Vragen van het lid
Omtzigt
(CDA) aan de staatssecretaris van Financiën over de erfbelasting (ingezonden 25 oktober 2011).
Vraag 1
Deelt u de mening van Schols (De levensgenieter krijgt «levenslang» oftewel eens genoten altijd genotenen, NTFR 2011/1253)
van Van Vijfeijken,1 dat wanneer een genotsrecht is omgezet in een zakelijk huurrecht, artikel 10 van de Successiewet 1956 (SW) niet meer aan
de orde kan zijn en dat er een wezenlijk verschil is met een papieren schenking waarvoor de toelichting op artikel 10, lid
3, SW is geschreven?2
Vraag 2
Zo nee, waarom is tijdens de behandeling van het wetsvoorstel door de regering niet bekendgemaakt dat door de invoering van
het nieuwe artikel 10, lid 3, SW tevens een einde wordt gemaakt aan de mogelijkheid om toepassing van artikel 10 SW te voorkomen,
door uiterlijk 180 dagen afstand te doen van het genotsrecht, zodat het parlement zich daarover een oordeel kon vormen?
Vraag 3
Geldt artikel 10 SW door de invoering van artikel 10, lid 3, SW nu ook als een papieren schenking geruime tijd vóór het overlijden
is afgelost en de gemiste rentetermijnen niet zijn ingehaald? Zo ja, waarom?
Vraag 4
Geldt artikel 10 SW door de invoering van artikel 10, lid 3, SW ook als het vruchtgebruikrecht eindigt door de metterwoonclausule
omdat men in het verleden genot heeft gehad? Zo ja, waarom?
Vraag 5
Geldt artikel 10 SW ook als afstand wordt gedaan van het vruchtgebruik omdat de ouders verhuizen naar een andere plaats omdat
men in het verleden genot heeft gehad? Zo ja, waarom?
Vraag 6
Is artikel 10 SW van toepassing als ouders gratis in een huis wonen die volledig eigendom is van hun kind, maar zij wel verplicht
zijn om de normale lasten en kosten voor hun rekening te nemen? Zo ja, waarom?
Vraag 7
Is artikel 10 SW van toepassing als ouders het vruchtgebruik van een woning geschonken krijgen van hun kind? Zo nee, luidt
het antwoord anders als de ouders € 1, € 100, € 1 000 etc. betalen voor het vruchtgebruik? Zo ja, kunt u dan in een duidelijk
voorbeeld laten zien waar de toepassing van artikel 10 SW in de genoemde gevallen toe leidt?
Vraag 8
Is artikel 10 SW van toepassing als ouders verhuizen naar een woning die reeds volledig eigendom is van hun kind en de ouders
vervolgens een zakelijke huur betalen die lager is dan 6%? Zo ja, waarom?
Vraag 9
Welke huurprijs moeten de ouders betalen als zij slechts een kamer (of een gedeelte) in het huis van hun kind huren? Hoe moet
de huurprijs worden vastgesteld bij onzelfstandige woonruimten?
Vraag 10
Is artikel 10 SW van toepassing als ouders de huur van 6% een aantal jaren vooruit betalen, er is dan niet jaarlijks huur
betaald zoals artikel 10, lid 3, SW voorschrijft?
Vraag 11
Waar staat in de Uitvoeringswethuurprijzen woonruimte dat deze niet geldt voor familieleden? Hoe verhoudt artikel 3:40 van
het Burgerlijk Wetboek zich hiermee?
Vraag 12
Heeft u zich gerealiseerd dat de huurprijs van 6% in veel gevallen hoger is dan het percentage uit de Uitvoeringswet huurprijzen
woonruimte? Welke boete of straf kan iemand krijgen die een huurprijs vraagt die boven dat wettelijke maximum ligt? (Deze
vraag is eerder gesteld, maar niet beantwoord.)
Vraag 13
Wilt u alsnog overwegen om voor de huur van onroerende zaken goed te keuren om over te gaan op een zakelijke huur, dan wel
bijvoorbeeld 4%, zodat de huurprijzen op een billijk niveau uitkomen? (In dit voorstel blijft in de rest van de SW het percentage
van 6 overeind.)
Vraag 14
Indien het percentage van 6 naar 4 verlaagd zou worden in de SW, hoeveel extra belasting levert dat op?
Vraag 15
Hoe wordt omgegaan met verbeteringen aan de woning die worden aangebracht door de ouders? Zijn die ook vrijgesteld? Zo nee,
hoe wordt er gehandeld als de ouders een bedrag aan de bloot-eigenaar schenken om daarmee een verbouwing van het huis te betalen?
Vraag 16
Volgens uw antwoord op de eerdere vragen is de huur van 6% gekoppeld aan de WOZ-waarde is dit niet in strijd met de tekst
van artikel 10, lid 3, SW: «waarde van de goederen in onbezwaarde staat»?
Vraag 17
Geldt het herleven van de resolutie van 30 november 1964 ook voor nalatenschappen die reeds zijn opengevallen na 1 januari
2010? Ofwel heeft het nieuwe besluit terugwerkende kracht?
Vraag 18
Hoe wordt omgegaan met gevallen sinds 1 januari 2010 waarin erfbelasting op grond van artikel 10 SW is afgedragen en waarvan
de bezwaartermijn inmiddels is verlopen? Is het mogelijk alsnog bezwaar te maken, danwel ambtshalve teruggave te verwachten?
Vraag 19
Op welke wijze wordt omgegaan met het overgangsrecht voor panden die voor 2010 gesplitst zijn aangekocht en die tot die datum
niet onder artikel 10 SW vielen? Mag in die gevallen ook worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de rechtshandeling?
X Noot
1Art. 10 Successiewet en de overdracht onder voorbehoud van een huurrecht (WPNR 2011/6896)
X Noot
2Vervolgvragen op vragen van de leden Omtzigt en Ormel (beiden CDA) over het artikel «De levensgenieter krijgt «levenslang»
oftewel eens genoten altijd genoten» (2011Z15731).