Vragen van het lid Dijkgraaf (SGP) aan de staatssecretaris van Economische Zaken over de toepassing van artikel 6 van de Habitatrichtlijn (ingezonden 10 juni 2013).

Antwoord van staatssecretaris Dijksma (Economische Zaken) (ontvangen 8 juli 2013)

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van het artikel «Een ruimere jas voor Natura 2000?»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Deelt u de mening van de auteurs omtrent de beoordelingsruimte van het bevoegd gezag bij de passende beoordeling en de speelruimte die het bevoegd gezag daarbij heeft (p. 3)? Zo ja, bent u bereid de betrokken overheden te wijzen op deze speelruimte?

Antwoord 2

Zie antwoord bij vraag 5.

Vraag 3

Deelt u de mening van de auteurs dat het onlogisch is dat de term «natuurlijke kenmerken» uit artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn gelijk wordt gesteld aan de voor een gebied geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen (p.3)?

Antwoord 3

Zie antwoord bij vraag 5.

Vraag 4

Is de veronderstelling juist dat in Nederland bij de toepassing van artikel 6, lid 3, het begrip «natuurlijke kenmerken» gelijk gesteld wordt aan de voor een gebied geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen?

Antwoord 4

Zie antwoord bij vraag 5.

Vraag 5

Bent u bereid ervoor te zorgen dat bij de toepassing van artikel 6, lid 3, meer recht gedaan wordt aan het begrip «natuurlijke kenmerken» en minder gewicht gegeven wordt aan individuele instandhoudingsdoelstellingen?

Antwoord 5

De veronderstelling dat de «natuurlijke kenmerken» van een gebied en de voor dat gebied geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen in Nederland aan elkaar gelijk worden gesteld is niet juist. De effecten van een plan of project op de voor het gebied geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen vormen wel een belangrijke indicator voor de vraag of de natuurlijke kenmerken van het gebied worden aangetast. Hierbij moet worden opgemerkt dat bij een slechte staat van instandhouding een activiteit al snel leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Tegelijkertijd geldt dat de exacte uitleg van de term «aantasting van de natuurlijke kenmerken» zich in de jurisprudentie nog niet heeft uitgekristalliseerd. In zijn uitspraak van 7 november 2012 heeft de Raad van State in het kader van het Tracébesluit A2 ’s-Hertogenbosch – Eindhoven hier ook prejudiciële vragen over gesteld aan het Europese Hof.

Onderstaand enkele uitspraken betreffende deze problematiek. In het Kokkelvisserij-arrest (C-127/02) heeft het Hof bepaald dat de bevoegde nationale autoriteiten slechts toestemming mogen verlenen voor de betreffende activiteit wanneer zij op basis van een passende beoordeling van de gevolgen voor het betrokken gebied, in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen daarvan, de zekerheid hebben verkregen dat de activiteit geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het gebied. In de zaak Sweetman (C-258/11) concludeert de Advocaat-Generaal in haar conclusie dat «om te kunnen vaststellen of een plan of project waarop artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn van toepassing is, de natuurlijke kenmerken van een gebied zal aantasten, moet worden onderzocht of dat plan of project negatieve gevolgen heeft voor de bepalende kenmerken voor het betrokken gebied, gelet op de redenen waarom het gebied werd aangewezen en de daarmee verband houdende instandhoudingsdoelstellingen. Van «aantasting» is sprake, wanneer de gevolgen blijvend of van lange duur zijn.»

Relevante ontwikkelingen in de jurisprudentie worden o.a. via de Regiegroep Natura 2000, waarin de rijksoverheid en provincies zitting hebben, gevolgd en gedeeld.

Vraag 6

Hoe weegt u het feit dat in een passende beoordeling voor onder meer de Voordelta (Passende Beoordeling Landaanwinning; Deelrapport Speciale Beschermingszones Voordelta, Voornes Duin, Duinen van Goeree/Kwade Hoek; juni 2006) de beoordeling schijnbaar beperkt is tot de kwalificerende habitattypen, waarbij kwalificerend is getypeerd als kwalificerend voor de aanmelding van een gebied onder de Habitatrichtlijn, en dat de Europese Commissie (EC) deze passende beoordeling goedgekeurd heeft?

Antwoord 6

De passende beoordeling in voornoemde gevallen spreekt van een beperking tot de kwalificerende habitattypen. Onder kwalificerende habitattypen worden hier alle habitattypen van bijlage I van de Habitatrichtlijn die in het gebied voorkomen verstaan. Dit is in lijn met de vereisten van de Habitatrichtlijn.

Vraag 7

Is – gelet op de genoemde passende beoordeling, gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (EHvJ) inzake de toepassing van artikel 6, de leden 2 t/m 4, van de Habitatrichtlijn (C-117/00; C-209/04; C-418/04; waarin het EHvJ vooral kijkt naar effecten op habitattypen en soorten die ertoe doen cq. de habitattypen en soorten die de reden vormden voor aanmelding van een gebied), gelet op de beperking die de EC geeft wat betreft de betrokken habitats en soorten bij artikel 6, lid 2, ten opzichte van artikel 6, lid 1, van de Habitatrichtlijn2 en gelet op de brief van de EC aan Nederland3 waarin de EC de toepassing van artikel 6, lid 2 en 3, ten opzichte van artikel 6, lid 1, beperkt tot de habitattypen en soorten met een significante representativiteit en aanwezigheid – de veronderstelling juist dat bij de toepassing van artikel 6, lid 2 en 3, in een bepaald gebied het accent gelegd moet worden op die soorten en habitattypen die de reden vormden voor selectie en aanmelding van het gebied dan wel die een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkomen van de betreffende soort of habitattype in zijn/haar natuurlijke verspreidingsgebied? Zo ja, op welke wijze blijkt dat uit de aanwijzingsbesluiten en beheerplannen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 7

Ongeacht het feit of soorten en habitattypen de reden vormden voor selectie en aanmelding van het gebied dan wel een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkomen van de betreffende soort of habitattype in zijn/haar natuurlijke verspreidingsgebied geldt voor alle voorkomende waarden de toepassing van artikel 6, lid 2 en 3, van de Habitatrichtlijn. Bij de formulering van instandhoudingsdoelstellingen kunnen wel accenten worden gelegd en wordt ook rekening gehouden met de bijdrage die het gebied aan de landelijke staat van instandhouding kan leveren. Er kunnen verschillende prioriteiten worden gesteld met de keuze voor behoud danwel uitbreiding- en verbeterdoelstellingen.

Dit wordt in het aanwijzingsbesluit vastgelegd. In het beheerplan kunnen deze instandhoudingsdoelstelling nog verder uitgewerkt worden door te prioriteren in de tijd, ruimte en omvang. Het is dus correct dat er accenten kunnen worden gelegd en dat gebeurt op de hiervoor geschetste wijze.

Vraag 8

Is de veronderstelling juist dat de formulering van artikel 4 van de Vogelrichtlijn en de daaraan gekoppelde formulering van artikel 6 en 7 van de Habitatrichtlijn aangeeft dat de bescherming van artikel 6, lid 2 en 3, van de Habitatrichtlijn zich wat betreft de Vogelrichtlijnsoorten richt op de voor de Vogelrichtlijn kwalificerende vogelsoorten waarvoor de speciale beschermingszones zijn aangewezen?

Antwoord 8

Zie antwoord bij vraag 9.

Vraag 9

Kunt u op grond van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie laten zien of artikel 6, lid 2 en 3, van de Habitatrichtlijn al dan niet van toepassing is op voor de Vogelrichtlijn niet-kwalificerende vogelsoorten, dus op alle vogelsoorten die in het Standaardgegevensformulier voor een bepaald Vogelrichtlijngebied genoemd worden?

Antwoord 9

Voor de Vogelrichtlijn kwalificerende vogelsoorten zijn alle vogelsoorten van bijlage I van de Vogelrichtlijn en alle trekvogels die in het gebied voorkomen. Op al deze soorten is artikel 6, lid 2 en 3 van de Habitatrichtlijn van toepassing en worden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd in de aanwijzingsbesluiten. Dit is conform de richtsnoeren van de Europese Commissie. De uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 14 oktober 2010 (C-535/07, Commissie/Oostenrijk). Deze uitspraak laat zien dat artikel 6, lid 2 en 3, van de Habitatrichtlijn van toepassing is op alle soorten waarvoor het gebied is aangewezen, en dat zijn onder andere alle vogelsoorten van bijlage I van de Vogelrichtlijn en alle trekvogels die in het gebied voorkomen.

Vraag 10

Is, gelet op de gebiedsspecifieke invulling van Natura 2000 in de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, de veronderstelling juist dat bij de toepassing van artikel 6, lid 2 en 3, de beschermingsstatus ofwel de staat van instandhouding van een habitattype of soort in een bepaald gebied het uitgangspunt moet zijn?

Antwoord 10

Ja, bij toepassing van artikel 6, lid 2 en 3, van de Habitatrichtlijn is de beschermingsstatus op gebiedsniveau uitgangspunt en moet getoetst worden aan de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied zoals die vermeld staan in het aanwijzingsbesluit.

Vraag 11

Is de veronderstelling juist dat in Nederland bij de toepassing van artikel 6, lid 2 en 3, de landelijke staat van instandhouding van een soort of habitattype een belangrijke rol speelt, dat de lokale beschermingsstatus of staat van instandhouding van een habitattype of soort veel minder bepalend is en dat Nederland daarmee verder gaat dan Brussel vraagt?

Antwoord 11

Zie antwoord bij vraag 12.

Vraag 12

Bent u bereid ervoor te zorgen dat de lokale beschermingsstatus of staat van instandhouding van een habitattype of soort bij de toepassing van artikel 6, lid 2 en 3, van de Habitatrichtlijn een belangrijke rol gaat spelen? Zo ja, hoe?

Antwoord 12

Ja, de lokale beschermingsstatus speelt een belangrijke rol, zoals vastgelegd in de instandhoudingsdoelstellingen in het aanwijzingsbesluit. Volgens de Habitatrichtlijn moet voor alle te beschermen soorten en habitattypen op landelijk niveau de gunstige staat van instandhouding worden bereikt. Dat is in Nederland vertaald naar instandhoudingsdoelstellingen per gebied; keuze voor behoud danwel uitbreiding/verbetering. Conform artikel 6 lid 2 mag er in ieder geval geen verslechtering van de te beschermen waarden in het gebied plaatsvinden. Hierbij speelt de landelijke staat van instandhouding geen rol. Dit geldt eveneens voor toetsing van vergunningplichtige activiteiten conform artikel 6 lid 3.


X Noot
1

Mendelts, P. en L. Boerema; Milieu en recht; 39 (2012) 5: 310–316

X Noot
2

Zie «Beheer van Natura 2000 gebieden. De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn. Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 2000, p. 17 en 25»: «Beperking wat betreft de betrokken habitats en soorten. De passende maatregelen betreffen uitsluitend de habitats en soorten waarvoor de zones zijn aangewezen.»

X Noot
3

1 april 2011; Opinie van DG-Environment m.b.t. Nederlandse implementatie van de Habitatrichtlijn

Naar boven