Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 20151 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 20151 | andere beschikking |
Toestemming voor een uitbreiding van een zuivelfabriek, in verband waarmee een revisievergunning aangevraagd wordt aan Harlingenstraat 65 te Bolsward
Op 5 mei 2020 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Hochwald Foods Nederland B.V. Het betreft een uitbreiding van een zuivelfabriek, in verband waarmee een revisievergunning aangevraagd wordt. De aanvraag heeft betrekking op Harlingerstraat 65 in Bolsward. De aanvraag is geregistreerd onder nummer 2020-FUMO-0040880.
De volgende activiteiten zijn aangevraagd:
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen, aan Hochwald Foods Nederland B.V.:
een (omgevings)vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, sub 2°, (het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting) juncto artikel 2.6 van de Wabo (revisievergunning) te verlenen. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in het onderdeel ‘Voorschriften’ van dit besluit;
Tevens besluiten wij dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van deze vergunning:
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
S.G.C. Boender Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking zes weken na bekendmaking van het definitieve besluit.
De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van de in de kennisgeving vermelde dag gedurende zes weken ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de provincie en de FUMO.
Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 150, 9700 AD Groningen.
Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.
Terrein van de inrichting en toegankelijkheid
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder
De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.
Onderhoudswerkzaamheden waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste 14 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de - te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd, tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
|
*als gemiddelde van 7 aaneengesloten debietsproportionele etmaalmonsters |
||
De in het vorige lid genoemde vuilvracht (v.e.) wordt berekend met behulp van de formule (CZV+4.57 x Kj-N)/150 x Qd waarin
CZV = chemisch zuurstofverbruik in mg/l, bepaald in een debietproportioneel etmaalmonster
Kj-N = Kjeldahl-stikstofgehalte in mg/l, bepaald in een debietproportioneel etmaalmonster Qd = debiet in m3/ etmaal
Meet- en rapportageverplichting
De in voorschrift 3.3.1 genoemde controle betreft de hoeveelheid te lozen afvalwater per uur en per etmaal alsmede de volgende van de in voorschrift 3.1.3 genoemde parameters gemeten in een debietsproportioneel etmaalmonster (Kjeldahl-stikstofgehalte, CZV, BZV/N, P. P/v.e., vuilvracht, zuurgraad in pH gemeten).
Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM)
Indien de vergunninghouder voornemens is om stoffen en mengsels te gaan gebruiken die niet in de aanvraag zijn vermeld en die mogelijkerwijs in het afvalwater kunnen geraken, dan toetst de vergunninghouder deze stoffen volgens de algemene beoordelingsmethodiek (ABM) zoals bedoeld in de overwegingen.
Indien als gevolg van een calamiteit of andere uitzonderlijke omstandigheid niet aan de gestelde voorschriften wordt voldaan of kan worden voldaan, dient de vergunninghouder onmiddellijk maatregelen te treffen. De maatregelen dienen de nadelige invloed van de lozing op de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en/of doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken of ongedaan te maken.
Opslag verpakte gevaarlijke stoffen tot 10.000 kg, incl IBC’s
De opslag van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen die vallen onder de ADR-klassen zoals genoemd in de richtlijn PGS 15 "Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen” (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2016 versie 1.0 (september 2016), moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimten plaatsvinden en voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 3 van de voornoemde richtlijn, met uitzondering van de voorschriften van de paragrafen 3.8, 3.9, 3.19.
In afwijking van voorschrift 4.1.1. moet de opslag van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen de vallen onder ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II (zonder bijkomend gevaar en/of ADR-klasse 9), in de speciaal daarvoor bestemde ruimten plaatsvinden en voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 3 van de richtlijn PGS 15 "Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen” (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2016 versie 1.0 (september 2016), met uitzondering van de voorschriften 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.2.5, 3.2.7, 3.2.8, 3.2.9 en 3.2.10 de voorschriften van de paragrafen 3.8, 3.9, 3.19.
Voor deze opslag moet wel een vrije ruimte van twee meter worden aangehouden tot andere activiteiten. Deze afstand moet duidelijk zichtbaar op de vloer worden aangeduid.
Cryogene gassen (stikstof) (0,125-100 m3)
De opslag van het reservoir buiten een gebouw moet voldoen aan de volgende voorschriften van de richtlijn PGS 9 “Cryogene gassen: opslag van 0,125 m3 - 100 m3” (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 9:2014 versie 1.0 (april 2014)): 3.2.1 t/m 3.2.9, 3.3.1 t/m 3.3.16, 3.4.1 t/m 3.4.7, 3.5.1, 3.5.2, 3.6.1, 3.7.1, 3.7.2, 3.8.1 t/m 3.8.4, 3.10.1, 3.10.2, 3.11.1 t/m 3.11.6, 3.12.1 t/m 3.12.7.
Binnen drie maanden nadat de inrichting in overeenstemming met de vergunning in werking is gebracht, moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften 6.2.1 en 6.2.2 van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen deze termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.
Het bevoegd gezag moet vooraf worden geïnformeerd over de opzet van het onderzoek en over de datum en het tijdstip waarop de geluidmetingen voor het in voorschrift 6.1.2 bedoelde onderzoek gaan plaatsvinden. Uitsluitend na toestemming van het bevoegd gezag kan worden overgegaan tot het uitvoeren van het onderzoek. Aan de opzet van het onderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen in verband met mogelijke specifieke omstandigheden.
Representatieve bedrijfssituatie
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
Een afzonderlijke meting als bedoeld in het eerste lid bestaat uit drie deelmetingen van een half uur, tenzij een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren. Het resultaat van de afzonderlijke emissiemeting is het gemiddelde van de deelmetingen, verminderd met de gerapporteerde meetonzekerheid of met een standaardwaarde voor de meetonzekerheid.
Het bevoegd gezag bepaalt de meetonzekerheid op basis van de 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen. Bij het bepalen van de meetonzekerheid wordt het gemiddelde van de deelmetingen gecorrigeerd voor het aantal deelmetingen. De meetonzekerheid wordt berekend als percentage van de grenswaarde.
8 ZEER ZORGWEKKENDE STOFFEN (ZZS)
De inrichting mag geen andere stoffen gebruiken dan aangevraagd. Als de inrichting andere stoffen wil gaan gebruiken voor haar bedrijfsvoering, moet eerst beoordeeld worden of er door het gebruik van deze stoffen mogelijk ZZS naar lucht, bodem of water wordt geëmitteerd. De beoordeling wordt door het bevoegd gezag gedaan.
Er geldt voor de inrichting een minimalisatieverplichting. Dit houdt in dat iedere vijf jaar aan het bevoegd gezag gerapporteerd moet worden over de mate waarin emissies van ZZS naar de lucht plaatsvinden en de mogelijkheden om die emissies te voorkomen c.q. te beperken. De eerste rapportage wordt ingediend vijf jaar nadat deze vergunning in werking is getreden.
Constructieve veiligheid. Wat moet u drie tot zes weken vóór de bouw aanleveren?
De definitieve constructieve berekeningen en tekeningen dienen uiterlijk drie weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. In de praktijk blijkt de periode van drie weken te kort. Als het bevoegd gezag fouten ziet leidt dit al snel tot vertragingen in de bouw. Wij raden daarom aan om een periode van zes weken aan te houden. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart.
U moet nog een veiligheidsplan indienen. Dit moet u uiterlijk drie weken voor de start van de werkzaamheden doen. Het doel van een veiligheidsplan is het vooraf inzichtelijk maken of een beoogd initiatief veilig en verantwoord is om in zijn relatie tot de directe omgeving en openbare ruimte gerealiseerd te worden. In een veiligheidsplan moet u aangeven hoe u de veiligheid van de openbare ruimte, het bouwwerk, de belendende en/of onderliggende percelen tijdens de bouw of sloop zal garanderen en waarborgen.
Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen.
Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden.
10 GEBRUIKEN VAN GRONDEN OF BOUWWERKEN IN STRIJD MET HET BESTEMMINGSPLAN
Op 5 mei 2020 is een aanvraag om een omgevingsvergunning (revisie) als bedoeld in de Wabo ontvangen. Het betreft een aanvraag van:
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht geworden. Deze wet heeft onder andere de Wabo vervangen inclusief alle onderliggende weten en besluiten. Deze aanvraag is echter ingediend voor 1 januari 2024 wat betekend dat de aanvraag nog behandeld wordt conform het “oude” recht (artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet). We hebben deze aanvraag dan ook conform de Wabo behandeld.
Het project waarvoor een omgevingsvergunning (revisie) wordt gevraagd, is als volgt te omschrijven:
Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
Als één of meer van bovengenoemde activiteiten plaatsvinden, moet daarnaast beoordeeld worden of een aantal toestemmingsstelsels kan worden aangehaakt. Of daadwerkelijk moet worden aangehaakt, volgt niet uit de Wabo, maar uit de desbetreffende wet.
De aanvrager heeft op 14 april 2020 een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 2.7 in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) ingediend. Op 5 juli 2021 heeft u van provincie Fryslân een ‘positieve weigering’ ontvangen (kenmerk: 01883373).
1.4. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend:
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De volgende categorieën zijn van toepassing:
Daarnaast is ook categorie 9.3, onder c (Bijlage I, onderdeel C van het Bor) van toepassing en betreft Hochwald Foods Nederland B.V. een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort zoals genoemd in Bijlage I, categorie 6.4, onder c en categorie 6.7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 9.3, onder c van het Bor.
1.7. Coördinatie met de Waterwet
De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, waarbij sprake is van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is. Hiervoor is een vergunning noodzakelijk op grond van de Waterwet. Daarom is samen met deze aanvraag een aanvraag om een vergunning op grond van de Waterwet ingediend. Het bevoegd gezag met betrekking tot de Watervergunning heeft op grond van artikel 3.19 van de Wabo een advies uitgebracht over de samenhang van de vergunningen. Het advies van Wetterskip Fryslân is in onderdeel 1.10 en integraal in deze vergunning opgenomen.
Voor het voorgenomen project is op 5 mei 2020 separaat een aanvraag om een Wnb-vergunning ingediend. Dit betekent dat de Wnb niet aanhaakt aan deze Wabo-procedure.
1.9. Beoordeling van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 8 april 2021 in de gelegenheid gesteld om tot 12 weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Op 1 juli 2021 heeft u verzocht de termijn te verlengen tot 10 september 2021. Vervolgens is er op 10 september 2021 een verlenging van de termijn verzocht tot 31 december 2021. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 30 december 2021. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Door het ontbreken van enkele gegevens hebben we de aanvrager op 2 maart 2022 in de gelegenheid gesteld om tot 8 weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 25 april 2022. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen.
Deze vergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet, hebben wij geen kennisgegeven van de aanvraag in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
Wij hebben op 10 juni 2020 een advies van Wetterskip Fryslân ontvangen. Het advies gaat nader in op de diverse afvalwaterstromen die ontstaan bij het productieproces van Hochwald en via de gemeentelijke riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie van Bolsward (hierna rwzi genoemd) op de Bolswarder Trekvaart worden geloosd. De productie-uitbreiding bij Hochwald betekent dat de afvalwaterlozing zodanig wordt gewijzigd dat niet meer aan de voorschriften uit de vigerende omgevingsvergunning (kenmerk: 672950) kan worden voldaan.
Wij hebben dit advies overgenomen en verwerkt in Hoofdstuk 4 ‘Afvalwater en waterbesparing’ van deze vergunning. Daarnaast hebben wij de in het advies voorgestelde voorschriften opgenomen in deze vergunning. De voorschriften zijn opgenomen in de ‘Voorschriften’ in onderdeel 3 ‘Afvalwater’.
Wij hebben op 15 mei 2020 een advies van brandweer Fryslân ontvangen (kenmerk: UIT/20012294/BR/RB). Hieronder zijn de adviezen van de brandweer puntsgewijs opgenomen, evenals onze reactie op haar advies.
Over deze adviezen merken wij het volgende op:
Ad. 1 A mmoniakkoelinstallatie
Hochwald heeft een ammoniakkoelinstallatie met een inhoud van 750 kilogram ammoniak. Het in werking hebben van een koelinstallatie met een inhoud van ten minste 10 en ten hoogste 1.500 kilogram ammoniak is geregeld in paragraaf 3.2.6 (artikel 3.16c, onder c) van het Activiteitenbesluit. De koelinstallatie bij Hochwald valt dus rechtstreeks onder de werkingssfeer van Activiteitenbesluit. Er mogen voor deze installatie daarom geen voorschriften in de vergunning opgenomen worden.
Ad 2. Gasflessen en stoffen met ADR-klasse 8
Voor de opslag van de bij Hochwald aanwezige gassen, gasflessen en ADR-geclassificeerde stoffen zijn voorschriften in deze vergunning opgenomen. Deze voorschriften zijn te vinden in het hoofdstuk ‘Voorschriften’. De voorschriften voor gasflessen en stoffen met ADR-klasse 8 zijn respectievelijk in onderdelen 5.1 en 5.2 opgenomen. Voor de opslag van de gasflessen wordt verwezen naar de relevante voorschriften in hoofdstuk 6 van de PGS 15. Voor de opslag van de ADR-klasse 8 stoffen in emballage wordt verwezen naar de relevante voorschriften in hoofdstuk 3 van diezelfde richtlijn.
Ad 3. Controleren en schoonmaken afvoergoten
Om de effecten van een calamiteit bij de tankplaats zo beperkt mogelijk te houden, is een adequate afwatering van de tankplaats van essentieel belang. Brandweer Fryslân heeft daarom geadviseerd om een voorschrift op te nemen waarin geborgd wordt dat de afvoergaten van de bedrijfsriolering bij de tankplaats wekelijks visueel worden gecontroleerd en schoongemaakt.
Wij stemmen in met het advies en hebben daarom in deze vergunning voorschrift 6.3.2 opgenomen.
Ad 4. Brandscheidingen en brandwerendheid op tekening
De brandscheidingen en de daarbij behorende brandwerendheid zijn aangegeven op de diverse tekeningen die onderdeel uitmaken van deze vergunning. Daarnaast is in voorschrift 5.4.3 van deze vergunning opgenomen dat er in elke opslag met gevaarlijke stoffen een tekening beschikbaar moet zijn voor de brandweer. Op deze tekening moet zijn aangegeven:
Ad 5. Locatie brandwerend afgescheiden kast
Met de brandwerend afgescheiden kast wordt bedoeld de PGS 15-opslagkast. Deze kast wordt geplaatst in de expeditieruimte en is onder andere aangegeven op de tekening ‘plattegrond magazijn en kantoor’, tek.nr.: DO-03 (101672), van Jorritsma bouw, van 26 november 2019. In de memo ‘Reactie het advies van gemeente Súdwest-Fryslân’, kenmerk: HOBO.0861.20220721.SW, van Adviesbureau SAM B.V., van 21 juli 2022, is aangegeven dat de opslag een 60 minuten brandwerende ‘BUMAX’-kast betreft. Deze tekening en memo maken onderdeel uit van deze vergunning.
Ad 6. Opslag spuitbussen en/of gaspatronen
In de aanvraag is aangegeven dat er slechts een enkele spuitbus bij de technische dienst aanwezig kan zijn. De aanwezigheid van gaspatronen is niet aangegeven. We gaan er daarom van uit dat er daarom ook geen gaspatronen binnen de inrichting aanwezig zijn.
De voorschriften in hoofdstuk 7 van de PGS 15 (versie september 2016) zijn van toepassing op de volgende situaties:
opslag van spuitbussen en gaspatronen met een gezamenlijke inhoud van meer dan 50 kg (nettogewicht), waarvan de inhoud (zowel het drijfgas als de stof die verneveld moet worden) conform CLP-verordening EG 1272/2008 aangemerkt moet worden als een zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare, toxische, corrosieve of oxiderende stof.
Aangezien het om een enkele spuitbus gaat en omdat het werkvoorraad betreft, vinden wij het opnemen van een voorschrift voor de opslag van spuitbussen en/of gaspatronen niet nodig.
In de aanvraag is geen opslag van een andere cryogene stof dan stikstof aangevraagd. Als Hochwald een andere cryogene stof binnen de inrichting wil opslaan / in gebruik wil nemen, dan zal zij daarvoor een aanvraag moeten indienen.
1.12. Besluit risico’s zware ongevallen 2015
De Seveso III-richtlijn bevat een lijst met bepaalde hoeveelheden van specifieke stoffen en stofgroepen (Bijlage I van de Seveso III-richtlijn). Worden die hoeveelheden (drempelwaarden) overschreden, dan is het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo) van toepassing op de inrichting en gelden er extra regels naast de omgevingsvergunning. Het Brzo kan ook van toepassing zijn als de drempelwaarden niet worden overschreden, maar bij het gewogen optellen van de stoffen de uitkomst daarvan gelijk is aan of hoger is dan 1 (sommatieregeling).
Bij de aanvraag is een stoffenlijst overgelegd. Daaruit blijkt dat er stoffen worden opgeslagen die ook op die lijst staan. Daarom is de aanvraag getoetst aan de drempelwaarden en de sommatieregeling die daarbij hoort. Geconstateerd is dat de hoeveelheden ruim onder de drempelwaarden blijven. De sommatie is < 0,15. Dit betekent dat het Brzo niet van toepassing is op de inrichting. Er is ook geen sprake van een bijna-Brzo-inrichting. Daarom zijn geen extra registratievoorschriften naast de gebruikelijke eisen uit de PGS’en opgenomen.
1.13. M.e.r.-beoordelingsbesluit
De voorgenomen activiteit valt onder categorie 36 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Op grond van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer (Wm) heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 12 juli 2018 bij ons gemeld.
Daarop hebben wij op 5 maart 2018 besloten dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld moet worden. Dit besluit hebben wij op 10 maart 2018 bekend gemaakt. Dit besluit is als bijlage bij de aanvraag gevoegd en wordt door ons tezamen met het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning ter inzage gelegd.
1.14 Zienswijzen op de ontwerpbeschikking
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij de kennisgeving met de ontwerpbeschikking en de aanvraagdocumenten digitaal gepubliceerd op internet op: www.officielebekendmakingen.nl op 17 mei 2024.
Daarnaast hebben wij de bekendmaking gepubliceerd in Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân.
Tussen 17 mei 2024 en 29 juni 2024 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.
Samengevat betreft het de volgende zienswijze(n):
Wetterskip Fryslân had twee opmerkingen over de ontwerpbeschikking:
Wetterskip Fryslân verzoekt deze twee onderdelen mee te nemen in de definitieve vergunning.
Over deze zienswijzen merken wij het volgende op:
Beide onderdelen waren inderdaad onjuist opgenomen in de conceptvergunning. In deze beschikking zijn daarom vergunningvoorschrift 3.1.3, onder b en de tabel in de consideranstekst in paragraaf 4.2.1 aangepast opgenomen.
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e juncto artikel 2.6 (revisievergunning) van de Wabo.
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo:
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
2.3. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) / Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Tot 1 januari 2024 waren in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.
Per 1 januari 2024 zijn deze regels opgegaan in het Bal, Bkl en/of het omgevingsplan van de gemeente Harlingen. Dit betekent dat waar er in deze beschikking wordt verwezen naar het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling milieubeheer (Activiteitenregeling) het Bal, Bkl en/of omgevingsplan van de gemeente Súdwest-Fryslân wordt bedoeld.
2.4. Nationale Milieubeleidsplan
Het algemene rijksbeleid met betrekking tot het milieu is vastgelegd in het Nationale Milieubeleidsplan (NMP). Doel van het milieubeleid is een bijdrage te leveren aan een gezond en veilig leven, in een aantrekkelijke leefomgeving, te midden van een vitale natuur, zonder de mondiale biodiversiteit aan te tasten of natuurlijke hulpbronnen uit te putten.
In het NMP zijn geen direct werkende bepalingen of beperkingen opgenomen voor het verlenen van omgevingsvergunningen. Wel zijn onder andere landelijke doelstellingen geformuleerd voor de emissies van NOx, SO2 en VOS. Wij zijn van mening dat de werkwijze van Hochwald Foods Nederland B.V. niet in strijd is met het NMP.
In het huidige milieubeleid wordt de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven vooropgesteld. Hieruit volgt de behoefte dat bedrijven beschikken over een milieuzorgsysteem.
In het BREF Voedingsmiddelen, dranken en zuivel wordt het binnen de inrichting in werking hebben van een milieuzorgsysteem als BBT beoordeeld.
Hochwald Foods Nederland B.V. heeft een milieuzorgsysteem.
Bij het stellen van voorschriften hebben wij hiermee rekening gehouden.
2.6. Beste beschikbare technieken
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Er moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBT-conclusies en de in de bijlage van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) aangewezen informatiedocumenten over BBT.
Een BBT-conclusie is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Rie. Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de Rie. Het zevende lid verwijst naar de bestaande BREF’s. Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBT-maatregelen staan (BAT hoofdstuk) zijn opgenomen, geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld.
BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart worden aangewezen in de Mor.
2.7. Concrete bepaling beste beschikbare technieken
Binnen de inrichting bevinden zich IPPC-installaties die vallen onder de volgende categorieën uit bijlage I van de Europese richtlijn industriële emissies (RIE). Deze is in de Nederlandse milieuwetgeving geïmplementeerd (richtlijn 2010/75/EU. PbEU L334). De RIE geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn behorende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie. De volgende installaties zijn van toepassing:
categorie 6.7 te weten: ’De oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten met behulp van organische oplosmiddelen, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren, met een verbruikscapaciteit van meer dan 150 kg organisch oplosmiddel per uur, of meer dan 200 ton per jaar’.
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht (Mor):
De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het toetsdocument ‘Toetsing Richtlijn Industriële Emissies” (HOBO.0861.20171211.KR.SW, versie 3) van 11 december 2017 waarin staat hoe Hochwald invulling geeft aan de BBT maakt daarom onderdeel uit van deze vergunning.
Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029 (LAP), is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie.
Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de BBT) en artikel 5.7 van het Bor kan bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect.
In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.
Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.
Hochwald Foods Nederland B.V. is continu bezig met optimalisatie, preventie en scheiding van afvalstoffen.
Wij vinden het daarom niet nodig om een preventieonderzoek dan wel aanvullende maatregelen voor te schrijven.
In deel B3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.
Voor een aantal die diffuus of in kleine hoeveelheden ontstaan is in het LAP (paragraaf B.3.5.2) een tabel opgenomen waarin een indicatie wordt gegeven wanneer het redelijk is afvalscheiding te vergen.
Daarnaast zijn in bijlage 11 van de Activiteitenregeling verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd die niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’.
4. AFVALWATER EN WATERBESPARING
Bij het productieproces van Hochwald Foods Nederland B.V. ontstaan diverse afvalwaterstromen die onder andere via de gemeentelijke riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie van Bolsward (hierna rwzi genoemd) op de Bolswarder Trekvaart worden geloosd. Door de productie-uitbreiding vergroot de hoeveelheid te lozen afvalwater. Wetterskip Fryslân heeft advies uitgebracht over de uitgebreide afvalwaterlozing. Dit advies is overgenomen en in dit hoofdstuk (hoofdstuk 4) verwerkt.
4.2. Afvalwaterstromen en zuiveringstecnische voorzieningen
Bij de activiteiten van Hochwald ontstaan diverse afvalwaterstromen die via een gescheiden bedrijfsriool naar het oppervlaktewater of naar de gemeentelijke riolering worden afgevoerd. De volgende afvalwaterstromen worden via de gemeentelijke riolering afgevoerd naar de rwzi:
Het water wordt vervolgens geloosd op de Bolswarder Trekvaart.
Het effluent van de meetvoorziening bestaat voornamelijk uit de volgende deelstromen:
Het effluent van de meetvoorziening wordt zeven dagen per week gedurende 24 uren per dag gemonitord en op de gemeentelijke riolering geloosd. Als deze stroom niet aan de eisen voldoet, wordt het afgevoerd naar de calamiteitentank. Deze tank is 50m3 en is voldoende om enkele batches in op te vangen. Deze procedure is vastgelegd in de procedure “afvalwater” van het milieuzorgsysteem.
Door de uitbreiding ontstaat een toename in het te lozen debiet en de vuillast. De inrichting verzoekt om deze eisen in de vergunning op te nemen:
Dit is het afvalwater afkomstig uit het laboratorium. In het laboratorium worden interne maatregelen gevolgd die gericht zijn op bestrijding aan de bron. De afvalwaterstromen met chemicaliën verontreinigd afvalwater worden apart opgevangen en afgevoerd naar een erkend verwerker. Het overige afvalwater is vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater en kan worden geloosd op het riool.
Het huishoudelijk afvalwater is afkomstig van de sanitaire voorzieningen en de keukens in de inrichting en wordt rechtstreeks geloosd op de gemeentelijke riolering.
Het koelwater wordt onttrokken aan het oppervlaktewater van de Wytmarsumer Feart en wordt na gebruik ook weer geloosd op ditzelfde oppervlaktewater. Deze activiteit valt onder het regime van de Waterwet en wordt daarom in deze vergunning niet verder behandeld.
Binnen de inrichting is sprake van lozingen waarop de Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer van toepassing is. In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuivering technisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuivering technisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast, zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.
Het beleid gericht op de bescherming van het water tegen verontreiniging vormt een onderdeel van het totale milieubeleid, zoals geformuleerd in diverse meerjarenprogramma's milieubeheer en het Nationaal Milieubeleidsplan. Het beleid van de waterbeheerders is geformuleerd in het Nationaal Waterplan. Het nationale beleid is in het Waterbeheerplan 2022-2027 toegespitst op de Friese situatie.
Het algemene beleidskader is van toepassing voor alle wateren en bestaat uit twee sporen:
waar nodig en mogelijk verdergaande maatregelen, met het oog op het bereiken van de gewenste waterkwaliteit (emissie-immissietoets). Dit houdt in dat wanneer de restlozing na toepassing van de BBT leidt tot ontoelaatbare effecten voor de lokale waterkwaliteit, het bevoegd gezag beziet of er aanvullende beperkingen of voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden dan wel of de vergunning moet worden geweigerd.
Het aanvullende beleidskader richt zich specifiek op de waterlichamen in de zin van de Kaderrichtlijn Water en beoogt onder meer het waarborgen van “geen achteruitgang" voor de toestand van de waterlichamen. Dit kan zo nodig inhouden dat lozingen worden verplaatst naar minder kwetsbare waterlichamen en dat schadelijke milieuvreemde stoffen worden vervangen door andere stoffen met een vergelijkbare werking en minder schade aan het watermilieu.
Richtlijn Industriële Emissies (Rie)
De Rie is per 1 januari 2013 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving. Deze richtlijn omvat een integratie van de IPPC-richtlijn, die van toepassing is op installaties die in hoge mate als milieubelastend worden beschouwd (de IPPC-installaties). Met deze richtlijn wordt een vergunningenregime beoogd voor onder andere emissies naar water uit grote industriële installaties, waarbij rekening wordt gehouden met vermindering van afval en energieverbruik (integrale afweging). Een belangrijk element is dat emissiegrenswaarden gebaseerd dienen te zijn op de in de richtlijn gedefinieerde BBT. De BBT is beschreven in referentiedocumenten oftewel BREF's. In de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) is aangegeven met welke BBT-conclusies en informatiedocumenten over BBT bij de besluitvorming rekening moet worden gehouden.
Doelmatige werking rioolwaterzuiveringsinstallaties
Ter bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen (waterkwaliteit) is het van groot belang dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie doelmatig werkt. Om deze doelmatige werking te beschermen heeft Wetterskip Fryslân de beleidsnotitie "Doelmatige werking van zuivering technische werken en grote lozers" opgesteld. Deze notitie geeft inzicht in de uitgangspunten die Wetterskip Fryslân hanteert bij het beoordelen van afvalwaterlozingen en opstellen van vergunningen. Deze uitgangspunten hebben vooral betrekking op de verhoudingen BZV/N, P/v.e. en v.e./m3.
In het Activiteitenbesluit zijn voor verschillende activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden algemene voorschriften opgenomen. Met het Activiteitenbesluit wordt de vergunningplicht op grond van de Wm voor deze activiteiten opgeheven. Alleen de activiteiten van de aangewezen IPPC-installaties zoals genoemd in het Bor blijven vergunningplichtig. De voorschriften die in dit advies zijn opgenomen zijn de voorschriften die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling.
Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM)
Er geldt voor de beoordeling van stoffen en mengsels de "Algemene Beoordelings Methodiek" (ABM). In maart 2016 is de ABM geactualiseerd, waarbij de aanpak van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) is geïntegreerd. De methodiek stelt bedrijven en waterkwaliteitsbeheerders in staat om op een eenduidige wijze de waterbezwaarlijkheid van stoffen en mengsels te benoemen. Daarnaast volgt uit de methodiek welke saneringsinspanning voorde betreffende stof of het mengsel moet worden getroffen. Daartoe zijn vier saneringsinspanningen te onderscheiden, namelijk:
saneringsinspanning B: saneren door toepassing van de beste beschikbare technieken. Dit zijn die technieken waarmee, rekening houdend met economische aspecten oftewel uit kostenoogpunt aanvaardbaar te achten voor een normaal renderende inrichting, de grootste reductie in de verontreiniging wordt verkregen;
saneringsinspanning C: saneren door toepassing van de waterkwaliteitsaanpak. Deze aanpak is van toepassing op relatief onschadelijke verontreinigingen; de maatregelen die in het kader van deze aanpak moeten worden getroffen, zijn primair afhankelijk van de waterkwaliteitsdoelstellingen van het ontvangende oppervlaktewater.
De ABM is toepasbaar voor alle stoffen en mengsels, ongeacht de bedrijfstak waar zij worden ingezet. Voor deze methodiek geldt dat de verantwoordelijkheid voor het aanleveren van de milieu-informatie van stoffen aan het bevoegd gezag bij de aanvrager/vergunninghouder ligt. Indien de vereiste gegevens ontbreken wordt een worst-case benadering gehanteerd.
Bij het beoordelen van de afvalwaterlozingen hebben wij rekening gehouden met de aanbevelingen uit relevante beleidsnotities en besluiten, waaronder de notitie "Doelmatige werking van zuivering technische werken en grote lozers", diverse ClW-rapporten (Commissie Integraal Waterbeheer), het Activiteitenbesluit en de afspraken die in het convenant voor de zuivel zijn vastgelegd.
4.4.1. Afvalwaterstromen en zuivering technische voorzieningen
Uit de aanvraag blijkt dat door de productie-uitbreiding het aantal vervuilingseenheden (v.e.) in de te lozen effluent meetvoorziening toeneemt van 7.000 v.e. naar 10.000 v.e., met uitschieters naar 15.000 v.e. in een steekmonster. Door deze toename is de rwzi niet meer in staat om de aangeboden vuillast te verwerken. Omdat lozing van bedrijfsafvalwater van zuivelbedrijven op een communale zuivering als beste beschikbare techniek is aangemerkt, heeft Hochwald Foods Nederland B.V. aangegeven dat het voorlopig niet de intentie heeft om het afvalwater in eigen beheer te gaan zuiveren. Dit betekent dat de verwerkingscapaciteit van de rwzi zal moeten worden uitgebreid.
In verband met de investering voor de uitbreiding van de rwzi wil Wetterkip Fryslân zeker stellen dat de capaciteit van de rwzi optimaal wordt benut. Daartoe hebben Wetterskip Fryslân en Hochwald Foods Nederland B.V. een garantieovereenkomst afgesloten waarin de inrichting heeft aangegeven dat het in ieder geval tot januari 2025 het afvalwater ongezuiverd zal lozen op de rwzi en niet aan een andere partij dan Wetterskip Fryslân zal aanbieden.
Voor de samenstelling is de verwachting dat de effluent meetvoorziening aan de uitgangspunten van de notitie ’Doelmatige werking van zuivering technische werken en grote lozers’ voldoet. De zuurgraad wijkt met een pH van maximaal 12,0 enigszins af van de standaard marge die tot maximaal 10,0 gaat. De praktijk heeft echter uitgewezen dat deze verhoogde pH, die al in de vigerende vergunning was toegestaan, geen nadelig effect heeft op de doelmatige werking van de rwzi. Derhalve is er geen bezwaar om de aangevraagde pH te vergunnen.
Aan de bron is een scala aan maatregelen getroffen om de emissie van verontreinigingen tot een minimum te beperken. Zo zijn er diverse proces geïntegreerde maatregelen genomen, waaronder de CIP-reiniging, en zijn maatregelen als hergebruik en gebruik van recirculatiesystemen toegepast om de hoeveelheid afvalwater te beperken. Ook zijn maatregelen getroffen om onregelmatige lozingen in debiet zoveel mogelijk te voorkomen. Gelet op deze maatregelen zijn wij van mening dat de inrichting voor deze doeleinden de beste beschikbare technieken heeft toegepast en zich daarmee voldoende heeft ingespannen.
Omdat Hochwald Foods Nederland B.V. een inrichting type C is, valt de lozing van laboratoriumafvalwater niet onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Dit betekent dat de lozing geregeld moet worden in de onderhavige vergunning. Uitgangspunt daarbij is dat in het laboratorium interne procedures worden gevolgd die gericht zijn op ‘bestrijding van verontreiniging aan de bron’. Dit betekent dat met chemicaliën verontreinigde afval(water)stromen apart worden opgevangen en gescheiden worden afgevoerd naar een daartoe geëigend verwerkingsbedrijf. De inrichting moet dus voorkomen dat stoffen in het afvalwater terecht komen. Het restant aan afvalwater hoort daarom nagenoeg schoon te zijn. De procedures zijn vastgelegd in het gecertificeerde milieuzorgsysteem op basis van ISO 14001:2015. Voor het lozen van afvalwater afkomstig uit het laboratorium zijn voorschriften opgenomen. De interne procedure is zoals aangevraagd en beschreven door Hochwald maken deel ui van deze vergunning.
4.4.3. Huishoudelijk afvalwater
Voor de lozing van het huishoudelijk afvalwater op de riolering zijn in het Activiteitenbesluit geen concrete voorschriften opgenomen; de lozingen mogen in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, worden voorkomen dat de doelmatige werking van de rwzi wordt belemmerd of onnodige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zou veroorzaken.
Een belangrijk onderdeel van de IPPC-richtlijn is het voldoen aan de BBT. De BBT voor verschillende activiteiten zijn Europeesrechtelijk vastgelegd in BREF-documenten. Voor het (afval)water zijn de aangewezen BBT-documenten ‘water’ van belang zoals aangewezen in de ministeriële Regeling aanwijzing BBT-documenten.
Bij het bepalen van BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
In de bijlagen bij de aanvraag heeft Hochwald een overzicht gegeven van de maatregelen die zullen worden getroffen om de lozing van afvalwater te laten voldoen aan de BBT zoals die zijn genoemd in de BREF's. Wij hebben dit overzicht beoordeeld en zijn van mening dat de getroffen maatregelen voldoen aan de IPPC-richtlijn.
4.4.5. Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM)
De ABM deelt voor alle bedrijfstakken op een transparante en eenduidige wijze de te lozen stoffen en mengsels in op grond van de eigenschappen. Daarbij geeft de methodiek aan in welke mate emissiebeperkende maatregelen bij een bepaalde stof, gezien de eigenschappen, wenselijk zijn. Uit de ABM volgt een aanduiding van de waterbezwaarlijkheid en een aanbeveling voor de saneringsinspanning. Binnen de inrichting van Hochwald Foods Nederland B.V. worden verschillende stoffen en mengsels toegepast. Uit de overlegde informatie blijkt dat de bij Hochwald Foods Nederland B.V. toegepaste stoffen en mengsels die in het afvalwater terecht kunnen komen, geen stoffen en mengsels bevinden met saneringsinspanning Z; wel gebruikt Hochwald een aantal stoffen en mengsels met saneringsinspanning A. Het zijn geen stoffen en mengsels die onlosmakelijk primair verbonden zijn aan productieprocessen (bijvoorbeeld geen grondstoffen). Deze stoffen zijn elk afzonderlijk getoetst aan de ABM en beoordeeld volgens het ClW-rapport "Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water". Het gebruik van deze middelen is akkoord. In de voorschriften is de verplichting opgenomen om nieuwe stoffen en mengsels te toetsen aan de ABM.
In de aanvraag heeft Hochwald niet duidelijk aangetoond dat er bij schoonmaakwerkzaamheden van materialen, machines en/of ruimtes of bij andere handelingen (zoals handenwassen) geen ZZS-stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen. Om te voorkomen dat een dergelijke lozing voor kan komen, is voorschrift 3.4.4 in deze vergunning opgenomen. Bij een mogelijke lozing van ZZS moet de vergunninghouder deze stoffen toetsen volgens de ABM.
Op grond van het voorgaande zijn wij van mening dat de getroffen maatregelen om de lozingen te beperken, voldoen aan de stand der techniek. De door de lozingen mogelijk te veroorzaken schade aan de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie en verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen in voldoende mate worden tegengegaan en voorkomen door het stellen van voorschriften. Vanuit het oogpunt van watersysteembeheer is er geen bezwaar tegen het verlenen van de gevraagde vergunning.
De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de Wabo. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Het gebruik van drinkwater als koelwater bijvoorbeeld moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
Binnen de inrichting wordt naar verwachting 1.200.000 m3 oppervlaktewater verbruikt. Dit water wordt gebuikt voor koeling. Voor deze inname heeft Wetterskip Fryslân een vergunning verleend. Op koeling zijn ook de BBT-maatregelen uit de BREF’s van toepassing.
Het totale drinkwaterverbruik bedraagt naar verwachting 251.000 m3 per jaar.
In de BBT-maatregelen wordt uitgebreid aandacht gegeven aan het beperken van het waterverbruik.
Wij zijn daarom van mening dat het in deze situatie niet nodig is om voorschriften met betrekking tot beperking van het drinkwaterverbruik in de vergunning op te nemen.
Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt de inrichting volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.
5.2. Het kader voor de bescherming van de bodem
Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico.
Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van voorzieningen en maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteitenvijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld.
Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald.
Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat er van uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen.
In een nulsituatieonderzoek is de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en) vastgelegd. Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd.
Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:
De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.
Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.
Voor de aankoop van het nieuwe terrein is door de vorige eigenaar een eindsituatiebodemonderzoek gedaan, dat geldt als nulsituatie voor Hochwald Foods Nederland B.V. Het betreft het rapport ‘Eindsituatie bodemonderzoek - Locatie De Wymerts 9 te Bolsward’ (12F276.R01, 8 januari 2013) dat is opgesteld door CSO-Milfac.
Het risico dat door de aangevraagde activiteiten in combinatie met de getroffen en te treffen voorzieningen een bodemverontreiniging ontstaat, is (in combinatie met de gestelde voorschriften) verwaarloosbaar conform het gestelde in de NRB. Het is dan ook niet noodzakelijk dat de bodemkwaliteit tussentijds wordt gecontroleerd.
Binnen Hochwald zijn de volgende grote energieverbruikers aanwezig:
Het verwachte energieverbruik in de beoogde situatie zal liggen op 6,8 miljoen m3 gas en 15.000 MWh elektriciteit.
In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:
Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.
Het volgende energieverbruik van de inrichting is als volgt geschat:
Hieruit blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en van een energiegrootverbruiker.
6.2.2. Activiteitenbesluit per 1 juli 2023
Op 1 juli 2023 is het Activiteitenbesluit gewijzigd voor de energiebesparingsplicht. Zo heet vanaf die datum de plicht tot energiebesparing in het Activiteitenbesluit in afdeling 2.6, 'verduurzaming van het energiegebruik'. Daarbij geldt deze afdeling ook voor vergunningplichtige inrichtingen (type C).
Naast energiebesparende maatregelen, zijn ook maatregelen voor de productie van hernieuwbare energie en maatregelen voor het vervangen van een energiedrager verplicht, mits de maatregelen CO₂ reduceren en een terugverdientijd van vijf jaar of minder hebben.
Het Activiteitenbesluit verplicht bedrijven en instellingen om alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder uit te voeren. Dit is de energiebesparingsplicht. Deze geldt voor bedrijven en instellingen (Wet milieubeheer-inrichtingen) die per jaar vanaf 50.000 kWh of 25.000 m3 aardgas of een equivalent daarvan gebruiken.
De energiebesparingsplicht is gesplitst in een informatieplicht, energieverduurzamingsplicht en in bepaalde gevallen een onderzoekplicht.
Energiegebruik vanaf 10 miljoen kWh of een aardgasverbruik van 170.000 m3
Hochwald Foods Nederland B.V. is een inrichting type C, met een energiegebruik van 15.000 kWh en 6,8 miljoen m3 aardgas. Afdeling 2.6, 'verduurzaming van het energiegebruik' van het Activiteitenbesluit is rechtstreeks op de inrichting van toepassing.
In deze afdeling van het Activiteitenbesluit in onder andere opgenomen dat Hochwald Foods Nederland B.V.:
Omdat de afdeling 2.6 van het Activiteitenbesluit rechtstreeks op de inrichting van toepassing is, zijn er geen voorschriften voor het onderdeel energie in deze beschikking opgenomen.
Er zijn verschillende gevaarlijke stoffen aanwezig. De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen een risico vormen voor de omgeving.
Deze risico's worden voldoende afgedekt door het voldoen aan de van toepassing zijnde richtlijnen met betrekking tot de opslag van gevaarlijke stoffen PGS 15, PGS 9 en de PGS 31. De regels voor de ammoniakkoelinstallatie staan in het Activiteitenbesluit.
7.2. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen
Voor de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS), waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag zijn de volgende PGS-richtlijnen relevant:
Uit de aanvraag blijkt dat voldaan wordt aan de PGS en daarmee aan BBT. De relevante onderdelen van deze richtlijnen zijn als voorschrift bij deze vergunning opgenomen.
Bij de aanvraag is een totaaltekening gevoegd met daarop aangegeven waar de gevaarlijke stoffen zich bevinden. Deze tekening is minder goed te gebruiken tijdens calamiteiten. We hebben daarom een voorschrift opgenomen dat er per ruimte een tekening beschikbaar moet zijn voor de brandweer waarop deze opslagen staan getekend en aan welke bouwkundige eisen ze moeten voldoen.
Voor stoffen met ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II, zonder bijkomend gevaar en stoffen met ADR-klasse 9 zijn een aantal voorschriften uit PGS 15 niet van toepassing verklaard. Aan deze voorschriften hoeft niet te worden voldaan als deze stoffen in een aparte ruimte worden opgeslagen. Dit is op basis van voorschrift 3.2.11 (inclusief toelichting) van de PGS 15. Deze uitzondering is opgenomen in voorschrift 4.1.2 van deze vergunning.
Voor de opslag van lege en gevulde IBC’s is aansluiting gezocht bij de voorschriften uit PGS 15. De IBC’s die gerelateerd zijn aan de procesinstallaties worden gezien als werkvoorraad zoals genoemd in voorschrift 3.1.3 van de PGS 15: ‘de voorraad verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die ten behoeve van de bedrijfsvoering/productie in een productieruimte/werkruimte of per procesinstallatie of afvulinstallatie is opgesteld’.
Met het vastleggen van de relevante voorschriften uit de PGS 9, 15 en 31 in deze vergunning, wordt de opslag van de aanwezige gevaarlijke stoffen bij Hochwald, voor het onderdeel externe veiligheid voldoende geborgd.
Het Bouwbesluit 2012 regelt onder andere het brandveilig gebruik van bouwwerken, het brandveilig opslaan van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, het brandveilig opslaan van kleine hoeveelheden brand- en milieugevaarlijke stoffen en de aanwezigheid, de controle en het onderhoud van brandbestrijdingssystemen voor de hiervoor bedoelde situaties. Voor voornoemde situaties zijn daarom geen voorschriften in deze vergunning opgenomen.
De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door installaties op de verschillende afdelingen en de transportbewegingen. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in de akoestische rapporten van adviesbureau de Haan van 7 augustus 2018 (kenmerk AH.2011.0203.07.R001) en van 3 augustus 2021 (kenmerk AH.2011.0203.13.R001 (aanvullende emissiemetingen)).
Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.
8.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
De inrichting ligt op het gezoneerde industrieterrein Bolsward.
Bij de vergunningverlening op de aanvraag nemen wij in ieder geval in acht de geldende grenswaarden voor gezoneerde industrieterreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt als uitgangspunt dat de etmaalwaarde van het equivalent geluidsniveau vanwege het gehele industrieterrein buiten de zone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Daarnaast gelden er ook maximaal toegestane grenswaarden (MTGs) voor woningen die zijn gelegen buiten de grens van het industrieterrein, maar binnen de vastgestelde zone.
Binnen de zone is een aantal woningen aanwezig’, namelijk 1e Hollandiastraat 1 tot en met 26 en Harlingerstraat 61. Voor deze woningen gelden de MTG-waarden.
In het akoestisch rapport dat deel uitmaakt van de vergunningaanvraag is de geluidimmissie, zowel voor de dag-, avond- als nachtperiode, aangegeven ter plaatse van de door de zonebeheerder vastgestelde zonebewakingspunten (op de vastgestelde 50 dB(A)-contour) en bij relevante woningen binnen de zone.
De zonebeheerder heeft verklaard dat de berekende geluidimmissie, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het betreffende industrieterrein.
Bij een calamiteit treedt een ventilator in werking op het dak van het ammoniakcompressorgebouw. Op dat moment is er sprake van een toename van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau met 1 dB. Dit betreft een incidentele situatie.
8.3. Maximaal geluidsniveau (LAmax)
Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet gestreefd worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het door de inrichting veroorzaakte equivalente niveau uitkomen.
Uit het akoestisch rapport blijkt dat op de gevels van de dichtstbij gelegen woningen (buiten de zone, 1e Hollandiastraat 12 en 23, beoordelingspunten 11 en 116) piekniveaus kunnen optreden van:
Dit als gevolg van een stoomafblaas van de autoclaven.
De maximale geluidsniveaus hebben wij in een voorschrift vastgelegd.
Omdat er een aantal maatregelen genomen moet worden om het geluid te beperken, hebben wij een controlerapportage voorgeschreven. In deze rapportage moet aangetoond worden dat het aangevraagde niveau wordt gehaald.
De optredende geluidsniveaus zijn milieuhygiënisch aanvaardbaar.
Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten op de zonegrens. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte met inachtneming van de maatregelen.
Binnen de inrichting zijn en worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met die maatregelen en voorzieningen.
Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillinggevoelige bestemmingen, is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.
Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.
Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt, geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit.
Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (de best beschikbare technieken moeten worden toegepast). Voor een aantal branches zijn in het Activiteitenbesluit voorschriften opgenomen.
In beginsel hebben zuivelfabrieken geen relevante geuremissie. Voor Hochwald geldt qua geur met name dat de lakstraat van belang is. Omdat er een naverbrander voor oplosmiddelen gebruikt wordt, is de geuremissie nihil.
Gezien bovenstaande overwegingen zijn wij van mening dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten voldoet aan het aanvaardbaar geurhinderniveau. Het opleggen van maatwerkvoorschriften is niet noodzakelijk. De activiteiten voldoen aan het van toepassing zijnde toetsingskader en de beste beschikbare technieken worden toegepast.
Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de BBT en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wm.
Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.
Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de algemene regels.
Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.
In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting. Naast de toetsing aan de BBT en Activiteitenbesluit wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend is of dat er maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.
10.2. Emissies naar de lucht afkomstig van de inrichting
De inrichting heeft een eigen blikfabriek. Hierin worden staalrollen tot blikjes verwerkt. Voor het coaten en bedrukken van verpakkingsblikken heeft Hochwald een lakstraat. In 2016 verbruikte Hochwald, in de lakstraat, ruim 214 ton oplosmiddelhoudende lakken voor het bedrukken van blik (zie bijlage 4 Oplosmiddelenboekhouding 2016). Deze hoeveelheid bestaat voor ruim 154 ton uit vluchtige organische oplosmiddelen. Voor het jaar 2016 viel van Hochwald daarmee niet onder het toepassingsbereik van de BREF Oppervlaktebehandeling met oplosmiddelen. De ondergrens voor de BREF is 200 ton op jaarbasis.
In de aangevraagde situatie zal de productie van de Blikfabriek toenemen. Geschat wordt dat het lakverbruik meer dan 305 ton per jaar zal zijn. Hochwald valt hierdoor onder het toepassingsbereik van de BREF Oppervlaktebehandeling met oplosmiddelen.
De BREF ‘Oppervlaktebehandeling met organische oplosmiddelen’ wordt herzien, maar er is nu nog geen zicht op wanneer dit zal gebeuren.
Hochwald heeft een naverbrander geïnstalleerd die werkt op aardgas. Hiermee worden de emissie van VOS tot een minimum teruggebracht.
Luchtonderzoek stookinstallaties
Uit de resultaten komt naar voren dat de emissieconcentratie van NOx onder de 100 mg/M3 kan blijven.
Uit de resultaten blijkt ook dat de uitstoot van koolwaterstoffen minder dan 2,6 mg/M3 bedraagt.
De naverbrander valt onder het regime van het Activiteitenbesluit (afdeling 2.3). Uit artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit volgt dat de NOx-concentratie niet hoger mag zijn dan 200 mg/M3. Hier wordt ruim aan voldaan. Uit de emissiemetingen die zijn uitgevoerd blijkt dat de norm van 100 mg/M3 die nu is vergund alleen wordt gehaald indien de meetonnauwkeurigheid wordt meegenomen in het eindresultaat. Het Activiteitenbesluit is rechtstreeks van toepassing dus in de nieuwe vergunning is het niet nodig om een norm op te nemen voor NOx. Wel dient er verwezen te worden naar het Activiteitenbesluit.
Het gebruik van oplosmiddelen bij de inrichting valt onder de werkingssfeer van de BREF Oppervlaktebehandeling met oplosmiddelen. Hochwald past de BBT toe die in de BREF genoemd worden. De grenswaarde voor VOS (koolwaterstoffen) in de BREF bedraagt 20 mg/m3. Uit de emissiemetingen die zijn uitgevoerd bij de naverbrander blijkt dat ruim voldaan kan worden aan de gestelde emissiegrenswaarde. De naverbrander stoot namelijk minder dan 2,6 mg/m3 niet verbrande koolwaterstoffen uit. Om te borgen dat er aan de emissiewaarde, de grenswaarde zoals gesteld in de BREF kan worden voldaan is in voorschrift 7.1.1 van deze vergunning opgenomen dat de emissie van koolwaterstoffen (CxHy) niet meer mag bedragen dan 20 mg/Nm3. Daarnaast is in dit voorschrift opgenomen dat er ter controle, eenmaal per jaar een meting moet worden uitgevoerd die de emissie vanuit de naverbrander meet.
Het Activiteitenbesluit is op deze emissie niet van toepassing. Het monitoringsvoorschrift is opgenomen conform het gestelde in artikel 5.5, vierde lid van het Bor.
In Titel 5.2 van de Wm en de bijbehorende bijlage 2 van de Wm zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.
De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10).
De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Die is opgenomen in de aanvraag (Luchtkwaliteitsonderzoek, HOBO.0861.20170606KR.DE). Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de eisen.
Aangezien er binnen de inrichting activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, geldt dat conform titel 12.3 van de Wm een elektronisch PRTR-verslag moet worden ingediend.
Op grond van artikel 12.20, eerste lid van de Wm geldt dat Hochwald Foods Nederland B.V. de emissies (jaarvrachten) moet rapporteren.
10.5. Eindconclusie aspect lucht
Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
10.6. Zeer zorgwekkende stoffen (ZSS)
Binnen de inrichting zijn er lakken aanwezig die ZZS-stoffen bevatten. Deze stoffen zijn aangegeven op de stoffenlijst die bij de aanvraag om deze omgevingsvergunning is gevoegd en is beoordeeld door de FUMO. De stoffenlijst maakt geen deel uit van de vergunning.
Voor een IPPC-installatie met een BBT-conclusie voor ZZS geldt vanuit het Activiteitenbesluit betreffende ZZS alleen artikel 2.4, tweede lid. Dit artikel gaat over de minimalisatieverplichting. Minimalisatieverplichting houdt in dat de emissies van deze stoffen moeten worden voorkomen dan wel zo veel als mogelijk worden beperkt.
Deze regelgeving is van toepassing op de inrichting.
Om te waarborgen dat er geen nieuwe stoffen worden gebruikt die mogelijk ZZS emitteren, is er in deze vergunning voorschrift 8.1.1. opgenomen. In dit voorschrift staat dat, als de inrichting andere stoffen wil gaan gebruiken, het bevoegd gezag eerst moet beoordelen of er door het gebruik van deze stoffen mogelijk ZZS naar lucht, bodem of water wordt geëmitteerd.
Naast dat de emissies van ZZS zo veel als mogelijk moeten worden voorkomen dan wel beperkt, houdt de minimalisatieverplichting ook in dat iedere vijf jaar aan het bevoegd gezag gerapporteerd moet worden over de mate waarin emissies van ZZS naar de lucht plaatsvinden en de mogelijkheden om die emissies te voorkomen dan wel te beperken. Deze rapportageverplichting is opgenomen in voorschrift 8.1.3 van deze vergunning.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op een revisievergunning kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.
In deze vergunning zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
De aanvraag omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de in artikel 2.10, eerste lid van de Wabo gestelde toetsingscriteria.
Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals gesteld in de gemeentelijke welstandsnota.
De aanvraag is op 16 december 2019 beoordeeld door de onafhankelijke welstandscommissie Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg (verder: de commissie). De commissie is van mening dat de aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand W19SWF191-2, mits de reclame-uiting aan de zijde van de woonbuurt geheel komt te vervallen.
Wij nemen het advies van de commissie over. De aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand.
12.3 Bouwbesluit 2012 - constructief
Over de ingediende stukken is op hoofdlijn voldoende aannemelijk gemaakt dat voldaan gaat worden aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. De uitgewerkte constructieve tekeningen en detail berekeningen ontbreken nog. Definitieve constructieve berekeningen en tekeningen (dienen uiterlijk drie weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan de FUMO te worden voorgelegd. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart.
Op grond van de overige ingediende stukken bij deze aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de voorschriften van de gemeentelijke Bouwverordening. De aanvraag voldoet aan de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening.
De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Bolsward Kom’. Op het perceel met de woning ligt de bestemming ‘Wonen - B1 (twee onder een kap)’, ‘Tuin’, het ‘Hochwald-terrein’ en het 'Wiersma'-terrein liggen in de bestemming ‘Bedrijventerrein-2’, waarbij het huidige bedrijfsterrein van Hochwald met de bijzondere aanvulling 'Zuivelfabriek' is bestemd.
Het uitbreiden van het bedrijf op de gronden ‘Wonen - B1’ en het gebruiken van de gronden met de bestemming ‘Bedrijventerrein - 2’ binnen het gebied dat op de plankaart is aangeduid als ‘Zone A’ en ‘Zone B’ voor milieucategorie 3-activiteiten is strijdig met de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan.
Gelet op het bovenstaande, is het bouwplan in strijd met regels van het geldende bestemmingsplan.
In gevallen waarvoor afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk is, wordt de aanvraag omgevingsvergunning tevens aangemerkt als verzoek tot afwijking van het geldende bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo. De aanvraag omgevingsvergunning wordt slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 (afwijking bestemmingsplan) niet mogelijk is.
Zie ook onderdeel: “Gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”.
13. GEBRUIKEN VAN GRONDEN OF BOUEWWERKEN IN STRIJD MET HET BESTEMMINGSPLAN
Gelet op vorengaande is het bouwplan in strijd met de regels van de geldende bestemmingsplannen.
Voor zover sprake is van een aanvraag omgevingsvergunning voor gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo) kan de vergunning op grond van artikel 2.12 van de Wabo alleen worden verleend:
Ad. a. Toetsing binnenplanse afwijking
Het bestemmingsplan voorziet niet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor de geconstateerde strijdigheid.
Ad. b. Toetsing buitenplanse afwijking - kruimelgeval
De activiteiten komen niet voor in de categorieën die zijn genoemd artikel 4 van bijlage II van het Bor. Een buitenplanse afwijking op grond van de kruimelgevallenlijst behoort dan ook niet tot de mogelijkheden.
Ad. c. Toetsing buitenplanse afwijking - projectafwijkingsbesluit
Voor het bouwplan komt deze bevoegdheid in aanmerking.
Omdat het een provinciale inrichting is moet de provincie een besluit nemen over de door Hochwald aangevraagde vergunning. Omdat het plan afwijkt van het gemeentelijke bestemmingsplan is nodig dat de gemeenteraad daarvoor een verklaring van geen bedenkingen afgeeft. De uitbreiding is nodig voor de bedrijfsvoering van het bedrijf. Hochwald wil haar productievolume vergroten, haar productportfolio uitbreiden, haar magazijn en expeditie vergroten en efficiënter maken. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de bijgevoegde ‘Aanvraag buitenplanse afwijking met ruimtelijke onderbouwing’.
Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. In de voor het plan opgestelde ruimtelijke onderbouwing is op ruimtelijk relevante aspecten ingegaan. Aspecten die daarin aan de orde komen zijn onder andere; geluid, geur, verkeer en parkeren. Het plan voldoet aan de daarvoor voorgeschreven normen.
In aanvulling daarop is het wel van belang te vermelden dat de benodigde watercompensatie als gevolg van de toename van het verharde oppervlak goed wordt geborgd. De noodzakelijke watercompensatie kan alsnog worden geborgd door de voorwaarde aan de vergunning te verbinden dat in de door Gedeputeerde Staten van Fryslân te verlenen omgevingsvergunning de voorwaardelijke verplichting wordt opgenomen dat voorafgaand aan de realisatie van het bouwplan de vereiste watercompensatie wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
Op 14 maart 2024 heeft de gemeenteraad van de gemeente Súdwest-Fryslân besloten een ontwerpverklaring van geen bedenkingen af te geven ten behoeve van de door Gedeputeerde Staten van Fryslân in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen omgevingsvergunning voor de door Hochwald ingediende aanvraag voor de nieuwbouw van een bedrijfshal en het daarmee samenhangende afwijkende gebruik van de percelen kadastraal bekend gemeente Bolsward, sectie B, nummer 5699, 5896, 5897 en 8016.
De ontwerp-vvgb wordt als definitieve vvgb aangemerkt als blijkt dat er geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning - waarin de ontwerp-vvgb is verwerkt - zijn ingediend.
14. CONCLUSIE BOUW EN STRIJD BESTEMMINGSPLAN
Na afweging van de betrokken belangen en omdat de aangevraagde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening kan van het bestemmingsplan worden afgeweken. Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren.
In dit besluit zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-20151.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.