieke leefomgeving.

Dit betekent dat het onderzoek zich moet richten op de vraag of, en zo ja, welke nadelige gevolgen het project voor de leefomgeving kan hebben en hoe deze ongedaan zijn te maken, te beperken of te compenseren. De onderzoekslast wordt daarnaast bepaald door Hoofdstuk 9 Bkl. Dit hoofdstuk bevat instructieregels voor het projectbesluit. De instructieregels in afdeling 9.1 gaan onder meer over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 9.1), waarbij artikel 9.1 tevens bepaalt dat een groot deel van de instructieregels van afdeling 5.1 Bkl ook van toepassing is op een projectbesluit. Zie paragraaf 5.3 Toetsing instructieregels Bkl. Zo nodig dienen één of meer van deze aspecten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) te worden gemotiveerd in de motivering van het projectbesluit. 

De volgende onderzoeken zijn uitgevoerd in het kader van het projectbesluit:

  • Archeologisch onderzoek

  • Bodemonderzoek

  • Explosievenonderzoek

  • Geluidsonderzoek

  • Onderzoek luchtkwaliteit

  • Stikstofonderzoek

  • Actualisatie mer-beoordeling

  • Natuuronderzoeken en zo nodig voortoets, werkprotocollen e.d.

En daarnaast een motivering van de thema's:

  • Verkeer

  • Trilling

  • Water

  • Landschap en cultuurhistorie

Paragraaf 5.2 Afweging mer(beoordelings)plicht

Of een besluit over een project project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, volgt uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Het Projectbesluit is een dergelijk besluit.  

Onder categorie ‘J1’ staat in kolom 2 de mer-plicht. 

Daarvan is sprake bij:

  • 1.

    de aanleg van een autosnelweg of autoweg;

  • 2.

    de aanleg, wijziging of uitbreiding van een nieuwe weg met vier of meer rijstroken die betrekking heeft op een ononderbroken tracélengte van 10 km of meer; of

  • 3.

    de verlegging of verbreding van een bestaande weg met twee rijstroken of minder tot een weg met vier of meer rijstroken die betrekking heeft op een ononderbroken tracélengte van 10 km of meer.

In dit project is geen sprake is van een ononderbroken tracé van 10 km of meer. Daarmee is er dus geen sprake van een mer-plicht. Ook is geen sprake van een uitbreiding/wijziging waarbij er vier rijstroken ontstaan (of al bestonden). In kolom 3 (de mer-beoordelingsplicht) staat wel: ‘Aanleg, wijziging of uitbreiding’. Dat betekent dat voor het project wel een (project)mer-beoordelingsplicht geldt.

In de mer-beoordeling (zie Bijlage 29) is getoetst aan de relevante criteria die staan opgenomen in het Omgevingsbesluit en bijlage III bij Richtlijn 2014/52/EU (waarmee Richtlijn 2011/92/EU is gewijzigd). Dit betekent dat gekeken is naar de kenmerken van de activiteit, de locatie van de activiteit en de gevolgen van de activiteit voor het milieu. 

In de mer-beoordeling is duidelijk geworden dat er geen sprake is van belangrijke nadelige effecten voor het milieu. Het doorlopen van een mer-procedure is daarom niet noodzakelijk. Voor meer informatie wordt verwezen naar Bijlage 29.

Conclusie

Geconcludeerd is dat een project-mer-beoordeling nodig is. Uit de mer-beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke milieueffecten zijn: er is hierdoor geen mer nodig.

Paragraaf 5.3 Toetsing instructieregels Bkl

De regels in het omgevingsplan moeten gezamenlijk bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt ook voor het projectbesluit. Dit betekent in elk geval dat moet worden voldaan aan alle instructieregels van het rijk en van de provincie die met dit project te maken hebben. Die instructieregels worden in de motivering van het omgevingsplan elk afzonderlijk besproken. 

Het Rijk heeft instructieregels gegeven waar het projectbesluit aan moet voldoen. De regels zijn hoofdzakelijk opgenomen in het Bkl. Niet alle instructieregels zijn relevant voor elk wijzigingsbesluit. In deze motivering worden de instructieregels besproken en wordt aangegeven hoe hiermee in dit wijzigingsbesluit wordt omgegaan. 

De volgende tabel geeft inzicht in de relevantie van de instructieregels uit het Bkl voor het plangebied:

Thema

Paragraaf Bkl

Toetsing N303 Voorthuizen - Putten

Veiligheid

5.1.2

Op basis van de risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl) gelden risico’s vanwege opslag (gas/ammoniakkoelinstallatie/ propaantanks) en daardoor op 2 plekken een explosieaandachtsgebied dat over de weg valt. Dat is in de huidige situatie ook zo.

Waterbelangen

5.1.3

Wateradvies noodzakelijk en watercompensatie door toename verharding.

Luchtkwaliteit

5.1.4.1

N.v.t. Wel vanuit Etfal van belang, dit aspect is onderzocht. 

Geluid door activiteiten

5.1.4.2

N.v.t.

Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.1.4.2a

Er dient een onderzoek plaats te vinden naar het geluid van wegen, op bestaande woningen. Dit is uitgevoerd.

Geluid rond luchthavens

5.1.4.3

N.v.t.

Slagschaduw van windturbines

5.1.4.4a

N.v.t.

Trillingen

5.1.4.4

N.v.t. o.b.v. Bkl. Echter, het projectbesluit omvat nieuwe ontwikkelingen, namelijk vernieuwing van de weg N303. Daarom dient uit oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties – ook los van de instructieregels –gemotiveerd te worden of er sprake zal zijn van trillingen, door deze planwijziging, in gevallen dat de weg door de wijzigingen dichter bij woningen komt. In de motivering zal dit onderbouwd worden.

Bodemkwaliteit

5.1.4.5

N.v.t., er wordt geen bodemgevoelig gebouw toegelaten door dit projectbesluit. 

Geur

5.1.4.6

N.v.t., het projectbesluit laat geen nieuwe ontwikkelingen toe die de leefomgeving, als het gaat om het aspect geur, negatief kunnen beïnvloeden. 

Vrije horizon kust

5.1.5.2

N.v.t.

Waddenzee en Waddengebied

5.1.5.3

N.v.t.

Ladder voor duurzame verstedelijking

5.1.5.4

N.v.t.. De wijziging of aanleg van een weg wordt niet als stedelijke ontwikkeling (of een andere stedelijke voorziening) aangemerkt (zie ook AbRvS 18 februari 2015, nr. 201400570/1/R6). 

Cultureel erfgoed en werelderfgoed

5.1.5.5

N.v.t. m.u.v. archeologie. 

Behoud ruimte voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen

5.1.6.2

N.v.t.

Behoud ruimte voor buisleidingen van nationaal belang

5.1.6.3

N.v.t.

Landsverdediging

5.1.7.2

N.v.t., het valt binnen een gebied ‘waar bouwwerken, niet zijnde windturbines, het radarbeeld kunnen verstoren’ op basis van de Omgevingsregeling, maar het gaat om een bestaande weg, waardoor dit niet van invloed is. 

Elektriciteitsvoorziening

5.1.7.3

N.v.t.

Rijksvaarwegen

5.1.7.4

N.v.t.

Communicatie burgerluchtvaart

5.1.7.5

N.v.t., de weg ligt binnen ‘begrenzing van gebieden waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren’, maar het gaat om een bestaande weg, waardoor dit niet van invloed is.

Landelijke fiets- en wandelroutes

5.1.7.6

Het Marskramerpad, een landelijke wandelroute, kruist de N303, ten zuiden van Huinen. Het belang van de instandhouding van deze wandelroute dient in het besluit te worden betrokken.

Toegankelijkheid openbare ruimte

5.1.8

Het betreft een bestaande weg. Bij de inrichting van de weg en fietspaden dient rekening gehouden te worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

Uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving

5.2

N.v.t.

Er gelden voorbeschermingsregels voor:

  • Hyperscale datacentra;

  • Grondwaterkwaliteit.

Beide zijn niet van invloed op de gewenste ontwikkeling in het plangebied. 

In de volgende paragrafen worden de onderdelen uit het Bkl verder toegelicht, voor zover blijkt uit bovenstaande tabel dat ze van toepassing zijn op het plangebied. 

Paragraaf 5.4 Gezondheid

Bij het stellen van regels in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). In dit besluit wordt op verschillende manieren rekening gehouden met de gezondheid: 

Het projectbesluit maakt aanpassing van de N303 mogelijk en er is onderzoek verricht, waarbij uitgesloten is dat de nieuwe ontwikkeling de gezondheid van bewoners en gebruikers van het gebied op een onaanvaardbare manier zou kunnen beïnvloeden. Het onderzoek is in de volgende paragrafen 5.5 en verder opgenomen. 

Paragraaf 5.5 Natuur

Paragraaf 5.5.1 Wettelijk kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

Paragraaf 5.5.2 Onderzoek
Inleidende tekst

Er zijn ecologische onderzoeken opgesteld, om de uitvoerbaarheid van de aanpassing aan de weg te toetsen. 

Het gaat om de volgende onderzoeken:

  • 1.

    Rapport QuickScan Flora- en fauna-activiteit. N303 Voorthuizen – Huinen. Projectnummer: 206121, versie 1. Eelerwoude, Wageningen, Nederland, 20 maart 2026.

  • 2.

    Rapport QuickScan Flora- en fauna-activiteit. N303 Huinen – Putten. Projectnummer: 206392, versie 1, concept. Eelerwoude, Wageningen, Nederland, 20 maart 2026.

  • 3.

    Rapport Nader onderzoek. N303 Voorthuizen – Huinen. Projectnummer: 206125, versie 1. Eelerwoude, Wageningen, Nederland, 17 maart 2026.

  • 4.

    Rapportage Nader onderzoek beschermde soorten. N303 Huinen - Putten. Projectnummer: 206422, versie 1. Eelerwoude, Wageningen, Nederland, 17 maart 2026.

  • 5.

    De habitatbeoordeling voor kleine marterachtigen en het activiteitenplan, Projectnummer: 206125, Eelerwoude, Wageningen, Nederland, 17 maart 2026.

  • 6.

    GNN en GO toetsing Werkzaamheden N303, Voorthuizen-Huinen, Projectnummer: 207250, versie 1. Eelerwoude, Wageningen, Nederland, 15 januari 2026.

  • 7.

    Landschappelijke inpassing groencompensatie, N303 Putten – Voorthuizen, Projectnummer: 207250, versie 1. Eelerwoude, Wageningen, maart 2026.

  • 8.

    Omdat het ontwerp van de weg in het proces op onderdelen is gewijzigd, zijn de aanpassingen getoetst in de Oplegnotitie flora en faunaonderzoeken N303 (zie Bijlage 25). Hieruit blijkt dat de rapportages nog voldoen

Paragraaf 5.5.2.1 Gebiedsbescherming

Stikstof 

Het project is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied Veluwe ligt het meest nabij de voorgenomen ontwikkeling, op het meest nabij gelegen stuk van de N303 op circa 330 meter afstand.  

De depositie van stikstofverbindingen in de vorm van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) op het oppervlak van de Natura 2000-gebieden is onderzocht (zie Bijlage 15). Inmiddels is het common practice dat werkzaamheden volledig emissieloos (Zero Emissie, ZE) worden uitgevoerd. Dit is dan ook als uitgangspunt voor de aanlegfase gehanteerd. Dit zal ook in de aanbesteding van de aannemer worden opgenomen.  

Gebruiksfase 

De berekening van het projecteffect van de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator versie 2025.0.1. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat het projecteffect op de Nederlandse Natura 2000-gebieden als gevolg van de gebruiksfase kleiner is dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar.  

Aanlegfase 

Uitgaande van de geplande omleidingsroutes (met minder dan 500 motorvoertuigen per etmaal per richting toename op de omleidingsroutes, zie Bijlage 27) én de eis dat de werkzaamhedenvolledig ‘ZE’ worden uitgevoerd, vinden er tijdens de aanlegfase geen relevante emissies plaats van stikstofoxiden en ammoniak die verder beschouwd dienen te worden in een AERIUS-berekening en onderhavig onderzoek. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunningsaanvraag bij het college van Gedeputeerde Staten noodzakelijk is voor het aspect stikstofdepositie. De beoogde ontwikkeling zal niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.

Paragraaf 5.5.2.2 Natuurcompensatie GNN

Omdat in het GNN de huidige bestemming “natuur” op enkele locaties wordt omgezet naar “verkeer”, is een formele GNN-toetsing nodig (Bijlage 21). Het plangebied ligt in een gebied met hoge natuurwaarden: bos- en heidecomplexen, landschapselementen, leefgebieden van o.a. das, kamsalamander, reptielen en diverse vlinders, en kenmerken zoals rust, ruimte en duisternis. De werkzaamheden bestaan onder meer uit: verbreding van de weg, aanleg van vrijliggend fietspad, verplaatsing en demping van sloten, verwijderen van bomen en realiseren van een faunatunnel en landschappelijke haag. 

In totaal gaat 4.435 m² GNN-natuur verloren:

  • 3.796 m² droog bos met productie (N16.03)

  • 470 m² bossingel (L01.16)

  • 169 m² beek & bron (N03.01)

De kwalitatieve impact is beperkt: De kwaliteit van het bosgebied gaat niet verloren, alhoewel de samenhang iets afneemt door extra verstoring en ruimtebeslag van de weg. Abiotieke waarden zoals de aardkundige waarden, kwel, bodem en grondwaterreservoir veranderen niet bij de ontwikkeling van het gebied. De samenhang over het grote geheel blijft behouden. Conform de provinciale Omgevingsverordening moet het verloren GNN-oppervlak volledig worden gecompenseerd, inclusief toeslag afhankelijk van ontwikkeltijd. Dit resulteert in een totale compensatieopgave van ca. 7.349 m², voornamelijk in de vorm van nieuw bos (N15.02) en vochtige/waternatuur voor de beek & bron. Compensatie moet plaatsvinden binnen het GNN op gronden met code N00.01 of in de nabijheid daarvan. Hiervoor is een afzonderlijk compensatieplan opgesteld. 

Te compenseren oppervlakte en de compensatieopgave (zie Bijlage 21)

m2 

Code 

Natuurtype 

Ontwikkeltijd 

 

Compensatieopgave 

Te ontwikkelen natuurtype 

3796 

N16.03 

Droog bos met productie 

25-100 jaar 

 

167%= 6.339,32 m2 

Bos N15.02 

470 

L.01.16 

Bossingel 

25-100 jaar 

 

167%= 784,9 m2 

Bos N15.02 

169 

N03.01 

Beek en Bron 

5-25 jaar 

 

133% = 224,77 m2 

Water of vochtige natuur. N03.01, N04.02, N05.03, N05.04, N10.01, N10.02 of N13.01

Voor de compensatie is een compensatiestrategie uitgewerkt (zie Bijlage 24). Door werkzaamheden aan weg, fietspad en watergang gaat GNN-natuur verloren, onder meer droog bos met productie, bossingel en beek & bron. Hiervoor geldt een compensatieopgave van 7.349 m2, waarbij rekening wordt gehouden met compensatiefactoren op basis van ontwikkeltijd.

Het plan benut de compensatie als kans om het landschap ecologisch te verbeteren. Nieuwe natuur wordt gerealiseerd op zorgvuldig gekozen percelen die aansluiten op bestaande heide en bos. Hierdoor ontstaat een robuuste ecologische verbinding tussen natte heide ten oosten en droge heide ten westen van de N303. De geplande faunatunnel (herpetoduct) vormt hierin de sleutel: door omliggende percelen geschikt in te richten voor doelsoorten (o.a. kamsalamander, das, levendbarende hagedis, vlinders) wordt de tunnel daadwerkelijk functioneel.

Er wordt 76.350 m² nieuwe natuur ingericht, waaronder:

  • 12.000 m² dennen-, eiken- en beukenbos

  • 11.000 m² struweelhaag (mantel‑/zoomvegetatie)

  • 28.800 m² vochtige heide

  • 20.050 m² droge heide

  • 4.500 m² poelen

Het compensatieplan zorgt voor ruimschoots meer nieuwe natuur dan verloren gaat en versterkt de ecologische verbindingen binnen het GNN. In combinatie met de faunatunnel en nieuwe heideverbindingen wordt versnippering verminderd en worden doelsoorten duurzaam ondersteund.

Voorgestelde maatregelen
afbeelding binnen de regeling

De compensatie voldoet aan alle eisen uit artikel 5.16 van de Omgevingsverordening en levert een toekomstbestendig, samenhangend natuurgebied op. Het areaal GNN dat verloren gaat door verbetering van de weg, wordt gecompenseerd op basis van het compensatieplan, zoals neergelegd in ‘Landschappelijke inpassing groencompensatie’ in Bijlage 24. Op basis van de Gelderse omgevingsverordening (artikel 5.17 en 5.18) moet de compensatie van GNN worden geborgd, niet alleen qua functie (als er nog geen natuurbestemming ligt), maar ook met een gebod of voorwaardelijke verplichting, met daarin opgenomen dat uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van de bouw- of gebruiksmogelijkheden van het omgevingsplan als de maatregelen overeenkomstig het compensatieplan worden uitgevoerd binnen een termijn van vijf jaar, of zo mogelijk een kortere termijn, na vaststelling van het omgevingsplan waarin de activiteit is toegelaten; en de maatregelen overeenkomstig het compensatieplan in stand worden gehouden.

De compensatie vindt plaats op een perceel ten noorden van Voorthuizerweg 13, kadastraal perceel 1051-zuid zijde, conform het ontwerp, zoals opgenomen in Bijlage 24.

Paragraaf 5.5.2.3 Soortenbescherming

Uit de Quick scans flora en fauna (zie Bijlage 17 en Bijlage 18) blijkt dat voor de volgende soorten geen nader onderzoek of vergunning nodig is.

Soortgroep

Effecten

Aanbevelingen / maatregelen

Zuid (Voorthuizen-Huinen)

 
 

Planten

Geen negatieve effecten; beschermde soorten uitgesloten door gebrek aan habitat.

Heidecorridor creëren; plaggen toepassen op vergraste heide.

Broedvogels – gebouwbewonend

Geen significante verstoring door afstand.

Zorgplicht naleven.

Broedvogels – boomholtebroeders

Enig verlies leefgebied door kap. Alleen nader onderzoek bij kap in het broedseizoen.

Bij voorkeur kappen buiten broedseizoen.

Overige broedvogels

Enkele nesten in te kappen bomen; voldoende alternatieven.

Buiten broedseizoen werken of vooraf inspectie.

Amfibieën

Geen essentieel leefgebied aangetast; soorten niet aangetroffen.

Werk tussen aug–mrt; sloot tijdelijk ongeschikt maken; na afloop oeververflauwing en water vasthouden.

Vissen

Geen vissoorten door droogval; geen effecten.

Watergangen verbinden en permanent watervoerend maken.

Ongewervelden

Geen negatieve effecten; waardplanten blijven behouden.

Waardplanten aanplanten; heidecorridor ontwikkelen.

Noord (Huinen – Putten)

 
 

Planten

Beschermde planten uitgesloten; RL-soorten mogelijk.

Gebruik lokaal inheemse soorten.

Overige zoogdieren (haas)

Beperkt verlies leefgebied. Geen nader onderzoek nodig (vrijstelling)

Wegbermen kort maaien vóór voortplantingsseizoen.

Broedvogels – cat.5

Beperkt verlies leefgebied. Geen nader onderzoek nodig (mits buiten broedseizoen)

Werkzaamheden buiten broedseizoen.

Amfibieën

Geen geschikt habitat.

Droogvallende laagtes; werkzaamheden mrt–aug.

Vissen

Geen geschikt habitat.

Geen specifieke maatregelen.

Ongewervelden

Geen negatieve effecten.

Waardplanten aanplanten.

Zorgplichtsoorten

RL-soorten mogelijk; vooral niet-mobiele soorten kwetsbaar. Geen nader onderzoek nodig, (ecobegeleiding aanbevolen), ecologische begeleiding ter voorkoming van schade.

Zorgplicht naleven; documenteren.

Uit het nader flora- en faunaonderzoek (zie Bijlage 19) is naar voren gekomen dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de beschermde soorten: boommarter, buizerd, das, eekhoorn, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine marterachtigen, hazelworm, laatvlieger, rosse vleermuis. In Tabel 3 wordt een overzicht gegeven van de aangetroffen verblijfplaatsen en territoria. Als gevolg van de geplande werkzaamheden worden tijdelijk negatieve effecten verwacht en treedt verstoring op voor deze soorten. Maatregelen zijn noodzakelijk om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en om te allen tijde een (tijdelijke) verblijfplaats voor de beschermde soorten aan te bieden. Met de voorgenomen werkzaamheden wordt dan ook niet verwacht dat de gunstige staat van genoemde soorten in het geding komt, vooral niet na het nemen van enkele maatregelen. Het verstoren van verblijfplaatsen kleine marterachtigen, vogels met jaarrond beschermde nesten en hazelworm is wel vergunningplichtig. Hiervoor dient een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden met daarbij een activiteitenplan waarin de maatregelen zijn uitgewerkt.

Aangetroffen verblijfplaatsen, verbindingszones, territoria en maatregelen voor de aanwezige soorten langs de N303 - Voorthuizen-Huinen
afbeelding binnen de regeling

Daarnaast is voor het deel Huinen – Putten (zie Bijlage 20) gebleken dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, steenuil, kerkuil, hazelworm, das en kleine marterachtigen. 

De werkzaamheden hebben op een aantal soorten een (negatief) effect:

  • Voor vleermuizen zijn negatieve effecten uitgesloten. Verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen en vliegroutes en foerageergebieden blijven behouden.

  • Jaarrond beschermde nesten: voor vogels geldt dat er in de te kappen bomen geen verblijfplaatsen zijn aangetroffen van vogels met jaarrond beschermde nesten. Het plangebied maakt wel onderdeel uit van het verschillende territoria van kerkuil en steenuil. Er dient rekening gehouden te worden met de broedperiode van uilen.

  • Jaarrond beschermde leefomgeving: Er is een nest van een spreeuw aangetroffen in een boom die niet gekapt wordt. Er zijn voldoende alternatieve nestlocaties aanwezig in de omgeving. Er dient rekening gehouden te worden met de broedperiode van vogels.

  • Overige nesten: Er zijn diverse nesten van overige vogels aangetroffen in de te kappen bomen in het plangebied. Deze nesten zijn enkel beschermd als ze bebroed zijn. Er dient rekening gehouden te worden met de broedperiode van vogels.

  • Das: Essentiele functies van verblijfplaatsen worden niet geschaad. In het plangebied lopen drie wissels die mogelijk een essentiële functie hebben, er treden mogelijk tijdelijk negatieve effecten op. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de werkzaamheden en maatregelen dienen beschreven te worden in een ecologisch werkprotocol.

  • Eekhoorn: In twee bomen boven het wegdek zijn eekhoornnesten aangetroffen. Deze bomen blijven behouden. Wel dient er tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met deze verblijfplaatsen. Maatregelen ten behoeve van eekhoorn dienen te worden beschreven in een ecologisch werkprotocol.

  • Hazelworm: er gaat essentieel leefgebied verloren. Zonder maatregelen kan niet worden uitgesloten dat opzettelijk dieren worden gedood. Tevens dient het leefgebied gecompenseerd te worden.

  • Kleine marterachtigen: er gaat leefgebied verloren. Een habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt separaat opgemaakt.

Het is van belang dat het plangebied geschikt blijft als onderdeel van het leefgebied van vleermuizen, vogels en dassen. Er dienen maatregelen genomen te worden om negatieve effecten te voorkomen op das, eekhoorn, nestlocaties van steenuil, nestlocaties van spreeuw en algemene broedvogels en om te allen tijde een verblijfplaats voor hazelworm aan te bieden. Indien maatregelen genomen worden, wordt niet verwacht dat met de voorgenomen werkzaamheden de gunstige staat van instandhouding van genoemde soorten in het geding komt. Het verstoren van verblijfplaatsen van hazelworm en het leefgebied van kleine marterachtigen is wel vergunningplichtig. Hiervoor dient een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden.

Vergunning noodzakelijk 

Voor de buizerd, kleine marterachtingen en hazelworm dient een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden. Deze soorten kunnen gezamenlijk in een aanvraag ingediend worden. 

Om een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te verkrijgen voor deze soorten moet: 

  • de gunstige staat van instandhouding gegarandeerd blijven; 

  • invulling gegeven worden aan de zorgplichten;

  • voldaan worden aan een bij de wet genoemd belang;

  • er mogen geen alternatieven zijn. 

Om een vergunning voor kleine marterachtingen te krijgen dient daarnaast in de vergunningaanvraag een habitatbeoordeling te worden bijgesloten. Een habitatbeoordeling houdt in dat wordt beoordeeld waar en hoe veel leefgebied er verloren gaat en hoe veel weer wordt teruggebracht of verbeterd in de ontwikkeling.

Deze gegevens moeten worden uitgewerkt in een projectplan (activiteitenplan). In het projectplan staat concreet welke werkzaamheden, wanneer, en op welke wijze worden uitgevoerd. Dit wordt aangevuld met een onderbouwing van de noodzaak van het project. 

Een vergunningaanvraag moet worden ingediend bij de provincie Gelderland. Tegen dat besluit kunnen belanghebbenden nog rechtsmiddelen aanwenden. Deze termijnen zijn terug te vinden op de website van de provincie.

Concrete maatregelen die genomen moeten worden tijdens de werkzaamheden dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Hierin dienen eveneens de aanvullende voorwaarden verwerkt te worden die voortvloeien uit de vergunningaanvraag. 

Het ecologisch werkprotocol dient daarom te worden opgesteld nadat de vergunning verleend is. De habitatbeoordeling is inmiddels opgesteld. Uit de ‘Habitatbeoordeling kleine marterachtigen N303: Voorthuizen – Putten’ (zie Bijlage 22) is gebleken dat de herinrichting van de N303 niet leidt tot afbreuk van de lokale gunstige staat van instandhouding van wezel, bunzing en hermelijn. Tijdelijke verstoring is beperkt en er blijft altijd voldoende leefgebied beschikbaar. Na afronding ontstaat 3,67 ha meer en beter verbonden leefgebied, waardoor sprake is van een duidelijke kwalitatieve verbetering voor kleine marterachtigen rondom de N303.

Het activiteitenplan is ook inmiddels opgesteld. Uit het ‘Activiteitenplan fauna N303: Voorthuizen – Putten’ (zie Bijlage 23) blijkt dat voor alle vijf soorten geen sprake is van afbreuk aan de lokale gunstige Staat van Instandhouding. Met het nemen van maatregelen wordt voor alle vijf soorten voorkomen dat sprake is van achteruitgang van de lokale populatie of de kwaliteit van het habitat door de werkzaamheden. Hiermee is geen sprake van afbreuk aan de gunstige Staat van Instandhouding van de lokale populatie door de geplande ontwikkeling. Voor buizerd en hazelworm, beide met een gunstige staat van instandhouding blijft geschikt leefgebied behouden. Met het nemen van ontsnipperende maatregelen wordt met name de verbinding tussen leefgebieden versterkt wat een positief effect heeft op de kwaliteit van het leefgebied en het toekomstperspectief van alle drie de kleine marterachtigen. Dit uit zich met name door aanleg van de faunatunnel met geleiding, WACO duiker met loopplank, dassentunnels en het verminderen van de rijsnelheid waarmee de versnippering van het leefgebied wordt tegengegaan. Ook de hazelworm profiteert hiervan. Herinrichting van de N303 doet daardoor geen afbreuk aan de op de Staat van Instandhouding van de soorten. Maatregelen worden in een ecologisch werkprotocol opgenomen. Dit protocol is tijdens de werkzaamheden op de locatie aanwezig en onder betrokken medewerkers bekend. De werkzaamheden worden begeleid door een ecologisch deskundige.

 De verwachting is dat de vergunning verleend kan worden. 

Paragraaf 5.5.2.4 Houtopstanden

Over de lengte van het traject van de N303 tussen Voorthuizen en Putten worden in totaal 313 bomen gekapt (zie Bijlage 26). Ter compensatie is minimaal de herplant van te kappen bomen en houtopstanden nodig.

Doelstellingen compensatie

Op basis van het definitief voorlopig ontwerp is de minimale compensatie-eis in beeld gebracht voor de compensatie van houtopstanden. De compensatie is uitgewerkt in 21 bouwstenen die ruim zijn gekozen, om ervoor te zorgen dat er altijd aan de compensatieplicht kan worden voldaan. 

Bij de compensatiestrategie voor de N303 (zie Bijlage 6) wordt uitgegaan van de volgende vooraf vastgelegde doelstellingen:

  • het opheffen van barrières;

  • het creëren van Oost-west verbindingen voor flora & fauna, het creëren van oost-west verbindingen door het versterken van groenstructuren die oost-west georiënteerd zijn en aansluiten bij andere ecologische stapstenen of structuren die uit de analyse naar voren zijn gekomen; 

  • het versterken van de samenhang tussen landschap, natuur, cultuurhistorie en water in samenhang voor een robuuster systeem, zoals het herstellen van bestaande houtwallen of laanstructuren;

  • aansluiting bij overige projecten/initiatieven die al lopen.

De kwaliteit van de compensatie is maatwerk waarbij per locatie concreet wordt gekeken hoe aan de doelstellingen kan worden voldaan.

Bouwstenen voor compensatie

Binnen de doelstellingen was het uitgangspunt om zoveel mogelijk van de bomenlaan langs de N303 te behouden. Dit kan niet overal of vaak alleen aan één zijde van de weg, waardoor er bomen gekapt moeten worden vanwege de nodige verbreding van het profiel van de weg. In die gevallen wordt geen laan terug gebracht, maar wordt geïnvesteerd in een oost-west verbinding, om de barrière werking van de weg op te heffen. 

Dit is verwerkt in de bouwstenen zoals opgenomen in de compensatiestrategie in hoofdstuk 6 (Bijlage 6). De bouwstenen sluiten aan op de visie op landschap, natuur en cultuurhistorie in relatie tot N303, zoals verbeeld op de volgende afbeelding. 

Op de volgende afbeelding zijn de locaties oranje omkaderd, waarover zekerheid bestaat over de uitvoering. Dit is tegelijkertijd voldoende voor de verplichte compensatie op basis van de geldende wet- en regelgeving over compensatie van Natuur Netwerk Nederland en te kappen en te herplanten bomen op basis van de provinciale verordening en de gemeentelijke verordeningen. 

De overige bouwstenen maken onderdeel uit van de provinciale ambitie voor dit project. Het kaartje is voor die onderdelen indicatief en wordt aangepast aan de (technische) mogelijkheden voor uitvoering van de maatregelen. Deze ‘niet verplichte’ bouwstenen worden uitgevoerd onder voorbehoud van de beschikbaarheid van gronden en de technische haalbaarheid. Hierover zullen door de provincie overeenkomsten worden gesloten met omliggende grondeigenaren, indien gronden beschikbaar komen. De maatregelen worden vervolgens door de aannemer bij de uitvoering van het project uitgevoerd. 

Bouwstenenkaart compensatie N303
afbeelding binnen de regeling
Bouwstenenkaart (2026)
afbeelding binnen de regeling

Realisatie van de bouwstenen

De bouwstenen verbeelden de ambitie voor de compensatie van natuur, landschap en cultuurhistorie en geven het zoekgebied voor compensatie weer. 

Realisatie van de bouwstenen is afhankelijk van:

  • 1.

    Technische haalbaarheid.

  • 2.

    Grondpositie en medewerking van aanliggende eigenaren.

Ter compensatie is minimaal de herplant van te kappen bomen en houtopstanden nodig. Over de lengte van het traject van de N303 tussen Voorthuizen en Putten worden in totaal 313 bomen gekapt (zie Bijlage 26). Dit betreffen bomen die boomtechnisch in zeer slechte staat verkeren, of die niet behouden kunnen worden vanwege de projectinvloed op de boom. Alle bomen staan buiten de bebouwingscontour houtkap, waardoor voor het overgrote deel van de bomen (welke in een beschermde houtopstand staan) een kapmelding benodigd is op grond van artikel 11.111 van het Bal. Voor de bomen die geen onderdeel uitmaken van een beschermde houtopstand geldt dat een groot deel kapvergunningsplichtig is op basis van de algemene plaatselijke verordening (APV) van de gemeente Nijkerk en gemeente Putten. 

In totaal gaat het om de volgende aantallen bomen: 

 Melding/vergunning

 Aantallen

Kapmelding provincie Gelderland

 263

Omgevingsvergunning gemeente Putten

 17

Omgevingsvergunning gemeente Nijkerk

 33

Vrijgesteld van melding en vergunning

27

Het totaal te compenseren kroonoppervlak van de kapmeldingsplichtige bomen betreft 18.115 m2. Binnen de Compensatiestrategie N303 (Bijlage 6, bouwsteen 19, 20, 21, deel 1 & 2 in paragraaf 6.3.21 tot en met 6.3.23) wordt in totaal 24.200 m2 aan bos met mantelvegetatie gecompenseerd. Hiermee worden alle kapmeldingsplichtige bomen gecompenseerd. De compensatie van de kap-meldingsplichtige bomen is geborgd en wordt uitgevoerd op het Landgoed Gerven en Hell, door aanplant van bomen en verbetering van oost-west verbindingen. Hiervoor wordt een melding ingediend. Omdat de bomen niet ter plekke herplant kunnen worden, zullen er maatwerkvoorschriften gesteld worden aan de herplant. Deze zijn al in concept opgesteld. Omdat er ruimschoots voldoende gecompenseerd wordt, is de verwachting dat de maatwerkvoorschriften gesteld kunnen worden en het aspect Houtopstanden daarmee uitvoerbaar is.

De kap-vergunningplichtige bomen (op grond van de APV) worden binnen het tracé gecompenseerd in de wegbegeleidende beplanting. Dit is bouwsteen 1 zoals omschreven in Bijlage 6 (Eelerwoude 2023, in paragraaf 6.3.1). Binnen het wegtracé is de compensatie van 55 bomen al integraal opgenomen in het ontwerp. Dat betekent dat alle kapvergunningsplichtige bomen (in totaal 41) ruimschoots worden gecompenseerd binnen het tracé (zie Bijlage 26). Daarom is de verwachting dat die vergunningen verleend kunnen worden.

Paragraaf 5.5.3 Maatregelen

Soortenbescherming

  • Zorgplicht naleven.

  • Bij voorkeur kappen buiten broedseizoen. 

  • Buiten broedseizoen werken of vooraf inspectie. 

  • Voor bepaalde soorten wordt soortenspecifieke mitigatie toegepast. 

  • Ontsnippering en tegengaan barrièrewerking door voor bepaalde soorten een faunatunnel/duiker/dassentunnel aan te leggen. 

  • Voor de buizerd, kleine marterachtingen en hazelworm dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.

Natuurcompensatie GNN 

De compensatie vindt plaats op een perceel ten noorden van Voorthuizerweg 13, kadastraal perceel 1051-zuid zijde.

Compensatie Houtkap

  • De compensatie van de kap-meldingsplichtige bomen bedraagt (263 bomen en daarmee) 18.115m2 kroonoppervlak en is geborgd en wordt uitgevoerd ter hoogte van het Landgoed Gerven, door aanplant van bomen en verbetering van oost-west verbindingen conform de Compensatiestrategie N303 (Bijlage 6, bouwsteen 19, 20, 21, deel 1 & 2 in paragraaf 6.3.21 tot en met 6.3.23).

  • De kap-vergunningplichtige bomen (op grond van de algemene plaatselijke verordening) bedraagt totaal 41 bomen en deze worden binnen het tracé gecompenseerd in de wegbegeleidende beplanting. Dit is bouwsteen 1 zoals omschreven in Bijlage 6 (in paragraaf 6.3.1).

Paragraaf 5.6 Bodemkwaliteit

Paragraaf 5.6.1 Wettelijk kader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl). Bodemkwaliteit is van belang voor plannen die verblijfsgebouwen toelaten. Er worden geen bodemgevoelig gebouwen toegelaten door dit besluit. Voor de uitvoering, verzet van gronden en dergelijke is bodemkwaliteit echter wel van belang. 

Paragraaf 5.6.2 Onderzoek

Voor deze ontwikkeling heeft verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden, zie Bijlage 10. Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen of er binnen de onderzochte locaties vast te stellen grondverontreiniging aanwezig is die de heinrichting van de weg kan belemmeren. 

Uit het verkennend onderzoek blijkt het volgende: 

  • Ter plaatse van diverse inritten zijn puinfundaties onder klinkerverhardingen aangetroffen. Tevens zijn puinlagen als halfverhardingslaag aanwezig. In de grond zijn in verschillende gradaties bijmengingen van baksteen, beton, kolengruis en plastic aangetroffen.

  • Ter plaatse van de volgende locaties zijn verontreinigingen aangetoond waarmee rekening gehouden dient te worden bij de voorbereiding: 

    - Duiker Voorthuizerstraat 278 Z (sterke verontreiniging met zink in de bovengrond). De verontreiniging is aangetoond in zintuiglijk schone grond. De verontreiniging is mogelijk te relateren aan het gebruik als wegberm. Door verkeersemissies kunnen wegbermen verontreinigd raken.

    - verbreding fietspad in oude wegloop (vermoeden sterke nikkelverontreiniging in de bovengrond). De verontreiniging is aangetoond in zintuiglijk schone grond. De verontreiniging is mogelijk te relateren aan het gebruik als wegberm. Door verkeersemissies kunnen wegbermen verontreinigd raken. 

    - verbreding fietspad in oude weg (sterke PAK-verontreiniging en hoog minerale oliegehalte (indexwaarde 0,85) in de bovengrond. Vermoedelijk te relateren aan bijmenging van kolengruis in de bodem. 

Ter plaatse van de overige terreindelen zijn overwegend licht verhoogde gehalten aan metalen, PAK, PCB en minerale olie aangetoond. Vermoedelijk te relateren aan het gebruik van de locaties als wegberm. De kwaliteitsklasse van de grond varieert van klasse Landbouw/natuur tot klasse Industrie.

Omdat er vier duikers onder de N303 vervangen worden is er naast het verkennend bodemonderzoek een vooronderzoek waterbodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 11. Het zijn vier duikers in kleine regionale watergangen, diffuus belast. Belangrijkste bron van beïnvloeding is afspoeling vanaf de N303 en wegbermen. Er is beperkte invloed vanuit landbouw, woningen en kleinere wegen.

Het doel van het vooronderzoek is om inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem op de onderzoekslocatie. Uit landbodemonderzoeken in de omgeving volgde dat er sprake was van licht verhoogde gehalten aan zware metalen (zink, koper, chroom, arseen) en organische stoffen (PAK, minerale olie, xylenen). Bij duiker 4 zijn lokaal matig tot sterk verhoogde waarden wat mogelijke invloed heeft op de waterbodemkwaliteit. Hier is sprake van puin/plaatafval; locatie inspectie wordt aanbevolen. Voor asbest zijn de locaties in principe niet verdacht. Er wordt voor PFAS verwacht dat gehalten voldoen aan achtergrondwaarden. De conclusie is dat het een verdachte deellocatie is, met name door afwatering vanaf de N303. 

Het vooronderzoek heeft geresulteerd in een hypothese over de aard en verdeling van mogelijke verontreinigingen in het onderzoeksgebied en of er wel of niet reeds voldoende informatie bekend is over de bodemkwaliteit. Geadviseerd wordt het analysepakket (inclusief PFAS voor de sliblaag) uit te breiden met arseen vanwege van nature verhoogde waarden in de regio. Rekening dient gehouden te worden met asbest. Het bodemonderzoek wordt in het uitvoeringsstadium uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek wordt niet verwacht dat de bodem ernstig verontreinigd is en wordt niet verwacht dat sanering nodig is. Verder is er geen sprake van het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie, er wordt geen gebouw en locatie gerealiseerd waar meer dan 2 uur per dag mensen aanwezig zijn.

Paragraaf 5.6.3 Maatregelen

Uit het verkennend bodemonderzoek volgt dat de volgende tijdelijke maatregelen nodig zijn: 

  • Er zijn puinlagen aangetroffen waarvan de kwaliteit niet bekend is. De fundatielagen en halfverhardingslagen worden in een later stadium onderzocht om de algehele hergebruikskwaliteit (inclusief asbest) vast te stellen.

  • Het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar de aangetoonde verontreinigingen.

Uit het verkennend waterbodemonderzoek volgt dat er nader waterbodemonderzoek nodig is voor werkzaamheden aan de watergangen en de duikers. Dit wordt in het uitvoeringsstadium uitgevoerd.

Paragraaf 5.7 Weging van het waterbelang

Paragraaf 5.7.1 Wettelijk kader

Met de gevolgen van het project voor het beheer van watersystemen moet rekening gehouden worden (artikel 5.37 van het Bkl). Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Dit gaat om (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. 

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. De oorspronkelijke watertoets is niet langer voorgeschreven en de provincie is vrij om hier invulling aan te geven. 

Paragraaf 5.7.2 Onderzoek

Het wegtracé van de N303 ligt op de flank van de Veluwe en vormt het begin van het watersysteem dat in het brongebied van de beken aan de westflank van de Veluwe ontstaat en vanaf daar richting de Gelderse Vallei stroomt. Het noordelijke tracégedeelte ligt van nature vrij droog en kent bijna geen watergangen. Dit komt mede ook doordat het projectgebied aan het begin van het watersysteem ligt en het oppervlaktewatersysteem ter plaatse nog relatief klein is. Het zuidelijke tracégedeelte ligt lager en heeft daarom meer watergangen. Dit is zichtbaar op de volgende uitsnede van de hoogtekaart. 

De bodem in het projectgebied bestaat hoofdzakelijk uit zandige podzolgronden, afgewisseld met stuifzand- en eerdgronden. Verder bestaat de ondergrond bijna volledig uit (fijn tot grof) zand en zijn er geen grote scheidende lagen aanwezig. 

Rondom het wegtracé zijn verder geen KRW-wateren aanwezig. Binnen het beheersgebied van de Waterschap Vallei en Veluwe worden twee voormalige typen ecologisch belangrijk water onderscheiden, namelijk HEN-water (hoogst ecologisch niveau) en SED-water (specifieke ecologische doelstelling). Deze vallen onder de ‘Natuurwateren’ van provincie Gelderland. Het beleid van de provincie richt zich op het behouden en herstellen van de natte landnatuur. 

Op basis van de weging waterbelang (zie Bijlage 7) komen geen aspecten naar voren die van dusdanig belang zijn dat ze invloed hebben op de basiskeuze voor het wegontwerp. Wel gelden er randvoorwaarden en aandachtspunten voor de waterhuishouding en voor de dimensionering van duikers bij een A- of B-watergang. Op een aantal locaties kruist het wegtracé namelijk een A- of B-watergang. Op al deze kruisingen is een duiker aanwezig. Bij verbreding van de weg dienen de duikers met minimaal dezelfde diameter terug te worden gebracht. 

Hoogtekaart
afbeelding binnen de regelingEindrapportage Planstudie N303
Uitsnede Legger oppervlaktewater waterschap Vallei en Veluwe 
afbeelding binnen de regelingWeging van het waterbelang herinrichting N303

Waterbergingsopgave

De verbreding van de N303 leidt tot een toename van het verhard oppervlak van meer dan 1.500 m². Het verhard oppervlakte van het noordelijke deeltracé betreft ca. 26.720 m² en het verhard oppervlakte van het zuidelijke deeltracé betreft ca. 23.760 m². Voor de toename in verhard oppervlak dient hemelwater geborgen te worden in bergingsvoorzieningen aan het maaiveld. Uit de Weging Waterbelang (zie Bijlage 7) blijkt dat voor de toename in verhard oppervlak de T=10 bui (40 mm in 1 uur en 60 mm in 10 uur) geborgen te worden in bergingsvoorzieningen aan het maaiveld. Ingenieursbureau TAUW heeft per segment geanalyseerd of het ontwerp voldoet aan de eisen voor waterberging en afwatering (zie Bijlage 8). Hierbij is gekeken naar het afstromend oppervlak, de benodigde en beschikbare bergingscapaciteit en de inzet van afwateringsmaatregelen zoals greppels, verlaagd maaiveld en IT-riolering. Uit de toetsing volgt dat vrijwel alle segmenten ruim voldoende waterberging en afwateringsmogelijkheden bieden om aan de gestelde eisen te voldoen. In enkele gevallen is extra aandacht nodig voor mogelijke afstroming naar lager gelegen particuliere percelen. Deze aandachtspunten zijn in het rapport onderkend en voorzien van adviezen voor passende alternatieve oplossingen.

Randvoorwaarden en uitgangspunten waterhuishouding

Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren).

  • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).

  • Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd.

  • De wateropgave baseren op het daadwerkelijke verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van een totaal verhard oppervlak van 50.480m².

  • Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform T=10 bui (40 mm in 1 uur en 60 mm in 10 uur) gerekend over het aantal m2;Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG.

  • Elke demping moet voor 100% gecompenseerd worden.

  • Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden).

  • Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.

Maatregelen waterberging

Voor de uitvoering van de werkzaamheden aan de N303 zijn de volgende randvoorwaarden voor de waterberging vastgelegd:

  • Geen directe afstroming van waterberging in (voormalige) HEN/ SED watergangen.

  • Langs het volledige wegtracé komt aan beide zijden een greppel met minimaal profiel conform provincie (taluds 1:1,5 – 50 cm bodembreedte, 50 cm diep). Bij een wegbreedte van 10 meter geeft dit een waterberging van ruim 100 mm. Hierbij wordt afstromend hemelwater van de volledige toekomstige wegverharding opgevangen. Dit betekent dat, wanneer de huidige weggreppels al groot genoeg zijn, er geen extra waterberging voor toegevoegde verharding hoeft te worden toegevoegd.

  • De greppels komen zoveel als mogelijk langs het gehele wegtracé. Met uitzondering van voortuinen, wegvak 1a (hier IT-riool) en bomen (hier greppel achter bomen langs). 

Daarnaast is een voorkeursvolgorde opgesteld. Uitgangspunt is te kiezen voor relatief eenvoudige, robuuste en kostenefficiënte maatregelen, waarbij technische complexiteit en intensief beheer of onderhoud tot een minimum worden beperkt. 

De volgende voorkeursvolgorde voor maatregelen wordt gehanteerd:

  • 1.

    Laagte tussen hoofdrijbaan en fietspad: Tussen rijbaan en fietspad wordt een verlaging (met talud 1:20) aangelegd, geschikt voor circa 0,02 m³ (20 liter) water per meter. Dit zorgt voor enige voorzuivering en houdt het fietspad langer droog. 

  • 2.

    Principe greppel Gelderland: Langs de weg een standaard greppel (bodembreedte 0,5 m, talud 1:1,5, diepte 0,5 m), met een berging van 0,63 m³ water per meter (bij 0,5 m waterdiepte), gelijk aan ruim 60 mm waterberging.

  • 3.

    Leggerwatergang waterschap: Berging in bestaande A- of B-watergangen van het waterschap. Hemelwater moet eerst door een voorzuiverende berm of wadi voor het in het oppervlaktewater komt. 

  • 4.

    Verlaagd maaiveld met aansluiting op greppel/watergang: Bij beperkte ruimte wordt het maaiveld plaatselijk verlaagd om water op te vangen en af te voeren naar een nabijgelegen greppel of watergang met voldoende capaciteit.

  • 5.

    Afstroming naar lager maaiveld of greppel: Het regenwater stroomt af naar een lager gelegen maaiveld of berm langs de weg. Alleen mogelijk als het omliggende land voldoende laag en groot is voor berging.

  • 6.

    Zo breed mogelijke greppel met diepte-infiltratie: Indien een standaard greppel niet past, wordt een bredere, ondiepe greppel gecombineerd met diepte-infiltratieputten. Bergingsvermogen is afhankelijk van greppelafmetingen; aanvullende infiltratie nodig als greppel niet genoeg buffer biedt.

  • 7.

    Molgoot + kolken naar greppel, watergang of wadi: Bij ontbreken van ruimte voor een greppel wordt water via een molgoot en kolken verzameld en naar een nabijgelegen waterbergende voorziening geleid. Dit is altijd een combinatie-oplossing.

  • 8.

    Molgoot + kolken op diepte-infiltratieput: Water van de verharding wordt via een molgoot en kolken afgevoerd naar diepte-infiltratieputten (ca. elke 8 meter één). Alleen toepasbaar bij diep genoeg grondwater. Relatief beheersintensief.

  • 9.

    Molgoot + kolken naar IT-riool: Hemelwater wordt via kolken in een IT-riool geborgen en geïnfiltreerd. Een IT-riool met ø 700 mm buis biedt circa 0,38 m³ berging per meter. Water wordt optimaal verdeeld over het tracé, en het systeem is eenvoudig te onderhouden. De provincie geeft hier de voorkeur aan.  Wanneer waterberging niet mogelijk is in greppels of watergangen, gaat de voorkeur uit naar maatregel 8 of 9. De provincie Gelderland geeft vanwege het beheer de voorkeur aan een IT-riool boven diepte-infiltratie, omdat voor diepte-infiltratie veel putten nodig zijn. Een IT-riool is robuuster, zorgt voor een betere spreiding van het water, is minder storingsgevoelig en bovendien eenvoudiger te beheren en te onderhouden.

Watervergunning 

Er dient op grond van de waterverordening een watervergunning bij het waterschap te worden aangevraagd. 

Deze vergunning is van toepassing voor de volgende werkzaamheden:

  • oppervlaktewater dempen; 

  • wegmeubilair aanbrengen of wijzigen bij oppervlaktewater;

  • kabel of leiding aanleggen of verwijderen bij oppervlaktewater;

  • dam met duiker aanleggen of verwijderen bij oppervlaktewater

  • beplanting aanleggen of verwijderen bij oppervlaktewater;

  • talud veranderen bij oppervlaktewater;

  • oppervlaktewater verbreden;

  • oppervlaktewater aanleggen of verlengen;

  • afvoeren van water naar oppervlaktewater;

  • afvoeren van water naar oppervlaktewater.

Gezien de maatregelen die worden genomen, en de afstemming met het waterschap over de concept vergunningaanvraag, is de verwachting dat de watervergunning verleend kan worden.

Paragraaf 5.7.3 Maatregelen

De maatregelen staan in Bijlage 7 , Bijlage 8, in het wegontwerp (Bijlage 13), en samengevat in bovenstaande tekst. Gekozen is om de maatregelen slechts beknopt op te nemen in onderstaande lijst. Voor de gedetailleerde maatregelen geldt de watervergunning.  

De volgende permanente maatregelen worden genomen:

  • Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan worden gedimensioneerd conform T=10 bui (40 mm in 1 uur en 60 mm in 10 uur) gerekend over het aantal m².

  • Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG.

  • Elke demping wordt voor 100% gecompenseerd.

  • Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.

Paragraaf 5.8 Luchtkwaliteit

Paragraaf 5.8.1 Wettelijk kader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties stelt het Rijk instructieregels over de kwaliteit van de buitenlucht (paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl). 

De instructieregels over luchtkwaliteit zijn echter alleen van toepassing op specifieke situaties, te weten:

  • de aanleg van autowegen en tunnels;

  • in ‘aandachtsgebieden’ voor bepaalde activiteiten die van invloed zijn op stikstofdioxide en fijnstof. Dit staat in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De gemeenten die hieronder vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling.

Het plangebied valt niet onder artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. Daarom zijn de instructieregels over luchtkwaliteit niet van toepassing. Wel is het aspect luchtkwaliteit van belang uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er wordt een onderzoek naar de effecten op de luchtkwaliteit uitgevoerd.

Paragraaf 5.8.2 Onderzoek

Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit is door ingenieursbureau Sweco beoordeeld of het verplaatsen van de wegdelen leidt tot een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 12. De onderzoeksresultaten zijn in onderstaande tabel weergegeven. 

Resultaten jaren 2025 en 2030 voor de referentiesituatie en de plansituatie
afbeelding binnen de regelingSweco

Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden. Voor het plan met rekenjaar 2025 worden, op een paar verwaarloosbare toenames na, nagenoeg dezelfde concentraties berekend als in het referentiejaar. Voor het plan met rekenjaar 2030 vindt een minimale afname plaats van de concentraties ten opzichte van het referentiejaar. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied wordt ruimschoots voldaan aan de omgevingswaarden uit het Bkl en de EU-grenswaarden. Gezien de dalende trend van de berekende concentraties luchtverontreinigende stoffen zal de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit.

Paragraaf 5.8.3 Maatregelen

Uit het onderzoek naar de impact van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit volgt dat er geen maatregelen nodig zijn. 

Paragraaf 5.9 Geluid van wegen

Paragraaf 5.9.1 Wettelijk kader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van wegen en spoorwegen (paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl). Het geluid van wegen op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) moet aanvaardbaar zijn. Bij aanpassing van een weg is een onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. In het onderzoek wordt het geluid als gevolg van verkeer op geluidgevoelige gebouwen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Er is een onderzoek uitgevoerd naar het geluid van de aan te passen weg op woningen.  

Bij besluit van 18 december 2024 stelden Provinciale Staten de geluidproductieplafonds vast. Het Gelders actieplan geluid is vastgesteld voor 2024 tot 2028.  

Akoestisch onderzoek is nodig, waarbij de toekomstige situatie aan de geluidproductieplafonds wordt getoetst. Indien sprake is van normoverschrijdingen wordt inzichtelijk gemaakt of met bronmaatregelen kan worden voldaan aan de geluidsproductieplafonds. Ook wordt de geluidssituatie voor geluidsgevoelige bestemmingen getoetst aan enerzijds wettelijke normoverschrijdingen en anderzijds de ambitiewaarden van de provincie. 

Paragraaf 5.9.2 Onderzoek

In het kader van de wijziging van de N303 is het wegverkeerslawaai voor de toekomstige situatie onderzocht, zie Bijlage 9

Uit het onderzoek blijkt het volgende: 

  • Uit de berekeningen volgt dat er in het geluid in de referentiepunten geen toenames zijn en dat een gemiddelde afname van 0 tot 5 dB over het gehele traject is berekend. 

  • Het berekende geluid in de toekomstige situatie als gevolg van wegen in provinciaal beheer is lager dan de vastgestelde plafondwaarde. Het afwegen van geluidbeperkende maatregelen is derhalve niet noodzakelijk.  

  • Het berekende geluid in de toekomstige situatie als gevolg van het wegdeel in gemeentelijk beheer is lager dan het geluid in de heersende situatie. Bovendien wordt de grenswaarde niet overschreden. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet noodzakelijk.  

  • Omdat het gecumuleerd geluid in de toekomstige situatie lager is dan in de heersende situatie, wordt nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels van de betreffende woningen niet noodzakelijk geacht. 

Overigens is een deel van de N303 nog in beheer van de gemeente en ook als zodanig getoetst. De geluidbelasting ten gevolge van de N303 neemt hier af. Wanneer dit wegdeel wordt overgedragen aan de provincie, dan dienen hiervoor GPP’s vastgesteld te worden. 

Paragraaf 5.9.3 Maatregelen

Uit het onderzoek naar het wegverkeerslawaai als gevolgd van deze ontwikkeling blijkt dat er geen maatregelen nodig zijn, omdat het plan niet leidt tot een verslechtering in de geluidssituatie.

Paragraaf 5.10 Trillingen

Paragraaf 5.10.1 Wettelijk kader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over trillingen (paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl). De instructieregels over trillingen zijn echter alleen van toepassing op specifieke situaties, te weten situaties waar zich trillingen voordoen in een frequentie van 1 – 80 Hz in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, anders dan als gevolg van de activiteit wonen of het gebruik van wegen en spoorwegen. Daardoor is deze instructieregel niet van toepassing. Toch kan het aspect trillingen van belang zijn uit oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het project laat een aanpassing van de weg als nieuwe ontwikkelingen toe. Daarom dient – ook los van de instructieregels –gemotiveerd te worden of er sprake zal zijn van trillingen vanwege de aanpassing van de weg.

Paragraaf 5.10.2 Onderzoek

De afstand tussen de weg en woningen varieert sterk langs het gehele traject. Er zijn meerdere objecten die op korte afstand van de weg liggen. Deze zijn gevoelig voor trilling schade. Omdat de afstand tussen objecten en tracé sterk varieert, varieert het risico op trilling schade.  

Wat betreft het bouwjaar van de woningen langs de N303, kan worden geconcludeerd dat deze sterk variabel zijn. De bouwjaren variëren van heel oud (<1900) tot zeer nieuw (>2010). De sterke variatie in bouwjaar is een indicatie voor een sterke variatie in woningconstructie en dus op risico op trilling schade. 

In de effectbeoordeling van de 5 scenario’s en 3 varianten is onderzoek gedaan naar trilling (zie Bijlage 4). Hieruit blijkt dat een aantal woningen dicht bij de weg is gelegen en deze zullen derhalve ook de grootste trillingsbelasting ondervinden. De rijbaan verschuift in een enkel geval in de richting van de woningen. Het wegontwerp is na dit onderzoek nog aangepast, maar de weg komt in dit ontwerp niet dichter bij de betreffende woningen.  

Bij Groot Koestapel (Voorthuizerstraat 286) wordt een plateau in de weg aangelegd. Dit kan potentieel trillingen opleveren van zwaar verkeer. Plateaus in asfalt en sinusvormige drempels veroorzaken minder trillingsoverlast, dan drempels met een schuine oprit (trapeziumvorm). De bebouwing van Groot Koestapel ligt op 27m of meer van de weg. In de huidige situatie is hier geen trillingshinder bekend. Trillingen zijn over het algemeen sterker en voelbaarder op zachte, onvaste bodemsoorten dan op harde, vaste bodems. Dit betekent dat veen- en kleigronden meer trillingen doorgeven en versterken dan zandgronden. De bodem bij Groot Koestapel bestaat uit fijn zand (hoge zwarte enkeerdgronden: leemarm en zwak lemig fijn zand, met daaromheen veldpodzolgronden: leemarm en zwak lemig fijn zand, bron: bodemdata.nl). Hierdoor wordt, als het plateau met een sinusvormige drempel wordt uitgevoerd, redelijkerwijs geen trillingshinder verwacht. De bebouwing van Klein Koestapel (Voorthuizerstraat 145) ligt op meer dan 200 m van de weg. Ook ter plaatse van de faunapassage ten zuiden van Groot Koestapel is een verhoging in de weg. Daaromheen is geen bebouwing aanwezig. Beide verhogingen leveren geen nadelige gevolgen op voor trillingshinder in de bebouwing. 

Geconcludeerd is dat, mede dankzij de snelheidsverlaging naar 60 km/u, redelijkerwijs geen toename te verwachten is van de ondervonden trillingsbelasting. Dat verschil geeft een positief effect ten opzichte van de huidige situatie met betrekking tot trillingshinder.

Paragraaf 5.10.3 Maatregelen

Uit het onderzoek naar trillingshinder volgt dat er geen maatregelen nodig zijn. Een trapeziumvormige drempel dient te worden voorkomen.

Paragraaf 5.11 Landschap, archeologie en cultuurhistorie

Paragraaf 5.11.1 Wettelijk kader

In het projectbesluit moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten (artikel 5.130 lid 1 Bkl). Zo is er in het Bkl een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten.  

De landschappelijke en cultuurhistorische waarden zijn gecategoriseerd volgens het Provinciale waarderingskader LNC, groen langs wegen in Gelderland. Elementen zijn in dat kader onderverdeeld in: essentieel, medebepalend of ondergeschikt. De relevante kaarten met betrekking tot LNC zijn opgenomen in de compensatiestrategie (zie Bijlage 6).

Paragraaf 5.11.2 Onderzoek
Paragraaf 5.11.2.1 Landschap

Als onderdeel van de compensatiestrategie (Bijlage 6) en de eindrapportage planstudie (Bijlage 2 bij deze motivering) is er een beknopte landschapsanalyse gedaan. De resultaten hiervan zijn hieronder weergegeven:

Inventarisatie

Landschap-, natuur- en cultuurhistorische waarden zijn volop aanwezig rondom de N303. Daarom zijn deze thema’s vanaf het eerste moment bij de planvorming integraal betrokken en vormen een belangrijke waarde in het afwegingskader. Deze afwegingen zijn terug te vinden in het hoofdrapport Eindrapportage Planstudie N303 Voorthuizen – Putten (zie Bijlage 2 en Bijlage 2B).

Compensatie en mitigatie van beschermde soorten, houtopstanden, natuuroppervlakten of anders gebeurt niet zomaar. Bij de planvorming is in eerste instantie onderzocht of de negatieve effecten op landschap-, natuur- en cultuurhistorische waarden voorkomen kan worden. Denk bijvoorbeeld aan het kiezen van een smaller profiel van weg en fietspad waardoor zo min mogelijk bos hoeft te wijken. Als geen minder verstorende alternatieven voorhanden zijn wordt onderzocht of de effecten van de ingrepen gemitigeerd (verzacht of verminderd) kunnen worden. Pas als dat niet mogelijk is of niet de negatieve effecten kan wegnemen wordt er gecompenseerd. 

Kortom:

  • 1.

    Wees zuinig op wat je hebt: voorkomen (vermijden activiteit).

  • 2.

    Verzachten van effecten: mitigeren (voorkomen/verminderen nadelige effecten activiteit).

  • 3.

    Kansen voor verbetering: compenseren (compenseren van nadelige effecten activiteit).

Landschapstypen

De landschapstypen rondom de N303 (bos- en heidelandschap, enkdorpenlandschap, kampenlandschap en jonge heideontginning) hebben de volgende kenmerken (bron: Bijlage 6):

  • Kampenlandschap: kleinschaligheid, veel afwisseling in open en gesloten ruimtes en diversiteit in landgebruik, oude waardevolle wildwallen, openheid met kleinschalige akkerlanden, beekdalen.

  • Enkdorpenlandschap; openheid, deze is wel grotendeels verdwenen door toename bebouwing en kavelrandbeplanting, karakteristieke bolle akkers.

  • Jonge heideontginning (vochtige zandgronden): groenstructuren oost- en westzijde van de weg. Deze groenstructuren vormen ecologische verbindingen, natte heidevelden.

  • Bos- en heidelandschap (droge zandgronden): beslotenheid, maar ook open ruimtes met heidegebieden.

Het landgoed (een kampenlandschap) is essentieel. De delen van het kampenlandschap buiten het landgoed Gerven, bieden meer speelruimte om de aanpassingen aan de weg in te passen. Ook hier zijn echter waardevolle elementen als houtwallen en bomenrijen.

Overzicht van landschapstypen langs de N303 
afbeelding binnen de regelingEindrapportage planstudie N303, 2023

Waardering landschap en cultuurhistorie 

Voor de Planstudie N303 Voorthuizen–Putten is een afzonderlijke waardering uitgevoerd voor landschap, cultuurhistorie en natuur. Dit onderscheid is noodzakelijk omdat een element, zoals een bomenrij, landschappelijk van grote waarde kan zijn, terwijl de cultuurhistorische betekenis beperkt is, of andersom. In sommige gevallen versterken beide waarden elkaar en leidt dit tot een hogere totaalwaardering. De uitgebreide waardering per element is vastgelegd op de bijbehorende waardenkaart, waarop per structuur of element is aangegeven of deze essentieel, medebepalend of ondergeschikt is, met een korte toelichting.

Bij de landschappelijke waardering ligt de nadruk op de ruimtelijke betekenis van elementen in relatie tot het landschap en de locatie, waarbij beleving en ervaring centraal staan. De cultuurhistorische waardering richt zich vooral op historische waarde, ouderdom, oorspronkelijkheid en uniekheid. Deze scheiding is deels theoretisch, omdat het huidige landschap sterk is gevormd door historische processen. Voor de waardering is aangesloten bij het Waarderingskader LNC en het waarderingskader groen langs wegen in Gelderland (Eelerwoude, 2020). De uitkomsten zijn gebruikt bij het maken van ontwerpkeuzes, zoals beschreven in het hoofdrapport van de planstudie.

Structuren en losse elementen

Niet alleen individuele elementen hebben waarde, maar ook samenhangende structuren zoals lanen, houtwallen en landgoederen. Wanneer de essentie en herkenbaarheid van een structuur behouden blijven, kunnen afzonderlijke elementen binnen die structuur van minder belang zijn. Een laanstructuur bijvoorbeeld blijft herkenbaar zolang voldoende bomen behouden blijven. Waar het kantelpunt ligt waarbij een structuur zijn waarde verliest, verschilt per situatie en vereist maatwerk. Daarbij spelen herstelmogelijkheden, zoals herplant, een belangrijke rol.

Cultuurhistorische waarden

Essentieel vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn wettelijk beschermde objecten zoals rijks- en gemeentelijke monumenten, evenals landgoed Gerven als geheel. Dit landgoed wordt vanwege zijn ouderdom, uniekheid en gaafheid als essentieel (wettelijk beschermd) cultuurhistorisch element beschouwd. Binnen het landgoed is onderscheid gemaakt tussen verschillende elementen. De oudste en meest oorspronkelijke onderdelen, zoals historische houtwallen, zijn essentieel gewaardeerd. Jongere houtwallen of wallen met niet-oorspronkelijke beplanting, bijvoorbeeld Douglas spar, zijn medebepalend.

De laanbeplanting langs de N303 bij het landgoed is medebepalend. Historische kaarten tonen aan dat hier al vroeg sprake was van laanbeplanting. Desondanks zijn de houtwallen ouder en unieker dan de laanbeplanting en hebben zij een hogere cultuurhistorische waarde.

De weg zelf bezit eveneens historische waarde. Het tracé volgt grotendeels het oorspronkelijke verloop en is slechts beperkt aangepast. Alleen bij de bochten rond km 10 is sprake van een kleine verschuiving en vermoedelijk een verbreding na 1950. Dit maakt het tracé zelf cultuurhistorisch waardevol.

Historische kaarten uit 1850 en 1900 laten zien dat het tracé Putten–Voorthuizen minder consequent was voorzien van laanbeplanting dan het tracé Putten–Ermelo. In plaats daarvan kwamen vaker houtwallen en houtkanten voor. Dit betekent dat de huidige doorgaande laanbeplanting langs de N303 waarschijnlijk niet volledig oorspronkelijk is. Vanuit cultuurhistorisch perspectief is deze daarom overwegend als ondergeschikt gewaardeerd, met uitzondering van het deel bij het landgoed en enkele bochten, waar de waarde medebepalend is.

Houtwallen zijn vaak zeer oud, liggen op historische perceelsgrenzen en zijn zelden verplaatst. De oudste houtwallen, waarvan sommige mogelijk uit de 14e eeuw dateren, zijn essentieel gewaardeerd, terwijl jongere houtwallen als medebepalend zijn aangemerkt. De datering op basis van kaartmateriaal blijft indicatief; aanvullend archeologisch of bronnenonderzoek kan nodig zijn om ouderdom nauwkeuriger vast te stellen.

Landschappelijke waardering

Op tracéniveau zijn de verschillende landschappelijke eenheden – bos- en heidelandschap, enkdorpenlandschap, kampenlandschap en jonge heideontginningen – overwegend als medebepalend gewaardeerd. Uitzondering vormt landgoed Gerven, dat landschappelijk essentieel is. Buiten het landgoed is meer ruimte om aanpassingen aan de weg in te passen, hoewel ook daar waardevolle elementen aanwezig zijn.

Het enkenlandschap heeft te maken met verlies aan openheid door bebouwing en erfbeplanting. Hoewel dit landschapstype waardevol is, is de oorspronkelijke openheid nog maar beperkt herkenbaar. Het is onzeker in hoeverre aanpassingen aan de N303 deze openheid kunnen herstellen, bijvoorbeeld door het bewust achterwege laten van wegbegeleidende beplanting.

In het bos- en heidelandschap is een compact wegprofiel gewenst om het gevoel van een weg door het bos te behouden. Bij jonge heideontginningen bestaat meer vrijheid in de positionering van bomenrijen, bijvoorbeeld in de buiten- of tussenberm.

Landschappelijk gezien is laanbeplanting essentieel op open tracédelen met bochten, terwijl deze waarde afneemt in halfopen of besloten landschappen met houtwallen en bospercelen. Hier is het ruimtelijk effect van laanbomen beperkter, zeker wanneer er meerdere groenstructuren aanwezig zijn.

Houtwallen en bomenrijen, met name dwars op de weg, vormen belangrijke landschappelijke verbindingen en maken de gelaagdheid van het landschap zichtbaar. In het kampenlandschap zijn deze structuren vaak essentieel, in andere landschapstypen medebepalend. Het behoud of zorgvuldig vervangen van deze elementen is van groot belang voor het karakter en de herkenbaarheid van het gebied.

Op de volgende afbeelding wordt aangegeven waar de barrièrewerking van de N303 globaal verbeterd kan worden. 

Visie landschap, natuur en cultuurhistorie in relatie tot N303 (Compensatiestrategie)
afbeelding binnen de regeling
Paragraaf 5.11.2.2 Cultuurhistorie en archeologie

In paragraaf 5.11.2.1 Landschap is aangegeven dat Landgoed Gerven wordt aangeduid als een essentieel (wettelijk beschermd) cultuurhistorisch element en dat de  

weg zelf historische waarde heeft. De doorgaande laanbeplanting langs het tracé wordt (cultuurhistorisch) gewaardeerd als ondergeschikt, omdat een groot deel niet oorspronkelijk/oud is. Dit met uitzondering van het gedeelte bij het landgoed en de S-bocht, ten noorden van Huinen, hier is de laanbeplanting medebepalend.  

Het is niet nodig om regels over cultureel erfgoed op te nemen in dit projectbesluit. Er zijn geen monumenten binnen het plangebied zelf. Er ligt een rijksmonument aan Woudweg 22, maar het wegontwerp heeft hier geen invloed op. Ook komen er in het plangebied geen archeologische monumenten voor.  

De geldende omgevingsplannen omvatten regels over archeologie. Hierdoor worden de archeologische verwachtingswaarden beschermd. Voor grote delen van het plangebied geldt een hoge of middelhoge archeologische verwachting. Om die reden is archeologisch bureau onderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). Het bureauonderzoek heeft informatie opgeleverd over bekende vindplaatsen binnen het onderzoeksgebied, waardoor met name voor het centrale deel van het tracé ter hoogte van Huinen een verhoogde kans is op de aanwezigheid van archeologische resten. Het advies is om met het ontwerp van het VKA zoveel mogelijk de bekende vindplaatsen te ontzien door hier geen (diepe) graafwerkzaamheden te plannen. 

De diepteligging van het potentiële archeologische niveau wisselt afhankelijk van de bodemopbouw. In grote delen van het gebied ligt de oorspronkelijke podzolbodem dicht aan het oppervlak en kunnen direct onder de bovengrond (vanaf ca. 30 cm beneden maaiveld) archeologische resten aanwezig zijn. Op de plaatsen met een dun humeus cultuurdek ligt het potentiële niveau op een diepte vanaf 30 – 50 cm beneden maaiveld en ter plaatse van de oude bouwlanden met een dik humeus cultuurdek dieper dan 50 cm (en soms meer dan 1,0 m diep). bodemingrepen dieper dan 0,3 m een bedreiging kunnen vormen voor het archeologische bodemarchief binnen de hoge en/of middelhoge verwachtingszone.  

In 2025 is een Plan van Aanpak voor het archeologische booronderzoek voor de N303 opgesteld. Daaruit blijkt dat ca. 42.000 m² van de totale 71.750 m² aan ingrepen vervalt vanwege protocol Netbeheer Nederland (2022). De vraag is dan wat de meerwaarde gaat zijn van een archeologisch booronderzoek. Vooraf is namelijk al bekend dat het werk archeologisch begeleid zal moeten worden. Het gaat dan om een archeologische begeleiding van de hoge en middelhoge archeologische verwachting. Op advies van de regio archeoloog en provinciaal archeoloog wordt daarom de stap van een verkennend booronderzoek overgeslagen. In vervolg hierop wordt een Programma van Eisen voor de archeologische begeleiding opgesteld. 

Paragraaf 5.11.2.3 Compensatiemogelijkheden

Ten aanzien van het landschap, staan in paragraaf 3.3 instructieregels in de provinciale verordening voor de Gelderse Streek Gelderse Vallei (artikel 5.37). De instructieregel luidt dat bij een nieuwe ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Gelderse Vallei. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen uit deze bijlage zijn overgenomen in Bijlage 3 bij deze motivering. Dit is nader omschreven in paragraaf 4.3.2 Omgevingsverordening Gelderland. Hieruit volgen geen concrete maatregelen voor het projectbesluit.

Landschappelijke inpassing en kapmeldingen/kapvergunningen

In paragraaf 5.5.2.4 Houtopstanden is ingegaan op compensatie van houtopstanden, voor de landschappelijke inpassing wordt naar die paragraaf verwezen Het totaal te compenseren kroonoppervlak van de kapmeldingsplichtige bomen betreft 18.115 m2. Binnen de Compensatiestrategie N303 (Bijlage 6) wordt in totaal 24.200 m2 aan bos met mantelvegetatie gecompenseerd. Hiermee worden alle kapmeldingsplichtige bomen ruim gecompenseerd. De compensatie van de kap-meldingsplichtige bomen is geborgd en wordt uitgevoerd op het Landgoed Gerven en Hell, door aanplant van bomen en verbetering van oost-west verbindingen. De kap-vergunningplichtige bomen (op grond van de APV) worden binnen het tracé gecompenseerd in de wegbegeleidende beplanting Binnen het wegtracé is de compensatie van 55 bomen al integraal opgenomen in het ontwerp. Dat betekent dat alle kapvergunningsplichtige bomen (in totaal 41) ruimschoots worden gecompenseerd binnen het tracé (zie Bijlage 26).

De provincie streeft echter naar een verbetering van de landschappelijke inpassing door uitvoering van de ambities zoals neergelegd in de bouwstenen. Dit is een extra ambitie en is mogelijk als het technisch haalbaar is en medewerking wordt verkregen van grondeigenaren. 

Compensatie natuur (binnen/buiten GNN)

In de plannen worden ook delen oppervlakten met natuurbestemming aangetast, sommige delen daarvan maken ook onderdeel uit van het Gelders Natuur Netwerk (GNN). Deze natuur wordt gecompenseerd door nieuwe natuur aan te leggen op percelen die nu nog de landbouwbestemming hebben. (zie Bijlage 6), zoals ook is aangegeven in paragraaf 5.5 Natuur.

Paragraaf 5.11.3 Maatregelen

Permanente maatregelen 

  • 1.

    verwezen wordt naar de maatregelen in paragraaf 5.5.3 onder het kopje ‘Compensatie houtkap’ en het kopje ‘Natuurcompensatie GNN’

T ijdelijke maatregel

  • een archeologische begeleiding van de hoge en middelhoge archeologische verwachting op basis van het Programma van Eisen.

Paragraaf 5.12 Verkeer

Paragraaf 5.12.1 Wettelijk kader

Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet

Paragraaf 5.12.2 Onderzoek

De N303 tussen Voorthuizen en Putten is een provinciale weg met een groot lokaal en recreatief belang. Het verkeer dat gebruikt maakt van de weg is grotendeels bestemmingsverkeer; het heeft een herkomst of bestemming in Putten, Voorthuizen of ergens daar tussenin. Het is daarmee géén doorgaande weg. Het naastgelegen bestaande fietspad is te smal en onveilig. Onderhoud aan de hoofdrijbaan is noodzakelijk en de weg voldoet niet aan de huidige gewenste inrichtingskenmerken. De onveiligheid kenmerkt zich door de breedte van het fietspad en de hoofdrijbaan, maar ook door de gevaarlijke obstakels, zoals forse bomen die dicht op de weg staan. De oversteekbaarheid van de weg voor langzaam verkeer is op veel plekken onveilig. Niet alleen de fietsoversteken zijn onveilig, ook het in- en uitrijden van en naar de erven en bedrijven door (vracht)verkeer is verre van ideaal. Het gaat niet alleen om onderhoud en verbeteren van de verkeersveiligheid, maar juist de combinatie van een toekomstbestendig duurzaam veilig ingerichte weg met behoud van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden in het gebied. Deze combinatie is nodig om een toekomstige veilige en duurzame verbinding te realiseren.

Verkeers(on)veiligheid 

De N303 is qua veiligheidsrisico een van de onveiligste wegen in Gelderland. Dit is direct gerelateerd aan de hoeveelheid objecten, vooral bomen, die langs de weg staan en het gebrek aan uitwijkruimte. De weg is op veel plaatsen niet breder dan 6 meter. Dat is ongeveer 1,5 meter smaller dan de landelijke standaard van een 80km-weg. In Gelderland liggen vrijwel geen 80km-wegen die zo smal zijn. Deze huidige breedte is onvoldoende om grotere voertuigen elkaar veilig te laten passeren. Omdat er langs grote delen forse bomen dicht op de weg staan, is er geen uitwijkruimte en ontstaan er relatief veel ‘bijna-botsingen’ met een boom. De hoeveelheid spiegels die met grote regelmaat worden gevonden in bermen zegt veel over het smalle profiel. Er is vrijwel geen mogelijkheid om een onbedoelde manoeuvre nog te corrigeren. Ook de inrichting van de kruisingen valt negatief op. Veel kruisingen zijn pas laat voor de naderende automobilist herkenbaar of zichtbaar. Het zicht van/naar de zijwegen laat op veel kruisingen te wensen over. Overstekende fietsers hebben op de meeste plekken géén mogelijkheid om in twee fasen over te steken.

Ongevallenbeeld

In de periode 2017 t/m 2022 hebben zich op de N303 tussen Voorthuizen en Putten (exclusief het stuk in Huinen) 53 geregistreerde ongevallen voorgedaan. Hierbij waren in totaal 26 gewonden en 1 dodelijk slachtoffer te betreuren. Belangrijke opmerking hierbij is dat veel ongevallen niet geregistreerd worden. Vooral ongevallen zonder letsel en eenzijdige ongevallen zijn zoals dat heet ‘ondergeregistreerd’. Met name incidenten met auto’s en fietsers die (om welke reden dan ook) in de berm raken maar geen letsel oplopen, zijn daarom niet of nauwelijks terug te zien in de statistieken. Zowel het aantal ongevallen als de letselgraad zijn relatief hoog. Het dodelijke ongeval was een automobilist die de macht over het stuur verloor en tegen een boom reed.

Ongevallen op de hoofdrijbaan

Bij 41 van de 53 ongevallen was een voertuig op de hoofdrijbaan betrokken. Bij 16 van deze ongevallen viel een gewonde of dodelijk slachtoffer te betreuren. Van alle geregistreerde ongevallen met voertuigen op de hoofdrijbaan – voor zover de toedracht valt te achterhalen – kan met zekerheid gezegd worden dat het risico afneemt als gevolg van de verlaging van de maximumsnelheid en de voorgestelde fysieke aanpassingen. 

Dit manifesteert zich op drie manieren:

  • de lagere snelheid geeft verkeersdeelnemers meer tijd om te reageren of te anticiperen op een naderende conflictsituatie;

  • met een lagere snelheid is de kans kleiner dat een bestuurder de controle over het stuur verliest;

  • als er toch een ongeval plaatsvindt is de impactsnelheid lager, wat de kans op letsel verkleint.

Fietsers en ongevallen

De fietsstructuur langs de N303 wordt betiteld als een school- en doorfietsroute. De omvang van het aantal fietsers bedraagt circa 600 tot 1.200 fietsers per dag. Deze doorfietsroute moet in de planuitwerking voldoen aan de Gelderse eisen van een snelle doorfietsroute. Met de keuze om het wegvak af te waarderen naar een 60 km/u betekent dit het handhaven van het landbouwverkeer op de hoofdrijbaan.

Van de 53 geregistreerde ongevallen vonden er zes plaats op het fietspad zonder dat daar een auto bij betrokken was. Vier van deze ongevallen liepen af met (ziekenhuis)letsel. In vier van de zes gevallen ging het om een eenzijdig (brom)fietsongeval, waarbij de tweewieler van het pad af raakte. Met name deze eenzijdige ongevallen zijn zwaar ondergeregistreerd omdat er geen politie is ingeschakeld. In twee gevallen ging het om een frontaal ongeval tussen (brom)fietsers onderling. Zowel eenzijdige als frontale fietsongevallen hebben een relatie met de breedte van het fietspad. De kans op dergelijke ongevallen wordt substantieel kleiner wanneer het fietspad voldoende breed wordt vormgegeven. 

Dit manifesteert zich op de volgende manieren:

  • Een breder fietspad zorgt ervoor dat elkaar tegemoetkomende (brom)fietsers niet vlak langs de rand van het asfalt hoeven te rijden als ze elkaar passeren.

  • Een breder fietspad zorgt ervoor dat duo’s naast elkaar kunnen rijden en niet steeds hoeven uit te wijken bij tegenliggers (wat nu vaak gebeurt). Hoe minder manoeuvres (brom)fietsers hoeven te maken, hoe lager de ongevalskans.

Net als de hoofdrijbaan onderscheidt ook het fietspad zich qua breedte en ruimte in negatieve zin. Het fietspad is op veel plekken niet breder dan 1,5 meter (de landelijke standaard voor tweerichtingsfietspaden is 3,5 meter). Fietsers die naast elkaar rijden moeten bij een tegenligger altijd achter elkaar gaan rijden. Het fietspad ligt op veel plaatsen zo dicht naast de hoofdrijbaan dat een auto vrijwel meteen op het fietspad terechtkomt als deze van de weg raakt.

Uit de inventarisatie volgt dat er een maatregelen nodig zijn om de inrichting van de weg te verbeteren. 

Onderzoek verkeersintensiteiten

Er is onderzoek verricht naar de toekomstige verkeersintensiteiten (zie Bijlage 28). Hieruit blijkt dat er zonder meer van kan worden uitgegaan dat de verkeersintensiteiten als gevolg van de voorgenomen herinrichting en snelheidsverlaging naar 60 km/uur niet zullen wijzigen. Deze conclusie betreft zowel de N303 Putten – Voorthuizen als overige wegen in het gebied.

Verder is onderzocht wat het afsluiten van delen van de weg tijdens het uitvoeren van het projectbesluit betekent voor de verkeersintensiteiten van omliggende wegen. Hieruit blijkt dat geplande omleidingsroutes tot minder dan 500 motorvoertuigen per etmaal per richting toename op de omleidingsroutes leidt (zie Bijlage 27). Hierdoor is ook deze tijdelijke situatie aanvaardbaar voor het woon- en leefklimaat. 

Verkeersbesluiten

Voor een aantal maatregelen uit het projectbesluit zijn verkeersbesluiten nodig. Dit geldt met name voor de snelheidsbeperking naar 60 km/uur en uitvoeringsmaatregelen daarvoor. Deze verkeersbesluiten worden voor uitvoering van de maatregelen genomen.

Paragraaf 5.12.3 Maatregelen

Tijdelijke maatregelen 

De volgende tijdelijke maatregelen maken het werk aan de N303 mogelijk.  

  • De werkzaamheden aan de N303 zullen in twee fases worden uitgevoerd. In beide fases zullen er omleidingsroutes worden aangelegd, waardoor de bereikbaarheid gewaarborgd wordt. Tijdens beide fases is er sprake van drie omleidingsroutes, zoals op de afbeeldingen hieronder weergegeven wordt. 

Omleidingsroutes fase Noord
afbeelding binnen de regeling
Omleidingsroutes fase Zuid
afbeelding binnen de regeling

Permanente maatregelen

De volgende permanente maatregelen worden doorgevoerd ter verbetering van de veiligheid en gebruiksvriendelijkheid van de weg:

  • verbreding van de hoofdrijbaan en aanleg van een middengeleider;

  • afwaarderen van de hoofdrijbanen naar 60 km/u

  • verbreding van het fietspad;

  • verwijdering van bomen die te dicht op de weg staan;

  • verbetering (fiets-)oversteekplaatsen;

  • verbetering zichthoeken bij kruispunten;

  • verlegging van watergangen en verbetering/verbreding van kunstwerken;

  • verlegging van kabels en leidingen;

De maatregelen zijn zichtbaar in het ontwerp, zoals opgenomen in Bijlage 13.

Paragraaf 5.13 Omgevingsveiligheid

Paragraaf 5.13.1 Wettelijk kader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van branden, ongevallen, rampen en crises, zoals omschreven in het provinciale risicoprofiel. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) geven de mate van externe veiligheid van personen rondom een risicovolle activiteit aan. Plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen, als die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plek bevindt.

Bij het Groepsrisico (GR) gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel.

Paragraaf 5.13.2 Onderzoek

Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het besluitgebied is gebruik gemaakt van de Landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid.

Signaleringskaart Externe Veiligheid

De N303 is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een aardgastransportleiding of route voor transport van gevaarlijke stoffen. Ook de weg zelf is niet aangewezen voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Het besluitgebied is gelegen in de nabijheid van opslag (gas/ammoniakkoelinstallatie/ propaantanks) en daardoor is er op twee plekken een explosieaandachtsgebied dat over de weg valt. Dat is in de huidige situatie ook zo. Aanpassingen van de weg hebben geen gevolgen voor dit risico. Daarnaast maakt de ontwikkeling geen nieuwe risicobronnen mogelijk. Er is geen sprake van verhoging van het risico door verbetering van de weg. 

Paragraaf 5.13.3 Onderzoek 'niet gesprongen explosieven'

Voor het project staan diverse bodemroerende werkzaamheden gepland. Omdat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek is door onderzoeksbureau BeoBOM onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in het projectgebied. Uit een risicokaart van de gemeente Putten blijkt dat binnen een deel van het projectgebied sprake is van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Dit gebied is op onderstaande afbeelding weergegeven.

Onderzoeksgebied Projectbesluit N303 (groen, ter hoogte van Voorthuizerstraat 164 tot 178)
afbeelding binnen de regelingWorld Imagery

Voor dit gedeelte is een risicoanalyse uitgevoerd. Uit de risicoanalyse blijkt het volgende: 

‘Er wordt vanwege de grondroerende activiteiten in het kader van het voorgenomen toekomstig gebruik wel uitwerking van de ontplofbare oorlogsresten verwacht, maar de uitwerkingsfactoren zijn door het treffen van passende maatregelen beheersbaar’.

In navolgende paragraaf wordt deze beheersmaatregel weergegeven.

Paragraaf 5.13.4 Maatregelen

Uit de risicoanalyse blijkt dat een deel van het projectgebied verdacht is voor de aanwezigheid van explosieven. 

Hieruit volgt een tijdelijke beheersmaatregel die bij de bodemingrepen ‘herinrichting wegen’, ‘aanpassingen groenvoorzieningen’ of ‘aanpassingen aan ondergrondse infrastructuur’ geldt: 

  • Indien de voorgenomen werkzaamheden tussen Voorthuizerstraat 164 en 178 tot of dieper zullen reiken dan de bestaande wegfunderingen dient er een opsporingsonderzoek conform hoofdstuk 4 van het CS-OOO plaats te vinden. De wijze waarop dit onderzoek zal plaatsvinden dient vastgesteld te worden aan de hand van de werkzaamheden en de locatie specifieke omstandigheden. 

Paragraaf 5.14 Lange afstandswandelroute, recreatie en toerisme

Paragraaf 5.14.1 Wettelijk kader

Als (aangewezen) landelijke fiets- en wandelroutes worden doorsneden, moet het belang van de instandhouding van deze fiets- en wandelroutes worden betrokken (artikel 5.161b Bkl).

Paragraaf 5.14.2 Onderzoek

Rondom het projectgebied liggen diverse recreatieve routes (o.a. fietsroutes, wandelroutes en ruiterpaden). Het Marskramerpad, een landelijke wandelroute, kruist de N303, ten zuiden van Huinen. Het belang van de instandhouding van deze wandelroute dient in het besluit te worden betrokken. De oversteekmogelijkheid blijft in stand ter plaatse van het Marskramerpad. Wandelaars kunnen net als nu een kleine afstand over het fietspad lopen en vervolgens bij de inrit oversteken. 

Uitsnede Atlas leefomgeving Landelijke wandelroutes en fietsroutes 
afbeelding binnen de regeling
Uitsnede wegontwerp ter plaatse van de oversteek van het Marskramerpad ter hoogte van Voorthuizerweg 286, Putten
afbeelding binnen de regeling

Wat betreft de fietsroutes in het gebied zijn er vier locaties waar de fietsknooppuntenroutes de N303 oversteken. Verder lopen in de zuidwesthoek bij Putten fietsknooppuntenroutes parallel aan de N303. Daarnaast zijn er talloze thematische fietsroutes in de regio. Deze maken over het algemeen gebruik van de fietsknooppuntenroutes. Het wandelknooppunten netwerk in de omgeving is heel fijnmazig. De oversteekplaatsen blijven in stand.   

Krachtighuizen is een buurtschap ten zuiden van Putten, bestaande uit voornamelijk recreatiewoningen, waaronder o.a. twee grote vakantieparken. De recreatieparken liggen op wat grotere afstand van de weg, met uitzondering van de camping ‘Dops Akker’. Uitgangspunt ter hoogte van camping ‘Dops Akker’ is dat het bestaande gebouw gehandhaafd blijft. Ter hoogte van dit gebouw wordt de berm tijdelijk en op een zeer korte afstand versmald tot 1,5 meter. De aansluiting van de Heihaas, ter hoogte van de kern Putten, maakt geen onderdeel uit van de provinciale uitvoering, maar zal door de gemeente Putten worden verzorgd. Hier wordt een linksaf-voorsorteervak aangelegd en de harde scheidingen bij de bushaltes verdwijnen, zodat vrachtwagens die vanaf het vakantiepark richting Voorthuizen draaien de bushalte kunnen gebruiken als manoeuvreerruimte, ten behoeve van de verkeersveiligheid. Voor de overige vakantieparken verandert er niets, met uitzondering van de berm van de weg, als het vakantiepark langs de weg ligt. 

Paragraaf 5.14.3 Maatregelen

De oversteeklocatie naast Voorthuizerstraat 286 (Putten) van het Marskramerpad blijft in stand. Bij de Dops Akker wordt rekening gehouden met het bestaande gebouw naast de weg.

Paragraaf 5.15 Toegankelijkheid van de openbare ruimte

Paragraaf 5.15.1 Wettelijk kader

Als wordt voorzien in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor kabels en leidingen de inrichting van de openbare buitenruimte, moet rekening worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking (artikel 5.162 Bkl).

Paragraaf 5.15.2 Onderzoek

Omdat het wijzigingsbesluit voorziet in aanpassing van openbare ruimte, is deze instructieregel voor dit wijzigingsbesluit relevant. 

De toegankelijkheid wordt binnen dit projectbesluit verbeterd. Er wordt rekening gehouden met verbreding van het fietspad, zodat het veiliger wordt voor fietsers. In de volgende paragraaf met maatregelen worden de diversie maatregelen beschreven. 

Paragraaf 5.15.3 Maatregelen

De volgende maatregelen worden genomen ter verbetering van de toegankelijkheid van de openbare ruimte:

  • het twee-richtingen fietspad wordt ca twee keer zo breed (van ca 1,5m naar minimaal 3m) en wordt daarmee veiliger. Het betreft een verbreding van het fietspad naar 3 m tussen Voorthuizen en Huinen en 3.5 meter tussen Huinen en Putten;

  • verwijdering van bomen die te dicht op de weg staan;

  • verbetering (fiets-)oversteekplaatsen, op kruisingen worden snelheidsverlagende maatregelen uitgevoerd. Ook de fietser kan daardoor op veel kruispunten in twee fasen oversteken; 

  • verbetering zichthoeken bij kruispunten, zodat kruispunten overzichtelijker worden.

Paragraaf 5.16 Kabels en leidingen

Paragraaf 5.16.1 Wettelijk kader

Bouwwerken met betrekking tot buis- en leidingstelsels vallen onder vergunningvrije bouwactiviteiten (artikel 2.29 aanhef, onder p, onder 4 Besluit bouwwerken leefomgeving, het Bbl). Uitgezonderd zijn buisleidingen met gevaarlijke stoffen (aangewezen in artikel 3.101, eerste lid, aanhef a tot en met e Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).  

De Telecommunicatiewet (artikel 5.4, vierde lid) gaat over aanleg van telecommunicatiekabels. Deze wet regelt een gedoogplicht voor de aanleg van kabels met betrekking tot het communicatienetwerk in openbare en niet-openbare gronden (artikel 5.2). Voor de aanleg van kabels in de openbare grond geldt een meldingsplicht. 

De Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI) is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen in openbare gronden in beheer bij gemeenten. Deze verordening richt zich zowel op de nutsvoorzieningenkabels als kabels met betrekking tot telecommunicatie. De regels over de aanleg van kabels en leidingen in de AVOI die niet over telecommunicatiekabels gaan, worden voor 2032 overgezet naar het omgevingsplan.

Paragraaf 5.16.2 Onderzoek

Omdat het wijzigingsbesluit voorziet in aanpassing van de weg, waarbij ook deels bestaande kabels en leidingen worden verlegd, is dit voor dit wijzigingsbesluit relevant. Het gaat om verlegging van lokale kabels en leidingen. Er is geen sprake van hoofdkabels en leidingen. Wel wordt het tracé van de N303 doorkruist door een bovengrondse hoogspanningsleiding. Verbetering van de N303 heeft geen gevolgen voor deze hoogspanningsleiding.  

In het wegontwerp in Bijlage 13 is ook het verleggen van de (lokale) kabels en leidingen opgenomen. Dit is geen aspect dat nadelig is voor ETFAL of uitvoerbaarheid van het project en zal bij de uitvoering van het project worden gemeld bij het bevoegd gezag. 

Paragraaf 5.16.3 Maatregelen

Bij verbreding van het wegtracé en het bijbehorende fietspad, worden ook de aanwezige kabels en leidingen verlegd.

Paragraaf 5.17 Conclusie ETFAL

Paragraaf 5.17.1 Wettelijk kader

Artikel 2.1 Omgevingswet bepaalt dat het bevoegd gezag bij de uitoefening van taken en bevoegdheden zorg draagt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het is dus een algemeen beginsel dat geldt voor alle besluiten onder de Omgevingswet, waaronder het projectbesluit. Artikel 5.48 Omgevingswet bepaalt dat een projectbesluit regels kan bevatten over het gebruik van de fysieke leefomgeving. Omdat elk besluit onder de Omgevingswet moet voldoen aan artikel 2.1, geldt ook hier dat het projectbesluit moet bijdragen aan ETFAL. Het Bkl geeft nadere instructieregels voor hoe bestuursorganen ETFAL moeten toepassen.

Paragraaf 5.17.2 Afweging

In dit hoofdstuk is gemotiveerd dat wordt voldaan aan de instructieregels in het kader van het Bkl, die gesteld zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies. 

Hieruit blijkt dat het project niet evident onuitvoerbaar is:

  • Gezondheid:

     Het betreft een bestaande weg en de kwaliteit van de leefomgeving rondom de weg wordt verbeterd, of wordt in ieder geval niet verslechterd door de snelheidsverlaging. Vanwege de verbeteringen van het doorgaande fietspad langs de weg, ontstaan betere mogelijkheden voor bewegen.

  • Geluid:

     Het berekende geluid in de toekomstige situatie als gevolg van wegen in provinciaal beheer is lager dan de vastgestelde plafondwaarde. Het afwegen van geluidbeperkende maatregelen is derhalve niet noodzakelijk. 

  • Bodem:

     De huidige situatie van de bodemkwaliteit is in beeld gebracht op basis van uitgevoerd verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Sweco (2025). Er zijn puinlagen aangetroffen waarvan de kwaliteit niet bekend is. De fundatielagen en halfverhardingslagen worden in een later stadium onderzocht om de algehele hergebruikskwaliteit (inclusief asbest) vast te stellen. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar de aangetoonde verontreinigingen kan voor de uitvoering worden uitgevoerd. Uit het verkennend waterbodemonderzoek volgt dat er nader waterbodemonderzoek nodig is voor werkzaamheden aan de watergangen en de duikers. Ook dit kan voor uitvoering van de werkzaamheden worden uitgevoerd. 

  • Luchtkwaliteit:

     Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden. 

  • Trilling:

     Mede dankzij de snelheidsverlaging naar 60 km/u, is er geen toename te verwachten van de ondervonden trillingsbelasting. Dat verschil geeft een positief effect ten opzichte van de huidige situatie met betrekking tot trillingshinder. 

  • Water:

     De waterberging ten gevolge van demping van water en toename verharding is in het ontwerp opgenomen. Er is een watertoets, oftewel ‘weging van het waterbelang’ opgesteld en er heeft bij de voorbereiding van het projectbesluit overleg plaatsgevonden met het waterschap. Er wordt een watervergunning aangevraagd om de uitvoering van dit projectbesluit mogelijk te maken voor wat betreft de watermaatregelen. De verwachting is dat deze vergunning verleend kan worden. 

  • Externe veiligheid:

     Aanpassingen aan de weg hebben geen gevolgen voor de bestaande explosieaandachtsgebieden (van beperkte omvang).

Cultuurhistorie, aardkundige waarden en landschappelijke waarden: het projectgebied doorkruist archeologische waarden. Voor een deel van het tracé zal sprake zijn van archeologische begeleiding van de werkzaamheden in gebieden met hoge en middelhoge archeologische verwachting. In vervolg hierop wordt een Programma van Eisen voor de archeologische begeleiding opgesteld.

Er worden bomen gekapt. Hier zijn mitigerende en compenserende maatregelen voor mogelijk. Deze zijn opgenomen in het compensatieplan, zie Bijlage 24 en Bijlage 26. Er is een kapmelding en kapvergunningen nodig. De verwachting is dat deze vergunningen verleend kunnen worden.

Natuur

  • Er is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Er is geen sprake van toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase en aanlegfase 

  • Het oppervlakteverlies van het GNN wordt gecompenseerd. 

  • Soortenbescherming: Er is geen sprake van afbreuk aan de gunstige Staat van Instandhouding van populaties door de geplande ontwikkeling. Er worden een aantal maatregelen genomen om effecten te voorkomen of te mitigeren en voor de buizerd, kleine marterachtingen en hazelworm dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. De verwachting is dat de vergunningen hiervoor verleend kunnen worden. 

Het projectgebied valt niet in beperkingengebieden en vrijwaringsgebieden, met uitzondering van het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg en een beperkingengebied zorgplicht provinciale weg (artikel 4.66 e.v. en instructieregel omgevingsplan afdeling 5.6). Dit is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van de wegbeheerder (artikel 4.66 onder 2), waardoor dit de uitvoering van de verbetering van de N303 niet beperkt. De effecten zijn te beperken door de genoemde maatregelen in hoofdstuk 5 Evenwichtige toedeling van functies en hoofdstuk 6 Samenvatting maatregelen

Uit voorgaande lijst blijkt dat er zich geen omstandigheden voordoen op grond waarvan het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling die in het projectbesluit is voorzien niet kan worden gerealiseerd. Daarmee is de ontwikkeling op voorhand niet evident onuitvoerbaar en is sprake van ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. 

Hoofdstuk 6 Samenvatting maatregelen

Paragraaf 6.1 Permanente maatregelen en voorzieningen om het project te realiseren

Het gaat om de voor de fysieke leefomgeving relevante permanente maatregelen en voorzieningen om het project te realiseren. De volgende maatregelen worden voorzien. De volgende permanente maatregelen worden doorgevoerd ter verbetering van de veiligheid en gebruiksvriendelijkheid van de weg.

Algemene maatregelen

  • Verbreding van de hoofdrijbaan en aanleg van een middengeleider.

  • Verbreding van het fietspad.

  • Verwijdering van bomen die te dicht op de weg staan.

  • Verbetering (fiets-)oversteekplaatsen.

  • Verbetering zichthoeken bij kruispunten.

  • Verlegging van watergangen en verbetering/verbreding van kunstwerken.

  • Verlegging van kabels en leidingen.

Water

Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.

Lange afstandswandelroute

De oversteeklocatie naast Voorthuizerstraat 286 (Putten) van het Marskramerpad blijft in stand. Bij de Dops Akker wordt rekening gehouden met het bestaande gebouw naast de weg.Toegankelijkheid van de openbare ruimte

  • het twee-richtingen fietspad wordt ca twee keer zo breed (van ca 1,5 m naar minimaal 3 m) en wordt daarmee veiliger. Het betreft een verbreding van het fietspad naar 3 m tussen Voorthuizen en Huinen en 3.5 meter tussen Huinen en Putten;

  • verwijdering van bomen die te dicht op de weg staan;

  • verbetering (fiets-)oversteekplaatsen, op kruisingen worden snelheidsverlagende maatregelen uitgevoerd. Ook de fietser kan daardoor op veel kruispunten in twee fasen oversteken; 

  • verbetering zichthoeken bij kruispunten, zodat kruispunten overzichtelijker worden.

De permanente maatregelen zijn zichtbaar in het wegontwerp, zoals opgenomen in Bijlage 13 bij dit projectbesluit.

Paragraaf 6.2 Tijdelijke maatregelen en tijdelijke voorzieningen

Het gaat om de voor de fysieke leefomgeving relevante tijdelijke maatregelen en voorzieningen om het project te realiseren.  

De volgende tijdelijke maatregelen worden doorgevoerd ter uitvoering van de werkzaamheden aan de weg.

Aanlegfase

De werkzaamheden aan de N303 zullen in twee fases worden uitgevoerd. Tijdens beide fases is er sprake van wegafsluitingen In beide fases zullen er omleidingsroutes worden gefaciliteerd, waardoor de bereikbaarheid gewaarborgd wordt.

Bodem

  • Het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar de aangetoonde verontreinigingen. 

  • Nader waterbodemonderzoek is voor werkzaamheden aan de watergangen en de duikers. 

Archeologie

Een archeologische begeleiding van de hoge en middelhoge archeologische verwachting op basis van het Programma van Eisen. 

Explosieven

Indien de voorgenomen werkzaamheden tussen Voorthuizerstraat 164 en 178 te Putten tot of dieper zullen reiken dan de bestaande wegfunderingen dient er een opsporingsonderzoek conform hoofdstuk 4 van het CS-OOO plaats te vinden. De wijze waarop dit onderzoek zal plaatsvinden dient vastgesteld te worden aan de hand van de werkzaamheden en de locatie specifieke omstandigheden.

Instandhouding tijdelijke maatregelen

Tijdelijke maatregelen mogen niet langer in stand gehouden worden dan zes maanden na realisatie van het project.

Paragraaf 6.3 Maatregelen ter beperking/mitigatie van nadelige gevolgen van het project

Het gaat om de maatregelen die zijn gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van het project of van het in werking hebben of in stand houden daarvan voor de fysieke leefomgeving.  

De volgende maatregelen ter beperking/mitigatie van nadelige gevolgen van het project worden doorgevoerd.

Natuur

Er wordt een aantal maatregelen genomen om effecten te voorkomen of te mitigeren:

  • Zorgplicht naleven. 

  • Bij voorkeur kappen buiten broedseizoen. 

  • Buiten broedseizoen werken of vooraf inspectie. 

  • Voor bepaalde soorten wordt soortenspecifieke mitigatie toegepast.

  • Voor de buizerd, kleine marterachtingen en hazelworm wordt een omgevingsvergunning te worden aangevraagd

  • Aanleg van natuur ter compensatie van het GNN op het perceel ten noorden van Voorthuizerweg 13, kadastraal perceel 1051-zuid zijde.

Landschap

Er wordt een aantal maatregelen genomen om effecten te voorkomen of te mitigeren:

  • De compensatie van de kap-meldingsplichtige bomen bedraagt (263 bomen en daarmee) 18.115 m2 kroonoppervlak en is geborgd en wordt uitgevoerd ter hoogte van het Landgoed Gerven, door aanplant van bomen en verbetering van oost-west verbindingen conform de Compensatiestrategie N303 (Bijlage 6, bouwsteen 19, 20, 21, deel 1 & 2 in paragraaf 6.3.21 tot en met 6.3.23). 

  • De kap-vergunningplichtige bomen (op grond van de algemene plaatselijke verordening) bedraagt totaal 41 bomen en deze worden binnen het tracé gecompenseerd in de wegbegeleidende beplanting. Dit is bouwsteen 1 zoals omschreven in Bijlage 6 (in paragraaf 6.3.1). 

Water

Er wordt een aantal maatregelen genomen om effecten te voorkomen of te mitigeren:

  • Compensatie van de toename aan verhard oppervlak door aanleg van extra waterberging (zie ontwerp in Bijlage 13), infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan worden gedimensioneerd conform T=10 bui (40 mm in 1 uur en 60 mm in 10 uur) gerekend over het aantal m².

  • Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG.

  • Elke demping wordt voor 100% gecompenseerd.

Hoofdstuk 7 Juridische opzet projectbesluit

Gekozen is voor een projectbesluit light, waarbij de vergunningen en toestemmingen separaat blijven van het projectbesluit: het projectbesluit vormt uitsluitend de planologische toestemming (de projecttoestemming en wijziging van het omgevingsplan).  

Het projectbesluit bestaat uit het vrije tekstdeel en het tijdelijke regeling deel. 

In de Regeling van het projectbesluit (op overheid.nl en in DSO) is opgenomen:

  • Het ‘vrijetekstgedeelte’, opgenomen bij de provincie, waarin een beschrijving staat van het project, de aanlegfase en maatregelen ter compensatie, mitigatie, voorkoming van schade en ook de termijn waarbinnen de gemeenten geen nieuw omgevingsplan mogen vaststellen binnen het besluitgebied, in dit geval 5 jaar. 

  • De regels die het omgevingsplan wijzigingen (het tijdelijke regelingdeel), opgenomen bij het omgevingsplan van de gemeenten, en hoe de omgevingsplanregels worden gewijzigd, inclusief een voorrangsbepaling.

In dit geval zijn dat twee tijdelijk regelingdelen, voor de gemeenten Nijkerk en Putten. Met het projectbesluit worden via het tijdelijke regelingdeel de regels van de omgevingsplannen van de gemeenten gewijzigd. Er is een artikel opgenomen, waarin de verhouding is vastgelegd tussen het tijdelijk regelingdeel en de hoofdregeling van het omgevingsplan dat door het projectbesluit wordt gewijzigd. Dit is de voorrangsbepaling. In het tijdelijk regeling deel worden regels opgenomen die ‘voor gaan’ op de regels in het omgevingsplan via de voorrangsbepaling. Hiermee kunnen functies worden toegevoegd en kunnen bestaande functies ‘geschrapt’ worden. De wijziging van het omgevingsplan ziet alleen op het uitvoeren, in werking hebben en in stand houden van het project N303 en is beperkt tot die delen van het projectbesluit die met de regels van het omgevingsplan in strijd zijn.

Binnen het besluitgebied worden de volgende functies geregeld in de tijdelijk regelingdelen:

  • De functie ‘verkeer’ wordt mogelijk gemaakt voor die delen van het wegtracé die buiten de ‘bestemming verkeer’ van de vigerende tijdelijke omgevingsplannen van de gemeenten Nijkerk en Putten vallen. 

  • Om de verkeersveiligheid te waarborgen, zijn ook zogenoemde zichtlijnen op de weg opgenomen, zodat het zicht niet gehinderd wordt door bomen of bouwwerken.

  • Op het perceel ten noorden van Voorthuizerweg 13, kadastraal perceel 1051-zuid zijde, is de compensatie van het Gelders Natuur Netwerk (GNN) mogelijk gemaakt, conform het ontwerp, zoals opgenomen in Bijlage 24, ‘Landschappelijke inpassing groencompensatie’ . Hieraan is een realisatie verplichting gekoppeld. 

Hoofdstuk 8 Financieel en economisch niet evident onuitvoerbaar

De investeringskosten voor verbetering van de weg zijn vooral gelegen in de benodigde wegwerkzaamheden en de noodzaak van grondverwerving. Het benodigde budget is beschikbaar: hiervoor is ruimte gemaakt in de Tussenbalans zoals vastgesteld 2 juli 2025 (https://gelderland.stateninformatie.nl/modules/19/Statenstukken/1046886). De uitvoering van de verbetering van de N303 is hiermee onderdeel van de provinciale begroting. Daarmee is de ontwikkeling op voorhand niet evident onuitvoerbaar.

Bijlagen

Bijlage 1 Reactienota

Bijlage 1 Reactienota

Bijlage 2 Eindrapportage Planstudie N30

Bijlage 2

Bijlage 3 Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen Gelderse Vallei

Bijlage 3

Bijlage 4 Trillingshinder

Bijlage 4

Bijlage 5 Archeologisch onderzoek

Bijlage 5

Bijlage 6 Compensatiestrategie

Bijlage 6

Bijlage 7 Weging van het waterbelang

Bijlage 7

Bijlage 8 Afwatering

Bijlage 8

Bijlage 9 Akoestisch onderzoek

Bijlage 9

Bijlage 10 Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 10

Bijlage 11 Vooronderzoek waterbodemduikers

Bijlage 11

Bijlage 12 Luchtkwaliteit

Bijlage 12

Bijlage 13 Wegontwerp

Bijlage 13

Bijlage 14 Besluitgebied N303

Bijlage 14

Bijlage 15 AERIUS-berekening

Bijlage 15

Bijlage 16 Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten

Bijlage 16

Bijlage 17 Quickscan flora- en faunactiviteit Voorthuizen-Putten

Bijlage 17

Bijlage 18 Quickscan flora- en faunactiviteit Huinen-Putten

Bijlage 18

Bijlage 19 Nader onderzoek beschermde soorten Voorthuizen-Putten

Bijlage 19

Bijlage 20 Nader onderzoek beschermde soorten Huinen-Putten

Bijlage 20

Bijlage 21 GNN en GO toetsing Voorthuizen-Huinen

Bijlage 21

Bijlage 22 Habitatbeoordeling kleine marterachtigen

Bijlage 22

Bijlage 23 Activiteitenplan

Bijlage 23

Bijlage 24 Landschappelijke inpassing groencompensatie

Bijlage 24

Bijlage 25 Oplegnotitie flora- en fauna-onderzoeken N303

Bijlage 25

Bijlage 26 Bomen en natuurcompensatie

Bijlage 26

Bijlage 27 Toelichting berekening intensiteiten omleidingen bouwfase N303

Bijlage 27

Bijlage 28 Verkeersprognoses

Bijlage 28

Bijlage 29 Mer-beoordeling

Bijlage 29

Naar boven