Provinciaal blad van Flevoland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
FlevolandProvinciaal blad 2018, 5405Overige besluiten van algemene strekking



Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland houdende regels omtrent de openstelling Regeling niet-productieve investeringen water uit de Subsidieverordening Plattelandsontwikkeling (POP3) provincie Flevoland 2014-2020

Gedeputeerde Staten van Flevoland, gelet op artikel 1.3 van de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) provincie Flevoland 2014-2020,

 

Overwegende:

  • -

    dat Gedeputeerde Staten met deze subsidieregeling beogen de gestelde doelen in het Plattelands-ontwikkelingsprogramma (POP3) te behalen,

  • -

    dat er geld beschikbaar is gesteld vanuit de directe inkomenssteun voor de agrariërs voor het behalen van de (internationaal vastgestelde) doelen op het gebied van water,

  • -

    dat het wenselijk is hiermee niet-productieve investeringen te subsidiëren die een bijdrage leveren aan het behalen van de doelen voor 2027 in de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn,

 

Besluiten:

  • I.

    De Regeling “Niet-productieve investeringen water” (als nadere invulling op de algemene bepalingen zoals vastgesteld in hoofdstuk 2, paragraaf 6 van de Subsidieverordening POP3 provincie Flevoland) voor de periode van maandag 3 september 2018, 9.00 uur tot en met 23 november 2018 17:00 uur open te stellen voor het indienen van aanvragen;

  • II.

    Het subsidieplafond voor het indienen van aanvragen vast te stellen op totaal €1.900.000,- bestaande voor 100% uit ELFPO-middelen;

  • III.

    De volgende regels vast te stellen:

Artikel 1. Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve investeringen die betrekking hebben op de (her)inrichting of transformatie en het beheer van systemen voor de internationale waterdoelen (Kaderrichtlijn Water en Nitraatrichtlijn).

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet-productieve investeringen als bedoeld in het eerste lid met een directe link met de landbouw.

Artikel 2. Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.

    landbouwers;

  • b.

    grondeigenaren;

  • c.

    grondgebruikers;

  • d.

    landbouworganisaties;

  • e.

    natuur- en landschapsorganisaties;

  • f.

    gemeenten;

  • g.

    waterschappen;

  • h.

    provincies;

  • i.

    samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen, waarvan in ieder geval minimaal één deelnemer uit de categorie a, b, of c komt.

Artikel 3. Subsidiabele kosten

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten, voor zover de kosten direct samenhangen met de investering:

    • a.

      de kosten van de bouw of verbetering van onroerende zaken:

    • b.

      de kosten van verwerving of leasing van onroerende zaken;

    • c.

      de kosten van aankoop van grond;

    • d.

      de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • e.

      algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a van de Subsidieverordening POP3 provincie Flevoland 2014-2020. Dit zijn:

      • -

        de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;

      • -

        de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

      • -

        de kosten van haalbaarheidsstudies;

    • f.

      de kosten van projectmanagement en projectadministratie;

    • g.

      de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

    • h.

      de kosten voor verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

    • i.

      de kosten van koop van tweedehands installaties en machines tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • j.

      voorbereidingskosten.

  • 2.

    Bijdragen in natura zoals bedoeld in artikel 1.12 van de Subsidieverordening POP3 provincie Flevoland 2014-2020 zijn niet subsidiabel.

Artikel 4. Hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt 100 % van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De minimale subsidie bedraagt € 250.000,-.

Artikel 5. Rangschikking

  • 1.

    De aanvragen worden beoordeeld op grond van selectiecriteria. Hierbij worden de volgende selectiecriteria gehanteerd:

    • a.

      Effectiviteit;

    • b.

      Haalbaarheid/kans op succes;

    • c.

      Urgentie;

    • d.

      Efficiëntie.

  • 2.

    Voor ieder in het 1e lid genoemd criterium kunnen 0 tot en met 5 punten worden behaald. De bepaling van de scores van de selectiecriteria is als volgt:

     

    a. Effectiviteit

    De mate waarin de activiteit effect heeft op de te bereiken doelen zoals genoemd in artikel 1, lid 1.

    De scores zijn:

    • -

      0 punten als het effect op de doelstelling(en) van de openstelling zeer gering is;

    • -

      1 punt als het effect op de doelstelling(en) van de openstelling gering is;

    • -

      2 punten als het effect op de doelstelling(en) van de openstelling matig is;

    • -

      3 punten als het effect op de doelstelling(en) van de openstelling voldoende is;

    • -

      4 punten als het effect op de doelstelling(en) van de openstelling goed is;

    • -

      5 punten als het effect op de doelstelling(en) van de openstelling zeer goed is.

      

    b. Haalbaarheid

    Of een project haalbaar is, zal worden bepaald aan de hand van de kwaliteit van het projectplan en

    aan de hand van de situatie in het veld / het (aantoonbare) draagvlak voor het project. In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

    • -

      in het projectplan opgenomen vereisten aan de kwaliteit (deskundigheid, ervaring) van de projectleider;

    • -

      hoe realistisch is het projectplan;

    • -

      zijn relevante partijen in voldoende mate bij de uitvoering van het plan betrokken;

    • -

      kent het project een realistische planning, opzet en begroting;

    • -

      mate waarin het project al is voorbereid / snel in uitvoering kan worden genomen, waarbij wordt gekeken naar het al dan niet reeds verworven zijn van benodigde gronden, het draagvlak voor het plan en de mate waarin vergunningen reeds zijn verkregen.

     

    De scores zijn:

    • -

      0 punten: de kans op succes/haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten zeer gering;

    • -

      1 punt: de kans op succes/haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten gering;

    • -

      2 punten: de kans op succes/haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten matig;

    • -

      3 punten: de kans op succes/haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten voldoende;

    • -

      4 punten: de kans op succes/haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten goed;

    • -

      5 punten: de kans op succes/haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten zeer goed.

     

    c. Urgentie

    Bij dit criterium gaat het om de vraag in hoeverre de opgave(n) die aangepakt worden, geïdentificeerd zijn als opgaven die noodzakelijk aangepakt dienen te worden en op welke termijn die aanpak noodzakelijk is. Zo zijn er (inter)nationale of provinciale doelstellingen die voor een bepaalde einddatum gerealiseerd dienen te zijn en waar het project aan bijdraagt of noodzakelijk voor is. Een en ander is daarmee gerelateerd aan de knelpunten en beleidsopgaven die bestaan in de provincie waar de openstelling plaatsvindt en die benoemd zullen worden in het openstellingsbesluit.

     

    De scores zijn:

    • -

      0 punten als een opgave wordt aangepakt die noodzakelijk is maar pas op zeer lange termijn aangepakt hoeft te worden;

    • -

      1 punt als een opgave wordt aangepakt die noodzakelijk is maar pas op langere termijn aangepakt hoeft te worden;

    • -

      2 punten als een opgave wordt aangepakt die noodzakelijk is en binnen afzienbare termijn aangepakt moet worden;

    • -

      3 punten als een opgave wordt aangepakt die noodzakelijk is en op relatief korte termijn aangepakt moet worden;

    • -

      4 punten als een opgave wordt aangepakt die noodzakelijk is en snel aangepakt moet worden;

    • -

      5 punten als een opgave wordt aangepakt die noodzakelijk is en onmiddellijk aangepakt moet worden.

     

    d. Efficiëntie

    Bij dit criterium wordt beoordeeld of de input (geld, kennis, kunde en overige middelen) efficiënt wordt ingezet om de gewenste output te realiseren. Daarbij wordt bezien of de opgevoerde kosten passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen gehaald?), wordt gekeken in hoeverre de proceskosten die in het project gemaakt worden in verhouding staan tot de feitelijke projectkosten én wordt bezien of binnen het project op een goede manier gebruik gemaakt wordt van reeds bestaande kennis en kunde.

     

    De scores zijn:

    • -

      0 punten bij zeer geringe score op deze aspecten;

    • -

      1 punt bij geringe score op deze aspecten;

    • -

      2 punten bij matig score op deze aspecten;

    • -

      3 punten bij een voldoende score op deze aspecten;

    • -

      4 punten bij een goede score op deze aspecten;

    • -

      5 punten bij een zeer goede score op deze aspecten.

  • 3.

    De selectiecriteria hebben de volgende wegingsfactoren:

    • a.

      effectiviteit van de activiteit heeft een wegingsfactor van 4;

    • b.

      haalbaarheid/kans op succes heeft een wegingsfactor van 2;

    • c.

      urgentie heeft een wegingsfactor van 3;

    • d.

      efficiëntie van de activiteit heeft een wegingsfactor van 3,

  • 4.

    Indien een aanvraag minder dan 36 punten behaalt, wordt de aanvraag niet gehonoreerd.

  • 5.

    Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal totaalpunten hebben gekregen en hun som dusdanig is dat het subsidieplafond wordt overschreden, dan vindt tussen hen prioritering plaats op de afzonderlijke scores in de volgorde: a. effectiviteit – b. haalbaarheid – c. urgentie en d. efficiëntie. Mochten ook deze afzonderlijke scores gelijkluidend zijn, dan wordt de rangschikking bepaald door loting.

Artikel 6. Adviescommissie

Gedeputeerde Staten stellen voor de rangschikking van de subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 5 een adviescommissie in als bedoeld in artikel 1.14 van de verordening.

Artikel 7. Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 van de verordening wordt subsidie geweigerd als:

  • de te verstrekken subsidie van het project lager is dan € 250.000,-;

  • het gewogen aantal behaalde punten, zoals berekend op basis van artikel 5, lager is dan 36;

  • indien de activiteit bedoeld is om aan een wettelijke verplichting te kunnen voldoen.

Artikel 8. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van 10 juli 2018.

Gedeputeerde Staten van Flevoland,

de secretaris, de voorzitter,

De secretaris van Gedeputeerde Staten van Flevoland

Algemene toelichting

Beleidskaders en doelen

De provincie Flevoland wenst het landelijk gebied economisch en sociaal vitaal te houden en acht daarvoor een concurrerende en duurzame landbouw noodzakelijk.

Het is van groot belang dat de landbouwsector economisch gezond kan functioneren en tegelijkertijd verder verduurzaamt ten aanzien van bodem, water en klimaat. De landbouwsector kan niet zonder een goede bodem en voldoende en schoon water. Deze visie is ook vertaald naar het Provinciaal Omgevingsplan Flevoland, zie ook https://www.flevoland.nl/Loket/Provinciaal-Omgevingsplan-Flevoland-2006.

Hoewel Flevoland nog een relatief ‘jong’ gebied is, laat ook hier de waterkwaliteit te wensen over, daarom moet ook in Flevoland gewerkt worden aan het verbeteren van de waterkwaliteit.

De waterkwaliteit is de laatste jaren wel verbeterd maar met name de concentraties van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten overschrijden op verschillende plekken nog de (Europese) normen.

 

Kaderrichtlijn Water

Volgens de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) moeten uiterlijk in 2027 alle aangewezen oppervlaktewateren een goede chemische samenstelling hebben en moet de ecologische toestand op orde zijn. De afzonderlijke lidstaten moeten aangeven welke doelen ze stellen en welke maatregelen ze uitvoeren om de gestelde doelen te halen. Dit gebeurt in de zogenaamde stroomgebiedbeheerplannen. De provincie Flevoland valt onder het stroomgebiedsplan Rijn Oost. Hoe de doelen behaald kunnen worden is te vinden in de samenvatting van het huidige stroomgebiedsplan, in de hoofdstukken 3 en 4. Daarin is een overzicht met mogelijke maatregelen opgenomen die u kunt nemen om bij te dragen aan de waterkwaliteit. De samenvatting vindt u hier: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2014/12/12/3-7-programma-van-maatregelen-kaderrichtlijn-water-rijn

 

Afspoeling van erf, perceel en bodem zijn belangrijke routes waarop gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten in het oppervlaktewater terecht komen. Voor gedetailleerde informatie over de lokale situatie en de Flevolandse opgaves ten aanzien van de waterkwaliteit kunt u vinden in de “Factsheet OW37-Waterschap Zuiderzeeland” die te vinden is op: www.waterkwaliteitsportaal.nl.

De overheden kunnen de doelen echter niet alleen bereiken. Het is van belang dat ook de agrarische sector bij gaat dragen aan beter waterbeheer.

 

 

Actieplan Bodem & Water Flevoland (ipv DAW)

Om de agrarische sector te helpen bij te dragen aan de waterdoelen, heeft LTO Nederland het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) opgesteld, waarin verschillende mogelijke maatregelen zijn opgenomen voor de verbetering van de waterkwaliteit vanuit de sector.

Vooruitlopend daarop was in Flevoland het Actieplan Bodem en Water (ABW) gestart in 2014, waarin provincie, waterschap en LTO gezamenlijk optrekken voor een betere bodem- en waterkwaliteit: http://bodemenwaterflevoland.nl/. Daarom is in Flevoland gekozen het ABW als invulling van het DAW te beschouwen.

In het Actieplan Bodem en Water zetten de Provincie Flevoland, Waterschap Zuiderzeeland en de landbouwsector in op versterking van duurzaam bodem- en (grond)waterbeheer. Investeren in de bodem(structuur) draagt bij aan een duurzamer waterbeheer. Om de doelen op het gebied van duurzaam bodem- en waterbeheer te bereiken, is het van belang dat de agrarische sector gaat investeren in maatregelen die gericht bijdragen aan bodemverbetering, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een goede inrichting van het erf en perceel én een goede bodemstructuur leiden tot verbetering van de waterkwaliteit doordat af- en uitspoeling van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten naar grond- en oppervlaktewater vermindert.

 

 

Flevolandse (water)opgaves

In Flevoland zijn een aantal opgaves waarin kan worden geïnvesteerd in maatregelen die een bijdrage leveren. Voor deze specifieke openstelling Niet productieve investeringen water geldt daarbij de volgende prioriteitstelling:

  • 1.

    verbetering van de waterkwaliteit door vermindering van de emissies van gewasbeschermingsmiddelen,

  • 2.

    verbetering van de waterkwaliteit door vermindering van de emissies van meststoffen,

  • 3.

    verbetering van de inrichting van het watersysteem die bijdraagt aan de waterkwaliteit en/of het bergen van water.

  • 4.

    verbetering van de bodemkwaliteit (waaronder bodemstructuur) en aanvullende voorzieningen die de bodemdaling helpen vertragen.

 

In de provincie Flevoland ligt de grote waterkwaliteitsopgave bij de normoverschrijdingen van gewasbeschermingsmiddelen (residuen). Ondanks verbeteringen vormen gewasbeschermingsmiddelen een hardnekkig probleem zoals ook opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2020. Niet-productieve investeringen die de emissie van erf en kavel beperken kunnen een bijdrage leveren aan het beperken van de emissies.

 

Binnen de provincie Flevoland voldoet het oppervlaktewatersysteem nagenoeg geheel en voldoen de gehaltes voor nutriënten en nitraat in het grondwater. Wel is er een licht stijgende lijn te zien. De nutriënten zijn niet de meest urgente waterkwaliteitsopgave binnen Flevoland, maar het blijft een belangrijke opgave. Beperking van de oppervlakkige afstroming van erf en kavel draagt bij aan deze opgave.

 

Een goede inrichting is ook van belang voor de waterkwaliteit en het waterbergend vermogen. Hierbij kunnen natuurvriendelijke oevers zorgen voor vestigingsmogelijkheden van planten en dieren en voor extra waterberging. Aanleg van natuurvriendelijke oevers in waterlopen die in directe verbinding staan met het landelijke watersysteem, zoals landbouwsloten, kunnen bijdragen aan de waterkwaliteit op het moment dat ze permanent watervoerend zijn. Bij voorkeur liggen dergelijke natuurvriendelijke oevers in landbouwsloten in gebieden aangeduid met goede waterkwaliteit.

 

Een goed functionerende bodem (structuur, vruchtbaarheid, bodemgezondheid en een voldoende hoog gehalte organische stof) is in staat om water en voedingsstoffen op maat te leveren, levert ruimte voor waterberging op en verbetert de waterkwaliteit in het oppervlakte- (en grond-)water door geringere af- en uitspoeling, hetgeen een stimulerend effect heeft op de biodiversiteit. Binnen Flevoland treedt in meerdere gebieden bodemdaling op. Mogelijk kunnen bepaalde aanvullende peilgestuurde drainagevoorzieningen bijdragen aan het beperken van de bodemdaling en aan het beter omgaan met de effecten van bodemdaling op de waterhuishouding op en in het perceel.

 

 

Voorbeelden van subsidiabele activiteiten

Subsidies kunnen betrekking hebben op onder andere: het voorkomen of berperken van erf- en perceelemissies, het sluiten van de kringloop, inrichten watersysteem, klimaatadaptatie, e.d.

 

Ter illustratie hiervan is hieronder een lijst met verschillende typen investeringen in activiteiten opgenomen die aansluiten op de opgaves in Flevoland en bijdragen aan de KRW-doelen:

  • a.

    herinrichting van erf en de aanleg van wateropvangvoorziening(en) om erfafspoeling van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten tegen te gaan;

  • b.

    aanleg van voorzieningen die perceelemissies verminderen, zoals buffer- en infiltratiegreppels en dergelijke;

  • c.

    aanleg van opvangvoorzieningen voor hemelwater op het erf, van bijvoorbeeld spuitmachines;

  • d.

    investeringen in zuiveringssystemen voor afvalwater zonder restlozing;

  • e.

    investeringen in zuivering van drainagewater en filterspoelwater;

  • f.

    investeringen in het overdekt opslaan van fusten;

  • g.

    aanleg natuurvriendelijke oevers (in waterlopen in directe verbinding met het landelijk watersysteem en permanent watervoerend en bij voorkeur in gebieden aangeduid met goede waterkwaliteit) of waterbergingsoever;

  • h.

    aanleg natte bufferstroken

  • i.

    aanleg helofytenfilters in nabijheid van een watergang.

 

NB: Deze lijst is NIET-limitatief; ook andere waterkwaliteit of -kwantiteit verbeterende maatregelen kunnen in aanmerking komen voor subsidie. Aan deze lijst met voorbeelden kunnen geen rechten worden ontleend.

Subsidie met brede doelstelling

De subsidiemaatregel ‘Niet-productieve investeringen Water’, uit het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP3) wordt vanuit dit kader opengesteld voor investeringen die gericht zijn op het realiseren van (internationale) waterdoelen, zoals genoemd in de Kaderrichtlijn Water (en Nitraatrichtlijn).

Daarmee richt deze openstelling zich voornamelijk op het verbeteren van de waterkwaliteit, maar wil zich niet strikt daartoe beperken. Waterkwantiteit kan invloed hebben op de waterkwaliteit. En, belangrijker nog, bodem en water zijn wel te onderscheiden, maar niet systemisch te scheiden. Nieuwe ideeën en initiatieven op dit gebied zijn daarom ook welkom.

Artikelsgewijze toelichting op het openstellingsbesluit

 

Artikel 1. Subsidiabele activiteiten

 

Voor een inhoudelijke toelichting op de doelen, zie de algemene toelichting.

 

Niet-productieve investeringen

Aanvragers kunnen via deze maatregel subsidie verkrijgen voor niet productieve investeringen. Dit betekent dat zij enkel subsidie kunnen verkrijgen wanneer zij investeren in waterdoelen, zonder dat deze investering een aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouw- of bosbouwbedrijf tot gevolg heeft.

 

Bovenwettelijke investeringen

Alleen bovenwettelijke investeringen zijn subsidiabel. De provincie stimuleert geen projecten die behoren bij een goede landbouw praktijk om aan wettelijke verplichtingen te voldoen, of aan wettelijke verplichtingen die in voorbereiding zijn. Onder ‘niet-productieve investeringen’ worden investeringen verstaan die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouw- of bosbouwbedrijf tot gevolg hebben.

 

 

Artikel 2. Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan:

 

  • a)

    landbouwers;

  • b)

    grondeigenaren;

  • c)

    grondgebruikers;

  • d)

    landbouworganisaties;

  • e)

    natuur- en landschapsorganisaties;

  • f)

    gemeenten;

  • g)

    waterschappen;

  • h)

    provincies;

  • i)

    samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen, waarvan in ieder geval minimaal één deelnemer uit de categorie a, b, of c komt.

 

De regeling staat open voor alle bovenstaande organisaties die niet-productieve investeringen uitvoeren die betrekking hebben op het doel van deze openstelling als omschreven in artikel 1.

 

Om voor kleinere niet-productieve investeringen een aanvraag te kunnen indienen wordt geadviseerd gezamenlijk een aanvraag in te dienen, zodat het totale subsidiabele bedrag hoger is dan de ondergrens van € 250.000,-.

 

Artikel 3. Subsidiabele kosten

In dit artikel staan alle subsidiabele kostensoorten die in een begroting kunnen worden opgenomen.

Enkele van deze kostensoorten worden hieronder nader toegelicht.:

 

  • a en b:

    de kosten van de bouw en verbetering van onroerende zaken en de kosten van verwerving of leasing van onroerende zaken;Niet-productieve investeringen worden gezien als een vorm van het verbeteren van onroerende goederen, waaronder grond en infrastructuur, vanuit milieuoogpunt of andere omgevingsaspecten, zonder dat deze investeringen bijdragen aan de waarde of rentabiliteit van het bedrijf. Voor bepaalde (her)inrichtings¬maatregelen of transformatie van oppervlaktelichamen zijn ook bouwkosten voorzien in deze regeling.

  • e.

    Algemene kosten: Hieronder vallen bijvoorbeeld de kosten voor de inhuur van technische expertise of juridisch advies die voor het opstellen van een bestek of andere voorbereidende werkzaamheden noodzakelijk zijn, de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied, zoals een studie naar de gevolgen van de investering op het milieu of de kosten voor een haalbaarheidstudie.

 

Voor een gedetailleerde toelichting op de subsidiabele kosten wordt verwezen naar de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) provincie Flevoland 2014-2020 http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Flevoland/CVDR389957/CVDR389957_6.html en het Handboek Aanvragers POP3 Subsidie, dat te vinden is op de site van het Regiebureau POP3: www.regiebureau-pop.eu

 

 

Artikel 4. Hoogte subsidie

De subsidiabele kosten in een project worden 100% gesubsidieerd; de subsidie bestaat voor 100% uit ELFPO middelen.

 

Er geldt een ondergrens: de som van de subsidiabele kosten moet minimaal € 250.000,- bedragen. Subsidie van minder dan deze ondergrens wordt niet uitgekeerd. Met deze bepaling wil de provincie te hoge uitvoeringskosten van POP3 tegengaan en tegelijkertijd samenwerking tussen aanvragers stimuleren.

 

Attentiepunt: een subsidieaanvraag voor een bedrag van € 250.000,- kan worden geweigerd als na de beoordeling een deel van de kosten niet subsidiabel blijkt te zijn.

 

 

Artikel 5. Rangschikking

 

De tendersystematiek

In de openstelling is precies aangegeven welke termijn voor de indiening van aanvragen wordt gehanteerd. De start- en einddatum en -tijd worden hierbij strikt in acht genomen. De openstellingsperiode loopt van maandag 3 september 2018, 9.00 uur tot en met vrijdag 23 november 2018, 17.00 uur. In deze periode kunnen aanvragen worden ingediend.

 

Wij adviseren aanvragers zich tijdig en terdege te oriënteren op de aanvraagprocedure: na sluiting van de indieningstermijn kunnen aanvragen niet meer gewijzigd of aangevuld worden.

 

Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een rangorde op een lijst geplaatst. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend. Voor elk project geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te komen.

Het doel van deze systematiek is om de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt overschreden, de projecten met de laagste scores geen subsidie ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt, dan worden alle projecten die de minimumscore hebben gehaald, gesubsidieerd.

 

De behandeling van de subsidieaanvragen loopt via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Uiterlijk 22 weken na sluiting van de openstelling (naar verwachting medio 2e kwartaal 2019) worden de beschikkingen afgegeven.

 

 

Toelichting op de selectiecriteria

Voor het bepalen van de rangorde van projecten zijn vier selectiecriteria benoemd. Deze zijn gebaseerd op het Handboek Selectiecriteria POP3.

 

De aanvragen worden op kwaliteit beoordeeld aan de hand van een aantal criteria:

  • a.

    effectiviteit;

  • b.

    haalbaarheid/kans op succes;

  • c.

    urgentie;

  • d.

    efficiëntie.

Per criterium kunnen minimaal 0 en maximaal 5 punten gegeven worden. Aan elk criterium is een wegingsfactor toegekend. In deze openstelling weegt het criterium ‘effectiviteit’ het zwaarst met een wegingsfactor van 4. Dit om te voorkomen dat minder effectieve maatregelen die hoog scoren op de overige criteria in aanmerking komen voor subsidie.

 

a. Effectiviteit (weging: 4)

Effectiviteit: de bijdrage die de investering levert aan de (beleids)doelstelling(en) van deze openstelling. Dit wordt voor deze openstelling beoordeeld op basis van de bijdrage van de investering aan de doelen zoals benoemd in artikel 1, lid 1 en 2 en de bijbehorende toelichting. Voor een uitgebreide toelichting op de beleidsdoelen en de prioritering daarin, zie ook de algemene toelichtingsparagraaf.

 

Bij de beoordeling in welke mate de activiteit bijdraagt aan de doelen, wordt ook het karakter van de activiteit meegewogen. Zo scoren activiteiten die aan de voorkant verontreiniging voorkomen (minder gewasbeschermingsmiddelen, minder nutriënten) beter dan de zogenaamde ‘end of pipe’ maatregelen.

 

Scores:

  • 0 punten: Zeer geringe bijdrage; Het project draagt slechts in zeer geringe mate bij aan het criterium;

  • 1 punt: Geringe bijdrage; Het project draagt in geringe mate bij aan het criterium;

  • 2 punten: Matige bijdrage; Het project draagt matig bij aan het criterium;

  • 3 punten: Voldoende bijdrage; Het project draagt in voldoende mate bij aan het criterium;

  • 4 punten: Goede bijdrage; De bijdrage van het project aan het criterium is goed;

  • 5 punten: Zeer goede bijdrage; Een project scoort zeer goed op het criterium als de bijdrage van een project meer is dan redelijkerwijs van een project verwacht mag worden.

 

b. Haalbaarheid/kans op succes (weging: 2)

Haalbaarheid/kans op succes: De kans dat het project succesvol uitgevoerd kan worden en/of succesvol zal zijn in het ‘verder gaan’. Of een project haalbaar is, zal worden bepaald aan de hand van de kwaliteit van het projectplan en aan de hand van de situatie in het veld/het (aantoonbare) draagvlak voor het project. In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • -

    In projectplan opgenomen vereisten aan de kwaliteit (deskundigheid, ervaring) van de projectleider;

  • -

    Hoe realistisch is het projectplan;

  • -

    Zijn relevante partijen in voldoende mate bij de uitvoering van het plan betrokken;

  • -

    Kent het project een realistische planning, opzet en begroting;

  • -

    Mate waarin het project al is voorbereid/snel in uitvoering kan worden genomen, waarbij wordt gekeken naar het al dan niet reeds verworven zijn van benodigde gronden, het draagvlak voor het plan en de mate waarin vergunningen reeds zijn verkregen.

 

Scores:

  • 0 punten: de kans op succes/haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten zeer gering;

  • 1 punt: de kans op succes/haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten gering;

  • 2 punten: de kans op succes/haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten matig;

  • 3 punten: de kans op succes/haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten voldoende;

  • 4 punten: de kans op succes/haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten goed;

  • 5 punten: de kans op succes/haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten zeer goed.

 

 

c. Urgentie (weging 3)

Urgentie moet hier opgevat worden als de noodzaak om het probleem aan te pakken en op welke termijn dat noodzakelijk is, in relatie tot de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water, de Nitraatrichtlijn, de voor Flevoland benoemde knelpunten in het Waterbeheerplan en/of de Flevolandse opgaven zoals beschreven in de algemene toelichting en de toelichting op artikel 1.

 

De scores zijn:

  • 0 punten als een opgave wordt aangepakt die noodzakelijk is maar pas op zeer lange termijn aangepakt hoeft te worden;

  • 1 punt als een opgave wordt aangepakt die noodzakelijk is maar pas op langere termijn aangepakt hoeft te worden;

  • 2 punten als een opgave wordt aangepakt die noodzakelijk is en binnen afzienbare termijn aangepakt moet worden;

  • 3 punten als een opgave wordt aangepakt die noodzakelijk is en op relatief korte termijn aangepakt moet worden;

  • 4 punten als een opgave wordt aangepakt die noodzakelijk is en snel aangepakt moet worden;

  • 5 punten als een opgave wordt aangepakt die noodzakelijk is en onmiddellijk aangepakt moet worden.

 

d. Efficiëntie (weging: 3)

Efficiëntie wordt bepaald door de redelijkheid van kosten van de investering. Gegeven de resultaten van de investering, hoe redelijk zijn de opgevoerde kosten en in hoeverre wordt op een goede manier gebruik gemaakt van reeds bestaande bronnen (kennis, kunde, middelen)? De ‘efficiëntie’ is ook wel te vertalen als ‘value for money’ of de titel ‘beste koop’: is dit het beste project/product, gerelateerd aan de prijs.

 

Scores:

  • 0 punten = geen efficiënte inzet van middelen; Kosten worden niet doelmatig gemaakt en middelen niet doelmatig ingezet;

  • 1 punt = gering. De opgevoerde kosten en inzet middelen zijn onvoldoende doelmatig;

  • 2 punten = matig. Doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is matig;

  • 3 punten= voldoende. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is voldoende;

  • 4 punten = goed. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten is goed, ze staan in goede verhouding tot het doel van de subsidie;

  • 5 punten = zeer goed. De opgevoerde kosten zijn zeer doelmatig, de opgevoerde kosten zijn zeer redelijk en er wordt op een zeer goede manier gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde.

 

 

Toelichting scores bij de selectiecriteria effectiviteit en haalbaarheid

Per selectiecriterium kunnen scores tussen de 0 en 5 punten worden behaald; 0, 1, 2, 3, 4 of 5 punten.

Deze scores worden voor de criteria effectiviteit, kans op succes en innovativiteit als volgt beoordeeld:

 

  • 0 punten: Zeer geringe bijdrage; Het project draagt slechts in zeer geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel waterbesparende maatregelen te stimuleren, waar subsidie wordt gevraagd voor één enkele regenton.

     

  • 1 punt: Geringe bijdrage; Het project draagt in geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel de vermindering van emissies van milieubelastende stoffen, waar een aanzienlijke subsidie wordt gevraagd voor een investering waarbij de emissies iets verminderen, maar de emissies nog substantieel blijven.

 

  • 2 punten: Matige bijdrage; Het project draagt matig bij aan het criterium.

    Bijvoorbeeld omdat het project vergelijkbaar is met een eerder uitgevoerd project (in dezelfde regio) en slechts een beperkt effect op het criterium heeft. De aanvrager maakt bovendien weinig gebruik van de ervaringen uit het eerdere project.

 

  • 3 punten: Voldoende bijdrage; Het project draagt in voldoende mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een geringer grondstoffen gebruik als doel, waar subsidie wordt gevraagd voor een investering waardoor een grondstof (bv. fosfaat) nog wel nodig is, maar – gelet op de projectkosten - wel aanzienlijk minder.

 

  • 4 punten: Goede bijdrage; De bijdrage van het project aan het criterium is goed. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een meer gesloten kringloop als doel, waar een relatief beperkte subsidie wordt gevraagd terwijl het project er toe leidt dat de kringloop op bedrijfsniveau vrijwel volledig gesloten wordt.

 

  • 5 punten: Zeer goede bijdrage; Een project scoort zeer goed op het criterium als de bijdrage van een project meer is dan redelijkerwijs van een project verwacht mag worden. Bijvoorbeeld een project sluit meerdere kringlopen, waardoor er een bepaalde grondstof niet meer nodig is en er ook geen emissies van milieubelastende stoffen meer plaatsvinden.

 

Toelichting scores selectiecriterium Efficiëntie

Voor het criterium efficientie worden de scores iets anders beoordeeld maar als volgt bezien:

 

  • 0 punten = Kosten worden niet doelmatig gemaakt en middelen niet doelmatig ingezet.

    De opgevoerde projectkosten zijn te hoog. Er wordt geen gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde. De aanvrager gaat opnieuw het wiel uitvinden.

 

  • 1 punt = gering. De opgevoerde kosten en inzet middelen zijn onvoldoende doelmatig. Opgevoerde projectkosten zijn hoog. De aanvrager geeft wel blijk van kennis van bestaande kennis en kunde, maar gebruikt die kennis niet of nauwelijks bij de uitvoering van het project. De aanvraag bevat bijvoorbeeld veel uren van adviseurs in plaats van de bestaande kennis en kunde te gebruiken.

 

  • 2 punten = matig. Doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is matig.

    De bestaande kennis en kunde is in kaart gebracht en is gebruikt voor de basis van het projectplan. De opgevoerde projectkosten zijn matig hoog.

 

  • 3 punten= voldoende. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is voldoende.

    De opgevoerde projectkosten zijn redelijk. De bestaande kennis en kunde is in kaart gebracht en is gebruikt voor de basis van het projectplan.

 

  • 4 punten = goed. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten is goed, ze staan in goede verhouding tot het doel van de subsidie. Het project wordt efficiënt uitgevoerd. De aanvrager maakt ook tijdens de uitvoering van het project gebruik van de bestaande kennis en kunde, bijvoorbeeld als toetsingsmoment.

 

  • 5 punten = zeer goed. De opgevoerde kosten zijn zeer doelmatig, de opgevoerde kosten zijn zeer redelijk en er wordt op een zeer goede manier gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde. De aanvrager maakt zeer goed gebruik van bestaande kennis en kunde. Bijvoorbeeld van innovaties heeft de aanvrager eerdere vergelijkbare innovaties in kaart gebracht en bouwt daar op voort. Het is voor de aanvrager helder waarom de eerdere projecten zijn misgelopen.

 

Samen met de wegingsfactor bepaalt de gewogen score op deze criteria de positie op de ranglijst.

 

Toelichting op de puntensystematiek

Na sluiting van de openstellingstermijn worden alle aanvragen beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 5 en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek:

 

  • Criterium Effectiviteit: 0-5 punten, gewicht 4

  • Criterium Haalbaarheid/Kans op resultaat: 0-5 punten, gewicht 2

  • Criterium Urgentie: 0-5 punten, gewicht 3

  • Criterium Efficiëntie: 0-5 punten, gewicht 3

 

Het belangrijkste bij het beoordelen van aanvragen is natuurlijk dat de investeringen bijdragen aan de doelen van de regeling, vandaar dat het criterium effectiviteit een wegingsfactor 4 heeft gekregen.

En uiteraard is ook de noodzaak op korte termijn medebepalend bij het toekennen van de subsidie. Vandaar dat dit criterium een weging van 3 heeft gekregen. Omdat subsidie bij voorkeur efficiënt ingezet wordt, dat wil zeggen met optimale inzet van middelen, heeft het criterium efficiëntie een wegingsfactor van 3 punten.

Het is bijna vanzelfsprekend dat een ingediend project kans van slagen heeft; investeren in onhaalbare plannen is natuurlijk niet logisch. Er wordt dan ook vanuit gegaan dat niet haalbare plannen niet worden ingediend. Maar om de mate van succes wel mee te laten wegen bij de beoordeling, krijgt het criterium haalbaarheid een weging van 2.

 

 

Minimum aantal punten

Het minimaal aantal te behalen punten moet 36 zijn, dit komt overeen met een gewogen ‘rapportcijfer’ 6. Als een aanvraag minder dan 36 punten scoort, wordt de aanvraag niet gehonoreerd.

 

 

Plafond behaald en gelijke puntentelling

Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal totaalpunten hebben gekregen en hun som dusdanig is dat het subsidieplafond wordt overschreden, dan vindt tussen hen een prioritering plaats op de afzonderlijke scores in de volgorde: a. effectiviteit, c. urgentie, d. efficiëntie en b. haalbaarheid/kans op succes.

Mochten ook deze afzonderlijke scores gelijkluidend zijn, dan wordt de rangschikking bepaald door loting.

 

 

Artikel 6. Adviescommissie

De scores worden vastgesteld door een adviescommissie die bestaat uit meerdere leden van buiten de provincie Flevoland. De leden van de adviescommissies zullen de scores van de aanvraag bepalen. Dit moet een gelijke en transparante behandeling van de aanvragers garanderen.

 

 

Artikel 7. Weigeringsgronden

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor bovenwettelijke activiteiten.

 

In het Programmadocument POP3 is in het maatregelfiche ‘niet-productieve investeringen water’ opgenomen dat geen investeringen worden ondersteund om aan eisen te voldoen die direct voortvloeien uit de EU-richtlijnen. Omdat deze zin voor meer dan één uitleg vatbaar was, is in de notificatie POP3 deze passage scherper geformuleerd, namelijk:

"Voor deze submaatregel is de investering er op gericht verder te gaan dan de eisen die direct en rechtstreeks voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water of Nitraatrichtlijn, zoals beschreven in de basismaatregelen KRW (artikel 11, lid 3, onder a t/m l, KRW) en omschreven in de ‘Samenvatting maatregelprogramma’ van de stroomgebiedbeheerplannen."

 

Flevoland ligt in het stroomgebied van de Rijn. Het rapport ‘Maatregelprogramma Rijn 2016-2021 – samenvatting’ kent de volgende hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1. Communautaire waterbeschermingswetgeving. Dit betreft het implementeren van de Europese richtlijnen in de nationale wetgeving.

  • Hoofdstuk 2. Overige basismaatregelen. Dit betreft onder andere maatregelen die op basis van generiek beleid worden genomen, gericht op een duurzaam en efficiënt watergebruik, puntbronnen, diffuse bronnen, waterbeweging en hydromorfologie, directe lozing van stoffen in grondwater, prioritaire stoffen en ter voorkoming van calamiteiten.

  • Hoofdstuk 3. Aanvullende maatregelen, met onderscheid naar:

    • o

      Gebiedsgerichte maatregelen, die te herleiden zijn naar een specifieke locatie, op grond van artikel 11, lid 4 van de KRW.

    • o

      Extra maatregelen, waarmee wordt gedoeld op Maatregelen op grond van artikel 11, lid 5 van de KRW. Denk daarbij aan de initiatieven in het kader van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer.

  • Hoofdstuk 4. Maatregelen voor specifieke knelpunten. Hieronder worden onder andere verstaan de aanpak van nutriënten en aanpak van knelpunten in de inrichting van watersysteem (denk aan vispassages en verdrogingsbestrijding).

Op basis van deze formulering in de notificatie POP3 komen alleen de maatregelen als bedoeld in hoofdstuk 3 en 4 uit de samenvatting voor POP3-subsidie in aanmerking.

 

Ook activiteiten die op grond van bijvoorbeeld de keur van het waterschap verplicht zijn, zoals mitigerende maatregelen, komen niet voor subsidie in aanmerking.

In de toetsing van aanvragen in het kader van de Uitvoeringsregeling POP3 zal hiermee rekening worden gehouden.

 

Verder geldt er een ondergrens van € 250.000,- aan subsidiabele kosten (zie ook toelichting bij artikel 4).

 

Ook wordt een subsidieaanvraag afgewezen als deze minder dan 36 punten scoort bij de beoordeling.

 

Artikel 8. Inwerkingtreding

 

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.