Provinciaal blad van Gelderland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GelderlandProvinciaal blad 2019, 2821Overige besluiten van algemene strekking



Aanvulling en correctie op bekendmaking in Provinciaal Blad 2019-1518 van besluit van Provinciale Staten van Gelderland tot wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland.

Aanvullende bekendmaking met correctie in bijlage 10 van het besluit van Provinciale Staten van 19 december 2018 - PS nummer 2018-712, zaaknummer 2018-007540 tot wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland en het besluit van Gedeputeerde Staten van Gelderland van 26 februari 2019 tot vaststelling van de toelichting op de Omgevingsverordening Gelderland en de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Gelderland

 

Op 28 februari 2019 is in Provinciaal Blad 2019-1518 het besluit van Provinciale Staten van Gelderland van 18 december 2018 tot wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland gepubliceerd (Actualisatieplan 6 tot wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland met planidentificatienummer NL.IMRO.9925.PVOVa6-vst1). Daarbij zijn 11 externe bijlagen opgenomen. In 7 daarvan zijn met het Actualisatieplan 6 wijzigingen aangebracht (bijlage 3, 4, 7, 8, 9, 10 en 11). Voor een correcte bekendmaking hadden de wijzigingen in het Provinciaal Blad gepubliceerd moeten worden. Dit wordt met deze publicatie hersteld, waarbij van bijlage 3 de wijzigingen worden gepubliceerd en van de overige bijlagen de complete tekst. Daarnaast is geconstateerd dat de wijzigingen in bijlage 10 Vrijstelling vangen diersoorten niet zijn overgenomen. Dat is in deze publicatie gecorrigeerd.

 

Besluit

Zie voor het besluit Provinciaal Blad 2019-1518

Gepubliceerd te Arnhem

namens Gedeputeerde Staten van Gelderland,

Fred van de Wart

Senior manager Programmering

Bijlage 3 BESCHERMINGSGEBIEDEN GRONDWATER

Bijlage 3 Beschermingsgebieden grondwater: hierin is waterwingebied De Pol aangepast aan de omvang voor de niet operationele reserve (NOR) en voor de inrichting van het terrein. En de kwetsbaarheid van beschermingsgebieden Zoelen en Kerk-Avezaath is geactualiseerd doordat de putten zijn verdiept. Het intrekgebied nabij Speuld wordt verwijderd van de kaart (bijlage 3 Beschermingsgebieden). Deze locatie voor waterwinning is al vervallen.

Bijlage 4 GRONDWATERBESCHERMING MET OOG OP DE WATERWINNING

Uit: Omgevingsverordening Gelderland

 

  • A.

    Niet limitatieve lijst van schadelijke stoffen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones, en koude-warmteopslagvrije zones

Niet limitatieve lijst van schadelijke stoffen als bedoeld in titel 3.2 van de Omgevingsverordening Gelderland.

 

De volgende stoffen worden in ieder geval als schadelijke stoffen aangemerkt:

  • stoffen opgenomen in de Nederlandse Richtlijnen Bodembescherming 2012, deel 3, bijlage 2, stap 5; 'De stoffenlijst';

  • stoffen die een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben;

  • stoffen met een schadelijke werking op de smaak of geur van het grondwater, evenals verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het grondwater kunnen ontstaan en die het grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie maken; – biociden en derivaten daarvan.

 

  • B.

    Aanwijzing van categorieën van inrichtingen die niet in grondwaterbeschermingsgebied mogen worden opgericht

 

Categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 3.13 en artikel 3.15 van de Omgevingsverordening Gelderland.

 

(Bedrijven met een bodemindex B volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering", VNG, editie 2009).

 

SBI-2008

Omschrijving

01

LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW

011,012,013

Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)

011,012,013,016

Tuinbouw:

011,012,013

- bedrijfsgebouwen

011,012,013

- kassen zonder verwarming

011,012,013

- kassen met gasverwarming

0113

- champignonkwekerijen (algemeen)

0113

- champignonkwekerijen met mestfermentatie

0163

- bloembollendroog- en prepareerbedrijven

06

AARDOLIE- EN AARDGASWINNING

061,062

Aardolie- en aardgaswinning:

061

- aardoliewinputten

062

- aardgaswinning incl. gasbeh.inst.:< 10.000.000 N m3/d

062

- aardgaswinning incl. gasbeh.inst.>= 10.000.000 N m3/d

08

WINNING VAN ZAND, GRIND, KLEI, ZOUT, E.D.

0893

Zoutwinningbedrijven

10,11

VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN

104101

Vervaardiging van ruwe plantaardige en dierlijke oliën en vetten:

104101

- p.c. < 250.000 t/j

104101

- p.c. >= 250.000 t/j

104102

Raffinage van plantaardige en dierlijke oliën en vetten:

104102

- p.c. < 250.000 t/j

104102

- p.c. >= 250.000 t/j

1042

Margarinefabrieken

1042

- p.c. >= 250.000 t/j

1081

Suikerfabrieken:

1081

- v.c. < 2.500 t/j

1081

- v.c. >= 2.500 t/j

110102

Vervaardiging van ethylalcohol door gisting:

110102

- p.c. >= 5.000 t/j

13

VERVAARDIGING VAN TEXTIEL

133

Textielveredelingsbedrijven

1393

Tapijt-, kokos- en vloermattenfabrieken

14

VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT

142,151

Bereiden en verven van bont; vervaardiging van artikelen van bont

15

VERVAARDIGING VAN LEER EN LEDERWAREN (EXCL. KLEDING)

151,152

Lederfabrieken

16

HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING VAN ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D.

16102

Houtconserveringsbedrijven:

16102

- met creosootolie

16102

- met zoutoplossingen

1621

Fineer- en plaatmaterialenfabrieken

58

UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUCTIE VAN OPGENOMEN MEDIA

1811

Drukkerijen van dagbladen

1812

Drukkerijen (vlak- en rotatie-diepdrukkerijen

18129

Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen

1813

Grafische reproductie en zetten

1814

Overige grafische activiteiten

19

AARDOLIE-/STEENKOOLVERWERK.IND.; BEWERKING SPUIT/KWEEKSTOFFEN

191

Cokesfabrieken

19201

Aardolieraffinaderijen

19202

Smeeroliën- en vettenfabrieken

19202

Recyclingbedrijven voor afgewerkte olie

19202

Aardolieproductenfabrieken n.e.g.

201,212,244

Splijt- en kweekstoffenbewerkingsbedrijven

20

VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUCTEN

2012

Kleur- en verfstoffenfabrieken

2012

Anorg. chemische grondstoffenfabrieken:

2012

- niet vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'

2012

- vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'

20141

Organ. Chemische grondstoffenfabrieken:

20141

- niet vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'

20141

- vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'

20141

Methanolfabrieken:

20141

- p.c. < 100.000 t/j

20141

- p.c. >= 100.000 t/j

20149

Vetzuren en alkanolenfabrieken (niet synth.):

20149

- p.c. < 50.000 t/j

20149

- p.c. >= 50.000 t/j

2015

Kunstmeststoffenfabrieken

2016

Kunstharsenfabrieken e.d.

202

Landbouwchemicaliënfabrieken:

202

- fabricage

202

- formulering en afvallen

203

Verf, lak en vernisfabrieken

2110

Farmaceutische grondstoffenfabrieken:

2110

- p.c. < 1.000 t/j

2110

- p.c. >= 1.000 t/j

2120

Farmaceutische productenfabrieken:

2120

- formulering en afvullen geneesmiddelen

2041

Zeep-, was- en reinigingsmiddelenfabrieken

2051

Kruit-, vuurwerk-, en springstoffenfabrieken

2052

Lijm- en plakmiddelenfabrieken:

 

- zonder dierlijke grondstoffen

 

- met dierlijke grondstoffen

205902

Fotochemische productenfabrieken

205903

Chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken

205903

Overige chemische productenfabrieken n.e.g.

2060

Kunstmatige synthetische garen- en vezelfabrieken

22

VERVAARDIGING VAN PRODUCTEN VAN RUBBER EN KUNSTSTOF

221101

Rubberbandenfabrieken

221102

Loopvlakvernieuwingsbedrijven:

 

- vloeropp. >= 100 m2 

222

Kunststofverwerkende bedrijven:

222

- met fenolharsen

23

VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUCTEN

2351

Cementfabrieken:

2351

- p.c. >= 100.000 t/j

235202

Gipsfabrieken:

235202

- p.c. >= 100.000 t/j

23611

Betonwarenfabrieken:

23611

- zonder persen, triltafels en bekistingstrillers

23611

- met persen, triltafels of bekistingstrillers, p.c. < 100 t/d

23611

- met persen, triltafels of bekistingstrillers, p.c. >= 100 t/d

2365, 2369

Vervaardiging van producten van beton, (vezel)cement en gips:

2365, 2369

- p.c. >= 100 t/d

2399

Bitumineuze materialenfabrieken

2399

- p.c. < 100 t/u

2399

- p.c. >= 100 t/u

2399

Asfaltcentrales: p.c. < 100 ton/uur

2399

- asfaltcentrales, p.c. >= 100 ton/uur

24

VERVAARDIGING VAN METALEN

241

Ruwijzer- en staalfabrieken:

241

- p.c. < 1.000 t/j

241

- p.c. >= 1.000 t/j

245

IJzeren- en stalenbuizenfabrieken:

245

- p.o. < 2.000 m2 

245

- p.o. >= 2.000 m2 

243

Draadtrekkerijen, koudbandwalserijen en profielzetterijen:

243

- p.o. >= 2.000 m2 

244

Non-ferro-metaalfabrieken:

244

- p.c. < 1.000 t/j

244

- p.c. >= 1.000 t/j

244

Non-ferro-metaalwalserijen, -trekkerijen e.d.:

244

- p.o. < 2.000 m2 

244

- p.o. >= 2.000 m2 

2451, 2452

IJzer- en staalgieterijen/ -smelterijen:

2451, 2452

- p.c. < 4.000 t/j

2451, 2452

- p.c. >= 4.000 t/j

2453, 2454

Non-ferro-metaalgieterijen/ -smelterijen:

2453, 2454

- p.c. < 4.000 t/j

2453, 2454

- p.c. >= 4.000 t/j

25,31

VERVAARD. EN REPARATIE VAN PRODUCTEN VAN METAAL (EXCL. MACH./TRANSPORTMIDD.)

251,331

Constructiewerkplaatsen:

251,331

- gesloten gebouw

251,331

- in open lucht, p.o. < 2.000 m2 

251,331

- in open lucht, p.o. >= 2.000 m2 

2529, 3311

Tank- en reservoirbouwbedrijven:

2529, 3311

- p.o. < 2.000 m2 

2529, 3311

- p.o. >= 2.000 m2 

2521,2530, 3311

Vervaardiging van verwarmingsketels, radiatoren en stoomketels

255, 331

Stamp-, pers-, dieptrek- en forceerbedrijven

255, 331

Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d.

255, 331

Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d., p.o. < 200 m2 

2561, 3311

Metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven:

2561, 3311

- algemeen

2561, 3311

- stralen

2561, 3311

- metaalharden

2561, 3311

- lakspuiten en moffelen

2561, 3311

- scoperen (opspuiten van zink)

2561, 3311

- thermisch verzinken

2561, 3311

- thermisch vertinnen

2561, 3311

- mechanische oppervlaktebehandeling (slijpen, polijsten)

2561, 3311

- anodiseren, eloxeren

2561, 3311

- chemische oppervlaktebehandeling

2561, 3311

- emailleren

2561, 3311

- galvaniseren (vernikkelen, verchromen, verzinken, verkoperen e.d.)

2562, 3311

Overige metaalbewerkende industrie

2562, 3311

Overige metaalbewerkende industrie, inpandig, p.o. < m2

259, 331

Grofsmederijen, anker- en kettingfabrieken:

259, 331

- p.o. < 2.000 m2 

259, 331

- p.o. >= 2.000 m2 

259, 331

Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.

259, 331

Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. < 200 m2 

27,28,33

VERVAARDIGING VAN MACHINES EN APPARATEN

27,28,33

Machine- en apparatenfabrieken incl. reparatie:

27,28,33

- p.o. < 2.000 m2 

27,28,33

- p.o. >= 2.000 m2 

28, 33

- met proefdraaien verbrandingsmotoren >= 1 MW

26, 27, 33

VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKTR. MACHINES, APPARATEN EN BENODIGDHEDEN

271, 331

Elektromotoren- en generatorenfabrieken incl. reparatie

271, 273

Schakel- en installatiemateriaalfabrieken

272

Accumulatoren- en batterijenfabrieken

274

Lampenfabrieken

2790

Koolelektrodenfabrieken

26,33

VERVAARDIGING VAN AUDIO-, VIDEO-, TELECOM-APPARATEN EN BENODIGDHEDEN

261,263,264, 331

Vervaardiging van audio-, video-, en telecom-apparatuur e.d. incl. reparatie

2612

Fabrieken voor gedrukte bedrading

29

VERVAARDIGING VAN AUTO'S, AANHANGWAGENS EN OPLEGGERS

291

Autofabrieken en assemblagebedrijven

291

- p.o. < 10.000 m2 

291

- p.o. >= 10.000 m2 

29201

Carrosseriefabrieken

29202

Aanhangwagen- en opleggefabrieken

30

VERVAARDIGING VAN TRANSPORTMIDDELEN (EXCL. AUTO'S, AANHANGWAGENS)

301,3315

Scheepsbouw- en reparatiebedrijven:

301,3315

- houten schepen

301,3315

- kunststof schepen

301,3315

- metalen schepen < 25 m

301,3315

- metalen schepen >= 25 m en/of proefdraaien motoren >= 1 MW

3831

Scheepssloperijen

302, 317

Wagonbouw- en spoorwegwerkplaatsen

302, 317

- algemeen

302, 317

- met proefdraaien van verbrandingsmotoren >= 1 MW

303, 3316

Vliegtuigbouw en –reparatiebedrijven:

303, 3316

- zonder proefdraaien motoren

303, 3316

- met proefdraaien motoren

309

Rijwiel- en motorrijwielfabrieken

3099

Transportmiddelenindustrie n.e.g.

31

VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G.

310

Meubelfabrieken

321

Fabricage van munten, sieraden e.d.

38

VOORBEREIDING TOT RECYCLING

383201

Metaal- en autoschredders

383202

Puinbrekerijen en –malerijen:

383202

Afvalscheidingsinstallaties

35

PRODUCTIE EN DISTRIB. VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER

35

Elektriciteitsproductiebedrijven (elektrisch vermogen >= 50 MWe):

35

- kolengestookt (incl. meestook biomassa), thermisch vermogen > 75 MWth

35

- oliegestookt, thermisch vermogen > 75 MWth

35

Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen:

35

- < 10 MVA

35

- 10 – 100 MVA

35

- 100 – 200 MVA

35

- 200 – 1000 MVA

35

- >= 1000 MVA

41, 42, 43

BOUWNIJVERHEID

41, 42, 43

Bouwbedrijven algemeen: b.o. > 2.000 m2 

41, 42, 43

- bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000 m2 

41, 42, 43

Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1.000 m2

41, 42, 43

- aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. < 1.000 m2

45, 47

HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS

451, 452, 454

Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven

45204

Autospuitinrichtingen

473

Benzineservicestations:

473

- met LPG > 1000 m3/jr

473

- met LPG < 1000 m3/jr

473

- zonder LPG

46

GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING

46711

Grth in vaste brandstoffen:

46711

- kolenterminal, opslag opp. >= 2.000 m2 

46712

Grth in vloeibare en gasvormige brandstoffen:

46712

- vloeistoffen, o.c. < 100.000 m3 

46712

- vloeistoffen, o.c. >=100.000 m3 

46713

Grth minerale olieproducten (excl. Brandstoffen)

46721

Grth in metaalertsen:

46721

- opslag opp. < 2.000 m2 

46721

- opslag opp. >= 2.000 m2 

46751

Grth in chemische producten

4677

Autosloperijen: b.o. > 1.000 m2 

4677

- autosloperijen: b.o. <= 1.000 m2 

4677

Overige groothandel in afval en schroot: b.o. > 1.000 m2

4677

- overige groothandel in afval en schroot: b.o. <= 1.000 m2 

49

VERVOER OVER LAND

495

Pomp- en compressorstations van pijpleidingen

52

DIENSTVERLENING T.B.V. VERVOER

52241

Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. zeeschepen:

52241

- stukgoederen

52241

- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. >= 2.000 m2

52241

- steenkool, opslagopp. >= 2.000 m2 

52241

- olie, LPG, e.d.

52241

- tankercleaning

52242

Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart:

52242

- tankercleaning

52242

- stukgoederen

52242

- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. < 2.000 m2

52242

- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. >= 2.000 m2

52242

- steenkool, opslag opp. < 2.000 m2 

52242

- steenkool, opslag opp. >= 2.000 m2 

52242

- olie, LPG, e.d.

5223

Luchthavens

77

VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN

773

Verhuurbedrijven voor machines en werktuigen

63,69t/m71,73,

74,77,78,

80t/m82

OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING

812

Reinigingsbedrijven voor gebouwen

74203

Foto- en filmontwikkelcentrales

84

OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN, SOCIALE VERZEKERINGEN

8422

Defensie-inrichtingen

37,38,39

MILIEUDIENSTVERLENING

381

Gemeentewerven (afvalinzameldepots)

381

Vuiloverslagstations

382

Afvalverwerkingsbedrijven:

382

- kabelbranderijen

382

- oplosmiddelterugwinning

382

- afvalverbrandingsinrichtingen, thermisch vermogen > 75 MW

382

- verwerking fotochemisch en galvano-afval

382

Composteerbedrijven:

382

- niet-belucht v.c.< 5.000 ton/jr

382

- niet-belucht v.c.< 5.000 tot 20.000 ton/jr

382

- belucht v.c.< 20.000 ton/jr

382

- belucht v.c.> 20.000 ton/jr

382

- GFT in gesloten gebouw

59

CULTUUR, SPORT EN RECREATIE

931

Skelter- en kartbanen, open lucht, < 8 uur/week in gebruik

931

Skelter- en kartbanen, open lucht, >= 8 uur/week in gebruik

931

Autocircuits, motorcrossterreinen e.d., < 8 uur/week in gebruik

931

Autocircuits, motorcrossterreinen e.d., >= 8 uur/week in gebruik

932

Jachthavens met diverse voorzieningen

96

OVERIGE DIENSTVERLENING

96012

Chemische wasserijen en ververijen

 

OPSLAGEN

 

Brandbare vloeistoffen (in tanks):

 

- ondergronds, K1/K2/K3-klasse

 

- bovengronds, K1/K2-kl.: < 10 m3 

 

- bovengronds, K1/L2-kl.: 10 – 1000 m3 

 

- bovengronds, K3-klasse: < 10 m3 

 

- bovengronds, K3-klasse: 10 – 1000 m3 

 

Gier/drijfmest (gesloten opslag):

 

- oppervlakte < 350 m2 

 

- oppervlakte 350 – 750 m2 

 

- oppervlakte >= 750 m2 

 

INSTALLATIES

 

vatenspoelinstallaties

 

Stookinstallaties > 900 kW thermisch vermogen:

 

- olie >= 75 MW

  Motorbrandstofpompen zonder LPG

 

 

  • C.

    Bord grondwaterbeschermingsgebied

 

  • D.

    Voorschriften voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones, en koude-warmteopslagvrije zones

 

  • a.

    Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • AS 6700: Accreditatieschema Inspectie bodembeschermende voorzieningen met bijbehorende protocollen;

  • CUR/PBV: Stichting civieltechnisch centrum uitvoering, research en regelgeving/projectbureau Plan Bodembeschermende Voorzieningen;

  • CUR/PBV-Aanbeveling 51: CUR/PBV-Aanbeveling 51 Milieutechnische ontwerpcriteria voor bedrijfsriolering;

  • CUR/PBV Rapport 2001-3: CUR/PBV Rapport 2001-3 Beheer bedrijfsriolering bodembescherming, uitgave 2001;

  • PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen;

  • PGS 15: Richtlijn PGS 15, getiteld 'Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen', zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl;

  • PGS 30: Richtlijn PGS 30, getiteld 'Vloeibare brandstoffen: bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties', zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl.

  • PGS 31: Richtlijn PGS 31, getiteld ‘Overige vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl.

 

  • b.

    Aanwijzing van categorieën van gevallen, beperkingen en voorschriften, afwijkingen en nadere eisen

 

In alle beschermingsgebieden

NR

CATEGORIEN VAN GEVALLEN

BEPERKINGEN EN VOORSCHRIFTEN  

AFWIJKINGEN EN NADERE EISEN

1

Zorgplicht

  • 1.

    In het belang van de bescherming van het grondwater is ieder die binnen een inrichting gedragingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daardoor het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning kan worden geschaad, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om die schade te voorkomen. Als die schade niet kan worden voorkomen moet deze zoveel mogelijk worden beperkt en ongedaan gemaakt.

  • 2.

    Als zich een geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van bodem of grondwater voordoet, behoren tot de maatregelen bedoeld in voorschrift 1 in ieder geval dat het bevoegd gezag en de betrokken grondwateronttrekker direct worden geïnformeerd.

  • 3.

    Bij oprichten of veranderen van de inrichting wordt bij de aanvraag om omgevingsvergunning of de melding Activiteitenbesluit milieubeheer een overzicht verstrekt van de bodembedreigende activiteiten en aanwezige stoffen.

 

 

In waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden

NR

CATEGORIEN VAN GEVALLEN

BEPERKINGEN EN VOORSCHRIFTEN  

AFWIJKINGEN EN NADERE EISEN

2

Verrichten van een bodembedreigende activiteit

In het belang van de bescherming van het grondwater worden minimaal de voorzieningen en maatregelen uit de

Nederlandse Richtlijnen

Bodembescherming met het hoogste CVM-nummer getroffen, waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd en voor zover in deze bijlage niet anders is bepaald.

Als de voorziening met het hoogste CVM-nummer redelijkerwijs niet kan worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag instemmen met een lager CVM-nummer.

   

3

Op- en overslaan van vloeibare of vaste schadelijke stoffen in verpakking, dan wel vloeibare of vaste afvalstoffen in verpakking

In het belang van de bescherming van het grondwater worden de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen getroffen bedoeld in PGS 15.

In waterwingebieden wordt geen ondergrens gehanteerd.

4

Op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen in ondergrondse tanks of vloeibare afvalstoffen in ondergrondse tanks

In het belang van de bescherming van het grondwater wordt voldaan aan de gestelde eisen op grond van artikel 3.30 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Dit voorschrift geldt voor de stoffen aangemerkt als schadelijke stoffen in titel 3.2 van de

Omgevingsverordening Gelderland en waarvoor het Activiteitenbesluit milieubeheer niet al rechtstreeks geldend is.

5

Op- en overslaan van vloeibare aardolieproducten in bovengrondse tanks

In het belang van de bescherming van het grondwater:

  • 1.

    worden de extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen getroffen bedoeld in paragraaf 2.5 van PGS 30.

  • 2.

    wordt het onklaar maken of verwijderen van de tank gedaan volgens paragraaf 3.6 van PGS 30

en wordt de activiteit tenminste tien dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk gemeld aan het bevoegd gezag.

Als aan de tank een afleverinstallatie met een doorzet van 10.000 liter of minder per jaar is verbonden, zijn de voorschriften 2.5.1 en 2.5.2 van PGS 30 niet van toepassing, maar wordt in het belang van de bescherming van het grondwater voorschrift 2.4.2 van PGS 30 opgenomen.

Deze uitzondering geldt niet voor tanks in een waterwingebied.

 

6

Op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, uitgezonderd vloeibare aardolieproducten, in bovengrondse tanks of vloeibare afvalstoffen in bovengrondse tanks

In het belang van de bescherming van het grondwater:

  • 1.

    worden de extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen getroffen bedoeld in voorschrift 3.36.1 van BRLk 903/08.

  • 2.

    wordt het onklaar maken of verwijderen van de tank gedaan volgens PGS31 en wordt de

activiteit tenminste tien dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk gemeld aan het bevoegd gezag.

 

7

Op- en overslaan van vloeibare drijfmest

 

In het belang van de bescherming van het grondwater:

  • 1.

    wordt een mestfoliebassin of mestzak aangelegd in

overeenstemming met artikel 3.68

van de Activiteitenregeling milieubeheer.

  • 1.

    wordt een extra onderfolie aangelegd.

  • 2.

    wordt tussen de twee folies of tussen de mestzak en de folie een drainagesysteem aangelegd dat aansluit op een inspectieput.

  • 3.

    wordt het functioneren van de inspectieput een keer per vijf jaar gecontroleerd als een volgens het BRL2342 gecertificeerde folie is toegepast en een keer per tweeënhalf jaar als een volgens het BRL2342 niet gecertificeerde folie is toegepast.

In waterwingebieden is deze activiteit niet toegestaan.

 

8

Opslaan van vaar-, vlieg- of motorvoertuigen of onderdelen daarvan

In het belang van de bescherming van het grondwater wordt gehandeld conform de NRB2012, deel 3, bijlage 1, paragraaf 3.1: Op- en overslag stortgoed.

In waterwingebieden is deze activiteit niet toegestaan.

9

Gebruik van vloeibare aardolieproducten of andere schadelijke stoffen ten behoeve van het productieproces (in ruime zin)

In het belang van de bescherming van het grondwater wordt gehandeld conform de NRB2012, deel 3, bijlage 1,

hoofdstuk 4: Procesactiviteiten / procesbewerkingen.

 

10

Tot stand brengen, hebben of gebruiken van leidingen ten behoeve van het transport van afvalwater (bedrijfsriolering)

In het belang van de bescherming van het grondwater:

1. wordt een nieuwe of gerenoveerde bestaande leiding voor het transport van afvalwater bij inrichtingen vloeistofdicht ontworpen volgens Aanbeveling 51 CUR/PBV, onderhouden en geïnspecteerd op vloeistofdichtheid volgens AS 6700

Dit voorschrift geldt alleen als schadelijke stoffen via de

bedrijfsriolering worden afgevoerd en geldt niet voor rioolsystemen uitsluitend voor de afvoer van schoon hemelwater of schoon koelwater, dat wil zeggen hemelwater of koelwater dat op het riool wordt geloosd zonder dat daar stoffen aan zijn toegevoegd.

 

 

of wanneer dat niet mogelijk is volgens CUR/PBV Rapport 2001-3.

  • 1.

    wordt een bestaande leiding voor het transport van afvalwater bij inrichtingen volgens NEN 3399:2015 Buitenriolering – Classificatiesysteem bij visuele inspectie van objecten / NEN

3398:2015 Buitenriolering – Onderzoek en toestandsbeoordeling geïnspecteerd op gebreken: a. binnen tien jaar na ingebruikname;

b. eenmaal per vijf jaar na de onder a.

genoemde inspectie.

  • 1.

    voldoet een bestaande leiding die wordt afgekeurd, zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen zes maanden aan NEN 3399:2015 Buitenriolering – Classificatiesysteem bij visuele inspectie van objecten / NEN

3398:2015 Buitenriolering – Onderzoek en toestandsbeoordeling.

 

11

Tot stand brengen, hebben of gebruiken van wegen, parkeerterreinen of andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer

In het belang van de bescherming van het grondwater:

  • 1.

    wordt een terrein dat openstaat voor gemotoriseerd verkeer voorzien van een aaneengesloten verharding.

  • 2.

    wordt een weg, parkeerplaats of een ander terrein voor transportmaterieel evenals plaatsen waar handelingen plaatsvinden met schadelijke stoffen voorzien van een vloeistofdichte verharding.

  • 3.

    ligt een weg, parkeerplaats of een ander terrein dat openstaat voor gemotoriseerd verkeer afwaterend naar één of meer afvoerputten die uitmonden op de riolering of op een andere voorziening voor de inzameling of transport van afvalwater aangesloten op een doelmatig werkende zuiveringsvoorziening of een zuiveringstechnisch werk.

  • 4.

    voldoet de kwaliteit van het via een zuiveringsvoorziening te lozen afstromend hemelwater aan de streefwaarden voor ondiep

grondwater volgens bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012 en

wordt de activiteit tenminste tien dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk gemeld aan het bevoegd gezag.

  • 1.

    wordt het functioneren van de voorzieningen, bedoeld in lid 3 en 4 regelmatig gecontroleerd.

Voor een parkeergelegenheid met maximaal vier parkeerplaatsen of wanneer wordt voldaan aan de voorschriften uit onderdeel E van deze bijlage zijn de voorschriften 1 tot en met 5 niet van toepassing.

 

Als het bepalen van de kwaliteit van het te lozen water volgens het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is, kan gebruik worden gemaakt van bodem en

grondwatermonitoring om de werking van de

voorziening te controleren met het door bevoegd gezag goedgekeurd monitoringsplan.

 

Onder transportmaterieel wordt verstaan vrachtwagens, tankauto's, bussen en dergelijke.

12

Toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie

In het belang van de bescherming van het grondwater:

1. worden geen IBC-bouwstoffen toegepast;

In waterwingebieden zijn de toepassingen als bedoeld in de voorschriften 2, onder b, c, en d niet toegestaan.

 

 

 

2. is de toepassing van grond of baggerspecie slechts toegestaan:

  • 1.

    als de kwaliteit van de grond of baggerspecie de achtergrondwaarde niet overschrijdt;

  • 2.

    als op grond van het Besluit bodemkwaliteit op of in de bodem grond wordt toegepast met de kwaliteitsklasse wonen of baggerspecie afkomstig uit het

grondwaterbeschermingsgebied met de kwaliteitsklasse wonen;

  • 1.

    als op grond van het Besluit bodemkwaliteit in oppervlaktewater grond of baggerspecie wordt toegepast afkomstig uit het

grondwaterbeschermingsgebied met de kwaliteitsklasse A;

  • 1.

    als op grond van het Besluit bodemkwaliteit wordt toegepast in een omvang van meer dan 5000 kubieke meter en wordt aangetoond dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie afkomstig is uit het

grondwaterbeschermingsgebied en de kwaliteit daarvan de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen of de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt; of

  • 1.

    als sprake is van verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

 

13

Verrichten van mechanische ingrepen in de bodem

In het belang van de bescherming van het grondwater:

  • 1.

    wordt het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten gedaan in overeenstemming met de voorschriften onder F van deze bijlage.

  • 2.

    wordt het uitvoeren of hebben van grond- of funderingswerken op een diepte van 3 meter of meer onder het maaiveld gedaan in overeenstemming met de voorschriften onder F van deze bijlage.

In waterwingebieden wordt het uitvoeren of hebben van grond- of funderingswerken op een diepte van 2 meter of meer onder het maaiveld gedaan in overeenstemming met de voorschriften onder F van deze bijlage

14

Installeren van een bodemenergiesysteem of geothermiesysteem

In het belang van de bescherming van het grondwater is het niet toegestaan om een bodemenergiesysteem of geothermiesysteem te installeren.

 

 

In boringsvrije zones en koude-warmteopslagvrije zones

NR

CATEGORIEN VAN GEVALLEN

BEPERKINGEN EN VOORSCHRIFTEN  

AFWIJKINGEN EN NADERE EISEN

15

Verrichten van mechanische

ingrepen in de bodem

 

In het belang van de bescherming van het grondwater:

 

 

 

  • 1.

    wordt het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten gedaan in overeenstemming met de voorschriften onder F van deze bijlage.

  • 2.

    wordt het uitvoeren of hebben van grond- of funderingswerken op een diepte van 3 meter of meer onder het maaiveld gedaan in overeenstemming met de voorschriften onder F van deze bijlage.

 

16

Installeren van een bodemenergiesysteem of geothermiesysteem

In het belang van de bescherming van het grondwater is het niet toegestaan een bodemenergiesysteem of geothermiesysteem te installeren.

Een bodemenergiesysteem of geothermiesysteem is toegestaan als boven het voor de drinkwaterwinning bestemde grondwater een beschermende kleilaag of andere slecht doorlatende laag is gelegen en door de onder nummer 14 bedoelde handelingen die kleilaag niet wordt doorboord.

17

Lozen van koelwater, afvalwater of overige vloeistoffen zwaarder

dan water

In het belang van de bescherming van het grondwater is het niet toegestaan een lozing op of in de bodem uit te voeren van koelwater, afvalwater dan wel overige vloeistoffen, waarin vloeibare stoffen voorkomen die zwaarder zijn dan water.

Dit voorschrift geldt niet in een boringsvrije zone.

18

Op- en overslaan van vloeibare of vaste schadelijke stoffen in verpakking, dan wel vloeibare of vaste afvalstoffen in verpakking, mits in vloeibare vorm zwaarder dan water

In het belang van de bescherming van het grondwater worden voor vloeibare stoffen zwaarder dan water de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen getroffen bedoeld voor vloeibare stoffen in PGS 15.

Dit voorschrift geldt niet in een boringsvrije zone.

19

Op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen zwaarder dan water, uitgezonderd vloeibare aardolieproducten, in ondergrondse tanks of vloeibare afvalstoffen zwaarder dan water in ondergrondse tanks

In het belang van de bescherming van het grondwater:  

  • 1.

    wordt de bodem gemonitord op de aanwezigheid van de stoffen die zijn opgeslagen, door het nemen van grondwatermonsters volgens voorschriften 4.5.10 tot en met 4.5.12 van PGS 28 en het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarbij de bemonstering en analyse geschiedt door een bedrijf dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    worden de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen getroffen volgens voorschrift 1.5.1 van de BRLk 903/08 met de herkeuringstermijnen van voorschrift 11.8.2 van de BRLk 903/08.

  • 3.

    wordt het onklaar maken of verwijderen van de tank gedaan volgens PGS28, paragraaf 3.7.

Dit voorschrift geldt niet in een boringsvrije zone.

20

Op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen zwaarder dan water, uitgezonderd vloeibare aardolieproducten, in bovengrondse tanks of vloeibare afvalstoffen zwaarder dan water in bovengrondse tanks

In het belang van de bescherming van het grondwater:

  • 1.

    wordt volledig gesloten procesapparatuur of procesapparatuur met geïntegreerde lekdetectie toegepast.

  • 2.

    vindt opslag en productieproces vrij van de grond plaats boven een vloeistofdichte vloer of voorziening.

Dit voorschrift geldt niet in een boringsvrije zone.

21

Gebruik van vloeibare aardolieproducten of andere vloeibare stoffen zwaarder dan water, ten behoeve van het productieproces in ruime zin

In het belang van de bescherming van het grondwater:

  • 1.

    wordt volledig gesloten procesapparatuur of procesapparatuur met geïntegreerde lekdetectie toegepast.

  • 2.

    vindt opslag en productieproces vrij van de grond plaats boven een vloeistofdichte vloer of voorziening.

Dit voorschrift geldt niet in een boringsvrije zone.

22

Tot stand brengen, hebben of gebruiken van leidingen ten behoeve van het transport van vloeibare stoffen zwaarder dan water, uitgezonderd afvalwater

(productleidingen)

In het belang van de bescherming van het grondwater:

  • 1.

    worden leidingen zodanig aangelegd en onderhouden dat het gehele stelsel blijvend vloeistofdicht is.

  • 2.

    worden leidingen voor ingebruikname en vervolgens om de

vijf jaar geïnspecteerd op vloeistofdichtheid.

Dit voorschrift geldt niet in een boringsvrije zone.

 

Als het minder risicovolle leidingen betreft, geldt voor de frequentie van de inspectie een periode van tien jaar.

23

Tot stand brengen, hebben of gebruiken van niet eerder genoemde werken om vloeibare stoffen zwaarder dan water te vervoeren, te bergen, over te

slaan of te storten

In het belang van de bescherming van het grondwater:

  • 1.

    worden voorzieningen aangebracht welke blijvend voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen en wordt een regelmatige controle uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen.

  • 2.

    worden vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen.

Dit voorschrift geldt niet in een boringsvrije zone.

 

  • E.

    Algemene voorschriften voor afstromend hemelwater in grondwaterbeschermingsgebieden

 

Algemene voorschriften voor lozing van afstromend hemelwater van wegen, spoorwegen, parkeerplaatsen en andere verhardingen en terreinen voor gemotoriseerd verkeer in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in artikel 3.19, vierde lid, van de Omgevingsverordening Gelderland en voorschrift 10 van onderdeel D van deze bijlage.

 

Voorschriften:

  • 1.

    Voor het afvoeren van afstromend hemelwater al dan niet afkomstig van verhardingen dienen zodanige maatregelen te worden genomen of voorzieningen te worden aangebracht dat deze vloeistoffen de bodem niet kunnen verontreinigen;

  • 2.

    Ten aanzien van het functioneren van maatregelen en voorzieningen, als bedoeld onder 1, moet een regelmatige controle worden uitgevoerd.

 

Aan voorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan als:

  • a.

    een weg, parkeerplaats of ander terrein voor gemotoriseerd verkeer gedurende beperkte tijd en in beperkte mate wordt gebruikt voor parkeren, geen handelingen plaatsvinden met schadelijke stoffen en de hieronder genoemde maatregelen en voorzieningen worden uitgevoerd;

Soort parkeergelegenheid

Maatregelen en voorzieningen

 

Parkeercapaciteit tussen 4 en 15 gemotoriseerde voertuigen

 

Frequentie: maximaal 10 dagen parkeren per jaar (incl. evenementen)

absorptiemateriaal aanwezig; eventuele verontreiniging direct opruimen; na afloop verslag maken a.d.h.v. checklist > toezichthouder maakt format voor checklist.

 

 

absorptiemateriaal aanwezig;

Parkeercapaciteit tussen 15 en 100 gemotoriseerde voertuigen

 

Frequentie: maximaal 10 dagen parkeren per jaar (incl. evenementen)

eventuele verontreiniging direct opruimen; na afloop verslag maken a.d.h.v. checklist; onder toezicht parkeren.

 

 

Parkeercapaciteit tussen 4 en 15 gemotoriseerde voertuigen

 

Frequentie: tussen 10 en 100 dagen parkeren per jaar (incl. evenementen)

bord met telefoonnummer Provincieloket; eventuele verontreiniging direct opruimen; 1 x per maand verslag maken a.d.h.v. checklist.

 

 

Parkeercapaciteit meer dan 100 gemotoriseerde voertuigen

 

Frequentie: maximaal 5 dagen per jaar

absorptiemateriaal aanwezig; eventuele verontreiniging direct opruimen; na afloop verslag maken a.d.h.v. checklist; professionele begeleiding bij parkeren.

 

  • b.

    het afstromend hemelwater wordt geloosd op of in de bodem buiten het grondwaterbeschermingsgebied of in een oppervlaktewaterlichaam buiten het grondwaterbeschermingsgebied;

  • c.

    aantoonbaar geen verontreiniging van de bodem en het grondwater wordt verwacht vanwege de opbouw van de bodem waarop of waarin het afstromend hemelwater wordt geloosd, de kwaliteit van de bodem en het grondwater periodiek wordt gecontroleerd en gepaste maatregelen worden getroffen om ingeval van verontreiniging deze ongedaan te maken; of

  • d.

    een weg, parkeerplaats of ander terrein voor gemotoriseerd verkeer afwaterend ligt naar een afvoer aangesloten op de riolering of een andere voorziening voor de inzameling of het transport van afvalwater naar een doelmatig werkend zuiveringstechnisch werk of een andere zuiveringsvoorziening. Na een zuiveringsvoorziening voldoet de kwaliteit van het te lozen afstromend hemelwater aan de streefwaarden van ondiep grondwater zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering respectievelijk de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 36 en 37 van de Wet bodembescherming.

 

Aan voorschrift 2 wordt in ieder geval voldaan als:

  • a.

    een door het bevoegd gezag goedgekeurd meetplan wordt uitgevoerd voor het controleren van de kwaliteit van de bodem en het grondwater; of

  • b.

    een door het bevoegd gezag goedgekeurd meetplan wordt uitgevoerd voor de toetsing van het correct functioneren van de zuiveringsvoorziening, met informatie over het analyseprogramma.

 

  • F.

    Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen in de bodem

Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones en koude-warmteopslagvrije zones als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Omgevingsverordening en voorschriften 12 en 14 van onderdeel D van deze bijlage.

 

Voorschriften:

  • 1.

    Verontreiniging van de bodem of het grondwater kan tijdens de ingreep niet plaatsvinden.

  • 2.

    De mate van doorlaatbaarheid van de weerstand biedende lagen is na de ingreep niet groter dan daarvoor.

  • 3.

    Tijdens het gebruik en bij het tijdelijk niet gebruiken van een boorgat worden voorzieningen getroffen die voorkomen dat schadelijke stoffen via het boorgat in de bodem kunnen komen.

  • 4.

    Bij het buiten gebruik stellen van een peilbuis of pompput of bij beëindiging van de werkzaamheden wordt het boorgat of de ontgraving afdoende afsluitend aangevuld.

  • 5.

    Een geohydrologisch rapport met daarin de te verwachten bodemopbouw, waaronder de watervoerende pakketten en scheidende lagen, is beschikbaar.

 

Ten aanzien van boorputten geldt het volgende:

Aan voorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan als:

  • a.

    het voor de boring toe te passen werkwater of spoelwater van drinkwaterkwaliteit is of nietverontreinigd grondwater betreft;

  • b.

    voor het aanmaken van boorspoeling klei of bentoniet wordt toegepast. Het toepassen van andersoortige anorganische of organische hulpstoffen is niet toegestaan, uitgezonderd natriumhydroxide voor het reguleren van de zuurgraad; en

  • c.

    bassins, suppletiebakken en tanks voor de opslag van werkwater, spoelwater of boorspoeling geen schadelijke stoffen bevatten.

 

Aan voorschrift 2 wordt in ieder geval voldaan als:

  • a.

    de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen is vastgesteld aan de hand van een profielopname van de doorboorde grondkolom. Als de boormethode dit onvoldoende nauwkeurig mogelijk maakt, wat bijvoorbeeld het geval is bij toepassing van spuit- of roterende boormethoden, dient het profiel door middel van een geofysisch boorgatonderzoek te worden vastgesteld; en

  • b.

    een boorgat zo snel mogelijk na het boren of tijdens het plaatsen van een peilbuis of putfilter wordt opgevuld. Daarbij dienen de slecht doorlatende lagen in het profiel van een halve meter boven tot een halve meter onder deze lagen te zijn afgedicht met klei, bijvoorbeeld expanderende of zwelklei.

 

Aan voorschrift 3 wordt in ieder geval voldaan als: een in het boorgat geplaatste peilbuis of putfilter aan de bovenzijde wordt beschermd met een afsluitbare straatpot of putdeksel.

 

Aan voorschrift 4 wordt in ieder geval voldaan als:

  • a.

    een peilbuis of putfilter zo snel mogelijk na het buiten gebruik stellen van de put wordt opgevuld. De zandvang en het filtergedeelte worden afgedicht met grof grindzand of grind;

  • b.

    het boorgat of de buis van 0 tot 5 meter beneden het maaiveld wordt afgedicht met klei, bijvoorbeeld expanderende klei of zwelklei;

  • c.

    slecht doorlatende lagen in het profiel van een halve meter boven tot een halve meter beneden deze lagen worden afgedicht met zwelklei of expanderende klei. Indien een profielopname ontbreekt, moeten peilbuizen en putfilters volledig worden opgevuld met deze klei; en

  • d.

    in het opvul- of afdichtingsmateriaal geen schadelijke stoffen voorkomen in concentraties boven de streefwaarden van grond zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering.

 

Ten aanzien van grond- of funderingswerken geldt het volgende:

Aan voorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan als:

  • a.

    bij het toepassen van retourbemaling aan het terug te pompen water geen schadelijke stoffen worden toegevoegd;

  • b.

    bij het injecteren in de bodem de te injecteren vloeistoffen niet schadelijk zijn;

  • c.

    voor het inbrengen van palen worden gebruikt:

  • i.

    grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet,

  • ii.

    in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken, of

  • iii.

    boor- of schroefpalen, als wordt aangetoond dat de paalsystemen genoemd onder a en b op de betreffende locatie niet toepasbaar zijn;

  • d.

    voor het aanbrengen van een damwand of diepwand:

  • i.

    het materiaal van de damwand of diepwand geen verontreiniging van de bodem of het grondwater kan veroorzaken, en

  • ii.

    de gebruikte (dik)spoeling en vulvloeistoffen niet bestaan uit schadelijke stoffen, maar bijvoorbeeld uit bentoniet, kleicementmengsels of beton; en

  • e.

    voor het aanbrengen van een scherm het materiaal van de platen, vliezen of folie niet bestaat uit schadelijke stoffen, maar bijvoorbeeld uit kunststoffolie HDPE al of niet in combinatie met bentoniet.

 

Aan voorschrift 2 wordt in ieder geval voldaan als:

de grond uit de ontgraving zoveel mogelijk op dezelfde plaats wordt teruggebracht in de ontgraving, zodat de slecht doorlatende bodemlagen die zijn doorboord weer afsluitend of weerstand biedend worden gemaakt.

 

Aan voorschrift 4 wordt in ieder geval voldaan als:

bij het verwijderen van een damwand, diepwand of scherm geen schadelijke stoffen worden toegepast.

 

Bijlage 7 ONTWIKKELTIJD (IN JAAR) PER NATUURBEHEERTYPE

 

 NATUURBEHEERTYPE

ONTWIKKELTIJD (JAAR)

N02.01 Rivier

5-25

N03.01 Beek en bron

5-25

N04.01 Kranswierwater

0-5

N04.02 Zoete plas

5-25

N05.01 Moeras

5-25

N05.02 Gemaaid rietland

5-25

N06.01 Veenmosrietland en moerasheide

25-100

N06.02 Trilveen

25-100

N06.03 Hoogveen

25-100

N06.04 Vochtige heide

5-25

N06.05 Zwakgebufferd ven

5-25

N06.06 Zuur ven of hoogveenven

5-25

N07.01 Droge heide

5-25

N07.02 Zandverstuiving

0-5

N10.01 Nat schraalland

5-25

N10.02 Vochtig hooiland

5-25

N11.01 Droog schraalland

5-25

N12.01 Bloemdijk

0-25

N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland (slecht ontwikkeld)

0-5

N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland (matig tot goed ontwikkeld)

5-25

N12.03 Glanshaverhooiland

5-25

N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland

0-5

N12.05 Kruiden- en faunarijke akker (slecht ontwikkeld)

0-5

N12.05 Kruiden- en faunarijke akker (matig tot goed ontwikkeld)

5 - 25

N12.06 Ruigteveld (slecht ontwikkeld)

0-5

N12.06 Ruigteveld (matig tot goed ontwikkeld)

5-25

N13.01 Vochtig weidevogelgrasland

5-25

N13.02 Wintergastenweide

0-5

N14.01 Zachthoutooibos

25-100

N14.01 Hardhoutooibos

100+

N14.01 Beekbegeleidend bos

100+

N14.02 Hoog- en laagveenbos

25-100

N14.03 Haagbeuken- en essenbos

100+

N15.02 Dennenbos

5-25

N15.02 Eiken-, en beukenbos

100+

N16.01 Droog bos met productie

25-100

N16.02 Vochtig bos met productie

25-100

N17.01 Vochtig hakhout en middenbos

25-100

N17.02 Droog hakhout

25-100

N17.03 Park- en stinzenbos

100+

N17.04 Eendenkooi

0-5

 

Bijlage 8 GELIJKWAARDIGE NATUURBEHEERTYPEN

Gelijkwaardige natuur

  • •.

    Natuurbeheertypen uit hetzelfde vak zijn gelijkwaardige natuur en kunnen elkaar compenseren.

  • Natuurbeheertypen mogen ook vervangen worden door een beheertype uit een hogere categorie, maar dan wel overeenkomst in hydrologie en bos of niet bos. Daarbij is categorie 1 de laagste en categorie 3 de hoogste categorie.

  • In categorie 3 staan enkele natuurbeheertypen met een sterretje. Deze beheertypen mogen wel als compensatie gerealiseerd worden, maar mogen niet aangetast worden.

     

    Categorie 1 Algemene natuur

     

 

WATER

 

DROOG

NIET BOS

     

Rivier

Beek (Beek en bron)

Kranswierwater

Zoete plas

Kruidenrijk, faunarijk grasland

Wintergastenweide

Droge heide

Glanshaverhooiland

BOS

 

Vochtig bos met productie Zachthoutooibos (Rivier en beekbegeleidend bos)

Dennenbos

Droog bos met productie

 

Categorie 2 Bijzondere natuur

     

 

VOCHTIG

 

DROOG

NIET BOS

   

Moeras

Vochtige heide

Vochtig hooiland

Zuur ven of hoogveenven

Nat schraalland

Vochtig weidevogelgrasland

Kruidenrijke, faunarijke akker

Zandverstuiving

Droog schraalland

Bloemdijk

Ruigteveld

BOS

   

Haagbeuk-essenbos

Hoog- en laagveenbos

Vochtig hakhout en middenbos

Eiken-beukenbos

Droog hakhout

Park-stinzebos

 

Categorie 3 Top natuur

     

 

WATER

 

VOCHTIG

NIET BOS

 

Bron *

Gemaaid rietland *

Veenmosrietland en moerasheide *

Trilveen *

Hoogveen *

Zwak gebufferd ven *

BOS

 

n.v.t.

Hardhoutooibos (Rivier- en beekbegeleidend bos)

Beekbegeleidend bos (Rivier en beekbegeleidend bos)

Bijlage 9 VRIJSTELLING STOREN EN DODEN DIERSOORTEN

 Toelichting

Op grond van artikel 3.15 van de Wet natuurbescherming wijzen Provinciale Staten in deze bijlage, behorend bij de artikelen 3.66 en 3.67 van de Omgevingsverordening, schadeveroorzakende soorten aan die binnen de aangegeven gebieden en periode met behulp van de aangegeven middelen opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden.

 

Soort

Brandgans (branta leucopsis)

Vrijgestelde handeling

Opzettelijk storen

Belang

Voorkoming van belangrijke schade aan gewassen

Gebied

Bedrijfsmatige landbouwgewassen in heel Gelderland

Periode

Hele jaar.

 

Soort

Woelrat (Arvicola Amphibius)

Vrijgestelde handeling

Doden

Belang

Voorkoming van belangrijke schade aan boomkwekerij en fruitteelt

Gebied

Percelen met bedrijfsmatige boomkwekerij en fruitteelt in heel Gelderland.

Periode

Van 1 mei tot 1 november.

Toegestane middelen

Klemmen, life-traps, en/of chemische bestrijdingsmiddelen die krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn toegestaan.

Bijlage 10 VRIJSTELLING VANGEN DIERSOORTEN (met correctie)

 Toelichting

Op grond van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming wijzen Provinciale Staten in deze bijlage, behorend bij artikel 3.68 van de Omgevingsverordening, soorten aan die bij handelingen in de kaders, bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f en g van de Wet natuurbescherming, met behulp van de aangegeven middelen opzettelijk mogen worden gevangen.

 

Gebied: binnen de gehele provincie.

Periode: gedurende het hele jaar.

 Soort

Toegestane middelen vangen

Aardmuis

Vangkooi

Bosmuis

Vangkooi

Bruine kikker

Schepnet

Dwergmuis

Vangkooi

Dwergspitsmuis

Vangkooi

Egel

Vangkooi

Gewone bosspitsmuis

Vangkooi

Gewone pad

Schepnet

Haas

Vangkooi

Huisspitsmuis

Vangkooi

Kleine watersalamander

Schepnet

Konijn

Vangkooi

Meerkikker

Schepnet

Middelste groene kikker

Schepnet

Ondergrondse woelmuis

Vangkooi

Ree

Vangkooi

Rosse woelmuis

Vangkooi

Tweekleurige bosspitsmuis

Vangkooi

Veldmuis

Vangkooi

Vos

Vangkooi

Woelrat

Vangkooi

Bijlage 11 GROEILOCATIES GROEI- KRIMPBELEID VELUWE

 

Groei en Krimp van recreatiebedrijven op de Veluwe (artikel 2.7.1.2)

In het kader van de streekplanuitwerking Groei en krimp wordt de door de provincie gerealiseerde krimp van de verblijfsrecreatie met 23,8 hectare gebruikt als compensatie voorafgaand aan de nog te realiseren uitbreiding van de bedrijven genoemd in de onderstaande tabel.

 

EERSTE TENDER

Naam

 

Aangevraagd aantal

hectares

Toegekend aantal

hectares

De Vossenberg (Nunspeet)

3,9

3,9

De Tol (Nunspeet)

2

2

De Plagge (Nunspeet)

2

0,5

TWEEDE TENDER

 

Naam

Aangevraagd aantal

hectares

Toegekend aantal

hectares

De Pampel (Apeldoorn)

0,65

0,65

't Veluws Hof (Apeldoorn)

2

2

Het Lierderholt (Apeldoorn)

2,8

2,8

De Hertenhorst (Apeldoorn)

0

0,5

Bungalowpark Hoenderloo (Apeldoorn)

3,5

3,5

Recreatiepark Beekbergen (Apeldoorn)

3,5

3,5

Bospark Beekbergen (Apeldoorn)

2,5

2,5

Heidekamp (Ede)

1,5

1,5

Scheleberg (Ede)

3,2

3,2

Paardensportcentrum G.vd Hoorn (Barneveld)

0,7

0,7

Berkenhorst (Barneveld)

2,15

2,15

Speulderbos (Barneveld)

0,8

0,8