2026D44190 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft een aantal vragen en opmerkingen aan de Minister voor Klimaat en Groene Groei voorgelegd over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met de actualisatie van de plicht ter verduurzaming van het energiegebruik» (Kamerstuk 30 196, nr. 863)

De voorzitter van de commissie,

Zwinkels

Adjunct-griffier van de commissie,

Teske

Inhoudsopgave

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

II

Antwoord/Reactie van de Minister

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit in verband met de actualisatie van de plicht ter verduurzaming van het energiegebruiken hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie kijken met zorg naar het advies «niet indienen» van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Hoe weegt de Minister het oordeel van het ATR om dit voorstel niet in te dienen? Welke veranderingen heeft de Minister overwogen om tegemoet te komen aan de adviezen van het ATR? Klopt het dat dit besluit leidt tot circa 1 miljard euro aan regeldrukkosten? Hoe kijkt de Minister naar de afweging dat de kosten voor de energiebesparingsplicht concurreren met grotere CO2-reductieprojecten die per saldo meer klimaateffect hebben en beter zijn voor het concurrentievermogen?

Waarom heeft de Minister ervoor gekozen geen impactanalyse uit te voeren van de verhoging van de terugverdientijd van vijf naar zeven jaar? Is de Minister bereid dat alsnog te doen? Is de Minister ook bereid om te kijken naar de gevolgen van de aanscherping voor bestaande fiscale en subsidie-instrumenten?

De leden van de VVD-fractie stonden achter het besluit van het vorige kabinet om de ondergrens van de energiebesparingsplicht voor elektriciteit op te hogen naar 100.000 kilowattuur (kWh). Dit maakte de plicht uitvoerbaarder voor ondernemers en ook beter handhaafbaar. Deze leden kijken dan ook kritisch naar het voorgenomen besluit om de eerder aangekondigde ophoging van de ondergrens van de energiebesparingsplicht voor elektriciteit terug te draaien. Bij kleine bedrijven weegt de administratieve last het zwaarst. Hoe kijkt de Minister naar de kritiek dat de aangescherpte verhoging ervoor zorgt dat de mogelijkheden voor kleine ondernemers om gebruik te maken van besparingspotentieel worden ingeperkt? Hoe interpreteert de Minister de effectentoets waaruit blijkt dat kleinere bedrijven de grootste belemmeringen hebben om aan de plicht te voldoen: minder financiële reserves, minder technische capaciteit en minder ruimte om investeringen naar voren te halen? Zou de Minister deze kleinere bedrijven niet beter moeten ondersteunen, in plaats van hen een extra plicht en rapportages op te leggen? De onderzoeken van CE Delft en de Algemene Rekenkamer hebben geadviseerd een nieuwe ondergrens te overwegen, ook omdat de kosten van handhaving en energiebaten onvoldoende in evenwicht waren. Kan de Minister hierop reflecteren?

De leden van de VVD-fractie zien tot slot ook positieve aanpassingen in het besluit. Vooral het schrappen van de onderzoeksplicht voor sectoren met uniforme processen of overwegend gebouwgebonden energiegebruik kan op instemming rekenen. Overweegt de Minister nog meer versimpeling of standaardisatie? Wordt er gewerkt aan centrale richtlijnen voor toezicht en handhaving? Hoe wordt landelijke uniformiteit in uitleg en toepassing van de regeling geborgd? Wanneer vindt de volgende evaluatie van de energiebesparingsplicht plaats?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie

De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit ontwerpbesluit. De leden hebben hierover nog enkele vragen.

De leden van de PRO-fractie lezen dat een verhoging naar tien jaar aanvankelijk is overwogen, maar is afgevallen omdat deze termijn «buiten de investeringshorizon van de meeste bedrijven en instellingen» zou liggen. Waar baseert de Minister deze constatering op? Deze leden vragen daarbij of dit voor alle sectoren even sterk geldt, of vooral voor het midden- en kleinbedrijf (mkb), omdat grote industriële bedrijven doorgaans al met een langere investeringshorizon werken. Zou er geen onderscheid kunnen worden gemaakt in deze verschillende typen bedrijven? Kan de Minister een indicatieve inschatting geven van de extra CO2-reductie die een terugverdientijd van tien jaar zou opleveren ten opzichte van zeven jaar? Deze leden vragen ten slotte of de verhoging naar zeven jaar als tussenstap is bedoeld, en of de Minister bij de volgende vierjaarlijkse actualisatie een verdere verhoging richting tien jaar wil onderzoeken.

De leden van de PRO-fractie begrijpen dat circa 1.400 van de 4.200 locaties niet langer onder de onderzoeksplicht vallen. Kan de Minister een inschatting geven van het besparingspotentieel dat hierdoor mogelijk verloren gaat? Deze ledenvragen de Minister te bevestigen dat deze bedrijven nog steeds gehouden blijven aan de algemene verduurzamingsplicht en de Erkende maatregelenlijsten (EML), en te schetsen welk deel van het besparingspotentieel wordt gemist doordat maatwerkonderzoek naar maatregelen buiten de EML vervalt.

De leden van de PRO-fractie vragen of in plaats van een volledige uitzondering voor sectoren als defensie en zorg een lichtere onderzoeksplicht is overwogen.

Deze leden lezen dat sprake is van «een ruime verdubbeling van de capaciteit voor toezicht bij de omgevingsdiensten». Zij vragen hoe deze capaciteit zich verhoudt tot het totale aantal informatieplichtige bedrijven, en welk effect de verschuiving van de informatieplicht van verhuurder naar huurder heeft op de benodigde handhavingscapaciteit, en of hiervoor extra middelen zijn voorzien.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met de actualisatie van de plicht ter verduurzaming van het energiegebruik.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de energiebesparingsplicht niet alleen wordt gewijzigd door de terugverdientijd te verhogen van vijf naar zeven jaar, maar dat de regeling ook beter uitvoerbaar wordt gemaakt door de doelgroep waarvoor de onderzoeksplicht geldt op verantwoorde wijze te verkleinen. Deze leden begrijpen de intentie achter deze wijzigingen, maar hebben daarbij nog wel de nodige vragen.

De leden van de CDA-fractie merken op dat het verhogen van de terugverdientijd van vijf naar zeven jaar naar verwachting 11 petajoule (PJ) aan extra energiebesparing en 596 kiloton (kton) aan CO2-reductie zal opleveren. Daarbij wordt echter de kanttekening geplaatst dat bij circa 62% van de geïdentificeerde maatregelen die deze besparingen moeten opleveren, organisatorische, technische of economische belemmeringen zijn geconstateerd, waardoor deze maatregelen niet (direct) kunnen worden uitgevoerd. Dit roept bij deze leden de vraag op welk deel van het geraamde potentieel naar verwachting daadwerkelijk realiseerbaar is. Zij vragen de Minister om de gevolgen van deze belemmeringen voor het energiebesparingspotentieel scherper in beeld te brengen en daarbij inzichtelijk te maken in hoeverre en op welke termijn het geraamde energiebesparingspotentieel realiseerbaar is.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister tevens om te verduidelijken welke belemmeringen de meeste impact hebben op de mogelijkheid om maatregelen te treffen die leiden tot energiebesparing en op welke wijze, binnen welke termijn en in welke mate die belemmeringen weggenomen kunnen worden. Hoe zal worden omgegaan met belemmeringen die bedrijven niet zelf kunnen oplossen, zoals netcongestie, vergunningverlening of een beperkte beschikbaarheid van installateurs en technologie? Deze leden merken op dat netcongestie expliciet wordt genoemd als reden waarom maatregelen niet afdwingbaar zijn. In hoeverre geldt dat ook voor andere belemmeringen waar bedrijven en instellingen aantoonbaar zelf geen invloed op hebben?

De leden van de CDA-fractie vragen voorts de Minister toe te lichten hoe wordt voorkomen dat de energiebesparingsplicht bedrijven verplicht tot investeringen die weliswaar op de lange termijn rendabel zijn, maar die op de korte termijn niet kunnen worden gefinancierd. In dit kader vragen deze leden specifiek aandacht voor het mkb en de aangekondigde Energiebesparingslening voor het mkb die vanaf eind 2026 beschikbaar zou moeten zijn. Kan de Minister bevestiging dat deze regeling inderdaad beschikbaar zal zijn op het moment dat de nieuwe verplichting per 1 juli 2027 ingaat? In hoeverre is de omvang van deze regeling voldoende om aan de financieringsbehoefte van het mkb te voldoen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met de actualisatie van de plicht ter verduurzaming van het energiegebruik. Deze leden onderschrijven het belang van betaalbare en betrouwbare energie en een sterke concurrentiepositie voor het Nederlands verdienvermogen. Zij erkennen dat energiebesparing een rol kan spelen en komen daartoe tot de volgende vragen over het ontwerpbesluit.

De leden van de JA21-fractie vragen welke besparing nog kan worden gerealiseerd door betere naleving van de bestaande verplichtingen, en welk extra resultaat juist de aanscherping naar zeven jaar oplevert. Welke meetbare resultaten en welk evaluatiemoment verbindt zij aan de gekozen aanpak?

De leden van de JA21-fractie hoe dit ontwerpbesluit zich verhoudt tot de heersende netcongestie. Verwacht de Minister dat alle investeringen gedaan kunnen worden zolang netcongestie een probleem blijft? Wanneer bedrijven door netcongestie niet aan de verplichting kunnen voldoen, hoe worden zij gevrijwaard van de verplichting?

De leden van de JA21-fractie lezen dat distributiecentra worden genoemd bij de sectoren waarvoor een afzonderlijk onderzoek onnodig belastend kan zijn. Tegelijkertijd blijft artikel 3.285 van het Bal in de opsomming staan. Welke distributiecentra worden daadwerkelijk vrijgesteld? Kan de Minister met een voorbeeld verduidelijken hoe wordt bepaald welke plicht geldt bij een vestiging met zowel uitgezonderde als niet-uitgezonderde activiteiten?

De leden van de JA21-fracte vragen of de Minister voor een bedrijfsverzamelgebouw met meerdere zelfstandige huurders en één energiemeter kan uiteenzetten wie maatregelen moet treffen, wie rapporteert en welk energiegebruik voor iedere drempel telt. Hoe wordt voorkomen dat ondernemers zonder toegang tot de noodzakelijke gegevens verantwoordelijk worden gehouden voor een onvolledige rapportage?

De leden van de JA21-fractie lezen dat de extra investeringen door de verhoogde terugverdientijd circa 1 miljard euro bedragen. De verwachting van de Minister is dat deze investeringen binnen vijf tot zeven jaar worden terugverdiend bij gelijkblijvende prijzen. Uit stukken van het kabinet blijkt een prognose van dalende energieprijzen maar oplopende vaste kosten zoals netbeheerkosten. Kan financieel worden toegelicht wat er met het terugverdienvermogen gebeurt wanneer dit bovenstaande scenario in de praktijk komt?

De leden van de JA21-fractie lezen de toelichting dat het kabinet geen of beperkte extra lasten verwacht doordat huurders de procesmaatregelen zelf gaan rapporteren. Is dit met representatieve kleine bedrijven getest? Welke tijd en kosten vergen toegang tot het loket, gegevensverzameling, afstemming met verhuurders en eventuele adviesverlening? Hoe wordt de lastenverschuiving per groep inzichtelijk gemaakt, in plaats van alleen het saldo voor huurders en verhuurders samen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met de actualisatie van de plicht ter verduurzaming van het energiegebruik. Deze leden onderschrijven het belang van energiebesparing wanneer deze maatregelen daadwerkelijk uitvoerbaar, betaalbaar en bedrijfseconomisch verantwoord zijn. Zij waarderen dat het kabinet tegelijkertijd stappen zet om de onderzoeksplicht gerichter toe te passen en onnodige administratieve lasten te verminderen. Zo vervalt de onderzoeksplicht voor circa 1.400 bedrijven en instellingen en wordt deze onder meer geschrapt voor verschillende activiteiten binnen de agrarische sector. Maar tegenover het schrappen van administratieve verplichtingen lezen deze leden een aanzienlijke uitbreiding van de materiële investeringsplicht voor ondernemers. Dat raakt bedrijven direct in hun investeringsruimte en kan betekenen dat geld dat anders beschikbaar zou zijn voor personeel, innovatie, productievernieuwing, veiligheid of bedrijfscontinuïteit verplicht naar energiebesparende maatregelen moet gaan. Het kabinet erkent dit risico zelf door hiervoor een aparte financieringsregeling voor het mkb aan te kondigen.

De leden van de BBB-fractie hebben zorgen over de verhoging van de maximale terugverdientijd van vijf naar zeven jaar. Daarmee worden bedrijven verplicht om een bredere groep verduurzamingsmaatregelen uit te voeren. Uit de toelichting blijkt dat hiermee potentieel circa € 1 miljard aan initiële investeringen is gemoeid. Bovendien bestaan bij ongeveer 62% van de geïdentificeerde maatregelen organisatorische, technische of economische belemmeringen waardoor deze niet zonder meer kunnen worden uitgevoerd. Deze leden vragen de regering daarom nader toe te lichten waarom een terugverdientijd van zeven jaar in de praktijk als een redelijke en proportionele grens wordt beschouwd. Dat een investering zich op papier binnen zeven jaar terugverdient, betekent immers niet automatisch dat een ondernemer op dit moment beschikt over voldoende liquiditeit, financieringsruimte, personeel of technische mogelijkheden om de investering daadwerkelijk te doen. Kan de Minister uiteenzetten hoe bij toezicht en handhaving rekening wordt gehouden met de feitelijke financiële positie en investeringsmogelijkheden van een onderneming?

De leden van de BBB-fractie constateren bovendien dat vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de voorbereidende fase de verhoging van vijf naar zeven jaar als een onnodige aanscherping hebben beschouwd, mede omdat de effecten van de wijzigingen uit 2023 volgens hen nog niet goed zichtbaar waren. Zij vragen de Minister hoe zij deze zorgen heeft gewogen. Waarom acht de Minister een nieuwe aanscherping nu reeds noodzakelijk, terwijl vanuit de sector wordt aangegeven dat nog onvoldoende zicht bestaat op de effecten van de vorige wijziging? Is onderzocht wat uitsluitend versterkte naleving en handhaving van de bestaande vijfjaarstermijn zou opleveren voordat wordt gekozen voor een verdere uitbreiding van de verplichting?

De leden van de BBB-fractie zijn daarnaast benieuwd hoe de Minister voorkomt dat verplichte energiebesparingsinvesteringen andere noodzakelijke bedrijfsinvesteringen verdringen. In de toelichting wordt expliciet genoemd dat ondernemers ook moeten investeren in bijvoorbeeld productievernieuwing, digitalisering, personeel, veiligheid en continuïteit (p.11). Kan de Minister garanderen dat een ondernemer niet in de situatie komt dat een verduurzamingsmaatregel weliswaar theoretisch rendabel is, maar feitelijk ten koste gaat van het voortbestaan of de concurrentiekracht van het bedrijf?

De leden van de BBB-fractie vragen daarbij specifiek aandacht voor regionale en mkb-bedrijven, die doorgaans minder financiële en organisatorische ruimte hebben dan grote ondernemingen om investeringen naar voren te halen. Kan de Minister aangeven welke gevolgen de verhoging van de terugverdientijd naar verwachting heeft voor verschillende bedrijfsgroottes en sectoren? Welk deel van de geraamde investeringslast van circa € 1 miljard komt naar verwachting terecht bij het mkb?

De leden van de BBB-fractie zijn positief over het uitgangspunt dat een maatregel niet afdwingbaar is wanneer deze vanwege netcongestie niet kan worden uitgevoerd, bijvoorbeeld omdat een benodigde uitbreiding van de elektriciteitsaansluiting niet beschikbaar is. Zij vragen de Minister echter hoe dit in de praktijk wordt vastgesteld. Is een verklaring van de netbeheerder voldoende? Wordt ook rekening gehouden met lange wachttijden, onzekerheid over toekomstige netcapaciteit en buitenproportioneel hoge aansluitkosten? Kan de regering bevestigen dat ondernemers niet worden gesanctioneerd voor omstandigheden waarop zij zelf geen invloed hebben?

De leden van de BBB-fractie willen tenslotte benadrukken dat zij energiebesparing die zichzelf terugverdient niet afwijzen. Voor deze leden is het echter essentieel dat beleid ook in de praktijk uitvoerbaar en financierbaar blijft. Een investering die op papier rendabel is, is niet automatisch een investering die een ondernemer vandaag kan dragen. De vermindering van onnodige onderzoekslasten is daarom een goede stap, maar mag geen rechtvaardiging worden voor een generieke investeringsverzwaring zonder voldoende oog voor de dagelijkse realiteit van ondernemers.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende ontwerpbesluit. Zij zijn van mening dat het voorliggende ontwerpbesluit onvoldoende recht doet aan de eerdere analyse van de Algemene Rekenkamer en de kritische reactie van het ATR. Zij hebben enkele vragen over de voorgenomen verlenging van de terugverdientermijn van vijf naar zeven jaar en het niet doorvoeren van de hogere drempel voor het elektriciteitsgebruik.

De leden van de SGP-fractie hebben in de Troonrede gehoord dat het kabinet wil werken aan minder regelzucht en controledwang en dat zij zichzelf wil beheersen bij het maken van nieuwe regels. Deze leden horen graag hoe deze inzet zich verhoudt tot het voorliggende ontwerpbesluit, mede gelet op de uiterst kritische reactie van ATR. Erkent de Minister dat er spanning is tussen de inzet op minder regeldruk en dergelijke (aanscherpingen van) regels voor verduurzaming? Waarom heeft de Minister er desondanks voor gekozen de verlenging van de terugverdientermijn door te zetten? Waarom heeft de Minister er niet voor gekozen tenminste de drempel voor het elektriciteitsgebruik te verhogen naar 100.000 kWh, zoals eerder voorgesteld (Kamerstuk 30 196, nr. 857), of hoger?

De leden van de SGP-fractie hebben grote vraagtekens bij het voorstel om de terugverdientermijn te verhogen naar zeven jaar. Zij wijzen op de grote problemen bij de handhaving van de huidige energiebesparingsplicht, zoals ook aangegeven door de Algemene Rekenkamer en ATR. Een deel van de bedrijven voldoet zelfs nog niet aan de informatieplicht. Heeft de Minister inmiddels vastgesteld dat de handhaving inmiddels op orde is? Zo ja, op basis waarvan?

De leden van de SGP-fractie willen erop wijzen dat wanneer de energiebesparingsplicht wordt aangescherpt het lastiger wordt om bedrijven financieel te steunen bij het nemen van besparende maatregelen. Deze leden horen graag welke gevolgen de verlenging van de terugverdientermijn heeft voor de mogelijkheden voor (mkb-)bedrijven om gebruik te maken van de Energie-Investeringsaftrek (EIA) en de subsidieregeling Versnelde klimaatinvesteringen industrie, nu wettelijke verplichtingen hiervoor in beginsel niet in aanmerking komen. In hoeverre heeft u deze consequenties in combinatie met de vaak al lastige concurrentiepositie van bedrijven ten opzichte van buitenlandse bedrijven meegewogen bij de besluitvorming?

De leden van de SGP-fractie horen graag wat het voorliggende ontwerpbesluit in de praktijk precies betekent voor bedrijven die vanwege de netcongestie- of stikstofproblematiek niet in staat zijn om de door hen gewenste besparende maatregelen te nemen.

De leden van de SGP-fractie willen erop wijzen dat de energiebesparingsplicht voor kleinere bedrijven een relatief grote administratieve last met zich meebrengt en dat handhaving vanwege de grote en diverse doelgroep in de praktijk lastig blijkt te zijn. Deze leden horen graag in hoeverre de Minister deze analyse deelt. Zij constateren dat onder meer de Algemene Rekenkamer heeft geadviseerd om de doelgroep kleiner te maken en te beperken tot de grote bedrijven. Zo kan het toezicht effectiever worden ingericht. Zij horen graag waarom de Minister niet heeft gekozen voor het verhogen van de drempels voor toepassing van de energiebesparingsplicht.

De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een nadere duiding van de gevolgen van de voorgestelde energiebesparingsplicht voor de verschillende sectoren en bedrijfsgroottes (mkb, grootverbruikers).

II Antwoord/reactie van de Minister

Naar boven