Vragen van de leden Dessing (FVD) en Kemperman (BBB) op 19 juni 2024 medegedeeld aan de Minister voor Natuur en Stikstof naar aanleiding van het rapport van onderzoeker Henri Prins (Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur, juni 2023) Natuur anno 2023: vallen of opstaan?.

Antwoord van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (ontvangen 16 september 2024).

Vraag 1

Bent u het met de indieners eens dat de Europese Habitatrichtlijn stelt dat «de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten» niet mag verslechteren?1 Bent u ermee bekend dat het toenmalige Ministerie van Economische Zaken in september 2014 een Leeswijzer Natura 2000 profielen heeft opgesteld, waarin in bijlage 7 tot in detail is uitgewerkt hoe deze «kwaliteit van habitattypen op gebiedsniveau» moet worden geïnterpreteerd?2 Erkent u dat het in dit document en specifiek in deze bijlage niet gaat om een absolute staat van instandhouding van een habitattype, maar om «behoud van kwaliteit»? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 1

Ik ben het met de indieners eens dat in de Habitatrichtlijn een verslechteringsverbod op gebiedsniveau is opgenomen in artikel 6(2). Ook ben ik bekend met de Leeswijzer van het Natura 2000 Profielendocument. In de profielen staan vier kwaliteitsaspecten van habitattypen inhoudelijk uitgewerkt. In bijlage 7 wordt per kwaliteitsaspect betekenis gegeven aan de instandhoudingsdoelstellingen van kwaliteit van habitattype op gebiedsniveau, zoals opgenomen in de aanwijzingsbesluiten. Dit gebeurt door zowel de betekenis van behoud als verbetering van kwaliteit op gebiedsniveau te omschrijven. Het gaat hier niet om een absolute kwaliteitsmaat, maar om een relatieve maat die afhankelijk is van de instandhoudingsdoelstellingen en de omstandigheden op gebiedsniveau.

Vraag 2

Bent u ermee bekend dat volgens diezelfde Leeswijzer de typische soorten gezamenlijk «een goede kwaliteitsindicator [vormen, red.] voor de (compleetheid van de) levensgemeenschap van het habitattype» (p. 19) en dat elk land zelf de typische soorten per habitattype selecteert (p. 56)? Hoe beoordeelt u dit?

Antwoord 2

Ja, ik ben bekend met de inhoud van de Leeswijzer van het Natura 2000 Profielendocument. Het klopt dat elk land zelf typische soorten selecteert. Dit gebeurt volgens de in de Leeswijzer beschreven methode die voor alle lidstaten hetzelfde is (p. 56).

Vraag 3

Bent u ermee bekend dat volgens diezelfde Leeswijzer «behoud» van typische soorten betekent: (1) «het totale aantal verschillende typische soorten dat aanwezig was op het moment van aanwijzen van het gebied neemt niet af»; (2) «het eventuele verdwijnen van een typische soort kan worden gecompenseerd door de vestiging van een andere typische soort»; (3) «de mate van verspreiding van de typische soorten (als geheel) in het betreffende habitattype neemt gemiddeld genomen niet af»; (4) «indien het landelijke behoud van een typische soort staat of valt met het behoud van deze soort in een bepaald gebied, dan is behoud van die specifieke soort in dat gebied noodzakelijk»?3 Hoe beoordeelt u deze criteria – en dan in het bijzonder het tweede criterium?

Antwoord 3

Ja, daar ben ik mee bekend. Dit is de juiste uitleg van de instandhoudingsdoelstellingen voor het kwaliteitsaspect typische soorten. Dit is het door mijn ministerie vastgestelde beleid en daar sta ik achter.

Met het tweede criterium wordt bedoeld dat er vanuit de instandhoudingsdoelstellingen geen waarde wordt gehecht aan specifieke typische soorten, zolang het aantal verschillende typische soorten maar behouden blijft of uitbreidt. Tenzij het behoud van een specifieke typische soort in een gebied van belang is voor het landelijke behoud van de soort. In dat geval is behoud van die specifieke soort noodzakelijk (criterium 4).

Vraag 4

Bent u ermee bekend dat deze Leeswijzer ook het volgende stelt: «Het is geen voorwaarde dat een bepaalde typische soort moet blijven bestaan op een specifieke locatie in het gebied. Verschuivingen in typische soorten met lokaal verschijnen en verdwijnen binnen een gebied, maar ook tussen gebieden, zijn een natuurlijk fenomeen. [...] Zolang het aantal verschillende typische soorten in een gebied over een langere periode gemiddeld gelijk blijft, of (bij grootschalige gebieden) de gemiddelde verspreiding gelijk blijft, blijft ook de kwaliteit van het habitattype behouden»?4 Beoordeelt u «verschuivingen in typische soorten» ook als een «natuurlijk fenomeen»? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 4

Ik ben bekend met en onderschrijf de inhoud van de Leeswijzer. Met het begrip «natuurlijk fenomeen» in de tekst wordt bedoeld dat het een gegeven is dat de soortensamenstelling van een gebied nooit volledig onveranderd blijft. Dit is ook het geval als het gebied optimaal wordt beheerd.

Vraag 5

Bent u ermee bekend dat deze Leeswijzer voorts het volgende stelt: «Niet alle typische soorten van een habitattype hoeven in een concreet gebied aanwezig te zijn voor een goede kwaliteit. [...] Het gaat erom dat aan het eind van het beheerplan kan worden geëvalueerd of de soortenrijkdom aan typische soorten is toe of afgenomen of behouden is gebleven»?5 Hoe beoordeelt u dit?

Antwoord 5

Het totale aantal typische soorten per habitattype is een landelijke optelling van wat er op gebiedsniveau mogelijk is. Het is vrijwel nooit zo dat op gebiedsniveau alle typische soorten voor kunnen komen. De specifieke kenmerken en historie per gebied zijn daarvoor te verschillend. Het zou dus onrealistisch zijn om 100% van de lijst van typische soorten na te streven. Welk percentage wél mogelijk is, is per gebied verschillend. Het ene gebied heeft nu eenmaal meer potentie dan het andere. Vandaar dat er bij de uitwerking van de Habitatrichtlijn in Nederland voor gekozen is om een relatieve maatlat te gebruiken: het totale aantal typische soorten dat aanwezig is (of het er nu veel zijn of weinig), mag – vanwege het verslechteringsverbod – niet verminderen. En in het geval dat er in het aanwijzingsbesluit een verbeterdoelstelling staat, mag de opsteller van het beheerplan zelf kiezen hoe hoog het aantal typische soorten moet worden. Het is belangrijk dat deze realistische benadering is gekozen. Daarmee is voorkomen dat het absolute aantal typische soorten in een gebied bepaalt of het goed of niet goed gaat met de natuur.

Inmiddels stelt de Natuurherstelverordening (NHV) nadere eisen op dit punt. Er zal namelijk duidelijk gemaakt moeten worden wat een goede kwaliteitstoestand is. Op het punt van de typische soorten is dat tot nu toe door Nederland vermeden: de vraag was steeds of de instandhoudingsdoelstelling is gehaald, niet of de kwaliteit ten aanzien van het aspect typische soorten «goed» is.

In de uitwerking van de NHV wordt bewaakt dat voordelen van de Nederlandse benadering niet verloren gaan, maar ingepast kunnen worden in de vereiste uitwerking.

Vraag 6

Onderschrijft u de stellingen van de Leeswijzer geciteerd in vraag 1 tot en met 5? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6

Ja deze onderschrijf ik, want dit is het geldende juridische kader.

Vraag 7

Bent u ervan op de hoogte dat de provincies – in tegenstelling tot wat de Leeswijzer van het Rijk stelt – niet de in het betreffende Natura 2000-gebied aanwezige typische soorten op het moment van aanwijzen van het gebied aanhouden, maar een uitgebreidere lijst van typische soorten die in theorie bij de in het gebied aanwezige habitats horen; dat provincie Friesland bijvoorbeeld alle typische soorten meetelt die sinds 1975 in Friesland, Groningen of Drenthe zijn waargenomen;6 dat provincie Drenthe voor individuele Natura 2000-gebieden de landelijke lijst met typische soorten voor dat gebied hanteert en daaraan ook nieuwe typische soorten toevoegt – zoals de addertong, gevlekte orchis, moerasviooltje en tormentil in het Drentse Natura 2000-gebied Bargerveen;7 dat provincie Noord-Brabant alle soorten als typische soorten beschouwd die de laatste twintig jaar in een straal van vijftig kilometer rondom het betreffende Natura 2000-gebied zijn aangetroffen;8 en dat provincie Zuid-Holland de lijst met typische soorten juist niet aanvult, omdat «het juridische kader hiervoor ontbreekt»?9 Bent u het met de indieners eens dat de provincies Friesland, Drenthe en Noord-Brabant zich hiermee niet aan de door het Rijk opgestelde Leeswijzer houden? Zo ja, waarom wel en gaat u deze provincies hierop aanspreken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 7

Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen over de beoordeling van kwaliteit van habitattypen (2023Z19582): Voor veel Natura 2000-gebieden hebben de provincies de verantwoordelijkheid en de ruimte om de instandhoudingsdoelstellingen uit te werken, afgestemd op de mogelijkheden van het gebied en binnen de rijkskaders. Sommige provincies hebben ervoor gekozen om een verdere nuancering en specificering aan te brengen ten opzichte van het landelijke kader. Provincies kunnen hier goede redenen voor hebben en vanuit de eigen verantwoordelijkheid van provincies in het gedecentraliseerde stelsel is hier ook ruimte voor. Zolang het maar duidelijk is wat enerzijds juridisch verplicht is vanuit de hierboven uitgelegde systematiek en wat anderzijds een aanvulling is vanuit provinciaal beleid.

Er zijn al enige tijd gesprekken gaande tussen provincies en Rijk over het ontwikkelen van een gezamenlijk beoordelingskader waarin duidelijke afspraken gemaakt kunnen worden, met inachtneming van enerzijds de landelijke kaders (mede ter uitvoering van de NHV) en anderzijds de beleidsruimte die provincies hebben. Deze gesprekken zijn ook waardevol omdat ze inzicht geven en zorgen dat er geen misverstanden ontstaan over of er strenger beleid wordt gevoerd dan de richtlijn vraagt. Dit draagt bij aan het sturen op de instandhouding van belangrijke natuur zoals in het hoofdlijnenakkoord beschreven.

Vraag 8

Erkent u dat de instandhoudingsplicht ingaat vanaf het moment van aanwijzen van de Natura 2000-gebieden bij de EU, dus ruwweg rond het jaar 2004? Bent u ervan op de hoogte dat de EU adviseert om voor kortetermijntrends een periode van zo mogelijk twaalf en voor langetermijntrends een periode van zo mogelijk 24 jaar te hanteren?10 Bent u het met de indieners eens dat de combinatie van bovengenoemde punten oplevert dat de ontwikkeling van de typische soorten vanaf het moment van aanwijzing tot nu een goede indicator is voor de ontwikkeling van de natuurkwaliteit in de Natura 2000-gebieden? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 8

Voor Habitatrichtlijngebieden geldt een instandhoudingsplicht vanaf het moment dat het gebied op de communautaire lijst is geplaatst (2004 voor de meeste gebieden). Bij het aanwijzen van een gebied zijn ook instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd (behoud of verbetering) waarvoor het moment van aanwijzen als peildatum geldt (dat is altijd later dan 2004). Om in beeld te houden of aan de instandhoudingsdoelstellingen wordt voldaan, dient de ontwikkeling van de natuurkwaliteit in een Habitatrichtlijngebied dus vanaf het moment van aanwijzen te worden beoordeeld. Het aantal typische soorten is onderdeel van deze beoordeling, naast andere kwaliteitsaspecten (vegetatietypen, abiotische randvoorwaarden en overige kenmerken van structuur en functie).

De voor trendberekeningen te hanteren periodes, zoals aanbevolen door de EU, hebben betrekking op landelijke trends, niet op het volgen van de ontwikkelingen per gebied. Deze landelijke trends spelen een rol bij de beoordeling van de landelijke staat van instandhouding in heel Nederland.

Vraag 9

Klopt de constatering (pagina 10) van BIJ12 dat de overheid heeft nagelaten de staat van instandhouding op het moment van aanmelding in voldoende mate vast te leggen?

Antwoord 9

De kwaliteitstoestand van de natuur was niet volledig bekend op het moment van aanmelden van Natura 2000-gebieden. Bij aanmelding ging het erom dat bekend was voor welke habitattypen en soorten een gebied zodanig belangrijk was dat selectie daarom noodzakelijk was. De kennis over de belangrijkste waarden per gebied was daardoor groter dan de kennis over de andere aanwezige habitats en soorten. Op dat punt heeft sindsdien een grote inhaalslag plaatsgevonden. Want om bij te dragen aan de instandhouding van belangrijke natuur, zoals in het hoofdlijnenakkoord beschreven, is het fundamenteel dat bekend is wat de daadwerkelijke kwaliteit van de gebieden is. Het kabinet zal hier de komende tijd sterk op inzetten.

Vraag 10

Bent u het met de indieners eens dat het dus onmogelijk is om per aangewezen habitatna te gaan hoe de kwaliteit zich sinds de aanmelding heeft ontwikkeld? Bent u het met de indieners eens dat daarom de ontwikkeling van de typische soorten op landelijk niveau de beste indicator is om de kwaliteit van de habitats te beoordelen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, hoe zouden we deze kwaliteit dan wel moeten en kunnen beoordelen?

Antwoord 10

Het blijkt in de praktijk mogelijk om per aangewezen Habitatrichtlijngebied na te gaan hoe de kwaliteit zich sinds de aanmelding heeft ontwikkeld. Op basis van de beschikbare gegevens is namelijk zo goed mogelijk bepaald hoe de kwaliteit zich heeft ontwikkeld. Voor het ene gebied is dit echter beter mogelijk dan in het andere gebied, afhankelijk van de volledigheid van de beschikbare gegevens en de mogelijkheid om achteraf (bijvoorbeeld aan de hand van luchtfoto’s) te reconstrueren hoe de situatie in het verleden was. De beoordeling van veranderingen in (oppervlakte en) kwaliteit gebeurt bijvoorbeeld door het vergelijken van metingen van grondwaterstanden en vegetatiekaarten in de loop van de tijd. Ook wordt in de natuurdoelanalyses op basis van beschikbare gegevens een oordeel gegeven over de natuurkwaliteit in een gebied. In het Verbeterprogramma VHR Natuurmonitoring wordt gewerkt aan methodes om natuurkwaliteit te volgen.

De ontwikkeling van typische soorten is een belangrijke indicator om kwaliteit van habitattypen te beoordelen. Echter, zoals in antwoord 8 is vermeld, de beoordeling van de habitatkwaliteit vindt ook plaats aan de hand van drie andere kwaliteitsaspecten – deze vier samen geven een compleet beeld van hoe het met de kwaliteit gaat. Het is daarbij wel belangrijk om dat per gebied te meten, want een landelijke trend kan niet toegepast worden op gebiedsniveau: daarvoor verschillen de gebieden onderling teveel.

Vraag 11

In uw antwoord11 op vragen van het lid Dessing over het rapport Natuur anno 2023: vallen of opstaan? (tweede versie d.d. 22 juni 2023)12 – geschreven door onderzoeker Henri Prins – tijdens het debat over de begroting van LNV d.d. 12 maart jl. stelde u dat het «ongelofelijk vervelend [is, red.] dat die publicatie voor deze verwarring heeft gezorgd, vooral omdat de door de auteur geraadpleegde deskundigen van het CBS en de WUR hebben gemeld dat de conclusies in dat rapport onjuist zijn»; doelde u daarbij op een persbericht dat is gepubliceerd op de site van SoortenNL?13 Zo ja, bent u ermee bekend dat dit persbericht van de website is verwijderd? Zo nee, kunt u aangeven waar «de door de auteur geraadpleegde deskundigen van het CBS en de WUR» volgens u dan wel zouden hebben gemeld dat de conclusies in het rapport van Henri Prins onjuist zouden zijn?

Antwoord 11

Hierbij werd gedoeld op het persbericht dat gepubliceerd is op de website van SoortenNL. Dit bericht staat nog steeds op de website: https://soortennl.nl/nieuws/misleiding-door-stichting-samenleven-landbouw-en-natuur/

Vraag 12

In uw antwoord gaf u aan dat u zich voor het beleid baseert op landelijke trends van het CBS en de Rode Lijst Rapporten en dat daaruit zou blijken dat het niet goed gaat met stikstofgevoelige soorten, maar de indieners hebben in de door u genoemde bronnen geen bewijs voor deze stelling kunnen vinden; kunt u daarom zo gedetailleerd mogelijk aangeven om welke soorten het gaat en daarbij ook verwijzingen naar het betreffende bronmateriaal van het CBS en de Rode Lijst Rapporten voegen?

Antwoord 12

De Basisrapporten voor de Rode Lijsten van de verschillende soortgroepen bevatten input om het beleid op te baseren. Enkele voorbeelden zijn de rapporten van vogels14, korstmossen15 en zweefvliegen16. Trends van het CBS worden gebruikt om tot een beoordeling te komen zoals die in de rode lijsten staan. In Hoofdstuk 3 van de Basisrapporten wordt per soort of per groep soorten uitgelegd waarom deze op de Rode Lijst staan. In Hoofdstuk 5 wordt per Basisrapport samengevat wat de drukfactoren voor de desbetreffende soortgroep zijn. Uit deze hoofdstukken in de rapporten blijkt dat verzuring en vermesting voor veel soorten een probleem vormen, maar dat er ook andere belangrijke drukfactoren zijn. Zo hebben veel soorten ook last van verdroging.

Vraag 13

Bent u ervan op de hoogte dat de landelijke trends van het CBS zijn gebaseerd op gegevens van het Netwerk Ecologische Monitoring, die op hun beurt weer afkomstig zijn van de soortenorganisaties?17 Bent u ervan op de hoogte dat dhr. Prins zich in zijn onderzoek eveneens baseert op de gegevens van diezelfde soortenorganisaties? Bent u zich bewust van het feit dat het NEM en het CBS per soortgroep tot vergelijkbare conclusies komen als dhr. Prins – bijvoorbeeld voor vaatplanten, zoogdieren, vlinders, libellen, amfibieën, reptielen en broedvogels? Hoe beoordeelt u deze overeenkomst? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 13

Ja, ik ben ervan op de hoogte hoe de landelijke trendberekeningen tot stand komen en dat dhr. Prins gebruik heeft gemaakt van de gegevens die daarvoor door het CBS worden verwerkt. Dat biedt een goede basis voor een wetenschappelijk debat over de betekenis van de gegevens en de berekeningen. Daarom is het belangrijk dat de overheid kennis neemt van rapporten over hoe het met de natuur gaat, ook als die rapporten conclusies bevatten die afwijken van wat gebruikelijk is.

Inderdaad komt een deel van de conclusies in het geval van het rapport-Prins overeen, maar er zijn ook duidelijk verschillen. Het is daarom belangrijk om daarvan de redenen te weten. Die redenen liggen met name op het vlak van de interpretatie van de basisgegevens.

Een eerste voorbeeld is dat dhr. Prins soorten met een afname tot 20% niet meeneemt in zijn lijst van afgenomen soorten. Reden hiervoor is dat zo’n afname voor de Rode Lijsten valt binnen de klasse «stabiel». Bij de Rode Lijsten is dat logisch, omdat niet te snel geconcludeerd moet worden dat een soort bedreigd is. Maar er is in deze gevallen wel degelijk sprake van een afname.

Een tweede voorbeeld is dat dhr. Prins in veel gevallen niet kon beschikken over statistisch betrouwbare trends en daarom zelf conclusies heeft getrokken op basis van de ruwe gegevens. Het aantal waarnemingen van soorten, verricht door professionals en verzameld via websites als waarneming.nl, is de afgelopen jaren enorm toegenomen. Het is noodzakelijk om voor deze zogenoemde waarnemingsinspanning te corrigeren, omdat er anders een onrealistische conclusie over de trend wordt getrokken. Het komt regelmatig voor dat van een soort die vroeger algemeen was en nu zeldzaam, momenteel toch meer waarnemingen worden doorgegeven dan vroeger. In zo’n geval is het onterecht om te concluderen dat de soort is toegenomen. Het eenvoudigweg vergelijken van aantallen hokken van 5x5 km met waarnemingen in verschillende periodes is dus geen begaanbare weg en in alle Basisrapporten voor Rode Lijsten wordt op deze valkuil gewezen.

Vraag 14

Bent u ermee bekend dat dhr. Prins in de tweede versie van zijn rapport d.d. 22 juni 2023 gebruik heeft gemaakt van de beschikbare populatietrends voor diersoorten? Bent u ervan op de hoogte dat van plantensoorten geen openbaar beschikbare populatietrends voorhanden zijn en dat dhr. Prins zich voor deze soorten dus noodzakelijkerwijs heeft moeten verlaten op verspreidingstrends? Hoe verhouden deze feiten zich tot uw bewering over het rapport van dhr. Prins dat «de verspreiding van soorten en van populatietrends door elkaar worden gehaald»? Staat u nog steeds achter deze bewering? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 14

Het is echter niet zonder meer mogelijk om d.m.v. de trend in verspreiding uitspraken te doen over de trend van de populatie. In openbare bronnen wordt de verspreiding van een soort aangegeven in hokken van 5x5 km (atlasblokken). Per hok is het aantal individuen van een soort zeer verschillend; de optelling daarvan bepaalt de omvang de landelijke populatie.

De trend in de verspreiding loopt bij afnemende soorten vaak achter op de trend van de populatieomvang. Een soort kan namelijk nog steeds wijdverspreid voorkomen, ook al is het aantal individuen sterk afgenomen. Want pas als het laatste individu over de hele oppervlakte van 25 km2 is verdwenen, telt zo’n atlasblok niet meer mee in de verspreiding. Voor zo’n soort kan de verspreidingstrend dus stabiel of licht negatief zijn, terwijl de populatietrend sterk negatief is. Als die populatietrend niet beschikbaar is en er alleen conclusies worden getrokken op basis van de verspreidingstrend, levert dat dus een te rooskleurig beeld op.

Daarbij komt het in antwoord 13 genoemde effect van de toegenomen waarnemingsinspanning. Voor de verspreidingstrends sinds 1950 is daarvoor in de Basisrapporten voor Rode Lijsten gecorrigeerd, maar dhr. Prins heeft conclusies getrokken over de veranderingen sinds 2000 en beschikte daardoor in veel gevallen niet over de gecorrigeerde trends die voor zijn conclusies noodzakelijk waren.

Vraag 15

Bent u ervan op de hoogte dat uit het meest recente Basisrapport Rode Lijstsoorten Vaatplanten (2012) – waarin zowel verspreidings- als populatietrends zijn gepubliceerd ten opzichte van het jaar 1950 – blijkt dat deze beide trends over het algemeen sterk gecorreleerd zijn?18 Aangezien het door elkaar halen van de verspreiding- en populatietrend uw enige inhoudelijke kritiek vormde op het rapport van dhr. Prins, kunt u nogmaals aangeven waarom u dit rapport niet serieus neemt; of heeft bovenstaande informatie u wellicht van gedachten doen veranderen? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 15

Ik neem het rapport van dhr. Prins serieus en daarom heb ik hem ook de gelegenheid gegeven om zijn rapport nader toe te lichten.

Zoals in antwoord 14 beschreven, kan de richting van een trend (positief dan wel negatief) hetzelfde zijn, maar de mate waarin zal vaak verschillen: veranderingen in populaties zijn vaak sterker dan veranderingen in verspreiding. Het is daarom belangrijk om voorzichtig te zijn met het gebruik van verspreidingstrends als inschatting van populatietrends. Voor de Rode Lijst Vaatplanten waren tellingen van individuele planten pas vanaf 1999 beschikbaar en alleen voor de meer algemene soorten. Om toch met name bij de zeldzamere soorten iets te kunnen zeggen over veranderingen in populaties, is gebruik gemaakt van het voorkomen per vierkante kilometer, dus op een 25 maal lager schaalniveau dan de verspreidingstrend. Dit wordt in het rapport de populatietrend genoemd, omdat het de daadwerkelijke trend in de populatie redelijk benadert (maar vaak nog wel een onderschatting zal zijn). Op de lange termijn (sinds 1950, zoals in de Rode Lijst) zal de verspreiding wel de verandering in de populatie volgen. Op een kortere termijn zal dat verschil groter zijn. Voor een vergelijking met 2000 of het moment van aanwijzen is dit een risico. Om misverstanden over verspreidingstrends en aantalstrends, methodieken en kwaliteitsoordelen beter te kunnen herkennen hebben SoortenNL en WWF-NL een overzicht gegeven van veelvoorkomende misverstanden bij het interpreteren van data in onderzoeken, zoals het rapport dat wordt aangehaald door de indieners19. Bovenstaande overwegingen betekenen dat het rapport-Prins geen aanleiding geeft om de conclusies waar de grootste consensus over bestaat over de ontwikkelingen in de natuur bij te stellen.

Vraag 16

Kunt u uw bewering dat «de relevantie van stikstof als drukfactor wordt gebagatelliseerd zonder wetenschappelijke onderbouwing» onderbouwen? Bent u zich bewust van het feit dat dhr. Prins op basis van gegevens uit databanken van de soortenorganisaties – die dus ook worden gebruikt door NEM/CBS – concludeerde dat 81 procent van de typische soorten in Natura 2000-gebieden sinds 2000 vooruit zijn gegaan of stabiel zijn gebleven en 14 procent achteruit is gegaan? Ben u zich bewust van het feit dat dhr. Prins op basis van gegevens uit diezelfde databanken ook de door deze soortenorganisaties zelf aangedragen oorzaken van de afname van deze 14 procent kon achterhalen; dat de grootste drukfactor hydrologie bleek te zijn en de op-één-na-grootste natuurlijk processen; en dat stikstof voor slechts zeven van de 521 onderzochte soorten de hoofdoorzaak van de achteruitgang bleek te zijn, namelijk voor het doorgroeid fonteinkruid, het gewoon trapmos, het glanzend tandmos, de kommavlinder, de kleine heivlinder, de tapuit en het vetblad?20 Hoe verhoudt deze feitelijke onderbouwing – gebaseerd op onomstreden data en een helder omschreven methode – zich tot uw bewering dat de invloed van stikstof «wordt gebagatelliseerd zonder wetenschappelijke onderbouwing»? Kunt u – indien u het met deze feitelijke onderbouwing oneens bent – deze op feitelijke wijze weerleggen?

Antwoord 16

Aan de hand van het voorkomen van typische soorten in Natura 2000-gebieden is niet volledig te concluderen in hoeverre stikstof een drukfactor is. Ten eerste is het hiervoor ook belangrijk om te kijken naar trends vanuit bronnen zoals het Landelijk Meetnet Flora en de vegetatiekarteringen. Deze bronnen heeft dhr. Prins niet gebruikt. Ten tweede is het belangrijk om te beseffen dat de afgelopen decennia grote inspanningen zijn gepleegd om (onder andere) typische soorten in natuurgebieden te behouden, ondanks de aangetaste milieuomstandigheden. Dat soorten niet zomaar zijn verdwenen bij overbelasting met stikstof, is veelal te danken aan deze inspanningen.

Ik constateer dat er verschil van inzicht is in de methode die gebruikt zou moeten worden om vanuit ruwe gegevens te komen tot betrouwbare conclusies. Zie daarvoor met name de antwoorden 13 en 15. In het rapport wordt het voorbeeld van de veenbies uitgewerkt. Geconcludeerd wordt dat deze soort «sinds 1975 met 50% is toegenomen». Maar dit betreft dus een toename van het aantal waarnemingen (op het niveau van atlasblokken) per periode, geen daadwerkelijke toename van de soort. Als wordt gecorrigeerd voor de toegenomen waarnemingsinspanning, zoals zichtbaar op de trendgrafiek onder het kopje «trend en bloei» op de webpagina (https://www.verspreidingsatlas.nl/1153#), dan is duidelijk dat er een afname heeft plaatsgevonden, ook nog na 2000.

Ten slotte is er ook verschil van inzicht in hoe bepaald kan worden wat de belangrijkste drukfactoren zijn. In het rapport van Dhr. Prins wordt geconcludeerd dat stikstof bij minder dan 2% van de onderzochte soorten de hoofdoorzaak is van een afname. Dit komt niet overeen met de wetenschappelijke conclusies waar de grootste consensus over bestaat, namelijk dat een groot deel van de Nederlandse soorten last heeft van stikstof. Het verschil in inzicht ontstaat als volgt. Dhr. Prins bepaalt eerst welke soorten sinds 2000 meer dan 20% zijn afgenomen. Soorten die (onder andere door stikstof) vooral vóór 2000 zijn afgenomen en soorten die sindsdien minder dan 20% zijn afgenomen, tellen dus niet mee. Dhr. Prins gaat er voor deze soorten van uit dat stikstof geen probleem is. Dat is voor stikstofgevoelige soorten een onterechte conclusie, want door herstelbeheer is, met name na 2000, juist getracht om afname, als gevolg van een overmaat aan stikstof, te voorkomen of terug te draaien. Dat daardoor soorten weer op allerlei plekken zijn teruggekeerd, is geen bewijs dat stikstof geen probleem is. Het geeft slechts aan dat het «beginnen met een schone lei» goede resultaten kan opleveren en dat herstelmaatregelen dus zinvol zijn. Na verloop van tijd zal de overmaat aan stikstof weer een probleem gaan vormen; het is belangrijk om dat te voorkomen.

Van de soorten die ook volgens de methode van dhr. Prins zijn afgenomen, heeft hij vervolgens genoteerd welke oorzaken in verschillende bronnen worden genoemd. Hij gaat er daarbij vanuit dat stikstof geen belangrijke oorzaak is als die drukfactor niet als eerste wordt genoemd. Maar een website als Verspreidingsatlas.nl is niet bedoeld om een rangschikking te geven van het belang van bepaalde drukfactoren. Dat is ook lang niet altijd precies te bepalen – wél kan worden bepaald of een bepaalde drukfactor van wezenlijke invloed is of niet. Op p. 45 van het basisrapport voor de Rode Lijst Vaatplanten (https://www.floron.nl/publicaties/rode-lijst-2012) is in een figuur (die ook op de webpagina staat) inzichtelijk gemaakt of er een relatie is tussen stikstof en trend. Die relatie is heel duidelijk: de soorten met de grootste afnames hebben een lage indicatorwaarde voor stikstof (ze zijn afhankelijk van voedselarme omstandigheden); de soorten met de grootste toenames hebben een hoge indicatorwaarde (ze profiteren van meer voedingsstoffen). Deze analyse laat dus precies het tegenovergestelde zien van wat dhr. Prins heeft geconcludeerd.

Vraag 17

Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar, zo volledig mogelijk en binnen de daarvoor gebruikelijke termijn beantwoorden?

Antwoord 17

Het tijdig beantwoorden is helaas niet gelukt, zoals eerder aan uw Kamer gemeld in de uitstelbrief.


X Noot
1

Habitatrichtlijn art. 6 lid 2

X Noot
2

Leeswijzer Natura 2000 profielen (Ministerie van Economische Zaken, versie september 2014) (pp. 69–70)

X Noot
3

Leeswijzer Natura 2000 profielen (p. 70)

X Noot
4

Leeswijzer Natura 2000 profielen (p. 61)

X Noot
5

Leeswijzer Natura 2000 profielen (p. 60)

X Noot
6

Zie website van provincie Fryslân. Natuurdoelanalysesvoor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Online beschikbaar via: https://www.fryslan.frl/natuurdoelanalyses-voor-stikstofgevoelige-natura-2000-gebieden.

X Noot
7

Provincie Drenthe (2023). Natuurdoelanalyse Bargerveen.Online beschikbaar via: https://www.provincie.drenthe.nl/publish/pages/136652/concept_natuurdoelanalyse_bargerveen.pdf.

X Noot
8

Rotgers, G. (juni 2023). Natuur slecht omdat veel wenssoorten er niet zijn: Natuurdoelanalyses werken met onrealistische soortenlijstjes. Stichting AgriFacts, p. 15. Online beschikbaar via: https://stichtingagrifacts.nl/wp-content/uploads/2023/06/Natuur-slecht-omdat-veel-wenssoorten-er-niet-zijn.pdf.

X Noot
9

Presentatie Geesje Rotgers (21 augustus 2023). Drentse Natuurdoelanalyses langs de maatlat. Stichting AgriFacts, p. 26. Online beschikbaar via: https://stichtingagrifacts.nl/wp-content/uploads/2023/08/drentse-Natuurdoelanalyses-langs-de-maatlat-d.pdf.

X Noot
11

Minister voor Natuur en Stikstof tijdens het debat over de begroting van LNV 2024 d.d. 12 maart jl. (Handelingen Eerste Kamer 2023/2024, nr. 23, item 8, p. 22): «Dat betreft het rapport van de heer Prins. Hij is inderdaad een oud-medewerker van de WUR. Er wordt gerefereerd aan een rapport over recente trends van soorten die typisch zijn voor habitattypen. Het is ongelofelijk vervelend dat die publicatie voor deze verwarring heeft gezorgd, vooral omdat de door de auteur geraadpleegde deskundigen van het CBS en de WUR hebben gemeld dat de conclusies in dat rapport onjuist zijn. De landelijke trends waarop ik mij voor het beleid baseer, zijn die van het CBS en de rodelijstrapporten. Daaruit blijkt dat het niet goed gaat met stikstofgevoelige soorten. Maar ook op internet zijn reacties gepubliceerd, bijvoorbeeld van geraadpleegde deskundigen zoals professor De Vries. Die noemde het rapport misleidend. Een belangrijke fout is dat de verspreiding van soorten en van populatietrends door elkaar worden gehaald. De relevantie van stikstof als drukfactor wordt gebagatelliseerd zonder wetenschappelijke onderbouwing. Precies hierom vind ik het zo belangrijk, wat ik deel met de heer Oplaat, dat gegevens en data vanuit de NDFF publiekstoegankelijk zijn, juist om dit soort misvattingen te voorkomen.»

X Noot
12

Prins (Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur, juni 2023), Natuur anno 2023: vallen of opstaan?

X Noot
14

Basisrapport voor de rode lijst Vogels 2016: https://www.vogelbescherming.nl/docs/beb59b77-ff0f-41df-ae56-e7b598e5e0e9.pdf

X Noot
16

Basisrapport voor de rode lijst zweefvliegen 2023: https://open.overheid.nl/documenten/d3fef25d-ed8c-4145-a273-a6007c5bc121/file

X Noot
20

Prins (Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur, juni 2023), Natuur anno 2023: vallen of opstaan? (p. 32)

Naar boven