U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Vaststelling ontwerp Omgevingsverordening 2025-2026

Gedeputeerde Staten van Gelderland

Besluiten:

Artikel I

Het ontwerpbesluit Omgevingsverordening Gelderland conform concept overeenkomstig 'bijlage A' vast te stellen en de bijbehorende stukken (het milieueffectrapport plan-MER stikstofstroken en de Notitie Afstandsnorm Windturbines en leefomgeving in Gelderland, Sweco 11‑11‑2025) vrij te geven voor inspraak.

Artikel II

Publicatie bekendmaking Provinciaal blad vast te stellen conform concept.



Gedeputeerde Staten van Gelderland



Daniël Wigboldus - Commissaris van de Koning

Johan Osinga - Secretaris

Bijlage A Omgevingsverordening Gelderland

A

Artikel 4.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.62 (toepassingsbereik en oogmerk regels over ontgrondingsactiviteiten)

  • 1

    Deze afdeling is van toepassing op ontgrondingsactiviteiten.

  • 2

    In aanvulling op paragraaf 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingen die in elkaars nabijheid liggen of die volgtijdelijk worden uitgevoerd en waarbij een onderlinge technische, organisatorische of functionele binding bestaat, aangemerkt als één ontgrondingsactiviteit.

  • 2 3

    Deze afdeling is opgenomen met het oog op het o​​pnemen van een aanvullend verbod voor en van vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten, waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn.

B

Artikel 4.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.64 (aanvullende vrijstellingen ontgrondingsactiviteit)

  • 1

    In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, niet als de grondlagen dieper dan drie meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven en niet meer dan zowel 3.000 kubieke meter aan volume als 3.000 vierkante meter aan oppervlakte wordt ontgraven.

  • 2

    In afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het eerste lid geldt geen vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van een plein, park, plantsoen, tuin, sportterrein, woningbouwterrein, parkeerterrein, speelterrein, industrieterrein, weg, spoorweg of luchthaven als de grondlagen dieper dan drie meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.

  • 3

    In aanvulling op artikel 16.7, aanhef en onder g, onder 1°, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt geen vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit voor een noodzakelijke voorlandverbetering voor een dijk, met uitzondering van dijken die geen waterkerende functie hebben.

  • 4

    Voor de gevallen, genoemd in artikel 16.7, aanhef en onder h, van het Besluit activiteiten leefomgeving en het eerste lid, geldt geen vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit voor het aanbrengen van een afdichtende kleilaag tot vier en een halve meter diep waarbij het uiteindelijke opleveringspeil ten hoogste drie meter beneden het oorspronkelijke maaiveld ligt.

  • 5

    In aanvulling op, en zo nodig in afwijking van, artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt geen vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit voor een sanering als bedoeld in de Wet bodembescherming of artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving.

C

Artikel 4.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.65 (melding ontgrondingsactiviteit)

Het is verboden een ontgrondingsactiviteit te verrichten waarvoor op grond van artikel 16.7, aanhef en onder b, c, g, onder 1°, h of j, van het Besluit activiteiten leefomgeving of op grond van artikel 4.64, eerste lid, geen vergunningplicht geldt en waar 1.000 kubieke meter of meer wordt ontgraven zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan aan Gedeputeerde Staten te melden.

D

Na hoofdstuk 4 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 4a Stikstofreductiegebied

Artikel 4a.1 (oogmerk en toepassingsbereik regels reductie emissie stikstof)

  • 1

    De regels in dit hoofdstuk over het beperken van emissies in de lucht van stikstofverbindingen binnen het stikstofreductiegebied zijn opgenomen met het oog op natuurbescherming.

  • 2

    Als 50% of meer van de totale stikstofemissie van een bedrijf uit emissiepunten komt die binnen het stikstofreductiegebied zijn gelegen, dan is dit hoofdstuk van toepassing op het hele bedrijf.

  • 3

    In afwijking van het tweede lid geldt voor agrarische bedrijven dat:

    • a.

      als 50% of meer van de totale stikstofemissie van een dierenverblijf uit emissiepunten komt die binnen het stikstofreductiegebied zijn gelegen, dan is dit hoofdstuk van toepassing op het hele dierenverblijf;

    • b.

      als een kadastraal perceel landbouwgrond voor 50% binnen het stikstofreductiegebied ligt, dan is dit hoofdstuk van toepassing op het gehele kadastrale perceel; en

    • c.

      als een dierenverblijf of landbouwgrond op een ander kadastraal perceel van hetzelfde veehouderijbedrijf buiten het stikstofreductiegebied ligt, is dit hoofdstuk daarop niet van toepassing.

Artikel 4a.2 (regels reductie emissie stikstof: stookinstallaties)

  • 1

    Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van stookinstallaties als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving en op kleinere stookinstallaties met een totaal geïnstalleerd nominaal thermisch ingangsvermogen van 400 kW of meer.

  • 2

    Met ingang van 1 januari 2027 geldt een verbod op de emissie van stikstofoxiden in de lucht bij het in gebruik nemen en exploiteren van een extra stookinstallatie binnen het stikstofreductiegebied.

  • 3

    Met ingang van 1 januari 2035 worden bij het exploiteren van een stookinstallatie binnen stikstofreductiegebied in afwijking van de paragrafen 4.3, 4.126, 4.127 en 5.4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor de emissie van stikstofoxiden in de lucht de volgende waarden in acht genomen:

    • a.

      voor ketels gestookt op aardgas een emissiegrenswaarde van 40 mg/Nm3 bij een zuurstofgehalte van 3%;

    • b.

      voor gasmotoren een emissiegrenswaarde van 35 mg/Nm3 bij een zuurstofgehalte van 15%;

    • c.

      voor ketels gestookt op biomassa een reductie van minimaal 60% ten opzichte van voor die installaties in de paragrafen 4.3, 4.126, 4.127 en 5.4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangegeven emissiegrenswaarde, voor zover die paragrafen op deze ketels van toepassing zijn;

    • d.

      voor andere typen stookinstallaties en stookinstallaties op andere brandstoffen minimaal 40%-reductie ten opzichte van voor die typen installaties of brandstoffen in de paragrafen 4.3, 4.126, 4.127 en 5.4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangegeven emissiegrenswaarde.

  • 4

    In afwijking van het derde lid voldoet een grote stookinstallatie minimaal aan de onderkant van de BBT GEN-range als die emissiegrenswaarde strenger is dan de in het derde lid voor die stookinstallatie aangegeven waarde.

Artikel 4a.3 (regels reductie emissie stikstof: gasverbruik)

Onverminderd artikel 4a.2 vermindert degene die een milieubelastende activiteit verricht, waarop paragraaf 5.4.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, het energiegebruik van die milieubelastende activiteit, uitgedrukt in kubieke meters aardgasequivalent en gemeten over enig kalenderjaar, met 35% ten opzichte van het energieverbruik over het kalenderjaar 2017.

Artikel 4a.4 (tijdelijke regels reductie emissie stikstof: vestigingsverbod veehouderij)

  • 1

    Het is verboden om binnen het stikstofreductiegebied een veehouderijbedrijf of veehouderijtak nieuw te vestigen.

  • 2

    Dit verbod geldt totdat het omgevingsplan, bedoeld in artikel 5.83a, onherroepelijk is.

Artikel 4a.5 (tijdelijke regels reductie emissie stikstof: uitbreidingsverbod veehouderij)

  • 1

    Het is verboden om binnen het stikstofreductiegebied een niet-grondgebonden veehouderijtak uit te breiden.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan één van de criteria, genoemd in artikel 4a.7.

  • 3

    Dit verbod geldt totdat het omgevingsplan, bedoeld in artikel 5.83a, onherroepelijk is.

Artikel 4a.6 (regels reductie emissie stikstof: stalmodernisering)

  • 1

    Uiterlijk op 1 januari 2035 is de ammoniakemissie van elk dierenverblijf van een veehouderij gelegen binnen het stikstofreductiegebied met minimaal de in de bijlage Tabel reductiefactor per diercategorie aangegeven reductiefactor gereduceerd tot de plafondwaarde, uitgaande van:

    • a.

      het feitelijk aantal gehouden dieren op 23 april 2025; of

    • b.

      het maximum aantal gehouden dieren in het kalenderjaar 2024 als een veehouder aannemelijk maakt dat het feitelijk aantal aanwezige dieren op 23 april 2025 niet representatief is.

  • 2

    De ammoniakemissie wordt berekend volgens de rekenregels in artikel 4.6 van de Omgevingsregeling.

  • 3

    De plafondwaarde wordt berekend volgens de rekenregels in de bijlage Bepaling plafondwaarde veehouderij.

  • 4

    De reductie tot de plafondwaarde wordt bereikt door:

    • a.

      aanpassing van het huisvestingssysteem, bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling; 

    • b.

      toepassing van aanvullende technieken als bedoeld in bijlage VI van de Omgevingsregeling; 

    • c.

      reductie van het feitelijk aantal gehouden dieren; of

    • d.

      reductie van de emissie op basis van een andere, landelijk erkende en juridisch geborgde wijze.

  • 5

    Als een veehouderij over meerdere dierenverblijven binnen het stikstofreductiegebied beschikt, mogen de plafondwaarden van deze dierenverblijven onderling verrekend worden, zolang de totale plafondwaarde voor die gezamenlijke dierenverblijven niet wordt overschreden.

  • 6

    Het eerste lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan één van de criteria, genoemd in artikel 4a.7.

Artikel 4a.7 (regels reductie emissie stikstof: criteria vrijstelling)

  • 1

    Een veehouderij is vrijgesteld van het verbod, bedoeld in artikel 4a.5, eerste lid, of de verplichting, bedoeld in artikel 4a.6, eerste lid, als:

    • a.

      het bedrijf biologisch gecertificeerd is;

    • b.

      de veebezetting op bedrijfsniveau lager ligt dan 1,5 GVE/ha;

    • c.

      een beheersovereenkomst voor agrarisch natuurbeheer is gesloten voor minimaal 20% van de gronden  waar de veehouder rechten op heeft;

    • d.

      gedurende minimaal 3020 uur per melkkoe per jaar weidegang wordt toegepast; of

    • e.

      er per kalenderjaar sprake is van  tijdelijke leegstand van de  huisvesting gedurende minimaal 18 weken per jaar.

  • 2

    Jaarlijks voor 1 april verstrekt degene die binnen het stikstofreductiegebied een veehouderij exploiteert gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten waaruit blijkt dat is voldaan aan het eerste lid.

Artikel 4a.8 (regels reductie emissie stikstof: verbod toepassing stikstofkunstmest)

Met ingang van 1 januari 2030 geldt een verbod om stikstofkunstmest op of in de bodem te brengen binnen het stikstofreductiegebied, met uitzondering van de toepassing van stikstofkunstmest bij het bemesten van een tuin bij een particulier huishouden.

Artikel 4a.9 (regels reductie emissie stikstof: verbod omzetten en scheuren grasland)

  • 1

    Binnen het stikstofreductiegebied wordt vanaf 23 oktober 2026 op weidegronden met blijvend en natuurlijk grasland de zode van gras niet vernietigd.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing in de periode van 11 mei tot en met 31 augustus als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint.

Artikel 4a.10 (regels reductie emissie stikstof: beperking stikstofemissie bij gebruik mobiele werktuigen)

  • 1

    Bij het bedrijfsmatig gebruik van mobiele werktuigen binnen het stikstofreductiegebied worden vanaf 1 januari 2035 de eisen op het minimumniveau voor periode 4, bedoeld in paragraaf 3.6 en tabel 8 van de routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen, in acht genomen.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid worden bij een publieke opdrachtgever:

    • a.

      vanaf 1 januari 2028 de eisen op tenminste het basisniveau voor periode 3, bedoeld in paragraaf 3.6 en tabel 9 van de routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen, in acht genomen;

    • b.

      vanaf 1 januari 2030 de eisen op het ambitieuze niveau voor periode 4, bedoeld in paragraaf 3.6 en de tabellen 10 en 12 van de routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen, in acht genomen.

  • 3

    Dit artikel is niet van toepassing op het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.19a van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

E

Artikel 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.2 (geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van afwijkingsmogelijkheden)

  • 1

    De artikelen 1.6 en 1.7 zijn niet van toepassing op:

    • a.

      de paragrafen paragraaf 5.2.4, 5.4.1 en 5.4.2;

    • b.

      de artikelen 5.9, 5.10 en 5.11; en

    • c.

      afdeling 5.5.

  • 2

    Artikel 1.6 is van toepassing op afdeling 5.4 voor zover:

    • a.

      het gaat om activiteiten die in overeenstemming zijn met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed; en

    • b.

      rekening wordt gehouden met de nader uitgewerkte kernkwaliteiten, bedoeld in de artikelen 5.46 of 5.49.

F

Na artikel 5.62 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.62a (aanwijzing woningbouwregio’s)

De binnen de provincie Gelderland gelegen gemeenten worden ingedeeld in de volgende woningbouwregio’s:

G

Artikel 5.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.63 (regionale afspraken wonen)

  • 1

    Per regiowoningbouwregio maken Gedeputeerde Staten samen met de gemeentebesturen afspraken over:

    • a.

      het aantal te realiseren woningen;

    • b.

      het aandeel betaalbare woningen;

    • c.

      het toewerken naar voldoende plancapaciteit;

    • d.

      het toekomstbestendig realiseren van woningen en woonwijken;

    • e.

      de ontwikkeling van de bestaande woningvoorraad; en

    • f.

      de huisvesting van aandachtsgroepen, inclusief ouderen.

  • 2

    Deze regionale woonafspraken worden ten minste eenmaal in de vier jaar geactualiseerd en worden voorts tussentijds geactualiseerd zodra gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.

H

Artikel 5.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.64 (doorwerking regionale woonafspraken)

  • 1

    Een omgevingsplan laat nieuwe woningen alleen toe als die ontwikkeling past binnen de regionale woonafspraken.

  • 2

    Als een ontwikkeling niet past binnen de regionale woonafspraken, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonafspraken die ontwikkeling toch toelaten als:

    • a.

      de gemeentebesturen in de regiowoningbouwregio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en

    • b.

      Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen.

I

Artikel 5.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.69 (inhoud regionaal programma werklocaties)

  • 1

    Het regionaal programma werklocaties geeft voor de werklocaties binnen de regio inzicht in:

    • a.

      de toekomstbestendigheid van de bestaande voorraad;

    • b a.

      het profiel van de bestaande werklocaties en de onderlinge complementariteitvoorraad, zowel qua;

      • 1.

        toekomstbestendigheid;

      • 2.

        kansen voor ruimtelijk en functioneel beter benutten; als

      • 3.

        het profiel van de bestaande werklocaties en de onderlinge complementariteit;

    • c b.

      de toekomstige vraag, rekening houdend met trends en bestaande knelpunten bij bedrijven, zowel kwalitatief als kwantitatief; en

    • d c.

      de verhouding tussen vraag en aanbod, zowel kwalitatief als kwantitatief.

  • 2

    Het regionaal programma werklocaties bevat een visie op en afspraken over:

    • a.

      het gewenste economisch profiel van de regio en de regionale meerwaarde van bedrijven;

    • b.

      het beschermen en behouden van de bestaande voorraad aan oppervlakte en milieugebruiksruimte inclusief compensatie bij verlies daarvan;

    • b c.

      het juiste bedrijf op de juiste plek; en functiemenging of ontmenging; 

    • d.

      profiel van de werklocaties en onderlinge complementariteit;

    • e.

      ruimtelijk en functioneel beter benutten van werklocaties;

    • c f.

      het toekomstbestendig maken van de bestaande voorraad en de ontwikkeling van nieuwe werklocaties.;

    • g.

      zorgen voor voldoende fysieke en milieugebruiksruimte voor werken en het in evenwicht houden van vraag en aanbod, zowel kwalitatief als kwantitatief;

    • h.

      de randvoorwaarden waaronder nieuwe werklocaties kunnen worden ontwikkeld, met in ieder geval de volgende uitgangspunten:

      • 1.

        de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

      • 2.

        het juiste bedrijf op de juiste plek en een duidelijk economisch profiel;

      • 3.

        een integrale locatiekeuze en een goede landschappelijke inpassing;

      • 4.

        een toekomstbestendige inrichting van het terrein;

    • i.

      zoekgebieden voor grootschalige bedrijvigheid;

    • j.

      de rolverdeling en procedure bij de besluitvorming over nieuwe initiatieven; en

    • k.

      de monitoring.

  • 3

    Het regionaal programma werklocaties bevat afspraken over:

    Een toekomstbestendige inrichting van een nieuwe werklocatie vraagt in ieder geval aandacht voor:

    • a.

      het toekomstbestendig maken van de bestaande voorraad aan werklocaties organiserend vermogen; 

    • b.

      de gewenste toevoegingen aan de bestaande voorraad aan werklocaties intensief en meervoudig ruimtegebruik; 

    • c.

      het in evenwicht houden van vraag naar en aanbod van werklocaties;

      energietransitie en netbewust bouwen; 

    • d.

      de randvoorwaarden waaronder nieuwe initiatieven kunnen worden ontwikkeld, met in ieder geval de volgende uitgangspunten:

      circulariteit; 

      • 1.

        de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

      • 2.

        het juiste bedrijf op de juiste plek; en

      • 3.

        een, met name qua duurzaamheid, toekomstbestendige inrichting van het terrein;

    • e.

      de rolverdeling en procedure bij de besluitvorming over nieuwe initiatieven; en

      biodiversiteit en klimaatadaptatie; 

    • f.

      de monitoring. waterbeschikbaarheid en waterkwaliteit; 

    • g.

      mobiliteit en laadinfrastructuur; en

    • h.

      weerbaarheid.

  • 4

    Als in een regionaal programma werklocaties afspraken worden gemaakt over detailhandelsvoorzieningen, wordt bij die afspraken paragraaf 5.7.3 betrokken.

J

Na artikel 5.71 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.71a beschermen milieugebruiksruimte bedrijventerreinen voor hoogste milieucategorie

  • 1

    Een omgevingsplan kan de capaciteit en oppervlakte van een bedrijventerrein alleen verminderen als die ontwikkeling past binnen het vastgestelde regionaal programma werklocaties.

  • 2

    Een omgevingsplan kan de op een bedrijventerrein aan een milieubelastende activiteit met de hoogste milieucategorie toegekende bedrijfskavel, oppervlakte, zone of maximale milieugebruiksruimte alleen beperken als die ontwikkeling past binnen het vastgestelde regionaal programma werklocaties.

  • 3

    Als een ontwikkeling als bedoeld in het eerste of tweede lid niet past binnen het regionaal programma werklocaties, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van het programma die ontwikkeling toch toelaten als:

    • a.

      door de gemeente een compensatieplan is opgesteld;

    • b.

      gemeentebesturen in de regio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze over die ontwikkeling en het compensatieplan naar voren te brengen; en

    • c.

      Gedeputeerde Staten met die ontwikkeling en het compensatieplan instemmen.

  • 4

    In het tweede lid wordt onder een milieubelastende activiteit met de hoogste milieucategorie verstaan een activiteit:

    • a.

      met een milieucategorie 4.1 of hoger als bedoeld in de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering uit 2009;

    • b.

      vastgelegd in een geluidzone 4 of een geurzone 3 als bedoeld in de VNG-handreiking Milieuzonering nieuwe stijl uit 2019; of

    • c.

      vastgelegd in een zone verruimd voor geluid of geur, als bedoeld in de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024.

K

Na artikel 5.83 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.83a (verbod omgevingsplan nieuwvestiging en uitbreiding veehouderij binnen het stikstofreductiegebied)

De gemeenteraad stelt uiterlijk op het in artikel 22.4 van de Omgevingswet bedoelde tijdstip bij omgevingsplan regels over de veehouderij binnen stikstofreductiegebied met dezelfde strekking als de artikelen 4a.4 en 4a.5.

L

Artikel 5.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.85 (klimaatadaptatie)

  • 1

    Voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijvinganalyse van de maatregelenvoor die activiteit of voorzieningen die worden getroffen om deontwikkeling redelijkerwijs te verwachten risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.

  • 2

    In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:

    De risicoanalyse gaat in ieder geval in op de volgende thema's:

    • a.

      waterveiligheid;

    • b.

      wateroverlast;

    • c.

      droogte; en

    • d.

      hitte. bodemdaling;

    • e.

      hitte; en

    • f.

      natuurbranden.

  • 3

    De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.

    Bij het opstellen van de risicoanalyse wordt de Handreiking toekomstbestendig bouwen betrokken.

  • 4

    Voor de relevante risico’s die in de risicoanalyse zijn vastgesteld, bevat het omgevingsplan een beschrijving van de maatregelen ter voorkoming, beperking dan wel beheersing daarvan.

  • 5

    Het gemeentebestuur stelt het dagelijks bestuur van het betreffende waterschap in de gelegenheid advies uit te brengen over de risicoanalyse, de risico’s en de maatregelen.

  • 6

    Het gemeentebestuur stelt de veiligheidsregio in de gelegenheid advies uit te brengen over de risicoanalyse, de risico’s en de maatregelen met betrekking tot het onderdeel natuurbranden.

M

Artikel 5.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.86 (toepassingsbereik en oogmerk instructieregels over energietransitie)

  • 1

    Deze paragraaf is, met uitzondering van de artikelen 5.96 en 5.97, niet van toepassing op:

    • a.

      een zonnepark tot en met een vermogen van 15 kilowattpiek; of

    • b.

      een erfmolen voor eigen gebruik met een tiphoogte tot en met 35 meter.

  • 2

    Deze paragraaf is opgenomen met het oog op:

    • a.

      de bijdrage van zonne- en windenergie aan de energietransitie;

    • b.

      zorgvuldig ruimtegebruik; en

    • c.

      het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.

N

Het opschrift van artikel 5.90a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.90a 5.91 (ruimtelijke inpassing zonneparken)

O

Artikel 5.91 wordt geplaatst na artikel 5.90a. Het opschrift van artikel 5.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.91 5.92 (ruimtelijke inpassing windturbines)

P

Na artikel 5.91 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 5.93 (afstandsnorm nieuwe windturbines)

  • 1

    Onverminderd artikel 5.92 laat een omgevingsplan een nieuwe windturbine alleen toe als de afstand tussen de windturbine en een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving meer bedraagt dan twee keer de tiphoogte.

  • 2

    De afstand wordt gemeten van het midden van de voet van de windturbine:

    • a.

      tot de gevel van een geluidgevoelig gebouw;

    • b.

      voor nieuw te bouwen gebouwen: tot de locatie waar een gevel mag komen; of

    • c.

      tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.

Artikel 5.94 (uitzonderingen afstandsnorm nieuwe windturbines)

Artikel 5.93 is niet van toepassing als:

  • a.

    de locatie voor een windturbine en het geluidsgevoelig gebouw op hetzelfde bedrijven- of industrieterrein of binnen een afstand van twee keer de tiphoogte van dezelfde grens van een bedrijven- of industrieterrein zijn gelegen;

  • b.

    de locatie voor een windturbine en het geluidsgevoelig gebouw binnen een afstand van twee keer de tiphoogte van de rand van een rijksweg zijn gelegen;

  • c.

    er sprake is van een geluidgevoelig gebouw binnen de afstand van twee keer de tiphoogte van de windturbine en dat gebouw een functionele binding heeft met de windturbine of op die locatie is toegelaten voor een duur van ten hoogste tien jaar; of

  • d.

    er sprake is van vervanging van een bestaande windturbine.

Q

Artikel 5.90b wordt geplaatst na artikel 5.94. Artikel 5.90b wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.90b 5.95 (participatie bij de aanleg van een wind- of zonnepark)

  • 1

    Als een omgevingsplan de aanleg van een wind- of zonnepark in het buitengebied mogelijk maakt, besteedt de toelichting aandacht aan de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de procedurele en financiële participatie door omwonenden.

  • 2

    In de toelichting wordt in ieder geval aangegeven:

    • a.

      hoe en wanneer initiatiefnemer gewerkt heeft aan het verkrijgen van draagvlak bij de omwonenden;

      welke inspanningen initiatiefnemer heeft verricht om mede-eigendom ten aanzien van de voorgenomen installatie en de exploitatie daarvan te bevorderen;

    • b.

      welk percentage mede-eigendom is overeengekomen; en

    • b c.

      de mate waarin en de wijze waarop is gestreefd naar minimaal 50% financiële participatie door omwonenden en het resultaat daarvan.

      voor zover minder dan 50 procent mede-eigendom is overeengekomen, wat de redenen daarvan zijn en of er andere vormen van financiële participatie zijn overeengekomen.

R

Na artikel 5.90b worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 5.96 (kleinschalige energie-opwek voor eigen gebruik)

  • 1

    Een omgevingsplan laat in het buitengebied een zonnepark tot en met een vermogen van 15 kilowattpiek alleen toe op een locatie met de functie wonen of een agrarisch bouwvlak.

  • 2

    Een omgevingsplan laat een erfmolen met een maximale tiphoogte van 35 meter alleen toe binnen een agrarisch bouwvlak of een bouwvlak van een ander type bedrijf en als die erfmolen is voorzien van drie wieken.

Artikel 5.97 (stilstandverplichting bij erfmolens)

  • 1

    Bij toepassing van artikel 5.96, tweede lid, bevat het omgevingsplan met het oog op de bescherming van vleermuizen bij een afstand tussen de erfmolen en bouwwerken, landschapselementen of groenstructuren:

    • a.

      gelijk aan of groter dan 25 meter: een stilstandverplichting in de periode van 1 april tot 1 november tussen zonsondergang en zonsopkomst;

    • b.

      kleiner dan 25 meter: een volledige stilstandverplichting in de periode van 1 mei tot 1 augustus.

  • 2

    Het omgevingsplan bepaalt dat de stilstandverplichting, bedoeld in het eerste lid, onder a, niet van toepassing is tijdens de volgende weersomstandigheden:

    • a.

      bij avond- en nachttemperaturen lager dan 12 graden;

    • b.

      bij windsnelheden op ashoogte hoger dan of gelijk aan 6 meter per seconde; of

    • c.

      bij regen boven een hoeveelheid van 3 millimeter per uur.

  • 3

    Bij toepassing van artikel 5.96, tweede lid, bevat het omgevingsplan met het oog op de bescherming van vogelsoorten een stilstandverplichting in de periode van 15 maart tot 15 september tussen zonsopkomst en zonsondergang.

  • 4

    Een stilstandverplichting kan achterwege blijven als met een ecologisch onderzoek is aangetoond dat die verplichting niet nodig is ter bescherming van vleermuizen of vogels.

S

Na paragraaf 5.7.7 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 5.7.8 Netcongestie

Artikel 5.98 (oogmerk instructieregels netcongestie en toekomstig energiesysteem)

  • 1

    Deze paragraaf is opgenomen met het oog op:

    • a.

      het doelmatig gebruik van elektriciteit in relatie tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ter vervulling van maatschappelijke behoeften;

    • b.

      het bereiken van een energiebewuste inrichting en doelmatig gebruik van de fysieke leefomgeving;

    • c.

      het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in samenhang met het voorkomen en verminderen van netcongestie.

  • 2

    Voor zover deze paragraaf van toepassing is op het produceren, transporteren, opslaan of leveren van elektriciteit zijn de regels niet gesteld met het oog op de energievoorziening.

Artikel 5.99 (oogmerk en toepassingsbereik instructieregel netbewuste woningbouw)

  • 1

    Artikel 5.100 is gesteld met het oog op:

    • a.

      het doelmatig en zuinig gebruik van elektriciteit tijdens piekmomenten door nieuwe woningbouw;

    • b.

      een evenwichtige en toekomstbestendige woningvoorraad;

    • c.

      het voorkomen of beperken van vertraging in de woningbouwopgave door netcongestie.

  • 2

    Artikel 5.100 is van toepassing op nieuwe woningbouwactiviteiten die tot belasting van de elektriciteitsinfrastructuur leiden.

Artikel 5.100 (instructieregel netbewuste woningbouw)

  • 1

    Voor zover een omgevingsplan een nieuwe woningbouwontwikkeling toelaat, wordt:

    • a.

      het netbudget voor netbewuste woningbouw, bedoeld in de bijlage Netbewuste woningbouw, in acht genomen;

    • b.

      voor die woningbouwontwikkeling bepaald of een bodemenergiesysteem kan worden toegepast.

  • 2

    Bij het beoordelen of een woningbouwontwikkeling aan het netbudget voldoet zijn de rekenregels in de bijlage Netbewuste woningbouw van toepassing.

  • 3

    Het omgevingsplan kan het netbudget en de rekenregels niet aanvullen of versoepelen.

Artikel 5.101 (regionaal programma netbewust prioriteren)

  • 1

    Voor de gemeenten of delen daarvan die door één verdeelstation van elektriciteit worden voorzien en waarvoor netcongestie is aangekondigd, stellen de betrokken gemeentebesturen en Gedeputeerde Staten in afstemming met de netbeheerder een regionaal programma op, waarin afspraken worden gemaakt over de prioritering van nieuwe projecten en andere ontwikkelingen met het oog op een duurzaam gebruik van de daarvoor benodigde en beschikbare netcapaciteit.

  • 2

    Het regionaal programma netbewust prioriteren bevat in ieder geval afspraken over de prioritering van ruimtelijke ontwikkelingen, gelet op:

    • a.

      de maatschappelijke behoefte aan de desbetreffende ruimtelijke ontwikkelingen; en

    • b.

      de voor die ruimtelijke ontwikkelingen beschikbare en benodigde netcapaciteit, gelet op de totale elektriciteitsvraag in de regio.

  • 3

    Een regionaal programma netbewust prioriteren wordt eenmaal in de vier jaar geactualiseerd en wordt voorts tussentijds geactualiseerd zodra gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Artikel 5.102 (doorwerking regionaal programma in omgevingsplan)

  • 1

    Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als aan die ontwikkeling prioriteit is toegekend in het regionaal programma netbewust prioriteren.

  • 2

    Als een nieuwe ontwikkeling niet past binnen het regionaal programma netbewust prioriteren, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van het programma die ontwikkeling toch toelaten als:

    • a.

      de betrokken gemeentebesturen in die regio en de netbeheerder in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en

    • b.

      Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen.

T

Artikel 6.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.19 (regionale programma's)

  • 1

    Als naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in een regio de woonafspraken niet tijdig worden geactualiseerd of bij het opstellen van die afspraken onvoldoende rekening is gehouden met de inhoudelijke eisen gesteld in artikel 5.63, eerste lid, kunnen Gedeputeerde Staten de woonafspraken voor die regio wijzigen.

  • 2

    Als naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in een regio een regionaal programma werklocaties niet tijdig wordt geactualiseerd, of bij het opstellen van het programma onvoldoende rekening is gehouden met de inhoudelijke eisen gesteld in artikel 5.69, kunnen Gedeputeerde Staten het programma voor die regio wijzigen.

  • 3

    Als naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in een regio een regionaal programma energiestrategie niet tijdig wordt opgesteld of  geactualiseerd, of bij het opstellen van het programma onvoldoende rekening is gehouden met de inhoudelijke eisen gesteld in het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie of artikel 5.87, kunnen Gedeputeerde Staten zelf het programma voor die regio wijzigen.

  • 4

    Als naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in een regio een regionaal programma netbewust prioriteren niet tijdig wordt opgesteld of geactualiseerd, of bij het opstellen van het programma onvoldoende rekening is gehouden met de inhoudelijke eisen gesteld in artikel 5.101, kunnen Gedeputeerde Staten zelf het programma voor die regio opstellen of wijzigen.

  • 4 5

    Gedeputeerde Staten maken van hun bevoegdheid alleen gebruik, nadat zij de bij het regionale programma betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, andere deelnemende partijen een redelijke termijn hebben gegeven om het programma alsnog op te stellen, te actualiseren of de kwaliteit daarvan te verbeteren.

U

Na paragraaf 7.2.7 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.2.8 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning: bodemenergiesysteem

Artikel 7.16b (masterplan bodemenergie)

  • 1

    Gedeputeerde Staten kunnen voor een interferentiegebied een masterplan bodemenergie vaststellen.

  • 2

    Het masterplan bodemenergie bevat ordeningsregels per type bodemenergiesysteem en geeft inzicht in:

    • a.

      de verwachte vraag naar bodemenergie;

    • b.

      de motivering van de gekozen ordening van de verschillende typen bodemenergiesystemen;

    • c.

      de belangen die mogelijk invloed kunnen ondervinden van de installatie van bodemenergiesystemen in het plangebied; en

    • d.

      de mogelijke hydrologische en thermische effecten van de uitvoering van het masterplan bodemenergie.

  • 3

    Bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bodemenergiesysteem wordt rekening gehouden met het door Gedeputeerde Staten vastgestelde masterplan bodemenergie.

  • 4

    Een omgevingsvergunning voor een bodemenergiesysteem wordt geweigerd als het aangevraagde bodemenergiesysteem in strijd is met de ordeningsregels uit het masterplan bodemenergie.

V

Na paragraaf 7.3.2 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.3.3 Meldingen voor ontgrondingsactiviteiten

Artikel 7.18a (termijn melding ontgrondingsactiviteit)

Binnen twee jaar na melding van een ontgrondingsactiviteit zijn de werkzaamheden uitgevoerd.

W

Artikel 7.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.27 (beoordelingsregel maatwerkvoorschrift herbeplanting op andere grond)

  • 1

    Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 11.130, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving bij maatwerkvoorschrift toestaan dat herbeplanting op andere grond plaatsvindt als:

    • a.

      de te vellen of tenietgegane houtopstand wordt vervangen door heide, schraalland, een poel of een biotoop voor bijzondere planten of dieren;

    • b.

      de te vellen of tenietgega​​ne houtopstand gelegen is in een boskern, bestaande uit een aaneengesloten complex van houtopstanden met een oppervlakte van ten minste vijf hectare, en de herbeplanting op andere grond een uitbreiding van diezelfde boskern of een elders gelegen boskern van die omvang tot stand brengt;

    • c.

      de houtopstand geveld wordt of tenietgaat ter uitvoering van een ruimtelijke ingreep in overeenstemming met een onherroepelijk omgevingsplan, of

    • d.

      de herbeplanting op andere grond een gunstigere invloed heeft op het landschap dan herbeplanting op dezelfde grond.

  • 2

    Gedeputeerde Staten staan herbeplanting op andere grond niet toe als:

    • a.

      de andere grond is gelegen buiten de provincie Gelderland;

    • b.

      op de andere grond al sprake is van een verplichting tot herbeplanting, compensatie of mitigerende maatregelen op grond waarvan bomen worden aangeplant;

    • c.

      voor herbeplanting op de andere grond subsidie is aangevraagd voor de aanplant van houtopstanden;

    • d.

      de herbeplanting op andere grond een negatief effect heeft op de beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden in het gebied waarin de andere grond is gelegen;

    • e.

      de gevelde of tenietgegane houtopstand een landschapselement betreft of een andere kleine houtopstand met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie;

    • f.

      de gevelde of tenietgegane houtopstand bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in de wet; of

    • g.

      de gevelde of tenietgegane houtopstand op een locatie stond waar:

      • 1.

        een oude bosgroeiplaats ligt; en

      • 2.

        het landgebruik sinds 1832 zonder onderbrekingen uit bos heeft bestaan.

  • 3

    Het tweede lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing bij een gevelde of tenietgegane houtopstand op een locatie waar een oude bosgroeiplaats ligt buiten Natura 2000-gebied en het Gelders natuurnetwerk als::

    • a.

      in de toelichting bij het omgevingsplan wordt gemotiveerd dat maatschappelijke belangen deze locatiekeuze voor een functiewijziging rechtvaardigen; en

    • b.

      wordt aangetoond dat:

      • 1.

        de oude bosgroeiplaats niet actueel wordt gedomineerd door inheemse loofbomen;

      • 2.

        de oude bosgroeiplaats niet groter is dan 1 hectare; en

      • 3.

        de gevelde of tenietgegane houtopstand op die locatie ten hoogste 50 jaar oud is.

  • 3 4

    De herbeplanting op andere grond vindt plaats door:

    • a.

      fysieke compensatie zo dicht mogelijk bij het aangetaste gebied; of

    • b.

      gebruik te mak​​en van een compensatiepool als bedoeld in artikel 5.13, als:

      • 1.

        voldoende grond beschikbaar is als bedoeld in bijlage Compensatiepool Gelders natuurnetwerk;

      • 2.

        een nader te bepalen vergoeding aan de provincie wordt betaald; en

      • 3.

        de omvang van de tenietgegane houtopstand, inclusief eventuele hectaretoeslag, kleiner is dan 0,5 hectare.

X

Artikel 9.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.7 (overgangsrecht aanleg zonneparkafstandsnorm nieuwe windturbines)

Artikel 5.90 is niet van toepassing op een project voor de aanleg van een zonnepark, waarvan het participatietraject op 19 december 2023 al in een vergevorderd stadium was.

Artikel 5.93 is niet van toepassing op een project voor de aanleg van een windturbine, waarvan het ontwerpbesluit voor de planologische medewerking aan de locatie voor die windturbine vóór 1 juli 2025 ter inzage is gelegd.

Y

Het opschrift van artikel 9.8   wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.8   (citeertitel)

Z

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe

/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_caf47c28fb3842d69a8607fcefba3e05/nld@2025‑02‑19;1

aanvoergebied vanuit het IJsselmeergebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_ff96d5fab5494c7485b9dd8eafab212e/nld@2023‑11‑30;1

ammoniakbuffergebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_eaa137425cc74000aeee2c041f88f48f/nld@2023‑11‑30;1

Arkervaart

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_68630c202abb459c84255eb4f552233c/nld@2023‑11‑30;1

beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_a3be227602c9420c8ed748b6cdbc35af/nld@2025‑04‑24;5

beperkingengebied zorgplicht provinciale weg

/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_53c5553992af44218c238977f05041da/nld@2025‑04‑24;2

beschermingszone natte landnatuur

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_9c797eb338eb435e828fccf77bafaa1d/nld@2025‑11‑12;3

boringsvrije zone

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_93bbf858b5004aecbc3b647e1493a27c/nld@2025‑02‑20;3

bufferzone van de Neder-Germaanse Limes

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_58ce8ddf32b248a1ad1e226bb625e378/nld@2023‑11‑30;1

de Linge

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_5a1f87e6cfee4378a655345a7324f882/nld@2023‑11‑30;1

de Oude IJssel

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_42ea711d1ebb41d3a91630e67ad80158/nld@2023‑11‑30;1

dijktraject 1 op 30

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_72769de6d6dc4ef3a389a2d6f3412fd5/nld@2025‑04‑18;1

dijktraject 1 op 100

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_17029035d5fe4668946ca30d5137a93e/nld@2025‑04‑18;1

dijktraject 1 op 300

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_09769f9e6f7a43868e8e04fe4166028a/nld@2025‑04‑18;1

dijktraject 1 op 1250

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_ce4aca0df64c4fe0978697663415d411/nld@2025‑04‑18;1

dijktraject handhaven huidige situatie

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_350082e32c414b8dac71ce0c049b3f7e/nld@2025‑04‑18;1

ganzenrustgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_826c6a5e3dae4c4cac6502b6c4e1a537/nld@2025‑02‑20;3

gekanaliseerde Linge

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_bd6bfb96a1054434840a0ce5c754a6c3/nld@2023‑11‑30;1

Gelders natuurnetwerk

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_5210fd6845e344ed99757a637297b5c8/nld@2025‑11‑12;7

Gelders natuurnetwerk windturbines onder voorwaarden mogelijk

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_7a68dbbc4a7f4096922ed57956f5b1de/nld@2025‑02‑20;4

Gelderse streek Achterhoek

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_a5fb298441934b46b424e0c1359acc3b/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_8fc835adde4b478697d854df18f32804/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Bommelerwaard

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_1fa6c0f45f6e4d069c8346506be88350/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Gelderse Vallei

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_c458f7e4e95d420085cd39282876a4c4/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek IJsselvallei

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_4114b266a66f4eb38dee9467b2a8deea/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Land van Maas en Waal

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_c1b8ea843bae4ad38f0907c6482134fa/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Liemers

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_724a8f9662a24c13923fbee470a46a69/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Over-Betuwe

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_502af37844614e65b08c8edf27e335e3/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Randmeerkust

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_ff382f9498ba4072a1645ad66bfef01c/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Rijk van Nijmegen

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_59725e7f19aa4bdbbf1e6e6e862a3cea/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Veluwe

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_c31337e4e90540cf9a2dbba7f3da44eb/nld@2023‑11‑30;1

gesloten stortplaats

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_61f3f83a58a34e55ae61618869b39510/nld@2023‑11‑30;1

glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_887f9fb4534341e0a500ce20d0b48286/nld@2025‑02‑20;2

glastuinbouwontwikkelingsgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_2fa1310b26ac40e6b51e6689a690511a/nld@2025‑02‑20;2

Groene ontwikkelingszone

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_418949736ee5474ca4fd00f77860f33c/nld@2025‑11‑12;6

grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_c34a242588074cb7b03ad4bae6b4f95e/nld@2025‑11‑12;4

Hollandse Waterlinies

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_c17cab080b8d41aab547cf95f8833cbf/nld@2023‑11‑30;1

intrekgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_a644fe058a3b482e88f0ff40327f0fed/nld@2025‑02‑20;3

kernzone van de Neder-Germaanse Limes Hunerberg

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_109eb71e19e840ecbbc1ca4c13bbe0a3/nld@2023‑11‑30;1

Korne, delen van de Oude IJssel en delen van de Linge

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_a024d3c4653b45658eb23d3124ce0c23/nld@2023‑11‑30;1

koude-warmte-opslagvrije zone

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_9582ffdfe9314db195dfa33874f3714d/nld@2025‑02‑20;3

kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_7fd4ad8aeff047c68c1d5a3c230cc91d/nld@2025‑02‑20;3

minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_661f50bd15e348409cad26efa1c4adb2/nld@2025‑02‑20;3

molenbiotoop

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_fe5579a5115e4b53937112cab603d3e9/nld@2024‑04‑25;2

nationale landschappen

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_fab537005b3b47c29bdc8688f44e7601/nld@2023‑11‑30;1

Neder-Germaanse Limes

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_7c6a1537b9564d808485f5bcb2fa9d72/nld@2023‑11‑30;1

Neder-Germaanse Limes bufferzone Aquaduct

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_872e1950ddec40f9bd8db20c83961324/nld@2023‑11‑30;1

oude bosgroeiplaats

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_1f8d13161cd049beb23060ee64721314/nld@2023‑11‑30;1

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_1f8d13161cd049beb23060ee64721314/nld@2026‑02‑06;2

peilbesluitgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_4d8c6871d3944df2be4d644ba51c497b/nld@2023‑11‑30;1

provinciale weg

/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_02eb1d1234854ed6a66a1fce6f4ff5ff/nld@2025‑02‑19;1

stikstofreductiegebied

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_8c12b06ff8804f5aaf65293d378c4c5c/nld@2026‑02‑05;1

stiltegebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_02f5607bc3a74877bf85642abd88f354/nld@2025‑02‑20;3

verbodsgebied windturbines Veluwe

/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_5deab47f56fd41dcaa479115161bbe49/nld@2025‑02‑19;1

verkenningsgebied bijzondere voorwaarden natuurbegraven Gelders natuurnetwerk

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_a5e65b12690b49958d95e718238258a2/nld@2025‑02‑20;4

verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven Gelders natuurnetwerk

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_cacb2ca7a6334d61a0302d02660aaad7/nld@2025‑04‑24;5

wateroverlast in het beheergebied van waterschap Rijn en IJssel

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_4f49f6a005a3404fab88aeeb335f5503/nld@2025‑04‑18;1

wateroverlast in het beheergebied van waterschap Rivierenland

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_5e412bbbe6464d579ff330fb3d904731/nld@2025‑04‑18;1

wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_34a9d202099b411db5a02fde06e68d51/nld@2025‑04‑18;1

waterschap Rijn en IJssel

/join/id/regdata/pv25/2023/locatiegroep_0e6cecd7d169499c88d8b0676c3ed820/nld@2023‑11‑30;1

waterschap Rivierenland

/join/id/regdata/pv25/2023/locatiegroep_b1cc7a1fd4cf497b92e3a50de93e24c5/nld@2023‑11‑30;1

waterschap Vallei en Veluwe

/join/id/regdata/pv25/2023/locatiegroep_a8db1e4a8a1e40a4bb71476556210a86/nld@2023‑11‑30;1

waterschap Vechtstromen

/join/id/regdata/pv25/2023/locatiegroep_4eb80288e63e4b9dadefd00fcbf60ec5/nld@2023‑11‑30;1

waterwingebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_cb4853536a74433c8f5cca0e9eac2e42/nld@2025‑11‑12;4

weidevogelgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_1d0fefc09d594a7194dec293ea991115/nld@2025‑11‑12;4

werkgebied van Faunabeheereenheid Gelderland

/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_fe81a9c549504851b7f8f7aac773b390/nld@2025‑04‑18;1

woningbouwregio Achterhoek

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_7bf240a81a5f4020b2d6e0b766aecd41/nld@2026‑02‑05;1

woningbouwregio Foodvalley

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_592b7160b47c427d9dd54a975238d995/nld@2026‑02‑05;1

woningbouwregio Groene Metropool Arnhem-Nijmegen

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_680f718aa56a4b3c94102b3c425661e1/nld@2026‑02‑05;1

woningbouwregio Noord-Veluwe

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_d26abb337374461c847a712f838079b5/nld@2026‑02‑05;1

woningbouwregio Rivierenland

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_36842751c3e542c4a8fb6724abc60c58/nld@2026‑02‑05;1

woningbouwregio Stedendriehoek

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_e2d28594bf3245c792cb69ea92c8ae72/nld@2026‑02‑05;1

AA

Binnen bijlage III wordt na sectie 'Grondwaterbedreigende activiteiten in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden' twee secties ingevoegd, luidende:

Tabel reductiefactor per diercategorie

Bijlage bij artikel 4a.6.

 Code

 Diercategorie uit Bijlage V

 Reductiefactor ten behoeve van de te berekenen plafondwaarde

 

 Melkkoeien

 

 HA1

 Melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder die niet worden beweid

 34%

 HA1

 Idem, als het gaat om bedrijven met in totaal meer dan 100 stuks melkvee (exclusief jongvee, aanwezig op 23 april 2025).

 54%

 HA2

 Melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder die worden beweid

 34%

 HA2

 Idem, als het gaat om bedrijven met in totaal meer dan 100 stuks melkvee (exclusief jongvee, aanwezig op 23 april 2025).

 54%

 HA3

 Vleeskalveren

 85%

 

 Geiten

 

 HC1

 Geiten van 1 jaar en ouder

 80%

 HC2

 Geiten vanaf 61 dagen tot 1 jaar

 80%

 HC3

 Geiten tot 61 dagen

 80%

 

 Varkens

 

 HD1

 Gespeende biggen van minder dan 25 kg

 70%

 HD2

 Kraamzeugen

 70%

 HD3

 Guste en dragende zeugen

 69%

 HD4

 Dekberen van 7 maanden en ouder

 0%

 HD5

 Vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan zeven maanden en opfokzeugen van 25 kg en meer

 85%

 

 Kippen

 

 HE1

 Opfokhennen en hanen van legkippen jonger dan 18 weken:

 
 

 - batterijhuisvesting zonder geïntegreerd droogtunnel

 87%

 

 - batterijhuisvesting met geïntegreerd droogtunnel

 64%

 

 - niet-batterijhuisvesting

 70%

 HE2

 Legkippen van 18 weken en ouder en ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder

 78%

 HE3

 Ouderdieren van vleeskuikens in opfok, jonger dan 19 weken

 80%

 HE4

 Ouderdieren van vleeskuikens van 19 weken en ouder

 80%

 HE5

 Vleeskuikens

 80%

 HF1

 Vleesparelhoenders

 80%

 

 Kalkoenen

 

 HG1

 Ouderdieren van vleeskalkoenen jonger dan 6 weken

 80%

 HG2

 Ouderdieren van vleeskalkoenen van 6 weken en ouder en jonger dan 30 weken

 80%

 HG3

 Ouderdieren van vleeskalkoenen van 30 weken en ouder

 80%

 HG4

 Vleeskalkoenen

 80%

 

 Eenden

 

 HH1

 Ouderdieren van vleeseenden

 80%

 HH2

 Vleeseenden

 
 

 - binnen

 80% 

 

 - buiten

 0% 

 

 Konijnen

 

 HK1

 Voedster

 80%

 HK2

 Vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd

 80%

 HB1

 Schapen

 0%

 

 Struisvogels

 

 HI1

 Struisvogels jonger dan 4 maanden

 0%

 HI2

 Struisvogels van 4 maanden en ouder en jonger dan 12 maanden

 0%

 HI3

 Struisvogels van 12 maanden en ouder

 0%

 

 Paarden

 

 HL1

 Paarden van 3 jaar en ouder

 0%

 HL2

 Paarden jonger dan 3 jaar

 0%

 HL3

 Pony's van 3 jaar en ouder

 0%

 HL4

 Pony's jonger dan 3 jaar

 0%

Bepaling plafondwaarde veehouderij

Bijlage bij artikel 4a.6

Begripsbepaling

De plafondwaarde is de maximale emissie vanuit de dierenverblijven van een veehouderij in het stikstofreductiegebied, die per 1 januari 2035 wordt toegestaan. Deze wordt uitgedrukt in kg ammoniak per jaar.

Rekenregel

De plafondwaarde wordt in enkele stappen berekend. 

  • 1.

    Eerst dient voor de dierenverblijven de referentiewaarde te worden bepaald, ten opzichte waarvan moet worden gereduceerd. Hiertoe wordt de emissie per dierenverblijf berekend op basis van het feitelijk aantal gehouden dieren per 23 april 2025, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde emissiefactor die behoort bij een ‘traditionele stal’. De emissiefactor voor een ‘traditionele stal’ is de emissiefactor die in bijlage V (huisvestingssystemen) van de Omgevingsregeling bij elke diercategorie staat bij de ‘Overige huisvestingssystemen’.

  • 2.

    Vervolgens wordt voor elk dierenverblijf de referentiewaarde gereduceerd met een percentage, genaamd de reductiefactor. De reductiefactor is opgenomen in de tabel bij de regeling, en is per diercategorie gespecifieerd.

  • 3.

    De (optelsom van de) hieruit ontstane waarde(n) is de plafondwaarde.

    Voorbeeld: voor een melkveehouderij met - op 23 april 2025 - 50 gehouden melkkoeien van twee jaar en ouder is de emissiefactor ‘Overig’ 13 kg NH3/jr/dierplaats, en de referentiewaarde dus (50 * 13 =) 650 kg NH3/jr. De reductiefactor in de tabel is voor deze diercategorie 34%. Daarmee is de plafondwaarde (650 - (34% van 650 =) 221 =) 429 kg NH3/jr.

  • 4.

    Heeft een veehouder meerdere dierenverblijven in het stikstofreductiegebied, eventueel ook met meerdere diersoorten, dan mag hij onderling verrekenen. Hij berekent per dierenverblijf de referentiewaarde en de plafondwaarde, en telt de plafondwaarden van de betreffende dierenverblijven bij elkaar op tot de voor hem van toepassing zijnde totale plafondwaarde. Vervolgens mag hij op verschillende manieren - zie hiertoe artikel 4a.6, lid 5 - per dierenverblijf reductiemaatregelen nemen, zolang de optelsom van de daaruit resulterende emissiewaarden de totale plafondwaarde maar niet overschrijdt. Zo zou hij het ene dierenverblijf bijvoorbeeld ‘traditioneel’ kunnen houden, mits hij bij een ander dierenverblijf extra gaat reduceren en de totale emissiewaarde kleiner of gelijk is dan de berekende totale plafondwaarde.

BB

Binnen bijlage III wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies

Bijlage bij paragraaf 5.4.1.

Deze bijlage licht de planologische bescherming toe van de uitzonderlijke universele waarde (UOV) van de Hollandse Waterlinies op Gelders grondgebied als onderdeel van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. 

Sinds 2021 vormen de historische waterlinies Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie samen het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. De provinciale bescherming is gebaseerd op rijksregels uit (afdeling 7.2 van) het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze op grondslag van de Omgevingswet vastgestelde rijksregels zijn bedoeld om de 'uitzonderlijke universele waarde' van werelderfgoed te behouden en beschadiging of vernieling van werelderfgoed te voorkomen. De Omgevingswet geeft zo uitvoering aan het internationale Werelderfgoedverdrag dat Nederland in 1992 ratificeerde.

Vrij vertaald is de OUV van de Hollandse Waterlinies:

  • een buitengewoon voorbeeld van een Europees verdedigingssysteem van de moderne tijd dat intact is gebleven;

  •  

    een ingenieus systeem van militaire verdediging door inundatie dat gebruik maakt van eigenschappen en elementen van het aanwezige landschap;

  •  

    uniek in de Europese architectuurgeschiedenis;

  •  

    een illustratie van Nederlandse inventiviteit in land- en waterbeheersing.

Deze ‘uitzonderlijke universele waarde’ van de Hollandse Waterlinies is voor de planologische bescherming uitgewerkt in drie kernkwaliteiten. Kernkwaliteiten zijn volgens het Bkl in het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde essentiële kenmerken van het aanwezige landschap en cultureel erfgoed.

Het betreft de kernkwaliteiten:

Deze 'uitzonderlijke universele waarde' van de Hollandse Waterlinies is voor de planologische bescherming uitgewerkt in drie kernkwaliteiten. Kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinies zijn het samenhangende en overwegend goed bewaard gebleven geheel van:

  • a.

    het strategisch landschap;

    het strategisch landschap, als oorspronkelijk voor de militaire verdediging bestemd aaneengesloten gebied dat op veel plaatsen gekenmerkt wordt door grote openheid en een overwegend groen karakter, bestaande uit:

    • 1.

      de hoofdverdedigingslijn: een lineaire, hoger gelegen structuur in het landschap, als begrenzing van het te verdedigen gebied;

    • 2.

      inundatiegebieden;

    • 3.

      de voormalige schootsvelden en verboden kringen rondom militaire versterkingen, gekenmerkt door visueel open en merendeels onbebouwd gebied;

    • 4.

      de accessen, als kwetsbare onderdelen in het verdedigingssysteem in samenhang met de daartoe ingerichte versterkingen; en

    • 5.

      de houten Kringenwet-bouwwerken;

  • b.

    het watermanagementsysteem; en

    het watermanagementsysteem, als samenhangend stelsel van waterbouwkundige werken en waterlichamen, in te zetten voor gecontroleerde inundatie, bestaande uit:

    • 1.

      inundatie-, toevoerkanalen en rivieren;

    • 2.

      inundatiekaden, sluizen, inlaten, dammen, uitlozings- en kwelkommen, functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden; en

    • 3.

      gemalen en schotbalkloodsen; en

  • c.

    de militaire werken.

    de militaire werken: de voormalige militaire versterkingen en overige ondersteunende militaire onderdelen, mede in hun onderlinge samenhang en met de landschappelijke inpassing en camouflage van de versterkingen en onderdelen, bestaande uit:

    • 1.

      forten en batterijen;

    • 2.

      stellingen en verspreide werken, groepsschuilplaatsen, kazematten en andere militaire werken; en

    • 3.

      de historische vestingstructuur van de vestingsteden Muiden, Weesp, Naarden, Nieuwersluis, Gorinchem en Woudrichem.

Harmonisatie afweging ruimtelijke ontwikkeling in de Hollandse Waterlinies

Het Werelderfgoed ‘Hollandse Waterlinies’ loopt van de provincie Noord-Holland, via Utrecht en Gelderland tot in Noord-Brabant en een klein puntje van Zuid-Holland (vestingstad Gorinchem). De linieprovincies zijn als siteholder verantwoordelijk voor het behoud en de bescherming van dit werelderfgoed. Om de ‘Hollandse Waterlinies’ goed te kunnen beschermen, stemmen provincies onderling het ruimtelijk beleid voor dit Werelderfgoed op elkaar af. Deze harmonisatie van het ruimtelijk beleid maakt het mogelijk om ruimtelijke ontwikkelingen overal binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam op eenzelfde manier af te wegen, ongeacht binnen welke provincie die ontwikkelingen zich voordoen.

De gebiedsanalyses kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies leggen de basis voor deze harmonisatie door de kernkwaliteiten via dezelfde systematiek uit te werken en per deelgebied uitgangspunten voor ontwikkeling te formuleren. Wat in een gebied uiteindelijk kan, blijft echter maatwerk.

Bij visie- en planvorming is een integrale afweging van aanwezige belangen nodig. Daarbij blijft de hoofdregel dat het Werelderfgoed niet wordt aangetast, beschadigd of vernield.

Gebiedsanalyses op Gelders grondgebied

De gebiedsanalyses vormen een document waarin nader staat uitgewerkt wat de kernkwaliteiten in elk deelgebied van de Hollandse Waterlinies zijn. De gebiedsanalyses zijn daardoor een hulpmiddel voor overheden en initiatiefnemers bij het toepassen van de regel dat de uitzonderlijke universele waarde (vertaald in de kernkwaliteiten) niet mag worden aangetast. Daarnaast kunnen de gebiedsanalyses gebruikt worden als inspiratiebron en bouwsteen voor verdere visie en planvorming in het gebied. In Gelderland zijn er gebiedsanalyses opgesteld voor de deelgebieden: Culemborgerwaard, Tielerwaard, Bommelerwaard, Inundatiekanaal Tiel en Fort Pannerden.

Deze gebiedsanalyses zijn hier te vinden: gelderland.nl/themas/cultuur-en-erfgoed/erfgoed/hollandse-waterlinies.

CC

Binnen bijlage III wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes

Bijlage bij paragraaf 5.4.2.

Kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes zijn de unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven resten van de (militaire) grens van het voormalige Romeinse Rijk, bestaande uit archeologische monumenten uit de periode 20 voor tot 450 na Christus langs, en samenhangend met, de toenmalige loop van de Rijn:

  • a.

    de unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven (militaire) grens van het voormalige Romeinse Rijk; en

    militaire versterkingen, bestaande uit legioenvestigingen, forten en wachttorens;

  • b.

    archeologische overblijfselen uit de periode van 20 voor Christus tot 450 na Christus langs en samenhangend met de toenmalige loop van de Rijn, bestaande uit:

    overige militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, bruggen, havens, oeverwerken, een kanaal, een aquaduct en een pannenbakkerij;

    • 1.

      militaire versterkingen (legioensvestigingen, forten, wachttorens, burgerlijke nederzettingen, tempel en grafvelden;

    • 2.

      overige militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, havens, oeverwerken, kanaal, aquaduct, pannenbakkerij; en

    • 3.

      verlande delen van de rivier met scheepswrakken en afvallagen.

  • c.

    burgerlijke nederzettingen, een tempel en grafvelden; en

  • d.

    verlande delen van de rivier met scheepswrakken en afvallagen.

De beschrijvingen zijn ontleend aan het Nominatiedossier Neder-Germaanse Limes 2021.

ARNHEM- MEINERSWIJK

Auxiliary fort, civil settlement. The remains of a succession of forts have been discovered, as well as parts of the associated civil settlement.

Vertaling: De overblijfselen van een Romeins hulpfort, met burgerlijke nederzetting. De overblijfselen van een opeenvolging van forten zijn ontdekt, evenals delen van de bijbehorende civiele nederzetting.

ELST - GROTE KERK

Sanctuary, the remains of a Roman temple. One of the largest temples of this type in the Gaulish and German provinces

Vertaling: Een Romeins heiligdom, de overblijfselen van een Romeinse tempel. Een van de grootste tempels van dit type in de Gallische en Duitse provincies

NIJMEGEN - VALKHOF AREA/HUNNERPARK

Early Roman town, Late Roman fort. The property encompasses two elements of the frontier infrastructure: an Early Roman town and a Late Roman fort.

Vertaling: De restanten van een vroeg-Romeinse stad, en een laat-Romeins fort als onderdeel van de grensinfrastructuur.

NIJMEGEN - HUNERBERG

Operational base, legionary fortress, civil settlement. The Hunerberg holds the remains of two large fortifications and of the civil settlement surrounding the later of these. The earlier fortification was a unique operational base. This is the earliest military base in the Rhineland and may be considered as the cradle of the Lower German frontier. Located in an elevated position overlooking the Rhine valley to the north and east it was established as the springboard for a punitive expedition in Germanic territory across the Rhine.

Vertaling: De restanten van operationele basis, legioensfort, civiele nederzetting. De Hunerberg herbergt de overblijfselen van twee grote vestingwerken en van de burgerlijke nederzetting rondom de laatste daarvan. Het eerdere fort was een unieke operationele basis. Dit is de vroegste militaire basis in het Rijnland en kan worden beschouwd als de bakermat van de Nederduitse grens. Gelegen in een verhoogde positie met uitzicht op de Rijnvallei in het noorden en oosten werd het opgericht als de springplank voor een punitieve expeditie op Duits grondgebied over de Rijn.

NIJMEGEN - KOPS PLATEAU

Contains the remains of an irregularly shaped Early Roman fortification. It includes a section of the fort defenses and some probable burials belonging to the later legionary fortress of Nijmegen-Hunerberg and its civil settlement and a Cemetery.

Vertaling: De overblijfselen van een onregelmatig gevormd vroeg-Romeins fort. Het omvat een deel van de fortverdediging en enkele waarschijnlijke begravingen die behoren tot het latere legioensfort van Nijmegen-Hunerberg en haar civiele nederzetting en een begraafplaats

BERG EN DAL - AQUEDUCT

The property includes the water sources and earthworks of an aqueduct that supplied the legionary fortress of Nijmegen -Hunerberg. Although they have suffered from some erosion over the centuries, the earthwork are still largely intact.

Vertaling: Het object omvat de waterbronnen en aardwerken van een aquaduct dat het legioensfort van Nijmegen-Hunerberg heeft bevoorraad. Hoewel het door de eeuwen heen heeft geleden onder enige erosie, is het aardwerk nog grotendeels intact.

BERG EN DAL - DE HOLDEURN

Military tile and pottery kilns. The property of De Holdeurn includes the known and projected remains of an industrial site which produced bricks, tiles and pottery.

Vertaling: Restanten van militaire dakpan- en aardewerkovens. De Holdeurn omvat de bekende en geprojecteerde overblijfselen van een industriële site die bakstenen, dakpannen en aardewerk produceerde.

HERWEN - DE BIJLAND

Auxiliary fort, temporary camp. Eroded remains of a stone fort have been found at great depths during sand extraction, and there are still some remains in the resulting quarry pool known as De Bijland. Most of the dredged finds are dated c. AD 70-260, but there is an earlier inscription making explicit reference to a groyne or dam. This groyne is one of the most famous examples of Roman water management, a barrier built in the river c. 12-9 BC to increase the water volume of the northern branch of the Rhine in the delta.

Vertaling: Restanten van een hulpfort, tijdelijk kamp. De geërodeerde overblijfselen van een stenen fort zijn op grote diepte gevonden tijdens zandwinning, en er zijn nog enkele overblijfselen in de resterende zandwinplas bekend als De Bijland. De meeste gebaggerde vondsten zijn gedateerd c. AD 70-260, maar er is een eerdere inscriptie die expliciet verwijst naar een krib of dam. Deze kribbe is een van de beroemdste voorbeelden van Romeins waterbeheer, een barrière gebouwd in de rivier c. 12-9 v.Chr. om het watervolume van de noordelijke Rijntak in de delta te vergroten.

DD

Binnen bijlage III wordt na sectie 'Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes' een sectie ingevoegd, luidende:

Netbewuste woningbouw

Bijlage bij artikel 5.100

Begripsbepaling

gestapelde woning: woning die geheel of gedeeltelijk boven of onder een andere woning is gelegen;

grondgebonden woning: woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan een van de bouwlagen aansluit op het maaiveld en die niet geheel of gedeeltelijk boven of onder een andere woningen is gelegen;

netbudget: totale maximum piekbelasting op het elektriciteitsnet van alle woningen en gemeenschappelijke installaties die gebruikt worden voor het verwarmen van die woningen bij weersomstandigheden van -10 graden Celsius in het gehele project waarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd;

prestatienorm: maximum piekbelasting op het elektriciteitsnet per vierkante meter gebruiksoppervlakte van woningen en van gemeenschappelijke installaties die gebruikt worden voor het verwarmen van die woningen bij een weersituatie van -10 graden Celsius.

Het netbudget

Het netbudget uit artikel 5.100, eerste lid voor een woningbouwproject waar een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (OPA) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) voor wordt aangevraagd, wordt berekend door het aantal m2 gebruiksoppervlakte (GBO) van het totaal aantal woningen te vermenigvuldigen met de prestatienorm per m2 uit onderstaande tabel.

 Prestatienorm netbewuste nieuwbouw

 Woningentype

 Bodemenergiesysteem

 12 We/m2 GBO

 Grondgebonden

 Wel toepasbaar

 13 We/m2 GBO

 Gestapeld

 Wel toepasbaar

 13 We/m2 GBO

 Grondgebonden

 Niet toepasbaar

 14 We/m2 GBO

 Gestapeld

 Niet toepasbaar

De prestatienorm is dus afhankelijk van twee factoren:

  • of de woning gestapeld is of grondgebonden; en

  • of er voor het warmtesysteem van de woning wel of niet gebruik gemaakt kan worden van een bodemenergiesysteem.

Voorbeeldberekening Netbudget

Voor een vergunningsaanvraag voor een woningbouwproject met 200 grondgebonden woningen (gemiddeld 120 m² GBO per woning) en 200 gestapelde woningen (gemiddeld 85 m² GBO per woning), waarbij een bodemenergiesysteem wel kan worden toegepast, geldt het volgende:

  • grondgebonden woningen: 200 woningen x 120 m2 GBO x 12 We/m2 = 288 kW gelijktijdige netbelasting;

  • gestapelde woningen: 200 woningen x 85 m2 GBO x 13 We/m2 = 221 kW gelijktijdige netbelasting.

Het netbudget bedraagt dan: 288 kW + 221 kW = 509 kW

Het netbudget is de totale maximum piekbelasting op het elektriciteitsnet van alle woningen in het gehele project bij weersomstandigheden van -10 graden Celsius, inclusief gemeenschappelijke installaties die tot doel hebben om die woningen te verwarmen, zoals bijvoorbeeld een warmtenet of bodemenergiesysteem.

Toepassen netbudget

Gemeenten passen het netbudget toe bij de vergunningverlening voor een omgevingsplanactiviteit of buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een bouwactiviteit van woningbouwprojecten. De vergunningsaanvrager motiveert in de onderbouwing bij de vergunningaanvraag, met concrete maatregelen van gebouwontwerp, bouwtechnische aard en installatietechniek, hoe het woningbouwproject aan het netbudget voldoet. Daartoe hanteert de vergunningaanvrager de rekenregels uit artikel 5.100 en beoordeelt de gemeente de onderbouwing volgens dezelfde rekenregels. De voor de toepassing van de rekenregels benodigde informatie wordt verkregen uit de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit van het woningbouwproject. De gemeente stelt het uitvoeren van de maatregelen waarop de motivatie berust als randvoorwaardelijke eis aan de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit of buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Berekening Prestatienorm

De prestatienorm wordt vastgesteld in Watt aan elektrisch piekvermogen per vierkante meter gebruiksoppervlakte bij een weersituatie van -10 graden Celcius. De prestatienorm wordt berekend door de elektriciteitsvraag voor warmte en huishoudelijk gebruik bij elkaar op te tellen en te vermenigvuldigen met de gelijktijdigheidsfactor.

De elektriciteitsvraag voor warmte is gebaseerd op een weersituatie van -10 graden Celsius. De keuzes voor bouw- en installatietechniek leiden tot de hoogte van de elektriciteitsvraag voor warmte.

De elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik wordt vastgesteld op 6.7 Watt per vierkante meter voor grondgebonden woningen en 8.3 Watt per vierkante meter voor gestapelde woningen, op basis van ervaringsgetallen van de netbeheerders.

De gelijktijdigheidsfactor zorgt ervoor dat er rekening mee wordt gehouden dat de woningen in de woonwijken die op hetzelfde verdeelstation zijn aangesloten niet allemaal tegelijk op piekniveau elektriciteit gebruiken. Deze gelijktijdigheidsfactor is vastgesteld op 0.6 en is ook gebaseerd op ervaring van de netbeheerders. Hier mag bij de vergunningverlening niet van afgeweken worden.

  • prestatienorm = (Ew * Gf) + Eh

  • elektriciteitsvraag voor warmte (Ew) = Wth /m2 / COP

  • elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik (Eh) = 6.7 We/m2 voor grondgebonden; 8.3 We/m2 voor gestapeld.

  • gelijktijdigheidsfactor (Gf) = 0.6

  • Wth/m2 = Warmtevraag per vierkante meter.

  • COP = Coëfficiënt of Performance; hoe efficiënt elektriciteit wordt omgezet in warmte voor een warmtesysteem bij -10 °C.

Deze berekening ligt ten grondslag aan de hoogte van de vier prestatienormen waarop het netbudget wordt berekend.

Bodemenergiesysteem

De gemeente stelt gemotiveerd vast waar woningbouwprojecten wel of niet bodemenergiesystemen kunnen toepassen. Hierbij houdt de gemeente in ieder geval rekening met beschermingsgebieden voor het grondwater en bodemgesteldheid, zoals de grondsoort. De gemeente kan er bijvoorbeeld voor kiezen om in het bodemenergieplan te bepalen op welke locaties bodemenergiesystemen wel of niet kunnen worden toegepast.

Vergunningaanvragen met minder dan 15 woningen worden altijd beschouwd als niet toepasbaar voor een bodemenergiesysteem, vanwege kostenefficiëntie. Voor woningbouwprojecten van 15 woningen of meer is kostenefficiëntie nooit een overweging bij het bepalen of een bodemenergiesysteem toegepast kan worden.

Het kunnen toepassen van een bodemenergiesysteem verplicht de vergunningaanvrager niet om zo’n systeem daadwerkelijk toe te passen maar heeft wel effect op de hoogte van de prestatienorm.

EE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.62 (toepassingsbereik en oogmerk regels over ontgrondingsactiviteiten)

Lid 2: Dit lid heeft als doel te voorkomen dat een activiteit wordt opgeknipt of dat activiteiten die in elkaars nabijheid plaatsvinden los van elkaar worden beoordeeld. Het heeft ook betrekking op ontgrondingsactiviteiten die op een verschillend moment beginnen en die op zichzelf vergunningvrij zijn, maar als ze tezamen worden aangemeld wel vergunningplichtig zijn. Zo is het maken van een kleinschalige natuurplas vrijgesteld van de vergunningplicht. Als er meerdere natuurplassen in onderlinge samenhang in een gebied worden gerealiseerd en er daardoor geen sprake meer is van kleinschaligheid, dan is deze realisatie in zijn totaliteit vergunningplichtig. Hierbij is de feitelijke samenhang van de activiteiten van doorslaggevende betekenis en één binding voldoende om een samenhang tot stand te brengen.

Lid 3: Artikel 5.1 van de Omgevingswet bepaalt dat voor het verrichten van ontgrondingsactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn hiervoor in artikel 16.7 vergunningvrije gevallen aangewezen. Artikel 16.9 van het Bal geeft provincies de mogelijkheid af te wijken van de aanwijzing van vergunningvrije gevallen en hier ook zelf vrijstellingen aan toe te voegen. Van deze mogelijkheid wordt gebruikgemaakt om het bestaande provinciale regiem van vrijstellingen en meldingsplicht te continueren.

FF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.64 (aanvullende vrijstellingen ontgrondingsactiviteit)

Lid 1: Het eerste lid bevat een algemene vrijstelling voor ontgrondingsactiviteiten die vanwege hun geringe omvang niet hoeven te voldoen aan de vergunningplicht. Als er 1.000 m3 of meer wordt ontgraven, geldt wel een meldingsplicht op grond van artikel 4.65 (melding ontgrondingsactiviteit).

Lid 2: De volume- en oppervlakte-eis uit het eerste lid geldt niet voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van de in het tweede lid genoemde terreinen. De eis dat niet dieper dan drie meter mag worden ontgraven, blijft wel staan. Dit lid is in afwijking van de vrijstelling in artikel 16.7, onder g en onder 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Deze aanvullende vrijstelling geldt niet voor een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, ook niet als onderdeel van de in het tweede lid genoemde terreinen; de specifiek daarvoor geldende vrijstellingen blijven in stand.

Lid 3: Het derde lid voegt het aanleggen, veranderen of verwijderen van een noodzakelijke voorlandverbetering voor een dijk door of namens de waterbeheerder toe aan de vrijstellingen genoemd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Artikel 16.7, onder g en onder 1o van het Bal bevat een vrijstelling voor ontgrondingsactiviteiten door of namens de waterbeheerder, als deze nodig zijn voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk en deze maatregel getroffen wordt op basis van een omgevingsplan, projectbesluit of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit. De vrijstelling geldt alleen voor voorlandverbeteringen bij dijken met een waterkerende functie.

Lid 4: De vrijstelling in het vierde lid is bedoeld voor die gevallen waar dieper dan drie meter onder het maaiveld wordt ontgraven, tot vier en een halve meter diep, om een afdichtende kleilaag aan te brengen met een dikte van maximaal anderhalve meter. Het uiteindelijke opleveringspeil moet op maximaal drie meter onder het oorspronkelijke maaiveld liggen. Vanuit technische overweging kan het nodig zijn om een extra kleilaag aan te brengen, bijvoorbeeld in geval van kwelvorming. Deze vrijstelling zorgt ervoor dat daarvoor dan niet een vergunning nodig is.

Lid 5: In de Wet bodembescherming (die onder het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet nog op een sanering van toepassing kan zijn) en in paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt al een volledige belangenafweging gemaakt waarbij het belang van het milieu tot sanering van de bodem een belangrijke rol speelt. Een vergunningenprocedure voor een ontgrondingsactiviteit voegt hier niet veel meer aan toe en kan vanwege het milieubelang geen ander gewicht aan zaken toekennen. Voor het afgraven van verontreinigde grond, dat niet plaatsvindt binnen de kaders van de bodemverontreiniging, kan in voorkomende gevallen wel een ontgrondingsvergunning nodig zijn. Deze vrijstelling is een aanvulling op artikel 16.7, en zo nodig een afwijking van onderdeel h, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

GG

Na sectie 4 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 4a Stikstofreductiegebied

Geen toelichting.

Artikel 4a.1 (oogmerk en toepassingsbereik regels reductie emissie stikstof)

Lid 1 Dit hoofdstuk is opgenomen met het oog op het beperken van emissies in de lucht van stikstofverbindingen binnen het stikstofreductiegebied. Die emissies worden veroorzaakt door verschillende (bedrijfsmatige) activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de binnen het stikstofreductiegebied gelegen Natura 2000-gebieden kunnen hebben. De regels beogen concreet de stikstofemissie door stookinstallaties, veehouderijen en mobiele werktuigen te reduceren. De regels gelden als passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

Leden 2 en 3 Het stikstofreductiegebied heeft een grens. Objecten (zoals bedrijfshallen, percelen, woningen of stallen) die helemaal binnen deze grens vallen, liggen erbinnen en zullen moeten voldoen aan de regels die daar van toepassing worden. Als de geografische grens door een object, gebouw, bedrijf of perceel heenloopt, dan moet er een keuze gemaakt worden. Voor de werkbaarheid van de vergunningverlening in het natuurspoor, is het van belang dat projecten geheel binnen of buiten de strook vallen. Een bedrijf, is de meest geschikte eenheid. Binnen een bedrijf kunnen er verschillende activiteiten zijn die binnen of buiten de geografische grens vallen. Als een bedrijf niet in zijn geheel binnen het gebied valt, is bepalend hoeveel stikstof binnen de geografische grens wordt uitgestoten. Daarvoor wordt gekeken naar alle activiteiten die binnen het bedrijf vallen en stikstof uitstoten. Als 50% of meer van de totale stikstofemissie van een bedrijf uit emissiepunten komt binnen de geografische grens, dan valt het hele bedrijf binnen het gebied.

Lid 3 Voor de grondgebonden (melk)veehouderij en de akkerbouw ligt dit complexer, want bij dit type bedrijven is de bemesting van de grond een substantiële bron van stikstofemissie. De grond die hoort bij zo’n bedrijf is zelden een aaneengesloten kavel. Ook kan een dierenverblijf dat tot de (melk)veehouderij behoort buiten het werkingsgebied liggen. Toepassing van de rekenregels uit het tweede lid zou ertoe (kunnen) leiden dat ook percelen of stallen buiten het werkingsgebied moeten voldoen aan de regels voor binnen het stikstofreductiegebied. Voor dierenverblijven en voor landbouwgrond wordt daarom een aparte systematiek gehanteerd, waarbij er wordt gestuurd op perceelniveau en stalniveau in plaats van op bedrijfsniveau.

Sub a Voor stallen geldt dat als minstens 50% van de emissie uit emissiepunten binnen het werkingsgebied afkomstig is, zijn de regels van toepassing op de gehele stal. Voor gesloten stallen staan de emissiepunten geregistreerd in de omgevingsvergunning. Voor stallen zonder specifieke emissiepunten, uitlaten van mechanische ventilatie in gesloten stalsystemen, wordt als emissiepunt het meetkundige midden van het bouwoppervlak genomen.

Sub b Als een kadastraal perceel landbouwgrond voor tenminste 50% binnen het gebied ligt, dat dan de regels gelden voor het gehele kadastrale perceel.

Sub c Eventuele andere dierenverblijven of kadastrale percelen landbouwgrond van hetzelfde agrarische bedrijf buiten het stikstofreductiegebied hoeven niet aan de regels te voldoen.

Artikel 4a.2 (regels reductie emissie stikstof: stookinstallaties)

Lid 1 Met de keuze voor het criterium ‘totaal geïnstalleerd vermogen’ vallen ook bedrijven die niet één grote, maar veel kleinere stookinstallaties hebben onder de in deze paragraaf gestelde regels. De vermogens van alle in een bedrijf opgestelde stookinstallaties worden bij elkaar opgeteld. Dit is een (bewuste) afwijking van de systematiek van het Besluit activiteiten leefomgeving, waar in de regel gewerkt wordt met een ondergrens voor individuele stookinstallaties en soms met een ‘samenstel van stookinstallaties’ (artikel 4.1292). Door uit te gaan van het gezamenlijk of totaal opgestelde vermogen moeten alle (kleine) stookinstallaties die samen leiden tot een totaal opgesteld vermogen van meer dan 400 kW (individueel) voldoen aan de (ten opzichte van paragraaf 4.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving) aangescherpte emissiegrenswaarden. Deze paragraaf kan dus ook van toepassing zijn op recreatiebedrijven als het gezamenlijke vermogen van de verwarmingsketels in de geëxploiteerde recreatiewoningen samen optellen tot meer dan 400 kW.

Deze ruimere reikwijdte brengt met zich mee dat de provincie de toezichthoudende taak op de naleving van deze reductieverplichting voor dergelijke kleinere stookinstallaties niet overlaat aan de gemeente, maar die bevoegdheid zelf uitoefent. Daarvoor is gekozen om dit toezicht op een doelmatige en doeltreffende wijze (en voor rekening van de provincie) te kunnen (laten) uitoefenen door één van de Gelderse omgevingsdiensten (conform het subsidiariteitsvereiste in artikel 2.3, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet).

Lid 2 Onder een extra stookinstallatie wordt niet verstaan een stookinstallatie die een bestaande (afgeschreven) stookinstallatie vervangt. Het gaat om een stookinstallatie die nieuw is ten opzichte van de vóór 1 januari 2027 binnen het stikstofreductiegebied opgestelde aantal stookinstallaties. Voor een vervangende stookinstallatie geldt dat deze met ingang van 1 januari 2035 moet (kunnen) gaan voldoen aan de reductie-eisen in lid 2. Het ligt in de rede om bij de vervangingsinvestering hier vast rekening mee te houden. Vervanging van een afgeschreven stookinstallatie door een nieuwe – stikstof emitterende – stookinstallatie blijft dus mogelijk. Deze regel beoogt een reductie van stikstofemissie door stookinstallaties, geen uitsterfbeleid.

Lid 3 Uit zowel metingen aan stookinstallaties, opgaves van fabrikanten van branders en nageschakelde technieken als uit registraties in het SCIOS blijkt dat in de praktijk lagere emissies mogelijk zijn de emissienormen die worden voorgeschreven in de paragrafen 4.126 en 4.127 van het Besluit activiteiten. Voornamelijk bij nieuwe installaties worden in een aantal beleidsregels al lagere emissies voorgeschreven. De in dit artikellid gekozen normen en reductiepercentage zijn voor de desbetreffende ketels dus praktisch haalbaar.

Lid 3, sub b Deze eis geldt al voor gasmotoren boven 2,5 MWth (artikel 4.1348 van het Besluit activiteiten leefomgeving). Binnen het stikstofreductiegebied geldt deze emissiegrenswaarde met ingang van 2035 voor alle gasmotoren.

Lid 3, sub d Dit onderdeel ziet op andere type stookinstallaties of stookinstallaties met andere brandstoffen uit de paragrafen 4.3, 4.126, 4.127 en 5.4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die niet vallen onder de in de voorafgaande onderdelen (a tot en met c) bedoelde stookinstallaties. Een voorbeeld hiervan zijn de bij complexe papierindustrie binnen het stikstofreductiegebied opgestelde stookinstallaties. Dit onderdeel ziet ook op stookinstallaties beneden de ondergrens van 400 kW uit, die gestookt worden met deze ‘andere brandstoffen’. Voor een aantal ‘andere brandstoffen’ (vloeibare brandstof, vergistingsgas en propaan- of butaangas) gelden de emissiegrenswaarden uit paragraaf 4.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving alleen voor stookinstallaties van meer dan 400 kW. Voor stookinstallaties onder de 400 kW, die gestookt worden met deze ‘andere brandstoffen’ geldt een reductieverplichting, die is afgeleid uit de emissiegrenswaarden in tabel 4.1303 uit die paragraaf. Die stookinstallaties vallen wel onder de reikwijdte van dit artikel. 

Lid 4 Met deze bepaling wordt rekening gehouden met de tekst van de herziene Richtlijn industriële emissies (RIE). De herziene RIE (richtlijn (EU) 2024/1785) is in augustus 2024 inwerking getreden. Lidstaten hebben tot 1 juli 2026 de tijd gekregen om de herziene RIE in nationale wet- en regelgeving te implementeren. Zie hiervoor het voorstel tot wijziging van de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de implementatie van de herziening van de Richtlijn industriële emissies en de uitvoering van de PIE-verordening (Kamerstuknummer 36 864).

Uitgangspunt bij de implementatie van de herziene RIE is dat door het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor IPPC-installaties aan de onderkant van de BBT-range van een BBT-conclusiedocument wordt verleend, tenzij het betreffende bedrijf gemotiveerd aantoont dat die emissiegrenswaarde technisch of economisch niet haalbaar is. In zo’n geval kan van dit vierde lid worden afgeweken met toepassing van afdeling 1.3 (afwegingsruimte), meer specifiek artikel 1.4 (maatwerkvoorschrift in afwijking van regels voor activiteiten).

Voor grote stookinstallaties (als bedoeld in paragraaf 4.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, dus inclusief de IPPC-installaties voor het stoken, bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies) geldt altijd de strengste eis. Bijvoorbeeld geldt voor grote aardgasgestookte ketel op basis van de BREF-LCP dat voldaan moet worden aan een emissiegrenswaarde van 30 mg/Nm3. De in het tweede lid, onder a, gestelde norm van 40 mg/Nm3 geldt dus alleen voor kleine en middelgrote aardgasgestookte ketels.

Als in een voorkomend geval niet aan de gestelde emissie(reductie)eis kan worden voldaan, kan met toepassing van artikel 1.4 van deze verordening worden voorzien in maatwerk.

Artikel 4a.3 (regels reductie emissie stikstof: gasverbruik)

Aanvullend op artikel 4a.2 worden bedrijven en maatschappelijke instellingen binnen het stikstofreductiegebied verplicht om voor 2035 het gasverbruik met 35% te verminderen ten opzichte van 2017. Met deze regel wordt geborgd dat de emissie van stikstof, ondanks de toepassing van meer duurzame, minder stikstof emitterende, stookinstallaties of brandstoffen de emissie van stikstof alsnog toeneemt door een hoger brandstofverbruik. Gemiddeld genomen hebben bedrijven en maatschappelijke instellingen al een reductie van 20% bereikt: een aanvullende reductie binnen het stikstofreductiegebied met 15% is nodig en haalbaar.

Artikel 4a.4 (tijdelijke regels reductie emissie stikstof: vestigingsverbod veehouderij)

Dit verbod ziet op de nieuwvestiging van veehouderijen. Nieuwvestiging wil zeggen: vestiging op een locatie binnen het stikstofreductiegebied waar op 23 april 2025 (datum inwerkingtreding voorbereidingsbesluit, Provinciaal blad 2025 nr. 6530) nog geen veehouderij gevestigd was. 

Het verbod betreft zowel grondgebonden als niet-grondgebonden veehouderijen.

In dit artikel wordt de term ‘veehouderijtak’ gebruikt aanvullend op de meer gangbare term ‘veehouderijbedrijf’, omdat in de provincie Gelderland veel gemengde bedrijven voorkomen. Een veehouderijtak is een onderdeel van een agrarisch bedrijf. Het verbod geldt dus ook voor omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een gemengd bedrijf met als nieuwe activiteit het houden van landbouwhuisdieren.

Hervestiging van een veehouderijbedrijf of een gemengd bedrijf met een veehouderijtak binnen het stikstofreductiegebied is wel toegestaan. Het verschil met nieuwvestiging is, dat een hervestiging een verplaatsing van een veehouderijbedrijf of agrarisch bedrijf met een veehouderijtak betreft naar een bestaande locatie, d.w.z. een andere, reeds door een veehouderijbedrijf benutte locatie.

Artikel 4a.5 (tijdelijke regels reductie emissie stikstof: uitbreidingsverbod veehouderij)

Het verbod op uitbreiding geldt voor alle niet-grondgebonden veehouderijen, gemengd of ongemengd. Onder ‘uitbreiding’ wordt verstaan: vergroting van de agrarische bebouwing ten opzichte van de legale omvang van de veehouderijtak op 23 april 2025. Bij ‘uitbreiding’ gaat het om uitbreiding zoals in de begripsbepaling is aangegeven, dus om een uitbreiding in ruimtelijke zin, niet qua aantal gehuisveste dieren.

‘Niet-grondgebonden’ veehouderijen betreft de intensieve veehouderij; binnen het stikstofreductiegebied vooral kalverhouderijen, pluimveehouderijen en varkenshouderijen.

Bij uitbreiding wordt alleen de term ‘veehouderijtak’ gebruikt en niet ‘veehouderijbedrijf’ (vergelijk artikel 5.82). De term uitbreiding veronderstelt immers dat er al een veehouderijbedrijf aanwezig is. Het verbod op uitbreidingen van dat bedrijf beperkt zich tot het houden van landbouwhuisdieren en geldt dus niet voor andere bedrijfsonderdelen, zoals het erf en omliggende – tot het bedrijf behorende – landerijen. 

Onder dit verbod valt niet een noodzakelijke renovatie of verruiming van een bestaande stal met het oog op dierenwelzijn (meer bewegings- en leefruimte) in het kader van ‘dierwaardige veehouderij in 2040’, mits het aantal gehouden landbouwhuisdieren niet toeneemt. Deze uitzondering laat onverlet de eventueel voor zo’n uitbreiding benodigde omgevingsvergunningen (bouwactiviteit e/o Natura2000-activiteit).

Onderzocht wordt nog of een uitzondering op het uitbreidingsverbod van niet-grondgebonden veehouderijen kan worden verleend wanneer gelijk of beter doelbereik qua stikstofreductie kan worden bereikt én voldoende perspectief overblijft voor extensieve melkveehouderij.

Artikel 4a.6 (regels reductie emissie stikstof: stalmodernisering)

Lid 1 Voor de duiding of een veehouderij is gelegen binnen het stikstofreductiegebied wordt verwezen naar artikel 4a.1, tweede lid, en de voor de veehouderij relevante aanvullende bepaling in artikel 4a.1, derde lid

Elk veehouderijbedrijf binnen het stikstofreductiegebied is verplicht om de totale stikstofemissie van de dierenverblijven in het stikstofreductiegebied te reduceren. De veehouder krijgt ruim de tijd om aan deze reductieverplichting te voldoen: tot 1 januari 2035.

Er moet worden gereduceerd tot de zogenoemde plafondwaarde. De plafondwaarde is de maximale emissie vanuit de dierenverblijven in het stikstofreductiegebied die per 1 januari 2035 wordt toegestaan. Deze wordt uitgedrukt in kg ammoniak per jaar.

Door uit te gaan van het feitelijk gehouden aantal dieren per 23 april 2025 - dat is de datum waarop de Voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie in gingen - wordt voorkomen dat eventueel niet structureel benutte ruimte uit de natuurvergunning wordt ingezet.

Het kan zijn, dat een veehouder een dierenverblijf net leeg had staan op 23 april 2025, of door omstandigheden een lager aantal dieren had dan gebruikelijk. Dit bijvoorbeeld wanneer op een nieuwe ronde vleeskalveren of vleeskuikens wordt gewacht. Daarom mag een veehouder, indien hij aannemelijk kan maken dat het aantal gehouden dieren op 23 april 2025 niet representatief is, uitgaan van het maximum aantal dieren dat hij op enig moment hield in het kalenderjaar voorafgaand aan 23 april 2025. Hij dient de aannemelijkheid hiervan met bewijsstukken aan te tonen aan de provincie.

Lid 2 Voor een toelichting op deze rekenregel wordt verwezen naar de Staatscourant 2019 nr. 56288 van 22 november 2019, pag. 427-428.

Lid 3 De plafondwaarde wordt berekend zoals beschreven in de bijlage ‘Bepaling plafondwaarde veehouderij’. Per dierenverblijf wordt eerst een referentiewaarde bepaald. Dat is de emissie op basis van het per 23 april 2025 gehouden aantal dieren, waarbij de emissiefactor van een ‘traditionele stal’ als uitgangspunt wordt genomen. Vervolgens wordt die waarde gereduceerd met de reductiefactor die per diercategorie is opgenomen in de tabel in de bijlage. De daaruit ontstane waarde is de plafondwaarde. Bij meerdere dierenverblijven worden de plafondwaarden bij elkaar opgeteld.

Lid 4 geeft aan op welke wijze(n) de plafondwaarde kan worden bereikt. Dit kan door een stalaanpassing (sub a), door toepassing van aanvullende technieken (sub b), door het aantal dieren in het dierenverblijf te verkleinen (sub c), of door een andere, landelijk erkende en juridisch geborgde wijze toe te passen (sub d).

Voor een stalaanpassing (sub a) kan worden gekozen uit de huisvestingssystemen uit bijlage V bij de Omgevingsregeling. Voor een aanvullende techniek (sub b) kan worden gekozen uit de aanvullende technieken in bijlage VI bij de Omgevingsregeling. Deze bijlagen worden regelmatig herzien: er komen nieuwe systemen en technieken bij, er vallen ook systemen en technieken af en op basis van wetenschappelijk onderzoek wijzigen de emissiefactoren. 

In plaats van stalmodernisering of aanvullende technieken kan een veehouder er ook voor kiezen het aantal dieren te reduceren (sub c). Dit kan een optie zijn voor een veehouder die in een afbouwfase van het bedrijf zit, of bijvoorbeeld in staat is met neveninkomsten de met de krimp gepaard gaande inkomensderving op te vangen.

Tenslotte (sub d) wordt voorgesorteerd op de mogelijkheid dat er tussen nu en 2035 nieuwe manieren komen om emissie te reduceren, zoals bijvoorbeeld voer- of management-maatregelen of een stelsel met doelvoorschriften. De ministers van LVVN en van IenW hebben immers een stelselwijziging en de introductie van doelsturing aangekondigd in de regelgeving voor stikstofemissie en -reductie. Als deze nieuwe manieren landelijk erkend en juridisch geborgd worden in wet- en regelgeving, kan van die nieuwe manieren worden uitgegaan.

Als een veehouder een bepaalde emissiearme techniek heeft gerealiseerd om aan de reductieverplichting te voldoen en die techniek ook is geborgd in de omgevingsvergunning, maar die techniek blijkt volgens een latere wijziging van bijlage V of VI niet meer te volstaan, dan hoeft de veehouder niet opnieuw te investeren in weer een andere techniek om per 1 januari 2035 aan deze verplichte stikstofemissiereductie te voldoen. Als de met die techniek behaalde reductie aantoonbaar de plafondwaarde niet haalt, zal na 1 januari 2035 worden bezien of die waarde alsnog op een andere wijze kan en moet worden bereikt. Daarbij zal in het kader van maatwerk en ‘hardheid’ (evenredigheid) rekening worden gehouden met de gangbare afschrijvingstermijn van de te goeder trouw (immers uitgaande van de op dat moment geldende regelgeving) gedane investeringen.

Lid 5 Heeft een veehouder meerdere dierenverblijven in het stikstofreductiegebied, met wellicht ook meerdere diersoorten, dan mag hij onderling verrekenen. Hij berekent per dierenverblijf de referentiewaarde en de plafondwaarde, en telt de plafondwaarden bij elkaar op. Vervolgens mag hij op verschillende manieren (zie artikel 4a.6, lid 3) per dierenverblijf reductiemaatregelen nemen, zolang de optelsom van de daaruit resulterende emissies de totale plafondwaarde maar niet overschrijdt. Het ene dierenverblijf zou hij wellicht ‘traditioneel’ kunnen houden, mits hij bij een ander dierenverblijf extra reduceert.

Lid 6 Voor een toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar (de toelichting bij) artikel 4a.7 (criteria vrijstelling).

Toelichting op de Bijlage Tabel reductiefactor per diercategorie

De tabel in deze bijlage bevat de reductiefactoren per diercategorie. De indeling per diercategorie is ontleend aan de Omgevingsregeling, bijlage V. De reductiefactor per diercategorie is het percentage, waarmee de emissie moet worden gereduceerd, uitgaande van de emissiefactor ‘Overig’, dus van een traditionele stal. In de meeste gevallen is die factor bepaald door te kiezen voor de grenswaarden in kolom C (voor dierenverblijven opgericht op of na 1 januari 2018) in de tabellen 4.818 en 4.820 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving.

Voor een aantal diercategorieën wordt een zwaardere reductiefactor per 1 januari 2035 opgelegd:

  • Voor melkveehouderijen met meer dan 100 stuks melkvee (exclusief jongvee) wordt uitgegaan van een reductiefactor van 54%. Deze kan worden bereikt met bijvoorbeeld een koetoilet of Lelysphere. Gelet op de hoeveelheid dieren op deze melkveebedrijven en de uitstoot in het stikstofreductiegebied is de noodzaak tot meer reductie groter. Verwachting is dat bij deze bedrijfsomvang een duurdere techniek gemakkelijker kan worden geëxploiteerd, mede omdat de provincie subsidiemiddelen beschikbaar zal stellen.

  • Voor vleeskalveren is de grenswaarde uit artikel 4.819 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving eveneens verhoogd. Deze kan worden bereikt door het stalsysteem te voorzien van een aanvullende techniek. Er zijn nu reeds technieken op de markt die meer kunnen reduceren. Er zijn drie verschillende chemische luchtwassers die tot 95% emissie reduceren. We gaan echter uit van wat redelijk (haalbaar en betaalbaar) is en leggen de lat iets lager.

  • In het stikstofreductiegebied liggen enkele paardenfokbedrijven. Voor deze veehouderijen zijn geen staltechnieken en aanvullende technieken beschikbaar om de stikstofreductie te realiseren. De enige reductiemaatregel voor deze veehouderijtak zou dan het reduceren van het aantal gehouden paarden zijn. Zo’n maatregels is niet evenredig of proportioneel, omdat paardenhouderijen een relatief lage emissie en lage veebezetting hebben. Om die reden is deze veehouderijtak vrijgesteld van de reductieplicht. Voor dekberen, struisvogels en schapen is eveneens 0% aangehouden omdat daar geen emissiereducerende stalsystemen of technieken voor beschikbaar zijn. Schapen en struisvogels worden buiten gehouden. Het aantal dekberen is klein en zal niet snel in aantal toenemen omdat daar geen markt voor is.

  • Mogelijk willen veehouders omschakelen naar kalkoenen, geiten, eenden of parelhoenders etc. Voor die diercategorieën zijn ook reductiefactoren opgesteld. We weten dat er voor deze diercategorieën nog geen emissiereducerende stalsystemen of technieken beschikbaar zijn, maar we gaan er echter van uit dat dit in 2035 wel het geval is. Door nu al een hoge reductiefactor op te nemen, wordt voorkomen dat veehouders omschakelen naar deze diercategorieën en zo een emissiereductieplicht te ontlopen. De reductiefactor bevat ook een uitdaging voor deze kleine sectoren om in de komende jaren reducerende technieken te ontwikkelen.

  • De percentages die hier genoemd worden zijn niet vergelijkbaar met de percentages die voor vergunningverlening en de beleidsregels salderen worden gebruikt. Stalmodernisering en de beleidsregels hebben een andere grondslag en systematiek. De reductiepercentages voor stalmodernisering hebben als grondslag het aantal dieren op 23 april 2025, emissiewaarden traditionele stal op basis van Bijlage V uit de omgevingsregeling en de grenswaarde Bal kolom C. Voor melkvee met minder dan 100 dieren kom dat op 34% (zie bijlage Bepaling plafondwaarde veehouderij in dit stuk). Bij de beleidsregel intern salderen is de grondslag emissie volgens de aanwezige vergunning, het aantal dieren maal de stalemissie op het moment van aanvraag, minus de niet structureel benutte ruimte. Daarvan wordt 35% afgeroomd voor de natuur.

Artikel 4a.7 (regels reductie emissie stikstof: criteria vrijstelling)

Lid 1 Voor (melk)veehouderijen geldt een aantal uitzonderingen op zowel het uitbreidingsverbod (artikel 4a.5) als de verplichte stalmodernisering (artikel 4a.6). Voor zover een vrijstelling uitbreiding mogelijk maakt, laat dit onverlet dat er voor die uitbreiding een omgevingsplicht kan gelden voor een Natura2000-activiteit. 

De (onderbouwing voor deze) vrijstellingen worden hieronder toegelicht.

  • a.

    Uit het WUR-rapport nr. 2025.159 ‘Overzicht en prioritering van landbouwmaatregelen voor lucht-, water- en bodemkwaliteit en agrobiodiversiteit’ blijkt dat biologische bedrijven een 40 tot 50% lagere ammoniakemissie hebben ten opzichte van gangbare bedrijven. Biologische bedrijven zijn extensief; ze hebben een veebezetting van max. 1,6 GVE/ha. Of een bedrijf biologisch is, blijkt uit de SKAL-certificering, die de veehouder kan tonen. Deze certificering staat onder jaarlijks toezicht van een SKAL-inspecteur.

  • b.

    Bij deze vrijstelling gaat het om het aantal stuks vee op het bedrijf, uitgedrukt in grootvee-eenheden (zie de rekentabel op Grootvee eenheden (GVE) nieuwe Controleverordening | Publicatie | NVWA), gedeeld door de bij het bedrijf in gebruik zijnde gronden. Het mag ook gaan om gronden die in gebruik zijn en die buiten het stikstofemissiegebied liggen. De gemiddelde veebezetting voor melkveehouderijen is in Gelderland 3,2 GVE/hectare. Met een norm van 1,5 GVE/ha is dus sprake van een halvering. Een lage veebezetting leidt automatisch tot een lagere ammoniakemissie. De veehouder kan de veebezetting aantonen via de Gecombineerde Opgave, die elke veehouder jaarlijks moet doen aan de RVO.

  • c.

    Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling moet de veehouder een overeenkomst voor agrarisch natuurbeheer kunnen overleggen. Die overeenkomst moet zijn afgesloten voor minimaal 20% van de gronden waar de veehouder rechten op heeft (dus: in eigendom, in pacht of anderszins in langdurig gebruik). In deze overeenkomst zijn maatregelen vastgelegd die gepaard gaan met extensiever beheer van de landbouwgrond, zoals bijvoorbeeld lagere mestgiften. Zo draagt agrarisch natuurbeheer bij aan emissiereductie. Agrarisch natuurbeheer is tevens gericht op een grotere biodiversiteit op de landbouwpercelen, en kan ook gaan om beheer van landschapselementen. Zulke maatregelen kunnen bijdragen aan herstel van de natuur. Daarom is agrarisch natuurbeheer in de nabije omgeving één van de herstelmaatregelen, opgenomen in natuurbeheerplannen. Het percentage van 20% is in de praktijk een hoog percentage, wat daarmee leidt tot een extensieve bedrijfsvoering, één van de perspectieven uit ‘het trappetje van Remkes’. Ook hier mag het gaan om gronden waar de veehouder rechten op heeft, die buiten het stikstofemissiegebied liggen.

  • d.

    Deze vrijstelling geldt als de veehouder gedurende minimaal 3020 uur per melkkoe per jaar weidegang toepast. Dit is ruim 500 uur meer dan de 2500 uur die verplicht is voor de eco-premie. Ook deze uitzondering wordt onderbouwd in het WUR-rapport nr. 2025.159 ‘Overzicht en prioritering van landbouwmaatregelen voor lucht-, water- en bodemkwaliteit en agrobiodiversiteit’. Daarin staat, dat 500 uur meer weidegang maar liefst tot 50% emissiereductie kan opleveren.

  • e.

    Bij de vrijstelling voor tijdelijke leegstand gaat het erom dat per kalenderjaar sprake is van tijdelijke leegstand van de huisvesting. Deze uitzondering is er voor veehouders die niet één van bovenstaande vrijstellingen (a tot en met d) kunnen profiteren. Met de tijdelijke leegstand in de huisvesting is bedoeld dat er tijdelijk geen vee aanwezig is op het bedrijf. De verplichte periode is gedurende 18 aaneengesloten weken. Dat is 35% van het jaar. Deze vrijstelling leidt dan ook naar verwachting tot een emissiereductie van ca. 35%. Het kan zijn, dat het vee in die periode elders gehuisvest moeten worden. De bewijslast ligt bij de veehouder. Degenen die onder de uitzondering willen vallen, dienen hierover jaarlijks aan de provincie bewijzen te verstrekken.

 Lid 2 Een (melk)veehouder kan van de vrijstelling gebruik maken door jaarlijks aan het bevoegd gezag aan te tonen dat aan het van toepassing zijnde criterium wordt voldaan.

Artikel 4a.8 (regels reductie emissie stikstof: verbod toepassing stikstofkunstmest)

Dit artikel beoogt het voorkomen van stikstofuitstoot nabij kwetsbare gebieden door het gebruik van stikstofhoudende kunstmest te verbieden. Onder stikstofkunstmest worden in dit artikel alle minerale anorganische meststoffen verstaan die een stikstofcomponent bevatten. Meststoffen die voortkomen uit circulaire mestverwerking en een stikstofcomponent bevatten worden als minerale anorganische meststoffen beschouwd. Particulier gebruik op niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde gronden, zoals tuinen bij woonhuizen, is uitgezonderd. De reden hiervan is dat de bijdrage aan stikstofdepositie verwaarloosbaar is en handhaving op dit niveau niet mogelijk is. Het verbod geldt wel voor bijvoorbeeld voetbalvelden, golfbanen en paardenweiden.

Artikel 4a.9 (regels reductie emissie stikstof: verbod omzetten en scheuren grasland)

Deze regel beoogt dat huidige grasland permanent grasland blijft. Grasland zorgt voor een hoge koolstofopbouw in de bodem. Ook neemt gras veel meststoffen op. Het risico van scheuren van grasland is dat de opgebouwde koolstof in de bodem verloren gaat. De uitzonderingen op het scheurverbod zijn – in afwijking van artikel 4.1215 van het Besluit activiteiten leefomgeving – beperkt tot graslandvernieuwing en onkruidbestrijding, dus wanneer er na het scheuren weer opnieuw gras wordt gezaaid.

Lid 1 De term weidegronden wordt in (bijlage 1 bij artikel 1.1 van) het Besluit activiteiten leefomgeving omschreven als ‘landbouwgronden, natuurgronden en overige gronden die voor ten minste 50% zijn beteeld met gras voor het beweiden van dieren of voor het gebruik als voer voor dieren’. De genoemde typen grasland verwijzen naar RVO-gewascodes:

  • 265 (blijvend grasland): grasland dat minstens 5 jaar achter elkaar blijft liggen;

  • 331 (natuurlijk grasland, landbouw): natuurlijk grasland met landbouwactiviteiten (bijvoorbeeld bemesten, maaien en daardoor een hogere opbrengst); en

  • 332 (natuurlijk grasland, natuur): natuurlijk grasland met focus op natuurdoelen, minder of geen landbouw.

Het scheurverbod geldt alleen voor agrarische bedrijven en niet voor particuliere weidegronden in gebruik voor het houden van hobbypaarden.

Lid 2 Deze uitzondering (of vrijstelling) sluit aan bij enkele uitzonderingen, die zijn opgenomen in artikel 4.1215, tweede lid, onderdeel 2, sub b, onder 2° en 3°, van het Besluit activiteiten leefomgeving (uitzonderingen op het verbod vernietigen zode gras op weidegronden).

Artikel 4a.10 (regels reductie emissie stikstof: beperking stikstofemissie bij gebruik mobiele werktuigen)

Lid 1 In deze bepaling is aanvullend op artikel 7.19a van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) een verplichting opgenomen tot het beperken van de emissie van stikstofoxiden of -verbindingen in of naar de lucht die worden veroorzaakt door het gebruik van mobiele werktuigen. Artikel 7.19a Bbl schrijft voor dat bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden adequate maatregelen getroffen moeten worden om die emissie te beperken. In de routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) zijn voor (en in overleg met) de bouwsector (minimum)eisen opgenomen die door het bevoegd gezag gebruikt kunnen worden als invulling van die ‘adequate maatregelen’. De Routekaart voor Schoon en Emissieloos Bouwen (zie https://www.opwegnaarseb.nl/wat-is-seb/routekaart-seb of https://open.overheid.nl) is een gezamenlijk initiatief van overheden, marktpartijen en kennisinstellingen. Voor deze bepaling die ziet op andere (bedrijfsmatige) activiteiten dan bouw- en sloopwerkzaamheden waarbij gebruik gemaakt wordt van mobiele werktuigen is expliciet aangehaakt bij de eisen uit deze routekaart.

Onder ‘mobiele werktuigen’ worden in dit artikel verstaan: gemotoriseerde machines met een eigen aandrijving die draagbaar, verrijdbaar of anderzijds op verschillende plaatsen inzetbaar zijn, inclusief drijvend materieel, die niet hoofdzakelijk bedoeld zijn voor transport van mensen of goederen. Bij mobiele werktuigen moet onder andere gedacht worden aan bouwkranen, shovels, graafmachines, aggregaten, hoogwerkers, heftrucks of maaimachines en ook aan kleiner materieel zoals bladblazers.

Bedrijfsmatig gebruik is alle gebruik uitgezonderd gebruik door particulieren en hobbymatig gebruik, bijvoorbeeld in verenigingsverband. Gebruik van mobiele werktuigen door niet-gouvernementele organisaties, zoals Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten, of door woningcorporaties geldt als bedrijfsmatig gebruik.

In afwijking van de routekaart is een ruime termijn gegund aan de sectoren die het betreft om aan deze reductieplicht te gaan voldoen (met ingang van 2035). 

Lid 2 Voor werkzaamheden in opdracht van de diverse overheden of overheidsinstellingen gaan deze eisen al eerder gelden. Vanuit een voorbeeldfunctie geldt voor een publieke opdrachtgever een hoger ambitieniveau. Bovendien zijn deze publieke opdrachtgevers – waterschappen, gemeenten, provincies en de rijksoverheid inclusief rijksdiensten – al partij bij het SEB-convenant.

De verplichte emissiereductie voor publieke opdrachtgevers geldt vanaf 2030 ook voor voer- en vaartuigen uit tabel 12.

Niet-gouvernementele organisaties zoals bijvoorbeeld Staatsbosbeheer en woningcorporaties gelden niet als publieke opdrachtgevers.

Lid 3 Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden geldt al een generieke verplichting om adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken (artikel 7.19a van het Besluit bouwwerken leefomgeving). Om die reden worden die werkzaamheden uitgezonderd. Die uitzondering betreft dus het bouwen of slopen van bouwwerken zoals bijvoorbeeld woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en tunnels. Die uitzondering geldt niet voor bijvoorbeeld het gebruik van mobiele werktuigen bij de aanleg van (spoor)wegen, bij het beheer van groen en bij beheer en onderhoud van bouwwerken. Deze bepaling in de omgevingsverordening werkt aanvullend op de rijksregels en is dus alleen van toepassing voor zover de werkzaamheden niet onder de reikwijdte van artikel 7.19a van het Besluit bouwwerken leefomgeving vallen. 

Er is (nog) geen expliciete uitzondering opgenomen voor het agrarisch gebruik van mobiele werktuigen. Zo’n uitzondering, bijvoorbeeld ten aanzien van tractoren, vergt nog nader onderzoek. De uitzondering zal in samenspraak met de sector worden uitgewerkt, waarbij rekening wordt gehouden met de positie van loonbedrijven en ook het gebruik van landbouwwerktuigen buiten de landbouwsector. Daarnaast speelt ook de specifieke aard van deze sector een rol. Veel agrarische machines gaan lang mee voordat ze afgeschreven zijn. Sommige agrarische werktuigen zijn zo specialistisch, dat ook op de langere termijn een betaalbare elektrische variant moeilijk of niet te verkrijgen is. Ook kan het extra gewicht van elektrische machines problematisch zijn voor de ondergrond.

HH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.2 (geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van afwijkingsmogelijkheden)

Lid 1 Afdeling 1.3 bevat instrumenten om af te wijken van instructieregels. In artikel 5.2, eerste lid, is aangegeven in welke gevallen geen gebruik kan worden gemaakt van deze mogelijkheid. Dat is bijvoorbeeld het geval bij specifieke natuurbeheertypen, weidevogelgebieden  en werelderfgoedweidevogelgebieden. Daarnaast is afdeling 1.3 niet van toepassing op de instructieregels over de inhoud van een omgevingsplan met betrekking tot de bescherming van het grondwater vanwege de drinkwaterwinning. Voor een duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening zijn in waterwingebieden alleen functies toegestaan die geen negatieve effecten kunnen hebben op de kwaliteit van het grondwater. Hier kan niet van worden afgeweken. In waterwingebieden is bescherming van de winning en grondwater bestemd voor de drinkwaterwinning van het hoogste belang. Voor grondwaterbeschermingsgebieden geldt eigenlijk hetzelfde, maar daarbij is op basis van de instructieregel zelf (artikel 5.57) al sprake van een specifieke afwijkingsmogelijkheid in de vorm van een compensatiemogelijkheid, wanneer negatieve effecten niet kunnen worden voorkomen.

Lid 2: In artikel 5.2, tweede lid, is een specifieke ontheffingsmogelijkheid opgenomen voor activiteiten binnen het werelderfgoed. Deze afzonderlijke bepaling hangt samen met de ‘getrapte’ instructieregel van het Rijk in artikel 7.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Gedeputeerde Staten kunnen alleen ontheffing verlenen, voor zover die ontheffing past binnen de daarvoor door het Rijk gestelde criteria in het vijfde lid van artikel 7.4 Bkl.

II

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.48 (oogmerk instructieregels over de Neder-Germaanse Limes)

Het Werelderfgoedverdrag (UNESCO) heeft als doel om erfgoed dat van unieke en universele waarde is voor de mensheid, beter te kunnen bewaren voor toekomstige generaties. De Neder-Germaanse Limes staat sinds juli 20222021 op de Lijst van Werelderfgoed.

JJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.49 (nadere uitwerking kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes)

Ter uitvoering van artikel 7.2, tweede lid, onder b Besluit kwaliteit leefomgeving worden in bijlage Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes bij deze omgevingsverordening de kernkwaliteiten uitgewerkt.

De kernkwaliteiten zijn de in bijlage XVII van het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdlijnen beschreven essentiële kenmerken van het aanwezige landschap en cultureel erfgoed. Een concrete uitwerking - op detailniveau - vindt plaats in handboeken. Zie bijlage Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes voor meer uitleg en toelichting.

KK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.50 (omgevingsplan binnen de Neder-Germaanse Limes)

Lid 1: Ter uitvoering van artikel 7.4, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden regels gesteld over de toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, met het oog op het behoud van de (uitgewerkte) kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes. Deze instructieregel is bewust algemeen geformuleerd, zodat de gemeente enige ruimte voor invulling heeft. Die ruimte wordt begrensd in het tweede lid.

Lid 2: De afweeg- of invulruimte voor de gemeente bij het toedelen van functies aan locaties in of nabij het werelderfgoed wordt op drie punten begrensd. Onderdeel a is ontleend aan artikel 4.29, tweede lid, van de Omgevingswet. Ter uitvoering van artikel 7.4, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt in onderdeel b bepaald dat de kernkwaliteiten niet mogen worden aangetast. Gelet op de achterliggende internationale verplichtingen die Nederland bij aanmelding van dit werelderfgoed is aangegaan, kan niet van deze instructieregel worden afgeweken. Zie ook artikel 5.2 van deze verordening. 

In onderdeel c is een vrijstelling opgenomen voor activiteiten met een beperkte omvang.

Lid 3: In het kader van maatwerk en subsidiariteit wordt de gemeente de mogelijkheid geboden om de in het tweede lid, onder c, gegeven vrijstellingsmogelijkheid aan te passen aan de lokale situatie.

LL

Na sectie 5.62 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 5.62a (aanwijzing woningbouwregio’s)

Ter uitvoering van artikel 7.8b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden woningbouwregio’s aangewezen. Artikel 7.8b Bkl geeft expliciet aan dat een woningbouwregio de verzameling van gemeenten bevat die voor de woningbouwopgave uit een oogpunt van een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad als een eenheid moet worden aangemerkt. En daarbij wordt nog aangetekend dat in een provincie een of meer woningbouwregio’s worden aangewezen en dat de in de provincie gelegen gemeenten in ten hoogste één woningbouwregio worden ingedeeld. Toepassing van deze uitgangspunten heeft geleid tot de in dit artikel aangegeven indeling. De enige afwijking ten opzichte van de eerder gehanteerde indeling voor de regionale woonagenda en de woondeals is dat de gemeente Nijkerk aanhaakt bij de naastgelegen Utrechtse woningbouwregio. De buiten de provincie Gelderland gelegen gemeenten die wel deel uitmaken van een ‘Gelderse’ regio, worden door de betrokken provincies bij die regio’s ingedeeld.

MM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.68 (regionaal programma werklocaties)

Lid 1: In een regionaal programma werklocaties worden afspraken gemaakt over toekomstbestendigheid en programmering van bedrijventerreinen. Gedeputeerde Staten geven per regio aan of er ook afspraken gemaakt moeten worden over perifere detailhandel of kantoren. De verantwoordelijkheid om een regionaal programma te maken en actueel te houden, ligt bij de gemeenten in de afzonderlijke regio's. De provincie is in elke regio als partner actief betrokken bij het opstellen en uitwerken van de afspraken.

Lid 2: Een regionaal programma werklocaties is geen statisch document. Jaarlijks wordt met elke regio in een bestuurlijk overleg de stand van zaken rond de afspraken in het regionaal programma werklocaties besproken. Daarbij speelt monitoring van de feitelijke ontwikkelingen (feitelijke uitgifte, het beschikbare aanbod en de actuele vraag) een belangrijke rol. Afhankelijk van feitelijke ontwikkelingen worden de regionale afspraken bijgesteld of aangescherpt. Als uitgangspunt geldt dat een regionaal programma in elk geval vierjaarlijks wordt geactualiseerd. Als de resultaten van de jaarlijkse monitoring daartoe aanleiding geven of als zich nieuwe ontwikkelingen voordoen, worden de afspraken tussentijds geactualiseerd.

Lid 3: Als de vierjaarlijkse actualiseringstermijn door omstandigheden niet gehaald wordt, rijst de vraag of het regionaal programma werklocaties ook na afloop van die termijn nog geldt of van rechtswege is komen te vervallen. In dit lid wordt met het oog hierop expliciet bepaald dat zo’n programma blijft gelden, tot het geactualiseerde programma in werking treedt.

NN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.69 (inhoud regionaal programma werklocaties)

In artikel 5.69 wordt aangegeven welke onderdelen in een regionaalwerkprogramma in ieder geval aan de orde moeten komen. Het doel van deze regionale afstemming is om op basis van een goede analyse (eerste lid) entot een heldere visie (tweede lid) tot heldereen afspraken (derdetweede lid) te komen over de gewenste toekomstbestendige, ruimtelijk-economische ontwikkeling van werklocaties passend bij het economisch profiel, de ambities en omgevingskwaliteiten van de regio.

Lid 1: Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de evenwichtige toedeling van functies op lokaal niveau. De bedrijventerreinenmarkt heeft echter nadrukkelijk ook een regionale component. De ontwikkeling van een bedrijventerrein of keuze van locatie voor een nieuwvestiging die vanuit één gemeente bezien aantrekkelijk en logisch lijkt, hoeft dit vanuit het bredere, regionale perspectief niet te zijn. In een regionaal programma werklocaties wordt vanuit dat bredere perspectief gekeken naar de gezamenlijke opgave.

Lid 1: Om een goede afweging te kunnen maken over de doorontwikkeling van terreinen en toevoegingen aan de bestaande voorraad is het allereerst noodzakelijk om inzicht te hebben in hoe de bestaande bedrijventerreinen ervoorstaan en hoe de vraag zich ontwikkelt in de regio. Bij het inschatten van de vraag is het van belang om zowel rekening te houden met bestaande knelpunten bij bedrijven als met trends die invloed kunnen hebben, zoals een circulaire economie.

Lid 2: Vervolgens is het belangrijk om duidelijk te krijgen hoe de regio daarmee om wil gaan op basis van een visie op toekomstbestendigheid, het gewenste economisch profiel en een evenwichtige afweging van het gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van de vraag naar werklocaties en het in stand houden of verbeteren van de omgevingskwaliteiten. Welk profiel streeft de regio na en welke bedrijven hebben toegevoegde waarde voor de regio? Hoe kan de gewenste economische ontwikkeling regionaal het beste worden vormgegeven, rekening houdend met de omgevingskwaliteiten in de regio? Op basis van deze visie maakt de provincie waar nodig afspraken om op een goede wijze invulling te geven aan de ambities.

Lid 3 onderdeel a: De provincie stimuleert regio's om goed na te denken over het toekomstbestendig maken van de werklocaties en hier waar nodig gezamenlijk in op te trekken. Via de Aanpak toekomstbestendige bedrijventerreinen ondersteunt de provincie de regio's hierbij.

Lid 3 onderdelen b en c: Bij het bepalen van de gewenste toevoegingen aan de bestaande voorraad werklocaties geldt het uitgangspunt dat vraag en aanbod zowel kwantitatief als kwalitatief in evenwicht moeten zijn. Mocht er sprake zijn van over aanbod, dan verwacht de provincie afspraken over de aanpak hiervan. Om aan elk type bedrijf een goede plek te kunnen bieden, is per regio een divers en samenhangend aanbod aan typen werklocaties nodig. Bedrijven stellen immers verschillende eisen aan een locatie wat betreft bereikbaarheid, uitstraling, fysieke ruimte en milieugebruiksruimte. Dit betekent onder andere dat er voldoende kavels moeten zijn voor grootschalige logistiek, watergebondenbedrijven, kleinschalige lokale bedrijvigheid en bedrijven in de hogere milieucategorie.

Lid 3 onderdeel d: Bij het formuleren van randvoorwaarden voor nieuwe initiatieven worden in ieder geval de volgende elementen opgenomen:

Lid 2 onderdeel a: Welk economisch profiel streeft de regio na? Wat voor bedrijven en werk hoort daarbij? We willen dat de ruimte alleen wordt uitgegeven aan bedrijven die van regionale meerwaarde zijn. Deze bedrijven hebben een mate van regionale gebondenheid, dragen bij aan regionale economie, hebben maatschappelijke meerwaarde en gebruiken de ruimte zorgvuldig. Onderdeel van de afspraken is een regionale uitwerking van regionale meerwaarde en de wijze waarop gemeenten via gronduitgifte hierop sturen.

Lid 2 onderdeel b: Vanuit bedrijfsmatig en maatschappelijk oogpunt is het belangrijk dat het juiste bedrijf op de juiste plek landt. Dit vraagt om ruimtelijke sturing op zowel bestaande als nieuwe werklocaties. De provincie hanteert daarbij de volgende uitgangspunten:

  • a.

    De ladder voor duurzame verstedelijking: we ontwikkelen alleen nieuwe terreinen, als de bestaande terreinen optimaal zijn benut en ze van toegevoegde waarde zijn voor de bestaande voorraad. Dit vereist duidelijkheid over het profiel en het type bedrijvigheid waarvoor het terrein is bedoeld.

  • b 1.

    Vanuit bedrijfsmatig en maatschappelijk oogpunt is het belangrijk dat het juiste bedrijf op de juiste plek komt. De provincie hanteert daarbij de volgende uitgangspunten:

    Grootschalige bedrijven of bedrijven die milieuhinder of veel verkeersbewegingen veroorzaken, moeten een plek krijgen waar zij ruimte hebben om te ondernemen zonder hinder te ondervinden van andere functies. Andere functies, zoals wonen, moeten geen hinder ondervinden van de bedrijven. Veelal betekent dit functiescheiding. Voor grootschalige logistiek geldt aanvullend beleid waarmee wordt ingezet op clustering.

    • 1.

      grootschalige bedrijven of bedrijven die milieuhinder of veel verkeersbewegingen veroorzaken, moeten een plek krijgen waar zij ruimte hebben om te ondernemen zonder hinder te ondervinden van andere functies. Andere functies, zoals wonen, moeten geen hinder ondervinden van de bedrijven. Veelal betekent dit functiescheiding. Voor grootschalige logistiek geldt aanvullend beleid waarmee wordt ingezet op clustering;

    • 2.

      bedrijven die gemengd kunnen worden met andere functies, kunnen een plek krijgen in stedelijke gebieden met gemengde milieus buiten bedrijventerreinen of op bedrijventerreinen waar dit passend is (denk aan binnensteden, gemengde werklocaties);

    • 3.

      een bedrijf moet qua aard en schaal passen bij de omgevingskwaliteiten van de locatie;

    • 4.

      op bedrijventerreinen die ook ontsloten zijn door water, worden kavels bij voorkeur benut door watergebonden en waterverbonden bedrijven. Bedrijfskavels die door een kade zijn ontsloten, moeten in beginsel beschikbaar blijven voor watergebonden bedrijvigheid;

    • 5.

      een integrale afweging bij de locatiekeuze, door waar nodig op regionaal niveau integraal te zoeken naar de beste locaties. Integraal wil zeggen: niet alleen rekening houden met het bedrijfsperspectief, maar ook met de omgevingskwaliteiten en andere ruimteclaims, zoals woningbouw, energietransitie, klimaatadaptatie. Zeker bij de locatiekeuze en vormgeving van grotere terreinen en clusters is dit van belang.

  • c 2.

    Bij de toekomstbestendige inrichting van terreinen ligt de provinciale focus op een goede digitale ontsluiting, duurzaamheid en organisatiegraad.

    Bedrijven die gemengd kunnen worden met andere functies, dienen een plek te krijgen in stedelijke gebieden met gemengde milieus buiten bedrijventerreinen of op bedrijventerreinen waar dit passend is (denk aan binnensteden, gemengde werklocaties). Dit vraagt om het creëren van economisch programma in stedelijk gebied en duidelijkheid over het toekomstperspectief van werklocaties.

  • d 3.

    De provincie ziet duurzaamheid breed: energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en circulariteit. De huidige landelijke normen voor de bouw van bedrijventerreinen en bedrijfsgebouwen zijn onvoldoende om de provinciale duurzaamheidsdoelstellingen te halen. Daarom wil de provincie aanvullende afspraken maken met gemeenten over het realiseren van een hoger duurzaamheidsniveau: zo duurzaam mogelijk, afhankelijk van wat er voor de locatie en bedrijfstak realistisch en haalbaar is.

    Een bedrijf moet qua aard en schaal passen bij de omgevingskwaliteiten van de locatie.

  • e 4.

    Een goede samenwerking tussen bedrijven is essentieel voor een langdurig goed functionerend bedrijventerrein. Daarom wil de provincie bij de aanleg van nieuwe terreinen met gemeenten afspraken maken over het borgen van de organisatiegraad, bij voorkeur via parkmanagement.

    Op bedrijventerreinen die ook ontsloten zijn door water, worden kavels bij voorkeur benut door watergebonden en waterverbonden bedrijven. Bedrijfskavels die door een kade zijn ontsloten, moeten in beginsel beschikbaar blijven voor watergebonden bedrijvigheid.

Lid 2 onderdeel c: We beschermen de huidige oppervlakte en kwaliteit van werklocaties. Als de fysieke ruimte of milieuruimte voor werklocaties op een bepaalde locatie niet beschermd kan worden en dus vermindert of verdwijnt, dan moet deze ruimte op een andere locatie in de regio gecompenseerd worden. Uitgangspunt hiervoor is het werken met een compensatieplan (zie artikel 5.71a en bijbehorende toelichting).

Lid 2 onderdeel d: het is belangrijk dat de visie en uitgangspunten voor het juiste bedrijf op de juiste plek worden doorvertaald naar het profiel van de werklocaties. Voor welke bedrijven zijn de terreinen bedoeld? Dit is randvoorwaardelijk voor sturing op het beter benutten van werklocaties en het bepalen van welke type werklocaties aanvullend nodig zijn.

Lid 2 onderdeel e: Ruimtelijk beter benutten betekent het intensiveren van het ruimtegebruik op bestaande bedrijventerreinen door bijvoorbeeld onderbenutte delen te bebouwen, gezamenlijke (parkeer)faciliteiten te creëren, leegstaande panden te herstructureren en opslaglocaties efficiënter in te richten. Functioneel beter benutten houdt in dat het juiste bedrijf op de juiste plek kan landen en de economische functies worden geoptimaliseerd.

Wij zetten daarbij in ieder geval in op:

  • 1.

    het weren van mengbare bedrijven op werklocaties en hiervoor economisch programma te realiseren in het stedelijk gebied;

  • 2.

    uit te sluiten dat bedrijven met een lage milieucategorie zich kunnen vestigen op kavels die specifiek bedoeld zijn voor bedrijven met een hoge milieucategorie; en

  • 3.

    benutting van watergebonden kavels door watergebonden bedrijvigheid.

Lid 2 onderdeel g: We streven naar evenwicht van vraag en aanbod, zowel kwantitatief als kwalitatief. Om aan elk type bedrijf een goede plek te kunnen bieden, is per regio een divers en samenhangend aanbod aan typen werklocaties nodig. Bedrijven stellen immers verschillende eisen aan een locatie wat betreft bereikbaarheid, uitstraling, fysieke ruimte en milieugebruiksruimte. Dit betekent onder andere dat er voldoende kavels moeten zijn voor grootschalige logistiek, watergebonden bedrijven, kleinschalige lokale bedrijvigheid en bedrijven met een hoge milieugebruiksruimte.

Lid 2 onderdeel h: Bij het formuleren van randvoorwaarden voor nieuwe initiatieven worden in ieder geval de volgende elementen opgenomen:

  • 1.

    De ladder voor duurzame verstedelijking: we ontwikkelen alleen nieuwe terreinen, als de bestaande terreinen optimaal zijn benut en ze van toegevoegde waarde zijn voor de bestaande voorraad. Dit vereist duidelijkheid over het profiel en het type bedrijvigheid waarvoor het terrein is bedoeld.

  • 2.

    De visie en afspraken over het juiste bedrijf op de juiste plek en profiel van werklocaties uit lid 2 onderdeel c en d worden doorvertaald naar nieuwe werklocaties. Voor elke werklocatie is duidelijk voor welke bedrijven het terrein bedoeld is. Dit wordt doorvertaald in het omgevingsplan, bijvoorbeeld door de minimale milieugebruiksruimte vast te leggen.

  • 3.

    Een integrale afweging bij de locatiekeuze, door waar nodig op regionaal niveau integraal te zoeken naar de beste locaties. Integraal wil zeggen: niet alleen rekening houden met het bedrijfsperspectief, maar ook met de omgevingskwaliteiten en andere ruimteclaims, zoals woningbouw, energietransitie, klimaatadaptatie. Zeker bij de locatiekeuze en vormgeving van grotere terreinen en clusters is dit van belang.

Lid 2 onderdeel i: Als onderdeel van de afspraken tussen het Rijk, IPO en VNG is afgesproken dat provincies samen met gemeenten zoekgebieden aanwijzen voor grootschalige bedrijvigheid om zo te borgen dat er ook op de lange termijn ruimte kan worden gecreëerd voor dit moeilijk inpasbare segment bedrijven.

Lid 32 onderdeel ejOm duidelijkheid te creëren over de te volgen procedure en onderlinge rolverdeling moeten hierover afspraken worden gemaakt. De toekomst laat zich moeilijk voorspellen. Het is daarom van belang dat de procedures in het regionaal programma werklocaties voldoende flexibiliteit kennen om te kunnen inspelen op veranderende omstandigheden.

Lid 32 onderdeel fk: Het is van belang de ontwikkelingen goed te monitoren, om te kunnen beoordelen of de gemaakte afspraken nog passend zijn of dat een actualisatie nodig is. Dit gebeurt in ieder geval 2 jaar na vaststelling van het regionaal programma werklocaties.

In de huidige werkwijze wordt er vanuit één sectoraal belang naar afstemming met andere belangen gezocht. Een in onze ogen gewenst ontwikkelperspectief is het maken van een integrale verstedelijkingsvisie met afspraken, waarvan werklocaties onderdeel uitmaken. Als een regio daarmee aan de slag wil, werken wij hier graag aan mee.

Lid 3 onderdeel a: Een goede samenwerking tussen bedrijven is essentieel voor een langdurig goed functionerend bedrijventerrein. Daarom wil de provincie bij de aanleg van nieuwe terreinen met gemeenten afspraken maken over het borgen van de organisatiegraad, bij voorkeur via parkmanagement.

Lid 3 onderdeel c: De ruimte op het elektriciteitsnet is beperkt. Niet alles kan overal. Nieuwe ontwikkelingen moeten daarom netbewust zijn, zodat ontwikkelingen minder ruimte innemen en er meer ontwikkelingen binnen schaarse netcapaciteit passen. Dit vergt afspraken die borgen dat locatiekeuzes worden afgestemd op de huidige netcapaciteit én de investeringsplannen van relevante onderstations, zodat aansluiting op redelijke termijn mogelijk is. Dit vraagt om vroegtijdige afstemming met de gemeente bij planvorming. Daarnaast is het belangrijk om werklocaties zo te ontwerpen dat het energieverbruik flexibel kan worden afgestemd op momenten van opwek en piekbelastingen op het net. Dit kan door inzet van decentrale oplossingen zoals opslag, piekmanagement en door bedrijven met een complementair energieprofiel (bijvoorbeeld dag- en nachtgebruik) te clusteren. Vraagsturing en slimme systemen helpen om pieken te vermijden en het net efficiënt te benutten.

Tot slot moet ook de mobiliteitsvraag en laadinfrastructuur worden meegenomen in het energieplan van de werklocatie. Laadvoorzieningen veroorzaken extra piekbelasting; daarom is het van belang om smart charging toe te passen en deze infrastructuur te koppelen aan lokale opwek en opslag.

Lid 4: Als over de locatiekeuzes voor detailhandelsvoorzieningen in een regionaalprogramma werklocaties afspraken worden gemaakt, wordt het in artikel 5.75 voor omgevingsplan regels gestelde kader bij die afspraken betrokken. Met de keuze voor «betrekken bij» (in plaats van «in acht nemen» of «rekening houden met»), wordt er in een regionaal programma werklocaties veel ruimte geboden voor een eigen afweging. Uiteraard zullen bij het maken van die afspraken ook de Ladder voor duurzame verstedelijking en de Dienstenrichtlijn betrokken moeten worden.

OO

Na sectie 5.71 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 5.71a beschermen milieugebruiksruimte bedrijventerreinen voor hoogste milieucategorie

Lid 1 en 2: De fysieke ruimte en milieugebruiksruimte van bedrijven op een bedrijventerrein kan op verschillende manieren onder druk komen te staan. Bijvoorbeeld door plannen voor transformaties, omvorming tot woon-werkgebieden of door (nieuwe) geluidgevoelige activiteiten, zoals woningbouw. Gezien het belang van bedrijven voor de economische structuur van de provincie Gelderland is het behoud van de oppervlakte en grootst mogelijke milieugebruiksruimte voor tenminste bedrijven met milieucategorie 4.1 (of vergelijkbaar volgens een andere systematiek, zie lid 4) van provinciaal belang als vestigingsvoorwaarde. Deze regeling heeft ook gevolgen voor nieuwe activiteiten in de omgeving van een bedrijventerrein. Bij het toelaten van nieuwe ontwikkelingen borgt het omgevingsplan dat deze nieuwe activiteiten, zoals een woningbouwontwikkeling, de milieugebruiksruimte voor bedrijven met milieucategorie 4.1 of hoger op het bedrijventerrein niet beperkt.

In de regionale afspraken werklocaties worden afspraken gemaakt over het beschermen en compenseren van ruimte op bestaande bedrijventerreinen in het kader van het uitgangspunt 'beschermen en behouden van de bestaande voorraad fysieke en milieugebruiksruimte inclusief compensatie' (zie artikel 5.69, lid 2, sub b). Het heeft de voorkeur om hierbij ook afspraken te maken over de bescherming van de milieugebruiksruimte van bedrijven met milieucategorieën lager dan 4.1, omdat deze segmenten ook schaars kunnen zijn en moeilijker op nieuwe plekken te realiseren zijn. Alleen als het verminderen of beperken van fysieke ruimte of milieugebruiksruimte past binnen deze gemaakte afspraken kan de ontwikkeling mogelijk worden gemaakt. Uitgangspunt hierbij is dat verloren gegane fysieke of milieuruimte wordt gecompenseerd. Werkwijze is in principe dat een compensatieplan moet worden goedgekeurd door de regio en Gedeputeerde Staten. Hieronder bij lid 3 wordt de werking van het compensatieplan verder toegelicht.

Lid 3: Als een initiatief tot verminderen van fysieke of milieugebruiksruimte niet past binnen de afspraken van het regionaal programma werklocaties kan deze toch mogelijk worden gemaakt als de regio en Gedeputeerde Staten willen meewerken aan het initiatief en zij de compensatie afdoende vinden. De eerste stap is dat de gemeente in overleg treedt met de regio en provincie. Als het initiatief kansrijk lijkt stelt de gemeente een compensatieplan op waarin het initiatief wordt beschreven en de manier waarop de verloren fysieke en milieugebruiksruimte wordt gecompenseerd. In het compensatieplan staat een onderbouwing van het aantal vierkante meters terrein / BVO bedrijfsruimte, arbeidsplaatsen en de milieugebruiksruimte in de huidige en toekomstige situatie (voor zover van toepassing). Het uitgangspunt is om het aantal m2 terrein / BVO minimaal gelijk te houden. Gemeenten kunnen daar onderbouwd van afwijken, bijvoorbeeld vanwege efficiënter ruimtegebruik, ruimtegebruik per baan te verlagen, specifieke locatiekenmerken, etc. Sturing op het beter benutten van de overgebleven fysieke en milieugebruiksruimte kan ook onderdeel uitmaken van het compensatieplan, bijvoorbeeld door het invoeren van een minimale milieugebruiksruimte.

In de beoordeling van het compensatieplan kijkt de regio en GS vanuit een brede welvaartsperspectief integraal naar al deze aspecten. Vraag 1 is of zij willen meewerken aan het initiatief. Vraag 2 is of zij de compensatie afdoende vinden. Dit is elke keer maatwerk en afhankelijk van de lokale en regionale situatie.

Compensatie wordt in eerste instantie binnen de eigen gemeente geregeld. Als dit niet mogelijk is, moeten er afspraken worden gemaakt met omliggende gemeenten, waarbij rekening moet worden gehouden met het voortzetten van bestaande bedrijfsactiviteiten (o.a. aansluiting heeft op het energienet). Als ook dit niet mogelijk en passend is, worden de afspraken op bovenregionaal niveau gemaakt.

PP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.72 (solitaire bedrijvigheid)

Lid 1: Voor solitaire bedrijvigheid die volgens de huidige planologische inzichten op een bedrijventerrein thuishoort, is in beginsel geen plek in het buitengebied.

Lid 2: Het verbod op nieuwvestiging van solitaire bedrijvigheid in het buitengebied geldt niet als er sprake is van functieverandering bij een bestaand bedrijf of als de ontwikkeling past binnen de afspraken over solitaire bedrijvigheid in het regionaal programma werklocaties.

Onder «functieverandering» wordt verstaan een ontwikkeling die:

  • a.

    leidt tot hergebruik van bestaande bebouwing;

  • b.

    zorgt voor een kwaliteitsverbetering in het gebied; en

  • c.

    daar qua aard, schaal en functie past.

De regionale afspraken over functieverandering passen in elk geval binnen deze definitie.

Lid 3: Bestaande bedrijven in het buitengebied, die naar de huidige planologische inzichten thuishorenthuis- horen op een bedrijventerrein, zijn vaak kleinschalig begonnen en steeds verder doorgegroeid. In sommige gevallen leveren ze hinder op voor de omgeving. Gemeenten zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor de integrale ruimtelijke afweging hierbij. Pas als met een uitbreiding van meer dan 250 vierkante meter de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing boven de 1000 vierkante meter komt, heeft de provincie randvoorwaarden opgenomen vanwege de relatie met het regionaal programmapro- gramma werklocaties. Vanaf deze grootte is uitbreiding niet mogelijk, tenzij de uitbreiding past binnen regionale afspraken hierover of, als er geen regionale afspraken over zijn gemaakt, de uitbreidinguit- breiding qua aard en schaal past bij de omgeving, én de uitbreiding onder het overgangsrecht wordt gebracht. Onder dit bedrijfsgebonden overgangsrecht (voorheen: maatbestemming) kan na bedrijfsbeëindigingbedrijfs- beëindiging niet elke andere vorm van bedrijvigheid op een locatie in het buitengebied worden gestart.

QQ

Na sectie 5.83 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 5.83a (verbod omgevingsplan nieuwvestiging en uitbreiding veehouderij binnen het stikstofreductiegebied)

De verboden in de artikelen 4a.4 en 4a.5 worden tijdelijk opgenomen in de omgevingsverordening als rechtstreeks-werkende regel, zodat het verbodsregiem dat geldt met ingang van 23 april 2025 (datum inwerkingtreding voorbereidingsbesluit, Provinciaal blad 2025 nr. 6530) wordt gecontinueerd. Met dit artikel wordt beoogd dat deze verbodsbepalingen alsnog worden opgenomen in het omgevingsplan. Normaal gesproken zou dit (kunnen) worden geregeld met een instructieregel in (aansluiting bij) paragraaf 5.7.5. Voor deze afwijkende constructie is gekozen om te voorkomen dat deze verboden tijdelijk niet zouden gelden, namelijk in de periode na afloop van de geldingsduur van het voorbereidingsbesluit (23 oktober 2026) tot aan de datum waarop die verboden in de betreffende omgevingsplannen zouden zijn overgezet en die aldus gewijzigde omgevingsplannen in werking treden. Voordeel van deze constructie is ook dat de gemeenten zelf de hiervoor benodigde wijziging van het omgevingsplan kunnen inplannen en hiervoor niet een afzonderlijke wijzigingsprocedure hoeven te doorlopen. Eerder is deze constructie gebruikt bij het geitenmoratorium zie artikel 5.83).

RR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.85 (klimaatadaptatie)

Met betrekking tot waterveiligheid en wateroverlast zijn omgevingswaarden vastgesteld met resultaats- en inspanningsverplichtingen voor de waterschappen. Ruimtelijke ontwikkelingen en weersextremen zijn hierop van grote invloed. Het is daarom van belang dat hiermee bij nieuwe, ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden en dat het waterschap hierbij wordt betrokken. Daarnaast vormen de effecten en gevolgen van droogte en hitte een belangrijke problematiek om rekening mee te houden. De Landelijke Maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ kan helpen handreiking toekomstbestendig bouwen (https://media.gelderland.nl/handreiking_toekomstbestendig_bouwen_560cb0f820.PDF) helpt bij het nadenken over en beschrijven van de maatregelen en voorzieningen die genomen worden.

Door de klimaatverandering neemt ook de kans op onbeheersbare natuurbranden toe. Voor natuurbranden moet in ieder geval rekening worden gehouden met de Toolbox gebiedsgerichte aanpak natuurbrandbeheersing (https://nipv.nl/wp-content/uploads/2022/03/20210630-BwNL-Toolbox-Gebiedsgerichte-aanpak-natuurbrandbeheersing.pdf), de Handreiking omgevingsveiligheid in het omgevingsplan van het NIPV (https://nipv.nl/wp-content/uploads/2024/07/20240717-NIPV-Handreiking-Omgevingsveiligheid-in-het-omgevingsplan.pdf) en het provinciale natuurbrandbeheersingsplan met de daarin beschreven maatregelen. Deze maatregelen kunnen bijdragen aan een weerbaarder vegetatie, de compartimentering van (natuur)gebieden of het gebruik van minder brandbare elementen.

SS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.86 (toepassingsbereik en oogmerk instructieregels over energietransitie)

Geen toelichting.

In het eerste lid wordt de ondergrens aangegeven voor toepassing van de instructieregels over zonne- energie en windenergie. Beneden die grens valt een zonnepark of een erfmolen (een kleine windturbine voor eigen gebruik) niet onder het provinciaal belang qua ruimtelijke ordening. De schaal is te klein om dergelijke installaties ruimtelijk als van ‘provinciaal belang’ aan te merken. Regels daaromtrent kunnen wel worden gesteld door het gemeentebestuur in het omgevingsplan (subsidiariteitsbeginsel, artikel 2.3 van de Omgevingswet). Het gaat het om kleinschalige zonneveldjes in het buitengebied voor particulier gebruik. Deze ondergrens sluit aan op de ondergrens die gehanteerd wordt in de regionale energiestrategieën (RES).

Voor erfmolens hanteren we een maximale tiphoogte van 35 meter vanwege landschappelijke redenen.

Op deze kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen kunnen overigens wel andere provinciale regels van toepassing zijn, afhankelijk van de locatie daarvan (bescherming Natura 2000-gebieden, GNN, landschap en grondwater).

TT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.90 (voorkeursvolgorde aanleglocaties voor zonne-energie)    

Algemeen

Conform de besluitvorming in Provinciale Staten op 6 maart 2024 (PS 2023-1242) is de ‘aangescherpte voorkeursvolgorde zon’ uit de Kamerbrief van 26 oktober 2023 (Kamerstuk 32813, nr. 1310) expliciet overgenomen. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de in die Kamerbrief vermelde afspraak over de juridische verankering van die voorkeursvolgorde in de provinciale omgevingsverordening.

Lid 1 bevat de eigenlijke 'zonneladder' met de landelijk afgesproken voorkeursvolgorde voor de locatie- keuze van nieuwe installaties voor zonne-energie. Die zonneladder bevat een 'nee, tenzij'-benadering voor zonneparken op landbouw- en natuurgronden. De NOVI (pag.88) geeft onder andere aan: "Deze voorkeursvolgorde houdt geen volgtijdelijkheid in. Na het verkennen van mogelijkheden voor het toepassen van zon-PV kan worden begonnen met het gelijktijdig benutten van gekozen mogelijkheden.". Uit deze verkenning moet gemotiveerd blijken dat hogere tredes onvoldoende ruimte bieden om de doelstelling (RES-bod) te halen. Het bevoegde gezag, en niet een initiatiefnemer, motiveert dat hogere tredes onvoldoende ruimte bieden waardoor medewerking verleend kan worden voor een initiatief op een lagere trede zoals bijvoorbeeld op landbouwgrond.

Alle installaties met zonnepanelen (PV, Photo Voltaic) noemen we productie installaties.

Lid 2 heeft alleen betrekking op landbouwgronden en niet op natuurgronden. Voor natuurgronden (Natura- 2000, GNN en weidevogelgebieden) geldt een beschermingsregime, waarop geen uitzondering voor zonneparken mogelijk is. Natuurgronden kunnen zowel land als water betreffen.

Er zijn gronden die planologisch als landbouwgrond zijn bestemd, die in de praktijk niet meer als zodanig worden gebruikt. Indien deze gronden gedurende een ruime periode niet meer gebruikt worden als landbouwgrond, ondanks dat ze wel als zodanig zijn bestemd, dan vallen deze niet onder trede 4.

onderdeel a: Voor de combinatie van zonne-energie met landbouw wordt veelal de afkorting 'AgriPV' gebruikt. De onderbouwing voor wat substantieel is, ligt bij de initiatiefnemer. In ieder geval moet de hoofdfunctie van de betrokken locatie na realisatie van het zonnepark landbouw zijn en worden de betrokken percelen ook na aanleg van het zonnepark daadwerkelijk agrarisch gebruikt. Begrazing met schapen als groenbeheer valt hier bijvoorbeeld niet onder, maar teelt van gewassen onder of tussen de panelen wel.

onderdeel b: In de Kamerbrief van 26 oktober 2023 wordt als voorbeeld van ‘transitie’ genoemd: 'gronden die in de toekomst een andere bestemming krijgen zoals woon-werk-bestemming, recreatie of overgang naar natuur of gronden die minder geschikt worden voor een landbouwfunctie door verzilting, vernatting of bodemdaling. Zon-PV draagt financieel bij aan het mogelijk maken van de gebiedsgerichte opgaven voor een maximale periode (30 jaar), waarna de gebieden hun definitieve bestemming zullen krijgen.' Het gaat hier dus om gronden die daadwerkelijk een andere functie krijgen. Het zonnepark dient hier als tussenfase richting een definitief andere functie van de locatie. Locaties binnen de groene ontwikkelingszone vallen hier (zonder nadere afspraken) niet onder, omdat het niet bij voorbaat vaststaat dat deze op termijn de functie natuur krijgen.

onderdeel c: Een zonnepark zonder maatregelen of contractafspraken vermindert de netcongestie niet en draagt niet bij aan een efficiënt netwerkgebruik. Of voldaan kan worden aan deze uitzonderingsgrond moet initiatiefnemer met de netbeheerder afstemmen. Een gesprek met de netbeheerder is pas zinvol als minimaal aan één van de volgende drie uitgangspunten voldaan wordt:

  • 1.

    Er is sprake van een directe koppeling tussen het zonnepark en een energievrager – bijvoorbeeld het zonnepark levert direct aan een fabriek of woonwijk, hierdoor wordt terugleveren aan het net voorkomen;

  • 2.

    Elektriciteit van het zonnepark kan worden opgeslagen (batterij) of omgezet (warmte/waterstof), zodat de opgewekte energie op andere momenten teruggeleverd wordt aan het net of in een andere vorm gebruikt wordt;

  • 3.

    Een zonnepark wordt gekoppeld met een bestaand windpark – hierbij is geen aanpassing van contractvermogen of nieuwe aansluiting nodig.

Daarnaast moet het zonnepark altijd op afstand stuurbaar zijn voor het moment en de mate van teruglevering, op basis van contractafspraken met de netbeheerder. Om te kunnen voldoen aan deze uitzonderingsgrond is afstemming met de netbeheerder vereist. De netsituatie is namelijk overal in Gelderland anders. Om na te gaan of een project voldoet aan deze uitzonderingsgrond is daarom een lokale beoordeling nodig. Dit wordt besproken en afgestemd tussen de initiatiefnemer en de netbeheerder. Initiatiefnemer moet aantonen dat deze afstemming heeft plaatsgevonden en dat er positieve terugkoppeling op de randvoorwaarden en uitgangspunten is gegeven.

UU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.90a 5.91 (ruimtelijke inpassing zonneparken)

VV

Sectie 5.91 wordt geplaatst na sectie 5.90a. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.91 5.92 (ruimtelijke inpassing windturbines)

WW

Na sectie 5.91 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 5.93 (afstandsnorm nieuwe windturbines)

Sinds 30 juni 2021 gelden er geen landelijke milieunormen meer voor nieuwe windturbines als gevolg van de Delfzijl-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State en het Nevele arrest. De landelijke overheid heeft nieuwe normen in voorbereiding en daarvoor ook concept-normen ter inzage gelegd. In de tussentijd mogen er project specifieke milieunormen worden vastgesteld als ze gebaseerd zijn op een “actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivatie”. 

Omdat de besluitvorming over de landelijke milieunormen uitbleef, hebben Provinciale Staten op 2 juli 2025 besloten een provinciale afstandsnorm van 2x de tiphoogte voor te bereiden en op te nemen in de Omgevingsverordening. Tevens is besloten dat wanneer landelijke milieunormen in werking treden, de provinciale afstandsnorm wordt ingetrokken. Een afstandsnorm is met name belangrijk als bescherming van omwonenden en de regulering van visuele impact. Grotere afstanden dragen bij aan het verminderen van de visuele dominantie van windturbines in het landschap. Bovendien zijn afstandsnormen eenvoudig te communiceren, zeer transparant en kunnen omwonenden zelf nagaan of aan een afstandsnorm wordt voldaan.

In artikel 5.94 zijn de uitzonderingen voor de afstandsnorm benoemd. De afstandsnorm geldt niet op locaties op of rondom bedrijventerreinen of langs rijkswegen of als er sprake is van een erfmolen, molenaarswoning, vervanging van een bestaande windturbine, een tijdelijk geluidsgevoelig gebouw. Een laatste (overgangsrechtelijke) uitzondering staat in artikel 9.7: als een ontwerpbesluit voor de oprichting van een windturbine vóór 1 juli 2025 ter inzage is gelegd. 

De uitzonderingssituaties in dit artikel zijn mede gebaseerd op het beter mogelijk maken van windturbines op plekken waar in het kader van o.a. local4local vraag en aanbod bij elkaar gebracht kunnen worden. 

Artikel 5.94 (uitzonderingen afstandsnorm nieuwe windturbines)

Sinds 30 juni 2021 gelden er geen landelijke milieunormen meer voor nieuwe windturbines als gevolg van de Delfzijl- uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State en het Nevele arrest. De landelijke overheid heeft nieuwe normen in voorbereiding en daarvoor ook concept-normen ter inzage gelegd. In de tussentijd mogen er project specifieke milieunormen worden vastgesteld als ze gebaseerd zijn op een “actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivatie”.

Omdat de besluitvorming over de landelijke milieunormen uitbleef, hebben Provinciale Staten op 2 juli 2025 besloten een provinciale afstandsnorm van 2x de tiphoogte voor te bereiden en op te nemen in de Omgevingsverordening. Een afstandsnorm is met name belangrijk als bescherming van omwonenden en de regulering van visuele impact. Grotere afstanden dragen bij aan het verminderen van de visuele dominantie van windturbines in het landschap. Bovendien zijn afstandsnormen eenvoudig te communiceren, zeer transparant en kunnen omwonenden zelf nagaan of aan een afstandsnorm wordt voldaan.

In artikel 5.94 zijn de uitzonderingen voor de afstandsnorm benoemd. De afstandsnorm geldt niet op locaties op of rondom bedrijventerreinen of langs rijkswegen of als er sprake is van een erfmolen, molenaarswoning, vervanging van een bestaande windturbine, een tijdelijk geluidsgevoelig gebouw. Een laatste (overgangsrechtelijke) uitzondering staat in artikel 9.7: als een ontwerpbesluit voor de oprichting van een windturbine vóór 1 juli 2025 ter inzage is gelegd.

De uitzonderingssituaties in dit artikel zijn mede gebaseerd op het beter mogelijk maken van windturbines op plekken waar in het kader van o.a. local4local vraag en aanbod bij elkaar gebracht kunnen worden.

De uitzondering onder d geldt ook voor een heel windpark. Of een bestaand windpark op de huidige locatie vervangen kan worden door een nieuw windpark is uiteraard mede afhankelijk van andere normen (zoals die voor geluid en slagschaduw en of in het omgevingsplan de huidige functie voor die locatie niet wijzigt).

XX

Sectie 5.90b wordt geplaatst na sectie 5.94. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.90b 5.95 (participatie bij de aanleg van een wind- of zonnepark)

Financiële participatie en het overigens creëren van draagvlak voor de aanleg van een wind- of zonnepark betreft geen resultaatsverplichting maar een inspanningsverplichting.

Bij amendement is in artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet expliciet een bevoegdheidsgrondslag gecreëerd om in de omgevingsverordening “een motiveringsplicht te hanteren over het al dan niet voldoen aan het algemeen streven naar 50% lokaal eigendom bij installaties voor de opwek van hernieuwbare energie. (…) wie een installatie voor de opwek van hernieuwbare energie ontwikkelt, moet motiveren welke inspanningen zijn verricht om mede-eigenaarschap van de lokale omgeving te organiseren, tot hoeveel lokaal eigendom overeen is gekomen en, indien het overeengekomen percentage minder is dan 50%, waarom er niet minstens 50% lokaal eigendom is overeengekomen. De provincie (…) is niet bevoegd om planologische medewerking te weigeren op basis van het gemotiveerd afwijken van 50% lokaal eigendom.” (bron: Kamerstukken II, 2023/24, 36 378, nr. 23).

YY

Na sectie 5.90b worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 5.96 (kleinschalige energie-opwek voor eigen gebruik)

Geen toelichting.

Artikel 5.97 (stilstandverplichting bij erfmolens)

Lid 4: Agrarische erven en bedrijfsterreinen worden gebruikt door broedende of foeragerende vogels en foeragerende vleermuizen. Bij de plaatsing van een erfmolen is de kans op aanvaringsslachtoffers bij vogels en vleermuizen substantieel. Daarom is een natuuronderzoek normaliter verplicht. Door het opnemen van voorwaarden ten aanzien van stilstandsperioden, wordt de kans op aanvaring fors verminderd, zodat een natuuronderzoek in die situatie niet nodig is. Het blijft in alle gevallen nodig om een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit aan te vragen.

ZZ

Na sectie 5.7.7 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Paragraaf 5.7.8 Netcongestie

Geen toelichting.

Artikel 5.98 (oogmerk instructieregels netcongestie en toekomstig energiesysteem)

In dit artikel wordt het oogmerk van de instructieregels in deze paragraaf aangegeven. Daarmee wordt tevens expliciet duidelijk gemaakt dat de instructieregels niet beogen om regels te stellen over het produceren, transporteren, opslaan of leveren van elektriciteit, maar gesteld zijn uit oogpunt van de provinciale taak voor gebiedsgerichte coördinatie als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Deze paragraaf eerbiedigt dus het verbod in artikel 6.12, eerste lid, van de Energiewet. Voor zover deze instructieregels raken aan bouwactiviteiten en het gebruik van bouwwerken, is niet beoogd om de daaromtrent gestelde regels in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) te doorkruisen. Deze instructieregels zijn niet gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en bruikbaarheid en evenmin met het oog op duurzaamheid als bedoeld in (afdeling 4.4 van) het Bbl (energiezuinigheid).

Artikel 5.99 (oogmerk en toepassingsbereik instructieregel netbewuste woningbouw)

Het doel van dit artikel is om zo veel mogelijk woningbouwontwikkelingen mogelijk te maken door onnodige extra belasting van het elektriciteitsnetwerk tegen te gaan. De vraag naar stroom loopt steeds meer tegen de grenzen van het elektriciteitsnetwerk aan. Om overbelasting en uitval te voorkomen zullen netbeheerders in toenemende mate nieuwe aansluitingen op dat netwerk op een wachtrij moeten plaatsen. Het gevolg daarvan is dat de bouw van nieuwe woningen en andere maatschappelijke en economische ontwikkelingen vertraging kunnen ondervinden of zelfs niet door kunnen gaan. Door grenzen te stellen aan behoefte aan transportcapaciteit tijdens piekmomenten van nieuwe woonwijken blijft er na realisatie meer capaciteit op het netwerk over voor andere ontwikkelingen. Zo kunnen binnen de beperkte ruimte op het elektriciteitsnetwerk meer van de maatschappelijk gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgaan, dan zonder deze regels. Door harde prestatienormen te stellen via een netbudget voor nieuwe woningbouw wordt tevens een gelijk speelveld en duidelijkheid gecreëerd voor alle woningbouw-ontwikkelaars.

Artikel 5.100 (instructieregel netbewuste woningbouw)

Gemeenten worden geïnstrueerd om in hun omgevingsplan de regels voor netbewuste woningbouw op te nemen. Daarbij hanteren ze de berekening voor het netbudget en de rekenregels uit bijlage Netbewuste woningbouw. Het is gemeenten niet toegestaan om andere regels te hanteren. Op die manier creëren we een gelijk speelveld en zo min mogelijk extra administratieve lasten voor de bouwende partijen. Door deze regels af te stemmen met andere provincies in FGU-verband (Flevoland, Gelderland, Utrecht) wordt het gelijke speelveld nog groter. Het is de projectontwikkelaar of initiatiefnemer natuurlijk toegestaan om tot een nog hoger niveau van netbewustheid te komen. Ook is het gemeenten niet verboden om via privaatrechtelijke weg tot aanvullende afspraken te komen.

Met deze instructieregel wordt er een extra criterium toegevoegd aan het kunnen verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor woningbouw of, nadat de gemeente het omgevingsplan heeft geactualiseerd, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Als de vergunningaanvraag niet voldoet aan het gestelde netbudget wordt er geen omgevingsvergunning afgegeven. Het netbudget is het maximale piekvermogen van alle woningen en de bijbehorende warmte installaties samen, bij een temperatuur van -10 graden Celsius, die vallen onder een vergunningaanvraag. In bijlage Netbewuste woningbouw, staat de te hanteren berekening om voor elke individuele vergunningaanvraag het betreffende netbudget te kunnen vaststellen. De regel gaat alleen over de woningen en de warmte installaties voor woningbouw en heeft geen gevolgen voor bijvoorbeeld bedrijven of laadpalen voor auto’s.

De vergunningaanvrager moet zelf onderbouwen dat het woningbouwplan aan het netbudget voldoet via concrete maatregelen op het vlak van gebouwontwerp en bouw- en installatietechniek. De aanvrager mag zelf kiezen welke maatregelen toegepast worden, om aan het netbudget te voldoen. Via voorgeschreven rekenregels wordt beoordeeld of deze maatregelen volstaan. Deze rekenregels staan ook in bijlage Netbewuste woningbouw, en kunnen, omdat ze uniform zijn, ook gebruikt worden tijdens de plan voorbereidingsfase. Het uitvoeren van deze maatregelen wordt vervolgens voorgeschreven als voorwaarde bij de vergunning. Het voldoen aan het netbudget heeft geen gevolg voor de eigenstandige beslissingsbevoegdheid van de netbeheerder bij verzoeken tot aansluiting op het netwerk.

Gemeenten stellen vast waar op hun grondgebied het wel of niet mogelijk is om een bodemenergiesysteem voor woningbouw toe te passen. Die (on)mogelijkheid is namelijk van invloed op de hoogte van het netbudget van woningbouwprojecten. Aangezien de gemeente het bodem energieplan vaststelt is het logisch om deze beslissing op het lokale niveau te houden. Gemeenten moeten in hun besluit wel goed motiveren waarom locaties wel of niet geschikt zijn. Het toepassen van een bodemenergiesysteem wordt bij kleine projecten relatief duur. Daarom geldt een ondergrens van 15 woningen, de benadering van het aantal woningen waarvoor een grondboormachine in een volle werkweek het boorwerk kan uitvoeren.

Artikel 5.101 (regionaal programma netbewust prioriteren)

Een regionaal programma netbewust prioriteren is vooral nodig in tijden van (dreigende) netcongestie. Dit laat onverlet dat ook wanneer de netcongestie meevalt of door capaciteitsuitbreiding op het net is verholpen prioritering zinvol blijft, gelet op de stimulans die hiervan uitgaat op het ontwikkelen en realiseren van projecten met netbewuste aansluitingen. De inhoud van het programma netbewust prioriteren hoeft niet uit veel meer te bestaan dan een lijst met projecten en een daaraan op basis van relevante criteria – bijvoorbeeld: netbewuste bouw en gebruik – toegekende rangorde.

De afstemming met de netbeheerder houdt in ieder geval in dat de netbeheerder de voor prioritering van maatschappelijke opgaven benodigde actuele informatie geeft over de beschikbare en op termijn beschikbaar komende netcapaciteit per verdeel- of onderstationsgebieden.

Lid 1 Met ‘verdeelstation’ (of onderstation) wordt bedoeld een 150kV-station van netbeheerder Liander, waarop een regionaal elektriciteitsnet is aangesloten.

Lid 3 Tot ‘gewijzigde omstandigheden’ behoort in ieder geval een gerealiseerde uitbreiding van de netcapaciteit op het onderhavige verdeel- of onderstation.

Artikel 5.102 (doorwerking regionaal programma in omgevingsplan)

De met dit artikel beoogde doorwerking van het regionale programma netbewust prioriteren naar het omgevingsplan en de verlening van omgevingsvergunningen wordt uitgesteld, totdat er een programma ligt. Vooralsnog wordt met het opstellen van een regionaal programma gestart in twee regio's (de voedingsgebieden van de verdeelstations Culemborg en Harderwijk). Gedeputeerde Staten bepalen het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor deze twee pilotregio's en (op een later moment) voor de overige regio's.

AAA

Na sectie 7.2.7 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.2.8 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning: bodemenergiesysteem

Bodemenergiesystemen hebben thermische invloedsgebieden. Dit zijn relatief koude of warme zones in de bodem (inclusief grondwater), omdat het water in een buizenstelsel of het water dat in de grond wordt gebracht een andere temperatuur heeft dan de natuurlijke bodemtemperatuur. Bij bodemenergiesystemen in elkaars nabijheid bestaat het risico dat thermische invloedsgebieden elkaar overlappen (interferentie). Interferentie kan ongewenst zijn wanneer dit het energierendement van de betrokken bodemenergiesystemen vermindert (negatieve interferentie).

Het risico op interferentie neemt toe als een groot aantal bodemenergiesystemen in een beperkt gebied wordt gerealiseerd. In gebieden waar een dergelijke druk op de (energieopslag)capaciteit van de bodem wordt voorzien, is het wenselijk dat regie wordt gevoerd om vraag naar en beschikbaarheid van ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen. Dit kan door het aanwijzen van een interferentiegebied en het opstellen van een masterplan bodemenergie.

Artikel 7.16b (masterplan bodemenergie)

Lid 1: Een interferentiegebied is een krachtens gemeentelijke verordening of omgevingsplan aangewezen gebied ter voorkoming van interferentie tussen bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie.

In een masterplan bodemenergie wordt voor een interferentiegebied een integrale gebiedsvisie gegeven op het gebruik van bodemenergie. Daarin wordt vooraf nagedacht over de ordening tussen de verschillende bodemenergiesystemen waarvoor burgemeester en wethouders of Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn.

Lid 2: Een masterplan bodemenergie wordt in beginsel opgesteld door de gemeente en is vormvrij. Omdat dit plan betrekking heeft op bodemenergiesystemen waarvoor burgemeester en wethouders of Gedeputeerde Staten bevoegd gezag voor vergunningverlening zijn, is een goede en vroegtijdige afstemming tussen gemeente en provincie belangrijk. In dit lid worden een aantal onderwerpen genoemd waarvan de provincie het belangrijk vindt dat daaraan in het masterplan bodemenergie voldoende aandacht is besteed. Bij de besluitvorming tot vaststelling van een masterplan bodemenergie zullen Gedeputeerde Staten deze onderwerpen betrekken. De uitwerking en het detailniveau van een masterplan hangen af van de fase van gebiedsontwikkeling waarin een bodemenergieplan wordt opgesteld. In een vroege fase is nog niet bekend welke energievragers zich binnen het plangebied gaan vestigen en is het dus nog niet mogelijk om het bodemenergieplan in detail uit te werken. De hydrologische en thermische effecten op de aanwezige belangen dienen wel zo concreet mogelijk te worden uitgewerkt. Het doel van een masterplan bodemenergie is om de bodem zo doelmatig mogelijk voor bodemenergie te gebruiken. Bij de keuze voor de ordening van bodemenergiesystemen wordt daarom de onderbouwing waarom met deze ordening de bodem het meest doelmatig wordt gebruikt van belang geacht. Bij vaststelling van het masterplan bodemenergie wordt beoordeeld of de voorgestelde ordening in het bodemenergieplan de capaciteit van de bodem maximaal benut en de bodem zo min mogelijk belast. Het is van belang om de ordening van bodemenergiesystemen zowel op kaart als in ordeningsregels vast te leggen. Waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen doubletsystemen, monobronnen, recirculatiesystemen, systemen waarvoor burgemeester en wethouders bevoegd gezag zijn en systemen waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn.

Lid 3 en 4: In interferentiegebieden geldt in beginsel op grond van het omgevingsplan (de bruidsschat, artikel 22.260) een vergunningplicht voor gesloten systemen. In de regel zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen voor gesloten bodemenergiesystemen. In uitzonderingsgevallen kunnen Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn voor gesloten systemen, bijvoorbeeld wanneer die worden geïnstalleerd binnen complexe bedrijven waarvoor Gedeputeerde Staten zijn aangewezen als bevoegd gezag. Voor open bodemenergiesystemen is een omgevingsvergunning vereist waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn (artikel 5.1, tweede lid, onder b van de Omgevingswet juncto artikel 3.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving).

BBB

Na sectie 7.3.2 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.3.3 Meldingen voor ontgrondingsactiviteiten

Geen toelichting.

Artikel 7.18a (termijn melding ontgrondingsactiviteit)

Als na het doen van een verplichte melding op grond van artikel 4.65 de werkzaamheden niet binnen twee jaar zijn uitgevoerd, moet een nieuwe melding worden ingediend. Er kan dan een nieuwe beoordeling plaatsvinden op grond van de omstandigheden van het geval op dat moment. De mogelijkheid om naar aanleiding van een betreffende melding een maatwerkvoorschrift te stellen, is ook op deze bepaling van toepassing. Dat betekent dat vooraf de mogelijkheid bestaat van een verlengde termijn.

CCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.27 (beoordelingsregel maatwerkvoorschrift herbeplanting op andere grond)

Algemeen: Dit artikel is een invulling van artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het uitgangspunt is dat herbeplanting plaatsvindt op dezelfde grond als waar de houtopstand geveld of tenietgegaan is.

In het eerste lid staan redenen op grond waarvan Gedeputeerde Staten kunnen toestaan dat herbeplanting op andere grond plaatsvindt. In het tweede lid worden situaties genoemd waarin Gedeputeerde Staten niet toestaan dat herbeplanting op andere grond plaatsvindt. In het derde lid wordt duidelijk gemaakt dat, als herbeplanting op andere grond via een maatwerkvoorschrift is toegestaan, deze herbeplanting fysiek of in bepaalde gevallen financieel plaatsvindt. De fysieke herbeplanting vindt plaats zo dicht mogelijk bij het aangetaste gebied. De vergoeding die betaald moet worden door gebruik te maken van de compensatiepool wordt berekend overeenkomstig de daarvoor in artikel 5.13 vastgestelde elementen. De hier bedoelde compensatiepool is dezelfde pool die gebruikt kan worden voor compensatie Gelders natuurnetwerk.

Lid 2 onderdeel c: locaties waarvoor subsidie is aangevraagd om ze als natuur in te richten, kunnen niet dienen als locatie voor de herbeplanting. Op grond van de subsidie geldt daar namelijk al een verplichting tot inrichting van nieuwe natuur.

Lid 2 onderdeel d: Het bebossen van bijvoorbeeld heideterreinen of andere hoogwaardige natuurterreinen is niet toegestaan. Het gaat daarbij meestal om percelen waarop al een natuurbestemming ligt, maar ook weidevogelgebieden e.d. vallen hieronder. Gedeputeerde Staten nemen bij de beoordeling mee of bijzondere soorten en habitats in het gebied voorkomen.

Lid 2 onderdeel g: Oude bosgroeiplaatsen zijn bossen die een lange historische continuïteit hebben (in sommige gevallen teruggaand tot de Middeleeuwen). Ze hebben daardoor bijzondere kenmerken zoals oude bomen, autochtone boom- en struikpopulaties, oude ongestoorde bosbodems en herbergen soorten die in jongere bossen ontbreken of zich slechts moeizaam kunnen ontwikkelen. In Gelderland beschouwen we bestaande bossen als oude bosgroeiplaatsen wanneer deze volgens de eerste kadastrale kaarten uit de periode 1811-1832al bebost waren. Om te verduidelijken waar oude bosgroeiplaatsen liggen werken we met een indicatieve kaart. Bestaande bossen zijn hierbij in beeld gebracht door gebruik te maken van de digitale topografische kaart TOP10NL (1:10000). Op de kaartbijlage Natuur waarop oude bosgroeiplaatsen staan zijn de kleinere oude bosgroeiplaatsen (kleiner dan 10 are of bestaande uit rijbeplanting van 20 of minder bomen) niet weergegeven. Dit zijn immers geen door het Besluit activiteiten leefomgeving beschermde houtopstanden, dus is de regel in de Omgevingsverordening niet van toepassing. Op de kaart is geen onderscheid gemaakt tussen houtopstanden die binnen of buiten de bebouwingscontour houtkap liggen. De reden is dat er geen actueel vlakdekkend overzicht van de bebouwingscontour houtkap voorhanden is en de gemeenteraad deze begrenzing op elk moment kan wijzigen. Dit betekent dat bij het beoordelen of een houtopstand op een bepaald moment onder de werking van het Besluit activiteiten leefomgeving valt, bij de betreffende gemeente de meest actuele begrenzing van de bebouwingscontour houtkap moet worden opgezocht. De regel geldt niet onverkort voor alle oude bosgroeiplaatsen. De regel vloeit namelijk voort uit het Besluit activiteiten leefomgeving, waarin is bepaald dat dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand moet worden herbeplant. Is de houtopstand op de oude bosgroeiplaats geen houtopstand als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, dan is deze regel niet van toepassing. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een houtopstand kleiner dan 10 are of bestaande uit rijbeplanting van 20 of minder bomen. Daarnaast geldt de regel alleen voor oude bosgroeiplaatsen waar het landgebruik sinds 1832 continue en onafgebroken uit bos heeft bestaan. Tijdelijke afwezigheid door reguliere kap, hak of snoei is wel toegestaan. Wanneer een locatie bijvoorbeeld een periode in gebruik is geweest als groeve, afvalstort of als agrarische grond of wanneer er bijvoorbeeld tijdelijk een gebouw heeft gestaan is de regel dus niet van toepassing omdat er geen sprake is van continue en onafgebroken landgebruik als bos. Wij hanteren het uitgangspunt dat wij herbeplanting op andere grond niet toestaan als de gevelde of tenietgegane houtopstand op een oude bosgroeiplaats ligt, tenzij de initiatiefnemer kan aantonen dat op de locatie geen sprake is van continue en onafgebroken landgebruik als bos. Als de aanvrager van een maatwerkvoorschrift voor herbeplanting op andere grond van oordeel is dat sinds 1832 geen sprake is van continue en onafgebroken landgebruik als bos, is het aan aanvrager dit aan te tonen.

Lid 3: Dit lid bevat een uitzondering van het verbod om geen herbeplanting op andere grond toe te staan als er sprake is van het vellen of tenietgaan van een houtopstand op een oude bosgroeiplaats die voldoet aan de eisen uit lid 2, onderdeel g. Deze uitzondering is van toepassing als de oude bosgroeiplaats buiten Natura 2000 en Gelders natuurnetwerk ligt en wordt voldaan aan de voorwaarde dat de velling plaatsvindt of -vond ten behoeve van een functiewijziging op basis van een omgevingsplan waarin maatschappelijke belangen worden afgewogen en de drie cumulatieve eisen genoemd in onderdeel b.

Met de voorwaarde om de maatschappelijke belangen in een omgevingsplan af te wegen, wordt gewaarborgd dat op gemeentelijk niveau deze relevante belangen worden betrokken bij de locatiekeuze en een ontwikkeling enkel doorgang kan vinden als de maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. Onder dergelijke maatschappelijke belangen worden in ieder geval verstaan: drinkwatervoorziening, energietransitie, woningbouw, infrastructuur en ontwikkeling van de (lokale) economie. Met de formulering ‘in ieder geval’ wordt aangegeven dat deze opsomming van voorbeelden niet limitatief is. Aan onderdeel b, onder i, is voldaan als wordt aangetoond dat het bovenste aaneengesloten bladerdak van de oude bosgroeiplaats voor de afgelopen 10 jaar voor niet meer dan 50 procent uit inheemse loofbomen heeft bestaan. Aan onderdeel b, onder 3, is voldaan als wordt aangetoond dat het gedeelte dat is of wordt geveld ten hoogste 50 jaar oud is of was.

DDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.7 (overgangsrecht aanleg zonneparkafstandsnorm nieuwe windturbines)

In de bestuurlijke afspraken tussen het Rijk, Interprovinciaal Overleg (IPO), Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Unie van Waterschappen (UvW) en Netbeheer Nederland (NBNL), zoals weergegeven in de Kamerbrief over aangescherpte voorkeursvolgorde zon van 26 oktober 2023, is afgesproken dat:

  • 1.

    de aangescherpte voorkeursvolgorde zon juridisch in de provinciale omgevingsverordeningen wordt verankerd; en

  • 2.

    dat daarbij rekening wordt gehouden met projecten of initiatieven, waarvan de participatietrajecten al in een vergevorderd stadium zijn om te voorkomen dat lopende lokale initiatieven stilvallen. 

De eerste afspraak heeft geresulteerd in de artikelen 5.90 - 5.90b, de tweede afspraak in dit overgangsrechtelijke artikel 9.7 Geen toelichting.

In de Kamerbrief en de bijbehorende afspraken is niet nader aangegeven wanneer sprake is van een vergevorderd stadium van participatie. In algemene zin is dit ook lastig aan te geven, omdat participatie een vormvrij proces is en dus geen vaste stappen of wettelijk voorgeschreven stadia kent. De Omgevingswet schrijft alleen voor dat participatie moet plaatsvinden, niet hoe. Het bevoegd gezag (gemeente) en de initiatiefnemer kunnen het participatieproces naar eigen voorkeur invullen. Deze keuzevrijheid leidt ertoe dat dezelfde verrichte participatie-inspanning, bijvoorbeeld het opstellen van een participatieplan, in de ene situatie wel een vergevorderd participatietraject vormt, maar in een andere situatie niet. Dit is bijvoorbeeld afhankelijk van de wijze waarop de inhoud van zo’n plan tot stand is gekomen: met of zonder voorafgaand intensief overleg met de gemeente e/o omwonenden, waarbij niet zozeer het aantal gesprekken of overlegmomenten bepalend is, maar vooral de concrete inhoud daarvan.

Of een participatietraject zich in een vergevorderd stadium bevindt, zal dus van geval tot geval kunnen verschillen. Het is niet mogelijk om daarvoor één vast ijkpunt te noemen. Welke vorm van participatie bij een initiatief of project voor de aanleg van een zonnepark wordt gekozen, is afhankelijk van de initiatiefnemer, de omvang en locatie van het initiatief en het gemeentelijke participatiebeleid. Bij een zonnepark op een afgelegen locatie in een dunbevolkt deel van het buitengebied kan wellicht qua participatie worden volstaan met het mondeling of schriftelijk informeren van de enkele ‘direct-omwonende’, terwijl in een dichter-bevolkt gebied de aankondiging van het initiatief met een flyer of een informatieavond hooguit de eerste stap is van een uitgebreider participatieproces met de omgeving.

De initiatiefnemer zal moeten aantonen welke participatiestappen uiterlijk op 19 december 2023 (de datum waarop Gedeputeerde Staten de Statenbrief met de Gelderse interpretatie van de bestuurlijke afspraken hebben vastgesteld) zijn gezet.

De beoordeling of die stappen kunnen worden aangemerkt als ‘een vergevorderd stadium’ is aan de gemeente als bevoegd gezag voor de aanleg van zonneparken. De provincie zal bij een buitenplans initiatief dit gemeentelijke oordeel terughoudend toetsen.

Van een vergevorderd stadium van participatie is overigens alleen sprake als het bevoegd gezag ook risico loopt op een schadeclaim wegens het stopzetten van een vergevorderd proces voor een zonnepark-project op landbouwgrond.

EEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.8   (citeertitel)

Motivering

Toelichting op de wijzigingen

Hieronder staat per onderwerp wat er verandert en waarom. Ook leest u hoe we inwoners en organisaties betrokken hebben.

Stikstofreductiegebied

Wij stellen voor om een nieuw hoofdstuk met 11 artikelen toe te voegen naar aanleiding van GS besluit op 20 januari 2026 m.b.t. het strokenbeleid. Dit hoofdstuk vervangt het tijdelijke hoofdstuk 4a met de voorrangsbepaling en de voorbeschermingsregels (Voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie Gelderland 23 april 2025). Hieronder een korte motivering per artikel. Voor uitgebreide motivering en mee context en uitleg verwijzen wij naar de Statenbrief (PS2026-37) en de bijlagen, met name de bijlage Beleid voor het stikstofreductiegebied.

Participatie

In juli 2025 stelden Gedeputeerde Staten een zogenoemde denkrichting vast voor het strokenbeleid. Op basis van deze denkrichting gingen we in gesprek met ondernemers, grondeigenaren en inwoners uit het stikstofreductiegebied. We organiseerden inloopbijeenkomsten, 1 op 1 gesprekken, gesprekken met gemeenten, waterschappen en vertegenwoordigende organisaties en we hebben een digitaal platform waar mensen hun reactie konden achterlaten. Ook kregen we e-mails en brieven van ondernemers, belangenorganisaties en gemeenten. We hebben alle inbreng gelezen en dat heeft geleid tot aanpassing van een aantal voorgenomen maatregelen en het schrappen van enkele voorgenomen maatregelen. Alle onderstaande voorstellen zijn dus onderwerp geweest van de participatie.

1. Artikel 4a.1 (oogmerk en toepassingsbereik regels reductie emissie stikstof)

We stellen voor om dit hoofdstuk op te nemen met het oog op het beperken van emissies in de lucht van stikstofverbindingen binnen het stikstofreductiegebied. Die emissies worden veroorzaakt door verschillende (bedrijfsmatige) activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de binnen het stikstofreductiegebied gelegen Natura 2000-gebieden kunnen hebben. De regels beogen concreet de stikstofemissie door stookinstallaties, de veehouderij en mobiele werktuigen te reduceren.

De regels gelden als passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

2. Artikel 4a.2 (regels reductie stikstof: stookinstallaties)

We stellen voor om de uitstoot vanuit bedrijfsmatige verbranding van gas, en andere brandstoffen, vrijkomende stikstofhoudende verbindingen te reduceren. We verbieden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wijziging van de omgevingsverordening het installeren van nieuwe, in de zin van extra, stookinstallaties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan CV-ketels, luchtverhitters, ovens, fornuizen en kachels. We willen voorkomen dat er extra bronnen van stikstof komen in het stikstofreductiegebied.

We stellen een aangescherpte norm in voor de hoeveelheid stikstof die wordt uitgestoten, 40 mg/Nm3. De nu geldende, landelijke, norm is 70 mg/Nm3. Door de norm in het stikstofreductiegebied strenger te maken, komen we tot een extra reductie van de emissies dicht bij de overbelaste natuur. Deze norm geldt voor bedrijven met een totaal geïnstalleerd vermogen van 400 kW. De vermogens van alle in een bedrijf opgestelde stookinstallaties worden bij elkaar opgeteld. Deze paragraaf kan dus ook van toepassing zijn op bijvoorbeeld recreatiebedrijven als het gezamenlijke vermogen van de verwarmingsketels in de geëxploiteerde recreatiewoningen samen optellen tot meer dan 400 kW. Op die manier maken we zeker dat alle grote bronnen van emissies worden aangepakt en voorkomen we dat bedrijven de regels zouden kunnen omzeilen door de grote ketel te vervangen door verscheidene kleinere. Omdat niet alle stookinstallaties op gas werken, zijn er ook aangescherpte normen voor andere type stookketels en brandstoffen. Voor stookinstallaties op basis van biomassa wordt een reductie van 60% opgelegd. Voor stookinstallaties op andere brandstoffen een reductie van 40%. Voor gasmotoren wordt de norm 35 mg/Nm3.

3. Artikel 4a.3 (reductie gasverbruik)

We stellen voor om de uitstoot vanuit bedrijfsmatige verbranding van gasvrijkomende stikstofhoudende verbindingen te reduceren. Deze aanvullende norm voorkomt dat bedrijven die hun stikstofemissie reduceren, zoals verplicht door het bovenstaande artikel 4a.2, de ruimte die ontstaat in hun vergunning opvullen door het vermogen van hun stookketels uit te breiden. Dan zou er netto geen reductie bereikt worden.

4. Artikel 4a.4 (vestigingsverbod veehouderij)

We stellen voor om een toename van het aantal landbouwdieren en de bijbehorende stikstofemissie binnen het stikstofreductiegebied te voorkomen. Dit verbod geldt voor nieuwvestiging van veehouderijen. Nieuwvestiging wil zeggen: vestiging op een locatie binnen het stikstofreductiegebied waar op 23 april 2025 (datum inwerkingtreding voorbereidingsbesluit, Provinciaal blad 2025 nr. 6530) nog geen veehouderij gevestigd was. Het verbod betreft zowel grondgebonden als niet-grondgebonden veehouderijen. Het verbod geldt ook voor omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een gemengd bedrijf met als nieuwe activiteit het houden van landbouwhuisdieren. Hervestiging van een veehouderijbedrijf of een gemengd bedrijf met een veehouderijtak binnen het stikstofreductiegebied is wel toegestaan. Het verschil met nieuwvestiging is, dat een hervestiging een verplaatsing van een veehouderijbedrijf of agrarisch bedrijf met een veehouderijtak betreft naar een bestaande locatie, d.w.z. een andere, al voor dat type bedrijf benutte locatie. Op deze manier voorkomen we een sterfhuisconstructie.

5. Artikel 4a.5 (uitbreidingsverbod veehouderij)

We stellen voor om een toename van het aantal landbouwdieren en de bijbehorende stikstofemissie binnen het stikstofreductiegebied te voorkomen. Het verbod op uitbreiding geldt voor alle niet-grondgebonden veehouderijen, gemengd of ongemengd. Onder ‘uitbreiding’ wordt verstaan: vergroting van de agrarische bebouwing. ‘Niet-grondgebonden’ veehouderijen betreft de intensieve veehouderij; binnen het stikstofreductiegebied vooral kalverhouderijen, pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Het verbod op uitbreidingen van dat bedrijf beperkt zich tot het houden van landbouwhuisdieren en geldt dus niet voor andere bedrijfsonderdelen, zoals het erf en omliggende – tot het bedrijf behorende – landerijen. Onder dit verbod valt niet de noodzakelijke renovatie of verruiming van een bestaande stal met het oog op dierenwelzijn (meer bewegings- en leefruimte) in het kader van ‘dierwaardige veehouderij in 2040’, mits het aantal gehouden landbouwhuisdieren niet toeneemt. Uitzonderingen worden opgesomd in artikel 4a.7, onder meer voor extensieve, biologisch gecertificeerde bedrijven. Onderzocht wordt nog of een uitzondering op het uitbreidingsverbod van niet-grondgebonden veehouderijen kan worden verleend wanneer gelijk of beter doelbereik qua stikstofreductie kan worden bereikt én voldoende perspectief overblijft voor extensieve melkveehouderij.

6. Artikel 5.83a (verbod omgevingsplan nieuwvestiging en uitbreiding veehouderij binnen het stikstofreductiegebied)

De verboden in de artikelen 4a.4 en 4a.5 worden tijdelijk opgenomen in de omgevingsverordening als rechtstreeks-werkende regel, zodat het verbodsregiem dat geldt met ingang van 23 april 2025 (datum inwerkingtreding voorbereidingsbesluit, Provinciaal blad 2025 nr. 6530) wordt gecontinueerd. Met dit artikel wordt beoogd dat deze verbodsbepalingen alsnog worden opgenomen in het omgevingsplan. Eerder is deze constructie gebruikt bij het geitenmoratorium zie artikel 5.83).

7. Artikel 4a.6 (stalmodernisering)

We stellen voor om de stikstofemissie vanuit stallen binnen het stikstofreductiegebied te verminderen. De emissies vanuit stallen leveren een significante bijdrage aan de totale emissie. Elk veehouderijbedrijf binnen het stikstofreductiegebied wordt verplicht een flinke reductie te bereiken ten opzichte van een ‘traditionele’ stal zonder luchtwassers. Elke veehouder krijgt ruim de tijd om aan deze reductieverplichting te voldoen: tot 1 januari 2035. Dit kan door een stalaanpassing, door toepassing van aanvullende technieken of door de veestapel te verkleinen. Voor het behalen van de reductie kan gebruik worden gemaakt van verschillende methoden. De keuze is aan de ondernemende agrariër. Doordat de reductie behaald moet worden ten opzichte van een ‘traditionele’ stal zonder luchtwassers wordt de opgave voor de veehouder verkleind met de maatregelen die al eerder genomen zijn. Alle behaalde reducties ten opzichte van een ‘traditionele’ stal zonder luchtwassers tellen mee. Daardoor worden investeringen die al gedaan zijn meegeteld en dus beloond. De percentages die genoemd worden zijn niet vergelijkbaar met de percentages zoals die gebruikt worden in de vergunningverlening en de beleidsregels voor saldering.

8. Artikel 4a.7 (criteria vrijstelling)

We stellen voor om (melk)veehouders binnen het stikstofreductiegebied vrij te stellen van bovengenoemde verplichtingen als die hun bedrijfsvoering op andere, geborgde manieren richten op stikstofemissiereductie en zo naar het wenselijke streefbeeld van een extensieve veehouderij toewerken.

Het voorstel is dat die vrijstelling geldt voor:

  • a.

    Melk)veebedrijven die biologisch gecertificeerd zijn en maximaal 1,6 GVE/ha hebben;

  • b.

    Voor bedrijven die weinig vee hebben in verhouding tot hun grondoppervlak (minder dan 1,5 GVE/ha);

  • c.

    Voor bedrijven met een omvangrijk aandeel agrarisch natuurbeheer (minstens 20% van het gebruikte perceeloppervlak);

  • d.

    Voor (melk)veebedrijven die hun koeien veel beweiden (minstens 3020 uur/koe/jaar); en

  • e.

    Voor bedrijven die hun stal een deel van elk kalenderjaar leeg hebben staan.

9. Artikel 4a.8 (verbod toepassing stikstofkunstmest)

We stellen voor (met ingang van 1 januari 2030) een verbod om stikstofkunstmest op of in de bodem te brengen binnen het stikstofreductiegebied. Dit artikel beoogt het voorkomen van stikstofuitstoot nabij kwetsbare gebieden door het gebruik van stikstofhoudende kunstmest te verbieden. Particulier gebruik op niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde gronden, zoals tuinen bij woonhuizen, is uitgezonderd. De reden hiervan is dat de bijdrage aan stikstofdepositie verwaarloosbaar is en handhaving op dit niveau niet mogelijk is. Het verbod geldt wel voor bijvoorbeeld voetbalvelden, golfbanen en paardenweiden.

10. Artikel 4a.9 (verbod omzetten en scheuren grasland)

We stellen dit verbod voor om, zodat het huidige grasland behouden blijft binnen het stikstofreductiegebied. Door het behoud van grasland voorkomen we een verschuiving van ammoniakemissies naar nitraatuitspoeling naar grond- en oppervlaktewater. Gras neemt veel meststoffen op. Daarnaast zorgt grasland voor een hoge koolstofopbouw in de bodem. We willen met het scheurverbod ook voorkomen dat (zeer) intensieve teelten, zoals bijvoorbeeld bloembollen- of laanbomen-teelt, gestart worden op plekken waar nu grasland is. Dit verbod draagt daarmee bij aan het behalen van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW). Het scheurverbod geldt alleen voor agrarische bedrijven en niet voor particuliere weidegronden. Scheuren om het grasland te vernieuwen om onkruid tegen te gaan maken we een uitzondering voor. Dan mag er gescheurd worden als er meteen weer gras wordt ingezaaid. Dit verbod geldt niet voor tijdelijk grasland omdat tijdelijk grasland een onderdeel kan zijn van gewasrotatie in het bouwplan. De gevolgen voor agrarische bedrijven als het rustgewas gras opeens permanent zou worden zien wij als onevenredig groot.

11. Artikel 4a.10 (beperking stikstofemissie bij gebruik mobiele werktuigen)

We stellen voor om bedrijven en overheden te verplichten met emissieloze mobiele werktuigen te werken binnen het stikstofreductiegebied. Deze verplichting gaat voor bedrijven in op 1 januari 2035, voor overheden op 1 januari 2028. Bij mobiele werktuigen moet onder andere gedacht worden aan bouwkranen, shovels, graafmachines, aggregaten, hoogwerkers, heftrucs of maaimachines en ook aan kleiner materieel zoals bladblazers. Bedrijfsmatig gebruik is alle gebruik uitgezonderd gebruik door particulieren en hobbymatig gebruik, bijvoorbeeld in verenigingsverband. Gebruik van mobiele werktuigen door niet-gouvernementele organisaties, zoals Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten, of door woningcorporaties geldt als bedrijfsmatig gebruik.

Ontgrondingen

We stellen 4 (kleine) wijzigingen voor bij 1 onderwerp.

1. Verduidelijking bestaand beleid ontgrondingen

We stellen voor om wijzigingen op te nemen in de regels over ontgrondingsactiviteiten. Zo verduidelijken we het bestaande beleid. Ook sluit de Omgevingsverordening dan waar nodig weer meer aan op de praktijk en het beleid van vóór de Omgevingswet. Toen de Omgevingswet ging gelden, verviel de Ontgrondingenwet. In landelijke regels (Besluit activiteiten leefomgeving) staat wanneer er geen vergunning nodig is voor ontgrondingsactiviteiten. Vóór de Omgevingswet ging gelden, bepaalde de Provincie dit. In onze omgevingsverordening stond voor welke gevallen dit gold. Toen de Omgevingswet inging, probeerden we zo goed mogelijk om door te gaan met dit beleid, in aanvulling op en in afwijking van de nieuwe landelijke regels. Naar nu is gebleken is dit op een paar onderdelen niet helemaal gelukt. Dat herstellen we nu.

We stellen concreet de volgende 4 wijzigingen voor:

  • 1.

    We voegen toe dat we ontgrondingen aanmerken als 1 ontgrondingsactiviteit, als:

    • deze vlak bij elkaar liggen of meteen na elkaar worden uitgevoerd en

    • er onderling een technische, organisatorische of functionele binding bestaat.

  • 2.

    De Ontgrondingenwet gold niet voor saneringen als bedoeld in de Wet bodembescherming. In de nu geldende regels voor ontgrondingen is voor saneringen van landbodem soms wel een ontgrondingenvergunning nodig. Met deze wijziging voegen we de uitzondering weer toe aan de regels, zodat voor deze saneringen geen ontgrondingenvergunning nodig is.

  • 3.

    Net als nu gold ook vóór de Omgevingswet dat voor het aanleggen of veranderen van watergangen tot bepaalde grenzen geen vergunning nodig was. Wel is een melding verplicht als er 1.000 m3 of meer wordt ontgraven. Voorheen maakte het niet uit of dit wel of niet door of namens de waterbeheerder werd gedaan. In de nu geldende regels is er wel een verschil. Als het werk door of namens de waterbeheerder wordt uitgevoerd, is geen melding nodig. Dat herstellen we nu: ook als het werk door de waterbeheerder wordt gedaan, is een melding verplicht.

  • 4.

    Tot slot was in onze Omgevingsverordening vóór de Omgevingswet opgenomen dat een melding voor een ontgronding een geldigheid van 2 jaar heeft. Dat wil zeggen: de werkzaamheden moeten binnen 2 jaar worden uitgevoerd. Deze geldigheidstermijn wordt nog steeds gehanteerd. Daarom stellen we voor deze termijn alsnog toe te voegen aan de verordening (afdeling 7.3).

Dit voorkomt dat een activiteit wordt opgeknipt. En dat we activiteiten die dicht bij elkaar plaatsvinden los van elkaar beoordelen.

Het voorstel ziet op wijziging van de artikelen 4.62, 4.64 en 4.65 en de toelichting op artikel 4.62 en 4.64. We voegen aan afdeling 7.3 een paragraaf 7.3.3 ‘Meldingen voor ontgrondingsactiviteiten’ toe met een nieuw artikel inzake de geldigheidstermijn.

Participatie

We betrokken bij dit voorstel geen andere partijen. Toen de Omgevingswet ging gelden, was ons doel om de regels voor ontgrondingsactiviteiten onveranderd en zonder aanpassingen in beleid (beleidsneutraal) over te nemen in onze nieuwe Omgevingsverordening. Met dit voorstel repareren we de onderdelen waarvan in de uitvoeringspraktijk is gebleken dat na invoering van de Omgevingswet toch een aantal regels anders uitpakten. 

Erfgoed

We stellen een wijziging voor bij 2 onderwerpen.

1. Wijziging afwijkruimte van het Besluit kwaliteit leefomgeving

We stellen voor om de afwijkruimte die het vernieuwde Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) biedt voor het werelderfgoed Neder-Germaanse Limes en werelderfgoed Hollandse Waterlinies, op te nemen in de omgevingsverordening. De algemene regel is dat de kernkwaliteiten van een werelderfgoed niet mogen worden aangetast. Door de wijziging kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen aan een gemeente of waterschap om af te wijken van die regel. Het is alleen mogelijk om af te wijken als een activiteit het mogelijk maakt om de overkoepelende ‘uitzonderlijke universele waarde’ te behouden. Zo kan aanpassing aan een waterlinie-fort een kernkwaliteit aantasten, maar er tegelijk toe leiden dat het een nieuwe bestemming krijgt. Hierdoor is de kans groter dat het in de toekomst behouden blijft.

2. Aanpassing kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies en Neder-Germaanse Limes

Daarnaast zijn bij de recente wijzigingen van het Bkl de kernkwaliteiten van de historische Stelling van Amsterdam en Hollandse Waterlinies samengevoegd in een set van kernkwaliteiten voor het overkoepelende werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Die aangepaste set kernkwaliteiten nemen we letterlijk over. Voor werelderfgoed Neder-Germaanse Limes zijn kleine redactionele aanpassingen gedaan op de formulering van de kernkwaliteiten.

Het voorstel ziet op wijziging van artikel 5.2 en de toelichting bij paragraaf 5.4.1 en 5.4.2 

Participatie

In de zomer van 2024 was er een openbare internetconsultatie. In de aanloop daarvan is er uitgebreid overleg geweest tussen het Rijk en de betrokken beheerders van werelderfgoed in Nederland (waaronder de provincie Gelderland).

Wonen

We stellen wijzigingen voor bij 1 onderwerp.

1. Aanwijzen van woningbouwregio’s

Gedeputeerde Staten maken regionale afspraken over wonen in regio’s. We stellen voor om in artikel 5.63, lid 1, duidelijk te maken dat deze regio’s gezien moeten worden als de wettelijke woningbouwregio’s. Daarnaast geven we deze woningbouwregio’s aan op een kaart. Aansluitend bij deze wijziging wordt de term regio in de artikelen 5.63 en 5.64 gewijzigd in woningbouwregio.

Als het voorstel voor een Wet Versterking regie volkshuisvesting (Kamerstuknummer 36.512) wordt aangenomen, dan treedt onder andere onderstaand artikel 7.8b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in werking:

Artikel 7.8b (aanwijzing woningbouwregio’s)

  • 1.

    In een omgevingsverordening worden voor de toepassing van de artikelen 4.33 en 4.34 een of meer woningbouwregio’s aangewezen.

  • 2.

    Elke binnen het provinciale grondgebied gelegen gemeente wordt in ten hoogste een woningbouwregio ingedeeld.

  • 3.

    Een woningbouwregio omvat een voor de woningbouwopgave met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad als een eenheid aan te merken verzameling van gemeenten binnen het provinciale grondgebied en, voor zover van toepassing, nabijgelegen gemeenten op het grondgebied van aangrenzende provincies.

Vanouds wordt voor de programmering van woningbouw(locaties) in de provincie Gelderland op regionale schaal samengewerkt, waarbij werd aangesloten bij de bestaande gemeenschappelijke regelingen voor regionale samenwerking, zover die bestonden. Bij de huidige woondeals is ook aangesloten bij die vanouds gehanteerde regio-indeling. De toelichting bij artikel 7.8b Bkl geeft aan dat een woningbouwregio een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad als een eenheid moet worden aangemerkt. Dit kunnen dan meerdere gemeenten betreffen. In een provincie worden een of meer woningbouwregio’s aangewezen. De in de provincie gelegen gemeenten worden in minimaal één woningbouwregio ingedeeld. De woningbouwregio’s zijn zichtbaar op de kaart. Gemeenten die buiten de provincie Gelderland vallen, maar wel deel uitmaken van een ‘Gelderse’ regio, zijn ook zichtbaar op deze kaart.

Het voorstel ziet op wijziging van artikel 5.63 en 5.64. We voegen artikel 5.62a toe.

Participatie

Gedeputeerde Staten hebben Provinciale Staten per brief laten weten dat ze een volkshuisvestingsprogramma willen maken. In dit volkshuisvestingsprogramma staat hoe we het Gelderse woonbeleid uitvoeren. Dat is het beleid uit het beleidskader wonen en de wettelijke eisen uit het wetsvoorstel Wet Versterking regie volkshuisvesting. Dit wetsvoorstel vereist van provincies om de woningbouwregio's vast te stellen. In het voorjaar en de zomer van 2025 is de voorgenomen aanwijzing met gemeenten, regio's en buurprovincies besproken. We hebben een reactie gevraagd op het Gelders programma wonen (annex Volkshuisvestingsprogramma). Het zijn feitelijk de woondeal-regio's.

Werklocaties

We stellen wijzigingen voor bij 3 onderwerpen.

1. Geldigheid van de regionale programma’s werklocaties (RPW’s)

In de vorige wijziging van de omgevingsverordening die vast is gesteld is een regel toegevoegd om te borgen dat RPW's geldig blijven totdat nieuwe zijn vastgesteld. We stellen voor om ter verduidelijking een bijbehorende toelichting op te nemen. Regionale werkprogramma’s worden elke 4 jaar vernieuwd. Als dit door omstandigheden niet lukt, is het onduidelijk of het programma nog geldt of vanzelf is vervallen (van rechtswege). Daarom vermelden we dat zo’n programma blijft gelden tot het vernieuwde programma in werking treedt. Het voorstel ziet op wijziging van de artikelsgewijze toelichting van artikel 5.68.

Participatie

We maken de RPW’s met de regiogemeenten. Zij stellen deze voor een deel zelf op. We bespraken de voorgenomen wijziging met de adviseurs economie van de betreffende regiogemeenten.

2. Beschermen en compenseren capaciteit bedrijventerreinen

We stellen voor om planologische bescherming van de fysieke ruimte en milieugebruiksruimte van bedrijven op bedrijventerreinen op te nemen in de omgevingsverordening. De bescherming van de milieugebruiksruimte beperkt zich tot bedrijfskavels voor bedrijven in de hogere milieucategorieën (vanaf 4.1). In de nieuwe VNG-handreiking "Activiteiten en milieuzonering" onder de Omgevingswet worden dit bedrijfskavels genoemd die activiteiten met verruimde milieugebruiksruimte of meer mogelijk maken. Uitgangspunt is ook dat verloren gegane fysieke of milieuruimte wordt gecompenseerd.

Er zijn in de toekomst mogelijk niet genoeg geschikte locaties, omdat bedrijventerreinen vaker worden omgevormd tot woongebieden met bijpassende kleinschaliger bedrijvigheid.

In de regionale programma's werklocaties maken we hierover afspraken met gemeenten. Het uitgangspunt is: 'het juiste bedrijf op de juiste plek'. Het voorstel ziet op een toegevoegd artikel 5.71a.

Participatie

We maken de regionale programma’s werklocaties (RPW’s) met de regiogemeenten. Zij stellen deze voor een deel zelf op. We bespraken het voornemen tot wijziging met de adviseurs economie van de betreffende regiogemeenten. De noodzaak om vestigingslocaties met een hoge milieucategorie te beschermen, kwam aan bod in de processen rond de vernieuwing van de RPW's.

3. Inhoud Regionale programma's werklocaties

We stellen voor om de inhoudelijke eisen aan de regionale programma's werklocaties te actualiseren. Er is toegevoegd dat ook afspraken moeten worden gemaakt over de regionale meerwaarde van bedrijven, het beschermen van fysieke en milieugebruiksruimte van werklocaties, het beter benutten van bedrijventerreinen, landschappelijke inpassing, zoekgebieden voor grootschalige bedrijvigheid en netbewust bouwen. Tot slot is verduidelijkt welke thema's wij van belang vinden bij een toekomstbestendige inrichting van werklocaties.

Participatie

Het beschermen van fysieke en milieugebruiksruimte is besproken met de regio's. Met de overige wijzigingen brengen we de omgevingsverordening vooral in lijn met de thema's waarover we in de laatst geactualiseerde RPW's in de praktijk al afspraken maken.

Klimaatadaptatie

We stellen wijzigingen voor bij 3 onderwerpen.

De inzet op klimaatadaptatie heeft zijn oorsprong in het nationaal Deltaprogramma en de subprogramma's Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) en het Deltaplan Zoetwatervoorziening (DPZ). Deze vormen de belangrijke kaders voor de provinciale inzet op klimaatadaptatie. In het bestuursakkoord Klimaatadaptatie (2018) hebben provincies zich gecommitteerd aan deze programma's. Het doel is om Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te hebben ingericht. Borging in beleidsinstrumenten is daarbij een belangrijk middel en 1 van de 7 stappen in het DPRA. In het Gelders coalitieakkoord 2023-2027 is opgenomen: we willen een klimaatbestendig Gelderland, in alles wat we doen. Deze ambitie is uitgewerkt in de uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie die door GS is vastgesteld (PS2024-278).

1. Risicoanalyse klimaatverandering

We stellen voor om in de toelichting op de omgevingsplannen een risicoanalyse op te nemen voor te verwachten risico's van klimaatverandering. Voor deze risicoanalyse gebruiken we de handreiking toekomstbestendig bouwen (zie https://media.gelderland.nl/handreiking_toekomstbestendig_bouwen_560cb0f820.PDF). Het is belangrijk dat gemeenten bij ruimtelijke plannen vroeg een goede inschatting maken van de mogelijke risico's van klimaatverandering. Zo kunnen gemeenten passende maatregelen nemen om nadelige effecten van weersextremen te voorkomen, zoals schade aan gebouwen en wegen en gezondheidsrisico's. Het voorstel ziet op wijziging van artikel 5.85 en de toelichting daarop. Met deze verordeningswijziging geeft de provincie uitvoering aan het vigerende Beleidskader Wonen (PS2025-17) waarin dit beleid onder ‘toekomstbestendige woningbouw’ is opgenomen.

Participatie

De voorgenomen wijziging sluit aan bij een gezamenlijk proces met de Gelderse werkregio's klimaatadaptatie (DPRA). Hierin werken alle Gelderse gemeenten, waterschappen en Provincie samen om de regio’s aan te passen aan het veranderende klimaat. Dat doen we vanuit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Met elkaar spraken we doelen en standaarden af over hoe we in de gebouwde omgeving bij voorkeur omgaan met gevolgen van klimaatverandering. De basis hiervoor ligt in de landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving, die in 2023 door het Rijk is ontwikkeld. Deze maatlat bevat de landelijke uitgangspunten raamwerk voor een groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Samen met de eerdergenoemde partners zijn de uitgangspunten in deze maatlat nader uitgewerkt voor Gelderland, rekening houdend met specifieke kenmerken als bodemgesteldheid. Deze uitwerking staat beschreven in de Handreiking toekomstbestendig bouwen.

2. Bodemdaling

We stellen voor om in de toelichting op de omgevingsplannen ook een beschrijving op te nemen van de maatregelen of voorzieningen die gemeenten nemen om bodemdaling tegen te gaan. Deze aanvulling komt naast de beschrijvingen van waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte.

De afgelopen jaren is gebleken dat bodemdaling als gevolg van klimaatverandering een reëel risico is bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bodemdaling kan leiden tot schade aan funderingen. Door klimaatverandering wisselen grondwaterstanden sterk. Daardoor kan de bodem in elkaar worden gedrukt. Hierdoor kan schade aan gebouwen ontstaan.

Het voorstel ziet op wijziging van de toelichting op artikel 5.85. 

Participatie

Dit thema is ook besproken en uitgewerkt in het gezamenlijk proces met de Gelderse werkregio's klimaatadaptatie, zoals hierboven is beschreven bij 'klimaatadaptatie’.

3. Natuurbranden

We stellen voor om in de toelichting op omgevingsplannen een beschrijving op te nemen van de maatregelen of voorzieningen die gemeenten nemen tegen natuurbranden. Deze aanvulling komt naast de beschrijvingen van waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte.

Door klimaatverandering is er een toenemende kans op een (grote) natuurbrand. Het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid stelt dat natuurbrandbeheersing begint bij ruimtelijke ordening. Door bij de inrichting van de ruimte rekening te houden met de mogelijke effecten van een natuurbrand op bebouwd gebied, kunnen de risico's van zo'n brand worden verkleind.

Het voorstel ziet op wijziging van artikel 5.85 en de toelichting daarop.

Participatie

We bespraken de voorgenomen wijziging met de 3 veiligheidsregio's in Gelderland en met ruimtelijke adviseurs van gemeenten. Zij zijn het erover eens dat de wijziging helpt om de risico's van een natuurbrand te beperken.

Energietransitie en netcongestie

De instructieregel is als suggestie opgeworpen in een bestuurlijk overleg op 5 september 2025 tussen de regio’s en provincie Gelderland, georganiseerd vanuit de Gelderse Energyboard. De gezamenlijke bestuurlijke wens is uitgesproken om als decentrale overheden op regionale schaal maatschappelijk te gaan prioriteren bij schaarste aan elektriciteit (netcongestie). Bij voorkeur komen de gemeenten er per voedingsgebied onderling uit welke projecten maatschappelijke prioriteit genieten boven andere projecten en stemmen zij hun plannen onderling op elkaar af. Als dat niet op korte termijn lukt, wordt van de Provincie een regierol gevraagd. Niet alle regio’s en gemeenten waren even goed aangehaakt bij het vervolg, waardoor (ambtelijke en bestuurlijke) onrust is ontstaan over deze voorgenomen instructieregel. Hierover wordt u in een afzonderlijke GS-brief geïnformeerd.We stellen wijzigingen voor bij 5 onderwerpen.

1. Afstandsnorm windturbines

We geven uitvoering aan het door Provinciale Staten in juli 2025 aangenomen initiatiefvoorstel voor 2xtip en RES’en (PS2025-308). Hierin wordt Gedeputeerde Staten opdracht gegeven om een afstandsnorm voor windturbines in de Omgevingsverordening op te nemen.

De afstandsnorm is opgenomen met enkele uitzonderingsgronden. Naast een afstandsnorm blijft een geluidsnorm altijd verplicht. Die geldt ook als er sprake is van een uitzonderingsgrond.

Aangezien dit plan-MER plichtig is, wordt de provinciale plan-MER voor RES’en en windbeleid met aanvullende notitie bij de ter inzage gelegde stukken gevoegd.

Participatie

Bij de behandeling van het Initiatiefvoorstel voor het opnemen van een afstandsnorm voor windturbines in de Omgevingsverordening is er een mogelijkheid geweest om in te spreken, waarvan ook gebruik is gemaakt.

2. Ondergrens voor kleine zon- en windinstallaties

We stellen voor om een ondergrens toe te voegen voor installaties die zonne- en/of windenergie (erfmolens) opwekken. Ook stellen we voor om de ondergrens voor zon hetzelfde te maken als die in het Klimaatakkoord en de RES: installaties > 15kWp. Als de ondergrens voor wind stellen we voor dat de instructieregel voor de RES geldt boven een tiphoogte van 35 meter. Tot deze hoogte zijn de gevolgen voor het landschap namelijk beperkt. 

Nu is een wind- of zonnepark alleen toegestaan als de locatie onderdeel uitmaakt van een RES-zoekgebied. Er is geen ondergrens. Daardoor geldt deze regel voor elk zonnepark en elke windturbine. Het maakt niet uit hoe klein die is. Voor erfmolens groter dan 35 meter tiphoogte veranderen de regels niet. Deze blijven mogelijk, maar moeten in een RES-gebied worden gerealiseerd.

Dit maakt het lastig voor particulieren die een kleine installatie willen plaatsen voor eigen gebruik (een zonneveldje op of bij het woonerf of een erfmolen). Gemeenten moeten de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor kleinschalige installaties toetsen aan onze instructieregels.

Een kleine zon- of windinstallatie voorziet in particuliere behoefte. De locaties liggen vaak ook niet in de zoekgebieden wind en/of zon van de RES’en (artikel 5.96). De locatiekeuze voor kleine installaties regelen is niet van provinciaal belang, omdat deze buiten de RES-afspraken vallen.

Vanuit initiatiefnemers voor erfmolens krijgen we vragen waarom een ecologisch onderzoek nodig is en of het niet zonder kan. Dit vanwege de hoge kosten van het ecologisch onderzoek in relatie tot de aanlegkosten van een erfmolen. Een ecologisch onderzoek is niet nodig als er stilstand wordt toegepast. We hebben regels opgenomen op welke momenten stilstand nodig is. Wel blijft het altijd noodzakelijk om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit aan te vragen.

We beperken de mogelijkheid voor het plaatsen van erfmolens bij agrarische en bedrijfsbestemmingen omdat we verwachten dat erfmolens alleen in eigen gebruik voorzien en ze te veel stroom opwekken voor huishoudens.

Het voorstel ziet op wijziging van artikel 5.86 en het toevoegen van de artikelen 5.96 en 5.97.

Participatie

We hoorden van enkele gemeenten dat het ontbreken van een ondergrens voor kleine zon- en/of windinstallaties leidt tot uitvoeringsproblemen. Met de voorgenomen wijziging helpen we gemeenten om dit allemaal op dezelfde manier aan te pakken. We hebben de wijziging niet vooraf specifiek met de Gelderse gemeenten overlegd. Zij krijgen gelegenheid om een zienswijze in te dienen.

3. Wijziging artikel 5.90b (participatie bij de aanleg van een zonnepark)

We stellen voor de bepaling die qua reikwijdte geldt op projecten voor een wind-, zonnepark en andere duurzame energie-opwekprojecten uit te breiden. Ook stellen we voor het artikel te vernummeren en te plaatsen aan het einde van paragraaf 5.7.7 Energietransitie. Hierdoor ontstaat een logische volgorde (eerst twee achtereenvolgende artikelen over de ruimtelijke inpassing en daarna dit artikel over participatie).

Bij amendement is in artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet (nieuw) is een bevoegdheidsgrondslag voor Provinciale Staten gecreëerd om in de omgevingsverordening “een motiveringsplicht te hanteren over het al dan niet voldoen aan het algemeen streven naar 50% lokaal eigendom bij installaties voor de opwek van hernieuwbare energie. (…) “wie een installatie voor de opwek van hernieuwbare energie ontwikkelt, moet motiveren welke inspanningen zijn verricht om mede-eigenaarschap van de lokale omgeving te organiseren, tot hoeveel lokaal eigendom overeen is gekomen en, indien het overeengekomen percentage minder is dan 50%, waarom er niet minstens 50% lokaal eigendom is overeengekomen. De provincie (…) is niet bevoegd om planologische medewerking te weigeren op basis van het gemotiveerd afwijken van 50% lokaal eigendom.” (bron citaat: Kamerstukken II, 2023/24, 36 378, nr. 23).

Bij de vorige wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland (PS 5 februari 2025, PS2024-993) is een vergelijkbare motiveringsplicht opgenomen specifiek voor de participatie bij de aanleg van een zonnepark (artikel 5.90b). Het aangenomen amendement en de inwerkingtreding van de Energiewet geven aanleiding de reikwijdte van dat artikel te verruimen. Gelet op de beleidsregel Lokaal eigendom en participatie die in juni 2025 is vastgesteld (naar aanleiding van motie 24M59) verruimen we de reikwijdte tot alle vormen van duurzame energie. Nu is de (financiële) participatie bij windprojecten alleen opgenomen in de Beleidslijn windenergie. Voor andere vormen van duurzame energieopwekking was nog niks geregeld. Met deze wijziging wordt voor duurzame energieprojecten de motiveringsplicht voor lokaal eigendom op dezelfde wijze geregeld als bij projecten voor zonne-energie.

Artikel 5.90b krijgt ook een logischer plek binnen de paragraaf en daardoor een nieuw nummer: 5.95.

Participatie

Het voorstel om artikel 5.90b te wijzigen, komt overeen met de manier waarop we dit verwoorden in de vastgestelde beleidsregel Lokaal eigendom en participatie. We legden een conceptversie van deze beleidsregel voor aan enkele gemeenten, regio’s, energiecoöperaties en commerciële ontwikkelaars.

4. Netbudget nieuwe woningbouw

We stellen voor om in de verordening een instructieregel op te nemen die gemeenten opdraagt om een netbudget voor nieuwe woningbouwprojecten op te nemen in hun omgevingsplan. Het behalen van dat netbudget stellen gemeenten vervolgens als voorwaarde voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Het netbudget geeft aan hoeveel elektriciteit een nieuwbouwwijk maximaal mag gebruiken. Hierdoor wordt het elektriciteitsnet minder belast en zijn er binnen de beperkingen van het net meer ontwikkelingen mogelijk. Netcongestie vormt namelijk een groeiend knelpunt voor woningbouw en andere ontwikkelingen in Gelderland. Met deze instructieregel geeft de provincie uitvoering aan het vigerende Beleidskader Wonen (PS2025-17) waarin dit beleid is opgenomen.

Het voorstel voegt een nieuwe paragraaf 5.7.8 en een bijlage toe.

Participatie

Het netbudget voor nieuwe woningbouw is voorbereid in een werkgroep met Flevoland, Utrecht, het rijk, Bouwend Nederland, Neprom, Techniek Nederland, Aedes, en de netbeheerders. De inhoudelijke kennis van deze partijen is gebruikt bij het vormgegeven van de normen zelf. Bij het opstellen van de instructieregels voor het netbudget hebben we juridische werksessies georganiseerd met een selectie aan Utrechtse, Flevolands en Gelderse gemeenten en juristen van het rijk en de drie provincies. We hebben bestaande regionale overlegcircuits gebruikt om de regio’s en gemeenten te informeren over ons voornemen voor het netbudget en om hen om input te vragen. Ook op verzoek zijn wij bij andere regiobijeenkomsten geweest met hetzelfde doel.

5. Netbewust prioriteren

We stellen voor om in de verordening een instructieregel op te nemen die gemeenten binnen een voedingsgebied van een onderstation verplicht om in regionaal verband maatschappelijke prioriteiten te stellen voor ruimtelijke ontwikkelingen, gelet op de schaarste aan net- en aansluitcapaciteit (netcongestie).

Het doen zich situaties voor waar de beschikbare capaciteit op een onderstation onvoldoende is om alle geplande maatschappelijke en ruimtelijke opgaven te realiseren. In dat geval is aanvullende sturing nodig op de verdeling van schaarse netcapaciteit. Hiervoor kan via een interbestuurlijk programma op lokaal niveau worden gewerkt aan afspraken over prioritering en fasering.

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de instructieregel gaan twee pilotgebieden al aan de slag.

Participatie

De instructieregel is als suggestie opgeworpen in een bestuurlijk overleg op 5 september 2025 tussen de regio’s en provincie Gelderland, georganiseerd vanuit de Gelderse Energyboard. De gezamenlijke bestuurlijke wens is uitgesproken om als decentrale overheden op regionale schaal maatschappelijk te gaan prioriteren bij schaarste aan elektriciteit (netcongestie). Bij voorkeur komen de gemeenten er per voedingsgebied onderling uit welke projecten maatschappelijke prioriteit genieten boven andere projecten en stemmen zij hun plannen onderling op elkaar af. Als dat niet op korte termijn lukt, wordt van de Provincie een regierol gevraagd. Niet alle regio’s en gemeenten waren even goed aangehaakt bij het vervolg, waardoor (ambtelijke en bestuurlijke) onrust is ontstaan over deze voorgenomen instructieregel. Hierover wordt u in een afzonderlijke GS-brief geïnformeerd.

Water en bodem

We stellen een wijziging voor bij 1 onderwerp.

1. Beleidsregels masterplannen bodemenergie

We stellen voor om de Beleidsregels masterplannen bodemenergie Gelderland 2014 toe te voegen aan de omgevingsverordening. De inhoud van de regels verandert niet. We hebben deze beleidsregels sinds 2014. Doel is om te laten zien hoe Gedeputeerde Staten vergunningaanvragen voor bodemenergiesystemen beoordelen als deze in een interferentiegebied liggen. Als bodemenergiesystemen dicht bij elkaar liggen, bestaat het risico dat koude of warme zones in de bodem (thermische invloedsgebieden) elkaar overlappen (interferentie). Soms leveren de bodemenergiesystemen daardoor minder energie op. Deze regels zorgen dat de energie die in de bodem zit in gebieden met een grote bodemenergievraag zo veel mogelijk kan worden benut met zo min mogelijk effecten op andere belangen.

Het risico op interferentie neemt toe als er veel bodemenergiesystemen worden aangelegd in een beperkt gebied. Het is dan verstandig om vraag naar en beschikbaarheid van ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen. Dit kan door een interferentiegebied aan te wijzen en een masterplan bodemenergie te maken. In de Omgevingsverordening staan al beoordelingsregels voor vergunningverlening voor activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Het is logisch om de beleidsregels voor bodemenergiesystemen daaraan toe te voegen. Dan staat alles op een plek.

Het voorstel voegt aan afdeling 7.2 paragraaf 7.2.8 toe.

Participatie

We betrokken geen andere partijen bij deze wijziging, omdat ons beleid hetzelfde blijft. We nemen de bestaande beleidsregels ongewijzigd op in de omgevingsverordening. Ze krijgen dus alleen een andere plek (vindplaats). Daarna trekken we de losse regeling in.

Natuur (oude bosgroeiplaatsen)

We stellen een wijziging voor bij 1 onderwerp.

1. Wijziging regime voor oude bosgroeiplaatsen

We stellen voor om het beschermingsregime voor oude bosgroeiplaatsen buiten Natura 2000 en het Gelders natuurnetwerk te wijzigen. Het beschermingsregime is op deze locatie niet van toepassing als wordt voldaan aan de voorwaarde dat de velling plaatsvindt ten behoeve van een functiewijziging op basis van een omgevingsplan waarin maatschappelijk belangen worden afgewogen én drie cumulatieve eisen.

Op basis van deze aanpassing wordt, buiten Natura 2000 en Gelders natuurnetwerk, ruimte geboden om eenvoudiger nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Op deze wijze wordt tegemoetgekomen aan een gesignaleerde maatschappelijke behoefte om de realisatie van onder andere woningbouw, infrastructuur en uitbreiding van het elektriciteitsnet versneld mogelijk te maken.

Ook stellen we voor om de Kaart Oude Bosgroeiplaatsen te wijzigen op drie locaties. Deze wijziging vindt plaats op basis van beoordelingen van de drie wijzigingsverzoeken die eind december 2025 bekend waren.

Het voorstel ziet op de toevoeging van een (derde) lid aan artikel 7.27.

Overgangsrecht

We stellen voor om het inmiddels uitgewerkte overgangsrecht voor de aanleg van zonneparken te schrappen en overgangsrecht op te nemen voor de nieuwe afstandsnorm, in overeenstemming met het eerder aangenomen initiatiefvoorstel.

Participatie

Bij de behandeling van het Initiatiefvoorstel voor het opnemen van een afstandsnorm voor windturbines in de Omgevingsverordening is er een mogelijkheid geweest om in te spreken, waarvan ook gebruik is gemaakt.

Naar boven