Aanvulling Provinciaal Programma Overijssel: Natura 2000 beheerplan - Sallandse Heuvelrug - aanvullingen in verband met het Veegbesluit

Gedeputeerde Staten van Overijssel,

Overwegende dat de minister voor Natuur en Stikstof op 25 november 2022 het ‘Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’ (hierna: 'Veegbesluit') nam;

Overwegende dat het Veegbesluit voor Overijssel in 14 Natura 2000-gebieden in totaal voor 49 habitattypen en 5 soorten instandhoudingsdoelstellingen toevoegt aan de Natura 2000-aanwijzingsbesluiten;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten voor de nieuwe instandhoudingsdoelstellingen maatregelen moeten treffen om de doelstellingen te realiseren;

Overwegende dat deze maatregelen opgenomen worden in aanvullingen op de bestaande Natura 2000-beheerplannen en deze plannen aangemerkt worden als een programma onder de Omgevingswet;

Gelet op artikel 3.8, lid 3 van de Omgevingswet

Gelet op afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht

Besluiten:

Artikel I

Het ontwerp van de aanvulling op het Natura 2000-beheerplan van Sallandse Heuvelrug vast te stellen

zoals is aangegeven in Bijlage A.

Artikel II

[Gereserveerd]

Gedeputeerde Staten voornoemd.

Bijlage A

Provinciaal Programma: Aanvulling Natura 2000 beheerplan - Sallandse Heuvelrug

Hoofdstuk 1 Inleiding

Paragraaf 1.1 Aanleiding

Op 25 november 2022 stelde de minister voor Natuur en Stikstof het ‘Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’ vast (ook wel het ‘Veegbesluit’ genoemd). Het Veegbesluit wijzigt voor 100 Natura 2000-gebieden in Nederland het Aanwijzingsbesluit, omdat ten onrechte habitattypen en/of soorten nog niet aangewezen waren.

In de Aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden staan de instandhoudingsdoelstellingen voor de in het gebied voorkomende soorten en habitattypen (habitats). Het Rijk is verantwoordelijk voor deze Aanwijzingsbesluiten, waarbij de aanwijzingen in Nederland grofweg plaatsvonden in de periode 2008 – 2015.

Na de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden bleek uit betere gegevens over het natuurgebied dat ten tijde van de aanwijzing méér habitats in de gebieden voorkwamen dan wat in het eerdere Aanwijzingsbesluit staat. Deze habitats moeten ook instandhoudingsdoelstellingen krijgen. Het Veegbesluit is genomen om dit te repareren.

In Overijssel gaat het om 14 Natura 2000-gebieden waar het Veegbesluit in totaal voor 54 habitats (veelal habitattypen, soms soorten) instandhoudingsdoelstellingen toevoegt aan de Aanwijzingsbesluiten. In één geval schrapt het Veegbesluit een habitattype.

In dit document worden de wijzigingen aan het Aanwijzigingsbesluit van Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug toegelicht.

Paragraaf 1.2 Inhoud

In Hoofdstuk 2 Instandhoudingsdoelstellingen introduceren wij de nieuwe instandhoudingsdoelstellingen welke zijn toegevoegd aan het Aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied als gevolg van het Veegbesluit. De nieuwe instandhoudingsdoelstellingen worden overzichtelijk gepresenteerd in een tabel.

Vervolgens geven wij in Hoofdstuk 3 Analyse en maatregelen per habitat een analyse per habitat met informatie over de ecologische vereisten, oppervlakte, kwaliteit en trend, aangezien deze habitattypen nog niet in het Beheerplan zijn opgenomen. Ook bespreken wij de maatregelen welke nodig zijn om de nieuwe instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. Dit geldt als een aanvulling op het bestaande Natura 2000-beheerplan.

Tot slot, hebben wij het huidige Beheerplan van het Natura 2000-gebied toegevoegd als Bijlage II Natura 2000-beheerplan Sallandse Heuvelrug.

Hoofdstuk 2 Instandhoudingsdoelstellingen

Paragraaf 2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk presenteren wij een lijst met de nieuwe instandhoudingsdoelstellingen welke zijn toegevoegd aan het Aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied als gevolg van het Veegbesluit.

De doelen zijn geformuleerd in termen van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang (oppervlakte habitattype of leefgebied soort of populatiegrootte soort) en “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit (van het habitattype of het leefgebied van de soort).

Paragraaf 2.2 Instandhoudingsdoelstellingen Veegbesluit

De website www.natura2000.nl vermeldt per Natura 2000-gebied de instandhoudingsdoelstellingen. Het Veegbesluit voegde voor het gebied Sallandse Heuvelrug de volgende instandhoudingsdoelstellingen toe aan het aanwijzingsbesluit:

Habitattype

Oppervlakte

Kwaliteit

H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

=

=

= behoud oppervlakte / kwaliteit; > uitbreiding oppervlakte / verbetering kwaliteit.

Hoofdstuk 3 Analyse en maatregelen per habitat

Paragraaf 3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk presenteren wij voor ieder habitattype met nieuwe instandhoudingsdoelstellingen (zie ook Paragraaf 2.2 Instandhoudingsdoelstellingen Veegbesluit) een korte analyse met meer informatie over oppervlakte, kwaliteit en trend. Vervolgens beschrijven wij ook de maatregelen welke nodig zijn om de nieuwe instandhoudingsdoelstellingen te bereiken.

In de volgende paragrafen verwijzen wij in voorkomende gevallen naar ‘M-nummers’, 'K-nummers ' en ‘V-nummers’. Dit zijn verwijzingen naar maatregelen (‘M-nummers’) en knelpunten ('K-nummers') in het geldende Natura 2000-beheerplan (zie Bijlage II Natura 2000-beheerplan Sallandse Heuvelrug). Bij ‘V-nummers’ gaat het om maatregelen die we treffen voor de nieuwe instandhoudingsdoelstellingen uit het Veegbesluit.

Voor zover we in de volgende paragrafen een oordeel geven over de kwaliteit en/of trend van habitattypen en/of soorten dan is dit oordeel gebaseerd op expert judgement van de provincie of van de terreinbeheerder, tenzij anders vermeld.

In de volgende paragrafen staan ook oppervlaktes van habitattypen. Deze oppervlaktes zijn afkomstig uit de habitattypenkaart van dit gebied. De habitattypenkaarten van de Overijsselse Natura 2000-gebieden kunt u hier vinden: Atlas van Overijssel, Habitattypenkaart.

Voor informatie over de ecologische vereisten per habitattype verwijzen wij u naar de Herstelstrategieën op de website www.natura2000.nl.

Paragraaf 3.2 H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

Analyse

Verspreiding, kwaliteit en ontwikkeling habitattype

Het instandhoudingsdoel voor het habitattype Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) is behoud oppervlakte en behoud kwaliteit. Oppervlakte: 0,15 ha. Het areaal is zeer klein en ligt ver van andere voorkomens van de kwalificerende vegetatietypen verwijderd. Er is dus ook sprake van versnippering.



De als habitattype Pioniervegetaties (H7150) kwalificerende vegetaties liggen rondom het Sasbrinkven en de (grond)waterkwaliteit wordt dan ook sterk beïnvloed door dit ven. Het ligt op een slecht doorlatende laag. Het eerste watervoerende pakket bevindt zich ver onder deze slechtdoorlatende laag, gezien de hoge ligging in het landschap. Het Sasbrinkven wordt gevoed door regenwater en door lokale grondwatersysteempjes die voor een zeer zwakke buffering zorgen. Het Sasbrinkven is daardoor van oorsprong vrij zuur en voedselarm.

Het voorkomen van dit habitattype rondom het Sasbrinksven is in 2008 gekarteerd. In 2000 kwam het hier nog niet voor (bron: data provinciale kartering). Het betreft de oeverzone van een zuur ven (H3160). Het is mogelijk dat dit habitattype – indien geen maatregelen worden genomen – zich ontwikkelt naar vochtige heide (de minder natte delen) of zure vennen (de geïnundeerde delen).

Het grootste deel van het voorkomen rondom het Sasbrinkven betreft de Associatie van moeraswolfsklauw en snavelbies (soortenarme subassociatie). Op enkele plekken is de Associatie van veenmos en snavelbies (subassociatie met slank veenmos) aanwezig. Beide associaties worden volgens het profieldocument als goede kwaliteit habitattype gerekend. Te verwachten is echter dat de kwaliteit in de toekomst achteruit gaat vanwege verzuring en verrijking als gevolg van te hoge stikstofdepositie en de afname van toestroming van (licht door basen aangerijkt) freatisch water.

Knelpuntenanalyse

Knelpunten door stikstofdepositie:

  • Verrijking (vermesting): eutrofiëring door stikstofdepositie, dit is in samenhang met de eutrofiëring.

  • Verzuring, als gevolg van verzurende stikstofdepositie en invang van stikstof door bomen in het catchmentgebied.

Kennisleemte

Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype

Maatregelen

In Bijlage II Natura 2000-beheerplan Sallandse Heuvelrug staan maatregelen ter bevordering van het behoud van enkele habitats welke ook relevant zijn voor pioniervegetaties met snavelbiezen:

  • 1a-1 Bos kappen in het intrekgebied van het Sasbrinkven (zie bij habitattype Zure vennen, in Bijlage II Natura 2000-beheerplan Sallandse Heuvelrug).

  • 2c-1, 2b en 2c-2 Hydrologisch herstel en omvorming van bos, op basis van nader ecohydrologisch onderzoek, gericht op uitbreiding van vochtige heide. Pioniervegetaties met snavelbiezen kunnen op recent geplagde natte terreindelen ontstaan en gaan dan op termijn over in vochtige heide.

  • 2d Voor behoud is het periodiek plaggen nodig in kleine vlakken. Pioniervegetaties met snavelbiezen kunnen op recent geplagde natte terreindelen ontstaan en gaan dan op termijn over in vochtige heide. De eendenplas is gefaseerd geplagd, ten behoeve van Vochtige heide. Mogelijk ontwikkelt zich hier ook het habitattype Pioniersvegetaties met snavelbiezen. Plagwerkzaamheden gericht op ontwikkeling van Pioniervegetaties met snavelbiezen mogen uiteraard niet ten koste gaan van kwalificerende Vochtige heiden. Ook delen van het Sasbrinkven kunnen mogelijk (opnieuw) geplagd worden als delen van de oever zich ontwikkelen naar pijpenstrootje-vegetaties. De plagwerkzaamheden bij Het herstelstrategiedocument (Beije et al, 2013) schrijft eens in de tien jaar voor. Aandachtspunten bij het plaggen:

    • Bij de plagfrequentie moet rekening worden gehouden met de vegetatieontwikkeling;

    • Alleen organisch materiaal mag worden weggeplagd, zonder zand of leem af te voeren; de waterhuishouding mag niet worden aangetast;

    • Het plaggen moet kleinschalig en gespreid in ruimte en tijd worden uitgevoerd en het aanwezige reliëf moet worden gevolgd. Dit houdt o.a. verband met het gegeven dat het habitattype vaak op overgangen liggen van droge grond naar bijvoorbeeld open water. Hier pendelen veel kleine dieren heen en weer, hetgeen wordt bemoeilijkt als de plagstroken te lang of te breed zijn;

    • De plagbanen dienen altijd de gradiënt te volgen (parallel) en niet haaks op de gradiënt te worden uitgevoerd. Dit moet ook voorkómen dat onnatuurlijke stagnatie van regenwater in de zomer optreedt;

    • De plagwerkzaamheden moeten kleinschalig worden uitgevoerd.

Bijlage II Geldend Natura 2000-beheerplan

Bijlage II Natura 2000-beheerplan Sallandse Heuvelrug

Natura-2000-Beheerplan-Sallandse-Heuvelrug.pdf

Naar boven