Niet-dossierstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-20132013D08953

2013D08953 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de volgende brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 5 februari 2013 betreffende het wetsvoorstel versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs (Kamerstuk 33 472, nr. 6).

De voorzitter van de commissie, Wolbert

Adjunct-griffier van de commissie, Klapwijk

Inhoud

blz.

     

I

Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

 

Algemeen

2

 

Noodzaak tot maatregelen en ingezette stappen instellingen

2

 

Evaluatie accreditatiestelsel

3

 

Voornemens:

3

 

Het risicogerichte toezicht van de Inspectie vervalt

3

 

Nadere bestuurlijke afspraken op onderdelen

4

 

Vervolg van het wetsvoorstel

4

II

Reactie van de minister

5

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben de brief van 5 februari 2013 ontvangen, inzake het wetsvoorstel Versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs1, waarin de minister verzoekt te vernemen of de Kamer zich kan vinden in de door haar in deze brief gestelde voornemens.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister met betrekking tot de Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs. Deze leden hechten grote waarde aan kwaliteitswaarborging en een zorgvuldige behandeling van het wetsvoorstel. De leden dringen echter wel aan op een zo spoedig mogelijke behandeling van het wetsvoorstel.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende brief, waarin de minister aangeeft de behandeling van het wetsvoorstel op te schorten. Deze leden vragen om een goede en zorgvuldige behandeling van het wetsvoorstel. Deze leden gaan niet akkoord met uitstel van de wetsbehandeling.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister over het onderhavige wetsvoorstel waarin zij aankondigt het wetsvoorstel niet eerder dan na de evaluatie van het accreditatiestelsel, deze zomer, verder te behandelen en deze te betrekken bij de beantwoording van de vragen gesteld door de Kamer in het schriftelijk verslag. Daarbij zal een nota van wijziging worden gevoegd waarin de aanpassingen in het wetsvoorstel zijn opgenomen die, gegeven de situatie van dat moment, wenselijk zijn.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister. Deze leden delen op onderdelen de kritiek op het wetsvoorstel, waaraan de minister refereert.

Noodzaak tot maatregelen en ingezette stappen instellingen

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat het wetsvoorstel Versterking kwaliteitswaarborgen belangrijke voorstellen bevat gericht op de borging van de kwaliteit in het hoger onderwijs, naar aanleiding van de geconstateerde problemen bij InHolland en tijdens dat debat2 vastgestelde hiaten in het toezichtstelsel. Deze hiaten kwamen neer op te weinig waarborgen in het huidige stelsel om er zeker van te zijn dat problemen, zoals ze zich hebben voorgedaan, wel tijdig worden gedetecteerd en gecorrigeerd dan wel dat problemen worden voorkomen. Het wetsvoorstel adresseert naar de mening van de genoemde leden dit gebrek aan waarborgen. De autonomie van het onderwijs werkt alleen als de kwaliteit sluitend geborgd is. Deze conclusie werd ten tijde van het debat over InHolland breed gesteund, waarna de regering de corrigerende wetgeving is gaan uitwerken.

In de brief van de minister van OCW van 5 februari 2013, licht de minister haar voornemens toe om: 1) uit het wetsvoorstel het deel met betrekking tot het risicogerichte toezicht van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: Inspectie) te laten vervallen, 2) nadere bestuurlijke afspraken te maken op onderdelen en 3) het wetsvoorstel niet eerder dan na de evaluatie van het accreditatiestelsel deze zomer verder te behandelen.

Evaluatie accreditatiestelsel

De leden van de SP-fractie achten het van groot belang dat de kwaliteitswaarborgen in het hoger onderwijs worden versterkt. De aanwijsbevoegdheid zien de genoemde leden als een belangrijke stap om misstanden aan te pakken.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het verstandig van de minister is eerst de evaluatie van de aanscherpingen in het accreditatiestelsel af te wachten en daarna indien nodig het wetsvoorstel aan te passen. De genoemde leden zijn tevreden dat de minister het onderdeel ten aanzien van het Inspectietoezicht alvast heeft aangekondigd in te trekken.

Voornemens:

Het risicogerichte toezicht van de Inspectie vervalt

De leden van de VVD-fractie merken op dat een belangrijk punt van kritiek van zowel de afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Raad van State) als Actal het risicogericht toezicht door de Inspectie is, waarbij wordt aangegeven dat de rollen van de Inspectie en NVAO3 onduidelijk worden en mogelijkerwijs overlappen. Bij onvoldoende afstemming kan de regeldruk voor instellingen onnodig oplopen, aldus het Actal rapport. De genoemde leden hebben hier bij de schriftelijke inbreng van het wetsvoorstel4 ook naar gevraagd en hebben tot op zekere hoogte begrip voor de kritieken van de Raad van State en Actal. Dit leidt, volgens deze leden, echter niet tot de conclusie om dit deel van de wet te laten vervallen, maar eerder om dit uit te stellen tot na de evaluatie van het accreditatiestelsel en in een nieuw voorstel mogelijk aan de bovenstaande kritiek tegemoet te komen. Is duidelijk waar de Actal kritiek op gericht is en heeft de minister onderzocht of een ander verantwoordelijkheidsmodel tussen Inspectie en NVAO, dan wel van Inspectie en NVAO samen, mogelijk is, zo vragen zij.

De leden van de PVV-fractie zijn het niet eens met het voornemen om op basis van mogelijke overlap tussen NVAO en Inspectie, het risicogerichte toezicht te laten vervallen. De genoemde leden vragen welke overlappen Actal precies voorspelt. Zijn er alternatieven onderzocht die een rigoureuze maatregel als het schrappen van het risicogerichte toezicht door de Inspectie overbodig maken, zo vragen zij.

De leden van de CDA-fractie hebben zich altijd verzet tegen de uitbreiding van het Inspectietoezicht naast de aanscherpingen in het accreditatiestelsel. Dit leidt tot dubbelingen in toezicht en onnodige administratieve lastendruk. Dat is ook de reden waarom de genoemde leden hebben gevraagd om het Actal onderzoek. Actal adviseert om eerst het effect van de reeds genomen maatregelen te bezien en in te zetten op adequate oplossingen vanuit de verantwoordelijkheid van de instellingsbesturen zonder dat hiervoor aanvullende wet- en regelgeving nodig is.

Nadere bestuurlijke afspraken op onderdelen

De leden van de VVD-fractie kunnen zich niet vinden in de voornemens van de minister om nadere bestuurlijke afspraken te maken en het wetsvoorstel niet eerder dan na de evaluatie van het accreditatiestelsel deze zomer verder te behandelen. Deze leden dringen aan op een spoedige behandeling voor de zomer 2013. De genoemde leden onderschrijven daarbij volledig de woorden van de minister: «»De diplomakwaliteit moet altijd boven elke twijfel verheven zijn»». Vanuit dit principe kan het corrigeren van de geconstateerde structurele hiaten in het toezichtstelsel niet langer worden uitgesteld. Deze urgentie werd tijdens het debat over InHolland breed gedeeld.

De leden van de SP-fractie achten de borging van de onafhankelijkheid van de examencommissie van groot belang. Op welke wijze worden de bestuurlijke afspraken over externe validering in het hoger beroepsonderwijs, die onlangs naar de Tweede Kamer zijn gezonden, verankerd in het hoger onderwijs zonder de bijbehorende wetgeving?5 De genoemde leden vragen of er buiten het vertrouwen op de goede intenties van bestuurders, een mogelijkheid zou moeten zijn om in geval van tekortkomingen daadkrachtig te kunnen ingrijpen.

Vervolg van het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie zijn teleurgesteld over de voornemens van de minister met betrekking tot dit wetsvoorstel. Enerzijds hebben deze leden met instemming kennisgenomen van het belang dat de minister hecht aan verbeteringen in het accreditatiestelsel, de aanwijzingsbevoegdheid en de versterking van de examencommissie. Echter, anderzijds concludeert de minister het wetsvoorstel niet binnen korte termijn in te voeren, naar aanleiding van kritische vragen en opmerkingen uit de Kamer, de Raad van State en het Actal rapport, alsmede naar aanleiding van maatregelen die recent zijn ingevoerd dan wel initiatieven van de Inspectie, NVAO en binnen de instellingen zelf. De genoemde leden kunnen deze conclusie van de minister niet onderschrijven. Zijn alle alternatieven overwogen? Hebben de genoemde initiatieven geleid tot een sluitend kader van kwaliteitsborging? Zijn bestuurlijke afspraken het juiste instrument in deze, waar het gaat om het corrigeren van geconstateerde hiaten in het wettelijk toezichtstelsel? Welke onderdelen uit het wetsvoorstel kunnen hoe dan ook worden ingevoerd, met inachtneming van de kritieken, zo vragen zij.

Volgens de genoemde leden kunnen met uitzondering van het risicogericht toezicht alle andere onderdelen van het wetsvoorstel onverkort (voor de zomer van 2013) worden ingevoerd en adresseren deze op eenduidige wijze de eerder gesignaleerde tekortkomingen in het toezichtstelsel. Dit betreft onder meer de clustergewijze visitatie, de onafhankelijke examencommissie (inclusief extern deskundige), separate beoordeling van examinering en gerealiseerd eindniveau, bewaartermijn van zeven jaar en de informatievoorziening naar studenten. De introductie van de aanwijzingsbevoegdheid van de minister wordt ook door het wetsvoorstel geregeld, het belang hiervan wordt door de gebeurtenissen rond Amarantis onderstreept, zo merken deze leden.

Voor de genoemde leden is de evaluatie van het accreditatiestelsel voor al deze maatregelen geen voorafgaande randvoorwaarde, integendeel, langer uitstel van wettelijke verankering van deze zaken is, volgens deze leden, een onnodig risico ten aanzien van de borging van diplomakwaliteit in het onderwijs. De leden zouden daarom graag zien dat het wetsvoorstel, met uitzondering van het risicogericht toezicht, alsnog voor de zomer door de Kamer behandeld wordt. Deze leden kunnen dus niet instemmen met de door de minister voorgestelde procedure.

De leden van de SP-fractie kijken uit naar de aangekondigde brief die verder ingaat op de sturing en toezicht in het onderwijs en de evaluatie van het hernieuwde accreditatiestelsel. Deze leden vertrouwen erop daarover in samenhang met voorliggend wetsvoorstel nog uitvoerig van gedachten te kunnen wisselen.

De leden van de CDA-fractie wachten de beantwoording van de vragen gesteld in het schriftelijk verslag en de evaluatie van de accreditatie af om een definitief standpunt over deze wet te bepalen.

De leden van de GroenLinks-fractie lijkt het nuttig om enerzijds het resultaat van de vorige beleidswijzigingen te betrekken in de wetsbehandeling. Anderzijds is het, volgens deze leden, onwenselijk om de parlementaire discussie over dit urgente maatschappelijke probleem nu te staken en er op te vertrouwen dat onderwijsbestuurders, waaronder zich ook de verantwoordelijken bevinden van de misstanden, die de voorgestelde nieuwe regels moeten tegengaan, alle problemen met kwaliteit en de betrouwbaarheid van diploma's zullen oplossen. Daarom hebben de genoemde leden twijfels over het langdurige uitstel dat de minister nu voorstelt. Het betrekken van de evaluatie van deze zomer bij het wetgevingstraject zal grote vertraging met zich mee brengen. Is het in dit geval mogelijk om de wet, indien de Kamer dit wenst, op 1 januari 2014 in werking te laten treden, en, zo nee, wanneer is dan de eerstvolgende inwerkingtredingsdatum, zo vragen deze leden. Welke mogelijkheden ziet de minister om dit traject te versnellen, zo voegen zij daaraan toe. De voornoemde leden zien uit naar de spoedige reactie van de minister op de voorstellen van de commissie-Bruijn.6

II. Reactie van de minister


X Noot
1

Kamerstuk 33 472

X Noot
2

Plenair debat d.d. 21 maart 2012

X Noot
3

Nederlands-Vlaamse accreditatieorganisatie

X Noot
4

Kamerstuk 33 472-5

X Noot
5

Kamerstuk 31 288, nr. 325

X Noot
6

Deze commissie onder leiding van de heer J.A. Bruijn heeft advies uitgebracht aan de HBO-raad.