2022D19602 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

De vaste commissie voor Financiën heeft op 17 mei 2022 enkele vragen en opmerkingen aan de Minister van Financiën voorgelegd over haar op 14 april 2022 toegezonden brief inzake de stand van zaken invoering van het register met gegevens van uiteindelijk belanghebbenden van juridische entiteiten (UBO-register) (Kamerstuk 32 545, nr. 168).

De voorzitter van de commissie, Tielen

De adjunct-griffier van de commissie, Lips

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stand van zaken met betrekking tot de invoering van het register met gegevens van uiteindelijk belanghebbenden van juridische entiteiten (UBO-register). Deze leden onderschrijven de noodzaak van een daadkrachtige aanpak tegen witwassen en fraudebestrijding. Deze leden vragen de Minister in dat kader om een actuele stand van zaken op alle aangekondigde maatregelen in het plan van aanpak witwassen dat op 30 juni 2019 naar de Kamer is gestuurd1.

Tegelijkertijd hebben deze leden zorgen over de wijze waarop de registratieverplichtingen bij de Kamer van Koophandel (KvK) en financiële instellingen op dit moment uitwerken voor goedwillende kleine ondernemers, freelance journalisten en bestuurders van vrijwilligersorganisaties zoals sportclubs. In het bijzonder blijven deze leden zorgen houden over dat er situaties zich kunnen voordoen waarbij sprake is van bedreiging of afpersing richting personen die als UBO staan geregistreerd als gevolg van openbaarheid van gegevens zoals het vestigingsadres, wat hetzelfde kan zijn als het privéadres.

De leden van de VVD-fractie vragen de Minister of er signalen zijn waaruit blijkt dat UBO’s worden bedreigd als gevolg van het register. Indien de Minister deze signalen niet heeft, verwacht zij dat deze signalen haar kunnen bereiken indien het voorkomt? Ook vragen deze leden de Minister waarom pas als er sprake is van politiebescherming gegevens worden afgeschermd? Deelt de Minister de mening dat er op dat moment al sprake is van dreiging en afscherming daarmee te laat komt? Waarom is niet gekozen voor een lichter criterium, zoals een politiemelding, aangifte, zorgen over en/of vermoeden van potentiële dreiging? Kan de Minister tot slot bevestigen dat de richtlijn meer ruimte biedt dan de wijze waarop Nederland deze heeft geïmplementeerd en dat vrees voor fraude, pesterijen of intimidatie al voldoende grond zijn om gegevens af te schermen op basis van de richtlijn? Is de Minister bereid om op basis hiervan alsnog gegevens beter af te schermen?

De leden van de VVD-fractie vragen de Minister tevens waarom het Ministerie van Financiën in het openbaar communiceert dat banken voor bestaande klanten het UBO-register niet hoeven te raadplegen, maar banken en verzekeraars dit wel doen en hiertoe ook door de toezichthouder worden aangespoord en/of verplicht2. Erkent de Minister dat banken en verzekeraars in de praktijk wel degelijk de UBO’s controleren bij bestaande klanten? Herkent de Minister ook de signalen vanuit ondernemers en vrijwilligersorganisaties dat banken dreigen rekeningen te blokkeren, banken en verzekeraars een eigen UBO-registratie eisen naast de registratie bij de KvK en dat de KvK en financiële instellingen andere definities van UBO’s hanteren? Herkent de Minister signalen dat regelmatig aanvullende eisen worden gesteld bovenop een UBO-registratie uit het KvK aan ondernemers door instellingen zoals verzekeraars en het Bureau Financieel Toezicht? Is de Minister het met de leden van de VVD-fractie eens dat het onwenselijk is dat deze instellingen eigen eisen stellen bovenop de wettelijke verplichtingen? Kan de Minister zich voorstellen dat dit tot veel frustratie en verwarring leidt bij mensen die onder de registratieplicht vallen en is zij bereid op korte termijn met de toezichthouder, banken en verzekeraars in gesprek te gaan over deze problematiek?

Verder lezen deze leden dat de verwerkingstijden bij de KvK oplopen door de piek in opgaven. Eerder ontvingen deze leden signalen dat het inschrijvingsproces regelmatig stroef verloopt. Wanneer verwacht de Minister dat de achterstand in de inschrijvingen is weggewerkt? Herkent de Minister daarnaast de signalen vanuit financiële instellingen dat de KvK onvoldoende toeziet op de juistheid en volledigheid bij UBO-registraties en dit leidt tot onnodig veel terugmeldingen? Hoe vaak is sprake geweest van een dergelijke terugmelding vanwege onvolledigheid of discrepanties in de registratie bij de KvK en financiële instellingen?

Tot slot zien deze leden over een half jaar de bijgewerkte stand van zaken graag tegemoet en vragen deze leden de Minister de Kamer te informeren zodra het Hof van Justitie van de Europese Unie met de uitspraak komt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van transparantie over uiteindelijk belanghebbenden en hebben daarom met interesse kennisgenomen van de brief van het kabinet over de stand van zaken bij de invoering van het register met gegevens van uiteindelijk belanghebbenden van juridische entiteiten. Wel hebben deze leden hier nog een aantal vragen en opmerkingen bij.

Dat op 27 maart 2022 zo’n 37,7 procent van het totaal aantal registratieplichtigen in het UBO-register was opgenomen vinden de leden van de D66-fractie teleurstellend, aangezien deze leden belang zien in een goed functionerend UBO-register en dat belang onderstreept zien worden door de situatie in Oekraïne. De leden van de D66-fractie zien daarom uit naar de gerichte communicatie en ondersteuning om de registratiegraad te verhogen, maar vragen het kabinet waarom moet worden gewacht tot de afname van de huidige piek en werkvoorraad. Er is toch nu al zicht op welke bedrijven zich nog niet hebben geregistreerd? Het baart de leden van de D66-fractie zorgen dat onder het kopje moties staat geschreven dat de vulperiode op 27 maart 2022 is afgelopen. Daarom horen deze leden graag welk percentage vulling van het UBO-register het kabinet verwacht aan het eind van 2022.

Voorts vragen de leden van de D66-fractie naar wannéér er gehandhaafd gaat worden als bedrijven zich nog steeds niet hebben geregistreerd in het UBO-register. Deze leden kunnen zich voorstellen dat bedrijven met UBO’s die op een sanctielijst staan zich nog niet hebben geregistreerd. Daarom vragen de leden van de D66-fractie hoe ervoor wordt gezorgd dat niet-registreren in het UBO-register de handhaving van de sancties niet ondermijnt. Deze leden vragen voorts hoe een UBO die op een sanctielijst staat een aanleiding kan zijn voor een risico-gebaseerde controle als de UBO van een onderneming niet bekend is. Geeft het gebrekkige aantal registraties aanleiding om de capaciteit van de handhaving te vergroten?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van Minister over de stand van zaken met betrekking tot het UBO-register van 14 april jl. De leden van de CDA-fractie vragen ten eerste wat de stand van zaken is van de inschrijvingen in het UBO-register en wat de stand van zaken is van de verwerking van de inschrijvingen door de KvK en wat de planning is voor de komende periode.

De leden van de CDA-fractie lezen in de brief dat gerichte maatregelen zullen worden ingezet om de registratiegraad te verhogen als blijkt dat de registratie bij specifieke groepen achterblijft. Deze leden vragen wat hiermee wordt bedoeld en of dit ook handhavende of sanctionerende maatregelen kunnen zijn.

De leden van de CDA-fractie lezen in de brief dat bij de handhaving eerst zal worden gekeken naar de juridische entiteiten waar de hoogste risico’s zitten. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of zij dit verder kan toelichten en of zij kan aangeven of er al een inschatting kan worden gemaakt waar de hoogste risico’s zitten. De leden van de CDA-fractie vragen voorts of de Minister nogmaals kan toezeggen dat enkel risico gebaseerd wordt gehandhaafd. De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister het met deze leden eens is dat verenigingen en vrijwilligersorganisaties niet de juridische entiteiten met de hoogste risico’s zijn. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister verder of er al boetes zijn uitgedeeld over het niet voldoen aan de registratieplicht en zo ja, hoeveel.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan toelichten of het duidelijk is hoe financiële instellingen nu moeten omgaan met het Wwft-cliëntenonderzoek, als blijkt dat er geen UBO-registratie is.

De leden van de CDA-fractie lezen dat er tot februari 465.267 uittreksels zijn opgevraagd, exclusief de raadplegingen door bevoegde autoriteiten. Deze leden vragen of de Minister kan aangeven hoeveel raadplegingen zijn gedaan door bevoegde autoriteiten.

De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat er niet kan worden gezocht op persoonsnamen van UBO’s in het register en zo ja, wat hiervan de reden is. Deze leden vragen verder wat de voor- en nadelen zijn als dit wel mogelijk wordt gemaakt.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister reflecteert op de invoering van het UBO-register en het lage aantal inschrijvingen ondanks de inschrijfperiode van anderhalf jaar. Deze leden vragen welke lessen de Minister hieruit trekt.

De leden van de CDA-fractie hebben nog enkele vragen aan de Minister over de beantwoording van de schriftelijke vragen van het lid Inge van Dijk op 11 april jl.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of inmiddels al uitvoering is gegeven aan de toezegging (vraag 7) om de coördinatie van het vrijwilligersbeleid en regeldruk te beleggen bij een departement, zoals ook is geadviseerd door het Adviescollege Toetsing Regeldruk. Zo ja, dan vragen deze leden bij welk departement de coördinatie wordt belegd en of de Minister deze keuze kan toelichten.

De leden van de CDA-fractie lezen (vraag 4) dat de Minister erkent dat het aantrekkelijk houden van het doen van vrijwilligerswerk aandacht verdient. Deze leden zijn van mening dat hiervoor niet alleen op lokaal niveau, maar ook op nationaal niveau beleidsaandacht voor moet zijn. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of zij deze mening deelt en zo ja, hoe zij hier in samenwerking met andere departementen in de komende periode uitvoering aan gaat geven.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Minister aangeeft (vraag 7) dat het vrijwilligersbeleid is belegd bij gemeenten. De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister erkent dat een groot deel van de regeldruk voor vrijwilligersorganisaties voorkomt uit nationale en Europese regelgeving, waarvan het UBO-register een voorbeeld is.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister naar het periodieke contact met belanghebbenden over het UBO-register. Deze leden zijn benieuwd welke punten door belanghebbenden zijn ingebracht ten aanzien van de regeldruk voor vrijwilligersorganisaties door het UBO-register en of de Minister bereid is deze te adresseren.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister bereid is om het initiatief te nemen voor een gezamenlijk overleg tussen de betrokken beleidsdepartementen, gemeenten en belanghebbenden met als doel knelpunten voor vrijwilligersorganisaties in brede zin in kaart te brengen en te werken aan oplossingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van Financiën, waarin zij een update geeft over de invulling van het UBO-register en het handhaven ervan.

De leden van de SP-fractie merken op dat er veel zorgen zijn over de privacy van UBO’s. Deze leden vragen de Minister daarom nog eens uit te leggen welke waarborgen er zijn ten aanzien van de privacy van UBO’s. Kan iedereen te allen tijde alle opgegeven informatie over UBO’s zomaar inzien?

Veel entiteiten hebben nog geen opgave van hun UBO’s gedaan, terwijl zij hier ruim de tijd voor hebben gehad, constateren deze leden. De leden van de SP-fractie achten het logisch dat wordt begonnen met handhaving. Deze leden vragen de Minister hoeveel tijd er volgens haar nodig is voor entiteiten om de benodigde gegevens aan te leveren en of er voldoende tijd zit tussen de waarschuwingsbrief en het opleggen van sancties. Deze leden zouden graag zien dat deze periode lang genoeg is om de benodigde gegevens te kunnen aanleveren.

De leden van de SP-fractie hebben enige zorgen over de «piek in opgaven» zoals de Minister dat noemt. De Minister verwacht dat het door deze piek «een paar maanden» kan duren voor alle inschrijvingen zijn verwerkt. Deze leden vragen de Minister of het wel zo zeker is dat deze piek niet langer voortduurt en het dus ook langer duurt voordat alle inschrijvingen zijn verwerkt. Wil de Minister de Kamer op de hoogte stellen wanneer blijkt dat de wachtrij almaar verder oploopt?

De leden van de SP-fractie vragen de Minister of zij het eens is met het onderzoek van professor Niek Zaman en onderzoeker Hannah Erdman van de Universiteit Leiden dat het UBO-register en het centraal aandeelhoudersregister complementair zijn aan elkaar en dat deze registers uitstekend naast elkaar zouden kunnen bestaan. Denkt de Minister samen met deze leden dat het instellen van een centraal aandeelhoudersregister de strijd tegen fraude en witwassen kan versterken?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met verbazing kennis genomen van de brief aangaande de stand van zaken van het UBO-register. Deze leden hebben hierbij enkele vragen.

Hoe kan het dat zo weinig bedrijven en andere organisaties hun UBO hebben geregistreerd? In de brief wordt gesteld dat BV’s en NV’s relatief veel opgaven hebben gedaan. De leden van de PvdA-fractie vragen of de Minister daadwerkelijk bedoelde dat respectievelijk 38 procent en 33 procent relatief veel opgaven zijn. Dit zijn in de visie van deze leden nog altijd schokkend lage percentages, temeer daar BV’s een aandeelhouderregister dienen te hebben en dat daarmee de UBO eenvoudig te identificeren zou moeten zijn. Kan de Minister voorts bevestigen dat voor deze categorie de verplichting tot het opgeven van een UBO niet onbekend mag zijn? Niet alleen worden deze entiteiten geacht de wet te kennen, er is dermate veel publiciteit rondom het onderwerp geweest dat een serieus ondernemer dit mee heeft moeten gekregen. Deelt de Minister deze mening en wat gaat de Minister doen om de compliance bij deze groep snel hoger te krijgen?

De leden van de PvdA-fractie vragen of het UBO-register van nut is gebleken bij de handhaving van sancties jegens Russische personen en bedrijven. Heeft de Minister nu spijt dat de Minister zo lang heeft gedraald met goede implementatie? Immers, de echte verplichting tot registratie kwam pas op een moment dat gesanctioneerden de sancties konden zien aankomen. Deelt de Minister de mening dat ontwijking van het register zo wel erg eenvoudig werd gemaakt?

Deelt de Minister de mening dat een Centraal Aandeelhoudersregister had geholpen bij de handhaving van sancties? Iedere aandelentransactie om sancties te ontwijken was dan immers in beeld gekomen. Ook had dat niet op zelfrapportage vertrouwd, zodat de kans op ontwijken van register veel kleiner was geweest. Deelt de Minister voorts de mening dat een extra instrument gezien het geringe succes van de sanctiehandhaving in ieder geval geen kwaad had gedaan? Is de Minister bereid de initiatiefwet tot een Centraal Aandeelhoudersregister alsnog van harte te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie danken het kabinet voor de brief Stand van zaken invoering van het register met gegevens van uiteindelijk belanghebbenden van juridische entiteiten. Deze leden onderschrijven het belang van transparantie over de uiteindelijke belanghebbenden achter juridische entiteiten, met name met oog op de aanpak van criminele activiteiten zoals witwassen en de financiering van terrorisme.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat op 27 maart 2022 van 673.963 juridische entiteiten de uiteindelijke belanghebbenden waren geregistreerd en dat dit 37,7 procent van het de registratieplichtige juridische entiteiten betreft. Verder lezen deze leden met instemming dat de handhaving zoveel mogelijk risico gebaseerd wordt ingericht. Deze leden vragen het kabinet of de handhaving inmiddels al gestart is, en zo ja, in welke vorm deze plaatsvindt. Is deze tot op heden beperkt tot het sturen van «laatste waarschuwingen» of zijn er inmiddels ook sancties opgelegd, zoals een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom? Kan het kabinet bij haar antwoord op deze vraag ook de aantallen en informatie over de omvang van de bedragen betrekken?

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn verheugd te lezen dat opvolging is gegeven aan de motie van het lid Bruins (35 179, nr. 18) over inzicht voor UBO’s in het aantal keren dat hun gegevens in het register zijn opgezocht. Wel zijn deze leden benieuwd hoe, naar aanleiding van de motie, overleg hierover met ondernemers en familiebedrijven invloed heeft gehad op de inrichting van het register. Zijn hierbij punten naar voren gekomen die niet zijn geïmplementeerd, en zo ja, welke?

Ook lezen de leden van de ChristenUnie-fractie met instemming dat gevolg is gegeven aan de motie van het lid Bruins (35 179, nr. 12) over de status van bestuurders van Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI). Wel uiten deze leden nogmaals hun zorg over de privacy-impact die het UBO-register mogelijk heeft voor ANBI’s, en zien zij uit naar de evaluatie van de privacy-impact voor UBO’s. Deze leden vinden het een goede zaak dat het kabinet over deze privacy-impact in gesprek blijft met vertegenwoordigers van verschillende belanghebbenden en vragen of in dit kader ook contact is met het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken, waarbij meer dan dertig kerkgenootschappen en joodse gemeenschappen zijn aangesloten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de brief met daarin de stand van zaken rond het UBO-register. Deze leden begrijpen en delen de wens om maatregelen te treffen die witwassen en terrorismefinanciering tegengaan. Deze leden vragen echter of de (privacy)gevolgen van het UBO-register opwegen tegen het nut daarvan. In het bijzonder hebben de leden van de SGP-fractie zorgen over de gevolgen van het register voor kerken, verenigingen en stichtingen (waaronder ANBI-instellingen). Deze leden hebben dan ook enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie vragen ten aanzien van het verloop en status van de vulling naar een zo actueel mogelijk overzicht van ingeschreven en niet-ingeschreven juridische entiteiten. Kan de Minister daarbij onderscheid maken tussen entiteiten die onder de overgangstermijn van 18 maanden vallen en entiteiten die daar niet onder vallen? Kan de Minister inzage geven in de mate waarin verschillende typen juridische entiteiten zich nog niet ingeschreven hebben?

De leden van de SGP-fractie lezen in de brief dat met name registraties van stichting en verenigingen achterblijven. Wat is volgens de Minister de reden daarvan? Wat wordt er gedaan om deze entiteiten te ondersteunen bij inschrijving? Hoe kan de administratieve last verlaagd worden?

De leden van de SGP-fractie constateren dat in bijvoorbeeld Finland stichtingen en verenigingen geen UBO hoeven op te geven. Kan de Minister een overzicht verstrekken waarin per EU-lidstaat alle uitzonderingen op de registratieplicht opgenomen worden? Op welke wijze passen deze uitzonderingen wel binnen de richtlijn, terwijl het uitzonderen van ANBI-instellingen onder voorwaarden niet mogelijk bleek, zoals bleek bij de parlementaire behandeling van het UBO-register (zie Kamerstuk 35 179, nr. 10)?

De leden van de SGP-fractie hebben vragen over de handhaving van het UBO-register. Voordat een sanctie wordt opgelegd, wordt er eerst een brief gestuurd met een termijn om alsnog aan de registratieplicht te voldoen. Hoeveel van deze brieven zijn reeds verstuurd? De leden van de SGP-fractie constateren dat de handhaving risico-gebaseerd zal zijn. Daarvoor is het noodzakelijk dat de groep waar de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering hoog zijn gedefinieerd wordt. Deze leden vragen of de Minister meer uitgebreid kan ingaan op de invulling van de handhaving. Hoe wordt bepaald of bij een entiteit wordt gehandhaafd? Zijn er reeds sancties opgelegd, zo ja, in welke mate?

De leden van de SGP-fractie hebben vragen over de gevolgen van wijzigingen in het UBO-register. Financiële instellingen worden geacht de UBO’s van entiteiten correct bij te houden, maar wat gebeurt er als UBO’s tussentijds wijzigen? Moeten financiële instellingen dan een nieuw uittreksel aanvragen (en moeten zij het UBO-register dus voortdurend monitoren) of worden zij geïnformeerd over wijzigingen? Wat zijn daarvan de eventuele gevolgen voor de UBO’s van de entiteiten zelf?

De leden van de SGP-fracties wijzen op de lopende rechtszaken in Europees verband aangaande het UBO-register. Hierbij is onder andere het verstrekken van identiteitsgegevens van raadplegers aan de UBO’s onderwerp van discussie. Volgens de Advocaat-Generaal moeten deze gegevens in noodzaklelijke gevallen aan de UBO worden verstrekt. De leden van de SGP-fractie vragen of, ongeacht de uitspraak van het Hof, deze verplichting wettelijk geregeld kan worden? Zo ja, is de Minister voornemens deze verplichting in de wet op te nemen? Zo nee, op basis waarvan is dit niet mogelijk?

De leden van de SGP-fractie lezen dat er tot en met februari 2022 in totaal 465.267 uittreksels uit het UBO-register zijn opgevraagd. Kan de Minister inzage geven in de categorieën raadplegers? Heeft de Minister ook inzicht in de reden van inzage? Zo ja, wil de Minister die inzage delen? Zo nee, ziet de Minister de meerwaarde hiervan?

De leden van de SGP-fractie hebben grote zorgen over de gevolgen van stapelende wetgeving op kerken, goede doelen en soortgelijke entiteiten. Deze leden ontvangen regelmatig signalen dat deze entiteiten nauwelijks nog bankrekeningen kunnen openen of andere rechtshandelingen kunnen verrichten. Ook heeft de oplopende regeldruk grote gevolgen voor (besturen van) bijvoorbeeld ANBI-instellingen en daarmee voor het voortbestaan daarvan. Daar komt bij dat bij veel van dergelijke entiteiten vrijwilligers actief zijn én dat zij van grote maatschappelijk waarde zijn. Erkent de Minister dit? Is de Minister met deze leden van mening dat een lagere regeldruk nodig is, om bijvoorbeeld ANBI-instellingen niet in hun voortbestaan te bedreigen? Is de Minister bereid te bezien welke regelgeving vermindert of geschrapt kan worden, zodat de maatschappelijke bijdrage van bijvoorbeeld goede doelen behouden blijft?

Ten slotte vragen de leden van de SGP-fractie naar de privacy-gevolgen van het UBO-register. Zo geldt voor sommige (kleine) ondernemers dat allerlei persoonlijke en gevoelige informatie eenvoudig door iedereen op te vragen is; en voor goede doelen dreigt het steeds lastiger te worden bestuurders aan te trekken omdat ook zij in het UBO-register worden opgenomen. De leden van de SGP-fractie krijgen hier van diverse kanten signalen over. Herkent de Minister deze signalen? Welke extra waarborgen zijn mogelijk om de privacy van UBO’s beter te beschermen? Is de Minister bereid te onderzoeken welke aanvullende maatregelen daarvoor genomen kunnen worden?

Naar boven