Vragen van het lid Dijkgraaf (SGP) aan de staatssecretaris van Economische Zaken over
de toepassing van artikel 6 van de Habitatrichtlijn (ingezonden 10 juni 2013).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Een ruimere jas voor Natura 2000?»?1
Vraag 2
Deelt u de mening van de auteurs omtrent de beoordelingsruimte van het bevoegd gezag
bij de passende beoordeling en de speelruimte die het bevoegd gezag daarbij heeft
(p. 3)? Zo ja, bent u bereid de betrokken overheden te wijzen op deze speelruimte?
Vraag 3
Deelt u de mening van de auteurs dat het onlogisch is dat de term «natuurlijke kenmerken»
uit artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn gelijk wordt gesteld aan de voor een
gebied geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen (p.3)?
Vraag 4
Is de veronderstelling juist dat in Nederland bij de toepassing van artikel 6, lid
3, het begrip «natuurlijke kenmerken» gelijk gesteld wordt aan de voor een gebied
geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen?
Vraag 5
Bent u bereid ervoor te zorgen dat bij de toepassing van artikel 6, lid 3, meer recht
gedaan wordt aan het begrip «natuurlijke kenmerken» en minder gewicht gegeven wordt
aan individuele instandhoudingsdoelstellingen?
Vraag 6
Hoe weegt u het feit dat in een passende beoordeling voor onder meer de Voordelta
(Passende Beoordeling Landaanwinning; Deelrapport Speciale Beschermingszones Voordelta,
Voornes Duin, Duinen van Goeree/Kwade Hoek; juni 2006) de beoordeling schijnbaar beperkt
is tot de kwalificerende habitattypen, waarbij kwalificerend is getypeerd als kwalificerend
voor de aanmelding van een gebied onder de Habitatrichtlijn, en dat de Europese Commissie
(EC) deze passende beoordeling goedgekeurd heeft?
Vraag 7
Is – gelet op de genoemde passende beoordeling, gelet op de jurisprudentie van het
Europese Hof van Justitie (EHvJ) inzake de toepassing van artikel 6, de leden 2 t/m
4, van de Habitatrichtlijn (C-117/00; C-209/04; C-418/04; waarin het EHvJ vooral kijkt
naar effecten op habitattypen en soorten die ertoe doen cq. de habitattypen en soorten
die de reden vormden voor aanmelding van een gebied), gelet op de beperking die de
EC geeft wat betreft de betrokken habitats en soorten bij artikel 6, lid 2, ten opzichte
van artikel 6, lid 1, van de Habitatrichtlijn2 en gelet op de brief van de EC aan Nederland3 waarin de EC de toepassing van artikel 6, lid 2 en 3, ten opzichte van artikel 6,
lid 1, beperkt tot de habitattypen en soorten met een significante representativiteit
en aanwezigheid – de veronderstelling juist dat bij de toepassing van artikel 6, lid
2 en 3, in een bepaald gebied het accent gelegd moet worden op die soorten en habitattypen
die de reden vormden voor selectie en aanmelding van het gebied dan wel die een belangrijke
bijdrage leveren aan het voorkomen van de betreffende soort of habitattype in zijn/haar
natuurlijke verspreidingsgebied? Zo ja, op welke wijze blijkt dat uit de aanwijzingsbesluiten
en beheerplannen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 8
Is de veronderstelling juist dat de formulering van artikel 4 van de Vogelrichtlijn
en de daaraan gekoppelde formulering van artikel 6 en 7 van de Habitatrichtlijn aangeeft
dat de bescherming van artikel 6, lid 2 en 3, van de Habitatrichtlijn zich wat betreft
de Vogelrichtlijnsoorten richt op de voor de Vogelrichtlijn kwalificerende vogelsoorten
waarvoor de speciale beschermingszones zijn aangewezen?
Vraag 9
Kunt u op grond van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie laten zien of
artikel 6, lid 2 en 3, van de Habitatrichtlijn al dan niet van toepassing is op voor
de Vogelrichtlijn niet-kwalificerende vogelsoorten, dus op alle vogelsoorten die in
het Standaardgegevensformulier voor een bepaald Vogelrichtlijngebied genoemd worden?
Vraag 10
Is, gelet op de gebiedsspecifieke invulling van Natura 2000 in de jurisprudentie van
het Europese Hof van Justitie, de veronderstelling juist dat bij de toepassing van
artikel 6, lid 2 en 3, de beschermingsstatus ofwel de staat van instandhouding van
een habitattype of soort in een bepaald gebied het uitgangspunt moet zijn?
Vraag 11
Is de veronderstelling juist dat in Nederland bij de toepassing van artikel 6, lid
2 en 3, de landelijke staat van instandhouding van een soort of habitattype een belangrijke
rol speelt, dat de lokale beschermingsstatus of staat van instandhouding van een habitattype
of soort veel minder bepalend is en dat Nederland daarmee verder gaat dan Brussel
vraagt?
Vraag 12
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de lokale beschermingsstatus of staat van instandhouding
van een habitattype of soort bij de toepassing van artikel 6, lid 2 en 3, van de Habitatrichtlijn
een belangrijke rol gaat spelen? Zo ja, hoe?
X Noot
1Mendelts, P. en L. Boerema; Milieu en recht; 39 (2012) 5: 310–316
X Noot
2Zie «Beheer van Natura 2000 gebieden. De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn.
Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 2000, p. 17 en 25»:
«Beperking wat betreft de betrokken habitats en soorten. De passende maatregelen betreffen
uitsluitend de habitats en soorten waarvoor de zones zijn aangewezen.»
X Noot
31 april 2011; Opinie van DG-Environment m.b.t. Nederlandse implementatie van de Habitatrichtlijn