Kamervragen zonder Antwoord
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Vraag | Datum indiening |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 232411 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Vraag | Datum indiening |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 232411 |
Bent u het met de indieners eens dat de Europese Habitatrichtlijn stelt dat «de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten» niet mag verslechteren?1 Bent u ermee bekend dat het toenmalige Ministerie van Economische Zaken in september 2014 een Leeswijzer Natura 2000 profielen heeft opgesteld, waarin in bijlage 7 tot in detail is uitgewerkt hoe deze «kwaliteit van habitattypen op gebiedsniveau» moet worden geïnterpreteerd?2 Erkent u dat het in dit document en specifiek in deze bijlage niet gaat om een absolute staat van instandhouding van een habitattype, maar om «behoud van kwaliteit»? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat volgens diezelfde Leeswijzer de typische soorten gezamenlijk «een goede kwaliteitsindicator [vormen, red.] voor de (compleetheid van de) levensgemeenschap van het habitattype» (p. 19) en dat elk land zelf de typische soorten per habitattype selecteert (p. 56)? Hoe beoordeelt u dit?
Bent u ermee bekend dat volgens diezelfde Leeswijzer «behoud» van typische soorten betekent: (1) «het totale aantal verschillende typische soorten dat aanwezig was op het moment van aanwijzen van het gebied neemt niet af»; (2) «het eventuele verdwijnen van een typische soort kan worden gecompenseerd door de vestiging van een andere typische soort»; (3) «de mate van verspreiding van de typische soorten (als geheel) in het betreffende habitattype neemt gemiddeld genomen niet af»; (4) «indien het landelijke behoud van een typische soort staat of valt met het behoud van deze soort in een bepaald gebied, dan is behoud van die specifieke soort in dat gebied noodzakelijk»?3 Hoe beoordeelt u deze criteria – en dan in het bijzonder het tweede criterium?
Bent u ermee bekend dat deze Leeswijzer ook het volgende stelt: «Het is geen voorwaarde dat een bepaalde typische soort moet blijven bestaan op een specifieke locatie in het gebied. Verschuivingen in typische soorten met lokaal verschijnen en verdwijnen binnen een gebied, maar ook tussen gebieden, zijn een natuurlijk fenomeen. [...] Zolang het aantal verschillende typische soorten in een gebied over een langere periode gemiddeld gelijk blijft, of (bij grootschalige gebieden) de gemiddelde verspreiding gelijk blijft, blijft ook de kwaliteit van het habitattype behouden»?4 Beoordeelt u «verschuivingen in typische soorten» ook als een «natuurlijk fenomeen»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u ermee bekend dat deze Leeswijzer voorts het volgende stelt: «Niet alle typische soorten van een habitattype hoeven in een concreet gebied aanwezig te zijn voor een goede kwaliteit. [...] Het gaat erom dat aan het eind van het beheerplan kan worden geëvalueerd of de soortenrijkdom aan typische soorten is toe of afgenomen of behouden is gebleven»?5 Hoe beoordeelt u dit?
Onderschrijft u de stellingen van de Leeswijzer geciteerd in vraag 1 tot en met 5? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Bent u ervan op de hoogte dat de provincies – in tegenstelling tot wat de Leeswijzer van het Rijk stelt – niet de in het betreffende Natura 2000-gebied aanwezige typische soorten op het moment van aanwijzen van het gebied aanhouden, maar een uitgebreidere lijst van typische soorten die in theorie bij de in het gebied aanwezige habitats horen; dat provincie Friesland bijvoorbeeld alle typische soorten meetelt die sinds 1975 in Friesland, Groningen of Drenthe zijn waargenomen;6 dat provincie Drenthe voor individuele Natura 2000-gebieden de landelijke lijst met typische soorten voor dat gebied hanteert en daaraan ook nieuwe typische soorten toevoegt – zoals de addertong, gevlekte orchis, moerasviooltje en tormentil in het Drentse Natura 2000-gebied Bargerveen;7 dat provincie Noord-Brabant alle soorten als typische soorten beschouwd die de laatste twintig jaar in een straal van vijftig kilometer rondom het betreffende Natura 2000-gebied zijn aangetroffen;8 en dat provincie Zuid-Holland de lijst met typische soorten juist niet aanvult, omdat «het juridische kader hiervoor ontbreekt»?9 Bent u het met de indieners eens dat de provincies Friesland, Drenthe en Noord-Brabant zich hiermee niet aan de door het Rijk opgestelde Leeswijzer houden? Zo ja, waarom wel en gaat u deze provincies hierop aanspreken? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de instandhoudingsplicht ingaat vanaf het moment van aanwijzen van de Natura 2000-gebieden bij de EU, dus ruwweg rond het jaar 2004? Bent u ervan op de hoogte dat de EU adviseert om voor kortetermijntrends een periode van zo mogelijk twaalf en voor langetermijntrends een periode van zo mogelijk 24 jaar te hanteren?10 Bent u het met de indieners eens dat de combinatie van bovengenoemde punten oplevert dat de ontwikkeling van de typische soorten vanaf het moment van aanwijzing tot nu een goede indicator is voor de ontwikkeling van de natuurkwaliteit in de Natura 2000-gebieden? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Klopt de constatering (pagina 10) van BIJ12 dat de overheid heeft nagelaten de staat van instandhouding op het moment van aanmelding in voldoende mate vast te leggen?
Bent u het met de indieners eens dat het dus onmogelijk is om per aangewezen habitatna te gaan hoe de kwaliteit zich sinds de aanmelding heeft ontwikkeld? Bent u het met de indieners eens dat daarom de ontwikkeling van de typische soorten op landelijk niveau de beste indicator is om de kwaliteit van de habitats te beoordelen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, hoe zouden we deze kwaliteit dan wel moeten en kunnen beoordelen?
In uw antwoord11 op vragen van het lid Dessing over het rapport Natuur anno 2023: vallen of opstaan? (tweede versie d.d. 22 juni 2023)12 – geschreven door onderzoeker Henri Prins – tijdens het debat over de begroting van LNV d.d. 12 maart jl. stelde u dat het «ongelofelijk vervelend [is, red.] dat die publicatie voor deze verwarring heeft gezorgd, vooral omdat de door de auteur geraadpleegde deskundigen van het CBS en de WUR hebben gemeld dat de conclusies in dat rapport onjuist zijn»; doelde u daarbij op een persbericht dat is gepubliceerd op de site van SoortenNL?13 Zo ja, bent u ermee bekend dat dit persbericht van de website is verwijderd? Zo nee, kunt u aangeven waar «de door de auteur geraadpleegde deskundigen van het CBS en de WUR» volgens u dan wel zouden hebben gemeld dat de conclusies in het rapport van Henri Prins onjuist zouden zijn?
In uw antwoord gaf u aan dat u zich voor het beleid baseert op landelijke trends van het CBS en de Rode Lijst Rapporten en dat daaruit zou blijken dat het niet goed gaat met stikstofgevoelige soorten, maar de indieners hebben in de door u genoemde bronnen geen bewijs voor deze stelling kunnen vinden; kunt u daarom zo gedetailleerd mogelijk aangeven om welke soorten het gaat en daarbij ook verwijzingen naar het betreffende bronmateriaal van het CBS en de Rode Lijst Rapporten voegen?
Bent u ervan op de hoogte dat de landelijke trends van het CBS zijn gebaseerd op gegevens van het Netwerk Ecologische Monitoring, die op hun beurt weer afkomstig zijn van de soortenorganisaties?14 Bent u ervan op de hoogte dat dhr. Prins zich in zijn onderzoek eveneens baseert op de gegevens van diezelfde soortenorganisaties? Bent u zich bewust van het feit dat het NEM en het CBS per soortgroep tot vergelijkbare conclusies komen als dhr. Prins – bijvoorbeeld voor vaatplanten, zoogdieren, vlinders, libellen, amfibieën, reptielen en broedvogels? Hoe beoordeelt u deze overeenkomst? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u ermee bekend dat dhr. Prins in de tweede versie van zijn rapport d.d. 22 juni 2023 gebruik heeft gemaakt van de beschikbare populatietrends voor diersoorten? Bent u ervan op de hoogte dat van plantensoorten geen openbaar beschikbare populatietrends voorhanden zijn en dat dhr. Prins zich voor deze soorten dus noodzakelijkerwijs heeft moeten verlaten op verspreidingstrends? Hoe verhouden deze feiten zich tot uw bewering over het rapport van dhr. Prins dat «de verspreiding van soorten en van populatietrends door elkaar worden gehaald»? Staat u nog steeds achter deze bewering? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Bent u ervan op de hoogte dat uit het meest recente Basisrapport Rode Lijstsoorten Vaatplanten (2012) – waarin zowel verspreidings- als populatietrends zijn gepubliceerd ten opzichte van het jaar 1950 – blijkt dat deze beide trends over het algemeen sterk gecorreleerd zijn?15 Aangezien het door elkaar halen van de verspreiding- en populatietrend uw enige inhoudelijke kritiek vormde op het rapport van dhr. Prins, kunt u nogmaals aangeven waarom u dit rapport niet serieus neemt; of heeft bovenstaande informatie u wellicht van gedachten doen veranderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u uw bewering dat «de relevantie van stikstof als drukfactor wordt gebagatelliseerd zonder wetenschappelijke onderbouwing» onderbouwen? Bent u zich bewust van het feit dat dhr. Prins op basis van gegevens uit databanken van de soortenorganisaties – die dus ook worden gebruikt door NEM/CBS – concludeerde dat 81 procent van de typische soorten in Natura 2000-gebieden sinds 2000 vooruit zijn gegaan of stabiel zijn gebleven en 14 procent achteruit is gegaan? Ben u zich bewust van het feit dat dhr. Prins op basis van gegevens uit diezelfde databanken ook de door deze soortenorganisaties zelf aangedragen oorzaken van de afname van deze 14 procent kon achterhalen; dat de grootste drukfactor hydrologie bleek te zijn en de op-één-na-grootste natuurlijk processen; en dat stikstof voor slechts zeven van de 521 onderzochte soorten de hoofdoorzaak van de achteruitgang bleek te zijn, namelijk voor het doorgroeid fonteinkruid, het gewoon trapmos, het glanzend tandmos, de kommavlinder, de kleine heivlinder, de tapuit en het vetblad?16 Hoe verhoudt deze feitelijke onderbouwing – gebaseerd op onomstreden data en een helder omschreven methode – zich tot uw bewering dat de invloed van stikstof «wordt gebagatelliseerd zonder wetenschappelijke onderbouwing»? Kunt u – indien u het met deze feitelijke onderbouwing oneens bent – deze op feitelijke wijze weerleggen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar, zo volledig mogelijk en binnen de daarvoor gebruikelijke termijn beantwoorden?
Leeswijzer Natura 2000 profielen (Ministerie van Economische Zaken, versie september 2014) (pp. 69–70)
Zie website van provincie Fryslân. Natuurdoelanalysesvoor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Online beschikbaar via: https://www.fryslan.frl/natuurdoelanalyses-voor-stikstofgevoelige-natura-2000-gebieden.
Provincie Drenthe (2023). Natuurdoelanalyse Bargerveen.Online beschikbaar via: https://www.provincie.drenthe.nl/publish/pages/136652/concept_natuurdoelanalyse_bargerveen.pdf.
Rotgers, G. (juni 2023). Natuur slecht omdat veel wenssoorten er niet zijn: Natuurdoelanalyses werken met onrealistische soortenlijstjes. Stichting AgriFacts, p. 15. Online beschikbaar via: https://stichtingagrifacts.nl/wp-content/uploads/2023/06/Natuur-slecht-omdat-veel-wenssoorten-er-niet-zijn.pdf.
Presentatie Geesje Rotgers (21 augustus 2023). Drentse Natuurdoelanalyses langs de maatlat. Stichting AgriFacts, p. 26. Online beschikbaar via: https://stichtingagrifacts.nl/wp-content/uploads/2023/08/drentse-Natuurdoelanalyses-langs-de-maatlat-d.pdf.
Guidelines on Concepts and Definitions Article 17 of Directive 92/43/EEC: Reporting period 2019–2024 (p. 19)
Minister voor Natuur en Stikstof tijdens het debat over de begroting van LNV 2024 d.d. 12 maart jl. (Handelingen Eerste Kamer 2023/2024, nr. 23, item 8, p. 22): «Dat betreft het rapport van de heer Prins. Hij is inderdaad een oud-medewerker van de WUR. Er wordt gerefereerd aan een rapport over recente trends van soorten die typisch zijn voor habitattypen. Het is ongelofelijk vervelend dat die publicatie voor deze verwarring heeft gezorgd, vooral omdat de door de auteur geraadpleegde deskundigen van het CBS en de WUR hebben gemeld dat de conclusies in dat rapport onjuist zijn. De landelijke trends waarop ik mij voor het beleid baseer, zijn die van het CBS en de rodelijstrapporten. Daaruit blijkt dat het niet goed gaat met stikstofgevoelige soorten. Maar ook op internet zijn reacties gepubliceerd, bijvoorbeeld van geraadpleegde deskundigen zoals professor De Vries. Die noemde het rapport misleidend. Een belangrijke fout is dat de verspreiding van soorten en van populatietrends door elkaar worden gehaald. De relevantie van stikstof als drukfactor wordt gebagatelliseerd zonder wetenschappelijke onderbouwing. Precies hierom vind ik het zo belangrijk, wat ik deel met de heer Oplaat, dat gegevens en data vanuit de NDFF publiekstoegankelijk zijn, juist om dit soort misvattingen te voorkomen.»
Prins (Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur, juni 2023), Natuur anno 2023: vallen of opstaan?
Bijlage 1: Totale soortenlijst en uitkomsten toepassing Nederlandse criteria (Rode Lijst 2012)
Prins (Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur, juni 2023), Natuur anno 2023: vallen of opstaan? (p. 32)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-ek-232411.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.