Vragen van de leden Dessing (FVD) en Kemperman (BBB) op 16 december 2024 medegedeeld aan de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over zijn antwoorden van 16 september 2024 op eerdere schriftelijke vragen1Eerste Kamer, vergaderjaar 2023–2024, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 16 over het rapport2Prins (Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur, juni 2023), Natuur anno 2023: vallen of opstaan? van onderzoeker Henri Prins (Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur, juni 2023) Natuur anno 2023: vallen of opstaan?

Vraag 1

In uw beantwoording van 16 september 2024 van eerdere schriftelijke vragen naar aanleiding van het rapport van onderzoeker Henri Prins (Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur, juni 2023) Natuur anno 2023: vallen of opstaan?stelt u enerzijds dat het «in de praktijk mogelijk» blijkt om per aangewezen Natura 2000-gebied «na te gaan hoe de kwaliteit zich sinds de aanmelding heeft ontwikkeld» en anderzijds dat de staat van instandhouding «niet volledig bekend» was «op het moment van aanmelden van Natura 2000-gebieden». Erkent u dat deze beweringen elkaar tegenspreken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel en welke van de twee beweringen is in uw ogen dan de juiste?

Vraag 2

Erkent u dat uw eerste bewering uit vraag 1 strijdig is met de conclusie van de Ecologische Autoriteit, die in haar rapport «Doen wat moet én kan» van 26 januari jl. stelt dat «vaak niet duidelijk» is «wat de kwaliteit van de natuur in de gebieden was bij het ingaan van de juridische bescherming als Natura 2000-gebied»?3 Kunt u uw antwoord toelichten?

Vraag 3

Erkent u dat het dus in veel gevallen onmogelijk is om te bewijzen dat de kwaliteit van een Natura 2000-gebied sinds de aanmelding ervan achteruit is gegaan? Zo nee, hoe verklaart u dan de conclusie van de Ecologische Autoriteit zoals genoemd in de voorgaande vraag?

Vraag 4

In uw beantwoording van de hiervoor genoemde schriftelijke vragen geeft u aan dat u het rapport van de heer Prins serieus neemt en dat u hem de gelegenheid heeft gegeven om zijn rapport nader toe te lichten. Wat waren de belangrijkste conclusies uit dit gesprek? Kunt u uw antwoord toelichten?

Vraag 5

Kunt u de indieners van deze schriftelijke vragen de notulen van en communicatie voorafgaand aan en na afloop van het gesprek met de heer Prins zoals genoemd in vraag 4 doen toekomen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?

Vraag 6

In uw beantwoording van de hiervoor genoemde schriftelijke vragen geeft u aan dat de conclusies van de heer Prins niet overeenkomen «met de wetenschappelijke conclusies waar de grootste consensus over bestaat, namelijk dat een groot deel van de Nederlandse soorten last heeft van stikstof» en dat het verschil van inzicht voortkomt uit het feit dat de heer Prins kijkt naar de ontwikkeling van soorten vanaf het jaar 2000 en niet al vanaf daarvoor. Bent u het met de indieners eens dat voor het voldoen aan de Europese Habitatrichtlijn slechts relevant is hoe Natura 2000-gebieden zich sinds het moment van aanwijzing – die plaatsvond rond het jaar 2000 – hebben ontwikkeld? Kunt u bevestigen dat de toestand van deze gebieden (of de soorten die in deze gebieden voorkomen) vóór het jaar 2000 in deze context dus niet relevant is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uw antwoord op vraag 16 van de genoemde schriftelijke vragen herzien?

Vraag 7

Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?


X Noot
1

Eerste Kamer, vergaderjaar 2023–2024, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 16

X Noot
2

Prins (Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur, juni 2023), Natuur anno 2023: vallen of opstaan?

X Noot
3

Doen wat moet én kan, advies Ecologische Autoriteit, 26 januari 2024, blz. 9

Naar boven