U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Vaststelling Omgevingsverordening Gelderland 2025-2026

Provinciale Staten van Gelderland

Gelet op de artikelen 145 en 152 van de Provinciewet, de artikelen 2.6, 2.8, 2.18, eerste lid, aanhef en onder g, sub 2°, onder i, 2.22, 2.23, 4.1 en 4.2 van de Omgevingswet en de artikelen 3.59 en 11.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

Besluiten:

Artikel I

De Omgevingsverordening Gelderland te wijzigen zoals aangegeven in bijlage A. 

Artikel II

De Delegatieverordening leefomgeving Gelderland te wijzigen zoals aangegeven in bijlage B.

Artikel III

Deze besluiten treden in werking op 23 oktober 2026.



Provinciale Staten van Gelderland



Voorzitter



Griffier

Bijlage A Omgevingsverordening Gelderland

A

Het opschrift van paragraaf 1.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 1.3.1 Afwijkingsmogelijkheden bij algemene regels voor activiteiten in hoofdstukde hoofdstukken 4 en 4a

B

Artikel 1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.4 (maatwerkvoorschrift in afwijking van regels voor activiteiten)

Gedeputeerde Staten kunnen, tenzij in hoofdstuk 4a of de artikelen 4.1, 7.3 enof 7.10 anders is bepaald, met een maatwerkvoorschrift van een algemene regel afwijken, voor zover toepassing van die regel:

  • a.

    gelet op het belang dat die regel beoogt te beschermen, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard; of

  • b.

    in een specifiek geval niet toereikend is voor of in de weg staat aan het bereiken van het oogmerk waarmee die regel is gesteld.

C

Artikel 4.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.61 (tijdelijk verbod nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij)

  • 1

    Het is verboden om de volgende milieubelastende activiteiten te verrichten:

    • a.

      een geitenhouderij of geitenhouderijtak te vestigen;

    • b.

      een veehouderijbedrijf of een veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren geheel of gedeeltelijk te wijzigen in een geitenhouderij;

    • c.

      het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden te vergroten;

    • d.

      het oprichten van een nieuw dierenverblijf voor het houden van geiten;

    • e.

      bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij.

  • 2

    Het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor op het eigen bedrijf geboren geitenlammeren tot en met een leeftijd van 60 dagen, mits het vergunde dan wel gemelde aantal geiten van 61 dagen en ouder niet toeneemt ten opzichte van het aantal op 30 augustus 2017 legaal gehouden aantal geiten van 61 dagen en ouder.

  • 3

    Het eerste lid, aanhef en onder c en e, geldt niet als vervanging van de bestaande huisvesting nodig is uit oogpunt van dierenwelzijn, milieu of veiligheid.

  • 4

    Het eerste lid, aanhef en onder e, geldt niet tijdens een noodzakelijke renovatie van het dierenverblijf.

D

Artikel 4.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.62 (toepassingsbereik en oogmerk regels over ontgrondingsactiviteiten)

  • 1

    Deze afdeling is van toepassing op ontgrondingsactiviteiten.

  • 2

    In aanvulling op paragraaf 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingen die in elkaars nabijheid liggen of die volgtijdelijk worden uitgevoerd en waarbij een onderlinge technische, organisatorische of functionele binding bestaat, aangemerkt als één ontgrondingsactiviteit.

  • 3

    Het tweede lid is niet van toepassing op tijdelijke ontgravingen voor militaire oefeningen op militaire terreinen.

  • 2 4

    Deze afdeling is opgenomen met het oog op het o​​pnemen van een aanvullend verbod voor en van vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten, waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn.

E

Artikel 4.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.64 (aanvullende vrijstellingen ontgrondingsactiviteit)

  • 1

    In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, niet als de grondlagen dieper dan drie meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven en niet meer dan zowel 3.000 kubieke meter aan volume als 3.000 vierkante meter aan oppervlakte wordt ontgraven.

  • 2

    In afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het eerste lid geldt geen vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van een plein, park, plantsoen, tuin, sportterrein, woningbouwterrein, parkeerterrein, speelterrein, industrieterrein, weg, spoorweg of luchthaven als de grondlagen dieper dan drie meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.

  • 3

    In aanvulling op artikel 16.7, aanhef en onder g, onder 1°, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt geen vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit voor een noodzakelijke voorlandverbetering voor een dijk, met uitzondering van dijken die geen waterkerende functie hebben.

  • 4

    Voor de gevallen, genoemd in artikel 16.7, aanhef en onder h, van het Besluit activiteiten leefomgeving en het eerste lid, geldt geen vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit voor het aanbrengen van een afdichtende kleilaag tot vier en een halve meter diep waarbij het uiteindelijke opleveringspeil ten hoogste drie meter beneden het oorspronkelijke maaiveld ligt.

  • 5

    In aanvulling op, en zo nodig in afwijking van, artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt geen vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit voor een sanering als bedoeld in de Wet bodembescherming of artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving.

F

Artikel 4.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.65 (melding ontgrondingsactiviteit)

Het is verboden een ontgrondingsactiviteit te verrichten waarvoor op grond van artikel 16.7, aanhef en onder b, c, g, onder 1°, h of j, van het Besluit activiteiten leefomgeving of op grond van artikel 4.64, eerste lid, geen vergunningplicht geldt en waar 1.000 kubieke meter of meer wordt ontgraven zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan aan Gedeputeerde Staten te melden.

G

Na hoofdstuk 4 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 4a Stikstofreductiegebied

Artikel 4a.1 (oogmerk en toepassingsbereik regels reductie emissie stikstof)

  • 1

    De regels in dit hoofdstuk over het beperken van emissies in de lucht van stikstofverbindingen binnen het stikstofreductiegebied zijn opgenomen met het oog op natuurbescherming.

  • 2

    Als 50% of meer van de totale stikstofemissie van een milieubelastende activiteit uit emissiepunten komt die binnen het stikstofreductiegebied zijn gelegen, dan is dit hoofdstuk van toepassing op alle emissiepunten van die milieubelastende activiteit.

  • 3

    Als een kadastraal perceel landbouwgrond voor 50% binnen het stikstofreductiegebied ligt, dan is dit hoofdstuk van toepassing op het hele perceel.

Artikel 4a.2 (regels reductie emissie stikstof: stookinstallaties)

  • 1

    Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van stookinstallaties met een totaal geïnstalleerd nominaal thermisch ingangsvermogen van 400 kW of meer.

  • 2

    Met ingang van 23 oktober 2026 geldt een verbod op de emissie van stikstofoxiden in de lucht bij het in gebruik nemen en exploiteren van een extra stookinstallatie binnen het stikstofreductiegebied, uitgezonderd een dieselmotor die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is en alleen wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit als het openbare net door stroomuitval niet beschikbaar is.

  • 3

    Met ingang van 1 januari 2035 worden bij het exploiteren van een stookinstallatie binnen stikstofreductiegebied in afwijking van de paragrafen 4.3, 4.126, 4.127 en 5.4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor de emissie van stikstofoxiden in de lucht de volgende waarden in acht genomen:

    • a.

      voor ketels gestookt op aardgas een emissiegrenswaarde van 40 mg/Nm3 bij een zuurstofgehalte van 3%;

    • b.

      voor gasmotoren een emissiegrenswaarde van 35 mg/Nm3 bij een zuurstofgehalte van 15%;

    • c.

      voor ketels gestookt op biomassa een reductie van minimaal 60% ten opzichte van voor die installaties in de paragrafen 4.3, 4.126, 4.127 en 5.4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangegeven emissiegrenswaarde, voor zover die paragrafen op deze ketels van toepassing zijn;

    • d.

      voor andere typen stookinstallaties en stookinstallaties op andere brandstoffen minimaal 40%-reductie ten opzichte van voor die typen installaties of brandstoffen in de paragrafen 4.3, 4.126, 4.127 en 5.4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangegeven emissiegrenswaarde.

  • 4

    In afwijking van het derde lid voldoet een grote stookinstallatie minimaal aan de onderkant van de BBT GEN-range als die emissiegrenswaarde strenger is dan de in het derde lid voor die stookinstallatie aangegeven waarde.

Artikel 4a.3 (regels reductie emissie stikstof: energieverbruik)

  • 1

    Degene die een milieubelastende activiteit verricht, waarop paragraaf 5.4.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, vermindert met ingang van het kalenderjaar 2035 ten opzichte van het in de bijlage Reductiepercentages emissie stikstof aangegeven referentiekalenderjaar het energieverbruik van die milieubelastende activiteit, uitgedrukt in kubieke meters aardgasequivalent en gemeten over enig kalenderjaar, met het in die bijlage aangegeven percentage.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing op het elektriciteitsverbruik.

Artikel 4a.4 (tijdelijke regels reductie emissie stikstof: vestigingsverbod veehouderij)

  • 1

    Het is verboden om binnen het stikstofreductiegebied een veehouderijbedrijf of veehouderijtak nieuw te vestigen.

  • 2

    Dit artikel geldt totdat het omgevingsplan, bedoeld in artikel 5.83a, onherroepelijk is.

Artikel 4a.5 (tijdelijke regels reductie emissie stikstof: uitbreidingsverbod veehouderij)

  • 1

    Het is verboden om binnen het stikstofreductiegebied een niet-grondgebonden veehouderijtak uit te breiden ten opzichte van de omvang van de veehouderijtak op 23 april 2025.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing als:

    • a.

      wordt voldaan aan één van de criteria, genoemd in artikel 4a.7;

    • b.

      die uitbreiding gepaard gaat met een toename van het aantal gehuisveste landbouwhuisdieren, mits de ammoniakemissie niet groter wordt dan de ammoniakemissie met het op 23 april 2025 feitelijk aantal op die veehouderijlocatie gehuisveste landbouwhuisdieren; of

    • c.

      het vergroten van de bestaande huisvesting nodig is uit oogpunt van dierenwelzijn of voor het treffen van milieumaatregelen.

  • 3

    De uitzondering, bedoeld in tweede lid, onderdeel b, is alleen van toepassing op dierrechten afkomstig uit het stikstofreductiegebied voor dezelfde soort landbouwhuisdieren.

  • 4

    Dit artikel geldt totdat het omgevingsplan, bedoeld in artikel 5.83a, onherroepelijk is.

Artikel 4a.6 (regels reductie emissie stikstof: plafondwaarde)

  • 1

    Uiterlijk op 1 januari 2035 is de ammoniakemissie van elk dierenverblijf van een veehouderijbedrijf of veehouderijtak gelegen binnen het stikstofreductiegebied met minimaal de in de bijlage Tabel reductiefactor per diercategorie aangegeven reductiefactor gereduceerd tot de plafondwaarde, uitgaande van:

    • a.

      het feitelijk aantal gehouden dieren op 23 april 2025; of

    • b.

      het maximum aantal gehouden dieren in het kalenderjaar 2024 als een veehouder aannemelijk maakt dat het feitelijk aantal aanwezige dieren op 23 april 2025 niet representatief is.

  • 2

    De ammoniakemissie wordt berekend volgens de rekenregels in artikel 4.6 van de Omgevingsregeling.

  • 3

    De plafondwaarde wordt berekend volgens de rekenregels in de bijlage Bepaling plafondwaarde veehouderij.

  • 4

    De reductie tot de plafondwaarde wordt bereikt door:

    • a.

      aanpassing van het huisvestingssysteem, bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling; 

    • b.

      toepassing van aanvullende technieken als bedoeld in bijlage VI van de Omgevingsregeling; 

    • c.

      reductie van het feitelijk aantal gehouden dieren; of

    • d.

      reductie van de emissie op basis van een andere, landelijk erkende en juridisch geborgde wijze.

  • 5

    Als een veehouderijbedrijf of veehouderijtak over meerdere dierenverblijven binnen het stikstofreductiegebied beschikt, mogen de plafondwaarden van deze dierenverblijven onderling verrekend worden, zolang de totale plafondwaarde voor die gezamenlijke dierenverblijven niet wordt overschreden.

  • 6

    Het eerste lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan één van de criteria, genoemd in artikel 4a.7.

Artikel 4a.7 (regels reductie emissie stikstof: criteria vrijstelling)

  • 1

    Een veehouderijbedrijf of veehouderijtak is vrijgesteld van het verbod, bedoeld in artikel 4a.5, eerste lid, of de verplichting, bedoeld in artikel 4a.6, eerste lid, als:

    • a.

      het bedrijf grondgebonden en biologisch gecertificeerd is of in het kader van het certificeringstraject bezig is om te schakelen naar biologische landbouw;

    • b.

      de veebezetting op bedrijfsniveau lager ligt dan 1,5 GVE/ha;

    • c.

      gedurende minimaal 3020 uur per melkkoe per jaar weidegang wordt toegepast; of

    • d.

      er per kalenderjaar sprake is van  tijdelijke leegstand van de  huisvesting gedurende minimaal 18 weken per jaar.

  • 2

    Jaarlijks voor 1 april verstrekt degene die binnen het stikstofreductiegebied een veehouderijbedrijf of veehouderijtak exploiteert gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag waaruit blijkt dat is voldaan aan het eerste lid.

  • 3

    Dit artikel geldt totdat het omgevingsplan, bedoeld in artikel 5.83a, onherroepelijk is.

Artikel 4a.8 (regels reductie emissie stikstof: verbod toepassing stikstofkunstmest)

Met ingang van 1 januari 2030 geldt een verbod om stikstofkunstmest op of in de bodem te brengen binnen het stikstofreductiegebied  bij gronden in beheer van bedrijven en terreinbeherende natuurorganisaties.

Artikel 4a.9 (regels reductie emissie stikstof: verbod omzetten en scheuren grasland)

  • 1

    Binnen het stikstofreductiegebied wordt vanaf 23 oktober 2026 op door bedrijven en terreinbeherende natuurorganisaties gebruikte weidegronden met blijvend of natuurlijk grasland de zode van gras niet vernietigd.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      in de periode van 11 mei tot en met 31 augustus als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint;

    • b.

      als na een aaneengesloten periode van vijf jaar gedurende één tussenjaar een wisselgewas wordt geteeld en aansluitend de teelt van gras weer wordt hervat.

Artikel 4a.10 (regels reductie emissie stikstof: beperking stikstofemissie bij gebruik mobiele werktuigen)

  • 1

    Bij het gebruik van mobiele werktuigen binnen het stikstofreductiegebied door bedrijven en in het kader van publiek opdrachtgeverschap worden de in de bijlage Tabel stikstofemissie mobiele werktuigen aangegeven emissie-eisen met ingang van het aangegeven kalenderjaar in acht genomen.

  • 2

    Dit artikel is niet van toepassing op het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.19a van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

H

Artikel 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.2 (geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van afwijkingsmogelijkheden)

  • 1

    De artikelen 1.6 en 1.7 zijn niet van toepassing op:

    • a.

      de paragrafen paragraaf 5.2.4, 5.4.1 en 5.4.2;

    • b.

      de artikelen 5.9, 5.10 en 5.11; en

    • c.

      afdeling 5.5.

  • 2

    Artikel 1.6 is van toepassing op afdeling 5.4, voor zover:

    • a.

      het gaat om activiteiten die in overeenstemming zijn met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed; en

    • b.

      rekening wordt gehouden met de nader uitgewerkte kernkwaliteiten, bedoeld in de artikelen 5.46 of 5.49.

I

Na artikel 5.62 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.62a (aanwijzing woningbouwregio’s)

De binnen de provincie Gelderland gelegen gemeenten worden ingedeeld in de volgende woningbouwregio’s:

J

Artikel 5.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.63 (regionale afspraken wonen)

  • 1

    Per regiowoningbouwregio maken Gedeputeerde Staten samen met de gemeentebesturen afspraken over:

    • a.

      het aantal te realiseren woningen;

    • b.

      het aandeel betaalbare woningen;

    • c.

      het toewerken naar voldoende plancapaciteit;

    • d.

      het toekomstbestendig realiseren van woningen en woonwijken;

    • e.

      de ontwikkeling van de bestaande woningvoorraad; en

    • f.

      de huisvesting van aandachtsgroepen, inclusief ouderen.

  • 2

    Deze regionale woonafspraken worden ten minste eenmaal in de vier jaar geactualiseerd en worden voorts tussentijds geactualiseerd zodra gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.

K

Artikel 5.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.64 (doorwerking regionale woonafspraken)

  • 1

    Een omgevingsplan laat nieuwe woningen alleen toe als die ontwikkeling past binnen de regionale woonafspraken.

  • 2

    Als een ontwikkeling niet past binnen de regionale woonafspraken, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonafspraken die ontwikkeling toch toelaten als:

    • a.

      de gemeentebesturen in de regiowoningbouwregio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en

    • b.

      Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen.

L

Artikel 5.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.69 (inhoud regionaal programma werklocaties)

  • 1

    Het regionaal programma werklocaties geeft voor de werklocaties binnen de regio inzicht in:

    • a.

      de toekomstbestendigheid van de bestaande voorraad;

    • b a.

      het profiel van de bestaande werklocaties en de onderlinge complementariteitvoorraad, zowel qua;

      • 1.

        toekomstbestendigheid;

      • 2.

        kansen voor ruimtelijk en functioneel beter benutten; als

      • 3.

        het profiel van de bestaande werklocaties en de onderlinge complementariteit;

    • c b.

      de toekomstige vraag, rekening houdend met trends en bestaande knelpunten bij bedrijven, zowel kwalitatief als kwantitatief; en

    • d c.

      de verhouding tussen vraag en aanbod, zowel kwalitatief als kwantitatief.

  • 2

    Het regionaal programma werklocaties bevat een visie op en afspraken over:

    • a.

      het gewenste economisch profiel van de regio en de regionale meerwaarde van bedrijven;

    • b.

      het beschermen en behouden van de bestaande voorraad aan oppervlakte en milieugebruiksruimte inclusief compensatie bij verlies daarvan;

    • b c.

      het juiste bedrijf op de juiste plek; en functiemenging of ontmenging; 

    • d.

      profiel van de werklocaties en onderlinge complementariteit;

    • e.

      ruimtelijk en functioneel beter benutten van werklocaties;

    • c f.

      het toekomstbestendig maken van de bestaande voorraad en de ontwikkeling van nieuwe werklocaties.;

    • g.

      zorgen voor voldoende fysieke en milieugebruiksruimte voor werken en het in evenwicht houden van vraag en aanbod, zowel kwalitatief als kwantitatief;

    • h.

      de randvoorwaarden waaronder nieuwe werklocaties kunnen worden ontwikkeld, met in ieder geval de volgende uitgangspunten:

      • 1.

        de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

      • 2.

        het juiste bedrijf op de juiste plek en een duidelijk economisch profiel;

      • 3.

        een integrale locatiekeuze en een goede landschappelijke inpassing;

      • 4.

        een toekomstbestendige inrichting van het terrein;

    • i.

      zoekgebieden regionale bedrijventerreinen;

    • j.

      de rolverdeling en procedure bij de besluitvorming over nieuwe initiatieven; en

    • k.

      de monitoring.

  • 3

    Het regionaal programma werklocaties bevat afspraken over:

    Toekomstbestendigheid van bestaande en een werklocaties vraagt in ieder geval aandacht voor:

    • a.

      het toekomstbestendig maken van de bestaande voorraad aan werklocaties organiserend vermogen; 

    • b.

      de gewenste toevoegingen aan de bestaande voorraad aan werklocaties intensief en meervoudig ruimtegebruik; 

    • c.

      het in evenwicht houden van vraag naar en aanbod van werklocaties;

      energietransitie en netbewust bouwen; 

    • d.

      de randvoorwaarden waaronder nieuwe initiatieven kunnen worden ontwikkeld, met in ieder geval de volgende uitgangspunten:

      circulariteit; 

      • 1.

        de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

      • 2.

        het juiste bedrijf op de juiste plek; en

      • 3.

        een, met name qua duurzaamheid, toekomstbestendige inrichting van het terrein;

    • e.

      de rolverdeling en procedure bij de besluitvorming over nieuwe initiatieven; en

      biodiversiteit en klimaatadaptatie; 

    • f.

      de monitoring. water; 

    • g.

      mobiliteit en laadinfrastructuur; en

    • h.

      weerbaarheid.

  • 4

    Als in een regionaal programma werklocaties afspraken worden gemaakt over detailhandelsvoorzieningen, wordt bij die afspraken paragraaf 5.7.3 betrokken.

M

Na artikel 5.71 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.71a (beschermen en compenseren fysieke ruimte en milieugebruiksruimte bedrijventerreinen)

  • 1

    Een omgevingsplan kan de volgende ontwikkelingen alleen toelaten als die ontwikkeling past binnen het vastgestelde regionaal programma werklocaties:

    • a.

      een vermindering van de capaciteit of de oppervlakte van een bedrijventerrein;

    • b.

      een vermindering van de aan een geluidgezoneerd bedrijventerrein of aan een industrieterrein met geluidproductieplafonds toegekende geluidruimte; of

    • c.

      een vermindering van de aan een milieubelastende activiteit met de hoogste milieucategorie toegekende bedrijfskavel, oppervlakte, zone of maximale gebruiksruimte.

  • 2

    Als een ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid niet past binnen het regionaal programma werklocaties, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van het programma die ontwikkeling toch toelaten als:

    • a.

      door de gemeente een compensatieplan is opgesteld;

    • b.

      gemeentebesturen in de regio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze over die ontwikkeling en het compensatieplan naar voren te brengen; en

    • c.

      Gedeputeerde Staten met die ontwikkeling en het compensatieplan instemmen.

  • 3

    In het eerste lid, onder c, wordt onder een milieubelastende activiteit met de hoogste milieucategorie verstaan een activiteit:

    • a.

      met een milieucategorie 4.1 of hoger als bedoeld in de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering uit 2009;

    • b.

      vastgelegd in een geluidzone 4 of een geurzone 3 als bedoeld in de VNG-handreiking Milieuzonering nieuwe stijl uit 2019;

    • c.

      vastgelegd in een zone verruimd voor geluid of geur, als bedoeld in de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024; of

    • d.

      op een geluidgezoneerd industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder dan wel een industrieterrein met geluidproductieplafonds als bedoeld in de artikelen 2.11a en 2.12a van de wet.

N

Artikel 5.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.72 (solitaire bedrijvigheid)

  • 1

    Een omgevingsplan kan in het buitengebied een bedrijfsmatige activiteit toelaten, tenzij die activiteit naar huidige planologische inzichten thuishoort op een bedrijventerrein.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een nieuwe bedrijfsmatige activiteit in het buitengebied toelaten als:

    • a.

      sprake is van functieverandering; of

    • b.

      die ontwikkeling past binnen de in het regionaal programma werklocaties gemaakte afspraken over solitaire bedrijvigheid.

  • 3

    Een omgevingsplan kan in het buitengebied uitbreiding van solitaire bedrijvigheid die leidt tot bedrijfsbebouwing groter dan 1.000 vierkante meter en waarbij de uitbreiding zelf groter is dan 250 vierkante meter bedrijfsbebouwing toelaten als in de toelichting bij het omgevingsplan wordt:

    • a.

      gemotiveerd dat de uitbreiding past in regionale functieveranderingsafspraken of het regionaal programma werklocaties; of

    • b.

      aangetoond dat:

      • 1.

        de uitbreiding qua aard en schaal past bij de omgeving;

      • 2.

        verplaatsing naar een bedrijventerrein niet wenselijk is; en

      • 3.

        de uitbreiding onder overgangsrechtmogelijk wordt gemaakt met een uitsterfregeling wordt gebracht locatiespecifieke functietoedeling.

O

Na artikel 5.83 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.83a (verbod omgevingsplan nieuwvestiging en uitbreiding veehouderij binnen het stikstofreductiegebied)

De gemeenteraad stelt uiterlijk op het in artikel 22.4 van de Omgevingswet bedoelde tijdstip bij omgevingsplan regels over de veehouderij binnen stikstofreductiegebied met dezelfde strekking als de artikelen 4a.4, 4a.5 en 4a.7.

P

Artikel 5.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.85 (klimaatadaptatie)

  • 1

    Voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, op een locatie waar zich naar redelijke verwachting risico's van klimaatverandering kunnen voordoen, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijvinganalyse van de maatregelenvoor die activiteit of voorzieningenontwikkeling op die worden getroffen om delocatie redelijkerwijs te verwachten risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.

  • 2

    In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:

    De risicoanalyse gaat in ieder geval in op de volgende thema's:

    • a.

      waterveiligheid;

    • b.

      wateroverlast;

    • c.

      droogte; en

    • d.

      hitte. bodemdaling;

    • e.

      hitte;

    • f.

      natuurbranden; en

    • g.

      biodiversiteit in relatie tot klimaatverandering.

  • 3

    De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.

    Bij het opstellen van de risicoanalyse voor de thema's, bedoeld in het tweede lid, de onderdelen a tot en met e en g, wordt de Handreiking toekomstbestendig bouwen betrokken.

  • 4

    Bij het opstellen van de risicoanalyse voor het thema, bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, worden betrokken:

  • 5

    Voor de relevante risico’s die in de risicoanalyse zijn vastgesteld, bevat het omgevingsplan een beschrijving van de maatregelen ter voorkoming, beperking dan wel beheersing daarvan.

  • 6

    Het gemeentebestuur stelt het dagelijks bestuur van het betreffende waterschap in de gelegenheid advies uit te brengen over de risicoanalyse, de risico’s en de maatregelen.

  • 7

    Het gemeentebestuur stelt de veiligheidsregio in de gelegenheid advies uit te brengen over de risicoanalyse, de risico’s en de maatregelen met betrekking tot het onderdeel natuurbranden.

Q

Artikel 5.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.86 (toepassingsbereik en oogmerk instructieregels over energietransitie)

  • 1

    Deze paragraaf is, met uitzondering van artikel 5.96, niet van toepassing op:

    • a.

      een zonnepark tot en met een vermogen van 15 kilowattpiek; of

    • b.

      een erfmolen voor eigen gebruik met een tiphoogte tot en met 35 meter.

  • 2

    Deze paragraaf is opgenomen met het oog op:

    • a.

      de bijdrage van zonne- en windenergie aan de energietransitie;

    • b.

      zorgvuldig ruimtegebruik; en

    • c.

      het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.

R

Het opschrift van artikel 5.90a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.90a 5.91 (ruimtelijke inpassing zonneparken)

S

Artikel 5.91 wordt geplaatst na artikel 5.90a. Het opschrift van artikel 5.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.91 5.92 (ruimtelijke inpassing windturbines)

T

Na artikel 5.91 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 5.93 (afstandsnorm nieuwe windturbines)

  • 1

    Onverminderd artikel 5.92 laat een omgevingsplan een nieuwe windturbine alleen toe als de afstand tussen de windturbine en een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving meer bedraagt dan twee keer de tiphoogte.

  • 2

    De afstand wordt gemeten van het midden van de voet van de windturbine:

    • a.

      tot de gevel van een geluidgevoelig gebouw;

    • b.

      voor nieuw te bouwen gebouwen: tot de locatie waar een gevel mag komen; of

    • c.

      tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.

Artikel 5.94 (uitzonderingen afstandsnorm nieuwe windturbines)

Artikel 5.93 is niet van toepassing als:

  • a.

    de locatie voor een windturbine en het geluidsgevoelig gebouw op hetzelfde bedrijven- of industrieterrein of binnen een afstand van twee keer de tiphoogte van dezelfde grens van een bedrijven- of industrieterrein zijn gelegen;

  • b.

    de locatie voor een windturbine en het geluidsgevoelig gebouw binnen een afstand van twee keer de tiphoogte van de rand van een rijksweg zijn gelegen;

  • c.

    er sprake is van een geluidgevoelig gebouw binnen de afstand van twee keer de tiphoogte van de windturbine en dat gebouw een functionele binding heeft met de windturbine of op die locatie is toegelaten voor een duur van ten hoogste tien jaar; of

  • d.

    er sprake is van vervanging van een bestaande windturbine.

U

Artikel 5.90b wordt geplaatst na artikel 5.94. Artikel 5.90b wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.90b 5.95 (participatie bij de aanleg van een wind- of zonnepark)

  • 1

    Als een omgevingsplan de aanleg van een wind- of zonnepark in het buitengebied mogelijk maakt, besteedt de toelichting aandacht aan de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de procedurele en financiële participatie door omwonenden.

  • 2

    In de toelichting wordt in ieder geval aangegeven:

    • a.

      hoe en wanneer initiatiefnemer gewerkt heeft aan het verkrijgen van draagvlak bij de omwonenden;

      welke inspanningen initiatiefnemer heeft verricht om mede-eigendom ten aanzien van de voorgenomen installatie en de exploitatie daarvan te bevorderen;

    • b.

      welk percentage mede-eigendom is overeengekomen; en

    • b c.

      de mate waarin en de wijze waarop is gestreefd naar minimaal 50% financiële participatie door omwonenden en het resultaat daarvan.

      voor zover minder dan 50 procent mede-eigendom is overeengekomen, wat de redenen daarvan zijn en of er andere vormen van financiële participatie zijn overeengekomen.

V

Na artikel 5.90b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.96 (erfmolen)

  • 1

    Een omgevingsplan laat een erfmolen met een maximale tiphoogte van 35 meter alleen toe binnen een agrarisch bouwvlak of een bouwvlak van een ander type bedrijf en als die erfmolen is voorzien van drie wieken.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een erfmolen met een maximale tiphoogte van 35 meter ook buiten een bouwvlak als bedoeld in het eerste lid toelaten als in de toelichting bij het omgevingsplan is onderbouwd dat die alternatieve locatie ruimtelijk noodzakelijk en landschappelijk aanvaardbaar is.

W

Na paragraaf 5.7.7 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 5.7.8 Netcongestie

Artikel 5.97 (oogmerk en inwerkingtreding instructieregels netcongestie en toekomstig energiesysteem)

  • 1

    Deze paragraaf is opgenomen met het oog op:

    • a.

      het doelmatig gebruik van elektriciteit in relatie tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ter vervulling van maatschappelijke behoeften;

    • b.

      het bereiken van een energiebewuste inrichting en doelmatig gebruik van de fysieke leefomgeving;

    • c.

      het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in samenhang met het voorkomen en verminderen van netcongestie.

  • 2

    Deze paragraaf ziet niet op:

    • a.

      het aan regels binden van het produceren, transporteren, opslaan of leveren van elektriciteit in het belang van de energievoorziening als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Energiewet; en

    • b.

      energiezuinigheid als bedoeld in de paragrafen 3.4.1 en 4.4.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • 3

    De artikelen 5.98 en 5.99 en de bijlage bij artikel 5.99 treden:

    • a.

      in werking op 1 juli 2027; en

    • b.

      niet in werking als voor of op 1 januari 2028 een wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving in werking treedt, waarin regels worden gesteld omtrent netbewuste woningbouw.

  • 4

    De artikelen 5.100 en 5.101 treden in werking op het tijdstip waarop de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, van de Energiewet in werking treedt.

Artikel 5.98 (oogmerk en toepassingsbereik instructieregel netbewuste woningbouw)

  • 1

    Artikel 5.99 is gesteld met het oog op:

    • a.

      het voorkomen of beperken van vertraging in de woningbouwopgave door doelmatig en netbewust gebruik van elektriciteit tijdens piekmomenten door nieuwe woningbouw;

    • b.

      een evenwichtige en toekomstbestendige woningvoorraad.

  • 2

    Artikel 5.99 is van toepassing op een nieuwe woningbouwactiviteit die tot belasting van de elektriciteitsinfrastructuur leidt.

Artikel 5.99 (instructieregel netbewuste woningbouw)

  • 1

    Voor zover een omgevingsplan een nieuwe woningbouwactiviteit toelaat, wordt:

    • a.

      het netcapaciteitsplafond voor netbewuste woningbouw, bedoeld in de bijlage Netbewuste woningbouw, in acht genomen;

    • b.

      voor die woningbouwactiviteit bepaald of een bodemenergiesysteem kan worden toegepast.

  • 2

    Bij het beoordelen of een woningbouwactiviteit aan het netcapaciteitsplafond voldoet, worden de rekenregels uit de Handreiking netbewuste woningbouw in acht genomen.

  • 3

    Het omgevingsplan kan het netcapaciteitsplafond en de rekenregels niet aanvullen of versoepelen.

Artikel 5.100 (gezamenlijk programma netbewust prioriteren)

  • 1

    Voor de gemeenten of delen daarvan die door één verdeelstation van elektriciteit worden voorzien en waarvoor netcongestie is aangekondigd, stellen de betrokken gemeentebesturen en Gedeputeerde Staten in afstemming met de netbeheerder gezamenlijk een programma op, waarin afspraken worden gemaakt over de prioritering van nieuwe projecten en andere ontwikkelingen met het oog op een duurzaam gebruik van de daarvoor benodigde en beschikbare netcapaciteit.

  • 2

    Het gezamenlijke programma netbewust prioriteren bevat in ieder geval afspraken over de prioritering van ruimtelijke ontwikkelingen, gelet op:

    • a.

      de maatschappelijke behoefte aan de desbetreffende ruimtelijke ontwikkelingen; en

    • b.

      de voor die ruimtelijke ontwikkelingen beschikbare en benodigde netcapaciteit, gelet op de totale elektriciteitsvraag in de regio.

  • 3

    Een gezamenlijk programma netbewust prioriteren wordt eenmaal in de vier jaar geactualiseerd en wordt voorts tussentijds geactualiseerd zodra gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Artikel 5.101 (doorwerking programma netbewust prioriteren in omgevingsplan)

  • 1

    Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als aan die ontwikkeling prioriteit is toegekend in het gezamenlijke programma netbewust prioriteren.

  • 2

    Als een nieuwe ontwikkeling niet past binnen het gezamenlijke programma netbewust prioriteren, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van het programma die ontwikkeling toch toelaten als:

    • a.

      de betrokken gemeentebesturen en de netbeheerder in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en

    • b.

      Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen.

X

Artikel 6.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.19 (regionalegezamenlijke programma's)

  • 1

    Als naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in een regio de woonafspraken niet tijdig worden geactualiseerd of bij het opstellen van die afspraken onvoldoende rekening is gehouden met de inhoudelijke eisen gesteld in artikel 5.63, eerste lid, kunnen Gedeputeerde Staten de woonafspraken voor die regio wijzigen.

  • 2

    Als naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in een regio een regionaal programma werklocaties niet tijdig wordt geactualiseerd, of bij het opstellen van het programma onvoldoende rekening is gehouden met de inhoudelijke eisen gesteld in artikel 5.69, kunnen Gedeputeerde Staten het programma voor die regio wijzigen.

  • 3

    Als naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in een regio een regionaal programma energiestrategie niet tijdig wordt opgesteld of  geactualiseerd, of bij het opstellen van het programma onvoldoende rekening is gehouden met de inhoudelijke eisen gesteld in het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie of artikel 5.87, kunnen Gedeputeerde Staten zelf het programma voor die regio opstellen of wijzigen.

  • 4

    Als naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in een regio een gezamenlijk programma netbewust prioriteren niet tijdig wordt opgesteld of geactualiseerd, of bij het opstellen van het programma onvoldoende rekening is gehouden met de inhoudelijke eisen gesteld in artikel 5.101, kunnen Gedeputeerde Staten zelf het programma wijzigen.

  • 4 5

    Gedeputeerde Staten maken van hun bevoegdheid alleen gebruik, nadat zij de bij het regionale of gezamenlijke programma betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, andere deelnemende partijen een redelijke termijn hebben gegeven om het programma alsnog op te stellen, te actualiseren of de kwaliteit daarvan te verbeteren.

Y

Na paragraaf 6.2.4 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 6.2.5 Instructieregel: netbewuste nieuwbouw

Artikel 6.22 (handreiking netbewuste woningbouw)

  • 1

    Gedeputeerde Staten stellen in afstemming met Gedeputeerde Staten van de provincies Flevoland en Utrecht de Handreiking netbewuste woningbouw, bedoeld in artikel 5.99, tweede lid vast.

  • 2

    Gedeputeerde Staten actualiseren de Handreiking netbewuste woningbouw en de bijlage bij artikel 5.99 in afstemming met Gedeputeerde Staten van de provincies Flevoland en Utrecht wanneer de ontwikkelingen met betrekking tot netcongestie en netbewust bouwen daartoe aanleiding geven.

Z

Na paragraaf 7.2.7 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.2.8 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning: bodemenergiesysteem

Artikel 7.16b (masterplan bodemenergie)

  • 1

    Gedeputeerde Staten kunnen voor een interferentiegebied een masterplan bodemenergie vaststellen.

  • 2

    Het masterplan bodemenergie bevat ordeningsregels per type bodemenergiesysteem en geeft inzicht in:

    • a.

      de verwachte vraag naar bodemenergie;

    • b.

      de motivering van de gekozen ordening van de verschillende typen bodemenergiesystemen;

    • c.

      de belangen die mogelijk invloed kunnen ondervinden van de installatie van bodemenergiesystemen in het plangebied; en

    • d.

      de mogelijke hydrologische en thermische effecten van de uitvoering van het masterplan bodemenergie.

  • 3

    Bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bodemenergiesysteem wordt rekening gehouden met het door Gedeputeerde Staten vastgestelde masterplan bodemenergie.

  • 4

    Een omgevingsvergunning voor een bodemenergiesysteem wordt geweigerd als het aangevraagde bodemenergiesysteem in strijd is met de ordeningsregels uit het masterplan bodemenergie.

AA

Na paragraaf 7.3.2 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.3.3 Meldingen voor ontgrondingsactiviteiten

Artikel 7.18a (termijn melding ontgrondingsactiviteit)

Binnen twee jaar na melding van een ontgrondingsactiviteit zijn de werkzaamheden uitgevoerd.

BB

Na artikel 8.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.9a (intrekking planologische medewerking woningbouwproject, tenzij netbewust)

In aanvulling op artikel 8.9, derde lid, kan het college van burgemeester en wethouders met ingang van 1 januari 2030 besluiten, als gedurende drie jaar na het onherroepelijk worden van de daarvoor verleende planologische medewerking de woningbouwactiviteit nog niet is aangevangen, die medewerking in te trekken, tenzij die woningbouwactiviteit voldoet aan het netcapaciteitsplafond voor netbewuste woningbouw, bedoeld in artikel 5.99.

CC

Na artikel 9.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9.6 (overgangsrecht hoofdstuk 4a)

DD

Na artikel 9.7 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 9.8 (overgangsrecht afstandsnorm nieuwe windturbines)

Artikel 5.93 is niet van toepassing op een project voor de aanleg van een windturbine, waarvan het ontwerpbesluit voor de planologische medewerking aan de locatie voor die windturbine vóór 1 juli 2025 ter inzage is gelegd.

Artikel 9.9 (overgangsrecht netbewuste nieuwbouw)

Artikel 5.99 is niet van toepassing op een nieuwe woningbouwactiviteit:

  • a.

    als op de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van de planologische medewerking afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is en voor 1 juli 2027 een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd;

  • b.

    als op de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van de planologische medewerking afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is en voor 1 juli 2027 een ontvankelijke aanvraag ter inzage is gelegd;

  • c.

    in afwijking van de onderdelen a en b: als voor 23 september 2026 voor die activiteit een stedenbouwkundig plan is vastgesteld en een anterieure of daarmee vergelijkbare overeenkomst is getekend;

  • d.

    in afwijking van de onderdelen a, b en c: als na 1 juli 2027 een aanvraag, ontwerpbesluit of besluit voor verlening van de planologische medewerking ter inzage wordt gelegd, mits die activiteit geen significante wijzigingen heeft ondergaan ten opzichte van een eerder ter inzage gelegde aanvraag, ontwerpbesluit of besluit.

EE

Het opschrift van artikel 9.8   wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.8   9.10 (citeertitel)

FF

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen

bedrijventerrein

aaneengesloten terrein met een bruto oppervlakte van ten minste één hectare voor de bedrijfsmatige uitoefening van industriële, logistieke, ambachtelijke en dienstverlenende activiteiten en groothandel met de daarbij horende voorzieningen, bedoeld voor de vestiging van meerdere bedrijven;

beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg

aangewezen gebied als bedoeld in artikel 1.10 op of langs een provinciale weg dat omvat: de rijbanen, bromfiets-, fiets- en voetpaden, parkeer-, carpool- en halteplaatsen, vluchtstroken en andere stroken, bermen, glooiingen, grondkeringen, bermsloten en alle zich op, aan, in, onder of boven een weg bevindende voorzieningen en werken;

beperkingengebied zorgplicht provinciale weg

aangewezen gebied als bedoeld in artikel 1.10 op of langs een provinciale weg dat omvat: de provinciale weg, met een zone van 10 meter daarbuiten;

binnenschip

schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet;

buitengebied

gebied buiten het stedelijke gebied;

drinkwaterbedrijf

bedrijf dat in een waterwingebied grondwater onttrekt voor de openbare drinkwatervoorziening;

glastuinbouwbedrijf

bedrijf voor het telen of veredelen van gewassen in kassen als bedoeld in paragraaf 3.6.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving geheel of nagenoeg geheel met behulp van glasopstand van minimaal twee hectare;

grondgebonden

de in een veehouderijbedrijf of veehouderijtak gehouden landbouwhuisdieren worden voor meer dan de helft voorzien van voer dat is geteeld op gronden die in de nabijheid van het dierenverblijf zijn gelegen en waarop de veehouder rechten heeft;

grondwater

water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen;

grondwaterbedreigende activiteit

handeling of milieubelastende activiteit die nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater veroorzaakt of kan veroorzaken;

hervestiging

verplaatsing van een veehouderijbedrijf naar een andere bestaande veehouderijlocatie binnen Gelderland;

leggerplicht

verplichting tot vaststelling van een legger als bedoeld in artikel 2.39, eerste lid, van de wet;

natuurbegraafplaats

locatie met als hoofdfunctie natuur en als nevenfunctie begraafplaats;

natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland

type natuur zoals weergegeven op de beheerkaart bij het Natuurbeheerplan provincie Gelderland, gebaseerd op de Index Natuur en Landschap;

obstakelvrije zone

zone als bedoeld in het Handboek Wegontwerp van het kennisplatform CROW, publicatie 2013;

provinciale weg

een openbare weg, zoals bedoeld in de Wegenverkeerswet en Wegenwet in beheer bij de provincie, met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort

regionale waterkering

een niet-primaire waterkering in beheer bij een waterschap waarvoor in deze verordening een omgevingswaarde is opgenomen;

saneren van de bodem

beperken of ongedaan maken van de blootstelling aan de verontreiniging van de bodem of het beperken of ongedaan maken van de verontreiniging van de bodem;

schadelijke stoffen

stoffen opgenomen in bijlage Lijst van schadelijke stoffen of andere stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan verwacht wordt dat ze het grondwater verontreinigen of kunnen verontreinigen;

uitbreiding

(bij veehouderij) vergroting van de agrarische bebouwing;

vaarweg

water binnen de provincie Gelderland dat openstaat voor openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld in artikel 2.7;

vaarwegprofiel

voor een vlotte en veilige scheepvaart ten minste noodzakelijke breedte en diepte van een vaarweg;

voertuig

voertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

werklocatie

bedrijventerrein of locatie voor een kantoor of voor perifere detailhandel;

windturbine

door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt met uitzondering van een historische of monumentale molen;

windturbinepark

park bestaande uit tenminste drie windturbines;

zonnepark

installatie van zonnepanelen, grondgebonden of op water, inclusief de bijbehorende technische constructies en onderdelen.

GG

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe

/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_caf47c28fb3842d69a8607fcefba3e05/nld@2025‑02‑19;1

aanvoergebied vanuit het IJsselmeergebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_ff96d5fab5494c7485b9dd8eafab212e/nld@2023‑11‑30;1

ammoniakbuffergebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_eaa137425cc74000aeee2c041f88f48f/nld@2023‑11‑30;1

Arkervaart

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_68630c202abb459c84255eb4f552233c/nld@2023‑11‑30;1

beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_a3be227602c9420c8ed748b6cdbc35af/nld@2025‑04‑24;5

beperkingengebied zorgplicht provinciale weg

/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_53c5553992af44218c238977f05041da/nld@2025‑04‑24;2

beschermingszone natte landnatuur

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_9c797eb338eb435e828fccf77bafaa1d/nld@2025‑11‑12;3

boringsvrije zone

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_93bbf858b5004aecbc3b647e1493a27c/nld@2025‑02‑20;3

bufferzone van de Neder-Germaanse Limes

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_58ce8ddf32b248a1ad1e226bb625e378/nld@2023‑11‑30;1

de Linge

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_5a1f87e6cfee4378a655345a7324f882/nld@2023‑11‑30;1

de Oude IJssel

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_42ea711d1ebb41d3a91630e67ad80158/nld@2023‑11‑30;1

dijktraject 1 op 30

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_72769de6d6dc4ef3a389a2d6f3412fd5/nld@2025‑04‑18;1

dijktraject 1 op 100

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_17029035d5fe4668946ca30d5137a93e/nld@2025‑04‑18;1

dijktraject 1 op 300

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_09769f9e6f7a43868e8e04fe4166028a/nld@2025‑04‑18;1

dijktraject 1 op 1250

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_ce4aca0df64c4fe0978697663415d411/nld@2025‑04‑18;1

dijktraject handhaven huidige situatie

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_350082e32c414b8dac71ce0c049b3f7e/nld@2025‑04‑18;1

ganzenrustgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_826c6a5e3dae4c4cac6502b6c4e1a537/nld@2025‑02‑20;3

gekanaliseerde Linge

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_bd6bfb96a1054434840a0ce5c754a6c3/nld@2023‑11‑30;1

Gelders natuurnetwerk

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_5210fd6845e344ed99757a637297b5c8/nld@2025‑11‑12;7

Gelders natuurnetwerk windturbines onder voorwaarden mogelijk

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_7a68dbbc4a7f4096922ed57956f5b1de/nld@2025‑02‑20;4

Gelderse streek Achterhoek

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_a5fb298441934b46b424e0c1359acc3b/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_8fc835adde4b478697d854df18f32804/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Bommelerwaard

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_1fa6c0f45f6e4d069c8346506be88350/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Gelderse Vallei

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_c458f7e4e95d420085cd39282876a4c4/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek IJsselvallei

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_4114b266a66f4eb38dee9467b2a8deea/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Land van Maas en Waal

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_c1b8ea843bae4ad38f0907c6482134fa/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Liemers

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_724a8f9662a24c13923fbee470a46a69/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Over-Betuwe

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_502af37844614e65b08c8edf27e335e3/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Randmeerkust

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_ff382f9498ba4072a1645ad66bfef01c/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Rijk van Nijmegen

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_59725e7f19aa4bdbbf1e6e6e862a3cea/nld@2023‑11‑30;1

Gelderse streek Veluwe

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_c31337e4e90540cf9a2dbba7f3da44eb/nld@2023‑11‑30;1

gesloten stortplaats

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_61f3f83a58a34e55ae61618869b39510/nld@2023‑11‑30;1

glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_887f9fb4534341e0a500ce20d0b48286/nld@2025‑02‑20;2

glastuinbouwontwikkelingsgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_2fa1310b26ac40e6b51e6689a690511a/nld@2025‑02‑20;2

Groene ontwikkelingszone

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_418949736ee5474ca4fd00f77860f33c/nld@2025‑11‑12;6

grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_c34a242588074cb7b03ad4bae6b4f95e/nld@2025‑11‑12;4

Hollandse Waterlinies

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_c17cab080b8d41aab547cf95f8833cbf/nld@2023‑11‑30;1

intrekgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_a644fe058a3b482e88f0ff40327f0fed/nld@2025‑02‑20;3

kernzone van de Neder-Germaanse Limes Hunerberg

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_109eb71e19e840ecbbc1ca4c13bbe0a3/nld@2023‑11‑30;1

Korne, delen van de Oude IJssel en delen van de Linge

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_a024d3c4653b45658eb23d3124ce0c23/nld@2023‑11‑30;1

koude-warmte-opslagvrije zone

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_9582ffdfe9314db195dfa33874f3714d/nld@2025‑02‑20;3

kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_7fd4ad8aeff047c68c1d5a3c230cc91d/nld@2025‑02‑20;3

minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_661f50bd15e348409cad26efa1c4adb2/nld@2025‑02‑20;3

molenbiotoop

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_fe5579a5115e4b53937112cab603d3e9/nld@2024‑04‑25;2

nationale landschappen

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_fab537005b3b47c29bdc8688f44e7601/nld@2023‑11‑30;1

Neder-Germaanse Limes

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_7c6a1537b9564d808485f5bcb2fa9d72/nld@2023‑11‑30;1

Neder-Germaanse Limes bufferzone Aquaduct

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_872e1950ddec40f9bd8db20c83961324/nld@2023‑11‑30;1

oude bosgroeiplaats

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_1f8d13161cd049beb23060ee64721314/nld@2023‑11‑30;1

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_1f8d13161cd049beb23060ee64721314/nld@2026‑10‑14;2

peilbesluitgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_4d8c6871d3944df2be4d644ba51c497b/nld@2023‑11‑30;1

provinciale weg

/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_02eb1d1234854ed6a66a1fce6f4ff5ff/nld@2025‑02‑19;1

stikstofreductiegebied

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_5a61dd961cd547eabd3e92880e681569/nld@2026‑10‑14;1

stiltegebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_02f5607bc3a74877bf85642abd88f354/nld@2025‑02‑20;3

verbodsgebied windturbines Veluwe

/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_5deab47f56fd41dcaa479115161bbe49/nld@2025‑02‑19;1

verkenningsgebied bijzondere voorwaarden natuurbegraven Gelders natuurnetwerk

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_a5e65b12690b49958d95e718238258a2/nld@2025‑02‑20;4

verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven Gelders natuurnetwerk

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_cacb2ca7a6334d61a0302d02660aaad7/nld@2025‑04‑24;5

voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_5a6f58450cd648c0978e9d07131fc69f/nld@2026‑10‑14;1

wateroverlast in het beheergebied van waterschap Rijn en IJssel

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_4f49f6a005a3404fab88aeeb335f5503/nld@2025‑04‑18;1

wateroverlast in het beheergebied van waterschap Rivierenland

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_5e412bbbe6464d579ff330fb3d904731/nld@2025‑04‑18;1

wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe

/join/id/regdata/pv25/2025/norm_34a9d202099b411db5a02fde06e68d51/nld@2025‑04‑18;1

waterschap Rijn en IJssel

/join/id/regdata/pv25/2023/locatiegroep_0e6cecd7d169499c88d8b0676c3ed820/nld@2023‑11‑30;1

waterschap Rivierenland

/join/id/regdata/pv25/2023/locatiegroep_b1cc7a1fd4cf497b92e3a50de93e24c5/nld@2023‑11‑30;1

waterschap Vallei en Veluwe

/join/id/regdata/pv25/2023/locatiegroep_a8db1e4a8a1e40a4bb71476556210a86/nld@2023‑11‑30;1

waterschap Vechtstromen

/join/id/regdata/pv25/2023/locatiegroep_4eb80288e63e4b9dadefd00fcbf60ec5/nld@2023‑11‑30;1

waterwingebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_cb4853536a74433c8f5cca0e9eac2e42/nld@2025‑11‑12;4

weidevogelgebied

/join/id/regdata/pv25/2023/gebiedsaanwijzing_1d0fefc09d594a7194dec293ea991115/nld@2025‑11‑12;4

werkgebied van Faunabeheereenheid Gelderland

/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_fe81a9c549504851b7f8f7aac773b390/nld@2025‑04‑18;1

woningbouwregio Achterhoek

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_24a54716722041f1b46fe9b7b084eb58/nld@2026‑10‑14;1

woningbouwregio Foodvalley

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_1060719ef51b448e82bccd73a6ecf94a/nld@2026‑10‑14;1

woningbouwregio Groene Metropool Arnhem-Nijmegen

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_1ff7cb4c5c8d4b589fdeeb1cece9805a/nld@2026‑10‑14;1

woningbouwregio Noord-Veluwe

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_63632cc4a9f74364a5e3da9e1c839f9c/nld@2026‑10‑14;1

woningbouwregio Rivierenland

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_368003af70ab4f2e83e305800ea440a2/nld@2026‑10‑14;1

woningbouwregio Stedendriehoek

/join/id/regdata/pv25/2026/gebiedsaanwijzing_22e9bd2a30d64434822759bf9a5e9b5a/nld@2026‑10‑14;1

HH

Binnen bijlage III wordt na sectie 'Grondwaterbedreigende activiteiten in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden' vier secties ingevoegd, luidende:

Reductiepercentages emissie stikstof energieverbruik

Bijlage bij artikel 4a.3.

Aanvangsdatum milieubelastende activiteit

Referentiekalenderjaar energieverbruik

Reductiepercentage

vóór 1 januari 2017

2017

-35%

na 1 januari 2017 en vóór 1 januari 2018

2018

-33%

na 1 januari 2018 en vóór 1 januari 2019

2019

-31%

na 1 januari 2019 en vóór 1 januari 2020

2020

-29%

na 1 januari 2020 en vóór 1 januari 2021

2021

-27%

na 1 januari 2021 en vóór 1 januari 2022

2022

-25%

na 1 januari 2022 en vóór 1 januari 2023

2023

-23%

na 1 januari 2023 en vóór 1 januari 2024

2024

-21%

na 1 januari 2024 en vóór 1 januari 2025

2025

-19%

na 1 januari 2025 en vóór 1 januari 2026

2026

-17%

na 1 januari 2026 en vóór 1 januari 2027

2027

-15%

na 1 januari 2027 en vóór 1 januari 2028

2028

-13%

na 1 januari 2028 en vóór 1 januari 2029

2029

-11%

na 1 januari 2029 en vóór 1 januari 2030

2030

-9%

na 1 januari 2030 en vóór 1 januari 2031

2031

-7%

na 1 januari 2031 en vóór 1 januari 2032

2032

5% 

na 1 januari 2032 en vóór 1 januari 2033

2033

-3%

na 1 januari 2033 en vóór 1 januari 2034

2034

-1%

na 1 januari 2034 en vóór 1 januari 2035

2035

0%

Tabel reductiefactor per diercategorie

Bijlage bij artikel 4a.6.

De tabel in deze bijlage bevat per diercategorie de reductiefactoren ten behoeve van de te berekenen plafondwaarde. De indeling per diercategorie is ontleend aan de Omgevingsregeling, bijlage V. De reductiefactor per diercategorie is het percentage, waarmee de emissie moet worden gereduceerd, uitgaande van de emissiefactor ‘Overig’, dus van een traditionele stal. In de meeste gevallen is die factor bepaald door te kiezen voor de grenswaarden in kolom C (voor dierenverblijven opgericht op of na 1 januari 2018) in de tabellen 4.818 en 4.820 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving. Voor een aantal diercategorieën wordt een zwaardere reductiefactor per 1 januari 2035 opgelegd:

  • ●

    Voor melkveehouderijen met meer dan 100 stuks melkvee (exclusief jongvee) wordt uitgegaan van een reductiefactor van 54%. Deze kan worden bereikt met bijvoorbeeld een koetoilet of Lelysphere. Gelet op de hoeveelheid dieren op deze melkveebedrijven en de uitstoot in het stikstofreductiegebied is de noodzaak tot meer reductie groter. Verwachting is dat bij deze bedrijfsomvang een duurdere techniek gemakkelijker kan worden geëxploiteerd, mede omdat de provincie subsidiemiddelen beschikbaar zal stellen.

  • ●

    Voor vleeskalveren is de grenswaarde uit artikel 4.819 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving eveneens verhoogd. Deze kan worden bereikt door het stalsysteem te voorzien van een aanvullende techniek. Er zijn nu reeds technieken op de markt die meer kunnen reduceren. Er zijn drie verschillende chemische luchtwassers die tot 95% emissie reduceren. We gaan echter uit van wat redelijk (haalbaar en betaalbaar) is en leggen de lat iets lager.

  • ●

    In het stikstofreductiegebied liggen enkele paardenfokbedrijven. Voor deze veehouderijen zijn geen staltechnieken en aanvullende technieken beschikbaar om de stikstofreductie te realiseren. De enige reductiemaatregel voor deze veehouderijtak zou dan het reduceren van het aantal gehouden paarden zijn. Zo’n maatregel is niet evenredig of proportioneel, omdat paardenhouderijen een relatief lage emissie en lage veebezetting hebben. Om die reden is deze veehouderijtak vrijgesteld van de reductieplicht. Voor dekberen, struisvogels en schapen is eveneens 0% aangehouden omdat daar geen emissiereducerende stalsystemen of technieken voor beschikbaar zijn. Schapen en struisvogels worden buiten gehouden. Het aantal dekberen is klein en zal niet snel in aantal toenemen omdat daar geen markt voor is.

  • ●

    De percentages die hier genoemd worden zijn niet vergelijkbaar met de percentages die voor vergunningverlening en de beleidsregels salderen worden gebruikt. Stalmodernisering en de beleidsregels hebben een andere grondslag en systematiek. De reductiepercentages voor stalmodernisering hebben als grondslag het aantal dieren op 23 april 2025, emissiewaarden traditionele stal op basis van Bijlage V uit de omgevingsregeling en de grenswaarde Bal kolom C. Voor melkvee met minder dan 100 dieren komt dat op 34% (zie Bijlage plafondwaarde veehouderij in dit stuk). Bij de beleidsregel intern salderen is de grondslag emissie volgens de aanwezige vergunning, het aantal dieren maal de stalemissie op het moment van aanvraag, minus de niet structureel benutte ruimte. Daarvan wordt 35% afgeroomd voor de natuur.

Code

Diercategorie uit Bijlage V

Reductiefactor 

 

Rundvee

 

HA1

Melk- en kalfkoeien van 2 jaar en ouder (inclusief kalveren jonge dan 14 dagen)

34%

 

Idem, als het gaat om bedrijven met in totaal meer dan 100 stuks melkvee (exclusief jongvee, aanwezig op 23 april 2025)

54% 

HA2

Vrouwelijk jongvee en fokstieren jonger dan 2 jaar

0%

HA3

Vleeskalveren jonger dan 1 jaar

85%

HA4

Zoogkoeien van 2 jaar en ouder (inclusief ongespeende kalveren)

0%

HA5

Overig vleesvee vanaf spenen en jonger dan 2 jaar

0%

HA6

Overig rundvee van 2 jaar en ouder

0%

 

Schapen

 

HB1

Schapen van 1 jaar en ouder (inclusief lammeren) 

0% 

 

Geiten

 

HC1

Geiten van 1 jaar en ouder

80%

HC2

Geiten vanaf 61 dagen tot 1 jaar

80%

HC3

Geiten tot 61 dagen

80%

 

Varkens

 

HD1

Gespeende biggen van minder dan 25 kg

70%

HD2

Kraamzeugen

70%

HD3

Guste en dragende zeugen

69%

HD4

Dekberen van 7 maanden en ouder

0%

HD5

Vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden en opfokzeugen van 25 kg en meer

85%

 

Kippen

 

HE1

Opfokhennen en hanen van legkippen jonger dan 18 weken:

 
 

- batterijhuisvesting zonder geïntegreerde droogtunnel

87%

 

- batterijhuisvesting met geïntegreerde droogtunnel 

64% 

 

- niet-batterijhuisvesting 

70% 

HE2

Legkippen van 18 weken en ouder en ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder

78%

HE3

Ouderdieren van vleeskuikens in opfok, jonger dan 19 weken

80%

HE4

Ouderdieren van vleeskuikens van 19 weken en ouder

80%

HE5

Vleeskuikens

80%

 

Parelhoenders

 

HF1

Vleesparelhoenders

80%

 

Kalkoenen

 

HG1

Ouderdieren van vleeskalkoenen jonger dan 6 weken

80%

HG2

Ouderdieren van vleeskalkoenen van 6 weken en ouder en jonger dan 30 weken

80%

HG3

Ouderdieren van vleeskalkoenen van 30 weken en ouder

80%

HG4

Vleeskalkoenen

80%

 

Eenden

 

HH1

Ouderdieren van vleeseenden

80%

HH2

Vleeseenden

 
 

- binnen 

80% 

 

- buiten 

0% 

 

Konijnen

 

HK1

Voedster

80%

HK2

Vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd

80%

 

Struisvogels

 

HI1

Struisvogels jonger dan 4 maanden

0%

HI2

Struisvogels van 4 maanden en ouder en jonger dan 12 maanden

0%

HI3

Struisvogels van 12 maanden en ouder

0%

 

Paarden

 

HL1

Paarden van 3 jaar en ouder

0%

HL2

Paarden jonger dan 3 jaar

0%

HL3

Pony's van 3 jaar en ouder

0%

HL4

Pony's jonger dan 3 jaar

0%

Bepaling plafondwaarde veehouderij

Bijlage bij artikel 4a.6

Begripsbepaling

De plafondwaarde is de maximale emissie vanuit de dierenverblijven van een veehouderij in het stikstofreductiegebied, die per 1 januari 2035 wordt toegestaan. Deze wordt uitgedrukt in kg ammoniak per jaar.

Rekenregel

De plafondwaarde wordt in enkele stappen berekend. 

  • 1.

    Eerst dient voor de dierenverblijven de referentiewaarde te worden bepaald, ten opzichte waarvan moet worden gereduceerd. Hiertoe wordt de emissie per dierenverblijf berekend op basis van het feitelijk aantal gehouden dieren per 23 april 2025, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde emissiefactor die behoort bij een ‘traditionele stal’. De emissiefactor voor een ‘traditionele stal’ is de emissiefactor die in bijlage V (huisvestingssystemen) van de Omgevingsregeling bij elke diercategorie staat bij de ‘Overige huisvestingssystemen’.

  • 2.

    Vervolgens wordt voor elk dierenverblijf de referentiewaarde gereduceerd met een percentage, genaamd de reductiefactor. De reductiefactor is opgenomen in de tabel bij de regeling, en is per diercategorie gespecifieerd.

  • 3.

    De (optelsom van de) hieruit ontstane waarde(n) is de plafondwaarde.

    Voorbeeld: voor een melkveehouderij met - op 23 april 2025 - 50 gehouden melkkoeien van twee jaar en ouder is de emissiefactor ‘Overig’ 13 kg NH3/jr/dierplaats, en de referentiewaarde dus (50 * 13 =) 650 kg NH3/jr. De reductiefactor in de tabel is voor deze diercategorie 34%. Daarmee is de plafondwaarde (650 - (34% van 650 =) 221 =) 429 kg NH3/jr.

  • 4.

    Heeft een veehouder meerdere dierenverblijven in het stikstofreductiegebied, eventueel ook met meerdere diersoorten, dan mag hij onderling verrekenen. Hij berekent per dierenverblijf de referentiewaarde en de plafondwaarde, en telt de plafondwaarden van de betreffende dierenverblijven bij elkaar op tot de voor hem van toepassing zijnde totale plafondwaarde. Vervolgens mag hij op verschillende manieren - zie hiertoe artikel 4a.6, lid 5 - per dierenverblijf reductiemaatregelen nemen, zolang de optelsom van de daaruit resulterende emissiewaarden de totale plafondwaarde maar niet overschrijdt. Zo zou hij het ene dierenverblijf bijvoorbeeld ‘traditioneel’ kunnen houden, mits hij bij een ander dierenverblijf extra gaat reduceren en de totale emissiewaarde kleiner of gelijk is dan de berekende totale plafondwaarde.

Tabel stikstofemissie mobiele werktuigen

Bijlage bij artikel 4a.10

Tabel emissie-eisen stikstof mobiele werktuigen
 
 

Publiek opdrachtgeverschap

 Publiek opdrachtgeverschap

 Bedrijven

 
 

m.i.v. 01‑01‑2028

m.i.v. 01‑01‑2030*

m.i.v. 01‑01‑2035*

Mobiele werktuigen (niet-stationair)

 
 
 
 

Licht (minimaterieel)

< 19 kW

100% ZE

100% ZE

100% ZE

Licht

19 - 37 kW

100% ZE

100% ZE

100% ZE

Licht

37 - 56 kW

100% ZE

100% ZE

100% ZE

Middelzwaar

56-130 kW

geen eisen

100% ZE

100% ZE

Zwaar

130-560 kW

geen eisen

100% ZE

100% ZE

Zeer zwaar

> 560 kW

geen eisen

100% ZE

100% ZE

Specialistisch

levensduur > 15 jaar

geen eisen

100% ZE

100% ZE

Mobiele werktuigen (stationair)

 
 
 
 

Generatoren

< 560 kW

100% ZE

100% ZE

100% ZE

Pompen

≥ 560 kW

gelijk aan de eisen niet-tationair

gelijk aan de eisen niet-stationair

gelijk aan de eisen niet-stationair

Torenkranen

≥ 560 kW

gelijk aan de eisen niet-stationair

gelijk aan de eisen niet-stationair

gelijk aan de eisen niet-stationair

Bouwtransport

 
 
 
 

N1-Bestelauto’s

 

100% ZE

100% ZE

geen eisen

N2-Lichte vrachtwagens

 

geen eisen

100% ZE

geen eisen

N3-Zware vrachtwagens

 

geen eisen

100% ZE

geen eisen

* Voor mobiele werktuigen die nog niet zero-emissie beschikbaar zijn, geldt de uitzondering dat mag worden uitgeweken naar een materieelstuk met Euro 6 of Stage IV-motor.

Toelichting 

In artikel 4a.10 (regels reductie emissie stikstof: beperking stikstofemissie bij gebruik mobiele werktuigen) is bepaald dat bij inzet van mobiele werktuigen de toepasselijke normen uit de Bijlage stikstofemissie mobiele werktuigen in acht worden genomen. Wanneer materieelstukken nog niet beschikbaar zijn, zijn deze uitgezonderd van de zero-emissie eis. Wel moeten deze stukken dan voldoen aan de EURO6 of STAGE IV vereiste. 

Vanuit een voorbeeldfunctie geldt voor een publieke opdrachtgever een hoger ambitieniveau dan voor commerciële opdrachtgevers.  

Die voorbeeldrol hebben de (meeste) publieke opdrachtgevers – waterschappen, gemeenten, de provincie en de rijksoverheid inclusief rijksdiensten – al opgepakt door deel te nemen als partij bij het SEB-convenant. De verplichte emissienorm is opgenomen in onderstaande tabel en daarin is ook aangegeven met ingang van welk kalenderjaar aan de voor bedrijven of publieke opdrachtgevers aangegeven norm moet worden voldaan. De tabel is ontleend aan de tabellen 9, 10 en 12 van de routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB). De normen in onderstaande tabel gelden ook als de publieke opdrachtgevers activiteiten in eigen beheer (dus met eigen mobiele werktuigen) uitvoeren. Niet-gouvernementele organisaties, zoals bijvoorbeeld Staatsbosbeheer en woningcorporaties, gelden niet als publieke opdrachtgevers. De afkorting ‘ZE’ in de tabel staat voor: zero-emissie.

II

Binnen bijlage III wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies

Bijlage bij paragraaf 5.4.1.

Deze bijlage licht de planologische bescherming toe van de uitzonderlijke universele waarde (UOV) van de Hollandse Waterlinies op Gelders grondgebied als onderdeel van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. 

Sinds 2021 vormen de historische waterlinies Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie samen het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. De provinciale bescherming is gebaseerd op rijksregels uit (afdeling 7.2 van) het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze op grondslag van de Omgevingswet vastgestelde rijksregels zijn bedoeld om de 'uitzonderlijke universele waarde' van werelderfgoed te behouden en beschadiging of vernieling van werelderfgoed te voorkomen. De Omgevingswet geeft zo uitvoering aan het internationale Werelderfgoedverdrag dat Nederland in 1992 ratificeerde.

Vrij vertaald is de OUV van de Hollandse Waterlinies:

  • ●

    een buitengewoon voorbeeld van een Europees verdedigingssysteem van de moderne tijd dat intact is gebleven;

  • ●  

    een ingenieus systeem van militaire verdediging door inundatie dat gebruik maakt van eigenschappen en elementen van het aanwezige landschap;

  • ●  

    uniek in de Europese architectuurgeschiedenis;

  • ●  

    een illustratie van Nederlandse inventiviteit in land- en waterbeheersing.

Deze ‘uitzonderlijke universele waarde’ van de Hollandse Waterlinies is voor de planologische bescherming uitgewerkt in drie kernkwaliteiten. Kernkwaliteiten zijn volgens het Bkl in het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde essentiële kenmerken van het aanwezige landschap en cultureel erfgoed.

Het betreft de kernkwaliteiten:

Deze 'uitzonderlijke universele waarde' van de Hollandse Waterlinies is voor de planologische bescherming uitgewerkt in drie kernkwaliteiten. Kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinies zijn het samenhangende en overwegend goed bewaard gebleven geheel van:

  • a.

    het strategisch landschap;

    het strategisch landschap, als oorspronkelijk voor de militaire verdediging bestemd aaneengesloten gebied dat op veel plaatsen gekenmerkt wordt door grote openheid en een overwegend groen karakter, bestaande uit:

    • 1.

      de hoofdverdedigingslijn: een lineaire, hoger gelegen structuur in het landschap, als begrenzing van het te verdedigen gebied;

    • 2.

      inundatiegebieden;

    • 3.

      de voormalige schootsvelden en verboden kringen rondom militaire versterkingen, gekenmerkt door visueel open en merendeels onbebouwd gebied;

    • 4.

      de accessen, als kwetsbare onderdelen in het verdedigingssysteem in samenhang met de daartoe ingerichte versterkingen; en

    • 5.

      de houten Kringenwet-bouwwerken;

  • b.

    het watermanagementsysteem; en

    het watermanagementsysteem, als samenhangend stelsel van waterbouwkundige werken en waterlichamen, in te zetten voor gecontroleerde inundatie, bestaande uit:

    • 1.

      inundatie-, toevoerkanalen en rivieren;

    • 2.

      inundatiekaden, sluizen, inlaten, dammen, uitlozings- en kwelkommen, functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden; en

    • 3.

      gemalen en schotbalkloodsen; en

  • c.

    de militaire werken.

    de militaire werken: de voormalige militaire versterkingen en overige ondersteunende militaire onderdelen, mede in hun onderlinge samenhang en met de landschappelijke inpassing en camouflage van de versterkingen en onderdelen, bestaande uit:

    • 1.

      forten en batterijen;

    • 2.

      stellingen en verspreide werken, groepsschuilplaatsen, kazematten en andere militaire werken; en

    • 3.

      de historische vestingstructuur van de vestingsteden Muiden, Weesp, Naarden, Nieuwersluis, Gorinchem en Woudrichem.

Harmonisatie afweging ruimtelijke ontwikkeling in de Hollandse Waterlinies

Het Werelderfgoed ‘Hollandse Waterlinies’ loopt van de provincie Noord-Holland, via Utrecht en Gelderland tot in Noord-Brabant en een klein puntje van Zuid-Holland (vestingstad Gorinchem). De linieprovincies zijn als siteholder verantwoordelijk voor het behoud en de bescherming van dit werelderfgoed. Om de ‘Hollandse Waterlinies’ goed te kunnen beschermen, stemmen provincies onderling het ruimtelijk beleid voor dit Werelderfgoed op elkaar af. Deze harmonisatie van het ruimtelijk beleid maakt het mogelijk om ruimtelijke ontwikkelingen overal binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam op eenzelfde manier af te wegen, ongeacht binnen welke provincie die ontwikkelingen zich voordoen.

De gebiedsanalyses kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies leggen de basis voor deze harmonisatie door de kernkwaliteiten via dezelfde systematiek uit te werken en per deelgebied uitgangspunten voor ontwikkeling te formuleren. Wat in een gebied uiteindelijk kan, blijft echter maatwerk.

Bij visie- en planvorming is een integrale afweging van aanwezige belangen nodig. Daarbij blijft de hoofdregel dat het Werelderfgoed niet wordt aangetast, beschadigd of vernield.

Gebiedsanalyses op Gelders grondgebied

De gebiedsanalyses vormen een document waarin nader staat uitgewerkt wat de kernkwaliteiten in elk deelgebied van de Hollandse Waterlinies zijn. De gebiedsanalyses zijn daardoor een hulpmiddel voor overheden en initiatiefnemers bij het toepassen van de regel dat de uitzonderlijke universele waarde (vertaald in de kernkwaliteiten) niet mag worden aangetast. Daarnaast kunnen de gebiedsanalyses gebruikt worden als inspiratiebron en bouwsteen voor verdere visie en planvorming in het gebied. In Gelderland zijn er gebiedsanalyses opgesteld voor de deelgebieden: Culemborgerwaard, Tielerwaard, Bommelerwaard, Inundatiekanaal Tiel en Fort Pannerden.

Deze gebiedsanalyses zijn hier te vinden: gelderland.nl/themas/cultuur-en-erfgoed/erfgoed/hollandse-waterlinies.

JJ

Binnen bijlage III wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes

Bijlage bij paragraaf 5.4.2.

Kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes zijn de unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven resten van de (militaire) grens van het voormalige Romeinse Rijk, bestaande uit archeologische monumenten uit de periode 20 voor tot 450 na Christus langs, en samenhangend met, de toenmalige loop van de Rijn:

  • a.

    de unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven (militaire) grens van het voormalige Romeinse Rijk; en

    militaire versterkingen, bestaande uit legioenvestigingen, forten en wachttorens;

  • b.

    archeologische overblijfselen uit de periode van 20 voor Christus tot 450 na Christus langs en samenhangend met de toenmalige loop van de Rijn, bestaande uit:

    overige militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, bruggen, havens, oeverwerken, een kanaal, een aquaduct en een pannenbakkerij;

    • 1.

      militaire versterkingen (legioensvestigingen, forten, wachttorens, burgerlijke nederzettingen, tempel en grafvelden;

    • 2.

      overige militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, havens, oeverwerken, kanaal, aquaduct, pannenbakkerij; en

    • 3.

      verlande delen van de rivier met scheepswrakken en afvallagen.

  • c.

    burgerlijke nederzettingen, een tempel en grafvelden; en

  • d.

    verlande delen van de rivier met scheepswrakken en afvallagen.

De beschrijvingen zijn ontleend aan het Nominatiedossier Neder-Germaanse Limes 2021.

ARNHEM- MEINERSWIJK

Auxiliary fort, civil settlement. The remains of a succession of forts have been discovered, as well as parts of the associated civil settlement.

Vertaling: De overblijfselen van een Romeins hulpfort, met burgerlijke nederzetting. De overblijfselen van een opeenvolging van forten zijn ontdekt, evenals delen van de bijbehorende civiele nederzetting.

ELST - GROTE KERK

Sanctuary, the remains of a Roman temple. One of the largest temples of this type in the Gaulish and German provinces

Vertaling: Een Romeins heiligdom, de overblijfselen van een Romeinse tempel. Een van de grootste tempels van dit type in de Gallische en Duitse provincies

NIJMEGEN - VALKHOF AREA/HUNNERPARK

Early Roman town, Late Roman fort. The property encompasses two elements of the frontier infrastructure: an Early Roman town and a Late Roman fort.

Vertaling: De restanten van een vroeg-Romeinse stad, en een laat-Romeins fort als onderdeel van de grensinfrastructuur.

NIJMEGEN - HUNERBERG

Operational base, legionary fortress, civil settlement. The Hunerberg holds the remains of two large fortifications and of the civil settlement surrounding the later of these. The earlier fortification was a unique operational base. This is the earliest military base in the Rhineland and may be considered as the cradle of the Lower German frontier. Located in an elevated position overlooking the Rhine valley to the north and east it was established as the springboard for a punitive expedition in Germanic territory across the Rhine.

Vertaling: De restanten van operationele basis, legioensfort, civiele nederzetting. De Hunerberg herbergt de overblijfselen van twee grote vestingwerken en van de burgerlijke nederzetting rondom de laatste daarvan. Het eerdere fort was een unieke operationele basis. Dit is de vroegste militaire basis in het Rijnland en kan worden beschouwd als de bakermat van de Nederduitse grens. Gelegen in een verhoogde positie met uitzicht op de Rijnvallei in het noorden en oosten werd het opgericht als de springplank voor een punitieve expeditie op Duits grondgebied over de Rijn.

NIJMEGEN - KOPS PLATEAU

Contains the remains of an irregularly shaped Early Roman fortification. It includes a section of the fort defenses and some probable burials belonging to the later legionary fortress of Nijmegen-Hunerberg and its civil settlement and a Cemetery.

Vertaling: De overblijfselen van een onregelmatig gevormd vroeg-Romeins fort. Het omvat een deel van de fortverdediging en enkele waarschijnlijke begravingen die behoren tot het latere legioensfort van Nijmegen-Hunerberg en haar civiele nederzetting en een begraafplaats

BERG EN DAL - AQUEDUCT

The property includes the water sources and earthworks of an aqueduct that supplied the legionary fortress of Nijmegen -Hunerberg. Although they have suffered from some erosion over the centuries, the earthwork are still largely intact.

Vertaling: Het object omvat de waterbronnen en aardwerken van een aquaduct dat het legioensfort van Nijmegen-Hunerberg heeft bevoorraad. Hoewel het door de eeuwen heen heeft geleden onder enige erosie, is het aardwerk nog grotendeels intact.

BERG EN DAL - DE HOLDEURN

Military tile and pottery kilns. The property of De Holdeurn includes the known and projected remains of an industrial site which produced bricks, tiles and pottery.

Vertaling: Restanten van militaire dakpan- en aardewerkovens. De Holdeurn omvat de bekende en geprojecteerde overblijfselen van een industriële site die bakstenen, dakpannen en aardewerk produceerde.

HERWEN - DE BIJLAND

Auxiliary fort, temporary camp. Eroded remains of a stone fort have been found at great depths during sand extraction, and there are still some remains in the resulting quarry pool known as De Bijland. Most of the dredged finds are dated c. AD 70-260, but there is an earlier inscription making explicit reference to a groyne or dam. This groyne is one of the most famous examples of Roman water management, a barrier built in the river c. 12-9 BC to increase the water volume of the northern branch of the Rhine in the delta.

Vertaling: Restanten van een hulpfort, tijdelijk kamp. De geërodeerde overblijfselen van een stenen fort zijn op grote diepte gevonden tijdens zandwinning, en er zijn nog enkele overblijfselen in de resterende zandwinplas bekend als De Bijland. De meeste gebaggerde vondsten zijn gedateerd c. AD 70-260, maar er is een eerdere inscriptie die expliciet verwijst naar een krib of dam. Deze kribbe is een van de beroemdste voorbeelden van Romeins waterbeheer, een barrière gebouwd in de rivier c. 12-9 v.Chr. om het watervolume van de noordelijke Rijntak in de delta te vergroten.

KK

Binnen bijlage III wordt na sectie 'Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes' een sectie ingevoegd, luidende:

Netbewuste woningbouw

Bijlage bij artikel 5.99

Toelichting enkele gebruikte begrippen

gebruiksoppervlakte (GBO): gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

gestapelde woning: woning die geheel of gedeeltelijk boven of onder een andere woning is gelegen;

grondgebonden woning: woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan een van de bouwlagen aansluit op het maaiveld en die niet geheel of gedeeltelijk boven of onder een andere woningen is gelegen;

maximum piekbelasting: geprognotiseerde, op gebiedsniveau gemiddelde, maximale stroomverbruik van een woningbouwactiviteit, volgens de rekenregels uit de Handreiking netbewuste woningbouw, uitgedrukt in Watt per uur per vierkante meter gebruiksoppervlakte;

netcapaciteitsplafond: totale berekende maximum piekbelasting op het elektriciteitsnet van alle woningen die met een wijzigingsbesluit van een gemeentelijk omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk worden gemaakt, inclusief de gemeenschappelijke installaties die gebruikt worden voor het verwarmen van die woningen bij weersomstandigheden van -10 graden Celsius;

woningbouwactiviteit: woningbouwactiviteit die aan de bepalingen voor nieuwbouw van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voldoet.

Het netcapaciteitsplafond

Het netcapaciteitsplafond uit artikel 5.99, eerste lid voor een woningbouwactiviteit of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) voor wordt aangevraagd, wordt berekend door het aantal m2 gebruiksoppervlakte (GBO) van het totaal aantal woningen te vermenigvuldigen met de prestatienorm per m2 uit onderstaande tabel. De prestatienorm is de maximum piekbelasting op het elektriciteitsnet per vierkante meter gebruiksoppervlakte van woningen en van gemeenschappelijke installaties die gebruikt worden voor het verwarmen van die woningen bij een weersituatie van -10 graden Celsius.

 Prestatienorm netbewuste nieuwbouw

 Woningentype

 Bodemenergiesysteem

 12 We/m2 GBO

 Grondgebonden

 Wel toepasbaar

 13 We/m2 GBO

 Gestapeld

 Wel toepasbaar

 13 We/m2 GBO

 Grondgebonden

 Niet toepasbaar

 14 We/m2 GBO

 Gestapeld

 Niet toepasbaar

De prestatienorm is dus afhankelijk van twee factoren:

  • of de woning gestapeld is of grondgebonden; en

  • of er voor het warmtesysteem van de woning wel of niet gebruik gemaakt kan worden van een bodemenergiesysteem.

Voorbeeldberekening netcapaciteitsplafond

Voor een woningbouwactiviteit met 200 grondgebonden woningen (gemiddeld 120 m² GBO per woning) en 200 gestapelde woningen (gemiddeld 85 m² GBO per woning), waarbij een bodemenergiesysteem wel kan worden toegepast, geldt het volgende:

  • grondgebonden woningen: 200 woningen x 120 m2 GBO x 12 We/m2 = 288 kW gelijktijdige netbelasting;

  • gestapelde woningen: 200 woningen x 85 m2 GBO x 13 We/m2 = 221 kW gelijktijdige netbelasting.

Het netcapaciteitsplafond voor het woningbouwactiviteit is dan 288 kW + 221 kW = 509 kW

Het netcapaciteitsplafond is de totale berekende maximum piekbelasting op het elektriciteitsnet van alle woningen in het gehele project bij weersomstandigheden van -10 graden Celsius, inclusief gemeenschappelijke installaties die tot doel hebben om die woningen te verwarmen, zoals bijvoorbeeld een warmtenet of bodemenergiesysteem.

Toepassen netcapaciteitsplafond

Gemeenten passen het netcapaciteitsplafond toe bij de wijziging van het gemeentelijke omgevingsplan waarmee zij een woningbouwactiviteit mogelijk maken en bij de vergunningverlening voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een woningbouwactiviteit. 

In het besluit moet geborgd en gemotiveerd worden dat er aan het netcapaciteitsplafond wordt voldaan. Om te voldoen aan het netcapaciteitsplafond worden bij het ontwerp en de bouw van de woningbouwactiviteit maatregelen getroffen die in de rekenregels uit de handreiking netbewuste woningbouw zijn opgenomen. Wanneer bij toepassing van die rekenregels de berekende maximum piekbelasting gebaseerd op de gekozen maatregelen niet hoger uitvalt dan het netcapaciteitsplafond, dan voldoet de woningbouwactiviteit aan de instructieregel. Dit onder de voorwaarde dat uitvoering van de gekozen maatregelen geborgd is. Het netcapaciteitsplafond is niet gericht op het daadwerkelijke stroomverbruik tijdens bewoning, maar alleen op de toegepaste maatregelen bij oplevering van de woningen en de daarop berekende elektriciteitsvraag.

Berekening prestatienorm

De prestatienorm wordt vastgesteld in Watt aan elektrisch piekvermogen per vierkante meter gebruiksoppervlakte bij een weersituatie van -10 graden Celcius. De prestatienorm wordt berekend door de elektriciteitsvraag voor warmte en huishoudelijk gebruik bij elkaar op te tellen en te vermenigvuldigen met de gelijktijdigheidsfactor.

De elektriciteitsvraag voor warmte is gebaseerd op een weersituatie van -10 graden Celsius. De keuzes voor maatregelen leiden tot de hoogte van de elektriciteitsvraag voor warmte.

De elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik wordt vastgesteld op 6.7 Watt per vierkante meter voor grondgebonden woningen en 8.3 Watt per vierkante meter voor gestapelde woningen, op basis van ervaringsgetallen van de netbeheerders.

De gelijktijdigheidsfactor zorgt ervoor dat er rekening mee wordt gehouden dat de woningen in de woonwijken die op hetzelfde verdeelstation zijn aangesloten niet allemaal tegelijk op piekniveau elektriciteit gebruiken. Deze gelijktijdigheidsfactor is vastgesteld op 0.6 en is ook gebaseerd op ervaring van de netbeheerders. Hier mag bij de vergunningverlening niet van afgeweken worden.

  • ●

    prestatienorm = (Ew * Gf) + Eh

  • ●

    elektriciteitsvraag voor warmte (Ew) = Wth /m2 / COP

  • ●

    elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik (Eh) = 6.7 We/m2 voor grondgebonden; 8.3 We/m2 voor gestapeld.

  • ●

    gelijktijdigheidsfactor (Gf) = 0.6

  • ●

    Wth/m2 = Warmtevraag per vierkante meter.

  • ●

    COP = Coëfficiënt of Performance; hoe efficiënt elektriciteit wordt omgezet in warmte voor een warmtesysteem bij een buitentemperatuur van -10 °C.

Deze berekening ligt ten grondslag aan de hoogte van de vier prestatienormen waarop het netcapaciteitsplafond wordt berekend. Deze berekening is ook de basis voor de rekenregels in de handreiking netbewuste woningbouw.

Bodemenergiesysteem

De gemeente stelt gemotiveerd vast waar woningbouwactiviteiten wel of niet bodemenergiesystemen kunnen toepassen. Hierbij houdt de gemeente in ieder geval rekening met grondwaterbeschermingsgebieden, bodemgesteldheid (zoals de grondsoort) en eventueel vastgestelde interferentiegebieden en bodemenergieplannen. 

Woningbouwactiviteiten met minder dan 15 woningen worden altijd beschouwd als niet toepasbaar voor een bodemenergiesysteem, vanwege kostenefficiëntie. Voor woningbouwactiviteiten van 15 woningen of meer is kostenefficiëntie nooit een overweging bij het bepalen of een bodemenergiesysteem toegepast kan worden.

Het kunnen toepassen van een bodemenergiesysteem verplicht niet om zo’n systeem daadwerkelijk toe te passen, maar heeft wel effect op de hoogte van de prestatienorm.

LL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 1.3.1 Afwijkingsmogelijkheden bij algemene regels voor activiteiten in hoofdstukde hoofdstukken 4 en 4a

MM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.86 (toepassingsbereik en oogmerk instructieregels over energietransitie)

NN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.90a 5.91 (ruimtelijke inpassing zonneparken)

OO

Sectie 5.91 wordt geplaatst na sectie 5.90a. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.91 5.92 (ruimtelijke inpassing windturbines)

PP

Sectie 5.90b wordt geplaatst na sectie 5.91. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.90b 5.95 (participatie bij de aanleg van een wind- of zonnepark)

QQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.19 (regionalegezamenlijke programma's)

RR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.8   9.10 (citeertitel)

Bijlage B Wijziging Delegatieverordening leefomgeving Gelderland

Voorstel tot wijziging/aanvulling van de delegatieverordening:

A  

A1.

In artikel 1 (aanpassingen omgevingsverordening van ondergeschikt belang) wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:  

c.  het laten vervallen van artikelen of artikelleden, die door de inwerkingtreding van een hogere regeling niet in werking zijn getreden of daarmee strijdig zijn of door tijdsverloop zijn uitgewerkt.

A2. 

Aan artikel 1 (aanpassingen omgevingsverordening van ondergeschikt belang) wordt een tweede lid toegevoegd, luidende:

2.Artikel 1.9 van de Omgevingsverordening Gelderland is op onderdeel c van het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

B 

Na artikel 8 wordt een artikel ingevoegd, luidende: 

Artikel 8a (wijzigen bijlagen van de omgevingsverordening) 

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot het wijzigen van de bijlage bij artikel 5.99 van de Omgevingsverordening Gelderland. 

Toelichting

Onderdeel A

Beide voorgestelde wijzigingen hangen nauw samen met de voorliggende wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland (zie bijlage A). 

ondergeschikt belang’ – het opschonen van de tekst van de omgevingsverordening zonder inhoudelijk een wijziging aan te brengen. 

Een vergelijkbare aanpassing is het opschonen van de omgevingsverordening met een ander type ‘dode letters’: bepalingen die zijn uitgewerkt door tijdsverloop. Het voorstel tot wijziging van de omgevingsverordening bevat enkele artikelen met een expliciete tijdshorizon.[1] Op een gegeven moment zijn die artikelen uitgewerkt, omdat de daarin aangegeven datum is verstreken. Overigens leert het voorliggende voorstel tot wijziging van de omgevingsverordening dat met het schrappen van vermeende uitgewerkte bepalingen van overgangsrecht uiterste terughoudendheid geboden is.[2]

Gelet op de nauwe samenhang met het voorstel tot wijziging van de omgevingsverordening zou de delegatiebevoegdheid ook in het PS-besluit kunnen worden opgenomen, toegespitst op specifiek de aangegeven artikelen. Omdat de kans bestaat dat meerdere artikelen uit het nieuwe hoofdstuk 4a.10 op een gegeven moment ingehaald worden door nieuwe rijksregelgeving met betrekking tot de stikstofproblematiek, is het voorstel bewust breder ingestoken en wordt voorgesteld een algemene bepaling op te nemen in de delegatieverordening. Reg(ul)eren is vooruitzien!

  Het voorstel tot wijziging van de omgevingsverordening bevat enkele artikelen, waarvan de inwerkingtreding afhankelijk is van een expliciete grondslag in ‘hogere’ regelgeving die nog (op ambtelijk niveau) in voorbereiding is.[3] Op het moment van vaststelling door Provinciale Staten is dus nog onduidelijk of die ‘hogere’ regelgeving tot stand komt en te zijner tijd in werking treedt. De kans bestaat dat die ‘hogere’ regeling het Staatsblad überhaupt niet haalt of bij vaststelling en bekendmaking niet de benodigde of een toereikende grondslag voor de (instructie)regels in de omgevingsverordening blijkt te bevatten. In dat geval kan de vastgestelde instructieregel niet in werking treden en vervalt daarmee tot de weinig begerenswaardige status van ‘dode letter’. Om te voorkomen dat zulke bepalingen een tijdlang in de omgevingsverordening blijven staan (in afwachting van een volgende actualisatieronde), wordt voorgesteld om de bevoegdheid zulke dode letters te schrappen te delegeren aan Gedeputeerde Staten. Het schrappen van bepalingen die door ‘hogere’ regelgeving niet in werking kunnen treden, kan worden gezien als een ‘aanpassing van   

Onderdeel B

Ook dit onderdeel hangt samen met de voorliggende wijziging van de omgevingsverordening en specifiek het daarin opgenomen voorstel voor een instructieregel voor netbewuste nieuwbouw. Bij die instructieregel (artikel 5.99) behoren een bijlage en een handreiking, die regelmatig geactualiseerd zullen moeten worden, m.a.w. dynamisch van inhoud zijn. In deze bijlage zijn opgenomen de normen voor netbewuste woningbouw en de wijze van berekening daarvan. De aanleiding om deze te wijzigen zal in de praktijk doorgaans zijn dat de toepasbare technieken in de handreiking met rekenregels worden aangepast of uitgebreid. Er wordt immers voortdurend geïnnoveerd in de bouw en techniek en er zal sprake zijn van voortschrijdend inzicht over netcongestie. Het gaat dan om een technische wijziging, dus over de uitvoering van de instructieregel die door provinciale Staten is vastgesteld.

Een opdracht tot vaststelling van die handreiking (als uitvoeringskwestie) wordt expliciet gegeven aan Gedeputeerde Staten, inclusief de benodigde afstemming met de colleges van de provincies Flevoland en Utrecht.[4] Een actualisatie van die handreiking, ingegeven door de ontwikkelingen in de techniek, is ook expliciet een verplichting[5] voor deze drie colleges. Aangezien een actualisatie van de handreiking aanleiding kan geven tot een vergelijkbare aanpassing van de bijlage, ligt het in de rede om de bevoegdheid tot wijziging van deze specifieke bijlage te delegeren aan Gedeputeerde Staten, zodat beide, met elkaar samenhangende, wijzigingen in één hand liggen en gelijktijdig kunnen worden vastgesteld.[6]

Bijlage C Notitie afstandsnormen windturbines en leefomgeving Gelderland

Notitie afstandsnormen windturbines en leefomgeving Gelderland

Notitie afstandsnormen windturbines en leefomgeving Gelderland.pdf

Motivering

Toelichting op de wijzigingen

Hieronder staat per onderwerp wat er verandert en waarom. Ook leest u hoe we inwoners en organisaties betrokken hebben.

Stikstofreductiegebied

Wij voegen een nieuw hoofdstuk met 10 artikelen (en 3 bijbehorende bijlagen) toe naar aanleiding van ons besluit op 20 januari 2026 m.b.t. het strokenbeleid. Dit hoofdstuk vervangt het tijdelijke hoofdstuk 4a met de voorbeschermingsregels (Voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie Gelderland 23 april 2025). Hieronder volgt een korte motivering per artikel. Voor een uitgebreide motivering en meer context en uitleg verwijzen wij naar de Statenbrief (PS2026-37) en de bijlagen, met name de bijlage Beleid voor het stikstofreductiegebied.

Participatie

Op 20 januari 2026 heeft Gedeputeerde Staten het beleid voor het stikstofreductiegebied vastgesteld en daarna opgenomen in de ontwerp-omgevingsverordening. Voorafgaand aan dat besluit is aan de hand van denkrichtingen een participatietraject doorlopen met ondernemers, grondeigenaren en inwoners uit het stikstofreductiegebied. De ontwerp-omgevingsverordening heeft tussen maart en mei 2026 formeel ter inzage gelegen en op basis daarvan zijn nog laatste aanpassingen gedaan in de voorgestelde regels. Hieronder zijn de uiteindelijke regels toegelicht.

1. Artikel 4a.1 (oogmerk en toepassingsbereik regels reductie emissie stikstof)

We nemen dit hoofdstuk 4a op met het oog op het beperken van emissies in de lucht van stikstofverbindingen binnen het stikstofreductiegebied. Die emissies worden veroorzaakt door verschillende (bedrijfsmatige) activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de binnen het stikstofreductiegebied gelegen Natura 2000-gebieden kunnen hebben. De regels beogen de stikstofemissie door stookinstallaties, de veehouderij en mobiele werktuigen binnen het werkingsgebied te reduceren. De regels gelden als passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

2. Artikel 4a.2 (regels reductie stikstof: stookinstallaties)

We stellen voor de uitstoot vanuit bedrijfsmatige verbranding van gas, en andere brandstoffen, vrijkomende stikstofhoudende verbindingen te reduceren. 

We stellen een aangescherpte norm voor met betrekking tot de hoeveelheid stikstof die wordt uitgestoten: 40 mg/Nm3. De nu geldende, landelijke norm is 70 mg/Nm3. Door de norm in het stikstofreductiegebied strenger te maken, komen we tot een extra reductie van de emissies dicht bij de overbelaste natuur. Het voorstel is om deze norm te laten gelden voor bedrijven met een totaal geïnstalleerd vermogen van 400 kW. De vermogens van alle in een bedrijf opgestelde stookinstallaties worden bij elkaar opgeteld. Deze paragraaf kan dus ook van toepassing zijn op bijvoorbeeld recreatiebedrijven als het gezamenlijke vermogen van de verwarmingsketels in de geëxploiteerde recreatiewoningen samen optellen tot meer dan 400 kW. Op die manier maken we zeker dat alle grote bronnen van emissies worden aangepakt en voorkomen we dat bedrijven de regels zouden kunnen omzeilen door de grote ketel te vervangen door verscheidene kleinere. Omdat niet alle stookinstallaties op gas werken, bevat het voorgestelde artikel 4a.2 ook aangescherpte normen voor andere type stookketels en brandstoffen. Voor stookinstallaties op basis van biomassa wordt een reductie van 60% voorgesteld. Voor stookinstallaties op andere brandstoffen een reductie van 40%. Voor gasmotoren wordt de norm 35 mg/Nm3. 

 Artikel 4a.2 bevat een verbod om vanaf de beoogde datum van inwerkingtreding van deze wijziging van de omgevingsverordening (23 oktober 2026) nieuwe, in de zin van extra, stookinstallaties in gebruik te nemen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan CV-ketels, luchtverhitters, ovens, fornuizen en kachels. We willen voorkomen dat er extra bronnen van stikstof komen in het stikstofreductiegebied.  

3. Artikel 4a.3 (reductie gasverbruik)

Aanvullend stellen we voor de uitstoot vanuit bedrijfsmatige verbranding van gasvrijkomende stikstofhoudende verbindingen te reduceren. Deze aanvullende norm voorkomt dat bedrijven die hun stikstofemissie reduceren, zoals verplicht door het bovenstaande artikel 4a.2, de ruimte die ontstaat in hun vergunning (kunnen) opvullen door het vermogen van hun stookketels uit te breiden. Dan zou er netto geen reductie bereikt worden. 

4. Artikel 4a.4 (vestigingsverbod veehouderij)

We voorkomen een toename van het aantal landbouwdieren en de bijbehorende stikstofemissie binnen het stikstofreductiegebied. Dit verbod geldt voor nieuwvestiging van veehouderijen en veehouderijtakken. Nieuwvestiging wil zeggen: vestiging op een locatie binnen het stikstofreductiegebied waar op 23 april 2025 (datum inwerkingtreding voorbereidingsbesluit, Provinciaal blad 2025 nr. 6530) nog geen veehouderij gevestigd was. Het verbod betreft zowel grondgebonden als niet-grondgebonden veehouderijen. Het verbod geldt ook voor omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een gemengd bedrijf met als nieuwe activiteit het houden van landbouwhuisdieren. Hervestiging van een veehouderijbedrijf of een gemengd bedrijf met een veehouderijtak binnen het stikstofreductiegebied is wel toegestaan. Het verschil met nieuwvestiging is, dat een hervestiging een verplaatsing van een veehouderijbedrijf of agrarisch bedrijf met een veehouderijtak betreft naar een bestaande locatie, d.w.z. een andere, al voor dat type bedrijf benutte locatie. Op deze manier voorkomen we een sterfhuisconstructie.

5. Artikel 4a.5 (uitbreidingsverbod veehouderij)

We stellen voor om een toename van het aantal landbouwdieren en de bijbehorende stikstofemissie binnen het stikstofreductiegebied te voorkomen. Het verbod op uitbreiding geldt voor alle niet-grondgebonden veehouderijen, gemengd of ongemengd. Onder ‘uitbreiding’ wordt verstaan: vergroting van de agrarische bebouwing. ‘Niet-grondgebonden’ veehouderijen betreft de intensieve veehouderij; binnen het stikstofreductiegebied vooral kalverhouderijen, pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Het verbod op uitbreidingen van dat bedrijf beperkt zich tot het houden van landbouwhuisdieren en geldt dus niet voor andere bedrijfsonderdelen, zoals het erf en omliggende – tot het bedrijf behorende – landerijen. Onder dit verbod valt niet de noodzakelijke renovatie of verruiming van een bestaande stal met het oog op dierenwelzijn (meer bewegings- en leefruimte) in het kader van ‘dierwaardige veehouderij in 2040’, mits het aantal gehouden landbouwhuisdieren niet toeneemt. Uitzonderingen worden opgesomd in artikel 4a.7, onder meer voor grondgebonden biologisch gecertificeerde bedrijven. Aanvullend is er een uitzondering op uitbreiding voor bedrijven met dierrechten die uitbreiden met dierrechten van dezelfde diersoort, die uit het stikstofreductiegebied komen.

6. Artikel 5.83a (verbod omgevingsplan nieuwvestiging en uitbreiding veehouderij binnen het stikstofreductiegebied)

De verboden in de artikelen 4a.4 en 4a.5 worden tijdelijk opgenomen in de omgevingsverordening als rechtstreeks-werkende regel, zodat het verbodsregiem dat geldt met ingang van 23 april 2025 (datum inwerkingtreding voorbereidingsbesluit, Provinciaal blad 2025 nr. 6530) wordt gecontinueerd. Met dit artikel wordt beoogd dat deze verbodsbepalingen alsnog worden opgenomen in het omgevingsplan. Eerder is deze constructie gebruikt bij het geitenmoratorium: zie artikel 5.83). 

7. Artikel 4a.6 (stalmodernisering)

We verminderen de stikstofemissie vanuit stallen binnen het stikstofreductiegebied. De emissies vanuit stallen leveren een significante bijdrage aan de totale emissie. Elk veehouderijbedrijf binnen het stikstofreductiegebied wordt verplicht een flinke reductie te bereiken ten opzichte van een ‘traditionele’ stal zonder luchtwassers. Elke veehouder krijgt ruim de tijd om aan deze reductieverplichting te voldoen: tot 1 januari 2035. Dit kan door een stalaanpassing, door toepassing van aanvullende technieken of door de veestapel te verkleinen. Voor het behalen van de reductie kan gebruik worden gemaakt van verschillende methoden. De keuze is aan de ondernemende agrariër. Doordat de reductie behaald moet worden ten opzichte van een ‘traditionele’ stal zonder luchtwassers wordt de opgave voor de veehouder verkleind met de maatregelen die al eerder genomen zijn. Alle behaalde reducties ten opzichte van een ‘traditionele’ stal zonder luchtwassers tellen mee. Daardoor worden investeringen die al gedaan zijn meegeteld en dus beloond. De percentages die genoemd worden zijn niet vergelijkbaar met de percentages zoals die gebruikt worden in de vergunningverlening en de beleidsregels voor saldering. 

8. Artikel 4a.7 (criteria vrijstelling)

We stellen voor om (melk)veehouders binnen het stikstofreductiegebied vrij te stellen van bovengenoemde verplichtingen als die hun bedrijfsvoering op andere, geborgde manieren richten op stikstofemissiereductie en zo naar het wenselijke streefbeeld van een extensieve veehouderij toewerken.

Het voorstel is dat die vrijstelling geldt voor:

  • a.

    Grondgebonden veebedrijven die biologisch gecertificeerd zijn, of kunnen aantonen dat ze in omschakeling zitten;

  • b.

    Voor bedrijven die weinig vee hebben in verhouding tot hun grondoppervlak (minder dan 1,5 GVE/ha); 

  • c.

    Voor (melk)veebedrijven die hun koeien veel beweiden (minstens 3020 uur/koe/jaar); en 

  • d.

    Voor bedrijven die hun stal een deel van elk kalenderjaar leeg hebben staan.

9. Artikel 4a.8 (verbod toepassing stikstofkunstmest)

We stellen voor (met ingang van 1 januari 2030) een verbod om stikstofkunstmest op of in de bodem te brengen binnen het stikstofreductiegebied. Dit artikel beoogt het voorkomen van stikstofuitstoot nabij kwetsbare gebieden door het gebruik van stikstofhoudende kunstmest te verbieden. Particulier gebruik op niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde gronden, zoals tuinen bij woonhuizen, is uitgezonderd. De reden hiervan is dat de bijdrage aan stikstofdepositie verwaarloosbaar is en handhaving op dit niveau niet mogelijk is. Het verbod geldt wel voor bijvoorbeeld voetbalvelden, golfbanen en paardenweiden.

10. Artikel 4a.9 (verbod omzetten en scheuren grasland)

We stellen dit verbod in, zodat het huidige grasland behouden blijft binnen het stikstofreductiegebied. Door het behoud van grasland voorkomen we een verschuiving van ammoniakemissies naar nitraatuitspoeling naar grond- en oppervlaktewater. Gras neemt veel meststoffen op. Daarnaast zorgt grasland voor een hoge koolstofopbouw in de bodem. We willen met het scheurverbod ook voorkomen dat (zeer) intensieve teelten, zoals bijvoorbeeld bloembollen- of laanbomen-teelt, gestart worden op plekken waar nu grasland is. Dit verbod draagt daarmee bij aan het behalen van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW). Het scheurverbod geldt alleen voor agrarische bedrijven en niet voor particuliere weidegronden. Scheuren om het grasland te vernieuwen om onkruid tegen te gaan maken we een uitzondering voor. Dan mag er gescheurd worden als er meteen weer gras wordt ingezaaid. Daarnaast is er een uitzondering opgenomen voor het eenmaal per vijf jaar toepassen van een wisselteelt. Dit verbod geldt niet voor tijdelijk grasland omdat tijdelijk grasland een onderdeel kan zijn van gewasrotatie in het bouwplan. De gevolgen voor agrarische bedrijven als het rustgewas gras opeens permanent zou worden zien wij als onevenredig groot.

11. Artikel 4a.10 (beperking stikstofemissie bij gebruik mobiele werktuigen)

We verplichten bedrijven en overheden met emissieloze mobiele werktuigen te werken binnen het stikstofreductiegebied. Deze verplichting gaat voor bedrijven in op 1 januari 2035, voor overheden op 1 januari 2028. Bij mobiele werktuigen moet onder andere gedacht worden aan bouwkranen, shovels, graafmachines, aggregaten, hoogwerkers, heftrucs of maaimachines en ook aan kleiner materieel zoals bladblazers. Bedrijfsmatig gebruik is alle gebruik uitgezonderd gebruik door particulieren en hobbymatig gebruik, bijvoorbeeld in verenigingsverband. Gebruik van mobiele werktuigen door niet-gouvernementele organisaties, zoals Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten, of door woningcorporaties geldt als bedrijfsmatig gebruik.

Ontgrondingen

We stellen 4 (kleine) wijzigingen voor bij 1 onderwerp.

1. Verduidelijking bestaand beleid ontgrondingen

We stellen voor enkele wijzigingen op te nemen in de regels over ontgrondingsactiviteiten. Zo verduidelijken we het bestaande beleid. Ook sluit de omgevingsverordening dan beter aan op de praktijk en het beleid van vóór de Omgevingswet. 

Toen de Omgevingswet ging gelden, verviel de Ontgrondingenwet. In landelijke regels (Besluit activiteiten leefomgeving) staat wanneer er geen vergunning nodig is voor ontgrondingsactiviteiten. Vóór de Omgevingswet ging gelden, bepaalde de Provincie dit. In onze omgevingsverordening stond voor welke gevallen dit gold. Toen de Omgevingswet inging, probeerden we zo goed mogelijk om door te gaan met dit beleid, in aanvulling op en in afwijking van de nieuwe landelijke regels. Naar nu is gebleken is dit op een paar onderdelen niet helemaal gelukt. Dat herstellen we nu.  

We stellen concreet de volgende 4 wijzigingen voor:

1: We voegen toe dat we ontgrondingen aanmerken als 1 ontgrondingsactiviteit, als: 

- deze vlak bij elkaar liggen of meteen na elkaar worden uitgevoerd en

- er onderling een technische, organisatorische of functionele binding bestaat.

Dit voorkomt dat een activiteit wordt opgeknipt. En dat we activiteiten die dicht bij elkaar plaatsvinden los van elkaar beoordelen. Naar aanleiding van een zienswijze worden tijdelijke ontgravingen voor militaire oefeningen op defensieterreinen hiervan uitgezonderd. Met de wijziging hadden wij namelijk niet beoogd om tijdelijke ontgravingen voor militaire oefeningen aan te merken als één grote ontgrondingsactiviteit.

2: De Ontgrondingenwet gold niet voor saneringen als bedoeld in de Wet bodembescherming. In de nu geldende regels voor ontgrondingen is voor saneringen van landbodem soms wel een ontgrondingenvergunning nodig. Met deze wijziging voegen we de uitzondering weer toe aan de regels, zodat voor deze saneringen geen ontgrondingenvergunning nodig is. 

3: Net als nu gold ook vóór de Omgevingswet dat voor het aanleggen of veranderen van watergangen tot bepaalde grenzen geen vergunning nodig was. Wel is een melding verplicht als er 1.000 m3 of meer wordt ontgraven. Voorheen maakte het niet uit of dit wel of niet door of namens de waterbeheerder werd gedaan. In de nu geldende regels is er wel een verschil. Als het werk door of namens de waterbeheerder wordt uitgevoerd, is geen melding nodig. Dat herstellen we nu: ook als het werk door de waterbeheerder wordt gedaan, is een melding verplicht.

4: Tot slot was in onze omgevingsverordening vóór de Omgevingswet opgenomen dat een melding voor een ontgronding een geldigheid van 2 jaar heeft. Dat wil zeggen: de werkzaamheden moeten binnen 2 jaar worden uitgevoerd. Deze geldigheidstermijn wordt nog steeds gehanteerd. Daarom voegen we deze termijn alsnog toe aan de verordening (afdeling 7.3).

Met deze voorstellen wijzigen de artikelen 4.62, 4.64 en 4.65 en de toelichting op artikel 4.62 en 4.64 en wordt aan afdeling 7.3 een paragraaf 7.3.3 ‘Meldingen voor ontgrondingsactiviteiten’ toegevoegd met een nieuw artikel inzake de geldigheidstermijn. 

Participatie

We betrokken bij dit voorstel geen andere partijen. Toen de Omgevingswet ging gelden, was ons doel om de regels voor ontgrondingsactiviteiten onveranderd en zonder aanpassingen in beleid (beleidsneutraal) over te nemen in onze nieuwe omgevingsverordening. Met dit voorstel repareren we de onderdelen waarvan in de uitvoeringspraktijk is gebleken dat na invoering van de Omgevingswet toch een aantal regels anders uitpakten. Dit voorstel heeft ter inzage gelegen. Zoals hierboven beschreven hebben we naar aanleiding van een zienswijze een uitzondering opgenomen in het voorstel.

Erfgoed

We stellen 2 wijzigingen voor: 

1. Wijziging afwijkruimte van het Besluit kwaliteit leefomgeving

We nemen de afwijkruimte die het vernieuwde Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) biedt voor het werelderfgoed Neder-Germaanse Limes en werelderfgoed Hollandse Waterlinies, op in de omgevingsverordening. De algemene regel is dat de kernkwaliteiten van een werelderfgoed niet mogen worden aangetast. Door de wijziging kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen aan een gemeente of waterschap om af te wijken van die regel. Het is alleen mogelijk om af te wijken als een activiteit het mogelijk maakt om de overkoepelende ‘uitzonderlijke universele waarde’ te behouden. Zo kan aanpassing aan een waterlinie-fort een kernkwaliteit aantasten, maar er tegelijk toe leiden dat het een nieuwe bestemming krijgt. Hierdoor is de kans groter dat het in de toekomst behouden blijft. 

2. Aanpassing kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies en Neder-Germaanse Limes

Daarnaast zijn bij de recente wijzigingen van het Bkl de kernkwaliteiten van de historische Stelling van Amsterdam en Hollandse Waterlinie samengevoegd in een set van kernkwaliteiten voor het overkoepelende werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Die aangepaste set kernkwaliteiten nemen we letterlijk over. Voor werelderfgoed Neder-Germaanse Limes zijn kleine redactionele aanpassingen gedaan op de formulering van de kernkwaliteiten. 

Artikel 5.2 en de toelichting bij paragraaf 5.4.1 en 5.4.2 wordt gewijzigd.

Participatie

In de zomer van 2024 was er een openbare internetconsultatie. In de aanloop daarvan is er uitgebreid overleg geweest tussen het Rijk en de betrokken beheerders van werelderfgoed in Nederland (waaronder de provincie Gelderland).

Wonen

We stellen 1 wijziging voor: 

1. Aanwijzen van woningbouwregio’s

Gedeputeerde Staten maken regionale afspraken over wonen in regio’s. We maken in artikel 5.63, lid 1, duidelijk dat deze regio’s gezien moeten worden als de wettelijke woningbouwregio’s. Daarnaast geven we deze woningbouwregio’s aan op een kaart. 

Aansluitend bij deze wijziging wordt de term regio in de artikelen 5.63 en 5.64 gewijzigd in woningbouwregio. Als het voorstel voor een Wet Versterking regie volkshuisvesting (Kamerstuknummer 36.512) wordt aangenomen, dan treedt onder andere onderstaand artikel 7.8b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in werking:

Artikel 7.8b (aanwijzing woningbouwregio’s)

  • 1.

    In een omgevingsverordening worden voor de toepassing van de artikelen 4.33 en 4.34 een of meer woningbouwregio’s aangewezen. 

  • 2.

    Elke binnen het provinciale grondgebied gelegen gemeente wordt in ten hoogste een woningbouwregio ingedeeld. 

  • 3.

    Een woningbouwregio omvat een voor de woningbouwopgave met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad als een eenheid aan te merken verzameling van gemeenten binnen het provinciale grondgebied en, voor zover van toepassing, nabijgelegen gemeenten op het grondgebied van aangrenzende provincies.

Dit voorstel resulteert in een wijzigingen van de artikelen 5.63 en 5.64 en een toegevoegd artikel 5.62a. 

Vanouds wordt voor de programmering van woningbouw(locaties) in de provincie Gelderland op regionale schaal samengewerkt, waarbij werd aangesloten bij de bestaande gemeenschappelijke regelingen voor regionale samenwerking, zover die bestonden. Bij de huidige woondeals is ook aangesloten bij die vanouds gehanteerde regio-indeling. De toelichting bij artikel 7.8b Bkl geeft aan dat een woningbouwregio een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad als een eenheid moet worden aangemerkt. Dit kunnen dan meerdere gemeenten betreffen. In een provincie worden een of meer woningbouwregio’s aangewezen. De in de provincie gelegen gemeenten worden in één woningbouwregio ingedeeld. De woningbouwregio’s zijn zichtbaar op de kaart. Gemeenten die buiten de provincie Gelderland vallen, maar wel deel uitmaken van een ‘Gelderse’ regio, zijn ook zichtbaar op deze kaart. 

Participatie

Gedeputeerde Staten hebben Provinciale Staten per brief laten weten dat ze een volkshuisvestingsprogramma willen maken. In dit volkshuisvestingsprogramma staat hoe we het Gelderse woonbeleid uitvoeren. Dat is het beleid uit het beleidskader wonen en de wettelijke eisen uit het wetsvoorstel Wet Versterking regie volkshuisvesting. Dit wetsvoorstel vereist van provincies om de woningbouwregio's vast te stellen. In het voorjaar en de zomer van 2025 is de voorgenomen aanwijzing met gemeenten, regio's en buurprovincies besproken. Het zijn feitelijk de woondeal-regio's. 

Werklocaties

We stellen de volgende 3 wijzigen voor: 

1. Geldigheid van de regionale programma’s werklocaties (RPW’s)

In de vorige wijziging van de omgevingsverordening die is vastgesteld is een regel toegevoegd om te borgen dat RPW's geldig blijven totdat nieuwe zijn vastgesteld. Ter verduidelijking stellen we voor bijbehorende toelichting op te nemen. Regionale werkprogramma’s worden elke 4 jaar vernieuwd. Als dit door omstandigheden niet lukt, is het onduidelijk of het programma nog geldt of vanzelf is vervallen (van rechtswege). Daarom vermelden we dat zo’n programma blijft gelden tot het vernieuwde programma in werking treedt. 

De artikelsgewijze toelichting van artikel 5.68 wijzigt. 

Participatie

We maken de RPW’s met de regiogemeenten. We bespraken de voorgenomen wijziging met de adviseurs economie van de betreffende regiogemeenten. 

2. Beschermen en compenseren capaciteit bedrijventerreinen

Voorgesteld wordt een expliciete instructieregel toe te voegen (artikel 5.71a). 

We nemen planologische bescherming van de fysieke ruimte en milieugebruiksruimte van bedrijven op bedrijventerreinen op in de omgevingsverordening. De bescherming van de milieugebruiksruimte beperkt zich tot bedrijfskavels voor bedrijven in de hogere milieucategorieën (vanaf 4.1). In de nieuwe VNG-handreiking "Activiteiten en milieuzonering" onder de Omgevingswet worden dit bedrijfskavels genoemd die activiteiten met verruimde milieugebruiksruimte of meer mogelijk maken. Daarnaast is de bescherming van milieugebruiksruimte van toepassing op geluidgezoneerde bedrijventerreinen. Uitgangspunt is ook dat verloren gegane fysieke of milieuruimte wordt gecompenseerd. Er zijn in de toekomst mogelijk niet genoeg geschikte locaties, omdat bedrijventerreinen vaker worden omgevormd tot woongebieden met bijpassende kleinschaliger bedrijvigheid. In de regionale programma's werklocaties maken we hierover afspraken met gemeenten. Het uitgangspunt is: genoeg ruimte voor werken en 'het juiste bedrijf op de juiste plek'.  

Participatie

We maken de regionale programma’s werklocaties (RPW’s) met de regiogemeenten. Zij stellen deze voor een deel zelf op. We bespraken het voornemen tot wijziging met de adviseurs economie van de betreffende regiogemeenten. De noodzaak om vestigingslocaties met een hoge milieucategorie te beschermen, kwam aan bod in de processen rond de vernieuwing van de RPW's. Naar aanleiding van de zienswijzen is verduidelijkt dat de bescherming van milieugebruiksruimte ook van toepassing is op geluidgezoneerde bedrijventerreinen, aan welke eisen een compensatieplan moet voldoen en hoe Gedeputeerde Staten een compensatieplan beoordelen.

3. Inhoud Regionale programma's werklocaties

We actualiseren de inhoudelijke eisen aan de regionale programma's. Er is toegevoegd dat ook afspraken moeten worden gemaakt over de regionale meerwaarde van bedrijven, het beschermen van fysieke en milieugebruiksruimte van werklocaties, het beter benutten van bedrijventerreinen, zoekgebieden voor regionale bedrijventerreinen en netbewust bouwen. Tot slot is verduidelijkt welke thema's wij van belang vinden bij een toekomstbestendige inrichting van werklocaties.  

Participatie

Het beschermen van fysieke en milieugebruiksruimte is besproken met de regio's. Met de overige wijzigingen brengen we de omgevingsverordening vooral in lijn met de thema's waarover we in de laatst geactualiseerde RPW's in de praktijk al afspraken maken. Naar aanleiding van de zienswijzen is verduidelijkt wat wij concreet bedoelen met de thema's die wij van belang vinden bij een toekomstbestendige inrichting van werklocaties.

Klimaatadaptatie

We stellen 3 wijzigen voor:

De inzet op klimaatadaptatie heeft zijn oorsprong in het nationaal Deltaprogramma en de subprogramma's Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) en het Deltaplan Zoetwater (DPZW). Deze vormen de belangrijke kaders voor de provinciale inzet op klimaatadaptatie. In het bestuursakkoord Klimaatadaptatie (2018) hebben provincies zich gecommitteerd aan deze programma's. Het doel is om Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te hebben ingericht. Borging in beleidsinstrumenten is daarbij een belangrijk middel en 1 van de 7 stappen in het DPRA. In het Gelders coalitieakkoord 2023-2027 is opgenomen: we willen een klimaatbestendig Gelderland, in alles wat we doen. Deze ambitie is uitgewerkt in de uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie die door GS is vastgesteld (PS2024-278).

1. Risicoanalyse klimaatverandering

Het is belangrijk dat gemeenten bij ruimtelijke plannen vroegtijdig een goede inschatting maken van de mogelijke risico's van klimaatverandering op de beoogde locatie van een nieuwe ontwikkeling of activiteit. Zo kunnen gemeenten tijdig passende maatregelen nemen om nadelige effecten van weersextremen te voorkomen, zoals schade aan gebouwen en wegen en gezondheidsrisico's. Het huidige artikel 5.85 en de toelichting is gewijzigd. Met deze verordeningswijziging geeft de provincie ook uitvoering aan het vigerende Beleidskader Wonen (PS2025-17) waarin dit beleid onder ‘toekomstbestendige woningbouw’ is opgenomen.

We laten in de toelichting op de omgevingsplannen een risicoanalyse opnemen voor te verwachten risico's van klimaatverandering. Voor deze risicoanalyse gebruiken we de handreiking toekomstbestendig bouwen (zie handreiking_toekomstbestendig_bouwen_560cb0f820.pdf)  

Participatie

De voorgenomen wijziging sluit aan bij een gezamenlijk proces met de Gelderse DPRA-werkregio's klimaatadaptatie. Hierin werken alle Gelderse gemeenten, waterschappen en Provincie samen om de regio’s aan te passen aan het veranderende klimaat. Dat doen we vanuit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Met elkaar spraken we doelen en standaarden af over hoe we in de gebouwde omgeving bij voorkeur omgaan met gevolgen van klimaatverandering. De basis hiervoor ligt in de landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving, die in 2023 door het Rijk is ontwikkeld. Deze maatlat bevat de landelijke uitgangspunten raamwerk voor een groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Samen met de eerdergenoemde partners zijn de uitgangspunten in deze maatlat nader uitgewerkt voor Gelderland, rekening houdend met specifieke kenmerken als bodemgesteldheid. Deze uitwerking staat beschreven in de Handreiking toekomstbestendig bouwen. Deze handreiking is als hulpmiddel in artikel 5.85 opgenomen.

2. Bodemdaling

We stellen voor in de toelichting op de omgevingsplannen ook een beschrijving op te laten nemen van de maatregelen of voorzieningen die gemeenten nemen om bodemdaling tegen te gaan. Deze aanvulling komt naast de beschrijvingen van waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. 

De afgelopen jaren is gebleken dat bodemdaling als gevolg van klimaatverandering een reëel risico is bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bodemdaling kan leiden tot schade aan funderingen. Door klimaatverandering wisselen grondwaterstanden sterk. Daardoor kan de bodem in elkaar worden gedrukt. Hierdoor kan schade aan gebouwen ontstaan. De toelichting op artikel 5.85 wijzigt.  

Participatie

Dit thema is ook besproken en uitgewerkt in het gezamenlijk proces met de Gelderse DPRA-werkregio's klimaatadaptatie, zoals hierboven is beschreven bij 'klimaatadaptatie’. 

3. Natuurbranden

We laten in de toelichting op omgevingsplannen een beschrijving opnemen van de maatregelen of voorzieningen die gemeenten nemen tegen natuurbranden. Voor de risicoanalyse voor natuurbranden gebruiken we de Toolbox gebiedsgerichte aanpak natuurbrandbeheersing (20210630-BwNL-Toolbox-Gebiedsgerichte-aanpak-natuurbrandbeheersing.pdf) en de Handreiking Omgevingsveiligheid in het omgevingsplan van het NIPV (20240717-NIPV-Handreiking-Omgevingsveiligheid-in-het-omgevingsplan.pdf). In de toelichting is aanvullend het provinciale natuurbrandbeheersingsplan opgenomen als bron. Deze aanvulling komt naast de beschrijvingen van waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. 

Door klimaatverandering is er een toenemende kans op een (grote) natuurbrand. Het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid stelt dat natuurbrandbeheersing begint bij ruimtelijke ordening. Door bij de inrichting van de ruimte rekening te houden met de mogelijke effecten van een natuurbrand op bebouwd gebied, kunnen de risico's van zo'n brand worden verkleind. 

Artikel 5.85 en de toelichting daarop wijzigt.

Participatie

We bespraken de voorgenomen wijziging met de 3 veiligheidsregio's in Gelderland en met ruimtelijke adviseurs van gemeenten. Zij zijn het erover eens dat de wijziging helpt om de risico's van een natuurbrand te beperken.  De toegevoegde handreiking en toolbox natuurbranden helpen hierbij. Naar aanleiding van de terinzagelegging hebben we verduidelijking aangebracht in het voorstel door expliciet te maken dat de risicoanalyse van toepassing is voor ontwikkelingen of activiteiten op locaties waar zich naar redelijke verwachting risico’s van klimaatverandering kunnen voordoen. Ook zijn in het voorstel de ondersteunende instrumenten voor de risicoanalyse verduidelijkt door een onderscheid aan te brengen tussen de overige thema’s en het thema natuurbranden.

Energietransitie en netcongestie

We stellen 5 wijzigen voor: 

1. Afstandsnorm windturbines

Wijziging: we geven uitvoering aan het door Provinciale Staten in juli 2025 aangenomen initiatiefvoorstel voor 2xtip en RES’en (PS2025-308). Hierin wordt Gedeputeerde Staten opdracht gegeven om een afstandsnorm voor windturbines in de Omgevingsverordening op te nemen. De afstandsnorm is opgenomen met enkele uitzonderingsgronden. Naast een afstandsnorm blijft een geluidsnorm altijd verplicht. Die geldt ook als er sprake is van een uitzonderingsgrond. In de landelijke concept windturbinebepalingen is sinds het aantreden van het nieuwe kabinet weer enige beweging. Wanneer de definitieve landelijke windturbinebepalingen leiden tot een andere dan de Gelderse afstandsnorm, dan wordt deze landelijke afstandsnorm overgenomen in onze Omgevingsverordening. Als er geen landelijke afstandsnorm wordt vastgesteld, dan blijft de Gelderse afstandsnorm behouden. Aangezien dit plan-MER plichtig is, is de provinciale plan-MER voor RES’en en windbeleid met aanvullende notitie bij de ter inzage gelegde stukken gevoegd.

Participatie

Bij de behandeling in Provinciale Staten van het Initiatiefvoorstel voor het opnemen van een afstandsnorm voor windturbines in de Omgevingsverordening is er een mogelijkheid geweest om in te spreken, waarvan ook gebruik is gemaakt. 

 Bij de terinzagelegging zijn valide argumenten tegen de afstandsnorm ingebracht door zowel voor- als tegenstanders. Een terugkerend argument is dat de afstandsnorm geen aantoonbaar effect heeft op gezondheid of milieu en dat daarvoor andere normen gelden. Aangegeven is dat Provinciale Staten een afweging heeft gemaakt tussen verschillende belangen en de afstandsnorm passend vindt

2. Ondergrens voor kleine zon- en windinstallaties

We voegen een ondergrens toe voor installaties die zonne- en/of windenergie (erfmolens) opwekken. Ook maken we de ondergrens voor zon hetzelfde als die in het Klimaatakkoord en de RES: installaties > 15kWp. Als de ondergrens voor wind geldt de instructieregel voor de RES boven een tiphoogte van 35 meter. Tot deze hoogte zijn de gevolgen voor het landschap namelijk beperkt. Nu is een wind- of zonnepark alleen toegestaan als de locatie onderdeel uitmaakt van een RES-zoekgebied. Er is geen ondergrens. Daardoor geldt deze regel voor elk zonnepark en elke windturbine. Het maakt niet uit hoe klein die is. Voor erfmolens groter dan 35 meter tiphoogte veranderen de regels niet. Deze blijven mogelijk, maar moeten in een RES-gebied worden gerealiseerd. 

Dit maakt het lastig voor particulieren die een kleine installatie willen plaatsen voor eigen gebruik (een zonneveldje op of bij het woonerf of een erfmolen). Gemeenten moeten de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor kleinschalige installaties toetsen aan onze instructieregels. Een kleine zon- of windinstallatie voorziet in particuliere behoefte. De locaties liggen vaak ook niet in de zoekgebieden wind en/of zon van de RES’en (artikel 5.96). Het toezien op de locatiekeuze voor kleine installaties regelen is niet van provinciaal belang, omdat deze buiten de RES-afspraken vallen. 

Vanuit initiatiefnemers voor erfmolens krijgen we vragen waarom een ecologisch onderzoek nodig is en of het niet zonder kan. Dit vanwege de hoge kosten van het ecologisch onderzoek in relatie tot de aanlegkosten van een erfmolen. Een ecologisch onderzoek is niet nodig als er stilstand tijdens kwetsbare perioden voor vogels en vleermuizen wordt toegepast. De regels voor momenten waarop stilstand nodig is, waren aanvankelijk opgenomen in de ontwerp-omgevingsverordening. Omdat deze regels geen betrekking hebben op het ruimtelijk beleid, worden deze overgezet naar de beleidsregel windenergie waar ze beter op hun plek zijn. Het blijft altijd noodzakelijk om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit aan te vragen. We beperken de mogelijkheid voor het plaatsen van erfmolens bij agrarische en bedrijfsbestemmingen omdat we verwachten dat erfmolens alleen in eigen gebruik voorzien en ze te veel stroom opwekken voor huishoudens. 

Het voorstel ziet op wijziging van artikel 5.86 en het toevoegen van de artikelen 5.96 en 5.97.

Participatie

We hoorden van enkele gemeenten dat het ontbreken van een ondergrens voor kleine zon- en/of windinstallaties leidt tot uitvoeringsproblemen. Met de voorgenomen wijziging helpen we gemeenten om dit allemaal op dezelfde manier aan te pakken. We hebben de wijziging niet vooraf specifiek met de Gelderse gemeenten overlegd. Zij krijgen gelegenheid om een zienswijze in te dienen.

3. Wijziging artikel 5.90b (participatie bij de aanleg van een zonnepark)

We breiden de bepaling uit die qua reikwijdte geldt op projecten voor een wind-, zonnepark en andere duurzame energie-opwekprojecten. Ook vernummeren het artikel en plaatsen deze aan het einde van paragraaf 5.7.7 Energietransitie. Hierdoor ontstaat een logische volgorde (eerst twee achtereenvolgende artikelen over de ruimtelijke inpassing en daarna dit artikel over participatie). 

Artikel 5.90b krijgt ook een logischer plek binnen de paragraaf en daardoor een nieuw nummer: 5.95. 

 Bij amendement is in artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet (nieuw) is een bevoegdheidsgrondslag voor Provinciale Staten gecreëerd om in de omgevingsverordening “een motiveringsplicht te hanteren over het al dan niet voldoen aan het algemeen streven naar 50% lokaal eigendom bij installaties voor de opwek van hernieuwbare energie. (…) “wie een installatie voor de opwek van hernieuwbare energie ontwikkelt, moet motiveren welke inspanningen zijn verricht om mede-eigenaarschap van de lokale omgeving te organiseren, tot hoeveel lokaal eigendom overeen is gekomen en, indien het overeengekomen percentage minder is dan 50%, waarom er niet minstens 50% lokaal eigendom is overeengekomen. De provincie (…) is niet bevoegd om planologische medewerking te weigeren op basis van het gemotiveerd afwijken van 50% lokaal eigendom.” (bron citaat: Kamerstukken II, 2023/24, 36 378, nr. 23). Bij de vorige wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland (PS 5 februari 2025 PS2024-993) is een vergelijkbare motiveringsplicht opgenomen specifiek voor de participatie bij de aanleg van een zonnepark (artikel 5.90b). Het aangenomen amendement en de inwerkingtreding van de Energiewet geven aanleiding de reikwijdte van dat artikel te verruimen. Gelet op de beleidsregel Lokaal eigendom en participatie die in juni 2025 is vastgesteld (naar aanleiding van motie 24M59) verruimen we de reikwijdte tot alle vormen van duurzame energie. Nu is de (financiële) participatie bij windprojecten alleen opgenomen in de Beleidslijn windenergie. Voor andere vormen van duurzame energieopwekking was nog niks geregeld. Met deze wijziging wordt voor duurzame energieprojecten de motiveringsplicht voor lokaal eigendom op dezelfde wijze geregeld als bij projecten voor zonne-energie. 

Participatie

Het voorstel om artikel 5.90b te wijzigen, komt overeen met de manier waarop we dit verwoorden in de vastgestelde beleidsregel Lokaal eigendom en participatie. We legden een conceptversie van deze beleidsregel voor aan enkele gemeenten, regio’s, energiecoöperaties en commerciële ontwikkelaars. 

4. Netbudget nieuwe woningbouw

We nemen in afstemming met de provincies Utrecht en Flevoland in de verordening een instructieregel op die gemeenten opdraagt om bij alle omgevingsplanwijzigingen voor woningbouw een netcapaciteitsplafond te hanteren. Dit plafond geeft aan hoeveel elektriciteit een nieuwbouwwijk in theorie maximaal mag gebruiken. Er moet gehandhaafd worden op maatregelen in het ontwerp en de bouw- en installatietechniek van de woonwijk, niet op werkelijk gebruik van de bewoners. Ook wordt er een instructie gegeven aan Gedeputeerde Staten om samen met Flevoland en Utrecht in een handreiking rekenregels op te stellen met daarin een brede keuze aan maatregelen die getroffen kunnen worden om aan het netcapaciteitsplafond te voldoen. Het Rijk heeft ondertussen kenbaar gemaakt om netbewuste woningbouw in het Besluit bouwwerken leefomgeving op te willen nemen. Als dat uiterlijk 1 januari 2028 gebeurt is onze instructieregel overbodig en treedt deze niet in werking.

  Door deze instructieregel wordt het elektriciteitsnet minder belast en zijn er binnen de beperkingen van het net meer ontwikkelingen mogelijk, waaronder woningbouw. Netcongestie vormt namelijk een groeiend knelpunt voor woningbouw en andere ontwikkelingen in Gelderland. Met deze instructieregel geeft de provincie uitvoering aan het vigerende Beleidskader Wonen (PS2025-17) waarin dit beleid is opgenomen.

Het voorstel voegt een nieuwe overgangsrechtelijke bepaling en een bijlage toe:

  • 1.

    Inwerkingtreden instructieregel netbewuste woningbouw op 1 juli 2027

    Vanwege het risico van ongeoorloofde doorkruising van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stellen we voor dat de technische grondslag voor netbewuste woningbouw verbreed wordt. Er moet een breder pallet aan technieken in de handreiking opgenomen worden dan was voorbereid. Het gaat dan vooral om technieken die niet al door het Bbl worden genormeerd. Deze verbreding van de rekenregels moet ambtelijk uitgewerkt worden en dat kost tijd. Ook moeten gemeenten en bouwende partijen tijd hebben om zich voor te bereiden. Het rijk heeft ondertussen kenbaar gemaakt om netbewuste woningbouw in het Besluit bouwwerken leefomgeving op te nemen. Als dat uiterlijk 1 januari 2028 gebeurt is onze instructieregel overbodig en treedt deze niet in werking. 

  • 2.

    Aanpassing overgangsrecht vergevorderde nieuwbouwprojecten. Verschillende zienswijzen benoemen de behoefte aan overgangsrecht. Er zijn verschillende praktijksituaties die voorkomen waarbij het niet redelijk is om een bouwplan nog te wijzigen. Denk aan projecten die al ver in de ontwikkeling zijn, met bindende overeenkomsten, maar die niet tijdig vastgesteld kunnen worden. Kleine aanpassingen aan een al vastgesteld plan en bestaande rechten die overgezet moeten worden in een omgevingsplan vallen ook onder dit overgangsrecht.

Participatie

Het netbudget voor nieuwe woningbouw is voorbereid in een werkgroep met Flevoland, Utrecht, het rijk, Bouwend Nederland, Neprom, Techniek Nederland, Aedes, en de netbeheerders. De inhoudelijke kennis van deze partijen is gebruikt bij het vormgegeven van de normen zelf. Bij het opstellen van de instructieregels voor netbewuste woningbouw hebben we juridische werksessies georganiseerd met een selectie aan Utrechtse, Flevolands en Gelderse gemeenten en juristen van het Rijk en de drie provincies. We hebben bestaande regionale overlegcircuits gebruikt om de regio’s en gemeenten te informeren over ons voornemen voor het netbudget en om hen om input te vragen. Ook op verzoek zijn wij bij andere regiobijeenkomsten geweest met hetzelfde doel.  

5. Netbewust prioriteren

We stellen voor in de verordening een instructieregel op te nemen die gemeenten binnen een voedingsgebied van een onderstation verplicht om in regionaal verband maatschappelijke prioriteiten te stellen voor ruimtelijke ontwikkelingen, gelet op de schaarste aan net- en aansluitcapaciteit (netcongestie). Hier doen zich situaties voor waar de beschikbare capaciteit op een onderstation onvoldoende is om alle geplande maatschappelijke en ruimtelijke opgaven te realiseren. In dat geval is aanvullende sturing nodig op de verdeling van schaarse netcapaciteit. Hiervoor kan via een interbestuurlijk programma op lokaal niveau worden gewerkt aan afspraken over prioritering en fasering. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de instructieregel gaan twee pilotgebieden al aan de slag.

Participatie

De instructieregel is als suggestie opgeworpen in een bestuurlijk overleg op 5 september 2025 tussen de regio’s en provincie Gelderland, georganiseerd vanuit de Gelderse Energyboard. De gezamenlijke bestuurlijke wens is uitgesproken om als decentrale overheden op regionale schaal maatschappelijk te gaan prioriteren bij schaarste aan elektriciteit (netcongestie). Bij voorkeur komen de gemeenten er per voedingsgebied onderling uit welke projecten maatschappelijke prioriteit genieten boven andere projecten en stemmen zij hun plannen onderling op elkaar af. Als dat niet op korte termijn lukt, wordt van de Provincie een regierol gevraagd. Hoe zo'n regionaal programma kan werken onderzoeken wij in de pilots Harderwijk en Culemborg, leerervaringen van deze pilots worden gedeeld met de Gelderse gemeenten en de partners van de Energyboard.  De ervaringen worden eind 2026 verwacht.

Na de terinzagelegging is in de tekst van de instructieregels de term ‘regionaal programma’ vervangen door de term ‘gezamenlijk programma’. Deze laatste term sluit beter aan bij de tekst van de Omgevingswet.  

Water en bodem

We stellen 1 wijziging voor.

1. Beleidsregels masterplannen bodemenergie

We stellen voor de Beleidsregels masterplannen bodemenergie Gelderland 2014 toe te voegen aan de omgevingsverordening. De inhoud van de regels verandert niet. 

We hebben deze beleidsregels sinds 2014. Doel is om te laten zien hoe Gedeputeerde Staten vergunningaanvragen voor bodemenergiesystemen beoordelen als deze in een interferentiegebied liggen. Als bodemenergiesystemen dicht bij elkaar liggen, bestaat het risico dat koude of warme zones in de bodem (thermische invloedsgebieden) elkaar overlappen (interferentie). Het risico op interferentie neemt toe als er veel bodemenergiesystemen worden aangelegd in een beperkt gebied. Het is dan verstandig om vraag naar en beschikbaarheid van ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen. Dit kan door een interferentiegebied aan te wijzen en een masterplan bodemenergie te maken. In de Omgevingsverordening staan al beoordelingsregels voor vergunningverlening voor activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Het is logisch om de beleidsregels voor bodemenergiesystemen daaraan toe te voegen. Dan staat alles op een plek. De wijziging voegt aan afdeling 7.2 paragraaf 7.2.8 toe.

Participatie

We betrokken geen andere partijen bij deze wijziging, omdat ons beleid hetzelfde blijft. We nemen de bestaande beleidsregels ongewijzigd op in de omgevingsverordening. Ze krijgen dus alleen een andere plek (vindplaats). Daarna trekken we de losse regeling in. Enkele gemeenten hebben in hun zienswijze vragen gesteld of opmerkingen gemaakt naar aanleiding van deze regels. We hebben dit beantwoord in de reactienota; dit gaf geen aanleiding om de bestaande (beleids)regels (die we al hadden aangepast aan de Omgevingswet) te wijzigen.

Natuur (oude bosgroeiplaatsen)

We stellen een wijziging voor bij 1 onderwerp.

1. Wijziging regime voor oude bosgroeiplaatsen

We wijzigen het beschermingsregime voor oude bosgroeiplaatsen buiten Natura 2000-gebieden en het Gelders natuurnetwerk. Het beschermingsregime is op deze locaties niet van toepassing als de velling plaatsvindt ten behoeve van een functiewijziging op basis van een omgevingsplan waarin maatschappelijk belangen worden afgewogen. Bovendien moet worden voldaan aan één van de drie in artikel 7.27 opgenomen eisen.

Op basis van deze aanpassing wordt, buiten Natura 2000-gebieden en Gelders natuurnetwerk, gelegenheid geboden om eenvoudiger nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Op deze wijze wordt tegemoetgekomen aan een gesignaleerde maatschappelijke behoefte om de realisatie van onder andere woningbouw, infrastructuur en uitbreiding van het elektriciteitsnet versneld mogelijk te maken.

Ook stellen we voor de Kaart Oude Bosgroeiplaatsen op vier locaties (zichtbaar in Planoview) te wijzigen. Het betreft wijzigingen op de kaart in Doesburg, Maasdriel, Nijmegen en Putten. Deze wijziging vindt plaats op basis van beoordelingen van de wijzigingsverzoeken die eind december 2025 bekend waren.

Het voorstel ziet op de invoeging van een nieuw (derde) lid aan artikel 7.27.

Participatie

Deze beleidswijziging is geagendeerd in Provinciale Staten in september 2025, daar is de mogelijkheid geboden om in te spreken, waarvan ook gebruik is gemaakt.

Provinciale wegen

We stellen de volgende wijzigingen in de teksten van de toelichting voor:

  • 1.

    In een eerdere wijziging van de omgevingsverordening is lid 4 van artikel 4.66 verplaatst naar artikel 4.68. De artikelsgewijze toelichting is destijds per abuis bij artikel 4.66 blijven staan. De toelichting wordt nu bij het juiste artikel geplaatst.

  • 2.

    Aan de artikelsgewijze toelichting van artikel 4.67 voegen we fietsen toe. Een fiets is basis ook voertuig, dus hier extra benoemen hoeft eigenlijk niet. Toch krijgen we regelmatig vragen over fietsen(/fietswrakken) achtergelaten bij bijvoorbeeld bushaltes. Door deze nu ook te benoemen is het makkelijker om uit te leggen naar burgers.

  • 3.

    Aan de artikelsgewijze toelichting van artikel 4.68 voegen we toe dat Gedeputeerde Staten maatwerkregels hebben gesteld voor het leggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels en leidingen, voor het plaatsen van een gedenkteken en voor tijdelijke verkeersmaatregelen en omleidingsborden door een andere wegbeheerder en dat er aan deze maatwerkregels moet worden voldaan. Dit had eigenlijk al met invoering van de Omgevingswet zo moeten worden opgenomen. De maatwerkregels zelf komen worden omschreven in artikel 4.69.

  • 4.

    In de artikelen 4.69, 7.11 en 7.12 voegen we een verduidelijkende tekst toe.

De wijzigingen zijn voortgekomen uit voortschrijdend inzicht van de ambtenaren die werken met deze artikelen en opmerkingen van derden.

Participatie

Voor deze voorgestelde aanvullingen in de teksten in de toelichting, is geen gebruik gemaakt van participatie. 

Overgangsrecht

We stellen 3 wijzigingen voor en corrigeren een eerder voorstel in het ontwerpbesluit dat ter inzage heeft gelegen:

  • 1.

    Overgangsrecht hoofdstuk 4a Het voorstel is om overgangsrecht op te nemen om te voorkomen dat voor recent aangevraagde of gemelde activiteiten binnen het stikstofreductiegebied opnieuw een reductie behaald wordt, terwijl met de verleende vergunning of de geaccepteerde melding een reductie van 70% is behaald.

  • 2.

    Overgangsrecht afstandsnorm nieuwe windturbines Het voorstel is om overgangsrecht op te nemen voor de nieuwe afstandsnorm, in overeenstemming met het eerder aangenomen initiatiefvoorstel.

  • 3.

    Overgangsrecht netbewuste nieuwbouw Het voorstel is om via overgangsrecht nieuwbouwprojecten, die al in een vergevorderd stadium van voorbereiding verkeren, vrij te stellen van de verplichting tot netbewuste woningbouw. Uitgangspunt is dat die ‘vrijstelling’ alleen geldt voor projecten waarvoor het niet meer redelijk is om het ingediende bouwplan nog te wijzigen.

  • 4.

    Bestendiging overgangsrecht aanleg zonneparken We schrappen het eerder opgenomen voorstel om het overgangsrecht voor de aanleg van zonneparken te beëindigen. Uit de zienswijzen is gebleken dat dit overgangsrecht nog niet is uitgewerkt, maar nog relevant kan zijn voor lopende procedures.

Participatie

Bij de behandeling van het Initiatiefvoorstel voor het opnemen van een afstandsnorm voor windturbines in de Omgevingsverordening is er een mogelijkheid geweest om in te spreken, waarvan ook gebruik is gemaakt. 

Het overgangsrecht voor netbewuste nieuwbouw is afgestemd met de provincies Flevoland en Utrecht en een aantal gemeenten.

Het voorstel leidt tot een aanvulling van hoofdstuk 9 met artikel 9.6, (het behoud van artikel 9.7), artikel 9.8 en artikel 9.9 (en een vernummering van de citeerbepaling).

Naar boven