Provinciaal blad van Noord-Brabant
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Noord-Brabant | Provinciaal blad 2024, 15804 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Noord-Brabant | Provinciaal blad 2024, 15804 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,
Gelet op artikel 3.8 Omgevingswet, artikel 10.16 Omgevingsbesluit en artikel 4.4 Besluit kwaliteit leefomgeving;
Overwegende dat
we een transitie willen maken naar een klimaatrobuust water- en bodemsysteem;
we water en bodem sturend voor de ruimtelijke ontwikkeling willen laten zijn, waarbij inrichting van de ruimte de kenmerken van het water- en bodemsysteem volgt;
verankering in beleid nodig is voor doorwerking naar provinciaal instrumentarium en naar planvorming van waterschappen en gemeenten;
door nu het beleid aan te vullen bereiden we iedereen in Brabant voor op de veranderingen die gaan plaatsvinden en vanaf 2030 doorgewerkt moeten zijn in het handelen van inwoners, ondernemers en overheden;
het Brabantse water- en bodemsysteem nog niet op orde is en we gevolgen van extreme weersomstandigheden ervaren;
Gelet op
diverse landelijke ontwikkelingen zoals de Tweede Kamer-brief ‘Water en bodem sturend’(november 2022);
diverse provinciale ontwikkelingen, zoals de adviezen van de Adviescommissie Droogte ‘Zonder water, geen later’, het beleidskader Leefomgeving (2023) en het Brabants bestuursakkoord ‘Samen maken we Brabant’;
Besluiten:
Vast te stellen het ontwerp besluit addendum Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP) inclusief plan MER,
zoals is aangegeven in Bijlage A.
Het ontwerp besluit inclusief de bijbehorende MER ter inzage te leggen en gelegenheid te bieden tot het indienen van zienswijzen.
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,
de voorzitter,
Mr. I.R. Adema
de secretaris,
Drs. G.H.E. Derks MP
Voor u ligt het Ontwerp-addendum RWP. Een document dat inzicht geeft in de aanvullende stappen die we als provincie op het vlak van water en bodem gaan zetten als aanvulling op ons Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP).
Ons water- en bodemsysteem heeft direct invloed op de manier waarop we wonen, werken en recreëren in Brabant, en hoe de Brabantse samenleving gebruikmaakt van ruimte. Schoon en voldoende water, een vitale bodem en waterveiligheid zijn de fundamenten onder onze welvaart, onze gezondheid én onze veiligheid. Schoon drinkwater en de daarmee gepaarde gezondheidswinst is een vanzelfsprekendheid. Net als voldoende en gezond voedsel kunnen verbouwen. En dat we met een gerust hart, zonder angst voor overstromingen, kunnen gaan slapen.
Om die vanzelfsprekendheid te behouden is een robuust water- en bodemsysteem is ontzettend belangrijk. Juist omdat de wens van de samenleving en het klimaat verandert. In ons Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP) zijn al veel noodzakelijke stappen voor een robuust water- en bodemsysteem vastgelegd. Tegelijkertijd zien we dat de ontwikkelingen elkaar in rap tempo opvolgen. Reden genoeg om ons RWP aan te vullen met dit addendum.
Werken aan water en bodem is belangrijk voor ons allemaal. We kiezen voor een fundamenteel ander waterbeheer, waarbij we de systeemwerking van ons water en bodemsysteem herstellen en onze bodem en grondwatervoorraden beschermen. Zaken die vanzelfsprekend waren zullen veranderen voor ons allemaal: provincie, gemeenten, waterschappen, bedrijven én inwoners. Onze opdracht is om het water- en bodemsysteem meer sturend te laten zijn. Dit vraagt om anders denken én doen.
Dat is best spannend en zal keuzes vragen die niet altijd makkelijk zijn. De provincie helpt waar het kan, maar is ook streng als het moet om de benodigde omslag te bereiken. Ik hoop dat u met mij ziet dat deze omslag ook kansen biedt. Werken aan water en bodem kan een sleutelrol vervullen in het verwezenlijken van de opgaven waarvoor Brabant staat, door het komen tot een slimme en toekomstbestendige ruimtelijke inrichting. Multifunctioneel ruimtegebruik met een klimaatrobuust water- en bodemsysteem als basis speelt daarin een belangrijke rol.
Als provincie kunnen we niet alleen deze omslag maken. Daarom zijn veel partijen betrokken geweest bij de totstandkoming van dit addendum. Dank aan de Brabantse waterschappen, gemeenten, maatschappelijke partners en vertegenwoordigers van ondernemers voor het meedenken!
Ik wil u graag oproepen om samen op te trekken bij de uitwerking en uitvoering van ons beleid. 2030 is een belangrijk jaartal in het omslagmoment. Dat jaar moeten water en bodem meer sturend zijn in de manier waarop we wonen, werken, recreëren en gebruikmaken van de ruimte in Brabant. Laten we samen in de actiestand gaan om op deze verandering voorbereid te zijn. Ons water- en bodemsysteem is een verborgen goed, van onschatbare waarde, voor deze en toekomstige generaties.
Saskia Boelema
Gedeputeerde Water en Bodem
Provincie Noord-Brabant
Op 3 december 2021 heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant het Regionaal Water- en Bodem Programma 2022-2027 vastgesteld (hierna: RWP). Sinds de vaststelling van het RWP zijn er verschillende ontwikkelingen die ingrijpend effect hebben op het beleid, aanpak en uitvoering van het bestaande RWP (zie hoofdstuk 2 ‘Ontwikkelingen’). Om goed in te spelen op deze ontwikkelingen én de manier waarop water en bodem richting geven aan ruimtelijke opgaven, vult de provincie het RWP aan met dit Ontwerp-addendum. Het RWP-addendum is nadrukkelijk een aanvulling op het vigerende RWP. De beleidsopgaven, doelen en ambities die in het in het RWP staan, blijven ongewijzigd. Ook de zeven handelingsprincipes in het RWP blijven leidend. Met voorliggend Ontwerp-addendum wordt wel een verdere invulling van de handelingsprincipes gegeven. Ten slotte blijven ook de zes integrale lijnen (‘de Rode Draden’) van het RWP de verbindende factor tussen de beleidsopgaven. Daarnaast wordt in dit Ontwerp-addendum van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal ambtshalve aanpassingen te verwerken en de aanpak uit het RWP 2022-2027 aan te vullen (zie bijlage IV, Aanvullingen op de aanpak). Voorliggend Ontwerp-addendum volgt het bestaande RWP in opzet en indeling. Voorliggend Ontwerp-addendum staat open voor inspraak, alvorens het definitief door de provincie wordt vastgesteld. Overal waar in het document 'addendum' staat, dient 'Ontwerp-addendum' te worden gelezen.
Robuust water- en bodemsysteem is van groot belang voor Brabant
In de Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant heeft de provincie als doel gesteld dat Brabant in 2050 (breed) welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend is en daarbij een goede leefomgevingskwaliteit biedt voor alle Brabanders. Een (klimaat)robuust water- en bodemsysteem is van groot belang voor alle Brabanders:
Voor de gezondheid van Brabanders hebben we voldoende en schoon drinkwater nodig, en schone beken, meren en rivieren;
Ook de Brabantse economie is afhankelijk van schoon grondwater en oppervlaktewater. Bedrijven gebruiken dit als grondstof voor hun producten, of in de productieprocessen;
Voldoende en gezond voedsel begint bij een vitale bodem en schoon en voldoende water voor het telen van de gewassen;
De natuur is afhankelijk van voldoende en schoon (grond)water;
Veilig en gezond wonen en werken vraagt om een water- en bodemsysteem dat weersextremen zo goed mogelijk opvangt.
Werken aan water en bodem is van iedereen en voor iedereen in Brabant. De provincie heeft de belangrijke taak om samen met andere overheden inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen goed voor het water en de bodem in Brabant te zorgen.
De provincie acht het van groot belang om nu het bestaande RWP 2022-2027 aan te vullen, en niet te wachten op een nieuwe planperiode vanaf 2028, om de volgende redenen:
Een robuust water- en bodemsysteem, voldoende en schoon water en een gezonde bodem, geeft perspectief aan de landbouwsector en draagt bij aan stabiele voedselproductie;
Hoe eerder we ingrijpen, hoe lager de totale kosten zullen zijn. Met een ander water- en bodembeheer kan een deel van de toekomstige kosten veroorzaakt door weersextremen, drinkwater tekorten en biodiversiteitsverlies vermeden worden;
Door nu richting aan te geven, ontstaat duidelijkheid en daarmee handelingsperspectief voor bedrijven die vooruit willen denken. Het geeft ze de mogelijkheid om nu al in te spelen op de kansen die met de nieuwe manier van water- en bodembeheer ontstaan;
Inwoners, ondernemers en overheden hebben tijd nodig om zich aan te passen aan een wezenlijk andere manier van waterbeheer en sturing in de ruimtelijke ordening op basis van het water- en bodemsysteem. Door nú haar beleid aan te vullen, bereidt de provincie iedereen in Brabant voor op de veranderingen die gaan plaatsvinden en vanaf 2030 doorgewerkt moeten zijn in het handelen van inwoners, ondernemers en overheden;
Het kost tijd om de samenhang en natuurlijke werking van het water- en bodemsysteem (‘de (grond)watermachine’) te herstellen en de voor Brabant zo belangrijke grondwatervoorraden weer aan te vullen. De provincie gaat er van uit dat er ca. twee decennia nodig zijn om maatregelen te treffen, effecten te monitoren, bij te sturen waar nodig en in de loop van de tijd voldoende in te kunnen spelen op de zich ontvouwende effecten van klimaatverandering. Een klimaatrobuust water- en bodemsysteem in 2050 vereist dus dat beleid en aanpak van de provincie in 2030 volledig toegepast kunnen worden;
Provincie, waterschappen en gemeenten hebben tijd nodig om het wijzigende beleid op te nemen in hun planvorming. Voor waterschappen en gemeenten worden de waterbeheerprogramma’s resp. omgevingsplannen komende jaren opgesteld (waterbeheerprogramma’s 2027, omgevingsplannen tussen nu en uiterlijk eind 2031). Daarnaast heeft de provincie een beleidsbasis nodig om de Omgevingsverordening aan te kunnen passen. Het addendum-RWP biedt de benodigde beleidsbasis.
In het RWP is aangekondigd dat halverwege de planperiode een tussenevaluatie plaats vindt om te bepalen of de uitvoering van het RWP en het doelbereik op koers liggen. In het proces van het opstellen van voorliggend addendum, zijn de doelen en aanpakken uit het RWP op hoofdlijnen tegen het licht gehouden in het kader van de diverse ontwikkelingen zoals geschetst in hoofdstuk 2. De geplande tussenevaluatie halverwege de planperiode zoals bedoeld in het RWP blijft desondanks bestaan, om over voortgang van aanpak en acties uit het RWP verantwoording te kunnen afleggen, om tussentijds verder te kunnen bijsturen en om vooruit te kijken naar de volgende planperiode.
Voor wat betreft het doelbereik van de Kaderrichtlijn Water (KRW) in 2027 is inmiddels duidelijk dat dit niet zonder meer in zicht is. Op verschillende overheidsniveaus wordt er gewerkt aan het uitbreiden van het maatregelenpakket om de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) te behalen. Het Rijk komt eind 2024 met een landelijke tussenevaluatie hierover. Op basis hiervan, en in aanvulling op het addendum-RWP, werken de Provincie Noord-Brabant en de Brabantse waterschappen aan de KRW-impuls Brabant waarin wordt bekeken hoe het Brabantse KRW-maatregelenpakket uitgebreid en aangescherpt kan worden om de KRW-doelen voor 2027 en verder te halen. Eventuele aanpassingen van het provinciale beleid ten behoeve van KRW-doelbereik zullen worden verwerkt in een nieuw Regionaal Water- en Bodem Programma voor de volgende planperiode (2028-2033).
Het water- en bodembeheer in Brabant is een samenspel van beleid en uitvoering van veel partners, waaronder provincie, waterschappen, gemeenten, drinkwaterbedrijven, terreinbeherende organisaties, agrarische sector en maatschappelijke partners. De provincie werkt nauw samen met deze partners en wil deze samenwerking verder intensiveren.
Met de waterschappen zijn in de voorbereiding van voorliggend addendum uitgebreide gesprekken geweest, mede in het licht van het in diezelfde periode in ontwikkeling zijnde Brabants Programma Landelijk Gebied (BPLG). De waterschappen hebben hiervoor het rapport ‘Bouwsteen water en bodem’ (Royal HaskoningDHV, juni 2023) aan de provincie aangeboden.
Ook met andere partners zoals gemeenten, drinkwaterbedrijven, terreinbeherende organisaties, de agrarische sector en maatschappelijke partners is over de ontwikkeling van beleid en de uitvoering regelmatig overlegd.
Ten behoeve van voorliggend addendum zijn daarnaast netwerkbijeenkomsten gehouden om alle partners over de ontwikkeling van het addendum te informeren en input op te halen.
Het RWP is een programma onder de Omgevingswet en daarom gepubliceerd en raadpleegbaar via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De versie die is opgenomen in het DSO is bindend.
In hoofdstuk 2 worden de ontwikkelingen van afgelopen 2 jaar weergegeven die hebben geleid tot voorliggend addendum-RWP.
Hoofdstuk 3 beschrijft de essentie van aanvulling van het RWP. Hoofdstuk 4 geeft weer hoe om te gaan met voorzienbaarheid, het zoeken naar kansen voor ontwikkeling en een routekaart richting 2030.
In de bijlagen staan achtereenvolgens: het streefbeeld met ontwikkelrichtingen water en bodemsysteem; de Checklist Structurerende keuzes Water en Bodem sturend; de volledige tekst van aanvulling van de aanpak van het RWP en de ambtshalve wijziging van een plankaart uit het RWP.
In het eerste deel van de planperiode van het RWP zijn al veel van de beleidsvoornemens uitgewerkt en is begonnen met de uitvoering. Het gaat dan onder meer om:
Grondwaterconvenant 2021-2027 en de Droogteagenda
Uitvoering Maatwerkovereenkomsten met de waterschappen en projecten Droge Hoge Zandgronden met provinciale subsidies ten behoeve van:
Bodem UP 2.0
Bijdrageregeling klimaatadaptatie
Rivierprojecten Meanderende Maas
Uitwerken van overstromingsscenario’s
Watersignaleringskaart.
Met deze resultaten ligt de uitvoering van het RWP op hoofdlijnen op koers. Zoals aangegeven in hoofdstuk 1 vindt er in 2025 een tussenevaluatie plaats om voortgang en resultaten van alle onderdelen van het RWP te bezien.
Sinds de vaststelling van het RWP zijn er verschillende ontwikkelingen die ingrijpend effect hebben op de beleidsrichting en uitwerking van het bestaande RWP (zie figuur 2.1).

Figuur 2.1 Ontwikkelingen sinds vaststelling RWP 2022-2027
Water en Bodem sturend betekent een omslag in denken, beleid en handelen. Het betekent dat er een einde komt aan de houding dat het water- en bodemsysteem ‘maakbaar’ is en aangepast wordt aan de ‘(ruimtelijke) wensen’ van de samenleving. In plaats daarvan volgt de functionele inrichting van de ruimte de kenmerken van het water- en bodemsysteem (zie figuur 2). Zo ontstaat een robuuster water- en bodemsysteem, een systeem dat beter bestand is tegen weersextremen, bijdraagt aan natuurherstel en zorgt voor schoon en voldoende water.


Figuur 2.2 Toename van ruimtelijke kwaliteit bij inrichting volgens de kenmerken van het water- en bodemsysteem. Bron: Planbureau voor de Leefomgeving
Water en bodem sturend is niet nieuw, het is vastgelegd in het provinciale Beleidskader Leefomgeving uit 2023, heeft al een goede basis in het huidige RWP (onder andere met het handelingsprincipe ‘niet alles kan overal’) en maakt deel uit van het 'diep, rond en breed' kijken in de Brabantse Omgevingsvisie. De Brabantse waterschappen hebben de provincie in 2023 de ‘Bouwsteen Water en Bodem’ aangeboden, met daarin een visie en handelingsperspectief om te komen tot water- en bodemsysteemherstel.
Op 25 november 2022 heeft de Minister van I&W de Tweede-Kamerbrief ‘Water en Bodem sturend’ verstuurd. Kern van dit rijksbeleid is om het water- en bodemsysteem meer sturend te maken voor de ruimtelijke inrichting van Nederland. In de Kamerbrief ‘Water en Bodem sturend’ geeft het Rijk met zeven uitgangspunten en drieëndertig structurerende keuzes (zie bijlage III) richting en vraagt aan medeoverheden, maatschappelijke organisaties en bedrijven hieraan actief bij te dragen. In dit addendum beweegt de provincie zich binnen het vigerend rijksbeleid.
De provincie heeft de beleidsontwikkelingen rondom ‘Water en Bodem sturend’ waar nodig verwerkt in het voorliggende addendum en in de uitwerking de door de Brabantse waterschappen aangereikte inhoudelijke bouwsteen benut (zie hoofdstuk 3 en bijlage II). In Bijlage III is aangegeven hoe de provincie omgaat met de 33 structurerende keuzes die het Rijk heeft opgenomen in de brief van 25 november 2022.
In het Brabantse bestuursakkoord ‘Samen maken we Brabant’ zijn de volgende beleidsvoornemens opgenomen die verwerkt zijn in voorliggend addendum:
‘Het maximaal inspannen om te voldoen aan de eisen van de KRW’ komt terug in deze paragraaf onder het kopje ‘KRW Impuls’.
‘Aandacht voor duurzaam grondwaterbeheer, met een verbreding en mogelijke verhoging van de Grondwaterheffing’ komt voor wat betreft inhoudelijk grondwaterbeleid terug in een aanvulling van de aanpak ‘Voldoende water’. Uitwerking van het voornemen tot verbreding van de Grondwaterheffing is geen onderdeel van het addendum-RWP.
De ‘aanwijzing van infiltratiegebieden’ komt terug bij het in lijn brengen van de verschillende beschermingsregimes uit de Omgevingsverordening met onze water- en bodemopgaven.
‘Onderzoeken hoe, wanneer en onder welke omstandigheden latente ruimte in watervergunningen in te trekken’ komt terug in een aanvulling van de aanpak ‘Voldoende water’.
‘Bodembeheer op agrarische gronden als sleutel in het landelijk gebied’ is reeds voldoende opgenomen in het RWP onder de beleidsopgave ‘Vitale Bodem’.
In september 2022 verscheen het advies van de Brabantse Adviescommissie Droogte ‘Zonder water, geen later’. Het advies heeft de grote urgentie onderstreept van het teruglopen van de Brabantse grondwatervoorraden, de opgave voor herstel in cijfers uitgedrukt en handelingsperspectief gegeven.
Op basis daarvan is de provincie met partijen gekomen tot een Droogteagenda 2040. De provincie legt in het addendum de kwantitatieve opgave voor herstel van de grondwatervoorraden vast, inclusief de orde van grootte van herstel van de grondwaterpeilen Brabant-breed (als onderdeel van de aanpak om tot herstel van de grondwatervoorraden te komen).
De toestand van het Brabantse water- en bodemsysteem is de afgelopen decennia weliswaar op onderdelen vooruitgegaan, maar blijft zorgelijk waarbij veelal niet wordt voldaan aan gestelde normen. Dit blijkt uit www.brabantinzicht.nl dat jaarlijks wordt bijgesteld op basis van uitgebreide monitoring door provincie, waterschappen en andere partners. Er wordt nog niet voldaan aan de doelen voor een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem dat bestand is tegen extremen. Door waterinlaat, effluent van de zuiveringen en intensief grondgebruik in de landbouw, met name daar waar gronden er niet voldoende draagkracht voor hebben, staan bodemkwaliteit, bodemvitaliteit en waterkwaliteit nog steeds onder druk.
Door verbeterde analysetechnieken kunnen we steeds meer stoffen meten. Sommige van deze stoffen treffen wij breed aan in het bodem- en watersysteem. Dit zien we bijvoorbeeld voor PFAS en (afbraakproducten van) bestrijdingsmiddelen.
Schoon drinkwater wordt schaars. Hoogwater-extremen op de Brabantse rivieren zijn door klimaatverandering (toename van droogtes, nattere winters en extremere zomerbuien) een groeiend risico voor steden en dorpskernen, landbouw en natuur en zowel wateroverlastsituaties als watertekorten in het regionale watersysteem nemen toe. Provincie laat via dit addendum zien dat het op basis daarvan aanvullende actie onderneemt, zie Bijlage IV voor aanvullingen op de aanpak uit het RWP.
In de afgelopen jaren zijn we steeds meer geconfronteerd met extreme weersomstandigheden. In juli 2021 leidde de extreme neerslag tot overstromingen in Duitsland, België en Limburg. Het jaar 2022 kenmerkte zich door langdurige droogte, met o.a. beregeningsverboden tot gevolg en 2023 was het warmste en tegelijkertijd natste jaar sinds het begin van de metingen in 1901. Ook in het voorjaar van 2024 werd een nieuw record gehaald, de lente was de warmste sinds het begin van de metingen. Het was tegelijkertijd ook zeer nat, de op één na natste lente sinds het begin van de metingen. Waardoor aardappels, bieten en uien pas later gepoot en gezaaid konden worden. Eind 2023 zijn ook de nieuwe klimaatscenario’s van het KNMI gepubliceerd. In vergelijking met de vorige klimaatscenario's uit 2014 zijn vrijwel alle indicatoren fors naar boven bijgesteld. De urgentie van klimaatadaptatie wordt dan ook steeds meer gevoeld. Naar aanleiding van de overstromingen in 2021 is het eindadvies ‘Voorkomen kan niet, voorbereiden wel’ van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater verschenen. In het advies worden voorstellen gedaan om beter voorbereid te zijn op extreme neerslag en hoogwater. Een van deze voorstellen is het uitvoeren van bovenregionale stresstesten voor extreme neerslag. De provincie coördineert in de periode 2024-2026 twee stresstesten en daaropvolgende risicodialogen en uitvoeringsagenda's.
De bovenregionale stresstesten worden opgepakt binnen de bovenregionale samenwerking met alle relevante partners op hoogwater en extreem weer die door de provincie, naar aanleiding van de gebeurtenis in 2021 is geïnitieerd en geformaliseerd.
De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel het realiseren en behouden van chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlakte- en grondwater. Dit raakt zowel kwalitatieve (‘schoon water’) als kwantitatieve (‘voldoende water’) aspecten van het oppervlakte- en grondwater. Alle waterbeheerders in Nederland zijn verantwoordelijk voor een deel van de uitvoering van de KRW en spannen zich hiervoor in.
De KRW-opgave is fors. Dat geldt zowel voor het realiseren van een ‘goede toestand’ van het oppervlakte- en grondwater in 2027 als voor de uitdagingen in de periode daarna, zoals de normering van nieuwe, opkomende stoffen en microverontreinigingen, modernisering van de monitoring-verplichtingen en aandacht voor de effecten van klimaatverandering.
Voor wat betreft het doelbereik in 2027 is inmiddels duidelijk dat dit niet zonder meer in zicht is. Zo constateert de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli, Goed water goed geregeld, mei 2023) dat, hoewel er al veel is bereikt (en de toenemende aandacht voor water en bodem sturend een positieve impuls kan leveren), de kwaliteit en kwantiteit van het oppervlakte- en grondwater onder druk staan. Met het huidige beleid zijn de KRW-doelen voor 2027 buiten bereik. Ook signaleert de Rli dat de uitvoering van het beleid door een aantal factoren dusdanig wordt belemmerd, dat de KRW-doelen ook na 2027 waarschijnlijk niet realiseerbaar zijn zonder aangescherpte beleidsaanpak.
Het Rli-rapport beschrijft de situatie voor Nederland, maar is tegelijkertijd representatief voor Brabant. Het niet bereiken van de doelen heeft negatieve impact op de beschikbaarheid van zoet water, veiligheid, gezondheid en economie. Daarnaast kan het niet voldoen aan wettelijke doelen op korte termijn leiden tot het intrekken van bestaande vergunningen en het niet verlenen van nieuwe vergunningen, met als gevolg dat activiteiten stil komen te liggen. Bovendien kan de EU overgaan tot boetes en dwangsommen bij niet voldoen aan de KRW-eisen.
In het Bestuursakkoord van de Provincie Noord-Brabant (september 2023) is het belang van de KRW-opgave onderkend en heeft het provinciebestuur aangegeven zich maximaal in te spannen om te voldoen aan de eisen van de KRW. Een goed functionerend water- en bodemsysteem is een randvoorwaarde voor het ook op langere termijn (blijvend) behalen van de KRW-doelen. Dit doen we via systeemherstel zoals uitgewerkt in voorliggend addendum. Om aanvullende maatregelen te ontwikkelen voor de KRW-opgave van 2027 in Noord-Brabant, werken de provincie en waterschappen samen aan een strategisch plan met een brede aanpak voor de komende periode. Dit strategisch plan, onder de naam ‘KRW Impuls Brabant’, sluit aan bij verschillende lopende processen, zoals landelijk het KRW-impulsprogramma, de activiteiten en afspraken in het kader van de stroomgebied-overleggen Maas en Schelde, en provinciaal onder meer voorliggend addendum-RWP, het opstellen van een Brabants Programma Landelijk Gebied en de Droogteagenda. Onderdeel van het RWP en het addendum is dat we ernaar streven om zo goed mogelijk invulling te geven aan de doelen van de KRW. Wat daar nog aanvullend voor nodig is bovenop het bestaande pakket aan KRW maatregelen en acties werken provincie en waterschappen uit in het strategisch plan ‘KRW Impuls Brabant’. Het opstellen van de KRW Impuls Brabant is onder meer afhankelijk van diverse landelijke en regionale processen die een tijdlijn kennen die te ver uiteenlopen met die van het addendum-RWP. Hierdoor is de inhoud van de KRW-Impuls Brabant nog niet verwerkt in dit addendum.
Provincie werkt ten tijde van het opstellen van het addendum-RWP, met haar partners, aan het vervolg op het Brabants Programma Landelijk Gebied (BPLG) en heeft het Ruimtelijk Voorstel Brabant opgesteld.
Het Ruimtelijk Voorstel Brabant bevat de nieuwe inzichten over het water- en bodemsysteem (in diverse kaartlagen), en de noodzaak tot sturing van de ruimtelijke ontwikkelingen op basis van het water- en bodemsysteem.
Ten tijde van opstellen van het addendum-RWP heeft provincie een voorontwerp-BPLG gepubliceerd als bespreekstuk met haar partners om tot een vervolg op het BPLG te komen. Op inhoud bevat het voorontwerp-BPLG zowel de noodzaak van systeemherstel inclusief het daarbij behorende ontwikkelperspectief als de noodzaak tot sturing van ruimtelijke ontwikkelingen op basis van het water- en bodemsysteem. Ook is daarin opgenomen een aankondiging van het mogelijk aanpassen van beschermingszones/-regimes in de Omgevingsverordening. Het addendum-RWP wordt eerder vastgesteld dan een vervolg op het BPLG, en bevat daarmee de beleidsbasis vanuit het water- en bodemdomein dat in een vervolg op het BPLG wordt opgenomen en ingepast in een integrale aanpak van de provinciale opgaven in het landelijk gebied.
De inzichten uit het Ruimtelijk Voorstel en het vervolg op het BPLG als bouwsteen en deeluitwerking, worden benut om de Brabantse Omgevingsvisie te herijken.
Provincie stelt daarnaast in 2024 diverse uitvoeringsagenda’s op om uitvoering te geven aan haar beleidskaders. Dit betreft onder meer de uitvoeringsagenda’s Landbouw & Voedsel, Wonen en Werken, Milieu, Gezondheid, Brede Welvaart en Economie. 'Water en Bodem sturend' is richtinggevend en helpend voor de grote transities die op ons af komen en draagt zo bij om de ambities die voortkomen uit de verschillende beleidskaders en uitvoeringsagenda’s te borgen en versterken.
Het Beleidskader Wonen en Werken en NOVEX Stedelijk Brabant hebben betrekking op opgaven van verstedelijking en de opgaven die daar direct mee samenhangen. Water en bodem zijn een basis voor verdere verstedelijking. In de Uitvoeringsagenda NOVEX Stedelijk Brabant en de Uitvoeringsagenda Wonen en Werken worden hierover uitvoeringsacties opgenomen en nadere afspraken gemaakt. Daarbij gaat het met name over strategisch overleg over woon- en werklocaties en de toepassing van de Watersignaleringskaart en de Maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving.
Ten slotte zijn er sinds eind 2021 op landelijk niveau diverse invloedrijke onderzoeken uitgevoerd en programma’s geëntameerd. Denk daarbij aan de Tussenbalans van Kennisprogramma Zeespiegelstijging, recente beelden over het doelbereik van de Kaderrichtlijn Water (KRW), de landelijke Beleidstafel wateroverlast en hoogwater, programma Integraal Riviermanagement (IRM) en de preverkenningen Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW).
Inzichten hieruit zijn gebruikt voor een aanvulling van de aanpak uit het RWP, zie Bijlage IV.
Daarnaast is rekening gehouden met het regeerprogramma van het Kabinet Schoof I. Provincie geeft met voorliggend addendum aan hoe zij vanuit haar rol en positie tegen Water en Bodem sturend aankijkt, en welke beleidsmatige keuzes hierin gemaakt worden.
Ons water- en bodemsysteem is decennialang geoptimaliseerd voor menselijk gebruik (landbouw, verstedelijking, bedrijven, etc.) en ‘peil volgt functie’ was het adagium. De keerzijde hiervan wordt echter steeds duidelijker. Denk hierbij aan de oplopende maatschappelijke kosten voor waterzuivering en waterbeheer, de toenemende risico’s van weersextremen, het verlies aan biodiversiteit zowel in het water als op het land en aan de afname van zoetwaterbeschikbaarheid wat zowel de natuur, de agrarische sector als de inwoner raakt i.h.k.v. drinkwater. Door klimaatverandering worden we steeds vaker en nadrukkelijker geconfronteerd met deze keerzijde. De gevolgen van langdurige perioden van droogte en van extreme regenval laten zien dat de grenzen aan de maakbaarheid van het water- en bodemsysteem zijn bereikt.
Kiezen voor Water en Bodem sturend betekent dat het natuurlijk functioneren van het water- en bodemsysteem zoveel mogelijk wordt hersteld én zoveel mogelijk leidend is in ruimtelijke inrichting en grondgebruik voor natuur, landbouw, wonen, werken, energieopwekking, recreatie, etc. Hierdoor wordt afwenteling van water- en bodemgerelateerde problemen naar andere gebieden, naar volgende generaties en van privaat naar publiek voorkomen. We spreken nadrukkelijk van herstel van het natuurlijk functioneren zoveel als mogelijk: het is zaak om, waar mogelijk, niet afhankelijk te zijn van sturing in het systeem (met uitzondering van polders, deze hebben per definitie een gestuurd systeem), echter door het intensieve ruimtegebruik in Brabant zal op plaatsen een combinatie van (elementen van) een stuurbaar systeem en natuurlijke werking noodzakelijk zijn.
De keuze voor water- en bodemsysteemherstel is al in hoofdlijnen verankerd in de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ (2018) en in het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027. Dit zien we onder meer terug in de daarin opgenomen visie over gericht herstel van het water- en bodemsysteem en het handelingsprincipe ‘Niet alles kan overal’. In dit addendum concretiseren we dit en vullen we ons beleid aan.
In het RWP heeft de provincie opgenomen dat een systeemgerichte aanpak nodig is, oftewel herstel van de systeemwerking. In dit addendum concretiseren we dit met een doorvertaling van het Brabantse water- en bodemsysteem naar watersysteemeenheden, en ontwikkelrichtingen voor elk van deze watersysteemeenheden. Deze uitwerking is mede gebaseerd op de ‘Bouwsteen Water en bodem’, die de Brabantse waterschappen in 2023 aan de provincie hebben aangeboden, met daarin een visie en handelingsperspectief om te komen tot water- en bodemsysteemherstel.
Het grondwater, het oppervlaktewater en de bodem vormen één groot samenhangend geheel. Keuzes die bovenstrooms gemaakt worden, hebben direct gevolgen voor de situatie benedenstrooms. Snelle ontwatering en afwatering in hoger gelegen gebieden kan tot wateroverlast in lagergelegen gebieden leiden. Ook leidt een dergelijke snelle ontwatering tot het dalen van grondwaterstanden en het droogtrekken van de hoge gebieden, waardoor de kwelstroom naar de lagergelegen gebieden stokt en daar ook de grondwaterstanden dalen. Om het water- en bodemsysteem klimaatbestendig en water robuust te maken, is het van belang dat de hele (grond)watermachine met kwelstromen weer beter gaat functioneren.
In de polders is een stuurbaar systeem het uitgangspunt. De polders blijven voor hun zoetwatervoorziening de komende decennia vooral afhankelijk van inlaat uit het hoofd-watersysteem, met een toenemende kans op perioden van inlaatbeperkingen. Hier past een robuuste inrichting van het watersysteem bij waarin water kan worden gebufferd om zo weerbaarder te zijn tegen droge perioden met inlaatbeperkingen vanuit de rivieren, en ruimte is voor voldoende wateropvang in natte perioden.
Het water- en bodemsysteem en de deelstroomgebieden die tezamen het water- en bodemsysteem van Brabant vormen, wordt gekarakteriseerd door watersysteemeenheden: ruggen, flanken, beekdalen, polders en rivierbed. Hoe deze eenheden met elkaar samenhangen en met elkaar een natuurlijk werkend water- en bodemsysteem vormen, is zichtbaar gemaakt in figuur 3.1.

Figuur 3.1 Samenhang watersysteemeenheden
De watersysteemeenheden hebben ieder hun hydrologische kenmerken en kennen daarmee verschillende accenten in benodigde ontwikkelrichting en gewenste maatregelen. De watersysteemeenheden vormen daarmee de basis voor de uitwerking van water en bodem sturend voor wat betreft systeemherstel van het water- en bodemsysteem. Een streefbeeld voor het Brabantse water- en bodemsysteem 2050 en de ontwikkelrichtingen voor de watersysteemeenheden zijn samengevat in bijlage I en in meer detail uitgewerkt in het rapport ‘Bouwsteen water en bodem’ (Royal HaskoningDHV, juni 2023). Aanvullend op het rapport is in dit addendum nog een vijfde watersysteemeenheid toegevoegd, namelijk het rivierbed. De situering van de watersysteemeenheden in het watersysteem in Noord-Brabant is weergegeven in figuur 3.2.


Fig. 3.2 Situering vier watersysteemeenheden in provincie Noord-Brabant: ruggen en peelruggen (geel en donkergeel), flanken (groen), beekdalen (paars), polders (oranje). (Bron: Royal HaskoningDHV, 2023)
De in figuur 3.2 opgenomen ruimtelijke vertaling is grofmazig, en kan bij ‘inzoomen’ op gebiedsniveau tot nadere vragen over precieze afbakening leiden. Provincie is voornemens op korte termijn, samen met de waterschappen, een verfijnings- en kwaliteitsslag te maken. Het betreft onder meer een verfijning tot een niveau waarop de systeemkenmerken op ruwweg deelstroomgebiedsniveau herkenbaar zijn, het toevoegen van de watersysteemeenheid ‘rivierbed’ aan de kaart en het rekening houden met oude bouwlanden (enkeerden) en andere gronden met een gunstige waterhuishouding op de hoge ruggen.
De kaart in figuur 3.2 is vooralsnog dan ook als richtinggevend te beschouwen en niet bedoeld om direct doorwerkend beleid op te baseren. Voor eventuele doorwerking via de provinciale Omgevingsverordening is een ruimtelijke vertaling naar perceelsniveau nodig. Deze vindt voor de beekdalen plaats via de voorgenomen aanpassing van de ‘reserveringsgebieden waterberging’ in de Omgevingsverordening, zie hiervoor ‘Water en Bodem sturend in beekdalen’ in paragraaf 3.3.]
In grijs is op de kaart het bebouwde gebied weergegeven. Het streefbeeld voor de watersysteemeenheden stopt niet in het bebouwde gebied. Zo geldt bijvoorbeeld ook voor het bebouwde gebied op de ruggen het streven om zoveel mogelijk water vast te houden en te infiltreren. Ook in het stedelijk gebied geldt dus een opgave, uiteraard met een bij het stedelijk gebied passende invulling en met meer beperkingen vanuit de huidige functies dan in het landelijk gebied.
Het RWP kent al het principe ‘niet alles kan overal’. In het Brabantse bestuursakkoord 2023 – 2027 ‘Samen maken we Brabant’ is aangegeven dat het water- en bodemsysteem sturend moet zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling. In dit addendum op het RWP geven we aan hoe we dat invullen, dit in het verlengde van de Omgevingsvisie, het Brabants Ruimtelijk Voorstel en het Beleidskader Leefomgeving (vastgesteld door Provinciale Staten op 27 oktober 2023), waarin ‘Water- en bodemsysteem leidend’ één van de vijf stelregels is om te sturen op omgevingskwaliteit.
Door het samenhangend water- en bodemsysteem sturend te laten zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen zoals opgenomen in de beleidskader Leefomgeving, ontstaan mogelijkheden om de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd (klimaat, natuur, waterbeheer, landbouw, verstedelijking) toekomstbestendig vorm te geven. Het water- en bodemsysteem bepaalt de randvoorwaarden en het gebruik wordt daarop aangepast. Daarnaast wordt het natuurlijk functioneren van het water- en bodemsysteem zoveel mogelijk hersteld. De basis hiervoor vormen de watersysteemeenheden (ruggen, flanken, beekdalen, polders, rivierbed) in combinatie met de opbouw van de bodem en grondsoort. De randvoorwaarden, gebruik en herstel werken door in iedere sectorale opgave.
Dat geldt zowel voor nieuwe ontwikkelingen als voor bestaande functies en (grond)gebruik. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen vinden zoveel mogelijk plaats op die plekken die hiervoor op basis van het water- en bodemsysteem het meest geschikt zijn. Provincie onderzoekt de mogelijkheden om via de Omgevingsverordening gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen meer rekening te laten houden met de sturende functie van het water- en bodemsysteem. Voor bestaande functies en grondgebruik ligt dit meer genuanceerd, omdat de mogelijkheid tot aanpassing niet altijd reëel is. Denk aan bestaand stedelijk gebied en infrastructuur.
Toepassing geven aan Water en Bodem sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen lukt alleen in nauwe samenwerking met onze partners, waarbij naast de waterschappen de gemeenten een belangrijke rol hebben. Dit addendum en de uitvoering daarvan leidt tevens tot een versterking van deze samenwerking.
De provincie ziet goede mogelijkheden om de watersysteemeenheden met bijbehorend ontwikkelperspectief toe te voegen aan de lagenbenadering. De toepassing van de lagenbenadering is opgenomen in de Omgevingsverordening (artikel 5.9) als verplichting voor gemeenten bij het beoordelen van nieuwe ontwikkelingen, inclusief nieuwbouw. De lagenbenadering is een hulpmiddel voor het maken van een goede afweging over nieuwe ontwikkelingen. In de lagenbenadering is de ondergrond met onder andere het water- en bodemsysteem één van de drie lagen. Provincie onderzoekt op korte termijn hoe het onderdeel water- en bodemsysteem uit de lagenbenadering in de Omgevingsverordening kan worden uitgebreid met onder meer de watersysteemeenheden met bijbehorend ontwikkelperspectief. Hiermee krijgt Water en Bodem sturend ook een plek in de gemeentelijke omgevingsvisies en omgevingsplannen.
Om sturing te geven aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de verstedelijkingsopgave, is afgelopen jaren al een eerste stap gezet door ontwikkeling van de Watersignaleringskaart. De Watersignaleringskaart is opgesteld in het kader van het NOVEX-gebied Stedelijk Brabant. In dit proces werken Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen samen aan een toekomstbestendige stedelijke ontwikkeling van Brabant. De Watersignaleringskaart is onderdeel van het Ontwikkelperspectief en de Uitvoeringsagenda NOVEX stedelijk Brabant. Het is een belangrijke gespreksstarter in de besluitvorming over de locatiekeuze van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals een nieuwe woonwijk of bedrijventerrein.
Gebruik van deze Watersignaleringskaart, en de resultaten daarvan, wordt gestimuleerd via de provinciale Omgevingsverordening bij toepassing van de lagenbenadering (zie artikel 5.9 Omgevingsverordening en de toelichting daarop). De lagenbenadering moet conform de Omgevingsverordening verplicht worden toegepast bij nieuwe ontwikkelingen. De Watersignaleringskaart is nu gebaseerd op de lagen/indicatoren overstromingsrisico’s vanuit het primaire systeem, wateroverlast vanuit grondwater en ruimte voor een robuust watersysteem (beekdalen). De Watersignaleringskaart wordt door provincie en partners doorontwikkeld zowel voor wat betreft lagen/indicatoren, waaronder bodem, als nieuwe inzichten uit onder meer nieuwe klimaatscenario’s en overstromingsrisico’s. Ook zal worden nagegaan of en hoe de toepasbaarheid voor gemeenten kan worden verbeterd.
Naast de locatiekeuze, is ook de inrichting van een nieuwbouwlocatie van groot belang. Hiervoor is de landelijke ‘Maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ een belangrijk instrument. In de samenwerking met de gemeenten (DPRA-werkregio’s) stimuleren we de implementatie van de Maatlat. In IPO-verband zet de provincie in op een sterkere juridische borging van klimaatadaptatie bij nieuwbouw zoveel mogelijk door het Rijk, met het oog op een landelijk level-playing-field. De landelijke Maatlat wordt opgenomen in de Omgevingsverordening, als hulpmiddel om invulling te geven aan de voorwaarde dat er bij verstedelijking (zowel binnen als buiten bestaand stedelijk gebied) rekening moet worden gehouden met klimaatadaptieve maatregelen.
Het behouden van waardevolle landbouwgronden voor de toekomst is van belang vanuit het oogpunt van voedselvoorziening. Op gronden met een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en een goede waterhuishouding, is het mogelijk een goede gewasopbrengst te realiseren met minder inputs, zoals meststoffen, bestrijdingsmiddelen en water en met minder emissies naar bodem, water en lucht. Het beschikbaar houden van geschikte gronden voor de landbouw, draagt daardoor bij aan het herstel van het water- en bodemsysteem.
Om het beschikbaar houden van ‘beste landbouwgronden’ goed te kunnen betrekken in de integrale afweging onderzoekt de provincie of het nodig is om een aanvullend instrument te ontwikkelen, bijvoorbeeld een afwegingkader of -ladder, dat bij ruimtelijke afwegingen wordt ingezet.
In 2022 heeft Wageningen Environmental Research op basis van de ‘WaterWijzer Landbouw (WWL) 3.0’ bodemgeschiktheidskaarten voor de landbouw in de provincie Noord-Brabant opgesteld. Deze kaarten zijn in het voorontwerp van het BPLG gebruikt om de gronden in kaart te brengen, die gezien hun landbouwkundige kwaliteit het meest geschikt zijn voor het telen van voedselgewassen. Op de kaartbijlage ‘Ruimtelijk Ontwikkelperspectief Voorontwerp BPLG’ is met de indicatieve aanduiding ‘beste landbouwgrond’ aangeduid waar deze gronden liggen. In bijlage 5 van het voorontwerp-BPLG is een onderbouwing opgenomen over de totstandkoming van deze kaartlaag.
In de beekdalen zal het door water- en bodemsysteemherstel in de toekomst op veel plaatsen natter worden (vaker natte omstandigheden, grotere waterdynamiek), en is meer ruimte nodig om piekbuien op te vangen. Om die reden breidt de provincie in de beekdalen de reserveringsgebieden waterberging uit, en past zij het beschermingsregime van de reserveringsgebieden waterberging aan. Uitgangspunt bij uitbreiding is het begrenzen van het gehele morfologische beekdal daar waar dat nog niet het geval is (zie figuur 3.2 voor de loop van de beekdalen in Brabant) én de lokale natuurlijke laagtes buiten de beekdalen als reserveringsgebied voor waterberging. Denklijn hierbij is dat bestaande bebouwing (waarvoor het maaiveld meestal toch al verhoogd is) buiten de begrenzing wordt gehouden. Aangezien in het merendeel van de beekdalen in Brabant al geen norm geldt voor wateroverlast (met uitzondering van de beekdalen in het beheergebied van Waterschap Aa en Maas) is de feitelijke consequentie voor deze gebieden in hoofdzaak dat nieuwbouw slechts in zeer beperkte mate mogelijk is: in het deel van het beekdal dat wordt aangewezen als reserveringsgebied waterberging mag alleen nog gebouwd worden als reële alternatieven ontbreken en dit niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen.
Voor de gebieden waar nu nog wel een norm voor wateroverlast geldt, geldt dat het waterschap een eigen afweging kan maken, met goede argumenten zoals bestaande bestuurlijke afspraken, om deze norm op specifieke plekken en voor een bepaalde termijn in de praktijk nog te handhaven. Bestaande maatregelen om te voldoen aan de huidige wateroverlast norm blijven daarnaast gehandhaafd, en daarmee worden dus geen actieve ingrepen gedaan om de bescherming tegen wateroverlast te verminderen.
In deze gebieden is het daarnaast van belang dat er geen drainerende werking op de omgeving is van drainagesystemen op plekken die vanuit het oogpunt van water- en bodemherstel om vernatting vragen. Provincie onderzoekt in overleg met de waterschappen op welke manier tot een transparante en toetsbare wijze van afweging over drainage systemen in de beekdalen gekomen kan worden, ofwel via de provinciale Omgevingsverordening, ofwel via de Waterschapsverordening. Beleidsuitgangspunt is dat er bij zowel nieuwe drainagesystemen als bij het vervangen van bestaande drainagesystemen geen drainerende werking is op de omgeving. Genoemd onderzoek over drainagesystemen vindt tevens plaats voor de attentiezones waterhuishouding (deze zijn deels buiten de beekdalen gesitueerd; er bestaat voor deze zones reeds een verbod op plaatsen van nieuwe drainage), die in de provinciale Omgevingsverordening zijn opgenomen ter bescherming van de natte natuurparels. Ook vindt dit onderzoek plaats voor het beschermingsregime ‘Behoud en herstel watersystemen’ aan. Zie voor meer toelichting bijlage IV, onderdeel A. Inzet instrumentarium Omgevingsverordening.
De watersysteemeenheid Rivierbed bestaat uit het hele buitendijkse gebied, inclusief de uiterwaarden langs de grote rivieren van het hoofdwatersysteem: Maas en Waal-Merwede en de deltawateren (Hollands Diep-Haringvliet, Volkerak-Zoommeer-Binnenschelde-Markiezaatsmeer). Hieraan voegen we het gebied tussen de regionale keringen van een aantal regionale rivieren, die hierin uitmonden, zoals de Mark en de Vliet toe.
Rivieren (hoofd- en regionaal) krijgen in extreme situaties hogere piekafvoeren én extreem lage waterstanden te verwerken. Deze situaties zullen ook vaker voorkomen. Om de lage gebieden rondom de rivieren te beschermen tegen overstromingen, is het belangrijk dat het rivierbed beschikbaar blijft voor de doorstroming en het opvangen van water. Daarnaast vraagt dit meer ruimte(reservering) voor water en toekomstige dijkversterkingen.
De nationale beleidslijn Grote Rivieren stelt regels aan een deel van het Brabantse Rivierbed. In aanvulling hierop zal de provincie de regels in de omgevingsverordening aanpassen om nieuwe (niet-riviergebonden) bebouwing in het gehele rivierbed te voorkomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de in het BO Water vastgestelde redeneerlijn: Functies die binnendijks ontwikkeld kúnnen worden, dienen ook binnendijks ontwikkeld te worden (bv. de functie Wonen).
In 2024 en verder voeren we, samen met de waterschappen, twee bovenregionale stresstesten uit. Dit naar aanleiding van het advies van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater. We gaan na wat de gevolgen kunnen zijn van een extreme bui in Noord-Brabant, vergelijkbaar met de gebeurtenis in de zomer van 2021 in Limburg. De bovenregionale stresstesten worden gevolgd door risicodialogen en uitvoeringsagenda's. In de bovenregionale stresstesten staat de gehele meerlaagsveiligheid, waaronder aanpassingen en keuzes in de ruimtelijke inrichting centraal.
Voor een succesvolle transitie naar een klimaatrobuust water- en bodemsysteem is ook nodig dat veranderingen plaatsvinden in, of maatregelen worden getroffen ten aanzien van, bestaand gebruik en bestaande functies.
Voor bestaand bebouwd gebied gaat het vooral om het waar mogelijk treffen van klimaatadaptieve maatregelen in verband met weersextremen. De 'Maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ geeft hiervoor goede en concrete handvaten. Indien gewenst is provincie altijd bereid om met gemeenten en waterschappen mee te denken over implementatie van klimaatadaptieve oplossingen.
Het landelijk gebied biedt ruimte aan diverse functies en gebruik, zoals landbouw, natuur, recreatie, energieproductie, etc. Van al deze functies en vormen van grondgebruik verwacht de provincie dat zij een bijdrage leveren aan de transitie naar een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Voor functies als natuur en energieproductie kan bijvoorbeeld worden gedacht aan kansrijke functiecombinaties zoals de combinatie waterberging en natuur, of waterberging en energieproductie.
De landbouw heeft invloed op de waterkwaliteit, het watervasthoudend en doorlatend vermogen van de bodem, het grondwaterpeil en de biodiversiteit. Door de toenemende kansen op extreme regenval en droogte, biodiversiteitsverlies en het dreigende watertekort, nemen de risico's voor de landbouw toe. Een robuust water en bodemsysteem, met voldoende en schoon water en een vitale bodem, is essentieel voor het voortbestaan van de agrarische sector in Nederland. Kansrijke combinaties voor de landbouw, zoals combineren van voedselproductie met bieden van maatschappelijke groene en blauwe diensten bieden nieuwe perspectieven voor agrarische ondernemers.
Wanneer het principe van ‘Water en Bodem sturend’ wordt vertaald naar de landbouw, zal de gewaskeuze en teeltmethode beïnvloed worden door het water- en bodemsysteem van het perceel. Teelt van het juiste gewas op de juiste plek, met de juiste teeltmethode, draagt bij aan het behalen van onze doelen voor waterkwaliteit-, kwantiteit, klimaatadaptatie en biodiversiteitsherstel én aan een stabielere gewasproductie.
Op gronden met een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en een goede waterhuishouding, is het mogelijk een goede gewasopbrengst te realiseren met minder inputs, zoals meststoffen, bestrijdingsmiddelen en water en met minder emissies naar bodem, water en lucht. Anderzijds geeft teelt op minder geschikte gronden, meer risico op uit- en afspoeling en vraagt meer water.
De randvoorwaarden vanuit water, bodem en natuur zijn bepalend voor de kansen en mogelijkheden voor de agrarische bedrijfsvoering in een gebied. Het is aan agrarische ondernemers om keuzes te maken t.a.v. hun bedrijfsvoering en verdienmodel om binnen deze randvoorwaarden te opereren. Op basis van ‘Water en Bodem sturend’ zijn kansrijke ontwikkelrichtingen ruimtelijk gedifferentieerd.
Voor hoogproductieve, grondgebonden bedrijven geldt dat ze op een intensievere manier van de bodem en van meer grond- en hulpstoffen gebruikmaken. Gemiddeld genomen ligt de productie ook op een hoger niveau. Kwalitatief goede landbouwgronden hiervoor liggen hoofdzakelijk op de flanken en in de polders. Dit zijn gronden die op basis van de bodemgeschiktheid en de waterhuishoudkundige inrichting beperkte kans hebben op opbrengstverliezen door te natte of droge omstandigheden.
Bij meer extensieve vormen van land- en tuinbouw wordt er minder grond- en hulpstoffen gebruikt en wordt er minder op chemisch/technologische en meer op agro-ecologische processen vertrouwd. De opbrengsten liggen fysiek vaak op een lager niveau, de bedrijfsopbrengsten hoeven dankzij de lagere kosten of hogere opbrengstprijzen (biologische landbouw) niet lager te zijn.
In de gebieden direct rond Natura 2000-gebieden, Natte natuurparels, in beekdalen en in de grondwaterbeschermingsgebieden zijn in het algemeen hogere grondwaterstanden en verdergaand aangepast gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen nodig om de doelen voor natuur en water te realiseren. In die gebieden streeft de provincie daarom naar overwegend extensieve vormen van landbouw (graasdierhouderij / voedergewassen, gewassen voor biobased (bouw)materialen, bosbouw, agroforestry, et cetera). Deze landbouw is meer natuur- en landschapsinclusief: het ontwikkelen, versterken en behouden van een grote biodiversiteit, waaronder bodemleven, insecten en soorten van de Vogelrichtlijn, en een hoogwaardig landschap zijn integraal onderdeel van het bedrijfsmodel. De producten van deze bedrijven onderscheiden zich in de markt. Daarnaast zijn inkomsten uit beloning voor ecosysteemdiensten en vergoedingen voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer structureel onderdeel van het verdienmodel. In deze gebieden liggen ook kansen voor functiecombinaties, bijvoorbeeld met energieopwekking, recreatie, natuur en landschap.
In de beken en beekdalen wordt het water op een zo hoog mogelijk peil gehouden; oppervlaktewaterpeilen en grondwaterstanden staan in de beekdalen dicht aan het maaiveld. Hier bestaan alleen mogelijkheden voor vormen van landbouw die binnen deze randvoorwaarden en hoge, gebiedsgerichte kwaliteitseisen kunnen worden gerealiseerd.
Ook op de hoge zandgronden (ruggen)– waar gronden liggen met een lagere natuurlijke bodemvruchtbaarheid en met hogere milieurisico’s – stuurt de provincie op een extensivering van het grondgebruik door de landbouw. De keuzes vanuit het water- en bodemsysteem – vergroten inzijging, verminderen wateronttrekking en daarmee het vergroten van de grondwatervoorraden – zijn hier bepalend voor de mogelijkheden voor de landbouw. Dit biedt kansen voor niet-grondgebonden teelten, agroforestry, recreatie en verbredingsactiviteiten. ]
De provincie spant zich in voor bijsturing van passend grondgebruik in het landelijk gebied. De snelheid waarmee de brede doelen voor transitie in het landelijk gebied (water en bodem sturend, transitie van de landbouwsector, versterking van de natuur en realisatie van energieopgaven) gerealiseerd worden, hangt af van de snelheid van de transitie van het landelijk gebied en van de middelen en instrumenten die daarvoor beschikbaar zijn. Hiervoor kijkt Brabant ook nadrukkelijk naar de Rijksoverheid. Provincie ontwikkelt een aanpak om te komen tot passend grondgebruik in het landelijk gebied onder andere via het vervolg op het Brabants Programma Landelijk Gebied (BPLG).
Water en Bodem sturend vraagt om een transitie in denken, sturing, beleid, juridisch kader en uitvoering; voor rijk, provincie, waterschappen en gemeenten.
Deze transitie realiseren we niet van vandaag op morgen. Allereerst moeten we burgers en ondernemers de tijd en ruimte geven om zich voor te bereiden op een nieuwe situatie waarin water en bodem niet zondermeer dienend zijn aan gebruiksfuncties en het gewenste ruimtegebruik, maar - steeds meer - andersom. Het moet met andere woorden voor iedereen ‘voorzienbaar’ zijn dat we toewerken naar deze nieuwe situatie. De provincie geeft daarom:
Duidelijkheid over waar we naar toe willen. Met het addendum RWP (incl. beleidsonderdelen opgenomen in Ruimtelijk Voorstel en de Bouwsteen water en bodem sturend van de Brabantse waterschappen) zetten we - richting 2050 - een duidelijke stip op de horizon:
het water- en bodemsysteem is sturend bij keuzes in de ruimtelijke ordening en grondgebruik;
effecten van (te) natte en droge tijden, binnen de grenzen van het redelijke, behoren bij het maatschappelijk risico voor iedereen in Brabant (inwoners, ondernemers en overheden).
We dragen dit nadrukkelijk uit en vragen onze partneroverheden dit ook te doen met het instrumentarium dat zij hiervoor beschikbaar hebben (denk aan waterbeheerprogramma’s van de waterschappen en de gemeentelijke omgevingsvisies, omgevingsplannen en omgevingsprogramma’s). Provincie vraagt ook een inspanning van de gezamenlijke overheden om Water en Bodem sturend te laten doorwerken in andere beleidsdomeinen, zoals het landelijk gebied, verstedelijking en woningbouw en de energietransitie, in lijn met het uitgangspunt ‘niet afwentelen’. De provincie onderzoekt hierbij of zij met de inzet van de Omgevingsverordening meer sturing kan geven aan functies en activiteiten die de realisering van de ontwikkelrichtingen voor de watersysteemeenheden ondersteunen respectievelijk belemmeren. Dit vraagt (mogelijk) ook doorwerking door onze partneroverheden in het instrumentarium dat zij hiervoor beschikbaar hebben;
Een redelijke termijn voor inwoners en ondernemers om zich op deze koerswijziging voor te bereiden en er rekening mee te houden, bijvoorbeeld bij investeringsbeslissingen. Als provincie gaan we uit van een generiek ‘omslagpunt’ in 2030. Vanaf 2030 mag als bekend worden verondersteld dat het water- en bodemsysteem sturend is bij keuzes voor ruimtelijke ontwikkelingen en dat effecten van (te) natte en droge tijden, binnen de grenzen van het redelijke, behoren bij het maatschappelijk risico voor iedereen in Brabant. Bij de uitwerking en concretisering van specifieke beleidsonderdelen (zie hierna) zal de voorzienbaarheid voor die onderdelen van de transitie nader gespecificeerd worden (bijvoorbeeld gekoppeld aan urgentie, noodzakelijke investeringen, onzekerheden).
Ondersteuning bij de transitie aan inwoners en ondernemers, in ieder geval tot aan het generieke omslagpunt. Denk daarbij aan ondersteunend beleid, subsidies, compensatie- en schaderegelingen, innovatie, pilots en experimenten, KPI-sturing, regelgeving (regels en verboden, bijvoorbeeld in verordeningen), vergunningverlening, grondbeleid, convenanten, regionale investeringsprogramma’s, het ondersteuningsnetwerk en communicatie;
Veel aandacht aan monitoring van de voortgang en bijsturing waar nodig.
Om deze omslag in het denken te begeleiden en toe te werken naar voorzienbaarheid, zet provincie in op uitgebreide, actieve communicatie en voorlichting, samen met partners als waterschappen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. In de routekaart Water en Bodem sturend, zie paragraaf 4.3, is dit als activiteit opgenomen voor de periode 2025-2027. Hierbij is aandacht voor onder meer consequenties voor inwoners en ondernemers (inclusief mogelijke kansen en knelpunten), de begeleiding en ondersteuning die geboden wordt bij de transitie naar Water en Bodem sturend, rollen en verantwoordelijkheden, etc.
Bovendien vraagt dit een inspanning van de gezamenlijke overheden om beleid, vergunningverlening, regelgeving, subsidies, etc. die niet bijdragen aan de transitie, gefaseerd af te bouwen.
Met dit addendum wordt Water en Bodem sturend beleidsmatig verankerd bij de provincie. Verdere uitwerking van ‘voorzienbaarheid’ is voorzien, zie de routekaart in paragraaf 4.3. Het addendum is niet bedoeld om alle mogelijke risico’s voor schade voor inwoners en ondernemers vanaf 2030 af te wentelen, wel om voor inwoners en ondernemers in het vooruitzicht te stellen dat regelgeving aangaande waterbeheer en grondgebruik zou kunnen veranderen en inwoners en ondernemers daarmee rekening moeten gaan houden. Bij besluitvorming maakt de provincie in de komende jaren en ook na 2030 een afweging of er gevolgen zijn voor inwoners en ondernemers, en zo ja, hoe daarmee om te gaan. Dit addendum bevat een aankondiging omtrent het aanpassen van de begrenzing en beschermingsregime voor beekdalen, onderzoek naar de noodzaak tot het stellen van regels voor uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden, en een aankondiging voor beperking van nieuwe bebouwing in het rivierbed (zie paragraaf 3.3 Sturing in de ruimtelijke ontwikkeling).
Met vaststelling van het bovenstaande beleid borgen wij dat het ‘na’ het omslagpunt van 2030 redelijk is om de ondersteuning van de transitie af te bouwen, waaronder bijvoorbeeld ook de compensatie van afwaardering van gronden.
Het bovenstaande zien we als de koers om Water en Bodem sturend te laten zijn. Daarbij is het toekomstbeeld van het water- en bodemsysteem in 2050 leidend, maar is de weg daarnaar toe niet in detail geplaveid. Dat kan ook niet, want in de watertransitie is nog veel onzeker, is afstemming nodig met andere (transitie-)opgaven (energie, verstedelijking, economie en landbouw) en weten we nog niet precies hoe het systeem zich ontwikkelt en welke stappen we daarin te zetten hebben. Dat moeten we staps- en lerenderwijs ontdekken en concreet maken. Steeds met het einddoel van een klimaatbestendig water- en bodemsysteem in 2050 voor ogen.
Wat we wel weten is dat we de doelen alleen samen met onze partneroverheden kunnen realiseren. Het is belangrijk dat de rollen, taken, instrumenten en inspanningen van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten duidelijk zijn en op elkaar afgestemd.
De transitie-opgave is daarmee ook een samenwerkingsopgave van overheden die cruciaal is voor het succes van de transitie. Die samenwerking is er al, maar die wordt intensiever. Zo ontwikkelen we stap voor stap de route naar zoveel mogelijk herstel van het natuurlijke water- en bodemsysteem. Een systeem dat leidend is voor de keuzes in ruimtelijke inrichting en het grondgebruik. En een systeem dat duurzaam is voor toekomstige generaties.
Ten slotte realiseren we ons dat de provincie als organisatie zich moet (door-)ontwikkelen naar een organisatie die is toegerust op het faciliteren van de watertransitie door richting te geven, samen te werken, het nieuwe te ondersteunen en het oude af te breken (‘de transformatieve overheid’). Dat vraagt erom dat we ambtelijk en bestuurlijk het belang en de urgentie van de watertransitie delen, in samenhang met andere urgente Brabantse opgaven, ons daarop organiseren, daarvoor de juiste vaardigheden ontwikkelen en daarin lef tonen en het goede voorbeeld geven.
Werken aan een klimaatrobuust water- en bodemsysteem biedt volop kansen. In de Omgevingsvisie hebben we als doel gesteld dat Brabant in 2050 welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend is en een goede leefomgevingskwaliteit biedt voor alle Brabanders.
De ingrijpende transities en opgaven rond klimaat, energie, mobiliteit, brede welvaart, landbouw, leefomgeving, wonen en (circulaire) economie zetten het Brabant van nu onder druk. De gestelde doelen voor zowel 2030 als 2050 zijn ambitieus en we gaan hiervoor met elkaar aan de slag. Bijzonder aan deze transities is dat ze, naast een economische, sociale en maatschappelijke ook een grote ruimtelijke impact hebben.
Brabant staat in deze transities op een kantelpunt; een omwenteling van kwantiteit(sdenken) naar kwaliteit(sdenken).
Werken aan het water- en bodemsysteem betekent altijd dat er op een aanwijsbare plek in het landschap iets gaat veranderen: ofwel omdat het een ruimtelijke inrichtingsmaatregel betreft, ofwel omdat een ingreep effecten/impact op een gebied heeft. Als je dan toch gaat ‘sleutelen’, gebruik dan de veranderingen van inrichting en gebruik van de ruimte om meerdere doelen te verwezenlijken (zie ook Ruimtelijk Voorstel provincie Noord-Brabant Richting geven aan ‘De Kwaliteit van Brabant’, d.d. 19 december 2023).
Water en Bodem sturend kan daarbij een sleutelrol vervullen in het verwezenlijken van de opgaven waarvoor Brabant staat, door het komen tot een slimme en toekomstbestendige ruimtelijke inrichting. Multifunctioneel ruimtegebruik met een klimaatrobuust water- en bodemsysteem als basis speelt daarin een belangrijke en kansen creërende rol:
Meer ruimte voor groen en blauw in de leefomgeving vergroot de recreatiemogelijkheden, nodigt uit tot bewegen en heeft een positief effect op de gezondheid (verbonden aan de ambitie uit het Bestuursakkoord van drie gezonde levensjaren erbij voor iedere Brabander).
Een robuust water- en bodemsysteem, voldoende en schoon water en een gezonde bodem, is de basis voor een stabiele voedselproductie. Voor een groot deel van de landbouwgronden zal de waterhuishouding en de bodem vitaliteit verbeteren. Dit draagt bij aan de voedsel- en productiezekerheid voor de lange termijn. Op andere plekken, waar beperkingen voor huidig landbouwkundig gebruik ontstaan, liggen de kansen voor innovatie en transitie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan nieuwe teelten en teeltmethoden. Er ontstaat ruimte voor vernieuwers, voor ondernemers die kansen zien op basis van de nieuwe manier van omgaan met het water en bodemsysteem en een duurzamere toekomst.
Door nu in te grijpen, beperken we toekomstige kosten van weersextremen, drinkwater tekorten en biodiversiteitverlies. Hoe eerder we ingrijpen, hoe lager de totale kosten voor de maatschappij als geheel zullen zijn.
Meervoudig ruimtegebruik: te denken valt aan de energietransitie (combinatie vernatting, extensivering landbouw én zonnepanelen) en aan biobased (vezelrijke) teelten die een bijdrage leveren aan een circulaire economie en een toekomstbestendige agrarische sector in Brabant.
Tot slot: de beekdalen zijn de identiteit van Brabant, het kenmerk van de landschappelijke kwaliteit van Brabant. Combineer het werken aan het water- en bodemsysteem om de landschappelijke kwaliteit te vergroten.
Een transitie met perspectief
Het principe ‘Water en Bodem sturend’ richt zich op het herstel van het water- en bodemsysteem. Dat is nodig. Niet alleen om bij te dragen aan het doelbereik op het gebied van water, bodem en klimaat. Het herstel van het water- en bodemsysteem legt ook een stevige basis voor de benodigde transitie van het landelijk gebied. In plaats van het optimaliseren van het bestaande, wordt de transitie van het landelijk gebied benaderd vanuit een gedeeld toekomstbeeld dat gebaseerd is op de sturende principes van water en bodem. Zo wordt bijgedragen aan de versterking van de natuur en herstel van de biodiversiteit in en buiten het Natuurnetwerk Brabant. Ook een toekomstbestendige drinkwatervoorziening is afhankelijk van een gezond water- en bodemsysteem. En met ‘water en bodem sturend’ wordt richting gegeven aan de noodzakelijke transitie van de landbouw naar een meer duurzame en klimaatbestendige sector. Met meer extensieve duurzame landbouw, daar waar het water- en bodemsysteem daar om ‘vraagt’, en meer hoogproductieve duurzame landbouw, waar het water- en bodemsysteem dat mogelijk maakt. En met kansen voor functiecombinaties, zoals voedselproductie, energie-opwek, natuur- en landschapsbeheer, waterberging en recreatie.
De transitie van het landelijk gebied vraagt om een grote omslag in denken en doen, zowel in besturen als in de uitvoering. Een omslag waarin bereidheid en lef getoond worden om de praktijk van ‘nu’ en het steeds maar sleutelen aan een verbeterde versie van het ‘nu’ los te laten en te denken en handelen vanuit een toekomst waarin het water- en bodemsysteem leidend is. Met ‘Water en Bodem sturend’ is het water en bodemsysteem van de toekomst geduid; het is nu zaak om te vertrekken vanuit die toekomst, volgens de regels en principes die daar gelden. Zo komen we tot een toekomstbestendig en leefbaar landelijk gebied.]
Zoals eerder in dit hoofdstuk aangegeven zijn we op weg naar het toekomstbeeld 2050, waarbij er tussentijds afgebakende stappen te zetten zijn richting 2027 en 2030. Om het bovengenoemde beleid voor Water en Bodem sturend te implementeren, hanteren wij de volgende indicatieve routekaart voor de komende periode:
Voorliggend addendum-RWP 2024:
Streefbeeld en ontwikkelrichting water- en bodemsysteem 2050 (met onderliggende watersysteemeenheden);
Vastleggen generiek omslagpunt water en bodem sturend vanaf het jaar 2030;
Beleidsbasis voor aanpassen afbakening en beschermingsregimes diverse zones in Omgevingsverordening.
2025-2027:
Opstellen en uitvoeren communicatiestrategie over de omslag in denken naar water en bodem sturend samen met waterschappen, gemeenten en maatschappelijke organisaties;
Uitwerking begrip voorzienbaarheid met zichtjaar 2030;
Aanpassing afbakening en beschermingsregimes ‘Waterbergingsgebieden’ en ‘Reserveringsgebieden waterberging’, ‘Behoud en herstel watersystemen’, ‘Grondwaterbeschermingsgebieden’ en ‘Attentiezones waterhuishouding’ zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant;
Aanpassing beregeningsbeleid (onttrekkingen grondwater);
Voornemen verbreding grondwaterheffing;
Aanpassing waterschapsverordeningen van de Brabantse waterschappen;
Verankeren van Water en Bodem sturend in de lagenbenadering van de Omgevingsverordening;
Onderzoek naar noodzaak aanvullend instrument landbouwgronden, bijvoorbeeld afwegingskader of -ladder, bij ruimtelijke afwegingen;
Actualiseren handreiking water en bodem in gemeentelijke visies en programma’s en handreiking water en bodem in het Omgevingsplan;
Vaststellen Regionaal Water- en bodem Programma 2028-2033.
2028-2033:
Uitvoering van het Regionaal Water- en bodem Programma 2028-2033, rekening houden met het generiek omslagpunt Water en bodem sturend in 2030.
Uiteraard staat deze routekaart niet los van al eerder genoemde gerelateerde beleids- en uitvoeringsprocessen zoals de KRW Impuls Brabant en het Brabants Programma Landelijk gebied.
Dit addendum op het RWP betreft een inhoudelijke aanvulling van het water- en bodembeleid. De financiering van het provinciale water- en bodembeleid verloopt via de bestaande middelen van het RWP. Met dit addendum worden geen nieuwe middelen gevraagd.
Voor de volledigheid wordt in dit addendum de actuele raming RWP 2022-2027 naar aanleiding van genomen PS-besluiten tot en met de tweede Bestuursrapportage 2024 weergegeven, inclusief een toelichting van de veranderingen ten opzichte van de raming bij het vaststellen van het RWP in december 2022.

De raming van het RWP 2022-2027 is naar aanleiding van de vaststelling van de tweede Bestuursrapportage 2024 bijgesteld van € 273 miljoen naar € 335 miljoen o.a. in verband met:
SPUK Deltaplan Hoge Zandgronden (27,3 mln): betreft kassiersfunctie PNB voor Rijksmiddelen naar o.a. Waterschappen. Deze middelen leiden hierdoor niet tot het verhogen van de prestaties;
Verwerking Perspectiefnota 2025
De afgelopen periode zijn we geconfronteerd met een stijging van de uitvoeringskosten vergeleken met de gehanteerde kentallen voor de Maatwerkovereenkomsten (MOK’s) met de waterschappen en daarmee voor het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027. Samen met de waterschappen is de omvang van verwachte financiële tekorten in beeld gebracht en worden oplossingsrichtingen en externe financieringsbronnen verkend, zoals het Landelijk Programma Natuur (LPN) en het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB). Vanuit het voormalige Transitiefonds ten behoeve van de uitvoering van het Nationaal Programma Landelijk Gebied is in juni 2024 € 231,2 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van maatregelen in het landelijk gebied. Als onderdeel van deze € 231,2 miljoen is er voor de water- en bodemopgaven € 82,5 miljoen opgenomen.
Het huidige werkveld is uitdagend gezien de complexiteit van de uitvoeringsprojecten (mede in het licht van beschikbaarheid en inzetbaarheid van instrumentarium). Hierdoor staat er continu druk op de budgetten en de te leveren prestaties.
In 2025 wordt er een beleidsevaluatie op het RWP uitgevoerd, inclusief een financiële stand van zaken en een beeld van het verschil tussen de beschikbare middelen en benodigde middelen voor het behalen van de doelen, met zo nodig een voorstel tot financiële bijstellingen over de beleidsopgaven, binnen de beschikbare middelen. Onderdeel van de beleidsevaluatie is tevens het beoordelen van de huidige indicatoren (en zo nodig een voorstel tot actualisatie van indicatoren), welke zijn opgenomen in de provinciale Begroting.
De vaststelling van dit addendum RWP wordt ook benut voor een beperkte aanpassing van de plankaart zodat deze weer actueel is. Op Plankaart 1 Oppervlaktewater van het Regionaal Water- en bodemprogramma 2022-2027 worden de volgende wijzigingen doorgevoerd:
er is sprake van een Toegevoegde zwemwaterlocatie bij:
Er is een Verwijderde zwemwaterlocatie bij
op verzoek van Waterschap Aa en Maas wordt van de Venloop ten noorden van Uden het meest bovenstroomse deel verwijderd als functie waternatuur: Waterloop met functie waternatuur verwijderd;
op verzoek van Waterschap Brabantse Delta wijzigt van het KRW-oppervlaktewaterlichaam Mariakreek in Dinteloord het deel westelijk van de dijk: KRW en waternatuur wijzigt in KRW en basis.
/join/id/regdata/pv30/2024/24pdf61aaf9ba-ca1a-4e06-8fd9-8b47c8c5dda1/nld@2024‑10‑15;64
/join/id/regdata/pv30/2024/24giofe5fc812-aee0-4165-86e5-3f985f20b701/nld@2024‑10‑15;23
/join/id/regdata/pv30/2024/24gio618099fd-87f3-466c-bbf5-4631edbb8b1e/nld@2024‑10‑15;20
/join/id/regdata/pv30/2024/24gio2bc39841-7275-4bc1-acc0-1ef75ba30414/nld@2024‑10‑15;21
/join/id/regdata/pv30/2024/24gio1b8971a9-b961-4393-8ffa-4a4a20716edc/nld@2024‑10‑15;25
Deze bijlage beschrijft het toekomstbeeld voor het water- en bodemsysteem in provincie Noord-Brabant. Dit is de situatie die we nastreven gelet op de specifieke kenmerken van het water- en bodemsysteem. Volledige realisatie van het toekomstbeeld heeft als zichtjaar het jaar 2050. Terugredenerend vanuit 2050 zijn nu al keuzes nodig om het water- en bodemsysteem anders in te richten. Afhankelijk van bestaande situaties, afspraken en gebiedsspecifieke omstandigheden zullen hierin (bestuurlijke) afwegingen moeten worden gemaakt, zowel voor wat betreft inrichting van het systeem, voor wat betreft gebruik als voor de momenten in de tijd.
Het streefbeeld wordt beschreven per onderscheiden watersysteem-eenheid met voor elk gebied specifieke accenten. Een meer gedetailleerde beschrijving is te vinden in het rapport ‘Bouwsteen water en bodem’ (Royal HaskoningDHV, juni 2023).
In de hoger gelegen delen van het landschap (Ruggen) ligt de grondwaterstand over het algemeen diep onder het maaiveld en is vaak sprake van een dik pakket aan beter doorlatende grondlagen. Al het regenwater dat op de ruggen valt, gaan we in het gebied vasthouden om ter plekke te infiltreren. Hierdoor wordt het grondwatersysteem maximaal gevoed en ontstaat er tevens (vertraagde) voeding van de lagergelegen gronden. In reguliere situaties wordt elke druppel vastgehouden en infiltreert deze ter plekke. Alleen in pieksituaties stroomt water af naar de laaggelegen delen.
Binnen de categorie ruggen zijn de Peelruggen als een aparte categorie opgenomen. Dit betreft wel hoger gelegen delen, maar als gevolg van de aanwezigheid van breuken en een relatief ondiepe ondoorlatende laag zakt het grondwater hier minder diep weg. Als streefbeeld wordt hier net als bij de overige ruggen gestreefd naar het maximaal conserveren en infiltreren van water.
Op de hogere ruggen in Noord-Brabant bevinden zich deels oude bouwlanden met een dik cultuurdek, ook wel enkeerden genoemd, die zich hier historisch hebben ontwikkeld en deel uitmaken van de beste landbouwgronden. Ondanks dat ook deze bodems tegenwoordig te kampen kunnen hebben met een verminderd vocht leverend vermogen, kennen deze gronden over het algemeen minder beregeningsbehoefte en uitspoelingsrisico’s.
Op de overgang van de ruggen naar de beekdalen liggen de Flanken. De flanken vormen in alles een overgangsgebied, dat zich kenmerkt door landschappelijke en hydrologische gradiënten. Er komen drogere en nattere delen voor, er zijn delen met infiltratie maar ook delen met kwel. Op de flanken is sprake van een ondiep grondwatersysteem, dat ingebed ligt in het diepere grondwatersysteem tussen de ruggen en beekdalen. De grond- en oppervlaktewaterstanden op de flanken zijn hoog om de onttrekkende werking op de ruggen te beperken. Hoger op de flanken infiltreert hemelwater deels via de bodem en wordt het deels opgevangen en vastgehouden in greppels, sloten en laagten. Vanuit hier kan het hemelwater vervolgens verder infiltreren. Hoger op de flanken is tevens sprake van opkwellend grondwater vanuit de ruggen, dat via het vasthouden in greppels, sloten en laagten lager op de flank ook weer kan infiltreren. Lager op de flanken treedt ondiepe kwel uit van de ruggen en van de gebieden hoger op de flanken. Ook hier is vasthouden en infiltreren het streefbeeld. Bij piekbuien wordt overtollig hemelwater afgevoerd.
De Beekdalen vormen de laagste natuurlijke gebieden in het Brabantse waterlandschap. Het water dat op de ruggen is geïnfiltreerd, kwelt hier op. Door vertraagde voeding vanuit het grondwatersysteem op de hoger gelegen delen is er sprake van een jaarronde voeding met relatief stabiele, hoge grondwaterstanden en toestroom van water naar de beek zelf. Alleen bovenstrooms in het systeem (waar dit vanuit de natuurlijke werking van het systeem logisch is) kan sprake zijn van droogval van de beek. Het streefbeeld is om zoveel mogelijk water in het grondwatersysteem vast te houden. Dit betekent dat in de beken en beekdalen water op een zo hoog mogelijk peil wordt gehouden. Oppervlaktewaterpeilen en grondwaterstanden staan in de beekdalen daarom (relatief) dicht aan maaiveld. In de beken is verder sprake van een dynamiek van water aan- en afvoer die de natuurlijke werking van het systeem ondersteunt en vergroot. De beekdalen leveren ook een belangrijke bijdrage aan groenblauwe dooradering en het opvangen van piekafvoeren. De beekdalen vormen het verzamelpunt van het oppervlaktewater dat van de flanken afstroomt. In de beekdalen is de ruimte om pieken op te vangen en vast te houden door overstroming van de beekdalbodem onderdeel van de natuurlijke werking van het systeem.
Langs de noordrand van Noord-Brabant liggen de Polders, ingeklemd tussen de hoge ruggen en de rivieren Maas en Waal (Altena). De polders bestaan uit een vrij vlak landschap met overwegend laaggelegen zeeklei- en rivierklei gronden en relatief hoge grondwaterstanden. Er is sprake van een fijnmazig stelsel van watergangen en een sterk gestuurd waterpeil. Het systeem wordt gevoed door kwel afkomstig van de hoge gronden, kwel afkomstig van de rivier en afvoer van de beken. Door de klimaatverandering kan er veel minder dan in de huidige situatie worden vertrouwd op inlaat van Maaswater. In de polders in West-Brabant wordt daarom bij zeer lage rivierafvoeren hoofdzakelijk Waalwater ingelaten. De polders blijven voor hun zoetwatervoorziening de komende decennia vooral afhankelijk van inlaat uit het hoofd-watersysteem, met een toenemende kans op perioden van inlaatbeperkingen. Hier past een robuuste inrichting van het watersysteem bij waarin water kan worden gebufferd om zo weerbaarder te zijn tegen droge perioden met inlaatbeperkingen vanuit de rivieren. In het streefbeeld is het systeem daarom meer ingericht op het vasthouden en benutten van de toestromende kwel en oppervlaktewater en het bergen van piekbuien.
Langs de west- en noordranden van Noord-Brabant ligt het Rivierbed. Het bevat het hele buitendijkse gebied, inclusief de uiterwaarden in het hoofdwatersysteem van de grote rivieren Maas en Waal-Merwede en de deltawateren (Hollands Diep-Haringvliet, Volkerak-Zoommeer-Binnenschelde-Markiezaatsmeer).Het regionaal watersysteem mondt hierin uit. Ook langs een aantal regionale rivieren, zoals de Mark en de Vliet, bevindt zich buitendijks gebied, hier beschermen regionale keringen de omgeving tegen overstromingen. .Rivieren krijgen in extreme situaties hogere piekafvoeren én extreem lage waterstanden te verwerken. Dit vraagt om meer ruimte(reservering) voor water en dat heeft consequenties voor de ruimtelijke inrichting en het landgebruik. In lijn met de landelijke beleidslijn Grote Rivieren (BGR) blijft het rivierbed beschikbaar voor de doorstroming en het opvangen van water. Functies die binnendijks kunnen, dienen ook binnendijks ontwikkeld worden, bijvoorbeeld de functie wonen. De rivieren en de Delta zijn belangrijk voor de zoetwaterbeschikbaarheid. Nationale en internationale afspraken hierover zijn van belang, maar ook bij inrichting en ontwikkeling is dit een belangrijk aspect. Het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem hangen met elkaar samen. Bij maatregelen in het hoofdwatersysteem wordt rekening gehouden met de effecten op het regionale systeem en vice versa.
In het hele water- en bodemsysteem streven we naar schoon grond- en oppervlaktewater. Dit betekent dat het water niet wordt belast door nutriënten, bestrijdingsmiddelen, medicijnen, verzilting en andere verontreinigende stoffen. Schoon water moet schoon blijven. Hoewel dit voor alle watersysteemeenheden geldt, is dit het belangrijkste op de ruggen: het infiltrerend regenwater op de ruggen vormt immers de basis van het robuuste watersysteem. In laagtes op de ruggen gaan we meer infiltreren en vasthouden. Op de ruggen (dekzandruggen en plateau’s) komen daarnaast vooral schrale gronden voor, waaruit stoffen snel uitspoelen. Het water dat daar infiltreert moet schoon zijn. Door het grondgebruik in de afgelopen decennia zijn de bodem en het grondwater belast met nutriënten en andere stoffen. De bodem op de flanken, in de beekdalen en polders houden nutriënten en vele andere stoffen gemakkelijk vast, met uitzondering van de leem- of hellinggronden. Door de hoge belasting in het verleden is deze capaciteit echter grotendeels al benut en spoelen deze stoffen ook weer uit deze bodems uit. Hierdoor zal nog tientallen jaren met nutriënten en andere stoffen belast grondwater opkwellen in de flanken, beekdalen en polders. ln alle deze watersysteemeenheden worden daarom maatregelen getroffen om belasting van het systeem te voorkomen dan wel te verminderen.
Het ontwikkelperspectief voor de watersysteemeenheden is samengevat als volgt:


1 Dit is een aanvulling op de ontwikkelrichting voor de watersysteemeenheden en betreft rivierbed in zowel hoofd- als regionaal watersysteem.
In onderstaande tabel zijn de door het Rijk, in de brief aan de Tweede Kamer van 25 november 2022, genoemde structurerende keuzes water en bodem sturend op een rij gezet, en is per structurerende keuze aangegeven of deze relevant is voor Noord-Brabant, en zo ja, hoe deze is/wordt verwerkt.
Daarnaast bevat de brief ook zeven uitgangspunten:
Niet afwentelen
Meer rekening houden met extremen
In samenhang omgaan met wateroverlast, droogte en de bodem
Meerlaagsveiligheid
Minder afdekken, minder vergraven, niet verontreinigen
Integrale aanpak in de leefomgeving
Comply or explain
Tabel Checklist Structurende keuzes Water en Bodem sturend:







Vanwege de in hoofdstuk 1 en 2 genoemde ontwikkelingen, voert de provincie naast de essentiële aanvullingen genoemd in hoofdstuk 3 ook een aantal aanvullingen op de in het RWP 2022-2027 vastgestelde aanpak door. In deze bijlage is een uitgebreide omschrijving opgenomen van de aanvullingen van de bestaande aanpak van het RWP 2022-2027.
De bijlage is gerangschikt naar de 5 beleidsopgaven uit het RWP 2022-2027.
De doorwerking van beleid naar gemeenten en waterschappen vindt plaats in de Omgevingsverordening. Op dit moment zijn hiervoor verschillende zoneringen in de Omgevingsverordening opgenomen: Attentiezones Waterhuishouding, Waterbergingsgebieden en Reserveringsgebieden waterberging, Behoud en herstel watersystemen, Grondwaterbeschermingsgebieden en Groenblauwe waarden.
Vanuit Water en Bodem sturend, maar ook vanuit de adviezen van de Brabantse Adviescommissie Droogte, de daaropvolgende Droogteagenda en de landelijke Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater, is duidelijk dat ‘meer’ nodig is om te komen tot herstel van het water- en bodemsysteem en water en bodem sturend te laten zijn voor ruimtelijke inrichting en landgebruik. Dit mede in het licht van de toenemende risico’s en effecten ten gevolge van klimaatverandering. Een actieve aanpak om te komen tot herstel van het water- en bodemsysteem maakt onderdeel uit van onder meer bestuurlijke afspraken in de Droogte-agenda. Daarnaast komen we tot een aanpassing van de bestaande zones in de Omgevingsverordening, zowel van de begrenzing van de bestaande zones als van het gehanteerde beschermingsregime.
N.B:
De provincie kiest in het Bestuursakkoord, het Ruimtelijk Voorstel en het (voorontwerp van het) Brabants Programma Landelijk Gebied voor overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden, Natte Natuurparels en beekdalen. Dit vanuit het besef dat naast maatregelen in Natura 2000-gebieden, Natte Natuurparels, beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden om te komen tot herstel van het water- en bodemsysteem én natuurherstel, het noodzakelijk is om ook buiten deze gebieden maatregelen te treffen en te komen tot een heldere afbakening van de milieu-, water- en natuurgebruiksruimte. Hiervoor wordt vanuit het water- en bodembeleid geen nieuwe zonering voorgesteld, maar wordt gebruikgemaakt van de bestaande zones. De in dit addendum opgenomen aanpassing van de bestaande zones in de Omgevingsverordening (begrenzing en/of beschermingsregime) sluit daarop aan en draagt daaraan bij.
Bescherming van de waarden voor natuur, water en bodem die volgen uit (wettelijke) kaders (Omgevingswet, de Kaderrichtlijn Water, Vogel- en Habitatrichtlijn, Grondwaterlichtlijn, Nitraatrichtlijn) en aansluiten bij het principe water en bodem sturend, het Grondwaterconvenant, de adviezen van de Brabantse Adviescommissie Droogte, de daaropvolgende Droogteagenda en de landelijke Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater.
In de resterende RWP-periode doorloopt de provincie een proces om tot aanpassing te komen van de begrenzing en/of het beschermingsregime van de bestaande zoneringen in de Omgevingsverordening.
De aanpassing van de begrenzing en/of het beschermingsregime van de zones kan ook grondslag zijn voor flankerend beleid gericht op de transitie naar Water en Bodem sturend.
In het RWP staat al de actie om te kijken naar de beschermingsregimes van de zones Groenblauwe waarden en Behoud en herstel watersystemen. Wat we in dit addendum RWP toevoegen:
Attentiezones Waterhuishouding
Huidig doel: Herstel waterhuishouding Natte Natuurparels (NNP)
Huidige begrenzing: Kaart Omgevingsverordening, met bandbreedtes van enkele honderden meters rond NNP
Aanpassing begrenzing: -
Bestaande beschermings-regimes:
- Beperkingen graven,
- Geen nieuwe drainage
- Geen toename verhard oppervlak
- Onttrekkingen: stand-still op nieuwe putten
Aanpassing beschermings-regime:
- Beperken graven aanvullen met beperken egaliseren- Provincie onderzoekt in overleg met de waterschappen op welke manier tot een transparante en toetsbare afweging over drainage systemen in de Attentiezone Waterhuishouding gekomen kan worden, ofwel via de provinciale Omgevingsverordening, ofwel via de waterschapsverordening. Beleidsuitgangspunt is dat er bij zowel nieuwe drainagesystemen als bij het vervangen van bestaande drainagesystemen geen drainerende werking is op de omgeving
- Beperken bestaande onttrekkingen vanuit grondwater (voor beregening) conform Afsprakenkader beregeningsbeleid 1.0 (8 feb 2023) op basis van samen met grondwaterpartners bepaalde ondergrens grondwaterstanden
- Onderzoeksvraag: is het zinnig of nodig om beperkingen in het toedienen van mest en beperkingen in gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in deze zone op te leggen. Eerst afwachten rijksbeleid.
Waterbergingsgebieden en Reserveringsgebieden waterberging
Huidig doel: Behoud waterbergend vermogen
Huidige begrenzing: Kaart Omgevingsverordening; (gestuurde) waterbergingen en Reserveringsgebieden waterberging
Aanpassing begrenzing:
- Benoemen nieuwe Reserveringsgebieden voor waterberging: het gehele morfologische beekdal (zie kaart watersysteemeenheden) én de lokale natuurlijke laagtes
- Blijvende aparte ‘categorie’ voor gestuurde waterberging
- Hoogwaterveiligheid-hoofdwatersysteem: reserveren zones voor toekomstige dijkversterking
Bestaande beschermings-regime:
- Behoud van het waterbergend vermogen van het gebied is uitgangspunt bij ontwikkelingen
- In Keur waterschappen en Omgevingsverordening: geen toename verhard oppervlak
- In Keur waterschappen en Omgevingsverordening: regels voor bouwwerken en ophogen van stukken grond
- Gebruikers moeten rekening houden met risico op overstroming Reserveringsgebieden waterberging: ontwikkelingen ja mits alternatieven ontbreken en geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft
Aanpassing beschermings-regime:
- In dit gebied geldt geen norm voor wateroverlast
- Provincie onderzoekt in overleg met de waterschappen op welke manier tot een transparante en toetsbare afweging over drainage systemen gekomen kan worden, ofwel via de provinciale Omgevingsverordening, ofwel via de waterschapsverordening. Beleidsuitgangspunt is dat er bij zowel nieuwe drainagesystemen als bij het vervangen van bestaande drainagesystemen geen drainerende werking is op de omgeving
- Rivierbed: toevoegen aan huidige regels geen nieuwe niet-watergebonden functies en bebouwing in het rivierbed. Onderzoeksvraag: verwijdering ontwateringsbasis voor lokale natuurlijke laagtes en normvrij maken
- Onderzoeksvraag: is het zinnig of nodig om beperkingen in het toedienen van mest en beperkingen in gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in deze zone op te leggen
Eerst afwachten rijksbeleid.
Behoud en herstel watersystemen
Huidig doel: Beschermingszone t.b.v. behoud, verbetering en herstel van het watersysteem. Binnen de gebieden zijn of worden maatregelen uitgevoerd op het gebied van morfologie, zoals het laten hermeanderen van beken, het aanleggen van plas-draszones en het herstel van kwel
Huidige begrenzing: Beschermingszones van minimaal 25 meter aan weerszijden van KRW-waterlopen en overig water met functie natuur en water en verweven
Aanpassing begrenzing2: Begrenzing actualiseren op basis van de KRW-oppervlaktewaterlichamen en de functie
Bestaande beschermings-regime: Geen toename verhard oppervlak en bebouwing
Aanpassing beschermings-regime:
- Provincie onderzoekt in overleg met de waterschappen op welke manier tot een transparante en toetsbare afweging over drainage systemen gekomen kan worden, ofwel via de provinciale Omgevingsverordening, ofwel via de waterschapsverordening. Beleidsuitgangspunt is dat er bij zowel nieuwe drainagesystemen als bij het vervangen van bestaande drainagesystemen geen drainerende werking is op de omgeving
- Geen versnelde afvoer
- Onderzoeksvraag: is het zinnig of nodig om beperkingen in het toedienen van mest en beperkingen in gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in deze zone op te leggen
Eerst afwachten rijksbeleid.
Grondwaterbeschermingsgebieden
Huidig doel: Duurzame waterwinning voor menselijke consumptie
Huidige begrenzing:
- Kaart Omgevingsverordening
- Onderscheid grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied en boringsvrije zone
Bestaande beschermings-regime:
- Beperken graven
- Geen drainage
- Geen toename verhard oppervlak
- Geen stedelijke ontwikkeling
- Rechtstreeks werkende regels met betrekking tot parkeren, lozen afstromend hemelwater, evenementen, uitloogbare materialen
- Geen nieuwe onttrekkingen
- Landgebruik: boringsvrije zone
Aanpassing beschermings-regime:
Beperking toedienen mest / kunstmest en beperking gebruik gewasbeschermingsmiddelen (voor prioritaire of meest bedreigde grondwaterbeschermingsgebieden).
2 Zie ook de ideeën hiervoor in het Ruimtelijk Voorstel en het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (beschermingszone van 100 tot 250 meter in de beekdalen).
Voor een verdieping op onderdelen wordt verwezen naar:
Attentiezones Waterhuishouding: zie B.3 Voldoende grondwater voor natuur: verdrogingsbestrijding
Waterbergingsgebieden en Reserveringsgebieden: zie B.5 Borgen voldoende mogelijkheden voor waterberging
Grondwaterbeschermingsgebieden: gewasbeschermingsmiddelen en mestgift: zie C.1 Grondwaterbeschermingsgebieden: tegengaan uitspoeling gewasbeschermingsmiddelen en C.2 Toedienen van dierlijke mest en kunstmest in grondwaterbeschermingsgebieden.
Aanvulling van de aanpak betreft:
Kwantificering van de grondwateropgave om de natuurlijke werking van het water- en bodemsysteem te herstellen;
Minder onttrekken: de vermindering van de onttrekkingen (100 miljoen m3/jaar) is uitgewerkt naar de verschillende sectoren;
Bescherming strategische grondwatermeetpunten: Door ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder de woningbouwopgave, zien we dat het bestaan van deze meetlocaties in gevaar komt. Daarom gaat de provincie een aantal essentiële grondwatermeetpunten via de Omgevingsverordening beschermen;
Vaststellen locaties en onderbouwing drinkwaterreserveringsgebieden: Provincie reserveert drie gebieden binnen de bestaande grondwaterbeschermingsgebieden als drinkwaterreserveringsgebied. Hiermee bestaat de mogelijkheid om in de toekomst binnen dat gebied een grondwateronttrekking te plaatsen voor de productie van drinkwater;
Voldoende grondwater voor natuur – verdrogingsbestrijding: we passen het beschermingsregime voor de Attentiezone Waterhuishouding aan;
Verplichtende inzet BedrijfsBodemWaterPlan: provincie verzoekt de Waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel de afspraak in het Grondwaterconvenant over de verplichtende inzet van het instrument ‘BedrijfsBodemWaterPlan’ te borgen in de waterschapsverordening, omdat het beregeningsbeleid deze bestuursperiode (2026) opnieuw wordt vastgesteld door de waterschapsbesturen. De provincie ondersteunt bij de ontwikkeling en de begeleiding bij de toepassing van het instrument;
Borgen voldoende mogelijkheden voor waterberging: om in te kunnen spelen op toenemende weersextremen en verhoging van de grondwaterstanden willen we voldoende ruimte borgen voor waterberging. Provincie past hiertoe de Omgevingsverordening aan.
De Adviescommissie Droogte roept op in Zonder water, geen later (september 2022, hierna Droogteadvies) om nú aan de slag te gaan om het (grond)watersysteem weerbaar te maken voor langere periodes van droogte en te komen tot een omslag in het (grond)waterbeheer in Noord-Brabant. In het Droogteadvies worden de richting van, en afspraken uit, het eerdere Grondwaterconvenant (december 2021) bevestigd en de grote urgentie van de aanpak van verdroging nogmaals benadrukt. Met een tijdshorizon van 2040 biedt het een langetermijnperspectief voor het tegengaan van verdroging.
In de daarna verschenen Droogteagenda (februari 2023) wordt de verhouding tussen het Grondwaterconvenant en het Droogteadvies beschreven en wordt aangegeven wat er éxtra wordt gevraagd aan de partners. De Droogteagenda legt focus op zes speerpunten en twee aanvullende ontwikkeltrajecten. Elk speerpunt is toebedeeld aan één van de partners, die samen met de andere BBG-partners (Breed Bestuurlijk Grondwateroverleg) verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de acties.
De provincie heeft de rol van strategisch grondwaterbeheerder en heeft de regie op het proces. Die rol vult de provincie in als voorzitter en secretaris van het Breed Bestuurlijk Grondwateroverleg. De uitvoering van de afspraken is verdeeld over de verschillende partijen: Waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel, terreinbeheerders, ZLTO, drinkwaterbedrijven, gemeenten en industrie zijn net als de provincie allemaal verantwoordelijk voor een deel van de uitvoering. De provincie neemt het trekkerschap van de ontwikkeltrajecten ter hand. Daarnaast worden de projecten uit het Grondwaterconvenant met tijdhorizon 2027, uitgevoerd.
Een duurzaam beheer van onze watervoorraden en een nieuw evenwicht tussen grondwateraanvulling, afvoer en onttrekking. Voor 2040 beogen we:
100 miljoen m3 minder grondwater te onttrekken;
De grondwatervoorraden te vergroten door vasthouden/infiltreren en vertraagd afvoeren van (regen)water; 100-150 miljoen m3 aan te vullen.
Vanuit het Grondwaterconvenant (2027): verhogen we het (grond)waterpeil orde grootte met 35 cm of meer op de hoge gronden, 20 cm op de flanken en 10 cm op de lage gronden op basis van de voorjaarsgrondwaterstand.
Minder onttrekken: De vermindering van de onttrekkingen (100 miljoen m3/jaar) is in de Droogteagenda uitgewerkt naar de verschillende sectoren:
Drinkwater: 60 miljoen m3. Hiervoor wordt door Brabant Water ingezet op realisatie van twee brakwaterwinningen vóór 2030 en een zeewaterwinning na 2030, als alternatief voor de winning van zoet grondwater (Bestuursovereenkomst tussen provincie en Brabant Water, maart 2023). Daarbij geldt de veiligstelling van de drinkwatervoorziening in deze periode als randvoorwaarde. Ook de inzet op waterbesparing draagt bij aan deze doelstelling;
Landbouw: 20-40 miljoen m3/jaar. De waterschappen werken dit uit door herziening van het beregeningsbeleid.Het Afsprakenkader beregeningsbeleid (februari 2023) wordt in de praktijk getest in drie pilots. Op basis van de pilots wordt nieuw beregeningsbeleid ontwikkeld en vastgesteld in 2026 door Waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel.
In het Grondwaterconvenant is opgenomen dat het BedrijfsBodemWaterPlan (BBWP) een voorwaarde is om te kunnen beregenen uit grondwater. Uiterlijk in 2027 wordt alleen nog beregend wanneer daar voldoende maatregelen tegenover staan vanuit het BBWP.
Industrie: 10 miljoen m3/jaar.
Aanvullen Strategische Voorraden: Zie paragraaf B.2 Vaststellen locaties en onderbouwing Drinkwaterreserveringsgebieden.
Grondwaterstandsverhoging: Hier werken we aan in de Gebiedsgerichte Aanpak Groen Blauw en in de afspraken met de waterschappen (MOK’s) over herstel van hydrologische omstandigheden van natte natuur en de uitvoering van Deltaplan Hoge Zandgronden. Bij het verhogen van (grond)waterpeilen moet ook aandacht zijn voor waterkwaliteit. Daar waar het verhogen van peilen met gelijkblijvend landgebruik zou zorgen voor meer uitspoeling van mest of bestrijdingsmiddelen, moeten met aanvullende regels of gebruiksbepalingen de verslechtering van de waterkwaliteit worden voorkomen. Dat volgt uit het principe Water en Bodem sturend: het systeem moet op orde zijn en functies en kwaliteitseisen volgen daarop.
Bescherming strategische grondwatermeetpunten: Door ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder de woningbouwopgave, zien we dat het bestaan van deze meetlocaties in gevaar komt. Daarom gaat de provincie een aantal essentiële grondwatermeetpunten beschermen middels de Omgevingsverordening, waarbij er instructieregels worden opgenomen voor gemeenten ter bescherming van de grondwatermeetpunten. De afweging is tot stand gekomen door een combinatie van diepte, meethistorie en KRW-verplichting.
Ontgrondingen: We volgen de uitgangspunten uit het in 2021 vastgestelde ontgrondingenbeleid:
Bij grootschalige ontgrondingen staan omgevingskwaliteit en waardentoevoeging (natuur, waterberging, recreatie e.a.) centraal;
Bij de beoordeling van ontgrondingen spelen de aspecten nut/noodzaak van de ontgronding en duurzame toepassing van de gewonnen oppervlaktedelfstoffen een rol. Daarmee draagt het beleid bij aan de circulariteitsdoelstelling.
En voorzien kansen voor zandwinning bij:
De beschikbare hoeveelheid drinkwater staat meer en meer onder druk en de vraag naar drinkwater neemt toe. In het RWP is aangegeven dat Aanvullende Strategische Voorraden (ASV’s) worden aangewezen, verder aangeduid als Drinkwaterreserveringsgebieden; dit in het kader van de provinciale Strategie Robuuste Drinkwatervoorziening 2040. Indien een gebied benoemd is als drinkwaterreserveringsgebied, voorzien we de mogelijkheid om in de toekomst binnen dat gebied (meer) grondwater te onttrekken voor de productie van drinkwater.
Drie gebieden binnen de bestaande grondwaterbeschermingsgebieden blijken uit onderzoek het meest geschikt om mogelijk meer grondwater te onttrekken: Waalwijk, Oosterhout en Oss (Lith). Ook zijn er twee nieuwe gebieden geselecteerd, namelijk in de gemeente Drimmelen en in de gemeente Heusden (nabij Wagenberg en Haarsteeg). Deze gebieden zijn geselecteerd op basis van: een minimale impact op het (grond-) watersysteem en natuurgebieden, geschiktheid van de ondergrond ten aanzien van winbaarheid, kwetsbaarheid en kwaliteit, en ruimtelijke spreiding en ligging in het stedelijk en landelijk gebied.
We creëren met deze Drinkwaterreserveringsgebieden een terugvaloptie als bestaande drinkwaterwinningen vervangen moeten worden omdat die om kwaliteitsredenen niet meer inzetbaar zijn. Door de gebieden nú ruimtelijk en milieu-hygiënisch te beschermen blijven ze ook in de toekomst geschikt.
De provincie zorgt met Drinkwaterreserveringsgebieden voor zekerheid wat betreft drinkwaterwinning. In Drinkwaterreservegebieden kan in de toekomst, na het doorlopen van een vergunningenprocedure (in het geval van de drie bestaande Drinkwaterreserveringsgebieden) meer drinkwater gewonnen worden en na het doorlopen van een omgevingsproces, mogelijk een MER procedure en een heel vergunningentraject (in het geval van de nieuwe gebieden) een drinkwaterwinning geplaatst worden wanneer dat nodig is voor de drinkwaterproductie.
De beoogde Drinkwaterreserveringsgebieden worden na een consultatieronde en communicatietraject bij een volgende wijziging van de Omgevingsverordening aangewezen en begrensd (2025). Voor de nieuwe gebieden geldt het beschermingsregime van boringsvrije zone.
Uitvoering van verdrogingsbestrijding wordt zoals in de Maatwerkovereenkomsten(MOK’s) is afgesproken, opgepakt door de waterschappen, in overleg met gebiedspartners. Uitvoeren van maatregelen en halen van doelen gaat niet altijd zo snel als gehoopt door complexiteit van de opgave. Via GGA en vervolg op het BPLG wordt daaraan gewerkt.
Wat ook beperkingen oplevert bij de uitvoering, is dat het beleid voor zones rondom natuurgebieden niet goed aansluit bij inzet op systeemherstel en Water en Bodem sturend.
De reeds gemaakte afspraken met partners, over de uitvoering van verdrogingsbestrijding, hoeven niet gewijzigd te worden. Voor de maatregelen vanuit systeemherstel en Water en Bodem sturend worden in het kader van het Grondwaterconvenant afspraken gemaakt (zie paragraaf 3.1.1). Aanvullend daarop willen we dat het beschermingsregime in zones rondom Natte Natuurparels betere randvoorwaarden levert voor verdrogingsbestrijding. De omvang van de zones hoeft niet te veranderen, maar het beschermingsregime wel.
Het beschermingsregime in de Attentiezone Waterhuishouding sluit aan bij en levert de randvoorwaarden voor het halen van de doelen van verdrogingsbestrijding en de inzet op Water en Bodem sturend.
We passen het beschermingsregime voor de Attentiezone Waterhuishouding aan (zie ook paragraaf 2.2 Beleidsontwikkeling Water en Bodem sturend). Het gaat om de volgende onderdelen:
Op dit moment geldt er alleen een beperking op graven en afgraven. Dit vullen we aan met een beperking op het egaliseren van de bodem. We willen namelijk reliëf, zoals lokale laagtes behouden, om deze te gebruiken voor het opvangen en infiltreren van (regen)water.
Om Water en Bodem sturend te laten zijn én om de juiste hydrologische omstandigheden voor natte natuur te creëren, moet het watersysteem in Brabant minder gericht zijn op afvoer en meer op water vasthouden. Zeker in lage, natte gedeelten past drainage daar niet bij. Uitgangspunt van de provincie is dat in de Attentiezone Waterhuishouding drainagesystemen geen drainerende werking mogen hebben op de omgeving. Dit geldt voor het vervangen van bestaande drainagesystemen en voor het plaatsen van nieuwe drainagesystemen. Het betreft alle vormen van drainagesystemen, inclusief systemen op basis van peilgestuurde drainage, peilgestuurde drainage met sub-irrigatie, regelbare drainage, samengestelde peilgestuurde drainage, etc. In tegenstelling tot conventionele drainage monden de buizen uit onder water in een sloot waarvan het oppervlaktewaterpeil te regelen is met een stuw, of monden deze buizen uit in een verzameldrain die met het peil in een regelput gestuurd kan worden. Ook deze vorm van drainage werkt vaak verdrogend in vergelijking met niet-gedraineerde percelen, als er geen wateraanvoer mogelijk is. Beleidsuitgangspunt is dat er bij zowel nieuwe drainagesystemen als bij het vervangen van bestaande drainagesystemen geen drainerende werking is op de omgeving. Een uitzondering hierop zijn de polders, omdat daar wel gedurende het hele jaar wateraanvoer mogelijk is. Provincie onderzoekt in overleg met de waterschappen op welke manier tot een transparante en toetsbare wijze van afweging over drainage systemen in de Attentiezones gekomen kan worden, ofwel via de provinciale Omgevingsverordening, ofwel via de Waterschapsverordening.
Conform het Afsprakenkader beregeningsbeleid 1.0 (8 feb 2023) zijn niet alleen nieuwe onttrekkingen verboden, maar willen we ook bestaande onttrekkingen vanuit grondwater beperken. Dit zal gebeuren op basis van een samen met grondwaterpartners bepaalde ondergrens grondwaterstanden. (Zie daarvoor verder paragraaf 3.1.1.).
Vanuit Water en Bodem sturend moet in het gehele watersysteem aandacht zijn voor waterkwaliteit, dat is niet gekoppeld aan een bepaalde zone. Vanuit natuurdoelen of gezondheid kunnen er echter in bepaalde gebieden extra maatregelen nodig zijn om een goede waterkwaliteit te houden of te krijgen. Vanuit het rijksbeleid zijn er zaken in ontwikkeling. Zodra dat duidelijk is, gaan we onderzoeken of het zinnig of nodig is om in de attentiezone waterhuishouding aanvullende beperkingen in het toedienen van mest en beperkingen in gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op te leggen.
Het BedrijfsBodemWaterPlan draagt bij aan goed waterbeheer op het perceel en het agrarisch bedrijf. Goed beheer van water en bodem is essentieel voor de kwaliteit en kwantiteit van zowel oppervlaktewater, grondwater als het bodemleven. In het Grondwaterconvenant is afgesproken dat vanaf 2027 elke agrarisch ondernemer met een grondwateronttrekking voor beregening verplicht een goedgekeurd BBWP heeft waarin de ondernemer aangeeft hoe het bijdraagt aan vasthouden van water en bereiken van de goede waterkwaliteit. Deze afspraak wordt geborgd in de waterschapsverordening van waterschap Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel, waar het beregeningsbeleid deze bestuursperiode (2026) opnieuw wordt vastgesteld door de waterschapsbesturen. De provincie ondersteunt bij de ontwikkeling en de begeleiding bij de toepassing van het instrument.
Voor het bergen van water zijn in de Omgevingsverordening twee beschermingsregimes opgenomen: waterbergingsgebieden en reserveringsgebieden. In waterbergingsgebieden gelden meer beperkingen dan in reserveringsgebieden, omdat waterbergingsgebieden concreet nodig zijn om overlast tegen te gaan.
In Brabant is de ruimte voor waterberging beperkt en komt steeds meer onder druk te staan. Dat komt onder meer door de gevolgen van klimaatverandering, het verhogen van grondwaterstanden waardoor er minder ruimte is om water te bergen en door de toenemende druk op het gebruik van de ruimte. Zo is het grondgebruik in beekdalen niet altijd afgestemd op het bodem- en watersysteem.
Om in te kunnen spelen op toenemende weersextremen en verhoging van de grondwaterstanden willen we voldoende ruimte borgen voor waterberging. Dit uiteraard in combinatie met het beter vasthouden van water bovenstrooms, onder andere door het vergroten van de sponswerking van de bodem.
Borgen van voldoende mogelijkheden voor waterberging. We nemen het uitgangspunt uit de kamerbrief Water en Bodem Sturend (‘reserveren van 5% tot 10% van diepe polders voor waterberging, bij voorkeur de diepste delen’) als uitgangspunt, maar kijken daarbij naast de polders ook nadrukkelijk naar mogelijkheden in de beekdalen en ‘lokale laagtes’ (op de hoge zandgronden).
Voor het creëren van meer ruimte en/of mogelijkheden voor waterberging zetten we in op:
Het gehele morfologische beekdal (m.u.v. de gebieden die nu al zijn aangewezen als waterbergingsgebied) begrenzen als reserveringsgebied waterberging. In dit gebied geldt geen norm voor wateroverlast
Het loslaten van de norm voor wateroverlast voor ‘lokale laagtes’
Onderzoek naar extra ruimte voor waterberging in de polders
Ruimtereservering buitendijks voor waterberging (en dijkversterking).
In 2025:
Passen we de Omgevingsverordening op dit punt aan. Belangrijke aandachtspunten daarbij zijn:
Een duidelijke termijn voor de inwerkingtreding van de aanpassing van het beschermingsregime voor het gehele beekdal (m.u.v. de nu al begrensde waterbergingsgebieden), zodat bewoners en gebruikers zich hierop kunnen voorbereiden. Gedacht wordt aan een inwerkingtreding per 2030
Een zorgvuldige begrenzing van de beekdalen en de lokale natuurlijke laagtes, gekoppeld aan een zorgvuldig proces.
Daarbij zetten we ook in op het mogelijk maken van grondruil ten gevolge van het aangescherpte beschermingsregime in deze gebieden.
In 2025:
Voor bijna geheel Brabant gelden normen voor wateroverlast. Dit betekent dat de waterschappen zich hier moeten inspannen om normoverschrijding te voorkom
Momenteel kennen de beekdalen (met uitzondering van de beekdalen in het gebied van waterschap Aa en Maas), de natuurgebieden (NNB en N2000) en de waterbergings- en reserveringsgebieden geen norm voor wateroverlast (‘normvrij’). Hieraan voegen we de ‘lokale laagtes’ toe. Op de kaart van de watertransitie zijn de lokale laagtes aangegeven.
In 2025:
Passen we de Omgevingsverordening op dit punt aan. Belangrijke aandachtspunten daarbij zijn:
Een duidelijke termijn voor de inwerkingtreding van de normvrije status van de lokale laagtes, zodat eigenaren en gebruikers zich hierop kunnen voorbereiden (‘voorzienbaarheid’). Gedacht wordt aan inwerkingtreding met ingang van 2030;
Een zorgvuldige begrenzing van de ‘nieuwe normvrije lokale laagtes’, gekoppeld aan een zorgvuldig proces.
Ook in de polders is in toenemende mate behoefte aan meer ruimte voor waterberging, waaronder in de lokale laagtes in de polder. De uitwerking hiervan vergt nog nader onderzoek (in samenwerking met de waterschappen) waar en hoe deze te realiseren en te borgen.
In 2024 en 2025:
Onderzoeken we met de waterschappen waar en hoe voldoende waterberging in de polders kan worden gerealiseerd, inclusief de borging daarvan. In 2024/2025 voeren de waterschappen een nieuwe watersysteemtoetsing uit, rekening houdend met de meest recente klimaatscenario's. Dit vormt mede de basis voor het aanwijzen van aanvullende ruimte voor waterberging.
Zoals aangegeven in de inleiding van dit addendum vindt parallel aan het opstellen van het addendum-RWP het opstellen van het strategisch plan ‘KRW Impuls Brabant’ plaats. De resultaten van dat plan konden nog niet opgenomen worden in het addendum. Naar verwachting volgen er uit de KRW Impuls Brabant maatregelen en activiteiten gericht op het behalen van de KRW-doelen 2027 aanvullend aan de aanpak die reeds beschreven is in het RWP 2022-2027. Vooruitlopend op de KRW Impuls vult de provincie de aanpak uit het RWP 2022-2027 al wel met de volgende punten aan:
Grondwaterbeschermingsgebieden: onderzoek naar tegengaan uitspoeling gewasbeschermingsmiddelen;
Grondwaterbeschermingsgebieden: aanvullende aanpak indien blijkt dat in 2025 de concentratie nitraat in het freatisch grondwater in de Brabantse prioritaire grondwaterbeschermingsgebieden niet zal worden gehaald;
Opkomende stoffen en microverontreiniging: uitbreiden van de monitoring van grond- en oppervlaktewater samen met andere partijen zoals de waterschappen, gericht op tot dusver onbekende stoffen;
Provincie verkent samen met waterschappen en de landbouwsector wat de potentie is van nieuwe landbouwsystemen zoals agroforestry en teelten voor biobased (bouw)materialen voor een klimaatbestendig en waterrobuust Brabant en wat onze meerwaarde vanuit de provincie hierin kan zijn.
De provincie is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor drinkwater. Ook heeft de provincie de verantwoordelijkheid om de zuiveringsinspanning van grondwater voor drinkwaterproductie tot een minimum te beperken.
Uit de analyse van de meetgegevens van het Early warning meetnet blijkt dat de concentraties van milieuvreemde stoffen in het grondwater toenemen. De peilbuizen in grondwaterbeschermingsgebieden en zelfs in de winningen zelf laten een langzaam maar zekere toename zien van de gehaltes aan o.a. gewasbeschermingsmiddelen. Hierdoor staat de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden nu of in de toekomst onder druk. Nu omdat gehaltes die nu in het freatische pakket worden aangetroffen in de toekomst een probleem op kunnen leveren voor drinkwatervoorziening. Bovendien zal door droogte en klimaatverandering de druk op de drinkwaterwinningen toenemen, door stijgende vraag en dalende grondwaterstanden. Via het gezamenlijk uitgevoerde project “Schoon Water voor Brabant” met de Brabantse Waterschappen, ZLTO en Brabant Water, implementeren wij stimuleringsprojecten met als doel het verminderen van gewasbeschermingsmiddelen emissies of –belasting.
We hanteren strengere maatregelen in grondwaterbeschermingsgebieden om de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Dit sluit aan bij de Richtlijn duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Natuurlijk kan de sector niet zonder gewasbeschermingsmiddelen, maar we willen toe naar een verantwoord gebruik, waarbij de agrariër meer bewust gebruikmaakt van gewasbeschermingsmiddelen.
Om dit te bereiken is een combinatie nodig van een generieke aanpak in grondwaterbeschermingsgebieden, met maatwerk op basis van specifieke stoffen binnen grondwaterbeschermingsgebieden. Het systeem van de MIG (Milieu Indicatie Gewasbeschermingsmiddelen) is een methodiek om te komen tot een verantwoord en bewust gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hierbij wordt het effect van alle gebruikte gewasbeschermingsmiddelen op bodem, water en lucht berekend.
Een andere wijze om tot reductie van gewasbeschermingsmiddelen te komen is op basis van waterkwaliteitsmetingen.
Het grondwater wat gebruikt wordt voor drinkwater, blijvend beschermen tegen vervuiling met milieuvreemde stoffen. Hierbij geldt het voorzorgsprincipe: we kunnen niet wachten met maatregelen tot die stoffen in het grondwater worden aangetroffen of nog verder toenemen.
In grondwaterbeschermingsgebieden brengen we het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zodanig terug dat in 2027 de uitspoeling van deze middelen voldoet aan de norm.
We continueren de monitoring via Early Warning met toevoeging van extra meetpunten en uitbreiding van de reikwijdte van de analyse.
In 2024 maken we een prioritering van grondwaterbeschermingsgebieden die het meest bedreigd worden door de verschillende gewasbeschermingsmiddelen. Dit doen we via de lopende projecten BodemUp (inclusief project Nitraatrichtlijn), Schoon Water voor Brabant, het Early Warning meetnet en input van Brabant Water en Evides.
Op basis van doelbereik implementeren we een meerjarig traject voor het terugdringen van de uitspoeling van gewasbeschermingsmiddelen, bijvoorbeeld gebaseerd op een verbod van het gebruik van nader te bepalen gewasbeschermingsmiddelen of een verbod op nader te bepalen (intensieve) teelten. Dit meerjarig traject wordt in 2025 opgestart voor de meest kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden. In 2035 is dit voor alle grondwaterbeschermingsgebieden ingevoerd.
In 2025 onderzoeken we welke milieu-impact de MIG heeft binnen de prioritaire grondwaterbeschermingsgebieden om zo te komen tot vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (bijvoorbeeld via een nog te ontwikkelen duurzaamheidsladder). Dit willen we samen met het programma Landbouw en Voedsel en onze partners buiten ontwikkelen.
We blijven agrariërs stimuleren in duurzaam landgebruik via de programma’s BodemUP, Biodiversiteitsmonitor melkvee en akkerbouw en Schoon Water voor Brabant. Zo zetten we, samen met het programma Landbouw en Voedsel, een programma op om in grondwaterbeschermingsgebieden bij voorkeur biologisch en natuurinclusief te boeren. Om boeren te helpen over te stappen naar telen zonder chemische gewasbeschermingsmiddelen, vindt een doorontwikkeling plaats van het project Schoon Water voor Brabant
Indien strengere maatregelen worden ingevoerd is capaciteit voor toezicht en handhaving noodzakelijk.
Er vindt communicatie plaats naar de samenleving zodat de voornemens van de provincie voorzienbaar zijn.
Er zal een aankondiging en kennisgeving komen in het kader van voorzienbaarheid.
Het landelijke beleid in het kader van de KRW en de Nitraatrichtlijn heeft als doel de uitspoeling van nitraat uit de landbouw naar grond- en oppervlaktewater en eutrofiëring van oppervlaktewater te verminderen en verdere verontreiniging te voorkomen. Deze doelstellingen dienen gehaald te worden voor het gehele grondwaterlichaam. Voor grondwaterbeschermingsgebieden loopt naar aanleiding van het 6e en 7e NAP een project in 8 prioritaire grondwaterbeschermingsgebieden.
Door landelijk en Europees beleid zijn een groot aantal landelijke aanwendingsnormen inmiddels aangescherpt.
Hierbij gaat het over:
Het wegvallen van de derogatie. Voor grondwaterbeschermingsgebieden mag nog maar 170 ipv 230 kg dierlijke mest per ha met ingang van 2023 worden toegepast. Voor heel Brabant, uitgezonderd grondwaterbeschermingsgebieden, wordt dit in drie jaar naar 2026 afgebouwd.
Het toepassen van de zogenoemde NV gebieden.
Het verplicht toepassen van bufferstroken van 1 tot 5 meter (in praktijk 3 meter) van de watergang.
Toepassing van vanggewassen zijn uitgebreid (de uitspoelingsgewassen zijn toegenomen).Rustgewassen opnemen in rotatie (vanaf 2023 één maal per 4 jaar, vanaf 2027 één maal per 3 jaar).
Het toepassen van 100 - 250 meter zones langs de KRW lichamen (check of dit nog actueel is).
Hierdoor zal er naar verwachting een effect op de waterkwaliteit zijn.
Specifiek voor de 8 prioritaire grondwaterbeschermingsgebieden willen we toe naar het behalen van de norm van de Nitraatrichtlijn zijnde 50 mg/l in nitraat grondwater.
De verwachting is dat voor Brabant de norm van 50 mg/l in 2025 gehaald zal worden. Hierbij is het van belang dat agrariërs zich blijven inzetten met het nemen van bodemmaatregelen, eventueel met ondersteuning via bijvoorbeeld het programma BodemUp.
Voor het verbeteren van de grond- en oppervlaktewater kwaliteit willen we in de toekomst graag dat alle agrariërs in de grondwaterbeschermingsgebieden in Brabant in de toekomst gebruik maken van het project BodemUp, BBWP en N-residue metingen. Als blijkt dat in 2025 de concentratie nitraat in het freatisch grondwater in deze prioritaire grondwaterbeschermingsgebieden niet zal worden gehaald, is een aanvullende aanpak noodzakelijk.
Het behalen van de Nitraatrichtlijn zijnde 50 mg/l in nitraat grondwater voor grondwaterbeschermingsgebieden.
Monitoren van het effect van de maatregelen van het 7e actieprogramma Nitraat.
Monitoren van de bestaande aanpak in grondwaterbeschermingsgebieden (BodemUp) in de acht prioritaire gebieden.
Wanneer in 2026 blijkt dat de nitraatrichtlijn niet gehaald wordt in de acht prioritaire grondwaterbeschermingsgebieden, zullen aanvullende verplichte maatregelen genomen moeten worden zoals: verplichte bouwplannen, verdunnen van dierlijke mestgift, verbeteren pachtconstructies, intensief begeleiden van agrariërs, introductie van andere teelten of overschakelen naar een andere, KPI gerelateerde maatregelen (milieuplaatsingsruimte restricties), mindere intensievere vorm van bedrijfsvoering en mogelijk ook ruimtelijke maatregelen. Welke maatregelen het betreft zal via een aantal studies die in 2024 opgeleverd moeten worden bekend worden (impuls KRW Rijk en Provincie, randen van het speelveld ikv nitraatrichtlijn en 6e en 7e NAP).
Stimuleren van het gebruik van N90 metingen bij agrariërs, en indien nodig vanwege het niet voldoen aan de nitraatrichtlijn, na 2027 verplichten van dit instrument door agrariërs zelf. Na 2027 willen we overwegen om de N90 metingen (N-residue) leidend te laten zijn voor meer of minder plaatsingsruimte van stikstof ten opzichte van de landelijke normen.
Afhankelijk van de resultaten die komen uit het project in de acht prioritaire grondwaterbeschermingsgebieden van de Nitraatrichtlijn zal in 2025-2026 voor alle grondwaterbeschermingsgebieden bepaald worden of een soortgelijke aanpak nodig is.
Om de doelstellingen in grondwaterbeschermingsgebieden te behalen zal indien nodig de capaciteit voor handhaving uitgebreid worden.
Ondersteuning/flankerend beleid voor ondernemers.
Bij kwaliteitsmetingen van het grond- en oppervlaktewater treffen we steeds meer verontreinigende stoffen aan. Dit heeft enerzijds te maken met betere analysetechnieken, waardoor we meer stoffen in lage concentraties kunnen meten. Anderzijds worden ook steeds meer chemische stoffen gebruikt die in het milieu terecht komen. Dit gebeurt onder andere via diffuse lozingen vanuit de land- en tuinbouw en via lozingen op de riolering. Daarnaast worden de Brabantse wateren belast door depositie van stoffen die via de atmosfeer worden verspreid.
De stoffen die het meest schadelijk zijn voor mens, fauna en flora worden zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) genoemd. Voor deze stoffen geldt een minimalisatieverplichting voor emissies naar water en lucht.
Van veel stoffen weten we niet of onvoldoende of ze schadelijk zijn voor de mens en/of ecosystemen. Daar bestaan dan ook (nog) geen (wettelijke) normen of toetswaarden voor. Wel kunnen er signaalwaarden gehanteerd worden waarboven we opmerken dat concentraties ongewenst zijn.
We willen een gezond bodem- en watersysteem voor mensen, dieren en planten. Zolang we niet zeker weten of stoffen schadelijk zijn, doen we er verstandig aan om de uitstoot van deze stoffen zo veel mogelijk te beperken. Waar dit niet lukt, zal waterzuivering ingezet moeten worden.
Opkomende stoffen die dermate ongewenst blijken, zullen genormeerd en op den duur vertaald worden naar KRW-normen. In het Beleidskader Milieu is als ambitie opgenomen dat er in 2050 geen ZZS of potentiële ZZS (stoffen waarvan het vermoeden bestaat dat deze ook zo schadelijk zijn) terecht komen in water, lucht of bodem. De doelstelling voor 2030 is dat de Brabantse burger, fauna en flora minder worden blootgesteld aan ZZS en pZZS dan in 2023, waarbij de provincie als streefwaarde heeft vastgesteld: halvering van de emissies van ZZS en pZZS door directe en indirecte lozingen.
Voorkomen dat opkomende stoffen in het milieu terecht komen, zodat ook aan toekomstige normen en KRW-doelen voldaan kan worden.
Vooraan zitten bij kennisontwikkeling, zodat op ontwikkelingen in stofgebruik, kennis over schadelijkheid en regelgeving snel gereageerd en geanticipeerd kan worden.
Uitbreiden van de monitoring van grond- en oppervlaktewater, waarbij we op zoek gaan naar tot dusver onbekende stoffen.
Volgen van Europese en Rijksregels over het gebruik van schadelijke stoffen in de KRW-beoordeling en -normering van stoffen.
Intensivering uitvoering bevoegd gezag-taken van de provincie voor wat betreft het checken en actualiseren van bestaande Omgevingswetvergunningen (stoffen en normen), toezicht en handhaving Omgevingswetvergunningen en toezicht op uitvoeringstaken waterschappen.
Samen met programma Milieu vergroten inzicht en bewustwording en verdiepen van de VTH-aanpak minimalisatieverplichting voor bedrijven waarvoor de provincie bevoegd gezag is.
In de afgelopen decennia hebben we met elkaar een water- en bodemsysteem gecreëerd dat in hoge mate wordt afgestemd op de vereisten vanuit onder andere de landbouw.
Door het water- en bodemsysteem sturend te maken bij onze keuzes zullen sommige plekken droger worden en andere plekken natter. De opkomst van nieuwe landbouwsystemen zoals agroforestry en teelten voor biobased (bouw)materialen bieden kansen om aan te sluiten bij de natuurlijke condities en zo bij te dragen aan een klimaatrobuust water- en bodemsysteem en de KRW-doelen te behalen. We zien deze concepten als ondersteunend aan de verwezenlijking van de water- en bodemdoelen. Daarom willen we vanuit het RWP niet het voortouw nemen maar deze beweging wel actief ondersteunen, zodat we kunnen bijdragen aan een opschaling van deze vormen van landbouw in Brabant.
Agroforestry is een vorm van landbouw waarbij bomen en struiken gecombineerd worden met andere landbouwgewassen of veeteelt op hetzelfde stuk land. De diepere doorworteling van de bodem door de bomen en struiken heeft vele voordelen. Het water wordt beter vastgehouden en dieper de grond in gebracht. Hierdoor verbetert de sponswerking van de bodem. De verbetering van de nutriëntenkringloop vermindert de uitspoeling naar water en lucht, waardoor de waterkwaliteit verbetert. De biodiversiteit neemt toe waardoor er meer natuurlijke plaagbestrijding optreedt. De bodemkwaliteit verbetert door de toename van organische stof ondergrondse biodiversiteit.
Vezelgewassen voor de productie van biobased (bouw)materialen bieden mogelijkheden voor droogteresistente landbouw op de hoge gronden (bijvoorbeeld vezelhennep) of juist teelten op plekken die natter worden (riet, lisdodde). Ook eetbare moeras- en waterplanten bieden kansen voor teelt op plekken die door water- en bodem sturend veel natter gaan worden. Daarnaast draagt de teelt van biobased bouwmaterialen bij aan de vermindering van de behoefte aan primaire bouwmaterialen zoals zand en grind en daarmee aan het terugdringen van het aantal ontgrondingen. Om deze landbouwsystemen een reële optie te laten zijn in de bedrijfsvoering is een robuust verdienmodel noodzakelijk. Dit betekent dat ook de keten voor verwerking en toepassing van de producten aanwezig moet zijn. Initiatieven zoals Building Balance en Agroforestry Netwerk Nederland vervullen hierin een belangrijke verbindende en trekkende rol. Zij verbinden producenten met potentieel geïnteresseerde ketenpartners in die markten. Ook het vergaarden van ecosysteemdiensten biedt kansen via bijvoorbeeld carbon credits. Daarnaast biedt de regeling voor Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb), onderdeel Klimaat, vanaf 2024 financiële mogelijkheden voor de combinatie van agroforestry met kruidenrijk grasland. Het overbruggen van de opstartfase voor bedrijven die in deze markt stappen is ook een aandachtspunt. Dit zijn projecten met een lange adem. Er zijn teelten bij die pas 15 jaar na de investering, rendement gaan opleveren.
Faciliteren van teelten die aansluiten bij een robuust en klimaatbestendig water- en bodemsysteem.
Samen met waterschappen verder verkennen wat de potentie is van deze landbouwsystemen voor een klimaatbestendig en waterrobuust Brabant en wat onze meerwaarde vanuit de provincie hierin kan zijn. We focussen in eerste instantie op de belangrijkste knelpunten die door de praktijk worden ervaren.
Samen met de andere programma’s die een rol hierin hebben vanuit de provincie (programma Circulaire Economie, Landbouw & Voedsel, Wonen Werken Leefomgeving) bepalen wat we hierin vanuit programma Water & Bodem kunnen betekenen. Hierbij kan worden gedacht aan het leveren van een bijdrage aan Building Balance vanuit Vitale Bodem, en aan het Agroforestry Netwerk Nederland. Of aan het ontwikkelen van beter inzicht in teeltcondities samen met het provinciale programma Landbouw en Voedsel.
Om Brabant duurzaam te beschermen tegen overstromingen in het hoofd- en regionaal watersysteem, werken we volgens het principe van meerlaagsveiligheid. Daarbij richtten we ons tot nu toe vooral op dijkversterking en rivierverruiming (preventieve maatregelen in laag 1 van meerlaagsveiligheid) en informatie voor calamiteitenbeheersing (overstromingskaarten en -scenario’s t.b.v. laag 3). De waterschappen werken momenteel hard om de primaire keringen te laten voldoen aan de nieuwe normen uit de waterwet (onderdeel van landelijke hoogwaterbeschermingsprogramma HWBP) en de regionale keringen te laten voldoen aan de provinciale normen. De provincie heeft de wettelijke taak om goedkeuringsbesluiten voor dijkverbeteringsplannen vast te stellen.
Een dijkversterking is een ingrijpende maatregel in een gebied. Daarom stimuleert de provincie waar mogelijk om meerdere opgaven in het gebied tegelijkertijd op te pakken en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te verhogen. Een goed voorbeeld hiervan is het project Meanderende Maas.
Recent is in Brabant gestart met de ‘bovenregionale samenwerking hoogwater en extreem weer’, mede n.a.v. de recente Brabantse hoogwateroefening van de Veiligheidsregio’s en waterbeheerders.

Fig. Lagen 0 tot en met 4 van meerlaagsveiligheid
Verlagen van de risico’s op mogelijke overstromingen door de brede aanpak van meerlaagsveiligheid te versterken. We blijven aandacht houden voor preventie (laag 1). Versterking is nodig in laag 2 (gevolgbeperking) en 3 (calamiteitenbeheersing). Daarnaast volgen we het advies van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater (n.a.v. de overstromingen in Limburg in 2021) om twee lagen toe te voegen. Namelijk ook een snel en klimaatrobuust herstel van schade (nieuwe laag 4) en bewustwording van risico’s van overstroming en zelfredzaamheid (nieuwe laag 0) zijn belangrijk om toekomstige schade en maatschappelijke ontwrichting te voorkomen.
Laag 1: Preventie blijft ook in de toekomst belangrijk, daarom is het nodig om ruimte te reserveren rondom de keringen voor toekomstige dijkverbeteringen en rivierverruimingsmaatregelen. Landelijk wordt momenteel uitgewerkt hoeveel ruimte hiervoor nodig is. Krachtig samenspel van dijkversterking en rivierverruiming (voorkeursstrategie Rivieren Deltaprogramma) blijft voor de provincie het uitgangspunt. Meer aandacht voor samenhang tussen het regionale en het hoofdwatersysteem bij de keuze voor maatregelen.
Laag 2: gevolgbeperking. In deze laag komen Veilig Water en Klimaatadaptatie bij elkaar. Het beperken van gevolgen van een overstroming, vraagt immers om een robuuste en duurzame ruimtelijke inrichting van zowel het landelijk als het stedelijk gebied. Het gaat daarbij om ruimtelijke keuzes (‘niet alles kan overal’) en om aangepaste inrichting en gebruik. Een duidelijke keuze die we maken (ook onderdeel van water en bodem sturend) is: niet meer bouwen in het rivierbed. Uitzonderingen blijven mogelijk bv. voor riviergebonden activiteiten. Maar het uitgangspunt is: wat binnendijks kan, moet binnendijks.
Laag 3: Calamiteitenbeheersing. De veiligheidsdiensten zijn verantwoordelijk voor de coördinatie tijdens een calamiteit. De provincie is verantwoordelijk voor de coördinatie van de informatievoorziening die nodig is voor een goede voorbereiding op eventuele calamiteiten. In aanvulling op de in het RWP genoemde producten (actualisatie van overstromingsscenario’s en kaarten voor de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s), is intensivering nodig van de provinciale coördinerende rol in de bovenregionale samenwerking hoogwater en extreem weer, incl. bovenregionale stresstesten en informatievoorziening bij hoogwater-calamiteitenbeheersing vanuit het kabinet.
Lagen 0 en 4: Hoogwaterbewustzijn en Herstel. Bepalen welke rol de provincie in deze nieuwe lagen kan spelen.
Laag 1 preventie:
Landelijk wordt onderzocht hoeveel ruimte gereserveerd moet worden voor toekomstige dijkversterkingen. Op basis van de uitkomsten (eind 2024) bekijken we of hiervoor reserveringen nodig zijn in onze omgevingsverordening.
In het Rijksprogramma Integraal Rivier Management (IRM, 2024) is geconcludeerd dat langs de bedijkte Maas in de toekomst mogelijk ook binnendijks extra ruimte nodig is om alle functies van de rivier te blijven faciliteren. De komende twee jaar wordt door het Rijk nader onderzocht welke ruimte nodig is. De provincie is samen met de waterschappen en gemeenten betrokken bij de uitwerking van IRM. Op basis van de uitkomsten (2026) bekijken we hiervoor reserveringen nodig zijn in onze omgevingsverordening.
In de uitwerking van IRM wordt ook een uitvoeringsprogramma opgesteld, dit kan leiden tot nieuwe integrale rivierprojecten.
De provincie stimuleert een integrale aanpak bij dijkversterkingsprojecten, zoals bijvoorbeeld het koppelen van de ecologische opgave in de Getijdemaas aan het dijkversterkingsproject Lith-Bokhoven (Start verkenning 2024) en de samenhang tussen het regionaal systeem en het hoofdwatersysteem bij het project Hoogwater Aanpak Brabant Oost (HoWaBO).
Laag 2 Gevolgbeperking:
De Beleidslijn Grote Rivieren (Rijk) wordt momenteel geactualiseerd en in lijn gebracht met de structurerende keuze uit de kamerbrief Water en Bodem sturend: Niet bouwen in rivierbed. Dit verwerken we in de provinciale Omgevingsverordening conform de redeneerlijn van het nationaal BO Water: ‘wat binnendijks kan, moet binnendijks’.
Voor de aanpak voor een klimaatbestendige inrichting en gebruik van de ruimte, zie hoofdstuk Klimaatadaptatie.
Laag 3 Calamiteitenbeheersing:
De provincie neemt een coördinerende rol in de bovenregionale samenwerking hoogwater en extreem weer, incl. bovenregionale stresstesten en informatievoorziening die nodig is in de voorbereidende fase van hoogwater-calamiteitenbeheersing (start 2024).
Laag 0 Hoogwaterbewustzijn en 4 Herstel:
Verkenning en definitie van de provinciale rol en verantwoordelijkheid in deze nieuwe lagen binnen het concept meerlaagsveiligheid. Dat doen we door de Kamerbrief Water en Bodem sturend en het Advies van de Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater concreet te maken voor Brabant.
We doen dit in samenhang met de in het RWP ingezette rode draad ‘Wat-er leeft’.
In het rivierengebied (Maas en Rijn) en de Zuidwestelijke Delta zal de komende jaren de nadruk liggen op richtinggevende keuzes in de wijze waarop we ons op de korte en de lange termijn beschermen tegen en aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering op de rivieren en de delta: toename van extreem lage en extreem hoge afvoeren van de rivieren en zeespiegelstijging, inclusief verzilting.
De keuzes zullen naar verwachting grote impact hebben op de ruimtelijke inrichting en functies in de lage delen van Brabant: de Brabantse zeeklei- en rivierkleigebieden. Er is behoefte aan het kennen van de impact op Brabant, zodat we zelfbewust de richting mede kunnen kiezen.
De besluiten hierover betreffen in eerste instantie het hoofdwatersysteem en zullen met name op Rijksniveau genomen worden.
Zowel in de voorbereiding alsook in de regionale doorwerking en verankering ligt een belangrijke rol voor de regionale overheden, met name de provincies.
We werken toe naar een inhoudelijke basis voor:
onze provinciale belangen bij de richtinggevende keuzes van het Rijk over het hoofdwatersysteem en
onze provinciale keuzes over de inrichting en het ruimtegebruik van de Brabantse zeeklei- en rivierkleigebieden op de korte termijn (2030-2050) en de lange termijn (2100 en verder), rekening houdend met de impact van klimaatverandering.
Een beeld van de mogelijkheden binnen de invloed van Provincie Noord-Brabant voor klimaatbestendige keuzes op korte termijn, die no regret zijn voor de koers op lange termijn.
We brengen in 2024-2025 in beeld wat de impact is voor de Brabantse zeeklei- en rivierkleigebieden van de klimaatverandering in de rivieren en delta, inclusief mogelijke ontwikkelrichtingen. De tijdshorizon die we hanteren is korte termijn 2030-2050 en een doorkijk naar langere termijn 2100 en verder. Bij het opstellen van dit beeld stemmen we nauw af met het provinciaal beleid voor de Leefomgeving en (het vervolg op) het Ruimtelijk Voorstel.
We maken gebruik van nieuwe klimaatscenario’s, het kennisprogramma zeespiegelstijging, en onderzoeken in het kader van IRM (onder meer over verwachte rivierafvoer).
Dit beeld dient als inhoudelijke basis voor de Brabantse provinciale inbreng in het voorbereidingsproces van rijksbeleid voor het hoofdwatersysteem en in regionale gebiedsgerichte uitwerkingen, waaronder:
Beleidskeuzes, gebieds-/trajectuitwerkingen en uitvoeringsstrategie van IRM (besluiten beoogd 2026), waarin oa. buitendijks en binnendijks ruimte gezocht zal worden voor het vergroten van de afvoercapaciteit; IRM koerst hiermee op een uitvoeringsplan inclusief samenwerkingsovereenkomst tussen Rijk en Regio (2026);
De herijking van de Deltabeslissingen voor Rivieren en Zuidwestelijke Delta (2026). Deze beslissingen omvatten de voorkeursstrategieën voor de rivieren en zuidwestelijke delta inclusief maatregelenpakketten en nieuwe integrale gebiedsgerichte projecten. De herijkte Deltabeslissingen zullen naar verwachting door het Rijk worden vastgelegd in het Nationaal Waterplan (2027) en op onderdelen zal doorvertaling naar provinciaal beleid nodig zijn;
De verkenning van het lange termijnperspectief Volkerak-Zoommeer als zoetwatervoorraad i.r.t. zeespiegelstijging en verzilting (Zuidwestelijke Delta,2024-2025).
De bovengenoemde Brabantse provinciale inbreng zal mede worden geleverd via de regionale samenwerkingsverbanden onder het nationaal Deltaprogramma (DP) en rond het nieuwe programma Integraal Riviermanagement (IRM):
Aanvulling van de aanpak betreft:
We onderzoeken of we, samen met onze partners, zoals de waterschappen, andere thematische kaarten kunnen ontwikkelen, zoals kaarten met daarop droogtegevoelige en uitspoelingsgevoelige gronden;
We onderzoeken of het nodig is om een aanvullend instrument te ontwikkelen, bijvoorbeeld een afwegingskader of -ladder, dat bij ruimtelijke afwegingen wordt ingezet;
We dragen bij aan de ontwikkeling van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI's) op het vlak van water en bodem voor de landbouw.
Ruim een eeuw geleden bepaalden het bodemtype en de waterbeschikbaarheid het landgebruik op een bepaalde plek. Op de ruggen en flanken lagen de oude bouwlanden, de beemden waren te vinden in de beekdalen. Het water- en bodemsysteem functioneerde en was leidend voor ons landgebruik en bepaalde de exploitatiemogelijkheden.
Door de komst van kunstmest en ontwateringstechnieken werden de mogelijkheden voor landbouwproductie vergroot en werd het water- en bodemsysteem niet langer een beperkende factor voor de plek waar landbouw wordt bedreven.

Fig. Bodem- en watersysteem wel sturend (in 1927) versus niet sturend voor de landbouw (in 2022)
De teelt van een gewas op een plek die, op basis van het water- en bodemsysteem, van nature minder geschikt is, voor die specifieke teelt, vraagt echter om meer kunstmatig ingrijpen, zoals meer grondbewerking, beregening, drainage en het gebruik van bestrijdingsmiddelen en (kunst-)mest. Hierdoor ontstaat meer afwenteling naar en verstoring van het milieu. Denk hierbij aan waterverontreiniging, uitputting van de grondwatervoorraad, verstoring van de (bodem-)biodiversiteit en de ontwikkeling van een landbouwsysteem dat gevoeliger is voor klimaatverandering.
Gewassen die worden geteeld op een plek, waarbij de grondsoort en de grondwaterdynamiek, passen bij dat wat ze nodig hebben, zijn van nature gezonder en weerbaarder en hebben daardoor minder of geen kunstmatige hulpmiddelen nodig om toch een goede opbrengst te realiseren. Teelt van het juiste gewas op de juiste plek, met de juiste teeltmethode, draagt op deze manier bij aan het behalen van onze doelen voor waterkwaliteit-, kwantiteit, klimaatadaptatie en biodiversiteitsherstel.
Wanneer goede landbouwgronden worden gebruikt voor bijvoorbeeld woningbouw, is de landbouw genoodzaakt te verplaatsen naar gebieden die meer externe input (zoals water, meststoffen en bestrijdingsmiddelen) of aanpassingen aan het water- en bodemsysteem vragen, en daarmee ook meer negatieve effecten hebben op het milieu. Het beschikbaar houden van geschikte de gronden voor de landbouw, draagt daardoor bij aan het herstel van het water- en bodemsysteem.
We willen het water en bodemsysteem zoveel mogelijk leidend laten zijn bij het maken van keuzes in de ruimtelijke ontwikkeling en het grondgebruik in het buitengebied. We willen naar een landbouw passend binnen de randvoorwaarden van het water- en bodemsysteem. Dat betekent enerzijds dat we gronden die vanuit het water- en bodemsysteem gezien, geschikt zijn voor landbouw, daar zoveel mogelijk voor beschikbaar willen houden. Anderzijds streven we naar bijsturing van het grondgebruik in het landelijk gebied, daar waar dat vanuit het water- en bodemsysteem nodig is.
Herstel van de robuustheid van het water- en bodemsysteem, voldoende en schoon water en een gezonde bodem, herstel van de biodiversiteitsbalans en een stabielere gewasproductie.
We onderzoeken of we, samen met onze partners, zoals de waterschappen, thematische kaarten kunnen ontwikkelen, zoals kaarten met daarop droogtegevoelige en uitspoelingsgevoelige gronden.
Provincie ontwikkelt een aanpak om te komen tot passend grondgebruik in het landelijk gebied onder andere via het vervolg op het Brabants Programma Landelijk Gebied (BPLG).
De agrarische bedrijfsvoering heeft een groot effect op de bodemvitaliteit, waterkwaliteit en de waterhuishouding. Om negatieve gevolgen van de agrarische bedrijfsvoering voor onder meer water en bodem te beperken, wordt over het algemeen gebruik gemaakt van middelvoorschriften. Dit zijn voorschriften waarin een specifieke techniek of maatregel staat voorgeschreven. Degene die de activiteit uitvoert, moet deze techniek of maatregel toepassen. Dit geeft weinig tot geen ruimte tot ondernemingsvrijheid. Het belet tevens creatief denken en innovaties op het gebied van duurzaamheid.
Om dit te ondervangen is de afgelopen jaren gewerkt aan de ontwikkeling van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI's) die inzicht geven in de milieuprestatie. Voorbeelden hiervan zijn de Biodiversiteitsmonitoren en de landelijke KPI-K systematiek.
We willen toe naar een situatie waarin de lange termijn doelen voor waterkwaliteit, waterkwantiteit, klimaatadaptatie en vitale bodem vertaald zijn naar een milieugebruiksruimte op basis van KPI's. Deze kunnen in beginsel generiek zijn voor de gehele provincie en in een later stadium gedifferentieerd worden naar bepaalde gebieden, zoals de overgangsgebieden en gebieden met bijvoorbeeld uitspoelingsgevoelige gronden (naar gelang de gebiedsdoelstelling). Op deze manier ontstaat er inzicht in de milieuprestaties van bedrijven, integraal gericht op alle doelen van zowel het RWP als de bredere doelen voor het landelijk gebied. Milieuprestaties kunnen vervolgens worden beloond door overheden, maar ook door marktpartijen. Daarnaast kan met regelgeving restrictief worden gestuurd. Eventueel tot het niveau van "license to exist".
Doorontwikkeling van een aantal KPI’s zoals die nu ontwikkeld worden in het landelijke KPI-K project en gebruikt worden in de Biodiversiteitsmonitoren voor de melkveehouderij en de akkerbouw.
Deze methodiek willen wij stapsgewijs doorontwikkelen, samen met andere beleidsafdelingen binnen onze organisatie, met andere provincies, het rijk en kennisinstellingen. Op korte termijn gaat het vooral om het opdoen van ervaring en het ontwikkelen van betrouwbare en geborgde datasystemen en de governance daarvan.
Deze KPI's kunnen worden gebruikt als meetbare doelen waarop de boer beloond kan worden en waar in de toekomst mogelijk restrictief op gestuurd kan worden.
Parallel hieraan is het nodig een passend juridisch kader (met name nationaal) te ontwikkelen. In deze fase ontwikkelen we de (gedifferentieerde) normen. Deze zijn dan nog niet bindend maar helpen ondernemers de richting te bepalen waarin zij hun bedrijf willen ontwikkelen.
Aanvulling van de aanpak betreft:
Verdere implementatie, doorontwikkeling en borging van de Watersignaleringskaart in de planvormingsprocessen van provincie, gemeenten en waterschappen;
Implementatie, doorontwikkeling en borging van de “Landelijke Maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving” (Min. BZK, 23‑3‑2023) met gemeenten en waterschappen;
Het samen met gemeenten formuleren van doelstellingen voor het afkoppelen, vasthouden en infiltreren van regenwater in het stedelijk gebied;
Realiseren van klimaatadaptieve bedrijventerreinen via de aanpak Grote Oogst en Werklocaties van de Toekomst;
Lobby bij het Rijk voor het aanpassen van wet- en regelgeving om circulair watergebruik en het terugdringen van laagwaardige toepassingen van drinkwater te stimuleren;
Langetermijn klimaatscenario’s KNMI spiegelen aan weerbaarheid water- en bodemsysteem en provinciale opgaven.
Brabant heeft een grote verstedelijkingsopgave. Als basis voor deze opgave zijn de Verstedelijkingsstrategie Brabant 2040, het Ontwikkelperspectief en eerste uitvoeringsafspraken Stedelijk Brabant 2040 en de Uitvoeringsagenda NOVEX Stedelijk Brabant opgesteld.
Hoewel ‘bodem en water als basis voor verstedelijking’ één van de vijf ontwikkelprincipes is in het Ontwikkelperspectief Stedelijk Brabant 2040, is het water- en bodemsysteem nog onvoldoende sturend. Zowel binnenstedelijk als buitenstedelijk is vanuit het water- en bodemsysteem handelingsperspectief nodig voor alle partners die de verstedelijkingsopgave vormgeven. Dit geldt ook voor bestaande en nieuwe bedrijventerreinen, waar nog veel winst is te behalen t.a.v. klimaatadaptatie en vergroening.
Water en bodem zijn sturend bij de verstedelijkingsopgave, zowel voor binnenstedelijke ontwikkelingen (bestaande bouw en nieuwbouw) als voor buitenstedelijke ontwikkelingen (nieuwbouw), waaronder ook bedrijventerreinen.
Water en bodem sturend bij de verstedelijkingsopgave richt zich op:
Het beperken van water- en bodemgerelateerde risico's die toenemen door klimaatverandering (wateroverlast, droogte, waterveiligheid);
Maatregelen en keuzes in ruimtegebruik die bijdragen aan het herstel van het natuurlijk functioneren van het water- en bodemsysteem, zoals de infiltratie van regenwater in de bodem.
Door invulling te geven aan water en bodem sturend bij de verstedelijkingsopgave:
De provincie geeft invulling aan Water en Bodem sturend door:
Verdere implementatie, doorontwikkeling en borging van de Watersignaleringskaart in de planvormingsprocessen van provincie, gemeenten en waterschappen;
Implementatie, doorontwikkeling en borging van de landelijke Maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving met gemeenten en waterschappen;
Het samen met gemeenten formuleren van doelstellingen voor het afkoppelen, vasthouden en infiltreren van regenwater in het stedelijk gebied;
Realiseren van klimaatadaptieve bedrijventerreinen via de aanpak Grote Oogst en Werklocaties van de Toekomst;
Lobby bij het Rijk voor het aanpassen van wet- en regelgeving om circulair watergebruik en het terugdringen van gebruik van drinkwater voor laagwaardige toepassingen te stimuleren.
.In het kader van de Verstedelijkingsstrategie Brabant 2040 en het Ontwikkelperspectief Stedelijk Brabant is een Signaleringskaart Water gemaakt. De kaart dient als gespreksstarter in de ruimtelijke planvorming over de geschiktheid van uitleglocaties voor nieuwbouw vanuit waterveiligheid, wateroverlast en ruimte voor een robuust watersysteem. De signaleringskaart is op casusniveau al succesvol toegepast.
In 2024 en 2025:
Wordt de toepassing van de signaleringskaart verder geïmplementeerd. Monitoring van de toepassing vindt plaats via de Monitor Agenda Verstedelijking Brabant / Uitvoeringsagenda NOVEX Stedelijk Brabant;
Wordt de signaleringskaart samen met de waterschappen en de stedelijke regio’s doorontwikkeld, onder meer gericht op een digitale ontsluiting van de signaleringskaart, een verbreding van ‘water’ naar ‘water en bodem’ en naar inbreidinglocaties en een actualisatie op basis van de nieuwe klimaatscenario’s.
Landelijke Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving
MIn het licht van klimaatverandering en water en bodem sturend ligt er (na de locatiekeuze) ook een ontwerpopgave voor nieuwbouw. Eind 2023 is de ‘Landelijke Maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ uitgebracht.
In 2024 en 2025:
Wordt de Maatlat samen met gemeenten en waterschappen geïmplementeerd. Dit vindt onder meer plaats onder de koepel van het Platform Klimaatadaptatie Zuid-Nederland, een samenwerkingsverband van provincies, gemeenten en waterschappen in Noord-Brabant en Limburg. Wij zien de Maatlat als basisniveau met ruimte voor lokaal maatwerk en aanvullende ambities. Waar mogelijk streven we ernaar dat de Maatlat ook wordt toegepast op bestaande bouw.
Nemen we de Maatlat, net zoals de Watersignaleringskaart , op in de Uitvoeringsagenda NOVEX Stedelijk Brabant;
Water en Bodem sturend in de verstedelijkingsopgave staat beleidsmatig steeds steviger op de agenda. Een steviger juridische borging zal dit, zeker naar de toepassing in de praktijk, versterken. Het Rijk verkent momenteel de mogelijkheden van juridische borging van de landelijke Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Wij ondersteunen een sterkere borging en verkennen samen met de andere provincies de mogelijkheden.
Zowel binnen- als buitenstedelijk en bij zowel nieuwbouw als bestaande bouw is het belangrijk regenwater zo veel mogelijk vast te houden voor gebruik in droge perioden, aanvulling van het grondwater en om afwentelen te voorkomen. In het stedelijk gebied ligt deze verantwoordelijkheid primair bij de gemeentes door te sturen op afkoppelen, vasthouden en infiltratie naar bodem- en ondergrond. Hoewel gemeenten dit in de praktijk al volop doen, is een extra impuls nodig.
In 2024:
Spreken wij in het kader van de Droogteagenda samen met de gemeenten een doelstelling af voor het afkoppelen, vasthouden en infiltratie van (regen)water, bijvoorbeeld aantal mm per inwoner of een minimaal afkoppelpercentage en ontharding. Maatwerk is daarbij belangrijk, omdat de mogelijkheden per gemeente verschillen.
Stimuleren hergebruik water en verminderen gebruik drinkwater voor laagwaardige toepassingen
In 2024:
Dringen we bij het Rijk aan op aanpassing van wet- en regelgeving, waaronder het Besluit Bouwwerken Leefomgeving en het Drinkwaterbesluit om hergebruik van water te stimuleren en het laagwaardig gebruik van schoon drinkwater te verminderen.
Zetten we via het Europees Innovatieprogramma OP Zuid in op circulair watergebruik en verminderen drinkwater voor laagwaardige toepassingen.
In oktober 2023 zijn de nieuwe KNMI 2023-klimaatscenario's gepresenteerd. De KNMI 2023 klimaatscenario's zijn gebaseerd op de laatste inzichten en vervangen de klimaatscenario's uit 2014. In april 2024 zijn de Deltascenario’s gepresenteerd. Deze zijn gebaseerd op de nieuwe KNMI 2023-klimaatscenario’s, aangevuld met de sociaaleconomische scenario’s (inclusief ruimtegebruik) van het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving.
Alle klimaatscenario's van het KNMI laten zien dat we hoe dan ook te maken krijgen met zeespiegel- en temperatuurstijging, drogere zomers en nattere winters. Alleen de grootte van de verandering verschilt per scenario.
In Nederland neemt de kans op (extreme) droogte toe. Afhankelijk van het scenario is een gemiddelde zomer rond 2100 ongeveer even droog als een extreem droge zomer nu. Het aantal lichte zomerse buien neemt af. Het aantal zware buien met veel neerslag neemt toe. Er vindt dus een verschuiving plaats van lichte naar zwaardere (er valt meer regen uit de bui) en intensere (er valt meer regen in een bepaalde tijd) buien.
Samengevat ontstaat het volgende beeld:
Versnelling van de zeespiegelstijging
Toename van de gemiddelde temperatuur en hitte
Meer zon
Toename van perioden van droogte
Nattere winters
Toename van extreme zomerbuien
Mogelijk sterkere windstoten en valwinden bij buien
Weinig verandering in windsnelheid en windrichting
Dit heeft grote impact op de manier hoe we werken aan onze wateropgaven. Als onderdeel van het Nationaal Deltaprogramma zijn in 2024 de Delta scenario's geactualiseerd. Voor het opstellen van de Deltascenario's worden de KNMI 2023-klimaatscenario's afgezet tegen klimaatverandering, uitstoot van broeikasgassen en de groei van de bevolking en economie. Op basis hiervan worden vier toekomstbeelden geschetst:

Fig. Toekomstbeelden klimaatscenario's KNMI 2023. Bron: KNMI
In Vlug’24 is er gematigde klimaatverandering, die stabiliseer vanaf 2050, sterke economische en bevolkingsgroei en is Nederland in 2050 broeikasgasemissie neutraal.
In Ruim’24 is er gematigde klimaatverandering, die stabiliseert vanaf 2050, beperkte economische en bevolkingsgroei en is Nederland in 2050 broeikasgasemissie neutraal.
In Stoom’24 is er zeer sterke klimaatverandering, en het klimaat blijft na 2050 veranderen, sterke economische en bevolkingsgroei en zijn er enige inspanningen genomen om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.
In Warm’24 is er zeer sterke klimaatverandering en het klimaat blijft na 2050 veranderen, beperkte economische en bevolkingsgroei en zijn er enige inspanningen genomen om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.
Deze scenario's geven ons een integraal beeld op nationale schaal van de wateropgaven die daaruit volgen op het gebied van zoetwaterbeschikbaarheid, wateroverlast en waterveiligheid. Wanneer wordt gekeken naar de impact op deze opgaven is het hoofdbeeld dat deze voor alle scenario's substantieel toe gaan nemen. Op plaatsen waar nu al knelpunten zijn, worden die in de toekomst groter. Ook vindt er, door de samenhang in ons watersysteem, een stapeling van wateropgaven plaats in zowel hoog- als laag-Nederland. Verwacht wordt dat in de scenario's Stoom en Warm de wateropgaven toe blijven nemen, daarentegen is de verwachting in de scenario's Vlug en Ruim de klimaatverandering in 2050 stabiliseert en alleen zeespiegelstijging zich nog verder manifesteert.
In 2019 heeft GS een bestuursopdracht gegeven om klimaatadaptatie integraal onderdeel te laten zijn van alle bestuurlijke portefeuilles, programma's en projecten. Dit doet ook recht aan de hoofdopgave Brabant Klimaatproof uit onze Omgevingsvisie.
De nieuwe KNMI-2023 klimaatscenario’s en de Deltascenario’s zijn aanleiding om de bestuursopdracht uit 2019 te intensiveren.
Voor het RWP betekent dit in ieder geval een toename van de urgentie van de RWP-opgaven en is de vraag opportuun in hoeverre onze huidige inspanningen toereikend zijn voor een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem op de langere termijn.
Klimaatverandering is niet alleen relevant voor het RWP, maar voor alle provinciale ambities en opgaven. Dit vraagt om een stevige agenderende rol vanuit het programma Water en Bodem naar de andere provinciale portefeuilles, programma’s en projecten. Denk daarbij aan de doorwerking in de actualisatie van overstromingsscenario’s en in bovenregionale stresstesten (2024 en 2025), het vervolg op het Brabants Programma Landelijk Gebied (BPLG), de nadere uitwerking van het Ruimtelijk Voorstel en de integrale opgave in het rivierengebied (Programma Integraal Riviermanagement) en de Zuidwestelijke Delta (Deltaprogramma Zuidwestelijke Delta), zie ook paragraaf 3.3 (Veilig Water).
Met het doorvertalen van de klimaatscenario’s en de Deltascenario’s naar onze provinciale ambities en inspanningen wordt geanticipeerd op de klimaatverandering en worden de gevolgen van klimaatverandering niet afgewenteld op toekomstige generaties.
We intensiveren de bestuursopdracht van GS uit 2019.
We pakken deze bestuursopdracht, samen met de programma’s E&M en FD op als onderdeel van de klimaatopgave. De klimaatopgave bestaat, naast klimaatadaptatie, uit het terugdringen van broeikasgasemissies en de duurzame organisatie (‘practice what you preach’).
In de periode 2024-2026 evalueren we de beleidsopgaven van het RWP op basis van de nieuwe klimaatscenario’s-2023 en Deltascenario’s. We benutten hiervoor de logische momenten. Bijvoorbeeld een evaluatie en actualisatie als onderdeel van het adaptief ontwikkelen, zoals de Droogteagenda, tussentijdse evaluaties en het beschikbaar komen van nieuwe informatie. Het resultaat van deze evaluatie en de beleidsmatige doorwerking daarvan krijgt zijn beslag in het RWP 2027-2033.
In 2024 worden de kaarten met de klimaatstatistieken uit de nieuwe KNMI-scenario’s verwerkt in de klimaateffectatlas en ‘vertaald’ in kaarten met de fysieke gevolgen van klimaatverandering. De klimaateffectatlas is een belangrijke basis voor de nieuwe cyclus van klimaatstresstesten, risicodialogen en uitvoeringsagenda’s klimaatadaptatie van onze samenwerkingspartners (gemeenten en waterschappen). Maar ook voor de doorwerking van de klimaatopgave in bestuurlijke portefeuilles en provinciale programma’s, zoals de klimaatstresstest voor onze provinciale infrastructuur en de Watersignaleringskaart voor uitleglocaties verstedelijking.
Motivering ontwerp addendum rwp: /join/id/pubdata/pv30/2024/24pdfb955e1c9-d7ea-478a-8df9-5aef3150327d/nld@2024‑10‑15;64
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-15804.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.