Provinciaal blad van Zeeland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2025, 21382 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2025, 21382 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Dit besluit betreft de wijzigingen in 'bijlage A'.
Aldus besloten in de vergadering van Provinciale Staten van 12 december 2025.
H.M. de Jonge, voorzitter
Drs. F.J. van Houwelingen MPA, statengriffier
A
Artikel 2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
B
Het opschrift van artikel 2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Artikel 2.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een duwstel met een lengte van meer dan 110 meter dat niet is voorzien van een actieve kopsturing van voldoende vermogen te laten varen in het beperkingengebied provinciale vaarwegen. beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen
Het verbod is niet van toepassing als het duwstel wordt geassisteerd door een sleepboot.
D
Artikel 2.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een muziekinstrument, muziekinstallatie of ander vergelijkbaar geluidsapparaat, te gebruiken in stiltegebieden .
Het verbod geldt niet voor een muziekinstrument, muziekinstallatie of ander vergelijkbaar geluidsapparaat dat wordt gebruikt:
binnen 50 meter van een woonhuis als het geluidsniveau 35dB(A) is op een afstand van meer dan 50 meter van dit apparaat;
bij een evenement zoals genoemd in artikel 5.435.54 onder g.
E
Artikel 2.107 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een modelvliegtuig, modelboot, modelauto of RPAS (drones) te gebruiken in stiltegebieden.
Het verbod geldt niet voor:
een modelvliegtuig, modelboot of modelauto zonder een verbrandingsmotor; of;
het gebruik van een RPAS (drone) voor: door een gecertificeerd drone-gebruiker die aantoonbaar op de hoogte is van de lokale en actuele situatie rond de stiltegebieden, beschermde natuurwaarden en de verstoringsgevoeligheid van het desbetreffende Natura 2000 gebied:
de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar;
gedurende het hele jaar (tenzij anders geformuleerd in een N2000 beheerplan voor de uitoefening van beroepsmatig uitgevoerde activiteiten en overheidstaken (beheer en onderhoud, beroepsvisserij, faunabeheer, markeren, inspectie-, toezicht-, opsporings-, reddings-en defensietaken, calamiteiten beheer, onderzoek en monitoring); of
het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of
voor vluchten die worden uitgevoerd door, of in opdracht van, de (semi) overheid of een terrein beherende natuurbeschermingsorganisatie.
de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegheid.
F
Artikel 2.125 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt de activiteit zodanig verricht dat:
De activiteit wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 en begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.
De activiteit wordt verricht overeenkomstig de beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen, bedoeld in Artikel 2.122 artikel 2.122, tweede lid, onder b.
Als blijkt dat de maatregelen niet tot de beoogde effecten zullen leiden, wordt de activiteit verricht overeenkomstig de andere methode om de beoogde effecten te bereiken, bedoeld in Artikel 2.122 artikel 2.122, tweede lid, onder d.
G
Afdeling 2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Het opschrift van paragraaf 2.10.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Artikel 2.147 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren, of het opzettelijk wegnemen van nesten, van de grauwe gans.
Het eerste lid geldt alleen als de activiteit wordt verricht:
door of in opdracht van een grondgebruiker;
op de gronden, of in of aan de opstallen, die bij de grondgebruiker in gebruik zijn;
met het oog op het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden;
in de periode van 15 februari tot 1 april daaropvolgend; en
in overeenstemming met het faunabeheerplan.
Het is niet toegestaan in de periode van 1 november tot 1 april grauwe gans, kolgans en brandgans te doden binnen de aangewezen ganzenrustgebieden.
In aanvulling op het tweede lid geldt het eerste lid ook:
Beoordeling van het risico, bedoeld in het derde lid, onder d, vindt plaats door de terreinbeherende organisatie aan de hand van een jaarlijkse inventarisatie van kwetsbare broedvogels.
De grondgebruiker, of degene die de activiteit verricht, informeert en rapporteert over deze activiteit op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze.
J
Artikel 2.148 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Artikel 2.149 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Artikel 2.150 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Artikel 2.151 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
Artikel 2.154 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, en artikel 11.54, eerste lid, van het besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor de in bijlage VIII genoemde soorten bij het verrichten van een activiteit in verband met:
de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde;
bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of
bestendig gebruik.
Het eerste lid geldt alleen voor het verrichten van een activiteit die niet al vergunningvrij is op grond grond van een bij ministeriële regeling aangewezen gedragscode, bedoeld in artikel 11.59, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
O
Na artikel 2.158 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Voor het gebruik van het luchtdrukgeweer bij het bestrijden van zwarte en bruine ratten geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, lid 1, onder f van de wet, om zonder omgevingsvergunning een jachtgeweeractiviteit te verrichten niet als:
bij maatwerkbesluit is toegestaan het luchtdrukwapen te mogen gebruiken voor het doden van zwarte en bruine ratten; en
de gebruiker van het maatwerkbesluit die niet beschikt over een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit een opleiding heeft gevolgd voor het veilig gebruik van het luchtdrukgeweer bij het doden van zwarte en bruine ratten.
P
Het opschrift van artikel 2.159 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Het opschrift van artikel 2.160 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Het opschrift van artikel 2.161 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Artikel 2.162 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een activiteit verricht langs, op of onder een oppervlaktewater en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.1612.162, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit en of handeling achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
T
Artikel 2.163 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten langs, op of onder een oppervlaktewater te verrichten:
het uitsteken, afsnijden of anderszins verwijderen, voorhanden hebben of vervoeren van waterplanten en wieren;
het nodeloos verontrustenopzettelijk doden, het vangen, het doden, het en voorhanden hebben of vervoeren van waterdieren; of
het bij zich hebben van voorwerpen die kennelijk tot doel hebben een onder a of b bedoelde activiteit te verrichten.
De verboden zoals bedoeld in het eerste lid onder a. b. en c gelden niet voor:
Degene die beschikt over een geldige omgevingsvergunning voor de activiteiten genoemd in artikel 4.3, eerste lid, onder j en k van de wet of ontheffing op grond van de Visserijwet 1963;
Sportvissers die vissen op basis van een VISpas voor de activiteiten die de VISpas toestaat;
Normaal recreatief gebruik aan, in en bij het water.
U
Artikel 2.164 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een omschrijving van de activiteit;
een onderbouwing van het doel van de activiteit;
een kaart met de locatie van de activiteit;
de omvang en duur van de activiteit;
een beschrijving van de waterdieren en waterplanten waar het om gaat en de hoeveelheid die wordt gevangen; en
een beschrijving van de effecten van de activiteit op de populatie waterdieren en aantallen waterplanten waar het om gaat en het onderwatermilieu; en
welke middelen worden gebruikt.
V
Artikel 2.165 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit wordt verricht door of namens een rechtspersoon;
de activiteit uitsluitend wordt verricht voor:
de activiteit geen zeekreeft, Noordzeekrab, spinkrab, kokerworm, zeedahlia, dodemansduim of spons betreft;
de activiteit geen nadelige gevolgen heeft op de populatie en omvang van de soort in het betreffende gebied en het onderwatermilieu;
de activiteit tijdelijk is;
de activiteit handmatig wordt uitgevoerd;
er geen gebruik wordt gemaakt van niet-selectieve middelen; en
onnodig lijden van waterdieren wordt voorkomen.
W
Paragraaf 2.11.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op het vellen en herbeplanten van houtopstanden. Deze afdeling gaat niet over de activiteiten, bedoeld in artikel 11.112, lid 2, van het besluit activiteiten leefomgeving.
Deze afdeling is van toepassing op het vellen en herbeplanten van houtopstanden in het buitengebied bebouwingscontour houtkap.
Deze afdeling gaat niet over de activiteiten, bedoeld in artikel 11.111 lid 2 en 11.112, lid 2, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierbij geldt de volgende nuancering:
Voor wegbeplanting, als bedoeld in artikel 11.111 lid 2 sub g onder 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt wel meld- en herplantingsplicht wanneer het gelegen is naast een weg op een dijk/dijklichaam. De begrippen wegbeplanting en dijk/dijklichaam zijn uitgelegd in de Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022 in Bijlage 1. Begripsbepalingen. In dat geval is namelijk sprake van dijkbeplanting. De dijken/dijklichamen staan aangegeven op bijlage VII, Landschap en erfgoed, behorende bij de Omgevingsverordening Zeeland.
Dunning, als bedoeld in artikel 11.111 lid 2 sub h van het Besluit activiteiten leefomgeving, valt alleen onder de uitzondering als er maximaal 40% van de kroondekking wordt verwijderd voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand.
X
Paragraaf 2.11.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vellen van verjongingsgaten als:
Gelijktijdig met de melding, als bedoeld in artikel 11.126 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
deze niet groter zijn dan anderhalf maal de boomhoogte;
als degene die de activiteit verricht geen eigenaar is van de grond waar de houtopstand staat: contactgegevens van de grondeigenaar en een schriftelijke toestemming van de grondeigenaar voor de velling;
deze gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel; en
een situatietekening van de locatie van de te vellen houtopstand, waaronder ten minste een topografische kaart schaal 1:25.000 met daarop ingetekend de te vellen houtopstand en de kadastrale percelen;
in het vellen maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt binnen hetzelfde bosperceel. geval van oppervlaktebeplanting de oppervlakte van de velling in vierkante meters;
in het geval van rijbeplanting het aantal bomen;
in het geval van rijbeplanting de gemiddelde onderlinge afstand tussen bomen in meters;
de boom- en struiksoorten;
de leeftijd van de houtopstand;
de reden van de velling;
de geplande startperiode van de velling; en
een herbeplantingsplan. Dit plan bevat tenminste de gegevens zoals genoemd onder a tot en met f van dit artikel.
Gelijktijdig met de melding, bedoeld in artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
als degene die de activiteit verricht geen eigenaar is van de grond waar de houtopstand staat: contactgegevens van de grondeigenaar en een schriftelijke toestemming van de grondeigenaar voor de velling;
een situatietekening van de locatie van de te vellen houtopstand, waaronder ten minste een topografische kaart schaal 1:25.000 met daarop ingetekend de te vellen houtopstand en de kadastrale percelen;
de oppervlakte van de velling (in are) en, als het rijbeplanting betreft, het aantal bomen;
de boomsoort;
de leeftijd van de houtopstand; en
de reden van de velling.
Er mogen pas nieuwe verjongingsgaten in een bosperceel gemaakt worden als de eerdere verjongingsgaten weer een dekkingsgraad van minimaal 60% hebben.
Y
Paragraaf 2.11.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting, als bedoeld in artikel 11.129, eerste lidlid 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten:
in geval van oppervlaktebeplanting is de oppervlakte van de herbeplanting is ten minste even groot als de gevelde of teniet geganetenietgegane oppervlakte;
in geval van oppervlaktebeplanting vormt de herbeplante houtopstand binnen tien jaar naar verwachting een gesloten kronendak en heeft de houtopstand binnen drie jaar aantoonbare groei;
in geval van rijbeplanting is de rij tenminste even lang als de gevelde of tenietgegane rijbeplanting;
in geval van rijbeplanting mag de onderlinge plantafstand niet groter zijn dan 10 meter;
de herbeplante houtopstand vertegenwoordigt ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden ten opzichte van de gevelde of tenietgegane houtopstand in kwantiteit en kwaliteit;
de herbeplante houtopstand kan, gelet op het plantmateriaal, de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;
de herbeplante houtopstand vormt binnen een periode van 5 à 10 jaar een gesloten kronendak, waarbij in geval van rijbeplanting de plantafstand niet groter dan 10 meter mag zijn;
het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse, is niet toegestaan;
herbeplanting binnen het Natuurnetwerk Zeeland vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de wezenlijke kenmerken en waarden voor dat gebied, als bedoeld in artikel 7.7 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen, als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid,lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
de herbeplante houtopstand vertegenwoordigt ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden ten opzichte van de gevelde of teniet gegane houtopstand in kwantiteit en kwaliteit; en
een spontane natuurlijke verjonging, die aan de eisen voldoet zoals in dit artikel is beschreven, is een toegestane vorm van bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, geldt dat in bestaande situaties met duurzame boomsoorten die op een grotere plantafstand staan, herplanting eveneens op dezelfde grotere plantafstand is toegestaan (als maximale maat) mits dezelfde soort bomen wordt herplant.
Van het eerste lid, onder sub c kan worden afgeweken als het gaat om door gedeputeerde staten in de Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022 aangewezen boomsoorten die bijzonder groot en oud kunnen worden en die op een grotere plantafstand staan dan 10 meter. In dat geval mag op dezelfde grotere plantafstand worden herbeplant als dezelfde boomsoort wordt gebruikt.
Bij een velling die vooraf niet is gemeld, kunnen gedeputeerde staten besluiten dat dezelfde grond zo snel mogelijk binnen een redelijke termijn wordt herbeplant in plaats van binnen drie jaar. Dit is in afwijking van artikel 11.129 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130, onder sub a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
de andere grond is gelegenligt bij voorkeur in dezelfde gemeente, maar in ieder geval in de provincie Zeeland;
de andere grond is onbeplant en vrij van een plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de andere grond ligt buiten de bebouwingscontour houtkap;
de andere grond is vrij van een plicht tot natuurcompensatie;
de andere grond is vrij van beplanting en bouwwerken;
op de andere grond rust niet al een verplichting tot mitigatie of compensatie op grond waarvan bomen dienen te worden aangeplant;
de andere grond is vrij van andere bestaande natuurverplichtingen, zoals de herbeplantingsplicht, natuurcompensatie en mitigatie;
beplanting van de andere grond gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden in het betreffende gebied;
herbeplanting op andere grond binnen het Natuurnetwerk Zeeland is alleen toegestaan als de gevelde of tenietgegane houtopstand ook binnen het Natuurnetwerk Zeeland lag;
als de gevelde of teniet geganetenietgegane houtopstand maakt geen onderdeel uituitmaakt van een aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare, dat daardoor in oppervlakte afneemtdan moet herbeplanting weer aansluitend aan dit complex plaatsvinden;
de gevelde of teniet gegane houtopstand betreft geen landschapselement of een andere kleine houtopstand met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie;
de gevelde of teniet geganetenietgegane houtopstand draagt niet bij aan de instandhoudingsdoelstellingen en de wezenlijke kenmerken en waarden, als bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, lid 1 en 4 van de wet Omgevingswet;
de gevelde of teniet geganetenietgegane houtopstand betreft geen oude bosgroeiplaats waarbij sprake is van een goed ontwikkelde bosbodem;
de aanplant is bosbouwkundig verantwoord, als bedoeld in artikel 2.170 artikel 2.171; en
de aanvraag voor herbeplanting op andere grond wordt gedaan uiterlijk twee jaar na de velling.
Het eerste lid, aanhef en onder g tot en met i, geldt niet als de houtopstand moet wijken om een werk in overeenstemming met een omgevingsplan mogelijk te maken.
De plicht tot herbeplanting, als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het door natuurlijke ontwikkelingen teniet gaantenietgaan van houtopstanden, als dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen.
Z
Na paragraaf 2.11.3 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de eigenaar van de houtopstand toestemming verlenen om af te wijken van de regels van deze afdeling. Dit kunnen zij besluiten als de afwijking nog effectiever bijdraagt aan de groei, het duurzaam behoud en de kwaliteit van de houtopstand. Deze toestemming wordt verleend door middel van maatwerkvoorschriften, als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet.
AA
Het opschrift van afdeling 2.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BB
Het opschrift van paragraaf 2.12.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CC
Het opschrift van artikel 2.173 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Het opschrift van artikel 2.174 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EE
Het opschrift van artikel 2.175 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FF
Het opschrift van artikel 2.176 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Het opschrift van paragraaf 2.12.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HH
Subparagraaf 2.12.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 2.12.22.13.2 is van toepassing op het plaatsen van borden, spandoeken, vlaggen en informatiezuilen buiten de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van bedrijventerreinen van ten minste een hectare.
Paragraaf 2.12.22.13.2 is niet van toepassing op het plaatsen van:
borden behorend tot verkeerstekens, verkeersaanwijzingen of bewegwijzering, met inbegrip van toeristische bewegwijzering, in overeenstemming met de regels krachtens de Wegenverkeerswet en de Scheepvaartverkeerswet;
borden voor een campagne voor de verkeersveiligheid op wegen en vaarwegen, mits de borden geen handelsreclame bevatten;
borden op een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer;
officiële binnenlandse en buitenlandse vlaggen; en
vlaggen op sportterreinen.
II
Het opschrift van subparagraaf 2.12.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJ
Het opschrift van artikel 2.180 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KK
Het opschrift van artikel 2.181 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LL
Het opschrift van artikel 2.182 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MM
Artikel 2.183 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een bord dat betrekking heeft op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, anders dan een benzinestation of ANWB Wegenwachtstation als bedoeld in artikel 2.1872.189, dat of die feitelijk wordt uitgeoefend in een gebouw:
In het geval van 2 of 3 bedrijven gesitueerd aan één oprit:
In afwijking van het tweede lid:
In het geval van 4 of meer bedrijven gesitueerd aan één oprit:
In afwijking van het vierde lid:
De borden, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid:
NN
Het opschrift van artikel 2.184 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OO
Het opschrift van artikel 2.185 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PP
Het opschrift van artikel 2.186 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het opschrift van artikel 2.187 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RR
Het opschrift van artikel 2.188 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SS
Het opschrift van artikel 2.189 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TT
Het opschrift van subparagraaf 2.12.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UU
Het opschrift van artikel 2.190 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VV
Het opschrift van artikel 2.191 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WW
Het opschrift van artikel 2.192 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XX
Het opschrift van artikel 2.193 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YY
Het opschrift van artikel 2.194 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Het opschrift van artikel 2.195 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Het opschrift van artikel 2.196 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
Artikel 2.197 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een tijdelijk bord voor gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet: artikel 7 van de Grondwet:
CCC
Het opschrift van subparagraaf 2.12.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDD
Het opschrift van artikel 2.198 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEE
Het opschrift van artikel 2.199 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFF
Het opschrift van artikel 2.200 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGG
Het opschrift van artikel 2.201 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHH
Het opschrift van artikel 2.202 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
III
Het opschrift van artikel 2.203 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJ
Het opschrift van artikel 2.204 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Het opschrift van subparagraaf 2.12.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLL
Het opschrift van artikel 2.205 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMM
Het opschrift van artikel 2.206 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNN
Het opschrift van artikel 2.207 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOO
Artikel 3.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 3.3, vindt plaats door periodieke bepaling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren in de actuele toestand door metingen, berekeningen en modellen volgens een methode die aansluit bij relevante landelijke leidraden. Het waterschap en gedeputeerde staten stemmen de methode van monitoring af.
Het dagelijks bestuur van het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring.
Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt, met ingang van 2023, ten minste iedere vijf jaar een verslag op over de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren, met inachtneming van het bepaalde in artikel 20.14 van de wet. Het waterschap en gedeputeerde staten stemmen de methode van verslaglegging af.
Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 3.3, kan voor de gebieden, bedoeld in artikel 3.3, derde lid en artikel 3.3, vierde lid, een gedeelte van de totale oppervlakte van elk peilgebied van 1% buiten beschouwing worden gelaten.
Het dagelijks bestuur van het waterschap zendt het verslag aan gedeputeerde staten.
PPP
Artikel 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan wordt een bedrijf alleen toegelaten op:
gronden waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening al een bedrijf is toegestaan; of
een bedrijventerrein van tenminste een hectare.
De motivering bij een omgevingsplan dat nieuwvestiging of uitbreiding van een bedrijventerrein mogelijk maakt, maakt aannemelijk dat:
het plan bijdraagt aan of niet in strijd is met de doelstelling dat bedrijvigheid in overgrote mate regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan een grootschalig bedrijventerrein; en
de inrichting van het bedrijventerrein klimaatbestendig is; en
duurzaam beheer en onderhoud van het bedrijventerrein gewaarborgd is; en
wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, met in ieder geval een brede afschermende groengordel ten behoeve van biodiversiteit en landschap; en
de behoefte aan huisvesting van toekomstige werknemers in beeld is gebracht, waarbij inzichtelijk is gemaakt op welke wijze in de huisvesting zal worden voorzien.
In een omgevingsplan kan uitbreiding van een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaand kleinschalig bedrijventerrein van ten minste een hectare worden toegelaten, als de motivering bij het omgevingsplan:
In afwijking van het derde lid kan een verdere uitbreiding van een bestaand kleinschalig en goed ontsloten bedrijventerrein van ten minste een hectare worden toegelaten, als:
de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert; en
de sanering en het voorkomen van heroprichting van bedrijven elders in de provincie Zeeland, met ten minste een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 20% of 0,5 hectare, is gewaarborgd.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
grondstoffenwinning;
olie en gaswinning;
waterwinning;
afvalstort;
een nutsvoorziening;
een horeca- en recreatiebedrijf;
een agrarisch bedrijf;
de vestiging van een nieuwe economische drager als bedoeld in bijlage III;
de mogelijkheid voor een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied, niet zijnde een bedrijf gericht op de industriële verwerking van producten als bedoeld in bijlage III;
energieopwekking als bedoeld in lid 9 en 10;
overige overeenkomstig deze verordening toegelaten bedrijvigheid;
overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid; en
De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de vestiging van een nieuwe economische drager of een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied maakt aannemelijk dat:
deze wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwing op een bestaand bouwvlak of bij een bestaande woning;
de capaciteit van het bestaande wegennet voldoende is voor de te realiseren activiteit;
de vestiging niet leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf; en
het waterschap om advies is gevraagd.
In afwijking van het derde lid kan verdere uitbreiding van een bestaand kleinschalig en goed ontsloten bedrijventerrein van ten minste een hectare naar een kleinschalig-plus bedrijventerrein mogelijk worden gemaakt, als de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat:
De provincie Zeeland bestaat uit de volgende bedrijvenregio's:
In afwijking van het zesde lid is een uitbreiding van de bestaande bebouwing voor een nieuwe economische drager of een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied toegestaan:
Binnen de in het zesde lid genoemde bedrijvenregio's worden regionale bedrijventerreinenprogramma's gemaakt door de gemeenten met instemming van de provincie, waarbij:
met ten hoogste 20% met een maximum van 250 m2; of
de uitgangspunten, zoals bedoeld in paragraaf 5.3.4 van deze verordening moeten worden betrokken bij de regionale bedrijventerreinenprogramma's; en
een grotere uitbreiding als de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat dit per saldo niet leidt tot een toename van bebouwing.
in de regionale bedrijventerreinenprogramma's in ieder geval afspraken worden gemaakt over de plannen, realisatie en verdeling van de bedrijventerreinenontwikkeling, in relatie tot de provinciale bedrijventerreinenprognose. Om op het beleid aan te sluiten moet een aantal onderwerpen minimaal terugkomen in de regionale bedrijventerreinenprogramma's: afspraken over de economische ambitie, plannen en inzet op de bestaande bedrijventerreinenvoorraad (verduurzaming, herstructurering en beter benutten) en een overzicht van alle plannen voor nieuwe bedrijventerreinen met onderscheid naar planstatus en beoogde realisatie.
In afwijking van het zesde lid, aanhef en onder a, is vestiging in nieuwe bebouwing toegestaan als de motivering bij een omgevingsplan aannemelijk maakt dat:
nieuwvestiging leidt tot een versterking van het landschap;
het aantal bouwvlakken in de regio niet toeneemt;
het bouwvlak ten hoogste 1 hectare bedraagt; en
de nieuwvestiging niet leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf.
Een omgevingsplan laat alleen een bedrijventerreinenontwikkeling toe, als deze is opgenomen in de regionale bedrijventerreinenprogramma's.
In een omgevingsplan kan alleen worden voorzien in de realisatie van een installatie voor energieopwekking uit mest of afvalstoffen:
op een bedrijventerrein van ten minste een hectare en bij het glastuinbouwconcentratiegebied op de Axelse Vlakte in de gemeente Terneuzen; of
op een agrarisch bouwvlak, als de installatie maximaal 500 m3 bedraagt.
In afwijking van het achtste lid kan een beperkte uitbreiding van een kleinschalig bedrijventerrein dat geen onderdeel is van de regionale bedrijventerreinenprogramma's, toch vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale bedrijventerreinenprogramma's in een omgevingsplan worden toegelaten als regiogemeenten hun zienswijze hebben kunnen geven en als gedeputeerde staten instemmen met de ontwikkeling.
In afwijking van het negende lid, aanhef en onder b, is op een agrarisch bouwvlak een grotere installatie toegestaan als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de installatie qua omvang ter plaatse past en het karakter van het landelijk gebied niet onevenredig wordt aangetast.
Na inwerkingtreding van dit artikel op 1 januari 2026 moeten regionale bedrijventerreinenprogramma's binnen één jaar na de provinciale bedrijventerreinenprognose tot stand zijn gekomen. Regionale bedrijventerreinenprogramma's worden vervolgens in elk geval elke twee jaar geactualiseerd. Indien de regionale bedrijventerreinenprogramma's niet tijdig tot stand komen, niet tijdig zijn geactualiseerd of ontbreken, kunnen gedeputeerde staten regionale bedrijventerreinprogramma's vaststellen.
De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de vestiging van een agrarisch bedrijf zoals bedoeld in het vijfde lid maakt aannemelijk dat sprake is van:
In afwijking van het bepaalde in dit artikel is artikel 5.2 van toepassing op loonwerkbedrijven die vallen onder de begripsbepaling zoals opgenomen in bijlage I bij deze verordening.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
grondstoffenwinning;
olie en gaswinning;
waterwinning;
afvalstort;
een nutsvoorziening;
een horeca- en recreatiebedrijf;
een agrarisch bedrijf;
de vestiging van een nieuwe economische drager als bedoeld in bijlage III;
de mogelijkheid voor een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied, niet zijnde een bedrijf gericht op de industriële verwerking van producten;
energieopwekking als bedoeld in lid 15 en 16;
overige overeenkomstig deze verordening toegelaten bedrijvigheid;
overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid; en
solitaire bedrijvigheid binnen stedelijk gebied.
De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de vestiging van een nieuwe economische drager of een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied maakt aannemelijk dat:
deze wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwing op een bestaand bouwvlak of bij een bestaande woning niet zijnde recreatiewoning;
de capaciteit van het bestaande wegennet voldoende is voor de te realiseren activiteit;
de vestiging niet leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf;
het waterschap om advies is gevraagd; en
- voor zover sprake is van vestiging van verblijfsrecreatie - voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 1, B tot en met D (binnen de kustzone) opgenomen uitgangspunten, dan wel in bijlage IV, onder 3, B tot en met D (buiten de kustzone), opgenomen uitgangspunten en dat er gezorgd wordt voor een goede landschappelijke inpassing, waarbij de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap.
In afwijking van het twaalfde lid is een uitbreiding van de bestaande bebouwing voor een nieuwe economische drager of een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied, toegestaan:
In afwijking van het twaalfde lid, aanhef en onder a, is vestiging in nieuwe bebouwing toegestaan als de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat:
In een omgevingsplan kan alleen worden voorzien in de realisatie van een installatie voor energieopwekking uit mest of afvalstoffen:
In afwijking van het vijftiende lid aanhef en onder b, is op een agrarisch bouwvlak een grotere installatie toegestaan als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de installatie qua omvang ter plaatse past en het karakter van het landelijk gebied niet onevenredig wordt aangetast.
De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de vestiging van een agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in het elfde lid maakt aannemelijk dat sprake is van:
In afwijking van het bepaalde in dit artikel is artikel 5.3 van toepassing op loonwerkbedrijven die vallen onder de begripsbepaling zoals opgenomen in bijlage I van deze verordening.
QQQ
Artikel 5.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
1. Een omgevingsplan staat woningbouw buiten stedelijk gebied alleen toe als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat:
de woningen redelijkerwijs niet binnen stedelijk gebied gerealiseerd kunnen worden;
voor zover de woningen redelijkerwijs niet binnen stedelijk gebied kunnen worden gerealiseerd, de woningen aansluitend aan het stedelijk gebied worden gerealiseerd;
de woningen landschappelijk goed worden ingepast.
2. Dit artikel is niet van toepassing als sprake is van de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten stedelijk gebied zoals bedoeld in de artikelen 5.15 tot 5.46 en met 5.175.47.
RRR
Artikel 5.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSS
Artikel 5.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTT
Artikel 5.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUU
Artikel 5.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan kan alleen voorzien in de realisatie van huisvesting voor tijdelijke werknemers als deze huisvesting:
voorziet in een regionale behoefte; en
voldoet aan de normenset voor huisvesting van arbeidsmigranten van het register van de Stichting Normering Flexwonen of een eventuele opvolger daarvan; en
voldoet aan de voorwaarden voor Nieuwe Economische Dragers zoals bedoeld in artikel 5.1, zesdeelfde lid, zevende twaalfde lid en achtste dertiende lid, voor zover de ontwikkeling niet binnen of grenzend aan stedelijk gebied ligt.
VVV
Artikel 5.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie binnen stedelijk gebied.
Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie buiten stedelijk gebied op de volgende locaties:
op een bouwvlak;
op grond waarop stortplaatsen, infrastructuur, verblijfsrecreatie of, solitaire bedrijvigheid , bedrijventerreinen of zeehaventerreinen in het landelijk gebied is toegestaan;
op grond waarop water of grond waarop een waterbassin is toegestaan, mits in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat er geen significant nadelige effecten voor natuur, recreatie, waterkwaliteit of visserij zijn;
op grond waar agrarisch gebruik is toegestaan alsmits die grond op basis van bindende afspraken in transitie is; of
op grond waar agrarisch gebruik is toegestaan, mits de ontwikkeling een significante bijdrage levert aan de vermindering van netcongestie of leidt tot efficiënter netgebruik door:
De motivering bij een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie buiten stedelijk gebied maakt aannemelijk dat de omgevingskwaliteiten zich niet tegen de opstelling van zonne-energie verzetten.
Op locaties waar op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een omgevingsplan, kan worden voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie, wordt de afwijking van de regels niet vergroot.
WWW
Het opschrift van paragraaf 5.1.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXX
Artikel 5.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan wordt een nieuw verblijfsrecreatieterrein of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein alleen toegelaten in de badplaatsen Cadzand-Bad, Breskens, Vlissingen, Zoutelande, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle, Vrouwenpolder, Burgh-Haamstede en Renesse, waarvan de begrenzingen zijn opgenomen in bijlage IV, onder 5, bij deze verordening. In de motivering bij het omgevingsplan wordt aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 1, onder B tot en met D, opgenomen uitgangspunten.
Als een gebied in de badplaatsen Cadzand-Bad, BresekensBreskens, Vlissingen, Zoutelande, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle, Vrouwenpolder, Burgh-Haamstede en Renesse ook is aangewezen als aandachtsgebied, wordt in de motivering bij het omgevingsplan ook aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 2, opgenomen uitgangspunten.
Het eerste lid is niet van toepassing, als:
Het derde lid geldt niet voor de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein zoals toegelaten op grond grond van bestemmingsplannen die voor 7 november 2018 zijn vastgesteld. De huidige omgevingsplannen dienen binnen drie jaar na 1 januari 2025 te zijn aangepast waardoor deze de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein niet langer toelaten.
In afwijking van het eerste lid kan een nieuw verblijfsrecreatieterrein buiten een badplaats worden toegelaten in een globaal aangegeven aandachtsgebied, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 2, opgenomen uitgangspunten. De motivering bij het omgevingsplan bevat een gebiedsafbakening waarin wordt onderbouwd dat het nieuwe verblijfsrecreatieterrein valt binnen het aandachtsgebied of, gezien de situeringskenmerken, in voldoende mate daarop aansluit.
Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een nieuw verblijfsrecreatieterrein dat gerealiseerd wordt in de vorm van een nieuw landgoed en buitenplaats als bedoeld in artikel 5.10.
In afwijking van het eerste lid kan uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten een badplaats, als:
in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 1, A tot en met D, opgenomen uitgangspunten;
uitbreiding in een globaal aangegeven Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied en een beschermingsgebied niet wordt toegelaten;
de motivering bij het omgevingsplan een gebiedsafbakening bevat waarin wordt onderbouwd dat de uitbreiding van het verblijfsrecreatieterrein, gezien de situeringskenmerken, niet wordt gerealiseerd binnen een globaal aangegeven Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied en beschermingsgebied.
In afwijking van het zevende zesde lid, onder b en c, kan uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten in een beschermingsgebied, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet leidt tot nadelige gevolgen voor de kenmerken en waarden van dit gebied.
In afwijking van het zevendezesde lid, onder b en c, kan uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein alleen worden toegelaten in een globaal aangegeven Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied, als dit gebied ook in een aandachtsgebied valt en in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet leidt tot nadelige gevolgen voor de kenmerken en waarden van het Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied.
YYY
Artikel 5.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan wordt een nieuw verblijfsrecreatieterrein of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein alleen toegelaten in stedelijk gebied. In de motivering bij het omgevingsplan wordt aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 3, B tot en met D, opgenomen uitgangspunten.
Het eerste lid is niet van toepassing, als:
Het eerste lid is niet van toepassing op een nieuw verblijfsrecreatieterrein dat gerealiseerd wordt in de vorm van een nieuw landgoed en buitenplaats als bedoeld in artikel 5.10.
In afwijking van het eerste lid kan uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten stedelijk gebied, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 3, A tot en met D, opgenomen uitgangspunten.
In afwijking van het eerste lid kan uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten stedelijk gebied, als in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 3, A tot en met D, opgenomen uitgangspunten.
In afwijking van het eerste lid kan een nieuw verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten stedelijk gebied, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de voor aandachtsgebiedende aandachtgebieden geldende uitgangspunten in bijlage IV, onder 4.
ZZZ
Artikel 5.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden regels opgenomen waarmee wordt verzekerd dat een standplaats die of bouwwerk dat wordt gebruikt voor recreatief nachtverblijf wordt verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie. Deze regels worden ook opgenomen in volgende wijzigingen van het omgevingsplan.
Het eerste lid is ook van toepassing op de wijziging van een omgevingsplan waarin al regels zijn opgenomen over een centraal bedrijfsmatige exploitatie.
Een ontheffing van het eerste lid wordt alleen verleend als:
de ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen de begrenzing van de badplaatsen Cadzand-Bad, Breskens, Vlissingen, Zoutelande, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle, Vrouwenpolder, Burgh-Haamstede en Renesse; en
de ontwikkeling een bijdrage levert aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit, de leefbaarheid, de herstructurering en de gewenste ontwikkelruimte van de desbetreffende badplaats, hetgeen wordt onderbouwd in een door de gemeenteraad vastgestelde ruimtelijke visie op de desbetreffende badplaats; en
de desbetreffende gemeente een door gedeputeerde staten geaccordeerde programmering hanteert en publiceert, waarbij geplande en gerealiseerde aantallen per locatie per jaar in beeld worden gebracht.
Een omgevingsplan voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein bevat regels die duurzaam beheer en onderhoud van het terrein borgen.
AAAA
Artikel 5.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een kleinschalig kampeerterrein laat niet meer dan 35 kampeermiddelen toe, waarvan ten hoogste 20% permanent met een maximum van 5.
Het eerste lid geldt niet voor bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is vereist.
In afwijking van het eerste lid mag de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met het eerste lid, worden gecontinueerd.
In een omgevingsplan dat betrekking heeft op nieuwvestiging of uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein zoals bedoeld in het eerste lid wordt in de motivering aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 1, B tot en met D (binnen de kustzone) opgenomen uitgangspunten, dan wel aan de in bijlage IV, onder 3, B tot en met D (buiten de kustzone), opgenomen uitgangspunten en dat er gezorgd wordt voor een goede landschappelijke inpassing, waarbij de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap.
In afwijking van het eerste lid mag de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met het eerste lid, worden gecontinueerd.
BBBB
Artikel 5.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 5.285.37, eerste lid, wordt een omgevingsvergunning niet geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, viel, en:
het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn;
het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven die de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken, indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;
de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was, van uitsluitend melkrundvee het aantal dieren hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;
het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a;
het aantal dieren dat wordt gehouden overeenkomstig de regels, die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van biologische productiemethoden, hoger is dan bedoeld onder a; of
het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer, hoger is dan bedoeld onder a.
In afwijking van artikel 5.285.37, eerste lid, wordt een omgevingsvergunning ook niet geweigerd, indien in de veehouderij dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.
CCCC
Artikel 5.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van Artikel 5.27 artikel 5.37.Lid 2, wordt de omgevingsvergunning niet geweigerd, als:
de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding:
zou mogen veroorzaken als de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde; of
op grond grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, als deze lager is dan de ammoniakemissie, bedoeld onder 2;
in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij melkrundvee werd gehouden, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;
de uitbreiding schapen of paarden betreft;
de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van biologische productiemethoden; of
de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.
Voor het bepalen van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken, wordt de ammoniakemissie van de dieren waarvoor eerder omgevingsvergunning is verleend met toepassing van het eerste lid, onder b tot en met e, of artikel 5.295.38, eerste lid, onder c tot en met f, niet meegerekend.
DDDD
Artikel 5.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een beperkingengebied met betrekking tot een regionale waterkering, wordt gewaarborgd dat bij het toelaten van een activiteitactiviteiten gewaarborgd dat er geen belemmering ontstaatbelemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud, de veiligheid of de versterking van de regionale die waterkering.
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een in een waterschapsverordening aangewezen gebied grenzend aan een regionale waterkering waar ter bescherming van een regionale waterkering regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die waterkering, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
EEEE
Artikel 5.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan kan voorzien in het versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied door de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten en niet aansluitend aan stedelijk gebied als sprake is van:
a. het doen vervallen van de functie wonen van een gelijk aantal woningen in het omgevingsplan elders buiten stedelijk gebied; of
b. het in stand houden van een cultuurhistorisch waardevol gebouw, door:
i. het benutten van een cultuurhistorisch waardevolle voormalige agrarische boerderij als bedoeld in bijlage VII; of
ii. het benutten van een gebouw dat geregistreerd staat als rijks- of gemeentelijk monument; of
iii. het benutten van een gebouw dat niet valt onder i of ii, indien op basis van een onafhankelijk advies dat gebouw als cultuurhistorisch is aangemerkt.
De motivering van een omgevingsplan geeft inzicht in de cultuurhistorische waarde van een aanwezige traditionele windmolen.
Een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid dient te voldoen aan de volgende randvoorwaarden:
a. de nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving; en
b. het ontwerp van de nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie en de situering op het bouwvlak sluiten aan bij het karakter van het landschap, de bestaande bebouwing op het bouwvlak en mogelijke cultuurhistorische waarden.
Een omgevingsplan garandeert in voldoende mate de vrije windvang van de molen en neemt het volgende in acht:
binnen een straal van 100 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de traditionele windmolen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan het laagste punt van de verticaal staande wieken; en
binnen een straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de traditionele windmolen, wordt een zekere mate van vrije windvang gewaarborgd.
Een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid onder sub b dient voorts te voldoen aan de volgende randvoorwaarden:
a. de realisatie draagt bij aan de instandhouding van het cultuurhistorisch waardevolle gebouw; en
b. alle ongewenste en in onbruik geraakte bebouwing op het bouwvlak wordt gesloopt; en
c. de bestaande functie van het bouwvlak wordt beëindigd en omgezet naar de functie wonen indien van toepassing.
Het tweede lid is niet van toepassing op:
bestaand gebruik en bestaande bebouwing;
het toelaten van een bouwwerk dat, gezien vanuit de molen, aan de achterzijde van bestaande bebouwing wordt opgericht en waarbij de hoogte en de breedte blijft binnen de hoogte en de breedte van de bestaande bebouwing waarachter het bedoelde bouwwerk wordt opgericht; en
het toelaten van een bouwwerk dat strekt ter vervanging van bestaande bebouwing, voor zover de bebouwingsmogelijkheden, in overeenstemming met het omgevingsplan waarin de bestaande bebouwing is toegelaten, niet worden vergroot.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder c, kunnen meer bebouwingsmogelijkheden worden geboden als in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen nadelige effecten zullen optreden voor de windvang en de cultuurhistorische waarde van de molen.
FFFF
Na artikel 5.46 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Een omgevingsplan kan voorzien in het versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied door de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten stedelijk gebied, als:
a. sprake is van ongewenste of in onbruik geraakte bebouwing buiten en niet aansluitend aan stedelijk gebied; en
b. alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen van het bouwvlak wordt gesloopt, tenzij het gaat om een monumentale- of cultuurhistorisch waardevolle voormalige agrarische boerderij zoals opgenomen in bijlage VII; en
c. sloop en het voorkomen van heroprichting van de te slopen bedrijfsbebouwing worden gewaarborgd; en
d. maximaal drie woningen worden gerealiseerd:
i. op het betrokken bouwvlak; of
ii. aansluitend aan stedelijk gebied; of
iii. in of aansluitend aan een bebouwingslint.
De realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid wordt gecompenseerd door per woning ten minste het oppervlak te slopen van:
a. 500 m2 schuur;
b. 0,5 ha glas; of
c. andere bebouwing van een vergelijkbare grootte.
Het omgevingsplan kan uitsluitend afwijken van de in het tweede lid genoemde sloopnormen, van het maximum van drie woningen (lid 1 sub d) of van de verplichting tot volledige sloop (lid 1 sub b), wanneer aan onderstaande voorwaarden is voldaan:
a. een onafhankelijk financieel rapport toont aan dat uitvoering volgens het tweede lid niet haalbaar is; en
b. de afwijking van deze voorwaarden blijft beperkt tot het minimum dat nodig is om het plan kostendekkend te maken; en
c. het plan voorziet in een goede landschappelijke inpassing.
De motivering van een omgevingsplan geeft inzicht in de cultuurhistorische waarde van een aanwezige traditionele windmolen.
Een omgevingsplan garandeert in voldoende mate de vrije windvang van de molen en neemt het volgende in acht:
binnen een straal van 100 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de traditionele windmolen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan het laagste punt van de verticaal staande wieken; en
binnen een straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de traditionele windmolen, wordt een zekere mate van vrije windvang gewaarborgd.
Het tweede lid is niet van toepassing op:
bestaand gebruik en bestaande bebouwing;
het toelaten van een bouwwerk dat, gezien vanuit de molen, aan de achterzijde van bestaande bebouwing wordt opgericht en waarbij de hoogte en de breedte blijft binnen de hoogte en de breedte van de bestaande bebouwing waarachter het bedoelde bouwwerk wordt opgericht; en
het toelaten van een bouwwerk dat strekt ter vervanging van bestaande bebouwing, voor zover de bebouwingsmogelijkheden, in overeenstemming met het omgevingsplan waarin de bestaande bebouwing is toegelaten, niet worden vergroot.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder c, kunnen meer bebouwingsmogelijkheden worden geboden als in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen nadelige effecten zullen optreden voor de windvang en de cultuurhistorische waarde van de molen.
GGGG
Het opschrift van artikel 5.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHH
Het opschrift van artikel 5.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIII
Het opschrift van artikel 5.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJ
Het opschrift van artikel 5.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKK
Het opschrift van artikel 5.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLL
Artikel 5.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.41
artikel 5.52
en a artikel 5.425.53 gelden niet voor:
het verrichten van activiteiten op een bedrijventerrein buiten de stiltegebieden a en b, dat op 1 februari 1999 was toegelaten krachtens een bestemmingsplan, een uitwerkings- of wijzigingsplan of een vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals deze gold tot 1 juli 2008;
mobiele activiteiten die onderdeel zijn van een agrarische activiteit;
laad- en losactiviteiten van scheepsvaart;
"windenergie concentratielocatie" als bedoeld in artikel 5.115.20;
bestaande wegen door stiltegebieden a en b;
activiteiten als bedoeld in de paragraaf 2.3.2, waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is;
maximaal drie evenementen per jaar waarbij sprake is van versterkt geluid, voor zover het stiltegebieden b betreft;
voor het onderhoud van het gebied inclusief dijkwerkzaamheden of andere werkzaamheden aan of ten behoeve van waterkeringen in het gebied of in de directe omgeving van het gebied, of de in het gebied aanwezige bouwwerken en andere constructies met de daartoe geëigende middelen; en
de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken, telecommunicatiewerken en openbare energievoorziening als deze activiteiten niet structureel plaatsvinden of geen vergunning op basis van de Omgevingswet noodzakelijk is.
MMMM
Het opschrift van artikel 5.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNN
Het opschrift van artikel 5.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOO
Het opschrift van artikel 5.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPP
Het opschrift van artikel 5.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQ
Artikel 5.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het waterschapsbestuur en gedeputeerde staten voeren periodiek overleg over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma.
Het waterschapsbestuur zendt jaarlijks een verslag aan gedeputeerde staten over de uitvoering van het waterbeheerprogramma in het voorgaande jaar.
Het verslag bevat in elk geval informatie over:
de voortgang met het oog op gestelde omgevingswaarden voor regionale wateren;
voor zover van toepassing: actualisatie van peilbesluiten; en
de uitoefening van taken met betrekking tot wateractiviteiten bestaande uit het onttrekken van grondwater of het in de bodem brengen van water in samenhang met het onttrekken van water, gelet op artikel 5.505.61.
RRRR
Het opschrift van artikel 5.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSS
Het opschrift van artikel 5.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTT
Het opschrift van artikel 5.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUU
Het opschrift van artikel 5.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVV
Het opschrift van artikel 5.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWW
Het opschrift van artikel 5.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXX
Het opschrift van artikel 5.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYY
Het opschrift van artikel 5.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZ
Na paragraaf 5.3.3 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
AAAAA
Het opschrift van paragraaf 5.3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBB
Het opschrift van artikel 5.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCC
Het opschrift van artikel 5.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDD
Het opschrift van artikel 5.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEE
Het opschrift van artikel 5.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFF
Het opschrift van artikel 5.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGG
Artikel 5.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 5.585.73 bevat een faunabeheerplan over duurzaam beheer van populaties en schadebestrijding op basis van omgevingsvergunningen in ieder geval per diersoort:
een beschrijving van het planmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties en de bestrijding van op basis van omgevingsvergunningen van in het wild levende dieren;
kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarvoor een duurzaam beheer of bestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;
een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van de onder b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van schade aan de belangen bedoeld in 8.74j, tweede lid, artikel 8.74k, tweede lid en artikel 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving die zouden worden geschaad indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan;
een beschrijving van de mate waarin de onder c bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;
de huidige en gewenste stand van de onder b bedoelde diersoorten;
per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de maatregelen die zullen worden genomen om de gewenste stand, bedoeld onder e, te bereiken;
per diersoort en gewas een beschrijving van de maatregelen die in de onder d bedoelde periode zijn verricht om het schaden van de onder c bedoelde belangen te voorkomen, en, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die maatregelen;
een omschrijving van passende en doeltreffende preventieve maatregelen en de mate waarin deze maatregelen moeten worden ingezet voordat mag worden overgegaan tot bestrijding;
voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;
een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de onder f bedoelde maatregelen zullen plaatsvinden;
voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn; een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de onder f bedoelde maatregelen;
een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen maatregelen zal worden bepaald; en
informatie, op basis van gegevens gebaseerd op, afkomstig uit of terug te leiden tot wetenschappelijke gegevens van universitaire organisaties of gekende onderzoek- of kennisinstellingen en de daaruit voortvloeiende inzichten, waaruit blijkt dat een gunstige staat van instandhouding van de onder b bedoelde diersoorten wordt gewaarborgd.
HHHHH
Artikel 5.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 5.585.73 bevat het faunabeheerplan over schadebestrijding op basis van vergunningvrije gevallen in ieder geval per diersoort:
een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde bestrijding van schadeveroorzakende dieren;
kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarvoor sprake is van schadebestrijding, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; en
een beschrijving van de maatregelen die binnen de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan zijn verricht om het schaden van de in de betreffende vergunningvrije gevallen bedoelde belangen te voorkomen, waaronder het, naar soort onderscheiden, aantal gedode dieren en, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die maatregelen.
IIIII
Artikel 5.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 5.585.73 bevat het faunabeheerplan over de uitoefening van de jacht:
een beschrijving van de vormen van jacht die in Zeeland worden beoefend;
kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarop wordt gejaagd, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden;
een overzicht van het gerealiseerde afschot per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden;
JJJJJ
Het opschrift van artikel 5.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKK
Artikel 8.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een melding of kennisgeving van een activiteit op grond grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 die voor de inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om de activiteit zonder melding te verrichten van toepassing is, als een melding van die activiteit.
Een melding of kennisgeving van een activiteit op grond grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 die voor de inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt, als voor die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verplichting geldt om informatie te verstrekken, als het verstrekken van die informatie.
Een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, geldt, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om zonder melding de activiteit te verrichten van toepassing is, als een melding van die activiteit.
Een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 geldt als een maatwerkvoorschrift op grond grond van deze verordening.
LLLLL
Artikel 8.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De ontheffingen op grond van artikel 4.4.2.1 van de Provinciale milieuverordening Zeeland die zijn verleend aan de Stichting Arjaan de Schipper Trofee en de Stichting Zeeuwse Dag van het Paard worden gelijkgesteld met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.1792.181.
MMMMM
Artikel 9.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNN
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begrippenlijst
bedrijf voor het telen van gewassen, met inbegrip en/of het houden van aquacultuurdieren;
bouwwerk behorend bij een agrarisch bedrijf, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen en drink- en voederbakken;
bedrijf dat zich geheel of in overwegende mate richt op onderzoek naar nieuwe agrarische gewassen en verbetering van bestaande agrarische gewassen voor de agrarische sector;
teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen;
baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
onderneming die is gericht op het vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen van goederen dan wel op het verlenen van diensten waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt en niet zelfstandig onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop of levering van ter plaatse vervaardigde bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;
gezamenlijke oppervlakte van vaste vloeren in gebouwen en andere bouwwerken geen gebouw zijnde, met inbegrip van mestdoorlatende vloeren, die worden of kunnen worden gebruikt voor de huisvesting van dieren ten behoeve van intensieve veehouderij, waaronder begrepen de hok- of stalruimten, inclusief scheidingswanden en gangpaden;
terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en nietcommerciële dienstverlening en industrie;
opgaande gewassen bestaande uit bomen of struiken;
gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening in een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten;
op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen;
op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening krachtens een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten intensieve veehouderij;
op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening krachtens een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten neventak;
uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies;
haven voor de binnenvaart die niet onmiddellijk aan zee of aan de Westerschelde grenst;
schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet;
geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid waar volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
buisleiding voor het transport van gas of vloeistof en leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën;
via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanige exploitatie dat daarbij gedurende het jaar, in verschillende perioden, aan verschillende personen die hun hoofdverblijf elders hebben, recreatieve verblijfsmogelijkheden worden geboden;
ontwikkeling van een bedrijf op een termijn van 10 jaar;
gebruik van gronden of bouwwerken op een perceel van 5 hectare of groter en dat in hoofdzaak in gebruik is voor verwerking, uitwisseling en opslag van data. Hieronder wordt in ieder geval een data- en rekencentrum verstaan waar ondersteuning wordt gegeven voor dataverkeer of dataopslag en waar andere activiteiten worden verricht om dit functioneel te ondersteunen.
bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
éénmalige of ten hoogste 3 keer per jaar terugkerende publieke gebeurtenis op het gebied van ontspanning, kunst of cultuur;
gedeputeerde staten van Zeeland;
in wedstrijdverband, ter voorbereiding op wedstrijden of voor recreatieve doeleinden gebruiken van gemotoriseerde luchtvaartuigen, zoals modelvliegtuigen, ultra lichte vliegtuigen, microlight aeroplanes, schermvliegtuigen, paramotorvliegen, met uitzondering van zweeftoestellen;
stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer;
bedrijf gericht op de teelt of veredeling van gewassen geheel of nagenoeg geheel met behulp van kassen;
het inbedden van nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied waardoor deze aansluiten bij het karakter van het landschap en wordt voorzien in een brede afschermende groengordel ten behoeve van biodiversiteit en landschap, waarbij maatwerk mogelijk is.
grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
werk in de bodem, met inbegrip van palen, damwanden en folies;
degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
een als zodanig in een door gedeputeerde staten geaccordeerd regionaal bedrijventerreinenprogramma aangegeven bedrijventerrein, wat door de ligging, ontsluiting en het economisch belang ontwikkelingspotentie heeft;
kantoor met meer dan 1000 m² bruto vloeroppervlak waar niet-kantoorfuncties geen substantieel onderdeel uitmaken van het gebouw of de gebouwen;
detailhandelsvoorziening met een bruto vloeroppervlak van 1500 m² of meer;
gebruik van gronden of bouwwerken op een perceel van 5 hectare of groter en dat in hoofdzaak in gebruik is voor logistieke- of distributieactiviteiten, met een door de aard en schaal van de activiteiten hoge verkeersaantrekkende werking en impact op de omgevingskwaliteit;
niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat zich toelegt op de teelt van slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren, waarbij de teelt plaatsvindt zonder of nagenoeg zonder weidegang, met uitzondering van een biologische veehouderij;
haven die naar zijn aard en inrichting bedoeld en geschikt is voor het in hoofdzaak aanleggen van pleziervaartuigen, met bijbehorende voorzieningen;
een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan , tenthuisje of stacaravan of enig ander onderkomen of (ondersteunend) bouwwerk of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover het onderkomen of (ondersteunend) bouwwerk of voertuig geheel of ten dele blijvend is bestemd of opgericht, of wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf en waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben, niet zijnde een recreatiewoning. Het kan een niet-permanent kampeermiddel of permanent kampeermiddel zijn;
gebouw van glas of ander lichtdoorlatend materiaal voor de teelt of veredeling van tuinbouwgewassen, fruitteelt of sierteelt;
binnen het centrum van een kern gelegen gebied waarin detailhandelsvoorzieningen zijn geconcentreerd;
een klein schip als bedoeld in artikel 1.01 van het Binnenvaartpolitiereglement
bedrijventerrein dat geen grootschalig bedrijventerrein is;
kampeerterrein dat in gebruik is als neventak bij een agrarisch bedrijf of bij een ander bedrijf of behorend bij een woningburgerwoning in het landelijk gebied;
civieltechnisch bouwwerk dat dient om een weg of verkeersbaan over een andere weg of verkeersbaan, een spoorweg, een vaarweg of ander oppervlaktewaterlichaam heen, of daaronder door, te voeren;
in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde actuele kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast;
kwaliteitsklasse wonen als bedoeld in artikel 29 van het Besluit bodemkwaliteit;
telcijfers, trendtellingen, inschattingen en afschotcijfers voor de in het faunabeheerplan beschreven diersoorten en op basis hiervan een analyse van de populatietrend;
tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd;
in wedstrijdverband, ter voorbereiding op wedstrijden of voor recreatieve doeleinden gebruiken van voer- of vaartuigen met verbrandingsmotoren of modelvliegtuigen en het beoefenen van de schietsport met vuurwapens in de open lucht;
Een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van gemechaniseerd loonwerk in het landelijk gebied, aan agrarische bedrijven, overheden en natuurorganisaties, zoals het uitvoeren van agrarisch loonwerk, cultuurtechnische werken, natuurbouw, grondverzet of soortgelijke dienstverlening, met inbegrip van een strategische werkvoorraad aan hulp-, bouw-, grond- of reststoffen (in verband met circulariteit). Hieronder valt in ieder geval niet het bewerken of opslaan van mest of het verrichten van werkzaamheden in de weg- en waterbouw;
kadeterrein dat bestemd en geschikt is voor het laden en lossen van schepen;
luchtkussenvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Besluit luchtkussenvoertuigen Wet geluidhinder;
motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;
voorziening ter bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer;
bedrijfsonderdeel dat qua omvang en arbeidsinzet en gelet op de inkomsten die daaruit redelijkerwijs kunnen worden verworven niet als hoofdtak kan worden aangemerkt, of een activiteit waaruit de betrokkene niet het hoofdinkomen verwerft;
een kampeermiddel, niet zijnde een bouwwerk, zoals een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
kwaliteiten die van belang zijn voor een goede leefomgeving, bij de beschrijving waarvan tenminste de navolgende aspecten in beschouwing worden genomen: luchtkwaliteit, stank, geluid, lichtvervuiling, veiligheid, bodem- en waterkwaliteit - waterbodems en grondwater daaronder begrepen -, waterkwantiteit, ecologische en natuurlijke kwaliteit, landschappelijke en beeldkwaliteit, cultuurhistorische kwaliteit, bereikbaarheid en sociale kwaliteit.
afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht;
openbare weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 1 van de Wegenwet;
samenstel van bouwwerken of een andere constructie voor het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon, geplaatst op of boven de grond of een oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van zonnepanelen op daken;
een eenvoudig verplaatsbaar en/of seizoensgebonden demontabel kampeermiddel zijnde een bouwwerk inclusief ondersteunend bouwwerk, zoals een glampingtent, yurt, tenthuis, stacaravan, trekkershut of chalet. Op een kleinschalig kampeerterrein heeft een permanent kampeermiddel een maximale oppervlakte van 55 m2
Provinciale Staten van Zeeland;
openbare weg in beheer bij de provincie, met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort;
gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor recreatief nachtverblijf en gebouwen voor recreatief dagverblijf waar dranken worden geschonken of eet- en drinkwaren voor consumptie worden bereid of verstrekt;
de mate waarin een bedrijf of activiteit een meerwaarde oplevert voor de economie en maatschappij in de regio, gelet op de herkomst van het bedrijf, werkgelegenheid, arbeidsmarkt, kennisinfrastructuur, plaats in regionale waardeketens, ruimtelijk economisch profiel van de regio, gebruik van regionale infrastructuur en afzetmarkt;
In bijlage XIII bij deze verordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen als bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, onder a, van de wet, die in beheer zijn bij het waterschap;
damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft;
schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet;
volwaardig glastuinbouwbedrijf dat is gevestigd buiten een concentratiegebied;
niet op bedrijventerreinen geclusterde bedrijven die volgens het omgevingsplan zijn toegelaten binnen bestaand stedelijk gebied, met inbegrip van detailhandels- en horecabedrijven;
in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen; De begrenzing van het stedelijk gebied is opgenomen in de Geo Viewer van de Provincie Zeeland en te raadplegen op https://kaarten.zeeland.nl/map/ovz
kenmerkende Zeeuwse producten die op Zeeuwse grond of in Zeeuwse wateren zijn geteeld en bedoeld voor consumptie;
taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12;
toestel dat bij gebruik anders dan door menselijke energie geluidhinder kan veroorzaken, een luchtvaartuig daaronder niet begrepen;
molen die in vroeger tijden was bedoeld voor bemaling voor waterbeheer, het malen van granen of overige ambachtelijke werkzaamheden, waarbij het gaande werk nog volledig of in overwegende mate intact is;
getal van vier cijfers dat een gevaarlijke stof identificeert tijdens het transport, zoals vastgelegd in de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods van de Verenigde Naties;
overheidszorg gericht op de instandhouding, bereikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;
treffen van maatregelen die verder gaan dan hetgeen bij of krachtens de wet is voorgeschreven voor milieu en dierenwelzijn en die strekken tot milieuwinst en het versterken van omgevingskwaliteiten;
bestrijding van ganzen die op het schadeperceel aanwezig zijn of invallen;
verhardingsconstructie van een hoofdrijbaan, parallelweg, fiets- of voetpad;
onderneming als bedoeld in 1.2.1 van deel 1 van het Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb. 2001, 67);
vuurwapen als bedoeld artikel 1, onder 3°, van de Wet wapens en munitie;
bevoegd bestuursorgaan van Waterschap Scheldestromen;
waterscooter als bedoeld in artikel 1.01, onder A, onder 18°, van het Binnenvaartpolitiereglement;
Omgevingswet.
terrein dat onderdeel is van het beheergebied van North Sea Port.
OOOOO
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lijst met geometrieën:
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_0702107b6cb34f1bb7dd30dacfd43a96/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_1b385cf8a5eb4cccaeb25dda8820012c/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_55dcde577ec445c8b1004f059811b501/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_64886cedeb424cfcb3edd66c83b00698/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_3811c938d5b84a4cab4fea7bb7ce09e4/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_63f130c04d114e549d2c40a0414ce4c0/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_098ea17f74fe4e58b45d4367d555d1aa/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_50ddfc0874a74799abf522de4df5d924/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_18e32d30551b4792bf4155f77d7cdc32/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_6709c96067b84d06915386a76f82746a/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_3fcbaf51812f4302a832cbebcd2d4df7/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_5a60caad29844b7a9ce75784eefa66a7/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_3502325d1ba64b35aba9f6fef2f1fb5f/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_a306e5660e9b49c7b341cb1a03557d95/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_a4c68c8739fb4509b3cd566fac3782a2/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_b2158aadeefa428395ef92b0f604fc93/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_c1a05e89e6b84cf1be9f16dd4bfb4c73/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_3d0a619768504e1eac0ec180ceebbee5/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_18dfee7db72245ecb5d5731ac324d998/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_c6fd0b560e4b4e18997356357e747970/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_17f561017c0b476da6c3ba6c9291c5f3/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_940adf321d134b9288c92d06b672cae9/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2025/locatiegroep_6caa5d3737db48d4a8d4160728cd9f61/nld@2025‑12‑17;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_db4441f8dc6940b99053e98fcbd07d15/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_c24773a918084019b7b52ad920b9ceae/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/norm_28abf4eaca7349f9a96f79c52e8fc155/nld@2024‑12‑23;2
/join/id/regdata/pv29/2023/norm_28abf4eaca7349f9a96f79c52e8fc155/nld@2025‑12‑18;3
/join/id/regdata/pv29/2023/norm_f5de3acd890b48a699563d16257a7847/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_abed7301f8cb4c8a85f276bf5f54b5b0/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_df7be5f3b13d49259e93933a1c061420/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_7e2d7811fcff4a7885692bc3d31de7e8/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2024/locatiegroep_1f0303ae8114491795ed3358286c7dfc/nld@2024‑12‑20;1
/join/id/regdata/pv29/2024/locatiegroep_1f0303ae8114491795ed3358286c7dfc/nld@2025‑12‑18;2
/join/id/regdata/pv29/2023/locatiegroep_32183d712f3f4e399a360f2b2b6935a2/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_64bc3513dcef493da204f45f40e6559c/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_6e32a2185a454d8d93a209e8209a5825/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_7ae4a862b03d477485995ffe9292a482/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_9d8fde66962c4963904590c62ca093c1/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_bef0aae819594139b0eece476476b0b3/nld@2023‑12‑19;1
PPPPP
Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LANDBOUW VERWANTE ACTIVITEITEN
Activiteit-categorie | Activiteit | Nieuwvestiging |
Verkoop eigen agrarische producten | ||
Agrarische hulpbedrijven | Loonwerkbedrijven | x |
- | Drainagebedrijven | - |
- | Veehandelsbedrijven | x |
- | Toeleverende bedrijven | - |
- | Spermabank | - |
- | Foeragehandel | x |
- | Zaaizaad en pootgoed | x |
- | Opslag agrarische producten | x |
- | Hoefsmederij | - |
Semi-agrarische bedrijven | Hoveniersbedrijven | x |
- | Boomverzorgingsbedrijven | - |
- | Natuur- en landschapsbeheer | - |
- | Tuincentrum | x |
- | Vis/escargot/wormkwekerij | - |
Huisvesting tijdelijke werknemers | - | x |
Zorgboerderij; sociale nevenfunctie op agrarisch bedrijf bv. resocialisatie, therapie, gehandicapten, dagbesteding | - | - |
Zorgwoning behorende bij agrarisch bedrijf | - | - |
OPSLAG: | Caravans, boten, inboedel en overige opslag | - |
Verblijfsrecreatie | Kampeerboerderij | - |
- | Appartementen; verhuur | - |
- | Hotelaccommodatie | - |
Dagrecreatie | Logies met ontbijt | - |
- | Horeca; restaurants, eethuis, ijssalon, theeschenkerij, partycentrum, bezoekerscentrum, paardenpension/-stalling, sauna | - |
- | Verhuur; paarden, fietsen, kano's, trapauto's | x |
- | Manage | x |
- | Overige dagrecreatieve voorzieningen | x |
AAN HUIS-GEBONDEN-BEROEPEN | Individuele paramedische of Therapeutische praktijk | - |
- | Dierenarts | - |
- | Atelier | - |
- | Overige aan huis gebonden beroepen | - |
MEDISCH VERWANTE DIENSTVERLENING | Privékliniek | - |
- | Kuuroord | - |
- | Dierenkliniek | - |
- | Groepspraktijk | - |
OVERIGE DIENSTVERLENING | Cursuscentrum | - |
- | Crèche/Peuterspeelzaal | - |
- | Museum/Tentoonstellingsruimte | - |
- | Dierenasiel/-pension | - |
- | Kapper | - |
- | Computerservicebedrijf | - |
- | Adviesbureau | - |
- | Geluidsstudio | - |
- | Antiekhandel | - |
AMBACHTELIJKE LANDBOUWPRODUCTVERWERKENDE BEDRIJVEN | Slachterij | - |
- | Vleesverwerking | - |
- | Zuivelverwerking | - |
- | Plantaardige producten | - |
- | Imkerij | - |
- | Palingrokerij | - |
- | Wijnmakerij | - |
- | Bierbrouwerij | - |
- | Riet- en vlechtwerk | - |
OVERIGE AMBACHTELIJKE BEDRIJVEN | Bouwbedrijven | - |
- | Schilderbedrijven | - |
- | Installatiebedrijven | - |
- | Elektrotechnische installatiebedrijven | - |
- | Dakdekkersbedrijf | - |
- | Rietdekkersbedrijf | - |
- | Houtzagerij en -schaverij | - |
- | Speeltoestellenfabricage | - |
- | Lasinrichtingen/bankwerkerijen | - |
- | Vervaardiging medische instrumenten en orthopedische artikelen | - |
- | Meubelmakerij/restauratie | - |
- | Vervaardigen en reparatie sieraden | - |
- | Vervaardigen reparatie muziekinstrumenten | - |
- | Spel- en speelgoedfabricage | - |
- | Spinnen en weven van textiel | - |
- | Vervaardigen van textielwaren | - |
- | Kledingvervaardiging | - |
- | Reparatiebedrijven en gebruiksgoederen | - |
- | Pottenbakkerij | - |
- | Natuursteenbewerking/beeldhouwerij | - |
- | Zeefdrukkerij | - |
QQQQQ
Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijven vindt plaats binnen de bestaande (t.b.v. verblijfsrecreatie bestemde) oppervlakte en eenheden van het bedrijf. Een beperkte uitbreiding van maximaal 20% van de bestaande oppervlakte is mogelijk indien het nieuw uit te breiden terrein:
integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap; en
de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap; en
het beheer en onderhoud van het landschap geborgd is; en
er sprake is van een maximale invulling ten behoeve van verblijfsrecreatie op het totale uitbreidingsoppervlakte van 13% (exclusief centrale voorzieningen); en
er sprake is van een maximale invulling van 13% van het totale uitbreidingsoppervlakte ten behoeve van verblijfsrecreatieve eenheden; en
maximaal 20% van het totale terrein mag aan de openbaarheid worden onttrokken (deze maximale maat is vanwege het aspect veiligheid niet van toe passing bij kampeerterreinen); en
de openbaar toegankelijke paden en routestructuren integraal onderdeel uitmaken van het landschap.

Een beperkte uitbreiding van eenheden is mogelijk indien:
er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van het bestaande en toekomstige accommodatie;
er sprake is van een maximale invulling ten behoeve van verblijfsrecreatie op het totale terrein van 13% (exclusief centrale voorzieningen); en
er sprake is van een maximale invulling van 13% van het totale terrein ten behoeve van verblijfsrecreatieve eenheden; en
er maximaal sprake is van 15% uitbreiding van eenheden.

Ruimte voor maatwerkoplossingen is mogelijk als een specifieke situatie daarom vraagt. Hierbij geldt als principe dat bovengenoemde uitgangspunten communicerende vaten zijn. Een hoger percentage landschapsontwikkeling kan bijvoorbeeld gepaard gaan met een hoger percentage (dan 20%)uitbreidingsoppervlakte. Voor bestaande recreatiebedrijven grenzend aan het open agrarisch landschap geldt dat bij een eventuele uitbreiding van het bedrijf de openheid van de gebieden zoveel als mogelijk gewaarborgd dient te blijven.
Ontwikkelingen zijn aantoonbaar economisch uitvoerbaar, vinden plaats op basis van een businessplan en voorzien in een centrale bedrijfsmatige exploitatie als bedoeld in artikel 5.16 artikel 5.26.
In relatie tot markt en onderscheidend vermogen zetten nieuwe ontwikkelen qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept. Hierdoor wordt bijgedragen aan een gedifferentieerd product in de Zeeuwse kust. Het lokale DNA staat hier centraal, waardoor beleving en beleefbaarheid ervan (bv. van landschap, (cultuur)historie) wordt toegevoegd.
Ontwikkelingen zetten qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept. Hierdoor wordt bijgedragen aan een gedifferentieerd product in de Zeeuwse kust. Het lokale DNA en het principe van LAND IN ZEE! Staan hier centraal. Met oog op de dynamiek en verdere vernieuwing in de sector, wordt ingezet op circulair bouwen.
Met het oog op de dynamiek, toekomstbestendigheid en verdere vernieuwing in de sector, wordt ingezet op circulair bouwen en andere verduurzamingsmaatregelen in relatie tot bv. energie, klimaat, water, ...
Investeringen dienen zoveel mogelijk gebruik te maken van de Best Beschikbare Technieken (BBT) in het duurzaam gebruik van energie en materialen en de uitstraling van licht.
Ontwikkelingen leveren een bijdrage aan de werkgelegenheid, behoud van voorzieningen en zijn een toegevoegde waarde voor de (leef)omgeving.
Ontwikkelingen hebben een positieve impact op de leefbaarheid en zijn een toegevoegde waarde voor de (leef)omgeving van inwoners, bv. wat betreft behoud en versterking van voorzieningen, werkgelegenheid, ....
RRRRR
Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aandachtsgebieden als bedoeld in artikel 5.12 artikel 5.22 zijn gebieden waar de oorspronkelijke ruimtelijke kwaliteiten onder druk staan of al (deels) verdwenen zijn. Juist in deze gebieden liggen er kansen om integraal de kwaliteitskust opnieuw te ontwikkelen. In hoofdstuk 5 van deze bijlage zijn de aandachtsgebieden in de kustzone aangeduid.
De ontwikkeling van aandachtsgebieden gebeurt op basis van een gezamenlijk streefbeeld (en gebiedsaanpak), dat door gemeenschappelijke partijenbetrokken stakeholders in het betreffende gebied wordt gedragen. Ook planvorming en realisatie gebeurt op basis van gelijkwaardigheid en samenwerking. Realisatie vindt alleen plaats als er ondernemers willen investeren en betrokken zijn. Naast ondernemers heeft ook de overheid een rol. Als Zij regisseert de overheid partij istotstandkoming van het streefbeeld samen met de overige partijen, begeleidt het proces daartoe en richt zij haar aandachtzich in de eerste plaatsuitvoering op de kwaliteit van de publieke ruimte. Dergelijk streefbeeld bestaat uit een visie op het procesgebied en de publieke ruimteeen ruimtelijke vertaling daarvan op kaart.
Tegenwoordig ligt een groots opgezette gebiedsaanpak, zoals die in het verleden werd uitgevoerd, echter immers niet meer voor de hand. Gewenste ontwikkelingen kunnen daarom vanuit dit streefbeeld met een kleinschalige projectaanpak in kleine stapjes gerealiseerd worden.
In het streefbeeld voor de aandachtsgebieden wordt in ieder geval invulling gegeven aan de ontwikkeling van de landschapsstructuur (landschap produceren), de regionale identiteit en de omvang en dichtheden van bebouwing passen bij de landschapsstructuur. Beheer en onderhoud van landschap moet door een integraal (beheer)plan van het aandachtsgebied worden geborgd. Hiernaast wordt aansluiting gezocht met de omgeving door de verdere ontwikkeling en aansluiting op het recreatieve routenetwerk en infrastructuur. Hekken en afscheidingen worden vermeden en het gebied is zo veel als mogelijk openbaar toegankelijk. Ook wordt invulling gegeven aan de onderdelen B t/m D zoals bedoeld onder 1 van het Ontwikkelkader en de beschreven strategie in de desbetreffende regiovisies van de Zeeuwse Kustvisie.
De recreatieve ontwikkelingsruimte in aandachtsgebieden is geen ‘vrije’ ontwikkelingsruimte. In geval van de ontwikkeling van een nieuwe, verblijfsrecreatieve voorziening moet de ontwikkeling in een aandachtsgebied bijdragen aan het oplossen van verblijfsrecreatieve knelpunten (verplaatsing, sanering) (elders) in de betreffende regio van de Zeeuwse kust of in het betreffende aandachtsgebied als onderdeel van een gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak. Dit geldt ook voor de ontwikkeling van een bestaande, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied (herstructurering).
De recreatieve ontwikkelruimte in aandachtsgebieden is geen ‘vrije’ ontwikkelingsruimte. Zo moet een ontwikkeling (nieuwe dan wel bestaande) verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied bijdragen aan de oplossing van een verblijfsrecreatief knelpunt.
Een verblijfsrecreatief knelpunt gaat altijd over bestaande, fysiek reeds aanwezige verblijfsrecreatieve eenheden van een bestaand bedrijf. In een aandachtsgebied bevindt zich over het algemeen een (te) grote concentratie en druk van (verblijfs)recreatie, wat de draagkracht en ruimtelijke kwaliteit van het betreffende gebied onder druk zet (qua natuur, infrastructuur, landschap), waardoor deze niet meer in balans is met de kwaliteit van het landschap, de natuur en de leefomgeving. Verdere groei van verblijfsrecreatie kan leiden tot verlies van kernkwaliteiten zoals rust, openheid, natuurwaarde of leefbaarheid voor bewoners. Oplossing wordt gezien in het beperken van verdere druk door middel van sanering, verplaatsing dan wel herstructurering van verblijfsrecreatieve eenheden/ontwikkelingen, in balans met genoemde gebiedskwaliteiten.
Het oplossen van andersoortige knelpunten in het aandachtsgebied vormt geen aanleiding voor het toevoegen van extra verblijfseenheden.
Dit betekent dat de ontwikkeling van een nieuwe, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied, moet bijdragen aan het oplossen van verblijfsrecreatieve knelpunten in de vorm van verplaatsing dan wel sanering van verblijfseenheden/verblijfsrecreatief bedrijf in het aandachtsgebied zelf, als onderdeel van een gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak, of elders in de betreffende regio van de Zeeuwse kust.
Bij de ontwikkeling van een bestaande, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied (met toevoeging van verblijfsrecreatieve eenheden) vindt de oplossing van het verblijfsrecreatieve knelpunt plaats, middels herstructurering.
Samenvattend geldt voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen in aandachtsgebieden:
Ontwikkeling | Knelpunt |
Bestaande en/of nieuwe verblijfsrecreatieve ontwikkeling(en) onderdeel van gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak. | Verblijfsrecreatief knelpunt dient of in het aandachtsgebied als onderdeel van het gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak te worden opgelost of elders, |
Nieuwe solitaire, | Verblijfsrecreatief knelpunt dient elders in de Zeeuwse kust opgelost te worden, bij voorkeur binnen of nabij de eigen gemeentegrenzen. |
De uitwerking van dit uitgangspunt is een zaak van partijen gezamenlijk en dient per aandachtsgebied ingevuld te worden.
Combineren van een verscheidenheid aan instrumenten, exploitatie en ontwikkeling op gebiedsniveau kan mogelijkheden bieden om stappen te zetten in de aandachtsgebieden.
Nieuwe solitaire recreatieveverblijfsrecreatieve ontwikkelingen in aandachtsgebieden, los van of vooruitlopend op de gezamenlijke gebiedsaanpak en een ontwikkeld streefbeeld, dienen zich te houden aan de voorwaarden en uitgangspunten van het Ontwikkelkader onderdeel A t/m D zoals bedoeld onder 1. Concreet betekent dit een 1-op-1 koppeling met het bestaande een bestaand verblijfsrecreatief product elders in de betreffende regio vanZeeuwse kust, bij voorkeur binnen of nabij de Zeeuwse kusteigen gemeentegrenzen.
SSSSS
Binnen bijlage IV wordt het volgende opschrift op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTT
Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ontwikkelingen zijn aantoonbaar economisch uitvoerbaar, vinden plaats op basis van een businessplan en voorzien in een centrale bedrijfsmatige exploitatie als bedoeld in artikel 5.16 artikel 5.26.
In relatie tot markt en onderscheidend vermogen zetten ontwikkelingen qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept. Hierdoor wordt bijgedragen aan een gedifferentieerd product in de Zeeuwse kust. Het lokale DNA staat hier centraal, waardoor beleving en beleefbaarheid ervan (bv. van landschap, (cultuur)historie wordt toegevoegd.
Specifiek voor ontwikkeling rondom het Veerse Meer geldt dat de diversiteit dient te worden getoetst voor het Veerse Meer gebied als geheel. Het lokale DNA van het Veerse Meer - o.m. gevat in de beginselen van het plan van Nico de Jonge - staan hier centraal, wat onder meer gekenmerkt wordt door kleinschaligheid, landelijkheid, openheid en natuurlijk inbedding.
UUUUU
Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ontwikkelingen zetten qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept. Hierdoor wordt bijgedragen aan een gedifferentieerd product in het Zeeuwse achterland. Het lokale DNA en het principe van LAND IN ZEE! Staan hier centraal. Met oog op de dynamiek en verdere vernieuwing in de sector, wordt ingezet op circulair bouwen.
Met het oog op de dynamiek, toekomstbestendigheid en verdere vernieuwing in de sector, wordt ingezet op circulair bouwen en andere verduurzamingsmaatregelen in relatie tot bv. energie, klimaat, water, ...
Investeringen dienen zo veel mogelijk gebruik te maken van de Best Beschikbare Technieken (BBT) in het duurzaam gebruik van energie en materialen en de uitstraling van licht.
VVVVV
Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ontwikkelingen leveren een bijdrage aan de werkgelegenheid, behoud van voorzieningen en zijn een toegevoegde waarde voor de (leef)omgeving.
Ontwikkelingen hebben een positieve impact op de leefbaarheid en zijn van toegevoegde waarde voor de (leef)omgeving van inwoners, bv. wat betreft de behoud en versterking van voorzieningen, werkgelegenheid...
WWWWW
Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aandachtsgebieden als bedoeld in artikel 5.13 artikel 5.23 zijn gebieden waar de ruimtelijke kwaliteiten onder druk staan of al (deels) verdwenen zijn en/of een transformatie opgave ligt. De ruimtelijke kwaliteit van een gebied is een optelsom van verschillende kenmerken die de hoedanigheid van een gebied of een plek bepalen, vaak uitgedrukt in de driedeling gebruikswaarde, belevingswaarde, toekomstwaarde. Het benoemen van een aandachtsgebied is mogelijk wanneer er een noodzaak is tot een nieuwe balans hiertussen; er een breed gedragen gebiedsgerichte transformatie opgave ligt en de ontwikkeldruk voor verblijfsrecreatie in het gebied hoog is.
XXXXX
Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
De ontwikkeling van aandachtsgebieden gebeurt op basis van een gezamenlijk streefbeeld (en gebiedsaanpak), dat door gemeenschappelijke partijenbetrokken stakeholders in het betreffende gebied, wordt gedragen. Ook planvorming en realisatie gebeurt op basis van gelijkwaardigheid en samenwerking. Realisatie vindt alleen plaats als er ondernemers willen investeren en betrokken zijn. Naast ondernemers heeft ook de overheid een rol. AlsZij regisseert de overheid partij istotstandkoming van het streefbeeld samen met de overige partijen, begeleidt het proces daartoe en richt zij haar aandachtzich in de eerste plaatsuitvoering van op het proces ende kwaliteit van de publieke ruimte. Dergelijk streefbeeld bestaat uit een visie op het gebied en een ruimtelijke vertaling daarvan op kaart.
Tegenwoordig ligt een groots opgezette gebiedsaanpak, zoals die in het verleden werd uitgevoerd immers, echter niet meer voor de hand. Gewenste ontwikkelingen kunnen daarom vanuit dit streefbeeld met een kleinschalige projectaanpak in kleine stapjes gerealiseerd worden.
In het streefbeeld voor de aandachtsgebieden wordt in ieder geval invulling gegeven aan de ontwikkeling van de landschapsstructuur (landschap produceren), dan wel een beeldkwaliteitsplan (voor havens), de regionale identiteit en de omvang en dichtheden van bebouwing passenpassend bij de landschapsstructuur.
Beheer en onderhoud van landschap moet door een integraal (beheer)plan van het aandachtsgebied worden geborgd. Hiernaast wordt in alle gevallen aansluiting gezocht met de omgeving door de verdere ontwikkeling en aansluiting op het recreatieve routenetwerk en infrastructuur. Hekken en afscheidingen worden vermeden en het gebied is zo veel als mogelijk openbaar toegankelijk. Ook wordt invulling gegeven aan de onderdelen B t/m D van het Ontwikkelkader bedoeld onder 3.
YYYYY
Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
De recreatieve ontwikkelingsruimte in aandachtsgebieden is geen ‘vrije’ ontwikkelingsruimte. In geval van de ontwikkeling van een nieuwe, verblijfsrecreatieve voorziening moet de ontwikkeling in een aandachtsgebied bijdragen aan het oplossen van verblijfsrecreatieve knelpunten (verplaatsing, sanering) elders in de betreffende regio van de Zeeuwse kust. Bij de ontwikkeling van een bestaande, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied (herstructurering) vindt de oplossing van het verblijfsrecreatieve knelpunt al plaats.
De recreatieve ontwikkelingsruimte in aandachtsgebieden is geen ‘vrije’ ontwikkelingsruimte. Zo moet een ontwikkeling van een (nieuwe dan wel bestaande) verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied bijdragen aan de oplossing van een verblijfsrecreatief knelpunt.
Een verblijfsrecreatief knelpunt gaat altijd over verblijfsrecreatieve eenheden van een bestaand bedrijf. In een aandachtsgebied bevindt zich over het algemeen een (te) grote concentratie en druk van (verblijfs)recreatie, wat de draagkracht en ruimtelijke kwaliteit van het betreffende gebied onder druk zet (natuur, infrastructuur, landschap), waardoor deze niet meer in balans is met de kwaliteit van het landschap, de natuur en de leefomgeving. Verdere groei van verblijfsrecreatie kan leiden tot verlies van kernkwaliteiten, zoals rust, openheid, natuurwaarde of leefbaarheid voor bewoners. Oplossing wordt gezien in het beperken van verdere druk door middel van sanering, verplaatsing dan wel herstructurering van verblijfsrecreatieve eenheden/ontwikkelingen, in balans met genoemde gebiedskwaliteiten.
Het oplossen van andersoortige knelpunten in het aandachtgebied vormt geen aanleiding voor het toevoegen van extra verblijfseenheden.
Dit betekent dat de ontwikkeling van een nieuwe, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied, moet bijdragen aan het oplossen van verblijfsrecreatieve knelpunten in de vorm van verplaatsing dan wel sanering van verblijfseenheden / verblijfsrecreatief bedrijf in het aandachtsgebied zelf, als onderdeel van een gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak, of elders in de betreffende regio.
Bij de ontwikkeling van een bestaande, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied (met toevoeging van verblijfsrecreatieve eenheden) vindt de oplossing van het verblijfsrecreatieve knelpunt plaats, middels herstructurering.
Combineren van een verscheidenheid aan instrumenten, exploitatie en ontwikkeling op gebiedsniveau kan mogelijkheden bieden om stappen te zetten in de aandachtsgebieden.
ZZZZZ
Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedetailleerde weergave van de gebieden op deze kaart is beschikbaar via https://kaarten.zeeland.nl/map/ovz


AAAAAA
Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aandachtsgebieden zijn gedefinieerd als gebieden waar de ruimtelijke kwaliteiten onder druk staan of al (deels) zijn verdwenen. Vaak worden ze gedomineerd door (recreatieve) bebouwing en behoeven die een impuls. Het landschap vormt in alle gevallen de drager van de totale ruimtelijke structuur. Uitzondering hierop wordt gevormd door aandachtsgebieden en gebiedsdelen die zijn geconcentreerd rondom een jachthaven waar de (inrichting van de) publieke ruimte en de daar aan of in gelegen voorzieningen de drager vormtvormen van de ruimtelijke structuur van dat gebied.
BBBBBB
Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
De uitwerking en uitvoering van de kwaliteitsimpulsen in een aandachtsgebied gebeurt onder regie van de gemeente. Samen met de betrokken partijen wordt een gezamenlijk gedragen streefbeeld en gebiedsaanpak opgesteld. Naast ondernemers heeft ook de overheid een rol. Zij regisseert de totstandkoming van het streefbeeld samen met de overige partijen, begeleidt het proces daartoe en richt zich in de uitvoering op de kwaliteit van de publieke ruimte. Dergelijk streefbeeld bestaat uit een visie op het gebied en een ruimtelijke vertaling daarvan op kaart. Gewenste ontwikkelingen kunnen vanuit dit streefbeeld met een kleinschalige projectaanpak gerealiseerd worden.
In het streefbeeld voor de aandachtsgebieden wordt in ieder geval invulling gegeven aan de ontwikkeling van de landschapsstructuur (landschap produceren) dan wel aan de ontwikkeling van de openbare ruimte (indien gebied geconcentreerd rondom jachthaven). De regionale identiteit en de omvang en dichtheden van bebouwing passen bij de landschapsstructuur, volgens de betreffende gebiedstypologie en bouwsfeer. Het landschap dan wel openbare ruimte in het aandachtsgebied worden beheerd middels een integraal plan. Hiernaast wordt aansluiting gezocht met de omgeving o.m. door de verdere ontwikkeling van en aansluiting op het recreatieve routenetwerk en infrastructuur.
CCCCCC
Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het Veerse Meer gebied kent veel verschillende typen van ondernemers (met invloed op de ruimtelijke kwaliteit). Denk aan recreatie- en horecaondernemers en ondernemers in de landbouw, visserij, aquacultuur, plezier- en beroepsvaart. Kwaliteit(verbetering) moet voor elke onderneming het uitgangspunt vormen. Gezien de hoge recreatieve druk en de slechte staat van instandhouding van het Natura 2000-gebied geldt echter zowel voor verblijfs- als dagrecreatieve ontwikkelingen wel een specifieke context.
Wat dagrecreatie betreft werken de partijen aan een versterking van de aantrekkelijkheid van het gebied voor bewoners en gasten. Mogelijkheden voor dagrecreatie vergroten en leveren een bijdrage aan de lokale economie en leefbaarheid. Ontwikkelingsmogelijkheden zijn er, mits de activiteiten aansluiten op het karakter van Zeeland en het Veerse Meer en qua aard en schaal passen bij de locatie en gericht zijn op een innovatief en hoogwaardig concept en een gedifferentieerd product in het gebied. Ook bij permanente (nieuwe) dagrecreatieve ontwikkelingen staat kwaliteitsverbetering – of toevoeging niet op zichzelf, maar is het (onderdeel van) een integrale gebiedsontwikkeling op basis van een gedragen streefbeeld binnen een aandachtsgebied [1].
Specifiek voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen geldt dat deze moeten voldoen aan het ontwikkelkader in onderdeel 5 van deze bijlage (B-D).
De ontwikkelruimte is bovendien geen 'vrije' ontwikkelingsruimte. In alle gevallen moet de verblijfsrecreatieve ontwikkeling in een aandachtsgebied bijdragen aan het oplossen van verblijfsrecreatieve knelpunten (herstructurering, verplaatsing, sanering) (elders) in het gebied of in het betreffende aandachtsgebied als onderdeel van een gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak. Dit geldt ook voor de ontwikkeling van een bestaande verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied (herstructurering). De uitwerking van dit uitgangspunt is een zaak van partijen gezamenlijk en dient per aandachtsgebied ingevuld te worden.
Een verblijfsrecreatief knelpunt gaat over verblijfsrecreatieve eenheden van een bestaand bedrijf. In een aandachtgebied bevindt zich over het algemeen een (te) grote concentratie en druk van (verblijfs)recreatie, wat de draagkracht en ruimtelijke kwaliteit van het betreffende gebied onder druk zet (qua natuur, infrastructuur en landschap), waardoor deze niet meer in balans is met de kwaliteit van het landschap, de natuur, en de leefomgeving. Verdere groei van verblijfsrecreatie kan leiden tot verlies van kernkwaliteiten zoals rust, openheid, natuurwaarde of leefbaarheid voor bewoners. Oplossing wordt gezien in het beperken van verdere druk door middel van sanering, verplaatsing dan wel herstructurering van verblijfsrecreatieve eenheden/ontwikkelingen, in balans met genoemde gebiedskwaliteiten.
Het oplossen van andersoortige knelpunten in het aandachtsgebied vormt geen aanleiding voor het toevoegen van extra verblijfseenheden.
Dit betekent dat de ontwikkeling van een nieuwe, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied, moet bijdragen aan het oplossen van verblijfsrecreatieve knelpunten in de vorm van verplaatsing dan wel sanering van verblijfseenheden/verblijfsrecreatief bedrijf in het aandachtsgebied zelf, als onderdeel van een gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak, of elders in de betreffende regio.
Bij de ontwikkeling van een bestaande, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied (met toevoeging van verblijfsrecreatieve eenheden) vindt de oplossing van het verblijfsrecreatieve knelpunt plaats, middels herstructurering.
DDDDDD
Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
I. Bewaak/verbeter de huidige waterkwaliteit
II. Behoud de huidige diversiteit aan gebruikers en gebruiksmogelijkheden van het water en waarborg de veiligheid
Ontwikkelingen ondersteunen/versterken de diversiteit aan gebruiksmogelijkheden en gebruikersgroepen.
III. Sta geen uitbreiding van aantal ligplaatsen in jachthavens toe
Hiervan kan - in aansluiting op artikel 5.195.28 van deze verordening - worden afgeweken, mist een goede onderbouwing die naast economische motivatie ook aantoont dat er geen negatieve effecten op de natuurwaarden/vogelpopulaties zijn.
IV. Behoud en versterk openbaar toegankelijke voorzieningen t.b.v. (water)recreatie
Ontwikkelingen mogen de openbare toegankelijkheid van voorzieningen/faciliteiten t.b.v. (water)recreatie niet beperken, slechts behouden en versterken c.q. vergroten van de mogelijkheden.
EEEEEE
Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hiertoe moet worden voldaan aan de voorwaarden zoals benoemd in het Ontwikkelkader uitbreiding verblijfsrecreatieterrein buiten de kustzone, bijlage IV, 3.
[Vervallen]
Kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijven vindt plaats binnen de bestaande oppervlakte en eenheden van het bedrijf.
Een beperkte uitbreiding van oppervlakte is mogelijk indien het nieuw uit te breiden terrein:
integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap;
de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap; en
het beheer en onderhoud van het landschap geborgd is.
Een beperkte uitbreiding van eenheden is mogelijk indien er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van de bestaande en toekomstige accommodatie.
[Vervallen]
Ontwikkelingen zijn aantoonbaar economisch uitvoerbaar, vinden plaats op basis van een businessplan en voorzien in een centrale bedrijfsmatige exploitatie.
[Vervallen]
Ontwikkelingen zetten qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept. Hierdoor wordt bijgedragen aan een gedifferentieerd product in het Zeeuwse achterland, i.e. aan het Veerse Meer, zowel t.a.v. het bestaande aanbod, in soort en qua bereik van verschillende doelgroepen. De diversiteit dient te worden getoetst voor het Veerse meer gebied als geheel. Het voegt beleving/beleefbaarheid (bv. van landschap, historie, …) en economische diversiteit toe.
Het principe van LAND IN ZEE! en het lokale DNA van het Veerse meer – o.m. gevat in de beginselen van het plan van Nico de Jonge - staan hier centraal, wat onder meer gekenmerkt wordt door kleinschaligheid, landelijkheid, openheid en een natuurlijke inbedding.
Met het oog op de dynamiek en verdere vernieuwing in de sector, wordt ingezet op circulair, klimaat robuust en duurzaam bouwen. Investeringen dienen zoveel mogelijk gebruik te maken van de Best Beschikbare Technieken (BBT) in het duurzaam gebruik van energie en materialen en de uitstraling van licht.
FFFFFF
Bijlage VIII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Soorten als bedoeld in artikel 2.152 artikel 2.154 zijn:
aardmuis;
bastaardkikker/middelste groene kikker;
bosmuis;
bruine kikker;
dwergmuis;
dwergspitsmuis;
egel;
gewone bosspitsmuis;
gewone pad;
huisspitsmuis;
kleine watersalamander;
meerkikker;
ondergrondse woelmuis;
ree;
rosse woelmuis;
tweekleurige bosspitsmuis;
veldmuis;
vos; en
woelrat.
GGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
•
Beheer: De term beheer is in deze verordening niet gedefinieerd, omdat het in verschillende delen van de verordening in verschillende betekenis wordt gebruikt. Bij wegen wordt onder beheer de zorg voor de instandhouding en bruikbaarheid van een weg verstaan. Dit omvat aanmerkelijk meer dan het voldoen aan de onderhoudsplicht als bedoeld in de Wegenwet. De diverse voorschriften in de verordening, ter bescherming van de weg en het veilige gebruik daarvan, illustreren dat. Hierin is aanleiding gevonden om in de verordening, in navolging van de wegenverkeerswetgeving en in overeenstemming met het normale spraakgebruik, de term 'beheer' te hanteren. Een algemeen aanvaarde definitie van het begrip beheer ontbreekt vooralsnog. Gekozen is daarom voor een omschrijving van "beheer" die goed aansluit bij hetgeen daaronder wordt verstaan in de Memorie van toelichting bij de Wet herverdeling wegenbeheer (29 oktober 1992, Stb. 563, 1992). De verordening verkrijgt daardoor een ruimer begrippenkader dan wat de Wegenwet thans kent. Bezwaarlijk is dat niet, omdat die wet zich immers beperkt tot de vaststelling van (een aantal) voorschriften omtrent openbare wegen, zonder onnodig ingrijpen in het bestaande wegenrecht, waarvan de kern van oudsher ligt in de verordeningen en reglementen van het Rijk, de provincies en lagere overheden.
Goede landschappelijk inpassing: wat een goede landschappelijke inpassing is hangt af van de locatie en de omvang van de ontwikkeling in relatie tot het omliggende gebied. De motivering bij een omgevingsplan dat van toepassing is op het landelijk gebied en voorziet in wijziging van de functies of van de regels voor het gebruik van de grond, maakt middels een landschapsplan aannemelijk dat wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Realisatie en instandhouding van de goede landschappelijke inpassing worden geborgd in de regels.
Een goede landschappelijke inpassing bestaat in ieder geval uit een brede afschermende groengordel ten behoeve van biodiversiteit en landschap. Er is ruimte voor maatwerk om op de betreffende locatie tot een goede landschappelijke inpassing te komen. Als uitgangspunt geldt voor een afschermende groengordel geldt een breedte van 10 meter. Dit met een passende hoogte en gebiedseigen soorten.
De landschappelijke inpassing wordt toegelicht in een landschapsplan dat bestaat uit een inrichtingstekening van de ruimtelijke ontwikkeling, met een toelichting van tekst en beeldmateriaal.
Daarin zijn opgenomen:
- een beschrijving van de ontwikkeling;
- kenmerken van de locatie en visualisaties;
- een tekening van de inrichting voor en na de ontwikkeling met locaties en omvang van gebouwen, verharding en beplanting, perceelsranden;
- een beheerplan;
- een beplantingslijst.
•
Kwaliteitscriteria: Een belangrijk begrip in afdeling 7.1 afdeling 6.1 is ‘kwaliteitscriteria’. De kwaliteitscriteria waar het hier om gaat zijn - thans - de alom bekende Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in brede samenwerking door de bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste organisaties. Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in de rede dat van deze kwaliteitscriteria in de loop van de jaren verbeterde en geactualiseerde versies beschikbaar zullen worden gemaakt om de versie 2.1 op te volgen. Vanwege deze verdere ontwikkeling van de kwaliteitscriteria is in de begripsbepaling een dynamische verwijzing opgenomen, zodat bij de ontwikkeling en beschikbaarstelling van een volgende versie van de kwaliteitscriteria niet tot aanpassing van de verordening hoeft te worden overgegaan. Met deze begripsbepaling en de verankering in artikel 7.4 artikel 6.4 van de verordening liggen de Kwaliteitscriteria 2.1 aan de basis van afdeling 7.1 afdeling 6.1.
•
Loonwerkbedrijf: Alleen bedrijven die loonwerk in het landelijk gebied als hoofdactiviteit verrichten vallen onder de begripsbepaling. Bedrijven die dit type werkzaamheden als neventak verrichten vallen onder artikel 5.1, vijfde lid, onder h en bijlage III bij deze verordening.
•
Streekproducten: Te denken valt hierbij aan bijvoorbeeld appels, aardappels, eieren, kreeft, zeekraal en mosselen, maar ook afgeleide producten als zwartebessenjam en kaas.
•
Traditionele windmolens: Dit is een historische windmolen, anders dan moderne windturbine die vooral worden gebruikt voor energieopwekking. Het gaat om traditionele molens waarvan het gaande werk nog volledig intact dan wel in overwegende mate intact is. In sommige gevallen worden deze historische molens nog geregeld gebruikt (al dan niet bedrijfsmatig) voor het oorspronkelijke doel waarvoor de molen is opgericht, bijvoorbeeld het malen van graan.
•
Verjaagactie: Een verjaagactie is een actie ter bestrijding van ganzen die op het schadeperceel aanwezig zijn of invallen. Na een verjaagactie zullen de niet geschoten dieren weggaan. Wanneer opnieuw ganzen invallen begint een nieuwe verjaagactie.
Stedelijk gebied: De grenzen zijn bepaald op basis van de definitie van 'stedelijk gebied' uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de daarbij behorende jurisprudentie. Dese luidt: In een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.
In de Geo viewer van de provincie Zeeland is de begrenzing van het stedelijk gebied in Zeeland opgenomen. Deze grenzen zijn relevant voor beleid over bijvoorbeeld wonen, werken en bedrijventerreinen.
Begrenzing
De grens is getrokken langs onherroepelijke bestemmingen voor wonen, maatschappelijke functies, bedrijven, detailhandel en horeca, Grond met een agrarische bestemming horen er niet bij. behalve als het bijna geheel door stedelijke functies is ontsloten.
Monofunctionele gebieden in het landelijk gebied
Gebieden in het landelijk gebied met maar één functie horen niet bij het stedelijk gebied. Het moet immers gaan om een stedenbouwkundig samenstel van verschillende functies. Dat geldt voor solitaire bedrijventerreinen of buurtschappen die alleen uit woningen bestaan. Alleen als er sprake is van een duidelijke mate van menging met een substantieel percentage andere stedelijke functies functioneert het als stedelijk gebied.
Recreatieparken
Recreatieparken met de bestemming verblijfsrecreatie worden niet genoemd als een van de stedelijke functies. Ze liggen vaak in het landelijk gebied, hebben vaak een veel lagere bebouwingsdichtheid en zijn gericht op tijdelijk verblijf. Op basis van jurisprudentie kan een recreatiepark toch deel uitmaken van het stedelijk gebied als:
Er sprake is van een duidelijke mate van menging met een substantieel percentage andere stedelijke functies mix is van wonen, detailhandel of horeca. Uiteraard gaat het hier om permanente gebouwen die permanent gebruikt kunnen worden; en
Voorzieningen met een andere functie dan recreatie, bijvoorbeeld sportfaciliteiten, zwembaden of entertainmentcentra voor een ieder en jaarrond toegankelijk zijn; en
Gebouwen van een park openbaar toegankelijk zijn.
Recreatieparken die ruimtelijk en functioneel aansluiten op een bestaande kern kunnen, op basis van de mate en omvang van menging van stedelijke functies, eerder tot het stedelijk gebied gerekend worden dan solitair in het landelijk gebied gelegen recreatieparken. Of: Voor recreatieparken die ruimtelijk en functioneel aansluiten op een bestaande kern geldt dat zij bij een beperktere en minder omvangrijke mix van stedelijke functies, tot het stedelijk gebied kunnen worden gerekend; voor solitaire recreatieparken in het landelijk gebied is daarvoor juist een grotere mate van functiemenging nodig.
HHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onder het woord ‘stoffen’ in de zin van de regeling voor schadelijke stoffen wordt verstaan een veelheid aan materiele verschijningsvormen, zoals stoffen in chemische zin (chemische elementen en hun verbindingen), mengsels van deze stoffen (ook wel preparaten genoemd), producten (verhandelbare artefacten), voorwerpen (instrumenten voor gebruik) en andere materialen. Schadelijk in de zin van deze omgevingsverordening zijn stoffen welke direct of na chemische omzetting nadelig zijn of kunnen zijn voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.
Over wat het verbod in artikel 2.59 van de verordening (schadelijke stoffen) betekent voor de (on)toelaatbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen in de grondwaterbeschermingsgebieden in Zeeland wordt het volgende opgemerkt. Het Rijk heeft in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden generieke regels opgenomen over de toelating en beoordeling door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb). Uit deze wet volgt welke gewasbeschermingsmiddelen die prioritaire gevaarlijke stoffen bevatten als bedoeld in artikel 16, derde lid, van EU richtlijn 2000/60/EG in grondwaterbeschermingsgebieden zijn verboden (artikel 27a Besluit gewasbeschermingsmiddelen). Verder bepaalt deze wet welke middelen door het Ctgb niet mogen worden toegelaten als deze bij gebruik in een grondwaterbeschermingsgebied de maximaal volgens rijksregels toelaatbare concentraties werkzame stoffen overschrijden (art. 8e Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden) en gelden gebruiksvoorschriften en regels voor etikettering.
Op basis van de Omgevingswet wijzen Provincies de grondwaterbeschermingsgebieden die van belang zijn voor de drinkwatervoorziening aan in de omgevingsverordening. Deze gebieden omvatten de waterwingebieden (waarbinnen de winningsputten van het drinkwaterbedrijf liggen) en een daaromheen gelegen zone. In Zeeland is locatie Haamstede de voornaamste operationele locatie voor de drinkwatervoorziening. Locatie Sint Jansteen heeft een calamiteitenstatus, is vooral operationeel voor industriewater en kan ingezet worden voor de drinkwatervoorziening in Zeeuws-Vlaanderen. Locatie Oranjezon is een reservegebied waar de winning door het drinkwaterbedrijf in ca. 1995 is beëindigd. Feitelijk zijn er binnen de waterwingebieden en omliggende zone van de locaties Haamstede en Oranjezon, evenals binnen het waterwingebied Sint Jansteen, geen landbouwpercelen op enkele (grasland)percelen na. De zone langs het waterwingebied Sint Jansteen is in gebruik als agrarisch gebied. Daarbij is niet significant sprake van teelten als sier-, lelie-, of bomenteelt.
Op basis van de Drinkwaterwet moet het drinkwaterbedrijf voldoen aan kwaliteitseisen voor (de productie van) drinkwater en onttrokken grondwater zuiveren. In de omgevingsverordening nemen Provincies regels op om de grondwaterbeschermingsgebieden (waterwingebieden resp. omliggende zone) te beschermen tegen schadelijke activiteiten. Artikel 2.59 van de omgevingsverordening schrijft geen verdergaande verboden voor dan welke volgen uit de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. De Provincie heeft de bevoegdheid en afwegingsruimte om, in afstemming met het drinkwaterbedrijf, aanvullende verboden of gebruiksbeperkingen voor te schrijven (als de wettelijke verboden ontoereikend worden geacht). Artikel 2.59 kan voor wijziging in aanmerking komen wanneer daarvoor op basis van gebiedspecifieke omstandigheden, monitoringsgegevens en signalen van het drinkwaterbedrijf zwaarwegende redenen bestaan. Beleidsmatig is het niet gewenst dat probleemstoffen door uitspoeling via de bodem in het opgepompte grondwater bij onttrekkingsputten (in waterwingebieden) terecht komen. Overigens was er in de omgevingsverordening die gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet als onderdeel van het artikel over schadelijke stoffen in grondwaterbeschermingsgebieden geregeld dat in de waterwingebieden (alle) gewasbeschermingsmiddelen zijn verboden. Met huidig artikel 2.59 is geen wijziging van het beleid beoogd.
Verder worden in het kader van het drinkwaterbeleid per winningsgebied ontwikkelingen en risico's gevolgd aan de hand van Gebiedsdossiers waarvoor de Provincie regiehouder is. Dit kan waar nodig ook een kader bieden om gebiedsgericht met partijen aanvullende afspraken te maken over concrete maatregelen. Kennis delen, samen zoeken naar oplossingen en van elkaar leren vormen hierbij belangrijke pijlers. Voor eventuele aanscherping van landelijke verboden en de toelatingscriteria in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is de wetgever het bevoegd gezag.
JJJJJJ
Na sectie 2.99 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
De kennis van de lokale en actuele situatie rond stiltegebieden, beschermde natuurwaarden en de verstoringsgevoeligheid van desbetreffende Natura 2000 gebied moet aantoonbaar blijken uit bijvoorbeeld een vlieglogboek.
KKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod op varend ontgassen heeft tot doel om de emissie van benzeen en benzeenhoudende koolwaterstoffen te reduceren. Daarnaast werd door de invoering van het verbod aangesloten bij verboden in Zuid-Holland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Utrecht, Gelderland en Flevoland. Hiermee is Zeeland niet meer aantrekkelijk voor 'ontgassingstoerisme'. Met dit verbod maakt de Provincie tevens duidelijk dat er snel een definitieve oplossing moet komen voor het varend ontgassen. Een definitieve oplossing is een nationaal of internationaal verbod. Het Rijk voorziet invoering van een nationaal verbod in 2021/2022.
De artikelen voor het thema Varend ontgassen zijn in deze verordening beleidsneutraal overgenomen. Er zijn in verband met de Omgevingswet enkele artikelen, zoals zorgplicht en beoordelingsregels, extra opgenomen. Het artikel over nadere regels is opgenomen in het delegatiebesluit.
In bijlage I staan de definities. Een aantal definities is rechtstreeks overgenomen uit andere regelingen. Onder ontgassen wordt verstaan het afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij die dampen terechtkomen in de open lucht. Daaronder valt dus elke emissie van restladingdampen van benzeen en benzeenhoudende koolwaterstoffen in de atmosfeer, ongeacht de vraag of deze emissie plaatsvindt na het wassen van de ladingtank of niet. Dat neemt niet weg dat van restladingdamp geen sprake zal zijn bij een concentratie restladingdamp van benzeen of benzeenhoudende koolwaterstoffen lager dan de in artikel 2.138 , eerste lid, onder f, aangegeven waarde. Het kan dus zijn dat een ladingtank na het wassen zodanig is gereinigd dat het ventileren van de ladingtank vanwege een te lage concentratie restladingdamp niet onder het ontgassingsverbod valt.
Deze afdeling is vervallen met ingang van 1 januari 2026
Het eerste lid bevat het verbod op varend ontgassen. Op dit moment kan nog niet geheel worden voorzien wanneer naleving van het ontgassingsverbod, buiten de in artikel 2.138, eerste lid genoemde gevallen, in redelijkheid niet kan worden verlangd. Naast het verbod wordt ook voorzien in de mogelijkheid van een door gedeputeerde staten te verlenen omgevingsvergunning.
Lid 1. De omschrijvingen van benzeen en benzeenhoudende koolwaterstoffen zijn direct ontleend aan de zogenaamde lijst van gevaarlijke goederen die is opgenomen in tabel A van hoofdstuk 3.2 van het ADN. Met dit door de Verenigde Naties vastgestelde UN-nummer kan de aard van de lading worden geïdentificeerd.
Lid 2 onder a. Het is wenselijk om aan te geven bij welke concentratiegrens een ladingtank voor belading als gasvrij kan worden beschouwd. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan een nadrukkelijke wens van organisaties voor het bedrijfsleven. Een ladingtank zal nooit helemaal vrij zijn van vorige ladingrestanten, alleen al omdat resten achterblijven in de scheepswand en daaruit na verdamping weer vrijkomen. Ter voorkoming van deze potentiele verontreiniging moet een ladingtank daarom voor de belading ‘droog en schoon’ worden geventileerd. Bij dit ventileren zullen restladingdampen van benzeen of benzeenhoudende koolwaterstoffen vrijkomen. Er is gekozen voor een concentratie van restladingsdamp van 10% onder de onderste explosiegrens. Een concentratie van die damp van 10% of meer onder de onderste explosiegrens is voor de naleving van een aantal voorschriften van het ADN maatgevend.
Lid 2 onder b en c. Het tweede lid onder b en c sluit aan bij de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006. Op de in tweede lid onder b en c genoemde situaties is het ontgassingsverbod niet van toepassing. Dit houdt verband met de veronderstelling dat de concentratie benzeen en benzeenhoudende koolwaterstoffen van de restladingdamp in de ladingtank dan lager is dan 10% onder de onderste explosiegrens of in ieder geval voldoende laag is. Ook wanneer kan worden aangetoond dat de tank van het schip bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan wordt verondersteld dat de restladingdamp in de ladingtank verwaarloosbare concentraties benzeen en benzeenhoudende koolwaterstoffen bevat.
Lid 2 onder d. De onder d opgenomen uitzondering sluit aan bij een vergelijkbare uitzondering uit de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006. Ontgassen is wel toegestaan bij drukverevening om veiligheidsredenen. De noodzaak tot drukverevening kan aan de orde zijn bij toenemende temperaturen en daarmee toenemende druk in de ladingtank van het schip. Drukverevening om veiligheidsredenen kan ook aan de orde zijn bij metingen en monsternames. Ook bij of na calamiteiten kan het ontgassen naar de atmosfeer noodzakelijk zijn.
De artikelen artikel 2.139 en artikel 2.140 bevatten de aanvraagvereisten respectievelijk de beoordelingsregels.
LLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Door duisternis als kernkwaliteit vast te stellen voor (delen van) sommige Natura 2000-gebieden wordt de waarde van duisternis voor deze natuurgebieden beschermd. Ook activiteiten in de nabijheid van deze duisternisgebieden, het zogenaamde invloedgebied duisternisgebieden, kunnen negatieve gevolgen hebben voor de duisternis in deze gebieden.
Normale bedrijfsactiviteiten en de gebieden met waarde voor duisternis bijten elkaar niet. Het gaat dus niet om bestaande activiteiten die lichtemissie veroorzaken op of in de begrensde gebieden voor zolang ze in hun huidige vorm, locatie, omvang en tijd blijven plaatsvinden. Dit kan betreffen agrarische bedrijven in de buurt, wegen of recreatieve terreinen. Als er sprake is van uitbreiding of wijziging van deze activiteiten dan zijn die uitbreidingen of wijzigingen mogelijk vergunning plichtig in het kader van de Omgevingswet. De Richtlijnen van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) vormen de basis voor voorschriften in de vergunningen met als doel het beperken en voorkomen van lichtverontreiniging en het bevorderen van duisternis als kernkwaliteit van Zeeland.
MMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.42 en 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving voorzien – overeenkomstig het voorheen geldende artikel 3.15 van de Wet natuurbescherming – in de mogelijkheid van een aanwijzing van vergunningvrije gevallen in de omgevingsverordening ten behoeve van de bestrijding door de grondgebruiker van vogels en andere soorten die provinciaal schade veroorzaken.
Bij de aanwijzing van de vergunningvrije gevallen van de dieren die, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, zonder omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kunnen worden bestreden, is getoetst of is voldaan aan het wettelijke vereiste dat dieren van de soorten in de provincie schade veroorzaken. Ook is getoetst of de betrokken diersoort de bestrijding kan verdragen. Schadebestrijding is aan de orde als preventieve maatregelen onvoldoende soelaas bieden.
De soorten en activiteiten die reeds onder de Wet natuurbescherming in de verordening waren vrijgesteld, zullen ook onder de Omgevingswet vergunningvrij zijn. Een uitzondering betreft het doden van damherten in en in de directe omgeving van de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren ten behoeve van de beperking van de omvang van de populatie in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden. In het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald dat de beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren niet als vergunningvrij geval wordt aangewezen. De vrijstelling van de vergunningplicht komt daarom te vervallen. Wat wel ongewijzigd blijft, is het vergunningvrij doden, nesten en eieren vernielen van grauwe ganzen en het doden van kolganzen, brandganzen en damherten.
De schade die dieren van deze soorten veroorzaken behoren tot de typen schade die een afwijking van de verbodsbepalingen rechtvaardigen. Bij de ganzen gaat het om “belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren” en bij de damherten om “de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang (verkeersveiligheid).
Voor andere schadesoorten en flora- en fauna-activiteiten moet volgens de provincie een zwaarder afwegingskader plaatsvinden en per situatie worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat (zoals het opzettelijk (ver)storen). Omgevingsvergunningen verdienen dan de voorkeur boven een algemene vrijstelling.
Artikel 2.145 tot en met 2.151
Grauwe ganzen, kolganzen en brandganzen veroorzaken veel vraatschade aan oogstbare gewassen, zoals granen, gras en groenten. Bovendien bestrijkt de periode waarin schade wordt aangericht het gehele groeiseizoen van deze gewassen. In 2012 bedroeg deze schade (getaxeerde schade van > € 250 per geval) € 513.000 door grauwe ganzen, € 154.000 door kolganzen en € 106.000 door brandganzen (gegevens afkomstig van Faunafonds/BIJ12).
De populaties van deze soorten zijn zodanig groot, dat zij niet in hun voortbestaan worden bedreigd en ook dat gevaar niet lopen, als gevolg van de vergunningvrije activiteiten. Er is sprake van stabiele populaties (kolgans) of zelfs (sterk) groeiende populaties (grauwe ganzen en brandganzen). Omdat de vergunningvrije gevallen bedoeld in paragraaf 2.10.2 moeten worden uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurd faunabeheerplan en over de uitvoering moet worden gerapporteerd op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze, wordt het risico voor het behoud van deze populaties beperkt.
Voor elk van de soorten geldt dat verstoren onvoldoende is om schade te voorkomen dan wel te beperken en er – gezien hun kenmerken en de omvang van hun populaties – geen effectieve middelen zijn om schade te voorkomen zonder de als vergunningplichtig aangewezen flora- en fauna-activiteiten te verrichten.
Per soort is aangegeven in welk gebied, met welke middelen en methoden en onder welke voorschriften en beperkingen de vergunningvrije activiteiten mogen worden uitgevoerd.
OOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Grauwe ganzen, kolganzen en brandganzen veroorzaken veel vraatschade aan oogstbare gewassen, zoals granen, gras en groenten. Bovendien bestrijkt de periode waarin schade wordt aangericht het gehele groeiseizoen van deze gewassen. In 2012 bedroeg deze schade (getaxeerde schade van > € 250 per geval) € 513.000 door grauwe ganzen, € 154.000 door kolganzen en € 106.000 door brandganzen (gegevens afkomstig van Faunafonds/BIJ12).
De populaties van deze soorten zijn zodanig groot, dat zij niet in hun voortbestaan worden bedreigd en ook dat gevaar niet lopen, als gevolg van de vergunningvrije activiteiten. Er is sprake van stabiele populaties (kolgans) of zelfs (sterk) groeiende populaties (grauwe ganzen en brandganzen). Omdat de vergunningvrije gevallen bedoeld in paragraaf 2.10.2 moeten worden uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurd faunabeheerplan en over de uitvoering moet worden gerapporteerd op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze, wordt het risico voor het behoud van deze populaties beperkt.
Voor elk van de soorten geldt dat verstoren onvoldoende is om schade te voorkomen dan wel te beperken en er – gezien hun kenmerken en de omvang van hun populaties – geen effectieve middelen zijn om schade te voorkomen zonder de als vergunningplichtig aangewezen flora- en fauna-activiteiten te verrichten.
Per soort is aangegeven in welk gebied, met welke middelen en methoden en onder welke voorschriften en beperkingen de vergunningvrije activiteiten mogen worden uitgevoerd.
Dit artikel is vervallen met ingang van 1 januari 2026.
PPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Grauwe ganzen, kolganzen en brandganzen veroorzaken veel vraatschade aan oogstbare gewassen, zoals granen, gras en groenten. Bovendien bestrijkt de periode waarin schade wordt aangericht het gehele groeiseizoen van deze gewassen. In 2012 bedroeg deze schade (getaxeerde schade van > € 250 per geval) € 513.000 door grauwe ganzen, € 154.000 door kolganzen en € 106.000 door brandganzen (gegevens afkomstig van Faunafonds/BIJ12).
De populaties van deze soorten zijn zodanig groot, dat zij niet in hun voortbestaan worden bedreigd en ook dat gevaar niet lopen, als gevolg van de vergunningvrije activiteiten. Er is sprake van stabiele populaties (kolgans) of zelfs (sterk) groeiende populaties grauwe ganzen en brandganzen). Omdat de vergunningvrije gevallen bedoeld in paragraaf 2.10.2 moeten worden uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurd faunabeheerplan en over de uitvoering moet worden gerapporteerd op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze, wordt het risico voor het behoud van deze populaties beperkt.
Voor elk van de soorten geldt dat verstoren onvoldoende is om schade te voorkomen dan wel te beperken en er – gezien hun kenmerken en de omvang van hun populaties – geen effectieve middelen zijn om schade te voorkomen zonder de als vergunningplichtig aangewezen flora- en fauna-activiteiten te verrichten.
Per soort is aangegeven in welk gebied, met welke middelen en methoden en onder welke voorschriften en beperkingen de vergunningvrije activiteiten mogen worden uitgevoerd.
Dit artikel is vervallen met ingang van 1 januari 2026
QQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Grauwe ganzen, kolganzen en brandganzen veroorzaken veel vraatschade aan oogstbare gewassen, zoals granen, gras en groenten. Bovendien bestrijkt de periode waarin schade wordt aangericht het gehele groeiseizoen van deze gewassen. In 2012 bedroeg deze schade (getaxeerde schade van > € 250 per geval) € 513.000 door grauwe ganzen, € 154.000 door kolganzen en € 106.000 door brandganzen (gegevens afkomstig van Faunafonds/BIJ12).
De populaties van deze soorten zijn zodanig groot, dat zij niet in hun voortbestaan worden bedreigd en ook dat gevaar niet lopen, als gevolg van de vergunningvrije handelingen. Er is sprake van stabiele populaties (kolgans) of zelfs (sterk) groeiende populaties grauwe ganzen en brandganzen). Omdat de vergunningvrije gevallen bedoeld in paragraaf 2.10.2 moeten worden uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurd faunabeheerplan en over de uitvoering moet worden gerapporteerd op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze, wordt het risico voor het behoud van deze populaties beperkt.
Voor elk van de soorten geldt dat verstoren onvoldoende is om schade te voorkomen dan wel te beperken en er – gezien hun kenmerken en de omvang van hun populaties – geen effectieve middelen zijn om schade te voorkomen zonder de als vergunningplichtig aangewezen flora- en fauna-activiteiten te verrichten.
Per soort is aangegeven in welk gebied, met welke middelen en methoden en onder welke voorschriften en beperkingen de vergunningvrije activiteiten mogen worden uitgevoerd.
Dit artikel is vervallen met ingang van 1 januari 2026.
RRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Grauwe ganzen, kolganzen en brandganzen veroorzaken veel vraatschade aan oogstbare gewassen, zoals granen, gras en groenten. Bovendien bestrijkt de periode waarin schade wordt aangericht het gehele groeiseizoen van deze gewassen. In 2012 bedroeg deze schade (getaxeerde schade van > € 250 per geval) € 513.000 door grauwe ganzen, € 154.000 door kolganzen en € 106.000 door brandganzen (gegevens afkomstig van Faunafonds/BIJ12).
De populaties van deze soorten zijn zodanig groot, dat zij niet in hun voortbestaan worden bedreigd en ook dat gevaar niet lopen, als gevolg van de vergunningvrije activiteiten. Er is sprake van stabiele populaties (kolgans) of zelfs (sterk) groeiende populaties (grauwe ganzen en brandganzen). Omdat de vergunningvrije gevallen bedoeld in paragraaf 2.10.2 moeten worden uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurd faunabeheerplan en over de uitvoering moet worden gerapporteerd op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze, wordt het risico voor het behoud van deze populaties beperkt.
Voor elk van de soorten geldt dat verstoren onvoldoende is om schade te voorkomen dan wel te beperken en er – gezien hun kenmerken en de omvang van hun populaties – geen effectieve middelen zijn om schade te voorkomen zonder de als vergunningplichtig aangewezen flora- en fauna-activiteiten te verrichten.
Per soort is aangegeven in welk gebied, met welke middelen en methoden en onder welke voorschriften en beperkingen de vergunningvrije activiteiten mogen worden uitgevoerd.
Dit artikel is vervallen met ingang van 1 januari 2026.
SSSSSS
Na sectie 2.158 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Voor het gebruik van een jachtgeweer is een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit nodig. Als de provincie het luchtdrukgeweer gelijkstelt aan het jachtgeweer bij het doden van zwarte en bruine ratten dan is ook voor het gebruik van een luchtdrukgeweer een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit nodig. Het verkrijgen van een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit is een lang, ingewikkeld en kostbaar proces. Men dient namelijk eerst de jachtopleiding gevolgd te hebben en ook over een jachtveld te beschikken. In de jachtopleiding leert men hoofdzakelijk over de jacht. Voor het uitvoeren van plaagdierbestrijding is dit niet relevant.
Wel wil de provincie dat er veilig gebruik wordt gemaakt van het luchtdrukgeweer. Daarom is als eis opgenomen dat de gebruiker een opleiding veilig gebruik van het luchtdrukgeweer bij het doden van zwarte en bruine ratten heeft gevolgd.
Het laten vervallen van het voorschrift om in het bezit te zijn van een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit kan niet direct in een maatwerkbesluit geregeld worden, maar moet via een aanwijzing in de omgevingsverordening worden vastgelegd. In artikel 11.75 lid 2 van het Bal wordt de mogelijkheid geboden om zonder omgevingsvergunning een jachtgeweeractiviteit uit te voeren.
TTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het Zeeuwse onderwatermilieu staat sinds halverwege de 20e eeuw in steeds grotere mate onder druk door verschillende verstorende en voor het onderwatermilieu beschadigende factoren. Het buitendijks onderwatermilieu wordt door de volgende mensgedreven factoren bedreigd: 1. verstoring van onderwaterleven door recreatie en visserij, 2. verontreiniging van het watersysteem door industrie en scheepvaart, 3. eroderen van buitendijkse estuaria en platen en daarmee leefgebied door systeemveranderingen (zoals zandhonger in de Oosterschelde, vaargeulverbreding in de Westerschelde). Mensgedreven bedreigende factoren in de binnendijkse watersystemen zijn: 1. verstoring door recreatie en pleziervaart, 2. verontreiniging door industrie en landbouw, 3. systeemveranderingen door isolatie van binnenwateren (afsluiten van kreekarmen van de zee), 4. verminderde kwaliteit en kwantiteit leefgebied door verlies van natuurlijke oeverzones (bebouwing en intensivering van de landbouw). Aanvullend op deze op menselijk handelen terug te voeren factoren zijn stijgingen in de temperatuur door klimaatveranderingen veranderende regenvalpatronen ook belastend voor het onderwatermilieu in de Zeeuwse Delta. Stijgende zuurstofarme situaties waar onderwatersystemen plaatselijk door kunnen afsterven. De functie van de Zeeuwse delta als leefgebied voor vele aquatische soorten zullen door deze veranderingen naar de toekomst toe steeds verder onder druk komen te staan.
De regels gelden niet voor degene die beschikt over een geldige omgevingsvergunning voor de activiteiten genoemd in artikel 4.3, eerste lid, onder j en k, van de Omgevingswet of ontheffing op grond van de Visserijwet 1963 omdat daarin door het bevoegde gezag is afgewogen of de onderwater flora en fauna voldoende is beschermd. Sportvissers die vissen op basis van een VISpas, dan wel vissen met de toegestane middelen in kustwater vallen evenmin onder het verbod.
VVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het voor Nederland en Europa unieke onderwatermilieu staat onder druk door scheepvaart, visserij en recreatie en is daarmee kwetsbaar. De onderwaterflora en -fauna wordt slechts voor een beperkt deel beschermd door de natuurbeschermingsregels zoals opgenomen in de Omgevingswet. Ook de Visserijwet 1963 kent een beperkte bescherming. Omdat de Provincie Zeeland de karakteristieke onderwaterflora en -fauna bescherming wil bieden, is in deze verordening een regeling opgenomen die het verbiedt om, zonder dat men daartoe over de benodigde omgevingsvergunning beschikt, waterplanten of -dieren behorend tot de onderwaterflora en -fauna te bemachtigen en in bezit te hebben. De regeling heeft als strekking om diegenen die moedwillig waterplanten of -dieren in beschermde gebieden uit het water halen te sanctioneren.
Het verbod geldt niet voor degene die beschikt over een geldige omgevingsvergunning voor de activiteiten genoemd in artikel 4.3, eerste lid, onder j en k, van de Omgevingswet of ontheffing op grond van de Visserijwet 1963 omdat daarin door het bevoegde gezag is afgewogen of de onderwater flora en fauna voldoende is beschermd. Sportvissers die vissen op basis van een VISpas, dan wel vissen met de toegestane middelen in kustwater vallen evenmin onder het verbod.
Ook geldt het ook niet bij normaal recreatief gebruik aan, in en bij water, zoals spelende kinderen die met een schepnetje dieren uit het water vissen. Of mensen die bij het zwemmen per ongeluk planten of dieren verstoren of meenemen.
WWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning kan worden verleend voor educatieve of onderzoeksdoeleinden. Dit doel moet duidelijk blijken uit de bij de aanvraag overgelegde gegevens.
Een omgevingsvergunning kan worden verleend voor diverse doeleinden. Uit de aanvraag moet duidelijk blijken wat de effecten zijn op de omvang van de populatie waterdieren en waterplanten.
XXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ontheffing van dit verbod kan uitsluitendin ieder geval worden verleend voor educatieve of onderzoeksdoeleinden in het belang van dit specifieke onderwatermilieu en de daarin levende onderwaterflora en -fauna. Het gaat dus uitsluitenddan om educatie over of onderzoek naar de waterplanten en waterdieren die deel uitmaken van dit unieke onderwatermilieu en waar de ontheffing voor wordt aangevraagd.Er wordt dus geenaangevraagd. Als ontheffing wordt verleend voor commerciële en economische doeleinden, zoals de verkoop van gevangen waterplanten of waterdieren aan derden, dan kan dit alleen als kan worden uitgesloten dat deze activiteiten geen nadelige gevolgen hebben voor de instandhouding van de onderwaterflora en -fauna. EvenminEr wordt geen ontheffing verleend voor het vangen van de commercieel interessante zeekreeft, Noordzeekrab, spinkrab, kokerworm, zeedahlia, dodemansduim of spons.
Het doel moet duidelijk blijken uit de bij de aanvraag, overgelegde gegevens, door bijvoorbeeld het overleggen van een onderzoeksplan. Om negatieve effecten op het onderwatermilieu en de daarin levende onderwaterflora en -fauna te voorkomen dient de hoeveelheid waterplanten of waterdieren die wordt meegenomen beperkt te zijn en de activiteit tijdelijk.
YYYYYY
Voor sectie 2.11.2 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
In afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen over het vellen van houtopstanden. Het toepassingsbereik hiervan hebben wij overgenomen in deze afdeling. Dit betekent dat deze afdeling gaat over het volgende:
- Het vellen van houtopstanden;
- Het herbeplanten van dezelfde grond na het vellen of tenietgaan van houtopstanden; en
- Het herbeplanten op andere grond.
De belangrijkste inhoudelijke regels over het vellen van houtopstanden zijn opgenomen in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving (meldplicht vellen van houtopstanden) en artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving (plicht tot herbeplanting).
In artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangegeven voor welke houtopstanden deze regels niet gelden. Deze uitzonderingen gelden ook voor deze afdeling. Hierbij geldt er een nadere specificatie op de uitzondering bij wegbeplanting. Er geldt wel een meld- en herbeplantingsplicht wanneer het gelegen is naast een weg op een dijk/dijklichaam. In dat geval is namelijk sprake van dijkbeplanting. De dijken/dijklichamen staan aangegeven op bijlage VII, Landschap en erfgoed, behorende bij de Omgevingsverordening Zeeland.
Verder gaat deze afdeling niet over handel in en bezit van hout of houtproducten. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is hier namelijk het bevoegd gezag voor.
Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag voor toezicht en handhaving op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (met uitzondering van een aantal specifieke gevallen waarin de minister van Landbouw, Visserij, Voederzekerheid en Natuur het bevoegd gezag is). De provincie kan op basis van artikel 11.117 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de omgevingsverordening aanvullende regels (maatwerkregels) opstellen over het vellen van houtopstanden. In deze afdeling over het vellen van houtopstanden is hiervan gebruik gemaakt.
Voor deze afdeling worden dezelfde oogmerken aangehouden zoals beschreven in artikel 11.112 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
ZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In bepaalde omstandigheden kan kleinschalige verjonging gezien worden als een verzorgingsmaatregel die de blijvende houtopstand kan bevorderen. Hiervan is sprake als de kwaliteit van de bestaande houtopstand gering is en door verjonging van kleine delen van de houtopstand gezorgd kan worden voor een verbetering van die kwaliteit. Met het maken van verjongingsgaten kan het bosklimaat worden behouden. Dit is zowel ecologisch als vanuit productie van belang. Ook biedt het ruimte om in gesloten bossen tijdelijk open ruimten te krijgen. Daarmee wordt de biodiversiteit bevorderd. Het kappen van verjongingsgaten die niet groter zijn dan 1,5 maal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer beslaan dan 10% van de oppervlakte van het bosperceel worden gezien als een dunning waarvoor geen meldplicht aan de orde is.
Op basis van artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving moet het vellen van een houtopstand gemeld worden bij gedeputeerde staten. Artikel 2.169 van de Omgevingsverordening geeft aan welke informatie deze melding moet bevatten. Gedeputeerde staten gebruik de informatie uit de melding om een goed beeld te vormen van de aard en omvang van de te vellen houtopstand, van de herbeplanting en van de reden van de velling.
Een melding moet ten minste 4 weken, maar niet eerder dan een jaar voor het begin van de velling ingediend worden. Dat betekent dat de melder 4 weken moet wachten met de uitvoering van de velling. Er kunnen echter ook omstandigheden zijn die een spoedige velling noodzakelijk maken, bijvoorbeeld bij verkeersonveilige situaties of noodvellingen na storm. In dergelijke spoedeisende situaties kunnen gedeputeerde staten besluiten om af te wijken van deze termijn door stellen van een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 11.119 Besluit activiteiten leefomgeving.
AAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op basis van artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving moet het vellen van een houtopstand gemeld worden bij gedeputeerde staten. Dit moet ten minste 4 weken, maar niet eerder dan een jaar voor het begin van de velling gebeuren. Dat betekent dat de melder vier weken dient te wachten met de uitvoering van de velling. Er kunnen echter ook omstandigheden zijn die een spoedige velling noodzakelijk maken, bijvoorbeeld bij verkeersonveilige situaties of noodvellingen na storm. In dergelijke spoedeisende situaties kunnen gedeputeerde staten besluiten om af te wijken van deze termijn door het stellen van een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 11.119 Bal.
In dit artikel worden regels gesteld over de melding. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de gegevens die bij de melding dienen te worden verstrekt. Gedeputeerde staten dienen zich aan de hand van de gegevens die de melder verstrekt, een goed beeld te kunnen vormen van de aard en omvang van de houtopstand en de reden van de velling.
In bepaalde omstandigheden kan kleinschalige verjonging gezien worden als een verzorgingsmaatregel die de groei van de blijvende houtopstand kan bevorderen. Hiervan is sprake als de kwaliteit van de bestaande houtopstand gering is. Met het maken van verjongingsgaten kan het bosklimaat worden behouden. Dit is zowel ecologisch als vanuit productie van belang. Ook biedt het ruimte om in gesloten bossen tijdelijk open ruimten te krijgen. Daarmee wordt de biodiversiteit bevorderd.
BBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op basis van artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet binnen 3 jaar na velling of tenietgaan van een houtopstand op bosbouwkundig verantwoorde wijze dezelfde grond worden herbeplant. Binnen 3 jaar na herbeplanting moet beplanting die niet is aangeslagen, worden vervangen. In dit artikel worden eisen gesteld aan deze herbeplanting, waarmee ook verdere invulling wordt gegeven aan de bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting van artikel 11.129 van het Bal.
Houtopstanden kunnen meerdere functies hebben en hiermee moet bij de herbeplanting rekening worden gehouden. Voorbeeldfuncties zijn natuur, landschap, houtproductie en recreatie. Gelet op deze punten, verdient het begrip “bosbouwkundig verantwoord”, om breed uitgelegd te worden. Het gaat niet alleen om de houtteeltkundige kwaliteit van de houtopstand, maar ook om de natuur- en landschappelijke waarde.
Het kan voorkomen dat functieverandering van een huidige houtopstand beoogd is, bijvoorbeeld van houtproductie naar recreatie. artikel 2.170 biedt hier de ruimte voor, door te stellen dat de te herbeplanten houtopstand tenminste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden ten opzichte van de gevelde of teniet gegane houtopstand dient te vertegenwoordigen. De te herbeplanten houtopstand hoeft dus niet identiek te zijn aan het tenietgegane of gevelde. Wel moet de waarde ten minste vergelijkbaar zijn. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een soortenrijk loofbos te vervangen door een soortenarme populierenplantage.
Het vellen van een houtopstand kan een grote impact op de omgeving hebben. Het is daarom van belang om deze op zo kort mogelijke termijn te herstellen, zodat de functie die de houtopstand vervult ook snel weer hersteld wordt.
Derhalve worden er eisen gesteld aan de bodemkwaliteit, waterhuishouding, gebruik van soorten en het in sluiting kunnen komen van het kronendak. Dit laatste behelst dat er voldoende en kwalitatief goed plantmateriaal gebruikt dient te worden of dat er voldoende zaailingen aanwezig zijn. Hierbij is aansluiting gezocht bij de huidige jurisprudentie die stelt dat de aangebrachte beplanting binnen een redelijke termijn (maximaal 10 jaar) in sluiting moet zijn. In de praktijk blijkt deze eis bij herbeplanting van rijbeplantingen (van meer dan 20 bomen) onduidelijk en is het moeilijk meetbaar voor zowel de terreineigenaar als toetser/handhaver of hier aan wordt voldaan. Om die reden wordt bij het herbeplanten van rijbeplantingen tevens een maximale plantafstand van 10 meter aangehouden. Het beeldbepalende uiterlijk van een rijbeplanting blijft hierbij intact en verschraling van het landschap wordt tot een minimum beperkt.
Er zijn situaties in Zeeland waarbij er rijbeplanting is die bestaat uit langzaam groeiende bomen met grote kruinen, die op grotere afstand staan als 10 meter. Als de 10 meter maximale plantafstand ook voor herplant van deze bomen geldt, dan zullen deze bomen zich niet kunnen ontwikkelen en in elkaar groeien en zal er daarom voor een kleinere boomsoort gekozen worden, waarmee het historisch beeld van deze rijbeplanting met kenmerkende bomen verloren gaat. In bestaande situaties met duurzame boomsoorten die op een grotere plantafstand staan dan 10 meter, is herplanting eveneens op dezelfde grotere plantafstand toegestaan (als maximale maat) mits dezelfde soort bomen wordt herplant. Als het gaat om duurzame boomsoorten kan worden gedacht aan bijvoorbeeld plataan, tamme kastanje, eik, esdoorn. Om duidelijkheid te scheppen welke boomsoorten als duurzame boomsoorten worden gezien, wordt dit door gedeputeerde staten nader uitgewerkt in beleidsregels.
Met het oog op een evenwichtige functievervulling worden sierheesters, tuinsoorten en soorten die een gevaar vormen voor de biodiversiteit uitgesloten. Een voorbeeld van het laatste is Amerikaanse vogelkers (prunus serotina) die, gezien het woekerende karakter, inheemse vegetaties volledig kan verdringen.
In dit artikel worden eisen gesteld aan de bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting zoals bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De te herbeplanten houtopstand hoeft niet identiek te zijn aan de tenietgegane of gevelde houtopstand. Wel moet de waarde op ecologisch en landschappelijk gebied ten minste vergelijkbaar zijn in kwantiteit en kwaliteit. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om een soortenrijk loofbos te vervangen door een soortenarme populierenplantage.
Gedeputeerde staten zijn verantwoordelijk voor het behoud van de kwaliteit en de oppervlakte aan houtopstanden. Daarom stellen zij eisen aan de bodemkwaliteit, waterhuishouding, plantmateriaal, gebruik van soorten en het in sluiting kunnen komen van het kronendak. Dit laatste betekent dat er voldoende en kwalitatief goed plantmateriaal gebruikt moet worden of dat er voldoende zaailingen aanwezig zijn.
Voor oppervlaktebeplanting is in de huidige jurisprudentie besloten dat de herbeplanting binnen een redelijke termijn van maximaal tien jaar in sluiting moet zijn. In de praktijk blijkt dit moeilijk in te schatten. Daarom is tevens opgenomen dat er binnen drie jaar aantoonbare groei moet zijn.
Voor rijbeplantingen wordt een maximale plantafstand van 10 meter tussen de bomen aangehouden. Het beeldbepalende uiterlijk van een rijbeplanting blijft hierbij intact en verschraling van het landschap wordt tot en minimum beperkt. Hierop is echter een uitzondering mogelijk. Er zijn situaties in Zeeland waarbij een rijbeplanting is die bestaat uit bomen met grote kruinen die bijzonder oud kunnen worden, die op grotere afstand staan dan 10 meter. Als de 10 meter maximale plantafstand ook voor herbeplanting van deze bomen geldt, dan zullen deze bomen zich niet kunnen ontwikkelen en in elkaar groeien en zal er daarom voor een kleinere boomsoort gekozen worden, waarmee het historisch beeld van deze rijbeplanting met kenmerkende bomen verloren gaat. In dergelijke situaties is herbeplanting op dezelfde grotere plantafstand toegestaan mits dezelfde boomsoorten wordt gebruikt.
Gedeputeerde staten stellen regels aan de keuze van soorten die voor herbeplanting in aanmerking komen. Dit doen zij ter bescherming en het behoud van de Natura 2000-instandhoudingsdoelen, wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk en ten gunste van de biodiversiteit in het algemeen. Een voorbeeld van het laatste is een verbod op herbeplanten met tuinsoorten en invasieve exoten zoals Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) die, gezien het woekerende karakter, inheemse vegetaties volledig kan verdringen.
Een spontane natuurlijke verjonging die aan de eisen voldoet zoals in artikel 2.170 van deze paragraaf is beschreven is een toegestane vorm van bosbouwkundig verantwoorde beplanting. Met een spontane natuurlijke verjonging wordt bedoeld een natuurlijke aanwas van houtopstanden uit zaden en/of vruchten. Opschot uit gevelde bestaande houtopstanden zoals hakhout wordt niet gezien als natuurlijke verjonging.
Tot slot komt het soms voor dat een houtopstand wordt geveld zonder dat de velling vooraf is gemeld. Als GS niet weten van de velling, kunnen zij ook niet toezien op de herbeplantingsplicht van deze houtopstand, Dit kan eraan bijdragen dat de Provincie het doel niet haalt om het areaal aan houtopstanden minimaal even groot te houden. Het is dan van beland dat de grond zo snel mogelijk weer herbeplant wordt. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen gedeputeerde staten daarom besluit de herbeplantingstermijn in te korten naar een eerdere, redelijke termijn. Bij het bepalen van de verkorte termijn houden gedeputeerde staten rekening met het meest geschikte plantseizoen en de mogelijkheid om binnen die termijn te beschikken over plantgoed voor de herbeplanting.
CCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op basis van artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving kunnen gedeputeerde staten bij maatwerkvoorschrift toestemming geven voor herbeplanting op andere grond dan waarop de velling plaatsvond. Daarvoor moet wel worden voldaan aan extra eisen die gesteld zijn in de omgevingsverordening. Deze eisen zijn in dit artikel opgenomen. Naast artikel 2.171 van de eisen die gelden voor herbeplanting op dezelfde grond, gelden er aanvullende eisen voor de herbeplanting op andere grondOmgevingsverordening Zeeland opgenomen.
Een andere grond moet misschien eerst gezocht, en vervolgens aangekocht of gepacht worden. Om te waarborgen dat ook herbeplanting op andere grond toch binnen drie jaar is gerealiseerd, dient de melder uiterlijk twee jaar na de velling de aanvraag tot herbeplanting op andere grond in te dienen.
Gedeputeerde staten hanteren als uitgangspunt dat herbeplanting plaatsvindt op dezelfde locatie als waar de houtopstand is geveld. Hiermee wordt recht gedaan aan het behoud van de lokale natuur- en landschapswaarden. Soms is dat echter niet mogelijk of niet wenselijk, bijvoorbeeld omdat de grond een andere bestemming krijgt of omdat de locatie ongeschikt is voor nieuwe aanplant. In dat geval kunnen gedeputeerde staten maatwerkvoorschriften opleggen, zodat herbeplanting op een andere geschiktere locatie kan plaatsvinden. Het uitgangspunt blijft dat dit bij voorkeur binnen dezelfde gemeente gebeurt. Alleen met een gegronde reden mag dit ook binnen een andere gemeente in de provincie Zeeland. Van een gegronde reden kan sprake zijn bij bijvoorbeeld ruimtelijke of ecologische beperkingen en eigendoms- en veligheidsbelemmeringen.
Het is niet toegestaan om beplantingen die een belangrijke ecologische of landschappelijke functie vervullen eldersergens anders te herbeplanten. DoelHet doel hiervan is een verdereom ecologische of landschappelijke verschraling van het landschap tegen te gaan. Met landschapselementen en kleine houtopstanden moet bijvoorbeeld gedacht worden aan houtwallen of -singels, lanen, en kleine bosjes gelegen in het landelijk gebied. Verschil met het kapverbod (artikel 11.128, van het Besluit activiteiten leefomgeving) is, dat in deze gevallen wel velling is toegestaan, maar dat de houtopstand op dedezelfde plaats van de velling dient terug te komenherbeplant moet worden.
Het is niet toegestaan om beplanting die bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.44, eerste lid,van Natura 2000 en wezenlijke kenmerken en waarden van de Omgevingswethet Natuurnetwerk op andere grond te herbeplanten. IndienAls een houtopstand bijvoorbeeld aangewezen is als habitattype 'Duinbos', met als instandhoudingsdoelstelling 'uitbreiding met behoud van de goed ontwikkelde locaties', dan ligt het niet in de rede vanuit de Omgevingswetzou herbeplanting ergens anders een andere afweging te makenafbreuk zijn aan deze instandhoudingsdoelstelling. Dit is ongewenst.
Voorkomen moet worden dat percelen, die al hoge natuurwaarden of bijzondere waarden kennen, actief bebost worden in het kader van herbeplanting op andere grond bijvoorbeeld percelen waar reeds een natuurbestemming op ligt of op weidevogelgebieden en dergelijke.
Oude bosgroeiplaatsen zijn zeldzaam in Nederland. Op deze plaatsen is sprakespraken van een langdurige ongestoordeongestuurde ontwikkeling van de bosbodem. De bodem krijgt hierdoor specifieke kenmerken die gunstig zijn voor soorten die slechtsslecht groeien in langdurig ongestoorde bossystemen. Om deze reden dienenzijn deze bodems bescherming te krijgen, en is het niet mogelijk om houtopstanden op deze bodems elders te compenserenbeschermd. Het is aan gedeputeerdeGedeputeerde staten om te beoordelen of op deze bodems ook een kapverbod aan de orde kan zijn.
Het bepalen of het gaat om een oude bosbodem kan op verschillende manieren. Via (oude) topografische kaarten, kadastrale kaarten en/of foto’s kan dit veelal worden vastgesteld. Deze gegevens kunnen ondersteund worden door vegetatiegegevens of gegevens over het voorkomen van nadere soorten, waaruit blijkt dat er sprake is van soorten die kenmerkend zijn voor oude bosbodems of oude minimaal verstoorde bossystemen.
Er zijn situaties waarin houtopstanden moeten wijken om een werk overeenkomstig een omgevingsplan te realiseren. Er moet sprake zijn van werkzaamheden, zoals het oprichtingen van bouwwerken, waarbij de houtopstand of bosgroeiplaats onevenredig wordt aangetast, en die specifiek nodig zijn om invulling te kunnen geven aan het omgevingsplan. Hieronder wordt bijvoorbeeld ook verstaan het aanleggen van sportvelden. Het gaat niet om het kunnen uitvoeren van activiteiten, of alleen het toepassen van een ander grondgebruik of bodemcultuur. Hieronder wordt bijvoorbeeld niet verstaan het vellen en herbeplanten van houtopstanden op andere gronden die in landelijk gebied staan en die geveld worden om agrarische activiteiten (beter) uit te kunnen voeren. In dergelijke situaties wordt een meer integrale (belangen)afweging gemaakt voor de ruimtelijke omgeving. Wel dient een houtopstand herbeplant te worden op andere grond maar gelden er minder eisen.
Indien al sprake is van een plicht tot
Een herbeplanting op een bepaalde locatie kan hier niet nogmaals gecompenseerdtegelijk voor meerdere compensatie- of mitigatie doeleinden worden, omdat daarmee ingezet. Hierdoor zou namelijk de totale oppervlakte aan houtopstanden zou verkleinen. Zo is het ook niet toegestaan om te herbeplanten op plaatsen waar al compensatieverplichtingen voor andere gevallen liggen, die ontstaan zijn uit andere regelgeving.
Voorkomen moet worden dat percelen, die al hoge natuurwaarden of bijzondere waarden kennen, actief bebost worden in het kader van herbeplanting op andere grond. Bijvoorbeeld percelen waar reeds een natuurbestemming op ligt of weidevogelgebieden en dergelijke.
Herbeplanting op andere grond binnen het Natuurnetwerk Zeeland is alleen toegestaan als de gevelde of tenietgegane houtopstand ook binnen het Natuurnetwerk Zeeland lag. Deze regel is er om te voorkomen dat houtopstanden verdwijnen uit het landelijk gebied en uitsluitend nog voorkomen binnen het Natuurnetwerk.
Een andere grond moet soms eerst gezocht en vervolgens aangekocht of gepacht worden. Om te waarborgen dat ook herbeplanting op andere grond toch binnen drie jaar is gerealiseerd, moet de melder uiterlijk twee jaar na de velling de aanvraag tot herbeplanting op andere grond indienen.
DDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er zijn
In sommige gevallen denkbaar waarbijgaan houtopstanden spontaan teniet gaan en waarbijdoor vernatting door natuurlijke processen of door anti-verdrogingsmaatregelen. In deze gevallen is het niet redelijk is dat eigenaren verplicht worden tot herbeplanting, omdat bosvorming op dezelfde locatie niet meer mogelijk is. Voor die gevallen is in dit artikel een uitzondering opgenomen op de verplichting tot herbeplanten.
EEEEEEE
Na sectie 2.11.3 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Het is mogelijk om af te wijken van de in deze afdeling gestelde regels. Dit kan door de gedeputeerde staten te verzoeken om een maatwerkvoorschrift, als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet. Dit maatwerkvoorschrift wordt alleen verleend wanneer in het verzoek voldoende onderbouwing staat dat het afwijken van de regel gunstig is voor de groei, het duurzaam behoud en de kwaliteit van de houtopstand.
Enkele voorbeelden waarbij gedeputeerde staten via maatwerkvoorschriften van de regels in de verordening kunnen afwijken:
Natuurlijke verjonging is in sommige situaties wenselijker dan herbeplanting met aangekocht plantgoed van elders. Een natuurlijk verjongingsproces heeft vaak echter langer nodig dan drie jaar om weer als een volwaardige houtopstand gezien te worden. In dat kunnen gedeputeerde staten maatwerkvoorschriften opleggen voor een verlenging van de termijn van 'herbeplanting'.
In sommige gevallen is het landschappelijk gezien wenselijk om rijbeplantingen te hebben met bomen die een grote kroonomvang krijgen. Om de groei van deze bomen niet te belemmeren is het dan wenselijk om te kunnen afwijken van de maximale onderlinge plantafstand van 10 meter zoals vastgelegd in deze verordening.
FFFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 5.1.1 worden regels gesteld over de ontwikkeling van bedrijven. Noodzaak in verband met provinciaal belang is gelegen in: zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling en concentratie alsmede het voorkomen van een onnodige inbreuk op de kwaliteit / openheid van het buitengebied. Tevens streeft de Provincie naar herstructurering van bestaande terreinen.
In het eerste lid is tot uitdrukking gebracht dat de ontwikkeling (vestiging en uitbreiding) van bedrijvigheid in beginsel moet plaatsvinden op locaties waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening al een bedrijf is toegestaan. Dit kan op grond van een omgevingsplan, een projectbesluit of een omgevingsvergunning.
Voorts mag bedrijvigheid worden toegelaten op nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen, binnen het kader zoals bedoeld in de ladder duurzame verstedelijking. Een beleidsmatige doelstelling is verder dat het overgrote deel van de nieuw te ontwikkelen bedrijvigheid wordt geclusterd op of aansluitend aan grootschalige bedrijventerreinen. Voor de begrenzing van deze terreinen is uitgegaan van de ten tijde van de voorbereiding van de verordening geldende bestemmingsplannen waarin deze terreinen voor bedrijven zijn bestemd. Daarbij is gekozen voor een (bruto) begrenzing van de terreinen met inbegrip van de groenstroken rond de terreinen. Met aansluitend wordt bedoeld niet doorsneden door doorgaande wegen, waterwegen, spoorwegen of waterlopen of oppervlaktewaterlichamen waarvoor een peilbesluit geldt. De aanwijzing in deze verordening als "grootschalig bedrijventerrein" is gebaseerd op de door de regio's opgestelde bedrijventerreinenprogramma's. Het betreft terreinen met een zekere ontwikkelingspotentie gezien de ligging, de ontsluiting en het economisch belang.
De bestaande grootschalige bedrijventerreinen zijn:
Regio De Bevelanden
Hertenweg (gemeente Borsele)
De Poel I en IV, De Poel II en III en Deltaweg (gemeente Goes)
Smokkelhoek (gemeente Kapelle)
Nishoek en Olzendepolder (gemeente Reimerswaal)
Regio Schouwen-Duiveland
Regio Tholen
Regio Walcheren
Arnestein en Mortiere I (gemeente Middelburg)
Kenniswerf (Edisonweg, Binnenhavens), Poortersweg en Souburg (gemeente Vlissingen)
Regio Zeeuws-Vlaanderen
Handelspoort, Koegorspolder en Noorderdokken (gemeente Terneuzen)
Hogeweg en Hogeweg V (gemeente Hulst)
De door de regio’s opgestelde bedrijventerreinenprogramma’s behoeven de instemming van gedeputeerde staten. In aanvulling op bovengenoemde bestaande grootschalige bedrijventerreinen is nieuwvestiging van nieuwe grootschalige bedrijventerreinen op grond van deze verordening niet uitgesloten. Bij de indeling tussen grootschalige en kleinschalige terreinen geldt in het algemeen dat kleinschalige bedrijventerreinen ruimte bieden aan bedrijven tot en met milieuhindercategorie 3 en met een kavelgrootte van maximaal 0,5 hectare. Kleinschalige bedrijventerreinen zijn primair bedoeld voor bedrijvigheid die qua aard en schaal aansluiten bij de plaats of de omgeving waar het toe hoort. Grootschalige bedrijventerreinen worden over het algemeen gekenmerkt door een grotere kavelgrootte en de mogelijkheid voor het accommoderen van bedrijfsactiviteiten tot en met milieuhindercategorie 4. Bedrijvigheid op grootschalige terreinen heeft veelal een regionale of bovenregionale schaal.
Een omgevingsplan dat nieuwvestiging of uitbreiding van een bedrijventerrein mogelijk maakt, maakt tevens aannemelijk dat de inrichting van het bedrijventerrein klimaatbestendig is en dat duurzaam beheer en onderhoud gewaarborgd is.
Klimaatbestendig wil zeggen dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de mate waarin een gebied bestendig is tegen hittestress, droogte, wateroverlast en overstromingsrisico’s. Dit uitgangspunt sluit aan bij het landelijke en Zeeuwse beleid voor klimaatadaptatie. In het landelijke Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is vastgelegd dat Nederland in 2050 klimaatbestendig moet zijn ingericht. In Zeeland is dit met de mede-overheden uitgewerkt in de Klimaatadaptatie Strategie Zeeland 2021-2026 (KasZ) inclusief bijbehorende Uitvoeringsagenda en convenant. Deze documenten zijn door alle bevoegde gezagen vastgesteld. In beginsel is daarmee elk bevoegd gezag gehouden aan de opgave. In de KasZ staat over het klimaatbestendig inrichten van de buitenruimte dat (…) voor alle nieuwe ontwikkelingen, binnen en buiten het bestaand bebouwd gebied de klimaatopgave verplicht wordt meegenomen in de brede (o.a. ruimtelijke) afweging (…). Het uitgangspunt is dat de ontwikkeling in eerste instantie vanuit zichzelf klimaatbestendig moet zijn. Daarnaast moet afgewogen worden of de ontwikkeling bij kan dragen aan het oplossen van de klimaatopgave van de omgeving waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt.
Onder duurzaam beheer wordt verstaan een verzorgde openbare ruimte en maatregelen die leiden tot een intensiever gebruik van ruimte en, zo mogelijk, maatregelen die leiden tot een hoger bedrijfseconomisch rendement en minder milieubelasting.
Daarnaast maakt de motivering bij een omgevingsplan, dat nieuwvesting of uitbreiding mogelijk maakt, aannemelijk dat in de woonbehoefte van de toekomstige werknemers wordt voorzien (tweede lid onder sub e). Dit is vooral nodig als er sprake is van een substantiële toename van werkgelegenheid en is nog meer van belang als de verwachting is dat een deel van deze arbeidskrachten in het buitenland geworven zal worden of als de bedrijvigheid veel tijdelijke arbeidskrachten aantrekt. Een dergelijke motivering kan gebaseerd zijn op een effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid, waarvoor de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een handreiking heeft gemaakt.
Wat een goede landschappelijke inpassing ten behoeve van biodiversiteit en landschap is hangt af van de locatie en de omvang van de bebouwing in relatie tot het omliggende gebied. Er is ruimte voor maatwerk om op de betreffende locatie tot een goede landschappelijke inpassing te komen. Als indicatie geldt voor een afschermende groengordel een breedte van 10 meter als algemene norm. Dit met een passende hoogte en gebiedseigen soorten. De landschappelijke inpassing wordt toegelicht in een plan voor de landschappelijke inpassing dat bestaat uit een inrichtingstekening van de ruimtelijke ontwikkeling, met een toelichting van tekst en beeldmateriaal.
Daarin zijn opgenomen:
Een beschrijving van de ontwikkeling;
Kenmerken van de locatie en visualisaties;
Een tekening van de inrichting voor en na de ontwikkeling met locaties en omvang van gebouwen, verharding, beplanting, perceelsranden;
Een beheerplan;
Een beplantingslijst.
Kleinschalige bedrijventerreinen hebben beperkte uitbreidingsmogelijkheden. Het dient dan te gaan om De hoofdregel in lid drie biedt de mogelijkheid voor een eenmalige beperkte afronding, waarbij de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert. Het begrip éénmalig is voor het eerst benoemd in de Omgevingsverordening Zeeland 2018. Eénmalig betekent daarom dat kleinschalige bedrijventerreinen die na 7 november 2018, de datum van inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Zeeland 2018, al zijn uitgebreid niet meer in aanmerking komen voor een verdere uitbreiding. IJkpunt hierbij is de datum van het onherroepelijk worden van het betreffende bestemmingsplan. Ook terreinen die al als afgerond kunnen worden beschouwd, door het bereiken van landschappelijke of infrastructurele grenzen kunnen niet verder uitgebreid worden. Onder een beperkte afronding waaronder wordt verstaan een netto afronding of uitbreiding van ten hoogste 20% of maximaal 0,5 hectare. Onder een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit wordt in ieder geval niet verstaan het verwezenlijken van een gebruikelijke landschappelijke inpassing (groenstrook van 5 tot 10 meter breed). Die maakt immers deel uit van de in lid 2 regel d benoemde reguliere eisen die aan dergelijke ontwikkelingen mogen worden gesteld. Tevens wordt opgemerkt dat de verplaatsing van bedrijven uit de kern niet per definitie een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het bedrijventerrein met zich mee brengt. Onder een verbetering van ruimtelijke kwaliteit wordt onder andere verstaan een meer dan gebruikelijke groenstructuur rond het bedrijventerrein of het oplossen van bedrijfsgerelateerde knelpunten door de aanwezigheid/uitbreiding van het bedrijf op die locatie. Voorbeelden hiervan zijn een aanzienlijke verbetering van de openbare ruimte/de inrichting of de ontsluiting van het terrein of de directe omgeving ervan, het oplossen van hinder door geur, trilling, geluid, stof, het oplossen van knelpunten op het gebied van externe veiligheid, enzovoorts.
Hoewel de hoofdregel in het derde lid staat, zijn er specifieke situaties denkbaar waarin een win-win situatie kan ontstaan voor zowel de ondernemer als de provinciale en algemene belangen en het noodzakelijk is meer dan de norm uit te breiden. Deze situaties zijn altijd per geval te beoordelen.
Hoewel de hoofdregel in het derde
Het vierde lid staat, zijn er specifieke situaties denkbaar waarin een win-win situatie kan ontstaan voor zowelbiedt de ondernemer als de provinciale en algemene belangen en het noodzakelijk ismogelijkheid om meer dan de norm uit te breiden. Deze situaties zijn altijd per geval te beoordelen dan 20%. Bij dezede beoordeling is het een voorwaarde dat elders in de Provincie Zeeland alle uitbreiding boven de gegeven norm wordt gesaneerd en de mogelijkheid van bedrijfsvestiging uit het omgevingsplan wordt gehaald. Het doel hiervan is dat er netto geen uitbreiding van bedrijventerreinen plaatsvindt. Daarnaast is dit wel een extra mogelijkheid voor bedrijven. De win-win situatie kan met name ontstaan als er naast de eenmalige uitbreiding bovendien aanwezige en/of te verwachten andere knelpunten tegelijkertijd verminderen/oplossen. Daarnaast is deze regeling een instrument om de herstructurering/sanering van verouderde bedrijventerreinen verder te stimuleren.
Het vijfde lid biedt de mogelijkheid van een aanwijzing van een kleinschalig bedrijventerrein als kleinschalig-plus bedrijventerrein. Deze aanwijzing als 'kleinschalig-plus bedrijventerrein' is gebaseerd op de door de regio's opgestelde bedrijventerreinenprogramma's. De kleinschalige-plus bedrijventerreinen zijn bedoeld om meer uitbreidingsmogelijkheden te bieden aan lokale economische bedrijvigheid t.b.v. de economische vitaliteit en leefbaarheid van de omliggende kern(en). Kleinschalige-plus bedrijventerreinen zijn primair bedoeld voor bedrijvigheid die qua aard en schaal aansluiten bij de plaats en omgeving. Een kleinschalig-plus bedrijventerrein is uitdrukkelijk geen grootschalig bedrijventerrein, door het onderscheid in kavelgrootte, milieucategorie en schaalniveau. Een kleinschalig-plus bedrijventerrein heeft niet de beperking van 20% uitbreiding die kleinschalige bedrijventerrein wel hebben. De overige randvoorwaarden voor ruimte, landschap en ontsluiting zijn gelijk aan die van kleinschalige bedrijventerreinen.
Economie en bedrijvigheid zijn zowel een gemeentelijk als een regionaal vraagstuk. Bedrijfsverplaatsingen vinden voor het grootste deel plaats binnen gemeentegrenzen en met gemeenten in de regio, veelal de buurgemeenten. Grootschalige bedrijventerreinen hebben een regionale en soms bovenregionale functie. De provincie heeft een coördinerende rol in het afstemmingsproces en ziet erop toe dat lokaal beleid in lijn is met de regionale economische ontwikkeling en de toekomstige behoefte aan bedrijventerreinen. De provincie benoemt in lid zes vijf regio's waarbinnen dit afstemmingsproces plaats moet vinden. Dit zijn de regio's Schouwen-Duiveland, Tholen, de Bevelanden, Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen.
Afstemming vindt plaats in de regionale bedrijventerreinenprogramma's. Regionale bedrijventerreinenprogramma's worden gemaakt door de gemeenten in de regio. De door de regio's opgestelde bedrijventerreinenprogramma's behoeven de instemming van gedeputeerde staten. Zonder regionale bedrijventerreinenprogramma's kunnen bedrijventerreinontwikkelingen niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Regionale bedrijventerreinafspraken moeten uiterlijk binnen één jaar na de provinciale bedrijventerreinenprognose tot stand zijn gekomen en worden vervolgens tweejaarlijks geactualiseerd. Indien afspraken niet tijdig tot stand komen kunnen gedeputeerde staten regionale bedrijventerreinenprogramma's vaststellen. Dit doen gedeputeerde staten alleen in uitzonderingssituaties in het provinciaal belang.
De regionale bedrijventerreinenprogramma's worden gebaseerd op de dan meest actuele provinciale bedrijventerreinenprognose. Van de inzichten uit de provinciale prognose kan bij het maken van regionale bedrijventerreinenafspraken alleen gemotiveerd worden afgeweken als hier gegronde redenen voor zijn en voor zover de regionale afspraken betrokken partijen hiermee akkoord zijn.
Om op het beleid aan te sluiten moet een aantal onderwerpen minimaal terugkomen in de regionale bedrijventerreinenprogramma's: afspraken over de economische ambitie, plannen en inzet op de bestaande bedrijventerreinenvoorraad (verduurzaming, herstructurering en beter benutten) en een overzicht van alle plannen voor nieuwe bedrijventerreinen met onderscheid naar planstatus en beoogde realisatie.
De hoofdregel dat bedrijven alleen zijn toegestaan op een bedrijventerrein en locaties waarop reeds bedrijven zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, is niet van toepassing op enkele in het vijfde lid genoemde bedrijven, voorzieningen en activiteiten. Het betreft onder andere specifieke voorzieningen zoals afvalstort, grondstoffenwinning, olie en gaswinning, horeca- en recreatiebedrijven. Daarnaast zijn hier ook genoemd de zogenaamde nieuwe economische dragers en andere niet-agrarische activiteiten in het landelijke gebied.
Nieuwe economische dragers en andere niet-agrarische activiteiten in het landelijke gebied
De verwachting bestaat dat een substantieel deel van de agrarische ondernemers de agrarische activiteiten zal beëindigen. Herbestemming of sanering van de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen is noodzakelijk om verpaupering te voorkomen. Nieuwe economische dragers leveren een bijdrage aan het behoud van de vitaliteit van het landelijk gebied. De Provincie streeft naar voldoende ruimte voor nieuwe en uitbreiding van bestaande niet- agrarische en semi-agrarische activiteiten in het landelijk gebied. Voorwaarde is dat deze activiteiten qua aard, schaal, omvang en verkeer aantrekkende werking passen in het landelijk gebied. Bovendien wil de Provincie onnodige verstening van het landelijk gebied tegengaan. Een nieuwe activiteit dient daarom een bijdrage te leveren aan de herbestemming of sanering van vrijkomende bebouwing en het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.
Wat in het landelijk gebied wordt gerealiseerd wordt echter niet in de kern of op een bedrijventerrein gerealiseerd. Dit vraagt om afstemming van de ontwikkelingsmogelijkheden in het landelijk gebied en de mogelijkheden in of aansluitend aan de kernen.
Naast de ontwikkelingsruimte voor wonen en recreatie biedt de Provincie in het landelijk gebied ruimte voor de ontwikkeling van nieuwe economische dragers. Het gaat per definitie om kleinschalige activiteiten die qua aard, schaal, omvang en verkeer aantrekkende werking passen in het landelijk gebied.
In bijlage III is een voorbeeldlijst opgenomen van mogelijke activiteiten. Van gemeenten wordt verwacht dat zij in hun omgevingsplan een vergelijkbare lijst opnemen met toegestane activiteiten.
Van gemeenten wordt verwacht dat zij in hun afweging het waterschap betrekken zodat de waterschapsbelangen (verkeersontsluiting) geborgd zijn.
Wanneer realisatie, uitbreiding of nieuwvestiging van een nieuwe economische drager in het landelijk gebied infrastructurele aanpassingen noodzakelijk maken, zijn de kosten voor deze aanpassingen voor rekening van de initiatiefnemer of de gemeente die de ontwikkeling mogelijk maakt. Initiatieven mogen niet leiden tot belemmeringen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven. In het achtsteveertiende lid is bepaald dat nieuwvestiging in nieuwe bebouwing is toegestaan als de motivering van het omgevingsplan aannemelijk maakt dat het aantal bouwvlakken in de regio niet toeneemt. Met de regio wordt bedoeld Zeeuws-Vlaanderen, Walcheren, Tholen, Schouwen-Duiveland en of de Bevelanden.
Waar de Nieuwe Economische Drager een verblijfsrecreatieve voorziening is, wordt verwacht dat deze voldoet aan een aantal kwalitatieve voorwaarden t.b.v. een eenduidig Zeeuws kwaliteitsniveau van logiesaccomodaties.
Bij een NED is een uitgangspunt inderdaad (gebruik van) bestaande bebouwing, maar er kan ook sprake zijn van uitbreiding (onder voorwaarden) dan wel nieuwvestiging (onder voorwaarden/sanering). Afhankelijk van bestaand/nieuw/uitbreiding/sanering zal er in relatie met het omringende landschap en dichtheid/omvang bebouwing passendheid moeten worden gezocht. Passend in het landschap kan betekenen dat gebouwen wegvallen in het landschap, evenals dat er aandacht is voor de structuur en karakter van het (oorspronkelijke) erf, voor elementen uit het (cultuurhistorisch) landschap rondom en het DNA van de leefomgeving.
De hier beschreven mogelijkheden zijn niet van toepassing op nieuwvestiging van bedrijven die zich richten op de industriële verwerking van producten. Nieuwvestiging van dergelijke bedrijven is uitsluitend mogelijk op bedrijventerreinen/zeehavens.
Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening legaal aanwezige activiteiten die niet voldoen aan de hiervoor genoemde uitgangspunten mogen in beginsel worden gecontinueerd.
Onder "overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid" worden onder meer begrepen: gemalen, rioolwaterzuiveringsinstallaties en vergelijkbare milieudienstverlening, radarinstallaties etc.
Lijst nieuwe economische dragers
In het beleid ten aanzien van het realiseren van Nieuwe Economische Dragers in het landelijk gebied wordt voor de toegestane activiteiten onderscheid gemaakt in het hergebruiken van bestaande bebouwing en nieuwvestiging. Daar waar het gaat om het hergebruiken van bestaande bebouwing bepaalt de gemeente welke activiteiten kunnen worden toegestaan. Hiertoe neemt de desbetreffende gemeente een lijst met toegestane activiteiten op in het omgevingsplan.
De lijst in bijlage III kan daarbij worden beschouwd als een voorbeeldlijst. Dit is niet het geval voor de mogelijkheden voor nieuwvestiging van een nieuwe economische drager. Daarvoor heeft deze lijst een limitatief karakter. Voor activiteiten waarvoor nieuwvestiging tot de mogelijkheden behoort is dit apart met een X aangegeven. Gemeenten kunnen van de in de tabel voor nieuwvestiging aangegeven activiteiten afwijken voor activiteiten die naar aard, verkeersaantrekking en invloed op de omgeving gelijkgesteld kunnen worden met de in de tabel genoemde activiteiten.
Voorwaarde nieuwvestiging agrarisch bouwvlak
Voor agrarische bedrijven, bedoeld in het vijfde lid, sub g, van dit artikel, geldt het volgende. In de afgelopen periode is een groot aantal agrarische bedrijven gestopt. Dit is een proces dat de komende jaren zal doorzetten. Vrijkomende agrarische bebouwing wordt hergebruikt door andere (nieuwe) agrarische ondernemers, herbestemd of gesaneerd. Door het afnemend aantal agrarische ondernemers zijn nieuwe agrarische bouwblokken niet noodzakelijk en willen we hiervoor ook geen mogelijkheden bieden om de openheid van het landelijk gebied te beschermen en hergebruik van bouwvlakken te bevorderen. Uitzonderingen op deze regel zijn mogelijk in de gevallen zoals die zijn beschreven in het artikel (elfde lid). Ook in die gevallen gelden voorwaarden die zijn gericht op behoud van de openheid van het landelijk gebied.
Het gaat dan om gevallen waarin:
Sprake is van verplaatsing binnen een gemeente of regio, mits op het oude bouwblok ten minste alle agrarische opstallen worden gesaneerd en herbouw hiervan wordt tegengegaan of, ingeval van cultuurhistorische waardevolle bebouwing, op adequate wijze wordt herbestemd;
Sprake is van nieuwvestiging en geen vrijkomende agrarische bouwblokken beschikbaar zijn, de bedrijfseconomische noodzaak aantoonbaar is, en een bijdrage wordt geleverd in de sanering van agrarische opstallen elders.
Sanering van een eventueel aanwezige agrarische bedrijfswoning is daarbij niet noodzakelijk.
Voor het bepalen van de bijdrage voor sanering van agrarisch opstallen elders wordt verwezen naar het in 2013 afgesloten convenant tussen de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten (VZG) en de provincie waarbij afspraken zijn gemaakt over het door gemeenten te hanteren vereveningsprincipe, gebaseerd op een bij dat convenant behorende Handreiking Verevening. In de handreiking wordt uitleg gegeven over de achtergronden en de hoogte van de benodigde financiële compensatie en inzet van deze compensatie.
IIIIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 5.45.5 worden regels gesteld over de ontwikkeling van nieuwe grootschalige kantoren. Het betreft kantoren met meer dan 1000 m2 bruto vloeroppervlak waar niet-kantoorfuncties geen substantieel onderdeel uitmaken van het gebouw of de gebouwen.
Hoofdregel is dat dergelijke kantoren zich alleen mogen vestigen in of direct aansluitend aan de binnenstad van Goes, Middelburg, Vlissingen en Terneuzen. Indien vestigingsruimte in de centra ontbreekt kunnen dergelijke kantoren gerealiseerd worden op een locatie aan een toegangsweg naar het stadscentrum, op een locatie dichtbij een doorgaande weg en op een locatie aan de stadsrand bij de toegangswegen. In de motivering dient aannemelijk gemaakt te worden dat vestigingsruimte, onder andere gelet op specifieke vestigingseisen, in de centra ontbreekt.
Noodzaak van de regels in verband met provinciaal belang is gelegen in: zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling en concentratie alsmede het voorkomen van een onnodige inbreuk op de kwaliteit/openheid van het buitengebied. Verder draagt het beleidsdoel van bundeling en concentratie bij aan de vitaliteit en leefbaarheid van de stadscentra en het voorkomen van leegstand in deze gebieden.
LLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 5.55.6 is bepaald dat een nieuwe detailhandelsvoorziening en uitbreiding van een bestaande detailhandelsvoorziening, primair kan worden gerealiseerd in een bestaand kernwinkelgebied. Een omgevingsplan dat geen bijdrage levert aan bundeling en concentratie is in beginsel strijdig met het beleidsdoel. Hierop zijn wel enkele uitzonderingen benoemd in de artikelen 5.4 tot en met 5.6. Hierbij bestaat wel afwegingsruimte. Bijvoorbeeld een supermarkt die ruimtelijk (in verband met omvang en verkeersontsluiting) aantoonbaar niet inpasbaar is in het kernwinkelgebied mag op enige afstand van het kernwinkelgebied, binnen stedelijk gebied worden toegestaan. Ook een bestaande winkel buiten het kernwinkelgebied kan enige ontwikkelingsruimte worden geboden. Hiervoor is wel een goede motivering nodig omdat een dergelijke situatie per definitie niet bijdraagt aan bundeling en concentratie in het kernwinkelgebied. In die situaties zal maatwerk moeten worden geleverd waarbij per geval een zorgvuldige belangenafweging dient te worden gemaakt.
Wat de motiveringsplicht betreft zoals opgenomen in het tweede lid wordt nog het volgende opgemerkt. Een beperkte uitbreiding of een nieuwvestiging van beperkte omvang vergt geen uitvoerige motivering. Naarmate de inbreuk op het geldende planologisch regime geringer is worden er ook minder zware eisen gesteld aan de motivering. Bij het toelaten van detailhandelsvoorzieningen binnen een kernwinkelgebied (binnenstad, dorpscentrum) is geen motivering per individuele winkel noodzakelijk maar kan worden volstaan met een algemene motivering die betrekking heeft op het desbetreffende gebied.
In het derde lid zijn enkele specifieke detailhandelsvoorzieningen opgenomen die onder voorwaarden ook buiten een bestaand kernwinkelgebied kunnen worden gerealiseerd. Onder volumineuze goederen worden verstaan: auto's, boten, caravans, grove bouwmaterialen en naar aard en omvang vergelijkbare goederen. Onder gevaarlijke goederen worden begrepen explosiegevaarlijke goederen, bestrijdingsmiddelen en naar aard vergelijkbare goederen. Handel in volumineuze en gevaarlijke goederen wordt doorgaans op bedrijventerreinen aan de rand van de stad gevestigd.
Onder een kleinschalige detailhandelsvoorziening wordt verstaan: een kleinschalige voorziening met een verzorgingsgebied dat zich in hoofdzaak beperkt tot de dorpskern.
Een voorbeeld van functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid is: een benzinestation langs een (rijks)weg.
MMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 5.15 totde artikelen 5.46 en met 5.17 5.47 van paragraaf 5.1.3 paragraaf 5.1.10 worden kleinschalige woninglocaties buiten stedelijk gebied benoemd die gericht zijn op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied (bijvoorbeeld bouwmogelijkheden door middel van 'ruimte-voor-ruimte' of landgoederen). Onder kleinschalige woningbouwlocaties verstaan we een locatie waar de bouw of toevoeging anderszins van drie of minder woningen mogelijk worden gemaakt. Het provinciale belang is gelegen in het streven naar een verbetering van de kwaliteit van het buitengebied door het saneren van bebouwing, het creëren van een aantrekkelijk landschap en het verhogen van natuurwaarden, bijvoorbeeld door de aanleg van bos en beplanting. Buiten- en niet aansluitend aan bestaand stedelijk gebied zijn nieuwe burgerwoningen in beginsel niet toegestaan, tenzij een van de uitzonderingen uit de artikelen 5.15, 5.165.46 of 5.175.46 van toepassing is.
Voor de definitie van het stedelijk gebied wordt verwezen bijlage I.
NNNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
1a: Onderbouwing binnen of buiten stedelijk gebied
Als woningen worden gebouwd buiten stedelijk gebied gaat dit ten koste van andere functies en heeft het gevolgen voor het landschap. Dit vraagt om een goede afweging van alle belangen. Om deze afweging te kunnen maken geeft de Zeeuwse Omgevingsvisie een viertal afwegingsfactoren die hiervoor ingezet kunnen worden. Vooral belangrijk in dit kader zijn de factoren ‘Doe meer met minder grond’, waarbij wordt gepleit om nieuw ruimtebeslag op land en water zoveel mogelijk te beperken en te combineren, en ‘Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten’, waarbij wordt gepleit om van elke verandering een verrijking te maken met behulp van de Zeeuwse kernkwaliteiten. Dit is ook vertaald in subdoelen 1 en 2 onder paragraaf 7.3 (deel B). Hierin gaat het om het bereiken van toekomstbestendige woongebieden op de goede plek, bundeling van functies voor het uitlokken van gezond gedrag, duurzaamheid en veiligheid.
Voor woningbouwontwikkelingen die volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aangemerkt kunnen worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling geldt een zwaardere motivatieplicht. Een woningbouwontwikkeling van 12 of meer woningen geldt in 2024 nog als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is daarom ‘ladderplichtig’. Met ingang van de wet versterking regie op de volkshuisvesting ligt de grens waarschijnlijk op 50 woningen. Voor woningbouwontwikkelingen die boven deze grens liggen geldt een wettelijke motivatievereiste. Aangetoond moet worden dat de woningbouwontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Om gemeenten hierbij te ondersteunen is het Dashboard ladderruimte en het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland beschikbaar.
Bij woningbouwontwikkelingen buiten stedelijk gebied met een omvang van minder dan 50 woningen is het nodig om aan te tonen dat deze ontwikkeling redelijkerwijs niet binnen stedelijk gebied plaats kan vinden. Het gaat hierbij om een lichte vorm van een ruimtelijke afweging van belangen en functies, met gebruik van de omgevingsfactoren en kernkwaliteiten uit de Zeeuwse Omgevingsvisie. Het volkshuisvestelijke belang, (versnelling woningbouw, betaalbaarheid, woningen voor aandachtsgroepen) weegt hierbij zwaar. Een uitgebreide locatiestudie is dan ook niet nodig.
Voor woningbouwontwikkelingen buiten stedelijk gebied met meer dan 50 woningen wordt een uitgebreidere toelichting gevraagd. Om te kunnen voldoen aan de motivatievereiste van de Ladder voor duurzame verstedelijking en voor een goede regionale afstemming is een uitgebreide locatiestudie nodig. Het gaat hierbij om een afweging van eventuele alternatieve locaties binnen de marktregio van de woningbouwontwikkeling. De beschikbaarheid en geschiktheid van locaties spelen hierbij een rol.
Als de woningen buiten het stedelijk gebied worden geprojecteerd, wordt rekening gehouden met de mogelijkheden om de woningen binnen het stedelijk gebied te bouwen. De beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen stedelijk gebied spelen hierbij een rol. Redenen dat binnen stedelijk gebied geen mogelijkheden zijn, gaan bijvoorbeeld over:
kwalitatieve aspecten van de behoefte bijvoorbeeld woonmilieus die niet binnen stedelijk gebied passen, zoals waterrijk wonen, grote landgoederen;
andere functies die ter plaatse al aanwezig zijn of volgens ruimtelijk beleid, zoals in de omgevingsvisie, worden beoogd, bijvoorbeeld park, maatschappelijke functie, andere woonplannen die later worden beoogd;
aanzienlijke investeringen die eerst nodig zijn voor de inbreidingsplaatsen, bijvoorbeeld voor milieuaspecten die zich voordoen op inbreidingslocaties.
Bij het bouwen van maximaal drie woningen waarmee een gat volledig in een bebouwingslint wordt gevuld en die qua stedenbouwkundige structuur passen bij het bebouwingslint, is geen sprake van het toevoegen van een woning buiten stedelijk gebied.
Van een bebouwingslint is sprake als er een aaneengesloten rij van minimaal vier percelen met een woonbestemming is aan dezelfde kant van een weg, waarbij op elk perceel een woning gebouwd mag worden. Een bedrijfswoning wordt in dit geval ook gezien als een perceel met een woonbestemming. Een landelijke bebouwingsconcentratie of buurtschap kan bestaan uit één of meerdere bebouwingslinten.
Als een rij bestaat uit drie of vier niet aaneengesloten woningen is er dus geen sprake van een bebouwingslint. In dat geval mag één woning toegevoegd worden zodat alsnog een bebouwingslint ontstaat met vier of meer aaneengesloten woningen.
1b en 1c Locatie en inpassing
Woningbouwontwikkelingen buiten stedelijk gebied kunnen alleen aansluitend op het stedelijk gebied worden gerealiseerd. Met aansluitend aan wordt bedoeld niet doorsneden door doorgaande wegen, waterwegen, spoorwegen of waterlopen of oppervlaktewaterlichamen waarvoor een peilbesluit geldt. Daarbij moeten de woningen landschappelijk goed worden ingepast. Het is aan de gemeenteraad, of burgemeester en wethouders (bij delegatie) van de gemeente waar de woningen beoogd zijn om dit te motiveren. Wat een goede landschappelijke inpassing is hangt af van de locatie, hoogte en de omvang van de bebouwing in relatie tot het omliggende gebied. Er is ruimte voor maatwerk om op de betreffende locatie tot een goede landschappelijke inpassing te komen. Belangrijk hierbij is dat rekening wordt gehouden met artikel 5.45 over landschap en erfgoed en de kansenkaart uit de provinciale bosvisie. De landschappelijke inpassing wordt toegelicht in een inpassingsplan dat bestaat uit een inrichtingstekening van de ruimtelijke ontwikkeling, met een toelichting van tekst en beeldmateriaal.
Daarin zijn opgenomen:
Een beschrijving van de woningbouwontwikkeling;
Kenmerken van de locatie en visualisaties;
Een tekening van de inrichting voor en na de ontwikkeling met locaties en omvang van gebouwen, beplanting, perceelsranden en zichtlijnen vanuit de omgeving;
Een beheerplan;
Een beplantingslijst.
2. Realisatie van nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties buiten stedelijk gebied – artikelen 5.15 tot 5.46 en met 5.17 5.47
In artikel 5.15 tot 5.46 en met 5.17 5.47 van paragraaf 5.1.35.1.10 worden kleinschalige woninglocaties buiten stedelijk gebied benoemd die gericht zijn op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied (bijvoorbeeld bouwmogelijkheden door middel van 'ruimte-voor-ruimte' of landgoederen). Onder kleinschalige woningbouwlocaties verstaan we een locatie waar de bouw of toevoeging anderszins van drie of minder woningen mogelijk worden gemaakt. Het provinciale belang is gelegen in het streven naar een verbetering van de kwaliteit van het buitengebied door het saneren van bebouwing, en het creëren van een aantrekkelijk landschap en het verhogen van natuurwaarden, bijvoorbeeld door de aanleg van bos en beplanting. Buiten- en niet aansluitend aan stedelijk gebied zijn nieuwe burgerwoningen in beginsel niet toegestaan, tenzij een van de uitzonderingen uit de artikelen 5.15, 5.16 5.46 of 5.175.47 van toepassing is.
TTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verplaatsen van bestaande bebouwing, zoals bestaande burger- of bedrijfswoningen door het laten vervallen van de woonbestemming in het omgevingsplan en het elders oprichten van een nieuwe woning. Het oprichten van meerdere woningen buiten stedelijk gebied is mogelijk indien het aantal overeenkomt met het aantal woonbestemmingen die elders zijn komen te vervallen. Dit vraagt om een transparante, openbaar toegankelijke registratie van vervallen woonbestemmingen.
Ook is het mogelijk om monumentale panden te verbouwen tot één of meer wooneenheden om de instandhouding ervan te waarborgen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld boerderijen, gemalen, molens en buitenplaatsen die een rijks- of gemeentelijke monumentenstatus hebben. Ook is een selectie gemaakt van cultuurhistorische waardevolle boerderijen, zoals weergegeven in bijlage VII bij deze verordening, waar verbouwing tot één of meerdere wooneenheden is toegestaan.
Dit artikel is komen te vervallen per 1 januari 2026.
UUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een eenvoudige vorm van ruimte voor ruimte is het uitruilen van ontwikkelingsmogelijkheden. Het kan bijvoorbeeld gaan om de verplaatsing van een agrarisch bedrijf naar een nieuwe locatie of het uitbreiden van bebouwing buiten stedelijk gebied ten behoeve van het vergroten van een nieuwe economische drager waarvoor elders bebouwing wordt gesaneerd. Van gemeenten wordt verwacht dat zij de mogelijkheden hiervoor uitwerken in hun eigen beleid.
Daarnaast bestaat de mogelijkheid om ongewenste of in onbruik geraakte objecten buiten stedelijk gebied te saneren in ruil voor planologische ontwikkelingsruimte, bijvoorbeeld in de vorm van een woon- of recreatieve functie.
Een voorbeeld hiervan vormt de regeling voor sanering van vrijkomende bebouwing in het buitengebied, waarvoor in ruil een woonfunctie kan worden toegekend. In artikel 5.16 zijn de voorwaarden gesteld.
Dit artikel is komen te vervallen met ingang van 1 januari 2026
VVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Uitgangspunt voor een nieuw landgoed of buitenplaats vormt de door de particuliere sector betaalde aaneengesloten natuur- en of landschapsontwikkeling, bijvoorbeeld de aanleg van bos. Subsidie voor de realisatie van een landgoed of buitenplaats is niet mogelijk. Om aanleg, onderhoud en beheer te kunnen financieren mag bebouwing worden gerealiseerd. Toegestane functies voor het gebruik van deze bebouwing zijn wonen, verblijfsrecreatie en zorg. In de directe nabijheid van de stedelijke centra Middelburg, Vlissingen, Goes en Terneuzen is ook een kantoorfunctie denkbaar.
Dit artikel is komen te vervallen met ingang van 1 januari 2026
WWWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 5.21 is het beleid voor zonne-energie neergelegd. De Provincie wil de opwekking van zonne-energie stimuleren conform de doelstellingen in de Regionale Energiestrategie en de Zeeuwse Omgevingsvisie. Primair moet de doelstelling voor zonne-energie worden ingevuld op daken en binnen stedelijk gebied waardoor er sprake is van meervoudig ruimtegebruik. De kwetsbaarheid van het landschap, het tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied spelen hierbij een rol. Opstellingen voor zonne-energie buiten het stedelijk gebied worden beperkt tot de specifiek benoemde locaties. De principes van de zonneladder zijn hierbij leidend. Al deze aspecten worden van provinciaal belang geacht. De regeling heeft geen betrekking op zonne-installaties op daken van gebouwen.
Grootschalige en kleinschalige
Een groot deel van de bedrijventerreinen die vallen onder de begripsbepalingenbegripsbepaling in bijlage I1 bij deze verordening vallen binnen stedelijk gebied. Het eerste lid van dit artikel is daarop van toepassing. Om daarnaast ook ruimte te bieden aan solitaire bedrijven dieop geschikte locaties in het landelijk gebied liggen en die dus buiten stedelijk gebied vallen, is een uitzondering opgenomen in het tweede lid onder b van dit artikel.
Buiten stedelijk gebied zijn opstellingen toegestaan op gronden waarop, stortplaatsen, infrastructuur, verblijfsrecreatie of, solitaire bedrijvigheid , bedrijventerreinen of zeehaventerreinen in het landelijk gebied zijn toegelaten. Bij verblijfrecreatie gaat het bijvoorbeeld om een onbenut stuk grond van een camping waarop zonnepanelen mogen worden toegelaten. Uitbreiding van het bestaande terrein ten behoeve van zonnepanelen is niet toegestaan.
Ook zijn opstellingen voor zonne-energie toegestaan op water of grond waarop een waterbassin is toegestaan, mits in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat er geen significant nadelige effecten zijn voor natuur, recreatie, de waterkwaliteit of visserij.
De functies waar een opstelling voor zonne-energie worden toegestaan zoals benoemd in het tweede lid dienen ook feitelijk aanwezig te zijn. Op die manier kunnen functies gecombineerd worden.
De motivering bij een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie buiten stedelijk gebied moet aannemelijk maken dat de omgevingskwaliteiten zich niet tegen de opstelling van zonne-energie verzetten. Het begrip omgevingskwaliteiten is opgenomen in bijlage I bij deze verordening.
Met landbouwgronden die in transitie zijn, wordt bedoeld dat die op basis van bestuurlijk bindende afspraken in transitie zijn. Het gaat bijvoorbeeld om gronden die in de toekomst een andere bestemming krijgen zoals woon-werk-bestemming of recreatie.
AAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Zeeuwse kust is van groot belang voor Zeeland én Nederland vanwege het behoud en de versterking van de waterveiligheid en natuurwaarden, het Zeeuwse DNA in landschap en erfgoed, alsmede de economie en werkgelegenheid. De diversiteit aan functies maakt mede dat er discussie over de gewenste ontwikkeling van de Zeeuwse kust is ontstaan. Met het opstellen van de Zeeuwse Kustvisie is invulling gegeven aan de opgaven in de kustzone en wordt tegemoet gekomen aan de afspraken in het Nationale Kustpact. De beleidsmatige borging en uitvoering van de Zeeuwse kustvisie is vastgelegd in het convenant ‘Samen sterk voor de Zeeuwse kust’, getekend op 9 oktober 2017.
Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Doel is de Zeeuwse Kwaliteitskust te beschermen, versterken en waar nodig herstellen.
De verblijfsrecreatie buiten de kustzone vraagt in de toekomst om een kwaliteitsverbetering en productinnovatie en –differentiatie. Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Dit streven is gebaseerd op de gedachtegang in de Zeeuwse kustvisie.
Het strand, de duinen, dammen en dijken vormen samen de waterkeringszone en beschermen Zeeland en de buurprovincies tegen overstromingen. Het strand en de duinen vormen hiernaast het grootste aaneengesloten natuurgebied van Nederland. Het ervaren van de elementen en het vrije uitzicht op de horizon zijn grote kwaliteiten die gekoesterd moeten worden. Ook bieden ze volop ruimte aan recreatieve activiteiten, van uitwaaien op een leeg winters strand tot en met de zomerse hectiek van zwemmen, zonnebaden en water gerelateerde sporten.
Het provinciaal belang is gelegen in het borgen van deze kwaliteiten, door in te zetten op het garanderen van de waterveiligheid, het beschermen en versterken van de natuurlijke processen en het bieden van strandplezier voor inwoner en toerist. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen natuurstranden en recreatiestranden.
Het provinciale beleid is gericht op het voorkomen van permanente bewoning van tot verblijfsrecreatie bestemde complexen. Hiermee worden bedoeld zomerhuizenterreinen, hotels, recreatieve appartementencomplexen en kampeerterreinen. Een doelstelling is dergelijke complexen te behouden voor de verblijfsrecreatieve markt en te bevorderen dat deze complexen ook daadwerkelijk voor de recreatieve verhuur worden aangeboden in de vorm van een centraal bedrijfsmatige exploitatie en wordt voorkomen dat er langs oneigenlijke weg extra reguliere woningen aan het woningaanbod worden toegevoegd. Dit aspect wordt van provinciaal belang geacht.
Gezien het grote aantal minicampings in de provincie, de betekenis voor de bijdrage aan de differentiatie van het toeristisch product en het behoud van een landschappelijk aantrekkelijke omgeving (ruimtelijke kwaliteit) worden deze onderdelen van het recreatiebeleid over kleinschalig kamperen als provinciaal belang aangemerkt.
Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Doel is de Zeeuwse Kwaliteitskust te beschermen, versterken en waar nodig herstellen.
Jachthavens en watersport vormen een belangrijk onderdeel van het (verblijfs)recreatief product van Zeeland. Jachthavens worden de afgelopen periode geconfronteerd met een teruglopende bezetting. Deze trend zal ook de komende jaren doorzetten. Voor bestaande bedrijven is kwaliteitsverbetering en innovatie van groot belang. Het provinciaal beleid richt zich op het verbeteren van de kwaliteit. Opwaarderen of herinrichten van bestaande jachthavens wordt een steeds grotere opgave. Het is daarom van belang om in te zetten op opwaardering of herinrichting van bestaande jachthavens. Een rem op toevoeging van ligplaatsen kan deze opgave ondersteunen. Het provinciaal beleid richt zich daarom eveneens op het voorkomen van overaanbod van ligplaatsen.
Provincie voert een terughoudende beleid voor lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen. Dit beleid is reeds lange tijd onderdeel van provinciale beleidsplannen, waaronder het streekplan Zeeland 1997, het Omgevingsplan 2006-2012, het Omgevingsplan 2012-2018 en het Omgevingsplan Zeeland 2018. Provinciale belangen hierbij zijn het tegengaan van hinder voor mens en natuur, behoud van stilte in de grote natuurgebieden van Zeeland (met inbegrip van de Deltawateren) en het behoud van de waarde van een rustig platteland.
Toerisme en recreatie zijn belangrijk voor de leefbaarheid en economie in Zeeland. Gezien de aantrekkingskracht van de Zeeuwse kust, wordt daaraan specifieke aandacht gegeven in relatie tot (verblijfs)recreatieve ontwikkelingen, recreatieactiviteiten en, mede vanwege het grote, ook nationale belang, waterveiligheid.
Het provinciale beleid m.b.t. activiteiten op stranden en in duingebieden is gericht op het borgen van de bijhorende kwaliteiten als waterkeringszone en aaneengesloten natuurgebied enerzijds en aan het bieden van recreatiemogelijkheden anderzijds. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen natuurstranden en recreatiestranden.
Het provinciale beleid m.b.t. tot logiesaccommodaties is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Doel is enerzijds deze waarden te beschermen, versterken en waar nodig te herstellen en anderzijds te zorgen dat de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector wordt geborgd en versterkt, vanuit productinnovatie en –differentiatie, passend bij het lokale DNA. Hierbij is er nadrukkelijk aandacht voor de samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden, en de draagkracht van een gebied. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op de gedachtegang uit de Zeeuwse kustvisie, maar in heel Zeeland van toepassing.
Wanneer wordt gesproken over een gedifferentieerd product, gaat het over een aanbod dat inspeelt op verschillende vragen en behoeften vanuit de markt, dus bestaand uit verschillende type accommodaties, voor diverse doelgroepen, op verschillende locaties en met uiteenlopende faciliteiten en voorzieningen. Het draagt bij aan een aantrekkelijk toeristisch product en aan de spreiding van bezoekers over de regio’s.
De Zeeuwse kust is van groot belang voor Zeeland én Nederland vanwege het behoud en de versterking van de waterveiligheid en natuurwaarden, het Zeeuwse DNA in landschap en erfgoed, alsmede de economie en werkgelegenheid. De diversiteit aan functies maakt mede dat er discussie over de gewenste ontwikkeling van de Zeeuwse kust is ontstaan. Met het opstellen van de Zeeuwse Kustvisie is invulling gegeven aan de opgaven in de kustzone en wordt tegemoet gekomen aan de afspraken in het Nationale Kustpact. De beleidsmatige borging en uitvoering van de Zeeuwse kustvisie is vastgelegd in het convenant ‘Samen sterk voor de Zeeuwse kust’, getekend op 9 oktober 2017.
Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Doel is de Zeeuwse Kwaliteitskust te beschermen, versterken en waar nodig herstellen.
Verblijfsrecreatieve ontwikkelingen in de kustzone zijn mogelijk onder specifiek in artikel 5.22 en bijlage IV genoemde voorwaarden.
Dit artikel is mede bedoeld om uitvoering te geven aan de in artikel 7.1a van het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen instructieregel over het kustfundament.
In het eerste lid is geregeld dat nieuwvestiging en uitbreiding van verblijfsrecreatie (bijvoorbeeld zomerhuizenterreinen, hotels, recreatieve appartementen, kampeerterreinen) mogelijk is binnen de begrenzing van de Zeeuwse badplaatsen. Ontwikkelingen dienen wel te voldoen aan de in bijlage IV, onderdeel 1, opgenomen voorwaarden B tot en met D. Deze hebben betrekking op de economische haalbaarheid, de markt en het onderscheidend vermogen van het concept en de sociaal maatschappelijke bijdrage die de ontwikkeling oplevert. Indien er sprake is van een aandachtsgebied binnen de badplaatsen dan moet tevens aannemelijk gemaakt worden dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onderdeel 2, opgenomen uitgangspunten. Een voorbeeld van een dergelijk gebied is het Nollebos in de gemeente Vlissingen.
In afwijking van het eerste lid zijn in het derde tot en met achtste lid ook mogelijkheden opgenomen om buiten de begrenzing van de Zeeuwse badplaatsen nieuwe verblijfsrecreatieterreinen of uitbreiding van bestaande terreinen te realiseren. Het overgangsrecht in het derde lid komt voort uit de afspraken die in de Zeeuwse Kustvisie en de ‘Notitie Overgangsbeleid in relatie tot de Zeeuwse Kustvisie’ zijn gemaakt over plannen met een vastgesteld bestemmingsplan of vergunning (de categorie 1 projecten) of de zogenaamde pijplijnprojecten (de categorie 2 projecten). In de evaluatie Zeeuwse Kustvisie is de aanbeveling opgenomen om afspraken te maken over de resterende (categorie 1) projecten in relatie tot de bestemmingsplannen en wat dit betekent voor eventuele ruimte voor deze projecten binnen vigerende bestemmingsplannen. In het vierde lid is de invulling van deze in het Bestuurlijk Overleg Zeeuwse Kustvisie gemaakte afspraak opgenomen. Door middel van een overgangstermijn van drie jaar , te rekenen vanaf 1 januari 2025, hebben de gemeenten de gelegenheid om de toegestane resterende projecten in bestemmingsplannen van vóór 2018 uit te voeren. Na deze termijn dienen de betreffende omgevingsplannen te zijn aangepast waardoor nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein die in strijd is met deze verordening niet langer is toegelaten.
In het vijfde lid is de mogelijkheid opgenomen om in zogenaamde aandachtsgebieden nieuwe verblijfsrecreatieterreinen te realiseren. In bijlage IV wordt tevens verwezen naar de beschreven strategie voor de aandachtsgebieden in de desbetreffende regiovisies in de Zeeuwse kustvisie. In het zevende lid zijn de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande verblijfsrecreatieterreinen geregeld. De specifieke voorwaarden die hieraan gesteld worden zijn opgenomen in bijlage IV, onderdeel 1. Uitgangspunt is dat kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijven plaats vindt binnen de bestaande oppervlakte en eenheden van het bedrijf. Een beperkte uitbreiding van oppervlakte en eenheden is onder voorwaarden toegestaan.
In het zevende lid, onder b is aangegeven dat uitbreiding niet is toegestaan in zogenaamde beschermingsgebieden en Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebieden. In het achtste lid is hierop een uitzondering opgenomen voor uitbreiding in de beschermingsgebieden. Dit is mogelijk mits aannemelijk wordt gemaakt dat de kenmerken en waarden van de beschermingsgebieden niet significant worden aangetast. Voor de kenmerken en waarden van de beschermingsgebieden wordt verwezen naar de Zeeuwse kustvisie met bijbehorende bijlage ‘Analyse Bosch Slabbers: waardering en strategieën voor het behoud en versterken van de landschappelijke kwaliteit van de Zeeuwse kust’, zoals deze luidt op de datum van vaststelling van deze verordening.
In het negende lid is een uitzondering opgenomen voor gebieden waarop verschillende ‘aanduidingen’ van toepassing zijn. Een voorbeeld van een dergelijk gebied is Nehalennia in de gemeente Veere. Deze gebieden hebben naast een aanduiding Groene Zeeuws Topkwaliteit gebied tevens een aanduiding Aandachtsgebied. In dergelijke gebieden is uitbreiding toegestaan indien aannemelijk wordt gemaakt dat de kenmerken en waarden van deze Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebieden niet significant worden aangetast. Voor de kenmerken en waarden van de Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebieden wordt verwezen naar de Zeeuwse kustvisie met bijbehorende bijlage ‘Analyse Bosch Slabbers: waardering en strategieën voor het behoud en versterken van de landschappelijke kwaliteit van de Zeeuwse kust’, zoals deze luidt op de datum van vaststelling van deze verordening.
In bijlage IV onderdeel 1 en 2, zijn de specifieke voorwaarden voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen nader gespecificeerd. Het Ontwikkelkader zet in op de samenhang tussen verblijfsrecreatieve ontwikkelingen en de omgeving. Hier wordt gedoeld op de integratie van accommodatie met het (deels te creëren) kustlandschap, natuur en met de cultuur en economie van de Zeeuwse badplaatsen. Met de voorwaarde ‘integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder A, wordt bedoeld dat een ontwikkeling zich voegt in het landschap en daar onderdeel van uitmaakt. Met de voorwaarde ‘er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van het bestaande en de toekomstige accommodatie in bijlage IV, onderdeel 1, onder A, wordt bedoeld productinnovatie, onderscheidende kwaliteit, differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod en kwaliteitsverbetering. Met de voorwaarde ‘economische uitvoerbaarheid’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder B, wordt tevens verwezen naar artikel 5.25 van deze verordening. Met de voorwaarde ‘markt en onderscheidend vermogen van het concept’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder C, wordt bedoeld de onderscheidende kwaliteit van de ontwikkeling in relatie tot bestaande accommodatie. Met de voorwaarden ‘sociaal maatschappelijke bijdrage’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder D, wordt bijvoorbeeld gedoeld op nieuwe voorzieningen, dagrecreatieve mogelijkheden of een ommetje voor bewoners.
In bijlage IV onderdeel 1 en 2, zijn de specifieke voorwaarden voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen nader gespecificeerd. Het Ontwikkelkader zet in op de samenhang tussen verblijfsrecreatieve ontwikkelingen en de omgeving. Hier wordt gedoeld op de integratie van accommodatie met het (deels te creëren) kustlandschap, natuur en met de cultuur en economie van de Zeeuwse badplaatsen.
Een ‘beperkte uitbreiding in oppervlakte’ betreft maximaal 20% van de bestaande oppervlakte van het verblijfsrecreatieterrein. Deze beperkte uitbreiding is gerelateerd aan die delen van het bestaande verblijfsrecreatieterrein waarop de (verblijfs)recreatieve bestemming zit in het Omgevings-/bestemmingsplan; in de praktijk omvat dit het totale oppervlak van de verblijfsaccommodatiedelen (huisjes/camping etc.), evt. strand met slaaphuisjes, de centrumvoorzieningen, zwembaden, haven en groen of water als het dusdanig is bestemd, en dus behorend bij het verblijfsrecreatieve product als geheel.
Met de voorwaarde dat ‘integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder A, wordt bedoeld dat een ontwikkeling zich voegt in het landschap en daar onderdeel van uitmaakt.
Met de voorwaarde dat ‘er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van het bestaande en de toekomstige accommodatie' in bijlage IV, onderdeel 1, onder A, wordt bedoeld dat het bestaande en nieuwe deel van het bedrijf als één samenhangend geheel kwalitatief worden ontwikkeld met aandacht voor productinnovatie, onderscheidende kwaliteit, differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod en kwaliteitsverbetering.
Met de voorwaarde dat 'er sprake is van een maximale invulling van 13% van het totale (uitbreidings)oppervlakte ten behoeve van verblijfsrecreatieve eenheden' in bijlage IV, onderdeel 1, onder A, wordt bedoeld dat die 13% nadrukkelijk over de verblijfsrecreatieve eenheden gaat, inclusief hetgeen ten behoeve van die eenheden aanwezig is, zoals sanitair en/of bergingen die één-op-één eraan zijn gekoppeld. De centrale voorzieningen, zoals een gemeenschappelijk sanitair gebouw, horen daar dus bij.
Met de voorwaarde ‘economische uitvoerbaarheid en ondernemerschap’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder B, wordt tevens bedoeld de onderscheidende kwaliteit c.q. toegevoegde waarde van de ontwikkeling in relatie tot bestaande accommodatie. Daarnaast wordt de link gelegd met artikel 5.25 en artikel 5.26 van deze verordening.
Met de voorwaarde ‘milieu en duurzaamheid’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder C, wordt aandacht gevraagd voor maatregelen die dit ten positieve beïnvloeden.
Zo kan bij duurzame energie gedacht worden aan hernieuwbare energie afkomstig van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld. Dit is energie uit wind, waterkracht, zon, bodem, buitenluchtwarmte en biomassa; bij klimaat aan maatregelen die de negatieve gevolgen van klimaatverandering beperken. Bv. Maatregelen gericht op voorkomen van hittestress, wateroverlast, waterschaarste in de exploitatie en in het gebouw en de inrichting: minder verharding, terrein inrichten met klimaat adaptieve maatregelen (water langer vasthouden, wadi’s, kreekherstel, groen tegen hittestress, …); bij circulariteit aan maatregelen in de ontwikkeling van aanbod (bouw) en in de exploitatie gaat het om het ontwikkelen van circulaire verdienmodellen, omschakeling naar hernieuwbare (biobased) grondstoffen en hergebruik van grondstoffen en materialen; en bij natuurinclusief werken aan het actief integreren van de natuurlijke omgeving in de inrichting van het concept. Doel hiervan is om de biodiversiteit te bevorderen, ecosystemen te bevorderen, natuurlijke processen te ondersteunen en menselijke gebruiksfuncties. Voorbeelden van een natuurinclusieve inrichting zijn het gebruik van inheemse beplanting, nestplaatsen voor dieren en waterberging, wandelpaden en natuurobservatiepunten.
Met de voorwaarden ‘Leefbaarheid: sociaal maatschappelijke bijdrage en impact’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder D, wordt enerzijds gedoeld op mogelijkheden tot het toevoegen van voorzieningen, dagrecreatieve mogelijkheden of een ommetje voor bewoners en anderzijds op de impact van een initiatief op de leefomgeving en leefbaarheid van haar bewoners in algemene zin (waaronder bereikbaarheid en connectiviteit, gezondheid, kwaliteit van de openbare ruimte, toegankelijkheid van natuur (‘groen’ en ‘blauw’), (sociale) veiligheid en cohesie). Het is aan de initiatiefnemer om aan te tonen in hoeverre het initiatief hieraan bijdraagt vanuit lokale behoeften en knelpunten.
De verblijfsrecreatie buiten de kustzone vraagt in de toekomst om een kwaliteitsverbetering en productinnovatie en –differentiatie. Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Dit streven is gebaseerd op de gedachtegang in de Zeeuwse kustvisie. Daar waar in artikel 5.13 .5.22 specifieke voorwaarden voor ontwikkelingen voor de kustzone worden benoemd, wordtgeldt dat in artikel 5.145.23 voor ontwikkelingen buiten de kustzone, waarbij in ruimtelijk zin wordt volstaan met meer algemene uitgangspunten. Voor het gebied buiten de kustzone wordt beoogd via een gebiedsgerichte aanpak de voorkomende knelpunten in gezamenlijkheid op te lossen en de regionale kansen te verzilveren. Dit kan op termijn leiden tot specifieke uitgangspunten voor specifieke regio’s of gebieden. Tot die tijd gelden de in artikel 5.145.23 opgenomen algemene kaders voor nieuwvestiging en uitbreiding van bestaande verblijfsrecreatiebedrijven.
Nieuwvestiging en uitbreiding is mogelijk binnen de begrenzing stedelijk gebied. In afwijking hierop is nieuwvestiging ook mogelijk indien gezamenlijke partijen – vooruitlopend op de uitkomsten van een gebiedsgerichte aanpak – in gezamenlijkheid een specifiek aandachtsgebied aanwijzen en gaan ontwikkelen. Dit is nader verwoord in bijlage IV, onderdeel 4.
Voor bestaande bedrijven ligt de focus op kwaliteitsverbetering, productinnovatie en -differentiatie. Eventuele daarvoor noodzakelijk uitbreiding in eenheden en/of oppervlakte is mogelijk indien deze voldoet aan het Ontwikkelkader zoals benoemd in bijlage IV.
Een ‘beperkte uitbreiding in oppervlakte’ betreft maximaal 20% van de bestaande oppervlakte van het verblijfsrecreatieterrein. Deze beperkte uitbreiding is gerelateerd aan die delen van het bestaande verblijfsrecreatieterrein waarop de (verblijfs)recreatieve bestemming zit in het Omgevings-/bestemmingsplan; in de praktijk omvat dit het totale oppervlak van de verblijfsaccommodatiedelen (huisjes/camping etc.), evt. strand met slaaphuisjes, de centrumvoorzieningen, zwembaden, haven en groen of water als het dusdanig is bestemd, en dus behorend bij het verblijfsrecreatieve product als geheel.
In bijlage IV, onderdeel 3 en 4, zijn de specifieke voorwaarden voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen nader gespecificeerd. Het ontwikkelkader zet in op de samenhang tussen verblijfsrecreatieve ontwikkelingen en de omgeving. Hier wordt gedoeld op de integratie van accommodatie met het (deels te creëren) landschap, natuur en met de cultuur en economie van de omgeving. Met de voorwaarde ‘integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder A, wordt bedoeld dat ontwikkelingen zich voegen in het landschap en daar onderdeel van gaan uitmaken.
Met de voorwaarde dat ‘er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van de bestaande en toekomstige accommodatie’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder A, wordt bedoeld dat het bestaande en nieuwe deel van het bedrijf als één samenhangend geheel kwalitatief worden ontwikkeld met aandacht voor productinnovatie, onderscheidende kwaliteit, differentiatie in het verblijfsrecreatieve aanbod en kwaliteitsverbetering.
Met de voorwaarde ‘economische haalbaarheid’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder B, wordt tevens verwezen naar de artikel 5.16 en artikel 5.17 van deze verordening.
Met de voorwaarde ‘markt en onderscheidend vermogen van het concept’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder C, wordt bedoeld de onderscheidende kwaliteit van de ontwikkeling ten opzichte van bestaande accommodatie.
Met de voorwaarde ‘sociaal maatschappelijke bijdrage’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder D, wordt bijvoorbeeld gedoeld op nieuwe voorzieningen, dagrecreatieve mogelijkheden of een ommetje voor bewoners.
Met de voorwaarde ‘milieu en duurzaamheid’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder C, wordt aandacht gevraagd voor maatregelen die dit ten positieve beïnvloeden.
Zo kan bij duurzame energie gedacht worden aan hernieuwbare energie afkomstig van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld. Dit is energie uit wind, waterkracht, zon, bodem, buitenluchtwarmte en biomassa; bij klimaat aan maatregelen die de negatieve gevolgen van klimaatverandering beperken. Bv. Maatregelen gericht op voorkomen van hittestress, wateroverlast, waterschaarste in de exploitatie en in het gebouw en de inrichting: minder verharding, terrein inrichten met klimaat adaptieve maatregelen (water langer vasthouden, wadi’s, kreekherstel, groen tegen hittestress, …); bij circulariteit aan maatregelen in de ontwikkeling van aanbod (bouw) en in de exploitatie gaat het om het ontwikkelen van circulaire verdienmodellen, omschakeling naar hernieuwbare (biobased) grondstoffen en hergebruik van grondstoffen en materialen; en bij natuurinclusief werken aan het actief integreren van de natuurlijke omgeving in de inrichting van het concept. Doel hiervan is om de biodiversiteit te bevorderen, ecosystemen te bevorderen, natuurlijke processen te ondersteunen en menselijke gebruiksfuncties. Voorbeelden van een natuurinclusieve inrichting zijn het gebruik van inheemse beplanting, nestplaatsen voor dieren en waterberging, wandelpaden en natuurobservatiepunten.
Met de voorwaarde ‘Leefbaarheid: sociaal maatschappelijke bijdrage en impact’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder D, wordt enerzijds gedoeld op mogelijkheden tot het toevoegen van voorzieningen, dagrecreatieve mogelijkheden of een ommetje voor bewoners en anderzijds op de impact van een initiatief op de leefomgeving en leefbaarheid van haar bewoners in algemene zin (waaronder bereikbaarheid en connectiviteit, gezondheid, kwaliteit van de openbare ruimte, toegankelijkheid van natuur (‘groen’ en ‘blauw’), (sociale) veiligheid en cohesie). Het is aan de initiatiefnemer om aan te tonen in hoeverre het initiatief hieraan bijdraagt vanuit lokale behoeften en knelpunten.
Met de voorwaarde 'economische haalbaarheid en ondernemerschap' in bijlage IV, onderdeel 3, onder B, wordt tevens bedoeld de onderscheidende kwaliteit van de ontwikkeling in relatie tot de bestaande accommodatie. Daarnaast wordt de link gelegd met artikel 5.25 en artikel 5.26 van deze verordening.
Het strand, de duinen, dammen en dijken vormen samen de waterkeringszone en beschermen Zeeland en de buurprovincies tegen overstromingen. Het strand en de duinen vormen hiernaast het grootste aaneengesloten natuurgebied van Nederland. Het ervaren van de elementen en het vrije uitzicht op de horizon zijn grote kwaliteiten die gekoesterd moeten worden. Ook bieden ze volop ruimte aan recreatieve activiteiten, van uitwaaien op een leeg winters strand tot en met de zomerse hectiek van zwemmen, zonnebaden en water gerelateerde sporten.
Het provinciaal belang is gelegen in het borgen van deze kwaliteiten, door in te zetten op het garanderen van de waterveiligheid, het beschermen en versterken van de natuurlijke processen en het bieden van strandplezier voor inwoner en toerist. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen natuurstranden en recreatiestranden, weergegeven in begrensde strandvlakken. Het betreft een dynamische grens met als begrenzingen de gemiddelde laagwaterlijn en de duinvoet en daarmee het droge en intergetijde deel van het strand. Ten behoeve van het provinciaal belang, wordt uitbreiding en kwaliteitsverbetering van bestaande bebouwing toegestaan onder de in dit artikel benoemde voorwaarden. De primaire functie van de waterkering, bescherming tegen overstroming, is hierbij leidend.
Dit artikel is mede bedoeld om uitvoering te geven aan de in artikel 7.1a van het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen instructieregel over het kustfundament.
In het vijfde lid van dit artikel zijn de voorwaarden voor een slaaphuisje op een recreatiestrand opgenomen. Deze voorwaarden zijn overeenkomstig de voorwaarden uit de Kustvisie.
Kwaliteitsverbetering van de bestaande objecten vindt plaats binnen de kaders van de vigerende bestemmingsplannen, met een maximum bebouwd oppervlak van 40 m2, waarvan maximaal 25 m2 inpandig.
De maximale bouwhoogte is 4,5 m. Een volwaardige tweede verdieping is daarmee niet toegestaan. De bouwhoogte wordt gemeten vanaf de bovenkant van de begane grondvloer van het gebouw.
Voor de bouwhoogte geldt dat een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen tot maximaal 50 cm, mits het slaaphuisje voldoet aan actuele duurzaamheidseisen.
Bij duurzaamheid wordt maatwerk geleverd, waarbij door de gemeente in het kader van de vergunningverlening de volgende eisen worden afgewogen:
de RC waarde van de wanden (minimaal 4,5) en van het dak (minimaal 6);
het volledig elektrisch of gelijkwaardig daaraan functioneren van het slaaphuisje;
zonnepanelen op het dak die niet boven de maximale bouwhoogte uitkomen;
landschappelijke inpassing van de buitenzijde van het dak (voorzien van natuurlijke materialen die na gebruik hergebruikt kunnen worden);
een lichtplan met zo weinig mogelijk uitstraling.
Het provinciale beleid is gericht op het voorkomen van permanente bewoning van tot verblijfsrecreatie bestemde terreinen en complexen. Hiermee worden bedoeld zomerhuizenterreinen, hotels, recreatieve appartementencomplexen en kampeerterreinen. Een doelstelling is dergelijke complexenbestemmingen te behouden voor de verblijfsrecreatieve markt en te bevorderen dat deze complexen bestemmingen ook daadwerkelijk voor de recreatieve verhuur worden aangeboden in de vorm van een centraal bedrijfsmatige exploitatie (zie artikel 5.17 artikel 5.26) en wordt voorkomen dat er langs oneigenlijkeoneigenlijk weg extra reguliere woningen aan het woningaanbod worden toegevoegd op bestemmingen die daarvoor niet zijn bedoeld. Dit aspect wordt van provinciaal belang geacht. Individuele burgerwoningen in het buitengebied worden niet tot de verblijfsrecreatieve complexen gerekend. De regel is bedoeld voor nieuwe plannen en besluiten die verblijfsrecreatieve complexen of de uitbreiding daarvan toelaten. Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening vigerende omgevingsplannen kennen veelal reeds de regel dat permanente bewoning niet is toegestaan. Bij een wijziging van deze vigerende omgevingsplannen dient de regel dat permanente bewoning niet is toegestaan.
Bij de toelichting op artikel 5.25 is aangegeven dat het provinciaal beleid is gericht op het voorkomen van permanente bewoning van tot verblijfsrecreatie bestemde complexen. Een doelstelling is dergelijke complexen te behouden voor de verblijfsrecreatieve markt en te bevorderen dat deze complexen ook daadwerkelijk voor de recreatieve verhuur worden aangeboden in de vorm van een centraal bedrijfsmatige exploitatie en wordt voorkomen dat er langs oneigenlijke weg extra reguliere woningen aan het woningaanbod worden toegevoegd. Dit aspect wordt van provinciaal belang geacht.
In de praktijk blijkt dat er ook behoefte is aan verblijfsrecreatieve complexen die niet verplicht worden verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie. Om hier in te kunnen voorzien kan onder voorwaarden worden afgeweken van bovengenoemde hoofdregel.
Hiervan is sprake wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
De ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen de begrenzing van de badplaatsen Cadzand-Bad, Breskens, Vlissingen, Zoutelande, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle, Vrouwenpolder, Burgh-Haamstede en Renesse; en
De ontwikkeling een bijdrage levert aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit, de leefbaarheid, de herstructurering en de gewenste ontwikkelruimte van de desbetreffende badplaats, hetgeen wordt onderbouwd in een door de gemeenteraad vastgestelde ruimtelijke visie op de betreffende badplaats. Van de visie wordt verwacht dat duidelijk wordt gemaakt welke ruimtelijke begrenzingen (qua oppervlakte en hoogte) er worden getrokken door het toewijzen van gebieden waar het toevoegen van deeltijdwoningen gewenst is om de kwaliteit van de betreffende badplaats te versterken.
De desbetreffende gemeente een door gedeputeerde staten geaccordeerde programmering hanteert en publiceert, waarbij geplande en gerealiseerde aantallen per locatie per jaar in beeld worden gebracht. Het betreft hier aantallen verblijfseenheden die niet verplicht worden verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie, die voldoen aan bovengenoemde voorwaarden.
Het is mogelijk op of aansluitend aan bedoelde complexen gronden aan te wijzen voor 'dienstwoning' (waar, in verband met noodzaak vanuit de bedrijfsvoering, permanente bewoning is toegestaan). Dergelijke woningen worden, voor de toepassing van deze verordening, geacht niet te behoren tot het 'verblijfsrecreatieterrein' zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 5.22, artikel 5.23, artikel 5.25 en artikel 5.26.
In artikel 5.26, vierde lid is de instructie opgenomen dat een omgevingsplan voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein regels bevat die betrekking hebben op duurzaam beheer en onderhoud van een terrein. Onder duurzaam beheer wordt verstaan een verzorgde openbare ruimte en maatregelen die leiden tot een intensiever gebruik van ruimte en, zo mogelijk, maatregelen die leiden tot een hoger bedrijfseconomisch rendement en minder milieubelasting.
Dit kan bijvoorbeeld worden gewaarborgd door in het omgevingsplan de eis van een centrale bedrijfsmatige exploitatie op te nemen. Ook kan worden gedacht aan privaatrechtelijke afspraken over het in eigendom houden van de grond die tot het complex behoort dan wel de gronden waarop de gemeenschappelijke voorzieningen worden gerealiseerd alsmede omtrent de kwalitatieve instandhouding van het complex.
In dit artikel worden enkele concrete onderdelen van het provinciale beleid voor kleinschalig kamperen geregeld. Gezien het grote aantal kleine kampeerterreinen in de provincie, de betekenis voor de bijdrage aan de differentiatie van het toeristisch product en het behoud van een landschappelijk aantrekkelijke omgeving (ruimtelijke kwaliteit) worden deze onderdelen van het recreatiebeleid als provinciaal belang aangemerkt. Het doel bij het kleinschalig kamperen is uit te gaan van toeristisch kamperen (gebruik van niet permanente kampeermiddelen). Ten hoogste 5 kampeermiddelen zijn permanent toegestaan.
Een kleinschalig kampeerterrein (minicamping) is een kampeerterrein dat in gebruik is als neventak bij een agrarisch bedrijf of bij een ander bedrijf of behorende bij een burgerwoning in het landelijk gebied. Het is gekoppeld aan een permanent bewoonde (dienst-)woning op het betreffende terrein.
Het begrip agrarisch bedrijf is opgenomen in Bijlage I Begrippen bij deze verordening. Een agrarisch bedrijf is een bedrijf voor het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
Het kleinschalig kampeerterrein is voornamelijk gericht op toeristisch kamperen met een maximum van 20% aan permanente kampeermiddelen, met een maximum van 5. Daarmee wordt het maximaal aantal permanente kampeermiddelen gekoppeld aan het totaal aantal kampeermiddelen én niet-permanente kampeermiddelen.
Functies die niet passend zijn op een bedrijventerrein worden daar niet toegestaan.
Bij een kleinschalig kampeerterrein is de oppervlakte van een permanent kampeermiddel gemaximeerd op 55m2.
Een ondersteunende voorziening wordt beschouwd als onderdeel van een permanent kampeermiddel, bedoeld ter fundering, bevestiging, aansluiting, koppeling dan wel ondersteuning anderszins, zoals een vlonder.
Omwille van het grote aantal kleine kampeerterreinen en de gewenste differentiatie van het Zeeuwse verblijfsrecreatieve product geldt ook bij kleinschalige kampeerterreinen dat bij nieuwvestiging en uitbreiding ervan, aan een aantal kwalitatieve voorwaarden moet worden voldaan, t.b.v. een eenduidig Zeeuws kwaliteitsniveau. Deze voorwaarden zijn enerzijds ruimtelijk van aard, zoals benoemd in het artikel, en zijn anderzijds te vinden in het ontwikkelkader verblijfsrecreatie, gericht op kwaliteitsverbetering, productinnovatie en -differentiatie en verbinding met de omgeving. Verdere duiding is te vinden onder de toelichting bij bijlage IV, 3 B tot en met D.
In artikel 5.195.28 worden regels gesteld voor het toevoegen van nieuwe ligplaatsen in jachthavens. In het eerste lid is bepaald dat nieuwe ligplaatsen primair zijn toegelaten in bestaande jachthavens. Het woord ‘primair’ geeft aan dat ook nieuwe ligplaatsen buiten de bestaande jachthavens mogelijk zijn, bijvoorbeeld in het kader van integrale gebiedsontwikkeling. Hierbij bestaat afwegingsruimte waarbij afgewogen dient te worden in hoeverre bij nieuwvestiging buiten bestaande jachthavens de kansen voor transformatie of verplaatsen van een bestaande jachthaven zijn benut.
Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Doel is de Zeeuwse Kwaliteitskust en Deltawateren te beschermen, versterken en waar nodig herstellen.
Jachthavens en waterrecreatie vormen een belangrijk onderdeel van het (verblijfs)recreatief product van Zeeland. Jachthavens worden de afgelopen periode geconfronteerd met een teruglopende bezetting. Inmiddels neemt het aantal nieuwe gebruikers toe door de inzet op de huur van boten. Daarnaast is een positieve trend te zien binnen de funsporten (op en aan het water). Voor bestaande bedrijven blijft kwaliteitsverbetering en innovatie van groot belang. Het provinciaal beleid richt zich op het verbeteren van de kwaliteit door het opwaarderen of herinrichten van bestaande jachthavens. Een rem op toevoeging van ligplaatsen kan deze opgave ondersteunen. Het provinciaal beleid richt zich daarom eveneens op het voorkomen van overaanbod van ligplaatsen, maar wel met oog voor kansen vanuit gebiedsontwikkeling. In dat kader dienen gemeenten per initiatief en gebiedsaanpak een beoordeling te maken van de economische uitvoerbaarheid van het initiatief en de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering en sanering. Daarbij kan de gemeente rekening houden met specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld zeezeilers of woning met ligplaats), de bezettingsgraad van jachthavens in de buurt en alternatieve mogelijkheden in bestaande jachthavens.
Prioriteit wordt gegeven aan de kwaliteitsverbetering en herinrichting/transformatie van de bestaande jachthavens. Het doel is dat het totale aantal ligplaatsen in Zeeland per saldo niet toeneemt. Een beperkt aantal extra ligplaatsen binnen een bestaande haven of een tijdelijke toename in het kader van gebiedsontwikkeling zijn mogelijk. In dat kader dienen gemeenten per initiatief en gebiedsaanpak een beoordeling te maken van de economische uitvoerbaarheid van het initiatief en de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering en sanering. Daarbij kan de gemeente rekening houden met specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld zeezeilers), de bezettingsgraad van jachthavens in de buurt en alternatieve mogelijkheden in bestaande jachthavens.
In dit artikel is het (terughoudende) beleid voor lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen verwoord. Dit beleid is reeds lange tijd onderdeel van provinciale beleidsplannen, waaronder het streekplan Zeeland 1997, het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012, het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 en het Omgevingsplan Zeeland 2018.
Provinciale belangen hierbij zijn het tegengaan van hinder voor mens en natuur, behoud van stilte in de grote natuurgebieden van Zeeland (met inbegrip van de Deltawateren) en het behoud van de waarde van een rustig platteland.
Het aanwijzen van nieuwe terreinen en de uitbreiding van bestaande terreinen voor bedoelde sporten is slechts mogelijk in de in artikel 5.205.29, eerste lid, benoemde gevallen.
In het eerste lid, onder b, wordt gemeenten de mogelijkheid geboden om bestaande lawaaisportterreinen die langdurig worden gebruikt voor vergunde activiteiten ook planologisch mogelijk te maken. Dit is alleen toegestaan als de doelstelling van het beleid, tegengaan van geluidhinder, niet in het geding is. Daarom is als voorwaarde gesteld dat aannemelijk moet zijn dat er geen toename van geluidhinder zal ontstaan. Onder langdurig gebruik wordt in dit kader gebruik verstaan waar vóór de datum van 1 januari 2003 een vergunning voor is verleend. Dit is een termijn van 20 jaar voorafgaand aan inwerkingtreding van deze verordening.
Wat het eerste lid, onder c betreft is een uitzondering gemaakt voor modelvliegtuigen. Afstand tot het NNN is belangrijk. Met het NNN worden de gebieden bedoeld zoals geregeld in de artikelen artikel 5.325.41 t/m artikel 5.345.43 van deze verordening. Ook modelvliegtuigterreinen kunnen voor overlast zorgen. Van de gemeente wordt verwacht dat in voorkomend geval een afweging wordt gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met het aanhouden van afstand tot gevoelige functies zoals woon- en verblijfsrecreatieve functies.
Met de zinsnede aan het eind van het tweede lid "op voorwaarde dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet wordt vergroot" wordt bedoeld dat geen verdergaande uitbreiding of nieuwvestiging mag worden toegelaten, die uitgaat boven in een vigerend plan of op basis van een eerder verleende vrijstelling/ontheffing reeds toegelaten ontwikkelingen.
BBBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel en de bijbehorende bijlage beschrijven de eisen aan ruimtelijke ontwikkelingen rondom het Veerse Meer. Deze eisen vloeien voort uit de eerste fase van de ontwikkeling van de gebiedsvisie voor het Veerse Meer. Op dit moment wordt deze eerste fase nog uitgewerkt in een tweede fase. De ontwikkeling van deze gebiedsvisie is dus nog in volle gang. Daarom is de huidige versie van artikel 5.21, en de bijbehorende bijlage, een conceptversie. De definitieve versie van dit artikel en de bijlage kan daarom afwijken van het ontwerp. Omdat de gebiedsvisie in nauwe afstemming met de betrokken partijen wordt ontwikkeld, zullen de belangen van deze partijen in de totstandkoming van de definitieve versie ook worden meegenomen.
Artikel 5.215.30
en de bijbehorende uitgangspunten in bijlage V komen niet in de plaats van de eisen die artikel 5.135.22 stelt. Voor initiatieven in de omgeving van het Veere Meer blijft dus ook artikel 5.135.22 gelden.
Dit artikel en de bijbehorende bijlage beschrijven de eisen aan ruimtelijke ontwikkelingen rondom het Veerse Meer. Deze eisen vloeien voort uit de gebiedsvisie voor het Veerse Meer 2020-2030. Deze visie is gericht op bescherming en kwaliteitsvolle ontwikkeling van een veilig, economisch aantrekkelijk en (ecologisch) gezond en (be)leefbaar gebied als onderdeel van de Zeeuwse Delta. Met de Gebiedsvisie (en actieprogramma) wordt toegewerkt naar een nieuw ijkmoment in 2030, rekening houdend met het gegeven dat maatschappelijke opgaven en bescherming van het gebied uiteraard een bredere tijdsspanne betreffen.
Artikel 5.215.30 en de bijbehorende uitgangspunten in Bijlage V komen niet in de plaats van de eisen die artikel 5.145.23 stelt. Voor initiatieven in de omgeving van het Veerse Meer blijft dus ook artikel 5.145.23 gelden.
CCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikellid wordt aangegeven onder welke voorwaarden afgeweken kan worden van het uitbreidingsverbod van artikel 5.285.37, tweede lid, onder a van deze omgevingsverordening.
De regeling is vergelijkbaar met de regeling die in artikel 5.295.38is uitgewerkt voor bestaande veehouderijen die vergunningplichtig worden, omdat ze buiten de werkingssfeer van een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de voormalige Wet milieubeheer zouden komen te vallen.
Op basis van het eerste lid, onder a, onderdeel 1°, geldt bij uitbreiding van het aantal dieren een emissieplafond dat wordt vastgesteld door de vergunde emissie te corrigeren naar de “beste beschikbare technieken”. Uitbreiding is alleen mogelijk door het toepassen van verdergaande emissiearme technieken.
Het eerste lid, onder a, onderdeel 2°, voorkomt dat de emissie kan toenemen bij een veehouderij die al een lagere emissie heeft dan overeenkomt met toepassing van de “beste beschikbare technieken”.
Het eerste lid, onder b, bevat de bijzondere regeling voor melkrundveehouderijen. Voor een toelichting wordt verwezen naar artikel 5.295.38, eerste lid, onder c.
Onder c tot en met e is evenals in artikel 5.295.38een bijzondere regeling opgenomen voor veehouderijen waar dieren grondgebonden worden gehouden. Voor een toelichting hiervoor wordt verwezen naar artikel 5.295.38, eerste lid, onder a tot en met f.
Met het tweede lid wordt voorkomen, dat wanneer met gebruikmaking van de afwijkende regeling voor melkrundveehouderijen of die voor veehouderijen waar dieren grondgebonden worden gehouden het aantal dieren is uitgebreid, de met deze uitbreiding samenhangende emissietoename later door middel van een wijziging van de vergunning voor het houden van andere diercategorieën, zoals varkens of kippen, wordt gebruikt. Daarmee wordt oneigenlijk gebruik van de regeling tegengegaan.
DDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 5.325.41 zijn de regels voor bestaande natuur opgenomen. Uit het eerste lid van artikel 5.325.41 (instructieregel) volgt de plicht voor de gemeenteraad om in een omgevingsplan dat van toepassing is op bestaande natuur regels te stellen die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het natuurnetwerk Nederland en verzekert dat de kwaliteit en oppervlakte daarvan niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland wordt behouden. Aan locaties binnen bestaande natuur dient in ieder geval de functie natuur te worden toegekend. Dit houdt overigens niet in dat in de bedoelde gebieden uitsluitend een natuurfunctie is toegestaan. Ook andere functies kunnen worden toegelaten. Daarbij kan worden gedacht aan bestaand gebruik en bestaande bebouwing zoals bedoeld in het derde lid.
Met betrekking tot het toestaan van nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten in de bedoelde gebieden is het uitgangspunt dat in een omgevingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk worden gemaakt die mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland. Voor zover het Natura 2000-gebieden betreft of andere gebieden die onder de werking van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving vallen, zal ook via het beschermingsregime van deze wetten een beoordeling plaatsvinden.
Uitzonderingen hierop zijn mogelijk voor activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten waarbij sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële andere mogelijkheden zijn en de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd. Wat het begrip “groot openbaar belang” betreft wordt opgemerkt dat het moet gaan om zwaarwegende belangen. Individuele en korte termijn belangen kwalificeren niet als zwaarwegend. In het zevende lid is aangegeven wat in ieder geval tot een groot openbaar belang wordt gerekend.
Gedeputeerde staten zijn bevoegd om de begrenzing van bestaande natuur te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland.
EEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 5.335.42 zijn regels opgenomen voor agrarische gebieden van ecologische betekenis. In het eerste lid is een instructie opgenomen om in een omgevingsplan dat van toepassing is op deze gebieden zowel regels op te nemen die van toepassing zijn op agrarische activiteiten en regels die de ecologische waarde van de gronden tot uitdrukking brengen. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn opgenomen in het geldende Natuurbeheerplan Zeeland.
Bestaand gebruik en bestaande bebouwing mogen worden gecontinueerd.
Met betrekking tot het toestaan van nieuwe activiteiten of de wijziging van bestaande activiteiten is het uitgangspunt dat in een omgevingsplan geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten worden toegestaan die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden, kunnen leiden tot een vermindering van de oppervlakte van de gronden of kunnen leiden tot een vermindering van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland. In de motivering van het omgevingsplan dient aannemelijk gemaakt te worden dat nadelige gevolgen en vermindering zich niet voordoen.
In het vijfde lid is een instructie opgenomen waarin de gemeenteraad bepaalde reguliere agrarische activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor wezenlijke waarden en kenmerken van de gronden dient te verbinden aan een omgevingsvergunningenplicht. Deze plicht is van toepassing op activiteiten die het reguliere agrarische gebruik betreffen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het aanbrengen van drainage (voor een betere ontwatering van percelen), diepploegen, scheuren van grasland, het planten of vellen van bomen. Dergelijk regulier agrarisch gebruik kan nadelige gevolgen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte van de gronden of samenhang tussen gebieden. De bevoegdheid tot het verlenen van de omgevingsvergunning berust bij het college van burgemeester en wethouders. Het college kan dan afwegen of de wezenlijke kenmerken en waarden worden geschaad. Eventueel kan een omgevingsvergunning onder voorwaarden worden verleend.
Evenals bij de instructieregels voor bestaande natuur is in het zesde lid een uitzondering opgenomen voor activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten waarbij sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële andere mogelijkheden zijn en de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd. Wat het begrip “groot openbaar belang” betreft wordt opgemerkt dat het moet gaan om zwaarwegende belangen. Individuele en korte termijn belangen kwalificeren niet als zwaarwegend. In het zevende lid is aangegeven wat in ieder geval tot een groot openbaar belang wordt gerekend.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing van agrarische gebieden van ecologische betekenis te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland.
FFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.345.43 bevat een regeling voor het waarborgingsbeleid van begrensde natuurontwikkelingsgebieden (begrenzing nieuwe natuur; Natuurbeheerplan Zeeland). Aan bestaand (agrarisch) gebruik worden geen beperkingen gesteld (geen 'planologische schaduwwerking'). Nieuwe onomkeerbare ontwikkelingen/ingrepen, anders dan ten behoeve van natuurdoeleinden, zijn daarentegen niet toegelaten. De verordening verzet zich niet tegen tijdelijke bouwwerken of tijdelijke vormen van grondgebruik.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing van natuurontwikkelingsgebieden te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het delegatiebesluit.
GGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.355.44 bevat regels voor de afwegingszone van 100 meter rond bestaande natuurgebieden. Artikel 5.355.44is niet van toepassing op binnendijken. Niet beoogd is beperkingen te stellen aan bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Voorafgaand aan het toestaan van nieuwe activiteiten dient een afweging te worden gemaakt waarbij de natuurwaarden van het naastgelegen natuurgebied moeten worden betrokken.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing Afwegingszone natuurgebieden te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland. Er bestaat een relatie tussen de begrenzing van bestaande natuur en de begrenzing van de afwegingszone natuurgebieden. Wijziging van de begrenzing van bestaande natuur kan leiden tot een wijziging van de begrenzing van de afwegingszone natuurgebieden.
HHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De bescherming van molenbiotopen betreft vooral behoud van een vrije windvang en het behoud van de belevingswaarde / het historisch karakter van de omgeving. De verordening schrijft voor dat de motivering bij een omgevingsplan inzicht moet bieden in de cultuurhistorische waarde van traditionele windmolens en het omringende gebied.
Het plan dient eveneens waarborgen te bieden ter bescherming van de molenbiotopen en van (een bepaalde mate van) vrije windvang. De zwaarste eisen gelden binnen een zone van 100 meter rond de molen. Met het bepaalde in artikel 5.37, derde lid onder c wordt beoogd een mogelijkheid te bieden voor herstructureringsprojecten / vervangende nieuwbouw met als doel het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit.
Er mag in dat geval per saldo geen nadelig effect optreden voor de windvang van de molen of de cultuurhistorische waarde van de molen. Dit kan enige creativiteit vergen, zoals het compenseren van de door de vervangende nieuwbouw verminderde windvang elders binnen de zone van 100 meter. In de tekst van de verordening is opgenomen dat in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk moet worden gemaakt dat geen nadelige effecten zullen optreden. Dit betekent in dit geval dat door middel van berekeningen duidelijk moet worden aangetoond dat er per saldo geen nadelige effecten zullen optreden voor de windvang van de molen.
Ook binnen de zone van 400 meter zullen beperkingen moeten worden gesteld aan het oprichten van bebouwing en beplanting. Met name in een bebouwde omgeving kunnen ook andere belangen in het geding zijn waarbij zekere beperkingen ten aanzien van de windvang of de belevingswaarde niet altijd zijn uit te sluiten. Dit zal echter goed moeten worden beargumenteerd waarbij met het belang van het behoud van een vrije windvang nadrukkelijk rekening dient te worden gehouden. Het plan zal waarborgen moeten bevatten voor het behoud van een zekere mate van vrije windvang. Het is voorts denkbaar in het omgevingsplan regels op te nemen, bijvoorbeeld met het oog op beplanting in een zone rond de molen, waarbij verplichte advisering door een molendeskundige wordt voorgeschreven. Het is daartoe noodzakelijk de waarde van de molen en de bij de molen behorende zone (molenbiotoop) in de regels te benoemen.
Veelal (niet in alle gevallen) zal ook de omgeving van de molen als cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevol moeten worden aangemerkt. Het ligt, in voorkomend geval, voor de hand ook deze waarden in het omgevingsplan te beschermen. Van Provinciezijde wordt gevraagd bij plannen tevens rekening te houden met de 'Handleiding Molenbiotoop' van de Vereniging de Hollandse Molen.
De rood-voor-rood regeling biedt de mogelijkheid om in bijzondere gevallen nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties toe te staan buiten stedelijk gebied, met als doel het versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied.
De regeling vormt een uitzondering op het algemene uitgangspunt dat woningbouw, die niet aansluit op het stedelijk gebied niet is toegestaan, zoals in artikel 5.14 is opgenomen. Daarom gelden belangrijke kwalitatieve voorwaarden en wordt de regeling alleen ingezet als woningbouw aantoonbaar bijdraagt aan het in stand houden van de cultuurhistorische waarden én de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.
Het eerste lid maakt duidelijk in welke gevallen het artikel van toepassing is. In het tweede en derde lid zijn de randvoorwaarden opgenomen. Gemeenten dienen bij het toepassen van deze regeling te onderbouwen waarom er een kwalitatieve versterking van het landelijk gebied ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Elke randvoorwaarde dient hierbij aan bod te komen.
In het eerste lid zijn de twee voorwaarden opgenomen op grond waarvan een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten stedelijk gebied mogelijk kan worden gemaakt. De regeling ken twee sporen:
Lid 1 sub a
Dit betreft een neutrale verplaatsing van bestaande woningen binnen het landelijk gebied, zonder toename van het aantal. De functie wonen vervalt elders (in het omgevingsplan) en wordt verplaatst naar een andere locatie, zonder netto toevoeging van woningen. Dit kan wenselijk zijn als op de nieuwe locatie sprake is van betere inpassing of verkeersontsluiting.
Lid 1 sub b
Behoud en hergebruik van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, waarbij woningbouw wordt ingezet als financiële drager voor instandhouding. Provincie Zeeland erkent dat deze gebouwen een belangrijk onderdeel vormen van het Zeeuwse landschap en de identiteit van het landelijk gebied. Tegelijkertijd is het behoud ervan onder druk komen te staan door leegstand, functieverlies of gebrek aan investeringsruimte. Door onder voorwaarden woningbouw in de bestaande gebouwen toe te staan, wordt een nieuwe functie geboden die kan bijdragen aan het behoud en beheer van deze gebouwen. Het gaat hierbij niet om het toevoegen van nieuwe woningen op het bouwvlak zelf.
De regeling beperkt zich tot gebouwen met erkende cultuurhistorische waarde. Onder iii wordt aangegeven dat het ook kan gaan om gebouwen die niet onder i of ii vallen, maar wel op basis van een onafhankelijk advies als cultuurhistorisch waardevol zijn aangemerkt.
Cultuurhistorisch waardevol
Een object of een ensemble is cultuurhistorisch waardevol wanneer de landschappelijke context en de bovengrondse bebouwing niet of weinig is aangetast, de zeldzaamheid kan worden aangetoond en het bijdraagt aan het versterken van de identiteit van die plek.
Om cultureel erfgoed in kaart te brengen en hier waarde aan toe te kennen wordt vaak gewerkt met bestaande lijsten zoals het register van rijksmonumenten en de aangewezen gemeentelijke monumenten. Deze gegevens en lijsten bevatten echter niet al het beschermwaardige cultureel erfgoed. Met een cultuurhistorisch onderzoek kunnen gebouwen, hun omgeving, landschappen en landschapselementen geïnventariseerd en gewaardeerd worden.
Een cultuurhistorisch onderzoek dient door een onafhankelijke deskundige te worden opgesteld. Dit onderzoek moet voldaan aan de richtlijnen zoals onderschreven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Voor een overzicht van de soorten onderzoek, met daarbij de juiste voorwaarden en richtlijnen, raadpleeg de website van Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed:
Binnen dit onderzoek wordt de cultuurhistorische waarde bepaald aan de hand van een 'waardestelling'.
De waardestelling heeft als doel om waarden toe te kennen aan de objecten, zo ook mogelijk in relatie tot elkaar, bijvoorbeeld als onderdeel van een samenhangend agrarisch erf. Voor de richtlijnen hoe een waardestelling opgesteld moet worden, wordt verwezen naar bovengenoemde richtlijnen.
Lid 2:
Het tweede lid regelt aan welke randvoorwaarden een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid moet voldoen (rood-voor-rood):
De woningbouwlocatie moet bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het bouwvlak en de omgeving;
De vormgeving en situering van de nieuw te bouwen woningen op een plek elders zoals bedoeld in het eerste lid onder sub a, of in een bestaand cultuurhistorisch waardevol gebouw zoals bedoeld in het eerste lid onder sub b, moeten passen bij het landschap, de bestaande bebouwing op het bouwvlak en eventuele erfgoedwaarden. Dit voorkomt verrommeling en borgt samenhang tussen de bestaande groen- en landschapsstructuren, bestaande bebouwingen en eventuele nieuwe gebouwen (bij toepassing lid 1 sub a). Hierbij wordt aanbevolen om in de nieuwe situatie te zorgen voor een collectief eigendom van de buitenruimte.
Lid 3:
Het derde lid regelt aanvullende voorwaarden voor een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid onder sub b (cultuurhistorisch spoor):
Woningbouw moet daadwerkelijk bijdragen aan instandhouding van het erfgoed;
Ongewenste en in onbruik geraakte bebouwing op het bouwvlak moeten worden gesloopt. Hiermee wordt verpaupering en een negatief aanzicht van het bouwvlak voorkomen en wordt de ruimtelijke kwaliteit hersteld;
De agrarische functie wordt omgezet naar de functie wonen, zodat er geen ongewenste functiemenging ontstaat. Een combinatie met andere niet-agrarische functies vanuit de Nieuwe Economische Dragers regeling zoals bedoeld in artikel 5.1 is mogelijk.
IIIIIIIII
Na sectie 5.46 worden twee secties ingevoegd, luidende:
De ruimte-voor-ruimte regeling is bedoeld om de kwaliteit van het landelijk gebied te versterken door het saneren van ongewenste of in onbruik geraakte bedrijfsbebouwing. In ruil daarvoor wordt woningbouw mogelijk gemaakt onder strikte voorwaarden. De regeling richt zich op de sloop van verouderde stallen, schuren of glastuinbouw die geen landschappelijke of cultuurhistorische waarde meer vertegenwoordigen en waarvan de instandhouding of het hergebruik niet meer wenselijk is.
Door sloop te combineren met zorgvuldige nieuwbouw op passende locaties, wordt een impuls gegeven aan de ruimtelijke kwaliteit. Tegelijk wordt verrommeling van het buitengebied tegengegaan. Woningbouw is hierbij geen doel op zich, maar een middel om kwaliteitsverbetering te realiseren. De regeling vormt daarmee een uitzondering op het algemene uitgangspunt dat woningbouw buiten stedelijk gebied slechts beperkt mogelijk is.
In het eerste lid zijn de hoofduitgangspunten van de regeling opgenomen. Er moet altijd sprake zijn van:
ongewenste of in onbruik geraakte bebouwing buiten en niet aansluitend aan stedelijk gebied. Dit betreft bebouwing die haar functie heeft verloren, niet meer past binnen het toekomstig ruimtelijk beleid en afbreuk doet aan de kwaliteit van het landschap.
sloop van alle bedrijfsbebouwing op het bouwvlak, tenzij het een cultuurhistorisch waardevolle boerderij betreft. Bij bedrijfsbebouwing gaat het om de gebouwen die gebruikt werden voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf. De bedrijfswoning en bijgebouwen worden hier niet toe gerekend. Bij cultuurhistorisch waardevolle boerderijen gaat het om boerderijen die ofwel monumentaal zijn dan wel voorkomen op de lijst cultuurhistorisch waardevolle gebouwen van bijlage VII, zoals omschreven in artikel 5.47 lid 1 sub i en ii.
garantie dat heroprichting wordt uitgesloten, om te voorkomen dat eerst gesloopte bebouwing op een andere plek op het bouwvlak opnieuw verrijst. Dit dient in het omgevingsplan vastgelegd te worden.
onderdeel d specificeert waar de woningen mogen komen. Dit kan op het bouwvlak zelf zijn waar de ongewenste bedrijfsbebouwing is gesloopt of, zoals beschreven in artikel 5.14, aansluitend aan stedelijk gebied of in- of aansluitend aan een bebouwingslint. Dit zijn locaties die vanuit landschappelijk oogpunt het best passend zijn en bijdragen aan ruimtelijke samenhang. De kleinschalige woningbouwlocatie mag verspreid over de drie mogelijke locaties worden ontwikkeld, dus bijvoorbeeld één woning op het voormalige bouwvlak, één aansluitend aan stedelijk gebied en één in- of aansluitend aan een bebouwingslint.
Van een bebouwingslint is sprake als een aaneengesloten rij van minimaal vier percelen met een woonbestemming is aan dezelfde kant van een weg, waarbij op elk perceel een woning gebouwd mag worden. Een bedrijfswoning wordt in dit geval ook gezien als een perceel met een woonbestemming. Een landelijke bebouwingsconcentratie of buurtschap kan bestaan uit één of meerdere bebouwingslinten.
Als een rij bestaat uit drie of vier niet aaneengesloten woningen is er dus geen sprake van een bebouwingslint. In dat geval mag één woning toegevoegd worden zodat alsnog een bebouwingslint ontstaat met vier of meer aaneengesloten woningen.
per toepassing van de regeling zijn maximaal drie woningen toegestaan.
Lid 2:
Hier worden de minimale sloopverplichtingen benoemd. De norm 500m2 per te slopen woning sluit aan bij de opbrengstwaarde van woningen in het landelijk gebied. Voor glastuinbouw geldt als minimale oppervlakte aan kas 0,5 ha om een compensatiewoning in het landelijk gebied te mogen realiseren, of andere vergelijkbare bebouwing. Hiermee wordt gezorgd voor goede balans tussen sloopinspanning en de waarde van het kunnen bouwen van een woning in het landelijk gebied,
Lid 3:
Het derde lid is een vangnet. De hoofdregel is en blijft: slopen volgens de norm van het tweede lid en maximaal drie woningen bouwen.
Alleen in uitzonderlijke situaties mag daarvan worden afgeweken.
Financiële onderbouwing: de initiatiefnemer moet open boek houden. Een onafhankelijk bureau stelt een helder en controleerbaar kosten- en opbrengstenoverzicht op. Het bureau mag geen belang hebben bij het project. De provincie kan een lijst met erkende bureaus vaststellen.
Beperking tot het minimum: de afwijking mag niet groter zijn dan strikt nodig. Het kan gaan om iets minder te slopen oppervlak of één of twee extra woningen. De gemeente moet dit onderbouwen in het omgevingsplan.
Ruimtelijke meerwaarde: elke afwijking moet het landschap verbeteren. Denk aan het herstel van sloten, houtwallen of zichtlijnen of aan de sloop van meerdere kleine opstallen elders op het bouwvlak. Voor het begrip goede landschappelijke inpassing wordt verwezen naar bijlage I bij deze verordening en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1.1.
De bescherming van molenbiotopen betreft vooral behoud van een vrije windvang en het behoud van de belevingswaarde / het historisch karakter van de omgeving. De verordening schrijft voor dat de motivering bij een omgevingsplan inzicht moet bieden in de cultuurhistorische waarde van traditionele windmolens en het omringende gebied.
Het plan dient eveneens waarborgen te bieden ter bescherming van de molenbiotopen en van (een bepaalde mate van) vrije windvang. De zwaarste eisen gelden binnen een zone van 100 meter rond de molen. Het bepaalde in artikel 5.48, derde lid onder c wordt beoogd een mogelijkheid te bieden voor herstructureringsprojecten / vervangende nieuwbouw met als doel het verhogen van ruimtelijke kwaliteit.
Er mag in dat geval per saldo geen nadelig effect optreden voor de windvang van de molen of de cultuurhistorische waarde van de molen. Dit kan enige creativiteit vergen, zoals het compenseren van de door de vervangende nieuwbouw verminderde windvang elders binnen de zone van 100 meter. In de tekst van de verordening is opgenomen dat in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk moet worden gemaakt dat geen nadelige effecten zullen optreden. Dit betekent in dit geval dat door middel van berekeningen duidelijk moet worden aangetoond dat er per saldo geen nadelige effecten zullen optreden voor de windvang van de molen.
Ook binnen de zone van 400 meter zullen beperkingen moeten worden gesteld aan het oprichten van bebouwing en beplanting. Met name in een bebouwde omgeving kunnen ook andere belangen in het geding zijn waarbij zekere beperkingen ten aanzien van de windvang of de belevingswaarde niet altijd zijn uit te sluiten. Dit zal echter goed moeten worden beargumenteerd waarbij met het belang van het behoud van een vrije windvang nadrukkelijk rekening dient te worden gehouden. Het plan zal waarborgen moeten bevatten voor het behoud van een zekere mate van vrije windvang. Het is voorts denkbaar in het omgevingsplan regels op te nemen, bijvoorbeeld met het oog op beplanting in een zone rond de molen, waarbij verplichte advisering door een molendeskundige wordt voorgeschreven. Het is daartoe noodzakelijk van de molen en de bij de molen behorende zone (molenbiotoop) in de regels te benoemen.
Veelal (niet in alle gevallen) zal ook de omgeving van de molen als cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevol moeten worden aangemerkt. Het ligt, in voorkomend geval, voor de hand ook deze waarden in het omgevingsplan te beschermen. Van Provinciezijde wordt gevraagd bij plannen tevens rekening te houden met de 'Handleiding Molenbiotoop' van de Vereniging de Hollandse Molen.
JJJJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 5.405.51 is aangegeven bij welke besluiten het bevoegd gezag rekening moet houden met de doelstellingen uit artikel 2.97. Dit kan zijn op grond van een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschriften.
Aangezien in afdeling 5.2 en 5.3 de instructieregels voor omgevingsplannen van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op projectbesluiten, geldt dit artikel ook voor projectbesluiten.
NNNNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Uit artikel 2.41 van de Omgevingswet volgt dat het waterschapsbestuur peilbesluiten vaststelt voor bij omgevingsverordening aangewezen regionale wateren. Een peilbesluit voorziet in de vaststelling van waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, die gedurende daarbij aangegeven perioden of omstandigheden zoveel mogelijk in stand worden gehouden. Uit artikel 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de inhoud of motivering van een peilbesluit. Dit artikel in de omgevingsverordening geeft hieraan invulling.
In beginsel stelt het waterschap voor alle oppervlaktewateren in Zeeland die onder zijn beheer vallen peilbesluiten vast. In overleg met gedeputeerde staten kan op basis van een onderbouwd verzoek van het waterschap (aanvraag ontheffing op basis van artikel 1.3) een uitzondering worden gemaakt als een gebied zich door ligging of hoedanigheid niet goed leent voor een peilbesluit.
Het waterschap is wettelijk bevoegd gezag voor het vaststellen of wijzigen van peilbesluiten. Indien ten behoeve van een proefproject op een specifieke locatie behoefte bestaat van een peilbesluit af te wijken, kan het waterschap instemmen met de provincie bezien of daartoe een wijziging van een peilbesluit nodig is of een ontheffing van artikel 5.495.60, eerste lid van de verordening. Het is van belang dat peilbesluiten actueel worden gehouden en zonodig worden aangepast. Een en ander vloeit ook voort uit het beleid in de provinciale omgevingsvisie.
Bij peilbesluiten volgt het waterschap uitgangspunten die voortvloeien uit kaderstelling in de provinciale omgevingsvisie, en, waar mogelijk, landelijk gebruikelijke methodieken (met betrekking tot de samenhang tussen grond- en oppervlaktewater en drooglegging (GGOR)).
VVVVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Buiten stedelijk gebied en een aandachtsgebied zijn geen nieuwe permanente dagrecreatieve ontwikkelingen meer mogelijk – zie hoofdstuk 3 In het open agrarisch gebied gelden voor de vestiging van recreatieve voorzieningen de kaders voor NED in het landelijk gebied. Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-21382.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.