Aanhangsel van de Handelingen
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 7 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 7 |
In uw beantwoording van 16 september 2024 van eerdere schriftelijke vragen naar aanleiding van het rapport van onderzoeker Henri Prins (Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur, juni 2023) Natuur anno 2023: vallen of opstaan?stelt u enerzijds dat het «in de praktijk mogelijk» blijkt om per aangewezen Natura 2000-gebied «na te gaan hoe de kwaliteit zich sinds de aanmelding heeft ontwikkeld» en anderzijds dat de staat van instandhouding «niet volledig bekend» was «op het moment van aanmelden van Natura 2000-gebieden». Erkent u dat deze beweringen elkaar tegenspreken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel en welke van de twee beweringen is in uw ogen dan de juiste?
Deze beweringen spreken elkaar niet tegen.
Het volledig bekend zijn van de kwaliteitstoestand van de natuur op het moment van aanmelden van Natura 2000-gebieden zou betekenen dat van élk habitat álle relevante kwaliteitsaspecten (en de oppervlakte) volledig bekend zouden zijn. De monitoring was in die tijd nog niet zover ontwikkeld dat die volledigheid bereikt kon worden. Dat was ook geen noodzakelijke voorwaarde om tot bescherming over te gaan: er moest voldoende bekend zijn om te kunnen bepalen wat de belangrijkste gebieden per habitattype en soort waren, zodat die konden worden aangemeld.
De ontwikkeling van de kwaliteit sinds de aanmelding is in wisselende mate bijgehouden, afhankelijk van wat er in een gebied al aan monitoring plaatsvond en in hoeverre de monitoring in de jaren daarna steeds meer is aangepast aan de eisen die zijn gesteld vanuit de Vogel- en de Habitatrichtlijn). Zoals ik uitleg in mijn beantwoording van 16 september 2024 worden veranderingen in kwaliteit zo goed mogelijk bepaald op basis van beschikbare gegevens. Daarbij geldt dat grote veranderingen gemakkelijker waarneembaar zijn dan subtiele veranderingen. De verslechteringen die zijn geconstateerd in de natuurdoelanalyses betreffen daarom vooral de relatief eenvoudig en eenduidig waarneembare veranderingen.
Erkent u dat uw eerste bewering uit vraag 1 strijdig is met de conclusie van de Ecologische Autoriteit, die in haar rapport «Doen wat moet én kan» van 26 januari jl. stelt dat «vaak niet duidelijk» is «wat de kwaliteit van de natuur in de gebieden was bij het ingaan van de juridische bescherming als Natura 2000-gebied»?3 Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik aangeef in antwoord 1, is het niet voor elk gebied even goed mogelijk om de natuurkwaliteit op het moment van aanmelden van Natura 2000-gebieden volledig te achterhalen. Daardoor is een deel van de opgetreden veranderingen niet (met zekerheid) vast te stellen. De Ecologische Autoriteit (EA) legt daar terecht de vinger op, maar stelt ook dat er voldoende bekend is om te concluderen dat in veel gevallen verslechtering heeft plaatsgevonden, wat volgens de Habitatrichtlijn voorkomen had moeten worden. Overigens geeft de EA in haar rapport ook aan dat er nog aanvullende gebiedsgegevens beschikbaar zijn om tot een betere inschatting te komen van de referentiesituatie.
Erkent u dat het dus in veel gevallen onmogelijk is om te bewijzen dat de kwaliteit van een Natura 2000-gebied sinds de aanmelding ervan achteruit is gegaan? Zo nee, hoe verklaart u dan de conclusie van de Ecologische Autoriteit zoals genoemd in de voorgaande vraag?
Zoals uit antwoord 1 en 2 blijkt, kan achteruitgang bewezen worden in die gevallen dat in de natuurdoelanalyses de conclusie is getrokken dat verslechtering daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Alleen in de gevallen dat de conclusie «nee, tenzij» is vanwege kennisgebrek, kan die achteruitgang niet bewezen worden. Niet voor niets wordt dit onderscheid expliciet gemaakt.
Het is overigens de verwachting dat als de referentiesituatie vollediger in beeld gaat komen (door gebruik te maken van de informatie die de EA noemt), zal blijken dat er nog meer gebieden zijn verslechterd dan tot nu toe kon worden aangetoond. Regelmatig bestaat namelijk de indruk dat er sprake is van verslechtering zonder dat dit in de natuurdoelanalyses kon worden hard gemaakt met metingen. Het ligt voor de hand dat die indrukken objectief bevestigd kunnen worden als historische gegevens alsnog vollediger worden verwerkt.
In uw beantwoording van de hiervoor genoemde schriftelijke vragen geeft u aan dat u het rapport van de heer Prins serieus neemt en dat u hem de gelegenheid heeft gegeven om zijn rapport nader toe te lichten. Wat waren de belangrijkste conclusies uit dit gesprek? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer Prins (en de heer Rampen, zijn adviseur) en enkele ambtenaren van LVVN. Er zijn in het gesprek geen conclusies getrokken. Prins en Rampen hebben toegelicht hoe het rapport tot stand is gekomen en hebben hun opvattingen kenbaar gemaakt over hoe het met de natuur gaat en ook wat er goed en niet goed gaat in het natuurbeheer. De ambtenaren hebben informatieve vragen gesteld. Er is uit wederzijdse kennis en ervaring gesproken over hoe het gaat met de natuur en over hoe natuur(herstel)beheer daarin een rol speelt. Het gesprek werd op dat moment wederzijds expliciet waardevol en constructief genoemd.
Kunt u de indieners van deze schriftelijke vragen de notulen van en communicatie voorafgaand aan en na afloop van het gesprek met de heer Prins zoals genoemd in vraag 4 doen toekomen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Van het gesprek zijn geen notulen gemaakt. Dit is voorafgaand aan het gesprek ook zo afgesproken. Tijdens een tweede gesprek op 5 februari is er alsnog een gezamenlijk verslag van het gesprek van 9 september opgesteld. Betrokkenen stemmen in met de inhoud van dit verslag. Dit gezamenlijk verslag is bij deze beantwoording toegevoegd.
In uw beantwoording van de hiervoor genoemde schriftelijke vragen geeft u aan dat de conclusies van de heer Prins niet overeenkomen «met de wetenschappelijke conclusies waar de grootste consensus over bestaat, namelijk dat een groot deel van de Nederlandse soorten last heeft van stikstof» en dat het verschil van inzicht voortkomt uit het feit dat de heer Prins kijkt naar de ontwikkeling van soorten vanaf het jaar 2000 en niet al vanaf daarvoor. Bent u het met de indieners eens dat voor het voldoen aan de Europese Habitatrichtlijn slechts relevant is hoe Natura 2000-gebieden zich sinds het moment van aanwijzing – die plaatsvond rond het jaar 2000 – hebben ontwikkeld? Kunt u bevestigen dat de toestand van deze gebieden (of de soorten die in deze gebieden voorkomen) vóór het jaar 2000 in deze context dus niet relevant is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uw antwoord op vraag 16 van de genoemde schriftelijke vragen herzien?
Ik ben het met de indieners eens dat voor het vaststellen of er sprake is van verslechtering, slechts relevant is hoe Natura 2000-gebieden zich sinds de referentiedatum hebben ontwikkeld.
Waar ik in mijn beantwoording op doelde, is het kunnen vaststellen of soorten negatief beïnvloed kunnen worden door bijvoorbeeld stikstofdepositie. Dat is algemene wetenschappelijke kennis die niet afhankelijk is van (of mag worden beperkt tot) de referentiesituatie van Natura 2000-gebieden. Of de aldus vastgestelde gevoeligheid daadwerkelijk heeft geleid tot juridisch relevante verslechtering, moet uiteraard wel worden gerelateerd aan de referentiedatum per gebied. Of die verslechtering geconstateerd kan worden, hangt mede af van de beschikbaarheid van gegevens over de uitgangssituatie. Maar het in bepaalde gevallen niet kunnen vaststellen van verslechtering na 2000 kan dus geen wetenschappelijk relevant bewijs vormen voor de basale vraag of een soort gevoelig is voor een overmaat van stikstof of niet.
De overwegingen van de indieners kunnen dus geen reden zijn om mijn antwoord op vraag 16 van de genoemde schriftelijke vragen te herzien.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-ek-20242025-7.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.