Provinciaal blad van Overijssel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Overijssel | Provinciaal blad 2025, 18734 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Overijssel | Provinciaal blad 2025, 18734 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Gedeputeerde Staten van Overijssel,
Overwegende dat de minister voor Natuur en Stikstof op 25 november 2022 het ‘Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’ (hierna: 'Veegbesluit') nam;
Overwegende dat het Veegbesluit voor Overijssel in 14 Natura 2000-gebieden in totaal voor 49 habitattypen en 5 soorten instandhoudingsdoelstellingen toevoegt aan de Natura 2000-aanwijzingsbesluiten;
Overwegende dat Gedeputeerde Staten voor de nieuwe instandhoudingsdoelstellingen maatregelen moeten treffen om de doelstellingen te realiseren;
Overwegende dat deze maatregelen opgenomen worden in aanvullingen op de bestaande Natura 2000-beheerplannen en deze plannen aangemerkt worden als een programma onder de Omgevingswet;
Gelet op artikel 3.8, lid 3 van de Omgevingswet
Gelet op afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
Besluiten:
De aanvulling op het Natura 2000-beheerplan van Dinkelland vast te stellen.
zoals is aangegeven in Bijlage A.
Dit besluit treedt in werking op de dag na de dag waarop het besluit bekend wordt gemaakt.
Op 25 november 2022 stelde de minister voor Natuur en Stikstof het ‘Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’ vast (ook wel het ‘Veegbesluit’ genoemd). Het Veegbesluit wijzigt voor 100 Natura 2000-gebieden in Nederland het Aanwijzingsbesluit, omdat ten onrechte habitattypen en/of soorten nog niet aangewezen waren.
In de Aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden staan de instandhoudingsdoelstellingen voor de in het gebied voorkomende soorten en habitattypen (habitats). Het Rijk is verantwoordelijk voor deze Aanwijzingsbesluiten, waarbij de aanwijzingen in Nederland grofweg plaatsvonden in de periode 2008 – 2015.
Na de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden bleek uit betere gegevens over het natuurgebied dat ten tijde van de aanwijzing méér habitats in de gebieden voorkwamen dan wat in het eerdere Aanwijzingsbesluit staat. Deze habitats moeten ook instandhoudingsdoelstellingen krijgen. Het Veegbesluit is genomen om dit te repareren.
In Overijssel gaat het om 14 Natura 2000-gebieden waar het Veegbesluit in totaal voor 54 habitats (veelal habitattypen, soms soorten) instandhoudingsdoelstellingen toevoegt aan de Aanwijzingsbesluiten. In één geval schrapt het Veegbesluit een habitattype.
In dit document worden de wijzigingen aan het Aanwijzigingsbesluit van Natura 2000-gebied Dinkelland toegelicht.
Het ontwerp van dit document lag van 5 juni 2025 tot en met 16 juli 2025 ter inzage. Gedeputeerde Staten stelden dit document ongewijzigd definitief vast in oktober 2025.
In Hoofdstuk 2 Instandhoudingsdoelstellingen introduceren wij de nieuwe instandhoudingsdoelstellingen welke zijn toegevoegd aan het Aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied als gevolg van het Veegbesluit. De nieuwe instandhoudingsdoelstellingen worden overzichtelijk gepresenteerd in een tabel.
Vervolgens geven wij in Hoofdstuk 3 Analyse en maatregelen per habitat een analyse per habitat met informatie over de ecologische vereisten, oppervlakte, kwaliteit en trend, aangezien deze habitattypen nog niet in het Beheerplan zijn opgenomen. Ook bespreken wij de maatregelen welke nodig zijn om de nieuwe instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. Dit geldt als een aanvulling op het bestaande Natura 2000-beheerplan.
Tot slot, hebben wij het huidige Beheerplan van het Natura 2000-gebied toegevoegd als Bijlage II Natura 2000-beheerplan Dinkelland.
In dit hoofdstuk presenteren wij een lijst met de nieuwe instandhoudingsdoelstellingen welke zijn toegevoegd aan het Aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied als gevolg van het Veegbesluit.
De doelen zijn geformuleerd in termen van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang (oppervlakte habitattype of leefgebied soort of populatiegrootte soort) en “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit (van het habitattype of het leefgebied van de soort).
De website www.natura2000.nl vermeldt per Natura 2000-gebied de instandhoudingsdoelstellingen. Het Veegbesluit voegde voor het gebied Dinkelland de volgende instandhoudingsdoelstellingen toe aan het aanwijzingsbesluit:
Habitattype | Oppervlakte | Kwaliteit |
H2310 Stuifzandheiden met struikhei | = | = |
H2330 Zandverstuiving | = | = |
H3160 Zure vennen | = | > |
H5130 Jeneverbesstruwelen | = | > |
H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) | = | = |
H7230 Kalkmoerassen | = | = |
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst | = | = |
H9160A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden) | = | = |
H9190 Oude eikenbossen | = | = |
H91D0 Hoogveenbossen | = | > |
H91E0A Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen) | = | > |
H91E0B Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) | = | > |
= behoud oppervlakte / kwaliteit / populatie; > uitbreiding oppervlakte / verbetering kwaliteit / toename populatie.
In dit hoofdstuk presenteren wij voor ieder habitattype met nieuwe instandhoudingsdoelstellingen (zie ook Paragraaf 2.2 Instandhoudingsdoelstellingen Veegbesluit) een korte analyse met meer informatie over oppervlakte, kwaliteit en trend. Vervolgens beschrijven wij ook de maatregelen welke nodig zijn om de nieuwe instandhoudingsdoelstellingen te bereiken.
In de volgende paragrafen verwijzen wij in voorkomende gevallen naar ‘M-nummers’, 'K-nummers ' en ‘V-nummers’. Dit zijn verwijzingen naar maatregelen (‘M-nummers’) en knelpunten ('K-nummers') in het geldende Natura 2000-beheerplan (zie Bijlage II Natura 2000-beheerplan Dinkelland). Bij ‘V-nummers’ gaat het om maatregelen die we treffen voor de nieuwe instandhoudingsdoelstellingen uit het Veegbesluit.
Voor zover we in de volgende paragrafen een oordeel geven over de kwaliteit en/of trend van habitattypen en/of soorten dan is dit oordeel gebaseerd op expert judgement van de provincie of van de terreinbeheerder, tenzij anders vermeld.
In de volgende paragrafen staan ook oppervlaktes van habitattypen. Deze oppervlaktes zijn afkomstig uit de habitattypenkaart van dit gebied. De habitattypenkaarten van de Overijsselse Natura 2000-gebieden kunt u hier vinden: Atlas van Overijssel, Habitattypenkaart.
Voor informatie over de ecologische vereisten per habitattype verwijzen wij u naar de Herstelstrategieën op de website www.natura2000.nl.
Maatregelen met mogelijke gevolgen voor de omgeving
In Natura 2000-gebied Dinkelland voegt het Veegbesluit de habitats H91E0A Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen), H91E0B Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen), H9120 Beuken-eikenbossen met hulst en H9160A Eiken-haagbeukbossen (hogere zandgronden) toe waarvoor we niet kunnen uitsluiten dat ook de omgeving van het gebied gevolgen kan ondervinden van de maatregelen. Het betreft grondwaterafhankelijke habitats waarvoor aanwijzingen bestaan dat het nadelig wordt beïnvloed door de drainerende werking van de Dinkel (incl. de zijbeken) en nabijgelegen agrarische sloten.
Om te bepalen welke maatregelen nodig zijn, moeten we eerst nader onderzoek doen naar de abiotiek, de knelpunten en de omvang hiervan. Bij dit onderzoek betrekken we deskundigen, maar ook eigenaren die mogelijk getroffen worden door een maatregel. Na afronding van de onderzoeken verwerken we de resultaten daarvan bij de herziening van de betreffende Natura 2000-beheerplannen (de komende jaren herzien we voor alle gebieden de Natura 2000-beheerplannen).
Analyse
Actueel areaal en kwaliteit habitattype
Het habitattype Stuifzandheiden met struikhei (H2310) komt momenteel voor op één locatie ten oosten van de Dinkel, ter hoogte van de Groene Staart, met een oppervlakte van ongeveer 0,23 hectare. Het gaat om de Associatie van struikhei en stekelbrem (SBB-type 20A1a), dat volgens het profieldocument als goede kwaliteit kwalificeert. Andere kwaliteitskenmerken zoals het voorkomen van typische soorten en de vegetatiestructuur zijn niet bekend.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Knelpuntenanalyse
De KDW van het habitattype wordt matig overschreden op de locatie (K17, K18). Daarnaast betreft het voorkomen een zeer kleine oppervlakte omgeven door bos (K22). Beide factoren kunnen zorgen voor een versnelde verbossing van de struikheivegetatie. Er is ook sprake van vergrassing en houtige opslag op deze locatie (K15).
Kennisleemten
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Maatregelen
Voorkomen verslechtering korte termijn
Verlies van oppervlakte door struweelvorming dient voorkomen worden door het verwijderen van opslag en struweel (V02 en V03).
Realiseren instandhoudingsdoelen lange termijn
Dezelfde maatregelen als die op de korte termijn zijn ook op de lange termijn nodig voor behoud van dit habitattype. Wanneer het habitattype door successie dreigt te verdwijnen dan wordt periodiek kleinschalig geplagd (V02 en V03).
Toelichting maatregelen
Verwijderen van opslag en struweel en plaggen (V02 en V03) zijn bewezen maatregelen met een werking op de middellange termijn;
Al deze maatregelen verlichten deels de negatieve effecten van atmosferische depositie;
De overige maatregelen die in de Herstelstrategie voor dit habitattype worden genoemd, wordt niet geschikt geacht vanwege ongewenste neveneffecten van de maatregelen.
Analyse
Actueel areaal en kwaliteit habitattype
Het habitattype Zandverstuivingen (H2330) komt momenteel op één zeer kleine locatie voor, ter hoogte van de Groene Staart, met een oppervlakte van ongeveer 0,03 hectare. Het gaat om de Associatie van buntgras en heidespurrie (SBB-type 14A1b), dat volgens het profieldocument als goede kwaliteit kwalificeert. Andere kwaliteitskenmerken zoals het voorkomen van typische soorten zijn niet bekend.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Knelpuntenanaly
se
De KDW van het habitattype wordt matig overschreden op de locatie (K17, K18). Daarnaast betreft het voorkomen een zeer kleine oppervlakte omgeven door bos, waardoor naar verwachting de verstuivingsdynamiek zeer gering is (K22). Beide factoren kunnen zorgen voor het versneld vastleggen en dichtgroeien van de zandverstuiving. Er is ook sprake van vergrassing en houtige opslag op deze locatie (K15).
Kennisleemten
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Maatregelen
Voorkomen verslechtering korte termijn
Verlies van oppervlakte door struweelvorming dient voorkomen worden door het verwijderen van opslag en struweel (V03).
Realiseren instandhoudingsdoelen lange termijn
Dezelfde maatregelen als die op de korte termijn zijn ook op de lange termijn nodig voor behoud van dit habitattype. Ook is het voor duurzaam behoud nodig om het huidige areaal uit te breiden door middel van plaggen (V02) van aangrenzende (niet als habitattye kwalificerende) vegetaties. Ondanks dat deze maatregel bedoeld is voor de lange termijn is het nodig deze op korte termijn uit te voeren. Ook het reeds bestaande areaal wordt, waar nodig, periodiek kleinschalig geplagd (V02).
Toelichting maatregelen
Verwijderen van opslag en struweel en plaggen (V02 en V03) zijn bewezen maatregelen met een werking op de middellange termijn;
Al deze maatregelen verlichten deels de negatieve effecten van atmosferische depositie;
Het huidige areaal van de aanwezige Zandverstuiving is te klein voor duurzaam voortbestaan, daarom is uitbreiding nodig gericht op behoud. Ontwikkeling van als habitattype kwalificerende buntgrasvegetaties kan lang duren, daarom is op korte termijn het plaggen ter bevordering van uitbreiding van areaal nodig;
De overige maatregelen die in de Herstelstrategie voor dit habitattype worden genoemd, wordt niet geschikt geacht vanwege ongewenste neveneffecten van de maatregelen.
Analyse
Actueel areaal en kwaliteit habitattype
Het habitattype Zure vennen (H3160) komt momenteel voor op twee plekken in het deelgebied Stroothuizen, met een totale oppervlakte van ongeveer 0,23 hectare. Het gaat om Rompgemeenschappen van knolrus en veenmos van de Oeverkruid- en Hoogveenslenken-klassen (SBB-type 10-f en 6-d), die volgens het profieldocument als matige kwaliteit kwalificeren. Andere kwaliteitskenmerken zoals het voorkomen van typische soorten en de waterkwaliteit, zijn niet bekend.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Knelpuntenanalyse
In Stroothuizen zijn te lage grondwaterstanden in het voorjaar en de zomer een knelpunt door ontwatering buiten het Natura 2000 gebied (knelpunt K1, K3, K25) en binnen het Natura 2000 gebied (knelpunt K2). Daarnaast kan actueel of in de toekomst sulfaatrijk grondwater toestromen en zorgen voor interne eutrofiëring (knelpunt K20). Of dit een knelpunt is of gaat worden, is onbekend. Mogelijk kan toestroming van sulfaatrijk grondwater leiden tot accumulatie van sulfiden op de standplaats van het habitattype. Dit kan in droge jaren leiden tot oxidatie van deze sulfiden en daarmee tot sterke verzuring. De KDW van het habitattype wordt sterk overschreden op de beide vennen (K17, K18). Hierdoor kunnen de oeverzones versneld vergrassen en/of verbossen; dit is ook aan de orde bij de vennen. Mogelijk kan stikstofdepositie ook leiden tot algenbloei in de vennen, maar het is niet goed bekend of dit aan de orde is.
Kennisleemten
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype. De waterkwaliteit in de vennen is ook niet goed bekend. Daarnaast is niet goed bekend in hoeverre grondwateronttrekking en de toestroom van sulfaatrijk grondwater een invloed hebben op de waterkwaliteit. De samenhang tussen sulfaat, pH, zuurbuffering, stikstof en fosfaatbeschikbaarheid is van belang om een goed beeld te hebben van de waterkwaliteit en de gevoeligheid voor verzuring en vermesting op termijn.
Maatregelen
Voorkomen verslechtering korte termijn
Maatregelen in de waterhuishouding dragen bij aan behoud. Verlies van oppervlakte door struweelvorming dient voorkomen worden door het afzetten van struweel en het vrijmaken van de venranden (V03).
Realiseren instandhoudingsdoelen lange termijn
Dezelfde maatregelen op de korte termijn dragen bij aan verbetering van de kwaliteit. Eventuele aanvullende maatregelen in de waterhuishouding kunnen dat versterken. Wanneer het habitattype door successie dreigt te verdwijnen dan wordt periodiek de organische toplaag verwijderd (V02 en V03). Hooguit eens in de 20 jaar wordt dit gedaan indien noodzakelijk na het uitvoeren van een vooronderzoek. De herstelstrategie voor het habitattype geeft specifieke richtlijnen voor de uitvoering. Door omvorming van landbouwgrond binnen de Natura 2000 begrenzing (M16) wordt (het risico op) vermesting via grondwater beperkt op de lange termijn.
Toelichting maatregelen
Vernatting door maatregelen in de waterhuishouding zijn bewezen maatregelen met een langdurig effect;
Verwijderen struweel en plaggen (V02 en V03) zijn ook bewezen maatregelen met een werking op de middellange termijn;
Al deze maatregelen verlichten deels de negatieve effecten van atmosferische depositie die voor dit habitattype in het gebied erg hoog is;
De overige maatregelen die in de Herstelstrategie voor dit habitattype worden genoemd, wordt niet geschikt geacht vanwege de beperkte omvang van het gebied en/of ongewenste neveneffecten van de maatregelen.
Analyse
Actueel areaal en kwaliteit habitattype
Het habitattype Jeneverbesstruwelen (H5130) heeft momenteel twee voorkomens in een droog heideterrein, in het zuidelijk deel van deelgebied Punthuizen. De oppervlakte is in totaal ongeveer 0,09 hectare. Het voorkomen is gebleken uit een luchtfoto-analyse (2013). Het is niet bekend wat de vegetatiesamenstelling is; gezien de omliggende struikhei-vegetatie is het aannemelijk dat ook in het jeneverbesstruweel struikhei voorkomt. Andere kwaliteitskenmerken zoals het voorkomen van typische soorten en de populatiestructuur van de jeneverbessen zijn niet bekend.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype. Het is echter waarschijnlijk dat het habitattype onderhevig is aan vergrassing en verbossing, aangezien dat in de direct rondom liggende droge heiden ook het geval is.
Knelpuntenanalyse
De KDW van het habitattype wordt matig overschreden op de locatie (K17, 18, 19). Daarnaast betreft het voorkomen twee zeer kleine oppervlaktes (K22), waardoor naar verwachting de populatie kwetsbaar is. Jeneverbes is een tweehuizige soort die op veel plekken in Nederland te maken heeft met een lage kiemingsgraad. Vergrassing door stikstofdepositie en uitbreiding van heide kan de verjonging van jeneverbesstruweel verder beperken.
Kennisleemten
Er zijn geen gegevens bekend over de kwaliteit van dit habitattype, noch over trends in oppervlakte en kwaliteit.
Maatregelen
Voorkomen verslechtering korte termijn
Het jeneverbesstruweel wordt meegenomen in de beheerplanmaatregelen die voor droge heide (H4030) worden uitgevoerd, aangezien de jeneverbesstruwelen deel uitmaken van het droge heide-complex en daar naar alle waarschijnlijkheid dezelfde stikstofgerelateerde knelpunten spelen. Vergraste delen worden deels geplagd of gechopperd, in combinatie met eventuele bekalking (V02, V05). Deze maatregelen worden gebaseerd op lokaal vooronderzoek. De plagcyclus en de cyclus van chopperen zijn langer dan 20 jaar. Bij plaggen wordt een dunne humuslaag gehandhaafd. Bekalken wordt alleen in verzuurde situaties uitgevoerd in combinatie met plaggen. Chopperen wordt uitgevoerd op plekken met een dunne humuslaag. Daarnaast is periodieke verwijdering nodig van opslag van bomen (V03), met name dennen.
Realiseren instandhoudingsdoelen lange termijn
Gelijk aan korte termijn.
Toelichting maatregelen
Plaggen met bekalken en chopperen (V02) zijn maatregelen die op kleine schaal ingezet kunnen worden voor herstel van kwaliteit en het verlichten van stikstofdepositie. Plaggen kan wel bij een hoge stikstofdepositie leiden tot een onbalans in de nutriëntenhuishouding. Bekalken na het plaggen zorgt ervoor dat de ammoniumpiek die vaak na plaggen optreedt sterk vermindert (Beije et al., 2012).
Periodiek opslag verwijderen (V03) is een bewezen maatregel.
De overige maatregelen die in de Herstelstrategie voor dit habitattype worden genoemd, wordt niet geschikt geacht vanwege de beperkte omvang van het gebied en/of ongewenste neveneffecten van de maatregelen.
Analyse
Actueel areaal en kwaliteit habitattype
Het habitattype Overgangs- en trilvenen (trilvenen) (H7140A) komt momenteel voor op één plek, in deelgebied Punthuizen. Het gaat om een klein trilveentje in mozaïek met blauwgrasland. De totale oppervlakte is ongeveer 0,01 hectare. Het gaat om de Associatie van moerasstruisgras en zompzegge (SBB-type 9A3c, veldrus-rijke vorm), die volgens de habitattypenkaart een goede kwaliteit heeft. Waarschijnlijk is er sprake van zeer lokale kwel. Andere kwaliteitskenmerken zoals het voorkomen van typische soorten, de vegetatiestructuur en de mate van houtige opslag, zijn niet bekend.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Knelpuntenanalyse
In Punthuizen zorgt verdroging door ontwatering (K1, K2, K3, K25) en mogelijk ook door beregening voor een grote verzuringsgevoeligheid van het habitattype in droge jaren. Hieraan draagt ook de accumulatie van zwavel die in het verleden door atmosferische depositie (K19) en instroom van landbouwwater is opgetreden. Atmosferische stikstofdepositie kan zorgen voor eutrofiering en daardoor voor een geringere kwaliteit (K17, K18, K19). De huidige oppervlakte is zeer klein (K22); het komt op slechts één locatie in Punthuizen zeer lokaal in mozaiek voor en ligt dan ook geïsoleerd van andere voorkomens in de regio. Versnippering van het huidige voorkomens is daarom ook een knelpunt (knelpunt K23). Voor uitbreiding van trilvenen is met name het opgang brengen van successie belangrijk (zie onder kennisleemten).
Kennisleemten
Onduidelijk is of toestroming van vermest grondwater optreedt of kan gaan optreden, waardoor het habitattype als gevolg van eutrofiering achteruit gaat. Ook kan verdroging door grondwateronttrekking en/of drainage ten behoeve van de landbouw een knelpunt zijn; dit is ook niet goed bekend.
Maatregelen
Voorkomen verslechtering korte termijn
Maatregelen in de waterhuishouding dragen bij aan behoud, vooral door toename van basenrijke kwel. Hooilandbeheer (laat in groeiseizoen maaien en afvoeren) noodzakelijk voor behoud (M18). Gezien de kwetsbaarheid van de bodem is hier inzet van licht maaimaterieel vereist. Zeer kleinschalig kan worden geplagd (M22, zie bij H6410 Blauwgrasland in Bijlage II Natura 2000-beheerplan Dinkelland). Deze maatregelen worden gebaseerd op lokaal vooronderzoek. De plag-/choppercyclus is langer dan 20 jaar.
Realiseren instandhoudingsdoelen lange termijn
Gelijk aan korte termijn. Door omvorming van landbouwgrond binnen de Natura 2000 begrenzing (M16) wordt (het risico op) vermesting via grondwater beperkt op de lange termijn.
Toelichting maatregelen
Trilveen komt voor in mozaïek met een blauwgrasland in Punthuizen; dit type lift dan ook mee op maatregelen ten gunste van blauwgrasland H6410;
Maaien en afvoeren (M18) en kleinschalig plaggen (M22) zijn beproefde maatregelen voor herstel en de instandhouding van het habitattype;
De overige maatregelen die in de Herstelstrategie voor dit habitattype worden genoemd, wordt niet geschikt geacht vanwege de beperkte omvang van het gebied en/of ongewenste neveneffecten van de maatregelen.
Analyse
Actueel areaal en kwaliteit habitattype
Kalkmoerassen (H7230) komen voor in Punthuizen, in een systeem met blauwgraslanden en natte heiden. Plaatselijk waargenomen blauwgrasland-gemeenschappen met o.a. parnassia, rechte rus, goudsikkelmos en moeraswespenorchis kwalificeren als habitattype kalkmoeras (goede kwaliteit). Een klein deel waar de Rompgemeenschap met blauwe knoop en blauwe zegge voorkomt heeft een matige kwaliteit. De totale als kalkmoeras kwalificerende oppervlakte is 0,45 hectare.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Knelpuntenanalyse
In Punthuizen zorgt verdroging door ontwatering (K1, K2, K3, K25) en mogelijk ook door beregening voor een grote verzuringsgevoeligheid van het habitattype in droge jaren. Hieraan draagt ook de accumulatie van zwavel die in het verleden door atmosferische depositie (K19) en instroom van landbouwwater is opgetreden. Atmosferische stikstofdepositie kan zorgen voor eutrofiering en daardoor voor een geringere kwaliteit (K17, K18, K19). Omdat het habitattype alleen over een kleine oppervlakte in Punthuizen voorkomt (K22), ligt het sterk geïsoleerd van andere voorkomens in de regio. Versnippering van het huidige voorkomens is daarom ook een knelpunt (knelpunt K23).
Kennisleemten
Onduidelijk is of toestroming van vermest grondwater optreedt of kan gaan optreden, waardoor het habitattype als gevolg van eutrofiering achteruit gaat. Ook kan verdroging door grondwateronttrekking en/of drainage ten behoeve van de landbouw een knelpunt zijn; dit is ook niet goed bekend.
Maatregelen
Voorkomen verslechtering korte termijn
Maatregelen in de waterhuishouding dragen bij aan behoud, vooral door toename van basenrijke kwel. Hooilandbeheer (laat in groeiseizoen maaien en afvoeren) noodzakelijk voor behoud (V02). Gezien de kwetsbaarheid van de bodem is hier inzet van licht maaimaterieel vereist. Zeer kleinschalig kan worden geplagd (V02) (zie ook M18 en M22 bij H6410 Blauwgrasland in Bijlage II Natura 2000-beheerplan Dinkelland). Deze maatregelen worden gebaseerd op lokaal vooronderzoek. De plag-/choppercyclus is langer dan 20 jaar.
Realiseren instandhoudingsdoelen lange termijn
Gelijk aan korte termijn. Door omvorming van landbouwgrond binnen de Natura 2000 begrenzing (M16) wordt (het risico op) vermesting via grondwater beperkt op de lange termijn.
Toelichting maatregelen
Kalkmoeras komt voor in mozaïek met blauwgrasland in Punthuizen; dit type lift dan ook mee op maatregelen ten gunste van blauwgrasland H6410;
Maaien en afvoeren en kleinschalig plaggen (V02) zijn beproefde maatregelen voor herstel en de instandhouding van het habitattype;
De overige maatregelen die in de Herstelstrategie voor dit habitattype worden genoemd, wordt niet geschikt geacht vanwege de beperkte omvang van het gebied en/of ongewenste neveneffecten van de maatregelen.
Analyse
Actueel areaal en kwaliteit habitattype
Er is ongeveer 16 hectare Beuken-eikenbossen met hulst (H9120) aanwezig in het Dinkelland. Het grootste deel ligt in het noorden van het Dinkeldal bij Beuningen; daarnaast is het ook aanwezig ten zuiden van Losser, ter hoogte van Glane. Op de meeste locaties betreft het Beuken-eikenbos (42Aa2); plaatselijk gaat het om Bochtige smele – beukenbos (42Aa3). Volgens het profieldocument worden deze bostypen als goede kwaliteit habitattype gerekend. De actuele kwaliteit van deze bossen is echter niet bekend. Kwaliteitskenmerken zoals het voorkomen van typische soorten zijn niet bekend. Om te bepalen of verdroging een knelpunt is voor dit habitattype voeren we op korte termijn een onderzoek uit naar de kwaliteit, abiotiek en knelpunten van dit habitattype (zie ook Paragraaf 3.1 Inleiding).
Trends in areaal en kwaliteit habitattyp
e
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Knelpuntenanalyse
Knelpunten ten aanzien van structuur (open plekken, zomen/mantels) zijn niet exact bekend. Een hoge zuurdepositie, vooral in het verleden toen de zwaveldepositie hoog was, heeft naar verwachting geleid tot sterke uitloging van basen en verzuring van de bodem (K17, 18, 19). De daadwerkelijke toestand met betrekking tot zuurbufferend vermogen is echter niet bekend. De verzuring is nadelig voor diverse kenmerkende plantensoorten. Daarnaast is verdroging mogelijk een knelpunt vanwege de drainerende werking van de Dinkel (incl. de zijbeken) en nabijgelegen agrarische sloten (zie Paragraaf 3.1 Inleiding).
Kennisleemte
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype. Daarnaast is er weinig bekend over de abiotische toestand en de actuele stikstofgerelateerde knelpunten in de bossen.
Maatregelen
Voorkomen verslechtering korte termijn
Voor voorkomens van dit habitattype zijn in de lopende beheerplan periode geen maatregelen met betrekking tot beheer gepland wegens kennislacunes ten aanzien van de toestand en knelpunten. In de herstelstrategie worden als nuttige maatregelen voor dit bostype onder meer genoemd: middenbos- /hakhoutbeheer, begrazing, strooisel verwijderen en het introduceren van (boom)soorten met goed verteerbaar en/of kalkrijk strooisel. Kennis van de actuele toestand in de voorkomens is echter nodig om te kunnen bepalen of deze maatregelen nuttig of juist ongunstig zijn.
Realiseren instandhoudingsdoelen lange termijn
Om te bepalen of en welke maatregelen op de lange termijn nodig zijn is het nodig om de kennisleemtes in te vullen. Daartoe vindt onderzoek plaats naar het voorkomen, de trend en de knelpunten in het kader van de herziening van het Natura 2000-beheerplan, onder meer op basis van een nieuwe vegetatiekartering en een nieuwe habitattypenkaart. We herzien de komende jaren voor alle Natura 2000-gebieden het beheerplan. Het beheerplan voor Dinkelland wordt uiterlijk voor 12‑9‑2028 herzien.
Toelichting maatregelen
De noodzaak van maatregelen die in de Herstelstrategie voor dit habitattype worden genoemd, kan momenteel niet bepaald worden wegens kennislacunes ten aanzien van de toestand en knelpunten. Kennis van de actuele toestand in de voorkomens is nodig om te kunnen bepalen of deze maatregelen nuttig of juist ongunstig zijn (V05)
Analyse
Actueel areaal en kwaliteit habitattype
Het habitattype Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden) (H9160A) komt alleen in een kleine strook langs de Elsbeek voor. De oppervlakte is ongeveer 0,42 hectare. Volgens gegevens van provincie Overijssel betreft het een Eiken-haagbeukenbos met in ieder geval dalkruid in de ondergroei. Overige kwaliteitskenmerken zoals het voorkomen van typische soorten zijn niet bekend.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Knelpuntenanalyse
De KDW van het habitattype wordt matig overschreden op het voorkomen (K17, 18, 19). Hierdoor kunnen de typische soorten afnemen in (soorten)aantal en kan de ondergroei verruigen. Omdat het habitattype alleen langs de Elsbeek op een kleine oppervlakte (K22) voorkomt, ligt het sterk geïsoleerd van andere voorkomens in de regio. Versnippering van het huidige voorkomen is daarom ook een knelpunt (K23). Daarnaast is verdroging mogelijk een knelpunt vanwege de drainerende werking van de Dinkel (incl. de zijbeken) en nabijgelegen agrarische sloten (zie Paragraaf 3.1 Inleiding).
Kennisleemten
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype. Er is verder weinig bekend over de abiotische toestand in het voorkomen van Eiken-haagbeukenbos.
Maatregelen
Voorkomen verslechtering korte termijn
Voor voorkomens van dit habitattype zijn in de lopende beheerplan periode geen maatregelen met betrekking tot beheer gepland wegens kennislacunes ten aanzien van de toestand en knelpunten. In de herstelstrategie worden als nuttige maatregelen voor dit bostype onder meer genoemd: middenbos- /hakhoutbeheer en het introduceren van (boom)soorten met goed verteerbaar en/of kalkrijk strooisel. Kennis van de actuele toestand in de voorkomens is echter nodig om te kunnen bepalen of deze maatregelen nuttig of juist ongunstig zijn. Ook kunnen we niet uitsluiten dat ten aanzien dit habitattype maatregelen in de hydrologie nodig zijn. Om te bepalen of verdroging een knelpunt is voor dit habitattype voeren we op korte termijn een onderzoek uit naar de kwaliteit, abiotiek en knelpunten van dit habitattype (zie ook Paragraaf 3.1 Inleiding).
Realiseren instandhoudingsdoelen lange termijn
Om te bepalen of en welke maatregelen op de lange termijn nodig zijn is het nodig om de kennisleemtes in te vullen. Daartoe vindt onderzoek plaats naar het voorkomen, de trend en de knelpunten in het kader van de herziening van het Natura 2000-beheerplan, onder meer op basis van een nieuwe vegetatiekartering en een nieuwe habitattypenkaart. We herzien de komende jaren voor alle Natura 2000-gebieden het beheerplan. Het beheerplan voor Dinkelland wordt uiterlijk voor 12‑9‑2028 herzien.
Toelichting maatregelen
De noodzaak van maatregelen die in de Herstelstrategie voor dit habitattype worden genoemd, kan momenteel niet bepaald worden wegens kennislacunes ten aanzien van de toestand en knelpunten. Kennis van de actuele toestand in de voorkomens is nodig om te kunnen bepalen of deze maatregelen nuttig of juist ongunstig zijn (V04).
Analyse
Actueel areaal en kwaliteit habitattype
Oude eikenbossen (H9190) komen over kleine oppervlakten voor in Groene Staart en Punthuizen. Het gaat in beide gevallen om oude berken-zomereikenbossen (in totaal 0,47 ha). Volgens het profieldocument kwalificeert dit vegetatietype als goede kwaliteit. Overige kwaliteitskenmerken zoals het voorkomen van typische soorten zijn niet bekend.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Knelpuntenanalyse
De KDW van het habitattype wordt matig overschreden op het voorkomen (K17 & K18). Hierdoor kunnen typische soorten, mycorrhiza, mossen en korstmossen afnemen in (soorten)aantal. Omdat het habitattype op twee verspreide locaties op een kleine oppervlakte (K22) voorkomt, ligt het sterk geïsoleerd van andere voorkomens in de regio. Versnippering van het huidige voorkomen is daarom ook een knelpunt (K23). Het bos bij Punthuizen ligt daarnaast binnen de storingsinvloed van bebouwing.
Kennisleemten
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Maatregelen
Voorkomen verslechtering korte termijn
Gezien de huidige kwaliteit wordt het niet noodzakelijk geacht om op korte termijn maatregelen te nemen.
Realiseren instandhoudingsdoelen lange termijn
Indien uit de monitoring van de natuurkwaliteit en indicatoren van verzuring en vermesting blijkt dat stikstofdepositie zorgt voor achteruitgang van kwaliteit, wordt bepaald welke maatregelen nuttig en nodig zijn.
Toelichting maatregelen
Analyse
Actueel areaal en kwaliteit habitattype
Op basis van de habitattypenkaart komt Hoogveenbossen (H91D0) voor in Stroothuizen, op ongeveer 0,13 hectare, grenzend aan een natte heide. Waarschijnlijk gaat het om de Rompgemeenschap met pijpenstrootje van het berkenbroekbossen-verbond (matige kwaliteit habitattype). Overige kwaliteitskenmerken zoals de aanwezigheid van veenmossen zijn niet bekend. Er zijn twijfels of het hoogveenbos op de habitattypenkaart daadwerkelijk kwalificeert als H91D0. Bekend is wel dat de aanwezige berken zijn gekapt ter uitvoering van het inrichtingsplan Punthuizen-Stroothuizen. Ter plaatse groeit inmiddels dopheide en beenbreek.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Knelpuntenanalyse
Onbekend.
Kennisleemten
Er zijn twijfels over het voorkomen van het habitattype in het gebied.
Maatregelen
Er dient onderzoek plaats te vinden of het habitattype daadwerkelijk in het gebied voorkwam ten tijde van de plaatsing van het gebied op de lijst met gebieden van communautair belang door de Europese Commissie. Indien dit niet het geval is dan is de aanwijzing van H91D0 in dit gebied onterecht. Indien het habitattype wel voorkwam dienen maatregelen getroffen te worden om het habitattype terug te brengen in het gebied.
Analyse
Actueel areaal en kwaliteit habitattype
Het habitattype Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen) (H91E0A) komt verspreid over het gebied voor langs de Dinkel en de zijbeken in een totale oppervlakte van 1,91 hectare. De kwaliteit is van het habitattype is onbekend.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype
Onbekend.
Knelpuntenanalyse
Aanwezige knelpunten in het Dinkeldal:
1. Verruiging: als gevolg van de voedselrijkdom van het oppervlaktewater (in de PAS-systeemanalyse aangeduid als onderzoeksmaatregel M12), als gevolg van het aanspoelen van organische materiaal en afval als gevolg van inundaties en als gevolg van mineralisatie van het organisch materiaal door verdroging.
2. Aanwezigheid plaag/probleemsoorten zoals Reuzenbalsemien, Reuzenberenklauw en Japanse duizendknoop (beheer).
3. Omvang: het bosareaal te klein, de kenmerkende boomsoorten ontbreken (zoals Iep en Linde).
4. Ontbreken van dynamiek en het proces van erosie en sedimentatie: als gevolg van de verdiepte ligging van de Dinkel, de aanwezigheid van puin en leem in de Dinkeloevers, de veranderde instelling van de balgstuw van het Omleidingskanaal, de kanalisatie van delen van het Dinkeltraject.
5. Daarnaast is verdroging mogelijk een knelpunt vanwege de drainerende werking van de Dinkel (incl. de zijbeken) en nabijgelegen agrarische sloten (zie Paragraaf 3.1 Inleiding).
Kennisleemten
Nader onderzoek vindt nog plaats naar mogelijk hydrologisch herstel door peilverhoging in de leggerwatergangen oostelijk van de Dinkel t.b.v. de alluviale bossen noord en zuid van de Beuningerveldweg.
Het effect van de veranderde instelling van de balgstuw van het Omleidingskanaal dient nader te worden onderzocht (ook als zodanig geformuleerd in de Natuurdoelanalyse).
Het effect van ontstening en het daarop volgende afzet van zand op stroomdalgraslanden wordt aan de hand van procesindicatoren gemonitord.
Maatregelen
1. Verwijderen organisch materiaal en afval.
2. Kwaliteitsverbetering door beheeringrepen: aanplant van kenmerkende boomsoorten, vergroten van het oppervlak, bestrijden van probleemsoorten en vergroten bosareaal en ontwikkeling mantel-zoomvegetaties.
3. Vergroten dynamiek: verwijderen van puin uit de Dinkeloevers, hermeanderen van gekanaliseerd Dinkeltraject om dynamiek te vergroten (Dinkeltraject bij Glane is uitgevoerd).
4. Om te bepalen of verdroging een knelpunt is voor dit habitattype voeren we op korte termijn een onderzoek uit naar de kwaliteit, abiotiek en knelpunten van dit habitattype (zie ook Paragraaf 3.1 Inleiding).
Toelichting maatregelen
De noodzaak van maatregelen die in de Herstelstrategie voor dit habitattype worden genoemd, kan momenteel niet bepaald worden wegens kennislacunes ten aanzien van de toestand en knelpunten. Kennis van de actuele toestand in de voorkomens is nodig om te kunnen bepalen of deze maatregelen nuttig of juist ongunstig zijn (V04). Hiervoor is ook de uitkomst van het onderzoek naar mogelijk hydrologisch herstel door peilverhoging in de leggeratergangen oostelijk van de Dinkel van belang.
Analyse
Actueel areaal en kwaliteit habitattype
Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) (H91E0B) komen voor in een totale oppervlakte van 6,6 hectare in Groene Staart, Losser-Overdinkel en Snoeijinksbeek, deels in mengvormen met andere bostypen (veelal rompgemeenschappen). Grotendeels gaat het om het vegetatietype Essen-iepenbos (43Aa2), dat telt als goede kwaliteit habitattype. Overige kwaliteitskenmerken zoals het voorkomen van typische soorten zijn niet bekend.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype
Er zijn geen gegevens bekend over trends in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype.
Knelpuntenanalyse
Standplaatsen langs de Dinkel die oeverstromen zouden kunnen eutrofiëren door aanvoer van nutriëntenrijk slib (K21). De voedselrijkdom van de bodem in Essen-iepenbossen is van nature vrij hoog; het optimale trofische bereik van het habittatype is matig voedselrijk tot zeer voedselrijk. Desondanks kan een extra nutriënten-aanvoer door slib leiden tot verruiging (Beije et al. 2012b), het is echter niet bekend of dit daadwerkelijk aan de orde is in de voorkomens. Actuele en toekomstige stikstofdepositie vormen geen knelpunt voor dit habitattype. Daarnaast is verdroging mogelijk een knelpunt vanwege de drainerende werking van de Dinkel (incl. de zijbeken) en nabijgelegen agrarische sloten (zie Paragraaf 3.1 Inleiding).
Kennisleemten
Voor de voorkomens in het Dinkeldal zijn de toestand en trends wat betreft biotiek en abiotiek onbekend en daarmee ook knelpunten in de waterhuishouding en het beheer. Of verdroging door grondwateronttrekking voor landbouw een knelpunt is, is onduidelijk.
Maatregelen
Voorkomen verslechtering korte termijn
Voor behoud van het habitattype in het Dinkeldal worden ook op lokale schaal hydrologische maatregelen uitgevoerd. Voor voorkomens van dit habitattype in het Dinkeldal zijn in de lopende beheerplan periode geen maatregelen met betrekking tot beheer gepland wegens kennislacunes ten aanzien van de toestand en knelpunten. In de herstelstrategie wordt als nuttige maatregel voor dit bostype onder meer genoemd het bevorderen van boomsoorten met goed verteerbaar en/of kalkrijk strooisel, zoals fladderiep en zwarte populier. Om te bepalen of verdroging een knelpunt is voor dit habitattype voeren we op korte termijn een onderzoek uit naar de kwaliteit, abiotiek en knelpunten van dit habitattype (zie ook Paragraaf 3.1 Inleiding).
Realiseren instandhoudingsdoelen lange termijn
Om te bepalen of en welke maatregelen op de lange termijn nodig zijn is het nodig om de kennisleemtes in te vullen. Daartoe vindt onderzoek plaats naar het voorkomen, de trend en de knelpunten in het kader van de herziening van het Natura 2000-beheerplan, onder meer op basis van een nieuwe vegetatiekartering en een nieuwe habitattypenkaart. We herzien de komende jaren voor alle Natura 2000-gebieden het beheerplan. Het beheerplan voor Dinkelland wordt uiterlijk voor 12‑9‑2028 herzien.
Toelichting maatregelen
Analyse
Actueel voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort
De Beekprik (H1096) is binnen het Natura 2000-gebied Dinkelland voor zover bekend alleen waargenomen in de Ruenbergerbeek en de Boven-Dinkel. De Ruenbergerbeek, waarin het leefgebied LG01 Bron bovenloop ligt, is een permanent watervoerende beek die uitkomt op de Dinkel. De stroming en ecologische kwaliteit in de Ruenbergerbeek is ondanks de voedselrijkdom zeer goed. De beekprik is al enige jaren niet meer waargenomen in Ruhenbergerbeek en de Boven-Dinkel.
Trend in voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort
Geen informatie over trend beschikbaar.
Knelpuntenanalyse
Een mogelijk knelpunt voor de huidige Beekprik-populatie in Dinkelland is het risico op droogval in de zijbeken als gevolg van ontwatering (K1, K2; zie paragraaf 3.2.1). Daardoor is het voortbestaan van de soort in het Natura 2000 gebied kwetsbaar voor ongunstige gebeurtenissen in het Dinkeldal (bv. droogval, extreme afvoerpiek). De hoge nutriëntenbelasting van de beken door bemesting in het stroomgebied kan eveneens een knelpunt zijn (K20, K21). De exacte invloed daarvan op de soort is niet duidelijk.
Kennisleemte
Het exacte voorkomen van de Beekprik in Dinkelland (waar en hoeveel) is op dit moment niet bekend. Onderzoek naar de verspreiding, kwaliteit van het leefgebied en knelpunten als onderdeel van groter visonderzoek van provincie Overijssel (V01).
Maatregelen
De Ruhenbergerbeek en de Boven-Dinkel bij Glane zijn recent heringericht door waterschap Vechtstromen.
Analyse
Actuele voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort
De Bittervoorn (H1134) is op meerdere plaatsen waargenomen in de Dinkel en de Glanerbeek (NDFF, geraadpleegd in december 2017). Het leefgebiedtype Geïsoleerde meanders (LG02) ligt op twee locaties langs de Dinkel. Eén van die afgesloten meanders, bij Ravenhorst, is benedenstrooms aan de Dinkel verbonden en stroomt mee bij hoge waterstanden. De bittervoorn is dus vanwege het voorkomen buiten die meanders slechts beperkt afhankelijk van LG02.
Trend in voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort
Gegevens over trends zijn niet voorhanden.
Knelpuntenanalyse
De bittervoorn is sterk gevoelig voor: vermesting, leidend tot een toenemende voedselrijkdom, verminderd doorzicht en lage zuurstofgehaltes; rigoureus onderhoud; afwezigheid van beheer, waardoor de modderlaag te dik wordt; handhaven van een tegennatuurlijk waterpeil in ondiepe en door duikers gescheiden sloten, waardoor de migratie naar diepere overwinteringswateren wordt belemmerd, en de vissen in strenge winters kunnen doodvriezen (Kersten & Ottburg, 2003). In hoeverre deze knelpunten daadwerkelijk aan de orde zijn voor de bittervoorn in het Dinkeldal, en in het bijzonder het LG02 Geïsoleerde meanders, is niet bekend.
Kennisleemte
De verspreiding van bittervoorns in het Dinkeldal en de kwaliteit van het stikstofgevoelige leefgebied LG02 zijn onvoldoende bekend. Daardoor is niet goed te bepalen in hoeverre er stikstofgerelateerde knelpunten zijn ten aanzien van het leefgebied van de bittervoorn, en daarmee ook niet of maatregelen nodig zijn. Onderzoek naar de verspreiding, kwaliteit van het leefgebied en knelpunten als onderdeel van groter visonderzoek van provincie Overijssel (V01).
/join/id/regdata/pv23/2025/RG53giofe08436d-222f-473a-b8c5-5fba1359dffe/nld@2025‑11‑11;9
/join/id/regdata/pv23/2025/pdf_216fa6b5-035a-4cfc-ad51-593ae69d2adb/nld@2025‑11‑11;141
/join/id/regdata/pv23/2025/53gioc7330ce2-0cf4-446f-9451-91af5714179e/nld@2025‑11‑11;192
/join/id/regdata/pv23/2025/53gioc818eed7-03e8-4fe6-b274-875b308c98df/nld@2025‑11‑11;44
/join/id/regdata/pv23/2025/53gio0a395739-9094-45b5-817c-6b250c724043/nld@2025‑11‑11;162
/join/id/regdata/pv23/2025/53gioc64b3172-89e5-4158-99f4-720fffbc743f/nld@2025‑11‑11;164
/join/id/regdata/pv23/2025/53gio34624cb4-6eee-4230-b92b-5c8a14e3780d/nld@2025‑11‑11;168
/join/id/regdata/pv23/2025/53giofb5eb4e7-780f-4216-891e-f0eaa9278f32/nld@2025‑11‑11;166
/join/id/regdata/pv23/2025/53gio2bbd7b11-0644-4582-bbe0-9b9b799681e0/nld@2025‑11‑11;194
/join/id/regdata/pv23/2025/53giofa834cd6-fcfa-4ebf-8476-f8e1aa055d49/nld@2025‑11‑11;198
/join/id/regdata/pv23/2025/53giob808d632-7769-49d8-b195-1f4bb74e157d/nld@2025‑11‑11;160
/join/id/regdata/pv23/2025/53gio8cf92c4a-5a1e-4cfa-90c6-a56f7f4c6346/nld@2025‑11‑11;190
/join/id/regdata/pv23/2025/53giof94c0467-2684-4e85-aa08-69e915c2ff16/nld@2025‑11‑11;188
/join/id/regdata/pv23/2025/53gioc50727bc-08c9-43e3-92c8-f8d9114860b5/nld@2025‑11‑11;158
/join/id/regdata/pv23/2025/53giofac1b715-87f4-40e1-9b13-1de9c5a5a4a9/nld@2025‑11‑11;170
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-18734.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.