CLXXVI Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2026

B VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN1

Vastgesteld 12 juni 2026

1. Inleiding

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van de leden Rosenmöller, Klip-Martin en Van Meenen voor een Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2026 (hierna: Regeling 2026).2 Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de fracties van BBB, PVV, JA21 en 50PLUS enkele vragen.

2. Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

  • 1. Kunnen de voorstellers aan de leden van de fractie van de BBB toelichten hoe wordt voorkomen dat de aanspraak op een deel van het opgebouwde vermogen een financiële prikkel vormt voor Kamerleden om zich af te splitsen van hun fractie?

  • 2. Waarom is ervoor gekozen afsplitsende fracties mee te laten delen in het bestaande vermogen, terwijl dit de financiële gevolgen van een afsplitsing aanzienlijk verkleint?

  • 3. Is onderzocht of de mogelijkheid om een evenredig deel van de reserves en liquide middelen mee te nemen het risico op afsplitsingen vergroot?

  • 4. Hoe verhoudt de voorgestelde Regeling 2026 zich tot het uitgangspunt dat publieke middelen niet mogen bijdragen aan het stimuleren van politieke versnippering?

  • 5. Waarom is niet gekozen voor een regeling waarbij een afsplitsende fractie uitsluitend recht heeft op toekomstige bijdragen, maar niet op reeds opgebouwd vermogen van de oorspronkelijke fractie?

3. Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van PVV

  • 1. De Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2023, die met ingang van 1 januari 2024 gold, beoogde ten eerste de kwaliteit van de ondersteuning van de fracties te versterken en ten tweede goed werkgeverschap te bevorderen.3 Uit de evaluatie blijkt echter niet ondubbelzinnig dat de kwaliteit van de ondersteuning is toegenomen. De griffie besteedt in elk geval niet minder tijd aan het verwerken, redigeren en corrigeren van de politiek-inhoudelijke inbrengen van de fracties. Dit komt mede omdat in de inbrengen de bronvermeldingen niet altijd op orde zijn.

    • a. Welke concrete aanwijzing hebben de voorstellers dat de voorgestelde Regeling 2026 wél voor het behalen van de doelstelling zorgt?

    • b. Welk concreet element of elementen in de aangepaste nu voorliggende Regeling 2026 draagt/dragen hieraan bij en op welke wijze?

  • 2. Voor de totstandkoming en inhoud van het voorstel voor de Regeling 2026 hebben de voorstellers zich laten inspireren door de Regeling financiële ondersteuning fracties en groepen Tweede Kamer 2023.4 De financiering van fracties in de Tweede Kamer is echter van een andere orde. Het gaat om substantiëlere budgetten en gemiddeld genomen is er een aanzienlijk grotere personele bezetting bij de fracties. De situatie van de Eerste Kamer, met deeltijdpolitici, is veel meer vergelijkbaar met die van een provincie, of een grote gemeente.

    • a. Zien de voorstellers ook dat de vergelijking met de situatie in en de Regeling van de Tweede Kamer feitelijk mank gaat?

    • b. Hebben de voorstellers zich ook georiënteerd door bijvoorbeeld bijdrageregelingen van provincies of gemeenten te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?

  • 3. Hoe hebben de voorstellers de omvang van 75% bepaald voor de maximale omvang van de beoogde egalisatiereserve? Naar welk model of op basis van welk inzicht is dit percentage tot stand gekomen?

  • 4. De voorstellers stellen dat er voor de akte van oprichting evenals voor elke statutenwijziging een verplichte schriftelijke goedkeuring dient te zijn van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters (CVO).

    • a. Kunnen de voorstellers onderbouwen hoe deze verplichting zich verhoudt tot het recht op vereniging zoals bedoeld in de Grondwet, artikel 8?

    • b. Welk concreet doel dient deze verplichting van goedkeuring exact?

    • c. Welk probleem wordt er concreet opgelost door deze verplichte goedkeuring?

    • d. Zien de voorstellers ook dat er bestedingsregels voor de fractiegelden zijn, alsmede de controle door een accountant, die moeten waarborgen dat de fractiegelden rechtmatig worden aangewend en dat dus niet een verplichte goedkeuring van stichtingsstatuten nodig is? Zo nee, hoe zien de voorstellers dit dan wel?

    • e. Zien de voorstellers ook dat áls er al sprake zou moeten zijn van voorgeschreven statuten, deze dan enkel kunnen en mogen zien op de fractiebijdrage conform de voorgestelde Regeling 2026 en dus niet op zaken als vermogensvorming of baten die feitelijk buiten het bereik van de beoogde Regeling 2026 vallen? Zo nee, kunnen de voorstellers aangeven hoe dit dan wel gezien moet worden?

    • f. Zien de voorstellers ook de disproportionaliteit van de verplichte schriftelijke goedkeuring van het CVO op de akte van oprichting én statutenwijzigingen ten opzichte van het doel om rechtmatige bestedingen en rechtmatige verantwoording van fractiebijdragen te waarborgen? Zo nee, hoe oordelen de voorstellers dan wel ten aanzien van de proportionaliteit?

  • 5. In de voorliggende Modelstatuten bij de Regeling 2026 zijn drie stichtingsdoelstellingen geformuleerd, namelijk het in dienst nemen van personeelsleden, het verwerven van apparatuur en het vaststellen van salarissen en andere arbeidsvoorwaarden van de personeelsleden.

    • a. Kunnen de voorstellers aangeven vanuit welke visie dit de doelstellingen zijn?

    • b. Zien de voorstellers ook dat de geformuleerde doelen in feite geen doelen maar middelen zijn?

    • c. Ligt het niet meer voor de hand om bijvoorbeeld als doelstelling te formuleren «De stichting heeft ten doel het beheren van de fractiebijdrage van de Eerste Kamerfractie van [partijnaam]» voor een stichting die enkel bedoeld zou zijn voor de rechtmatige aanwending van de fractiebijdrage?

  • 6. In de voorliggende Modelstatuten bij de voorgestelde Regeling 2026 is de bepaling opgenomen dat tot bestuurder van de stichting alleen fractieleden kunnen worden benoemd, tenzij het CVO ontheffing van deze eis verleent, wat zij in elk geval doet ingeval de omvang van de fractie onvoldoende is om een bestuur van tenminste drie personen te benoemen.

    • a. Kunnen de voorstellers aangeven waarom ten principale alleen fractieleden tot bestuurder kunnen worden benoemd?

    • b. Welk concreet doel dient deze verplichting?

    • c. Welk probleem wordt er concreet opgelost door deze verplichting?

    • d. Is het niet logischer om enkel de eis te formuleren dat te allen tijde minimaal één lid van de fractie bestuurslid is van de stichting?

    • e. Los gezien van het beleid of de wens van individuele fracties of politieke partijen, is een Verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor leden van de Eerste Kamer niet wettelijk verplicht. Welke motivatie hebben de voorstellers voor de eis dat kandidaat-bestuurders, indien zij geen fractielid zijn, een VOG aan het CVO moeten overleggen?

    • f. Indien de voorstellers een logische rechtvaardiging voor de VOG-eis hebben, waarom is het niet meer kunnen voldoen aan de VOG-eis dan geen defungeringsgrond?

  • 7. In de Modelstatuten hebben de voorstellers opgenomen dat er sprake kan zijn van «een redelijke, niet bovenmatige vergoeding voor de ten behoeve van de stichting gemaakte kosten», alsmede «een niet bovenmatig vacatiegeld met dien verstande dat bestuurders die tevens lid zijn van de Fractie geen recht hebben op een vacatiegeld».

    • a. Wat exact bedoelen de voorstellers met «redelijk»?

    • b. Wat bedoelen de voorstellers precies met «niet bovenmatig»?

    • c. Bedoelen de voorstellers ten aanzien van de kostenvergoeding het kunnen declareren van werkelijk gemaakte kosten of bedoelen de voorstellers hiermee een forfaitaire onkostenvergoeding?

    • d. Op welke wijze achten de voorstellers het uitkeren van onkostenvergoedingen of vacatiegelden te verenigen met de voorgestelde Regeling 2026? Hierbij gaat het meer specifiek over de bepalingen waar de bijdrage niet aan mag worden besteed, zoals betalingen aan politieke partijen, dan wel met politieke partijen verbonden instellingen of natuurlijke personen anders dan ter vergoeding van prestaties als diensten of goederen geleverd ten behoeve van de fractie op basis van een gespecificeerde, reële declaratie.

  • 8. In de Modelstatuten is een bepaling opgenomen over een uitkeringenregister. Artikel 9.1 luidt «Het bestuur is verplicht een egalisatiereserve te vormen met inachtneming van het bepaalde in de Regeling».

    • a. Zien de voorstellers ook dat deze bepaling voor meerdere uitleg vatbaar is?

    • b. Zouden de voorstellers wellicht verbetering zien in de volgende tekst: «Ingeval van vorming van een egalisatiereserve als bedoeld in de Regeling is het bestuur verplicht het bepaalde daarover in de Regeling in acht te nemen.»

  • 9. In de Modelstatuten is een bepaling opgenomen over een uitkeringenregister. Artikel 9.6 luidt «Het bestuur houdt een register bij waarin de namen en adressen van alle personen worden opgenomen aan wie een uitkering is gedaan die niet meer bedraagt dan vijfentwintig procent (25%) van het voor uitkering vatbare bedrag in een bepaald boekjaar, alsmede het bedrag van de uitkering en de datum waarop deze uitkering is gedaan.»

    • a. Waarom willen de voorstellers alleen uitkeringen die minder bedragen dan 25% in het register opnemen?

    • b. Op welke wijze willen de voorstellers dat wordt omgegaan met uitkeringen die meer bedragen dan 25% van het voor uitkering vatbare bedrag?

    • c. Wat is het doel van deze bepaling?

  • 10. In artikel 3 van de voorgestelde Regeling 2026 is lid 1 als volgt geformuleerd: «De jaarlijkse bijdrage aan de fracties bestaat uit een basisbedrag van € 120.976 voor elke fractie en een bedrag van € 8.476 per Kamerzetel.»

    • a. Zijn de voorstellers het ermee eens dat deze formulering geen recht doet aan de mogelijkheid van fracties om af te zien van deze bijdrage?

    • b. Zien de voorstellers ook dat fracties daarmee met een onnodige verantwoordingsverplichting worden opgezadeld?

    • c. Zijn de voorstellers het ermee eens dat de volgende formulering meer recht zou doen aan de mogelijkheid af te zien van de bijdrage en tevens duidelijker is: «Fracties hebben recht op een jaarlijkse bijdrage ter bestrijding van kosten voor de inhoudelijke, secretariële en administratieve ondersteuning van de fractie. De bijdrage is samengesteld uit een vast basisbedrag van € 120.976 voor elke fractie en een bedrag van € 8.476 per Kamerzetel van die fractie. Deze bedragen gelden per volledig kalenderjaar. Fusies/(af)splitsingen hebben effect op de hoogte van de bijdrage, zie hiervoor de specifieke bepalingen in de desbetreffende artikelen»?

  • 11. In de voorgestelde Regeling 2026 en de bijbehorende documenten wordt afwisselend gesproken over bijdrage aan de fractie en bijdrage aan de stichting.

    • a. Zijn de voorstellers het ermee eens dat de financiële ondersteuning enkel de fractie ten goede kan komen?

    • b. Zijn de voorstellers ook overtuigd van het feit dat een stichting enkel een hulpmiddel is ten behoeve van het rechtmatige en ordelijke beheer van de fractiegelden?

    • c. Zijn de voorstellers het ermee eens dat de fractie ten principale verantwoordelijk is voor de fractiegelden en niet de stichting?

    • d. Indien de voorstellers op de bovenstaande punten een andere visie hanteren, kunnen de voorstellers dit toelichten?

    • e. Kunnen de voorstellers zorgdragen voor eenduidigheid in de documenten, waaronder ook het controleprotocol?

  • 12.

    • a. Wat is de reden dat de voorstellers de mogelijkheid in de Modelstatuten hebben opgenomen om vermogen in de stichting te vormen vanuit erfstelling, legaten en andere baten (dan de ondersteuningsbijdrage via de Eerste Kamer)?

    • b. Welke meerwaarde heeft deze bepaling en welk doel wordt ermee beoogd?

    • c. Zien de voorstellers ook dat de vorming van vermogen anders dan voortvloeiend uit de middelen voor fractieondersteuning, onduidelijkheden oplevert ingeval van vereffening? Zo nee, hoe is de visie van de voorstellers in deze?

    • d. Welke spelregels gelden er ten aanzien van vereffening volgens de voorstellers?

  • 13. In artikel 4.9 van de Modelstatuten is een aantal malen ten onrechte «Eerste» vermeld waar «Tweede» zou moeten staan. Kunnen de voorstellers dit bevestigen?

  • 14. Kunnen de voorstellers ten aanzien van het bepaalde in het controleprotocol over aanbestedende diensten duidelijkheid verschaffen?

  • 15. In het controleprotocol worden de begrippen «kosten» en «uitgaven» niet consequent en juist gehanteerd. Zo moet volgens het controleprotocol de accountant vaststellen dat «Kosten van de stichting zijn besteed conform het doel van de Regeling». Begrijpen de voorstellers dat dergelijke formuleringen de kwaliteit van het document geen goed doen?

  • 16. In het controleprotocol is vermeld dat de accountant vaststelt dat de bijdrage niet is besteed aan «giften, met uitzondering van giften mogelijk in het kader van de Regeling [2026] (bijvoorbeeld als gevolg van een afscheiding, deling, samenvoeging, splitsing, of ophouden te bestaan van de bij de stichting behorende fractie of groep).»

    • a. Kunnen de voorstellers toelichten wat er wordt bedoeld met een gift als gevolg van een afscheiding, deling, samenvoeging, splitsing, of ophouden te bestaan van de bij de stichting behorende fractie of groep?

    • b. Waar in de voorgestelde Regeling 2026 zijn de bepalingen hierover opgenomen?

  • 17. De voorstellers willen in de Regeling 2026 de mogelijkheid bieden een egalisatiereserve te vormen. Volgens artikel 2 van de voorgestelde Regeling 2026 moet elke fractie die een egalisatiereserve wil opbouwen «onverwijld na haar ontstaan een stichting oprichten».

    • a. Zien de voorstellers ook dat deze bepaling onvoldoende ruimte biedt voor fracties om op een later moment dan na het ontstaan van de fractie, een stichting op te richten met het oog op de reservevorming?

    • b. Welk bezwaar zien de voorstellers tegen fracties die op een later moment besluiten van de mogelijkheid gebruik te willen gaan maken om pas dan een stichting op te richten?

    • c. Zien de voorstellers ook dat deze bepaling fracties die momenteel geen stichting hebben, feitelijk blokkeert in de mogelijkheid een reserve te vormen ingeval de aangepaste Regeling 2026 met terugwerkende kracht van toepassing wordt?

  • 18.

    • a. Wat beschouwen de voorstellers als «investeringsgoederen»?

    • b. Hoe luiden de inkoopregelingen van de Eerste Kamer?

  • 19. In artikel 7 van de Regeling 2026 wordt beschreven dat een fractie die na verkiezingen een lager zetelaantal heeft, nog vier maanden de hogere bijdrage ontvangt. In de Toelichting wordt hierover het volgende gesteld «Het ligt voor de hand fracties waarvan het zeteltal als gevolg van de verkiezingen vermindert langer de oorspronkelijke bijdrage te verlenen dan fracties die geheel uit de Kamer verdwijnen. Het is immers moeilijk uit te leggen dat wanneer een fractie geheel verdwijnt, deze toch nog lange(re) tijd uit publieke middelen een bijdrage ontvangt. Bij verlaging van het zeteltal is het daarentegen redelijk om een fractie enige tijd te geven zich aan de nieuwe situatie aan te passen, bijvoorbeeld omdat sprake kan zijn van nog lopende verplichtingen die voor de verkiezingen waren aangegaan.»

    • a. Volgens deze redenering achten de voorstellers het kennelijk niet logisch dat fracties die uit de Kamer verdwijnen ook nog lopende verplichtingen zouden kunnen hebben die vóór de verkiezingen waren aangegaan. Kunnen de voorstellers hier hun licht eens op laten schijnen?

    • b. De voorstellers vinden het wel logisch om publieke middelen te besteden aan fracties die weliswaar nog vertegenwoordigd zijn, maar waarvan het aantal zetels lager is geworden. Kunnen de voorstellers uitleggen waarom de niet meer bestaande zetels in dit geval wel nog een bijdrage zouden moeten krijgen?

    • c. De voorstellers stellen voor dat fracties een egalisatiereserve kunnen vormen om onverwachte en ongeplande uitgaven of schokken op te kunnen vangen. Zien de voorstellers ook dat de egalisatiereserve dus de functie heeft om de lopende verplichtingen op te vangen en daarmee dus een langere doorloop van een hogere bijdrage niet meer te rechtvaardigen is? Zo nee, kunnen de voorstellers aangeven hoe ze dit dan wel zien?

    • 20. De voorstellers willen met terugwerkende kracht de mogelijkheid regelen om een egalisatiereserve in het leven te roepen. Hiertoe zouden echter extra middelen nodig zijn.

      • a. Kunnen de voorstellers aangeven wat de urgentie is van de wens de bepalingen over de egalisatiereserve met terugwerkende kracht in te laten gaan?

      • b. Kunnen de voorstellers aangeven waar de middelen die dat vergt vandaan moeten komen?

      • c. Kunnen de voorstellers toelichten hoe een dergelijke bepaling met terugwerkende kracht uit te leggen is aan de burger, die met steeds hogere lasten en draagkrachtverlies worden geconfronteerd?

    • 21. Komen de voorstellers, alles overziend, niet ook tot de conclusie dat de rol en mate van invloed van het CVO in dit voorstel disproportioneel en niet-gepast te noemen is, doordat het CVO de spelregels, de voorwaarden, de documenten, de statuten, de toelaatbaarheid van uitgaven en de benoemingen mogen bepalen alsmede in de plaats te mogen treden in stichtingsbesturen?

    • 22. Gezien al het bovenstaande, zijn de voorstellers van mening dat de nu voorgestelde Regeling 2026 aanpassing behoeft alvorens deze rijp is voor plenaire afhandeling?

4. Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van JA21

  • 1. Kan nader worden toegelicht of voldoende is onderkend dat een afsplitsende senator of een groep afsplitsende senatoren aanspraak kunnen verkrijgen op een deel van de egalisatiereserve die mogelijk gedurende vele jaren door een grotere fractie uit publieke middelen is opgebouwd? Wordt deze uitkomst wenselijk en rechtvaardig geacht en welke overwegingen liggen hieraan ten grondslag?

  • 2. Wordt onderkend dat de mogelijkheid voor afsplitsers om een evenredig deel van de egalisatiereserve en andere vermogensbestanddelen mee te nemen een financiële prikkel kan vormen voor afsplitsing? Zo ja, waarom wordt deze prikkel aanvaardbaar geacht en zijn er waarborgen overwogen of getroffen om te voorkomen dat publieke middelen onbedoeld een rol gaan spelen bij de keuze om af te splitsen?

5. Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van 50PLUS

  • 1. Als het onbenutte budget 2024 ook naar 2026 overgeheveld zou mogen worden is de vraag van de leden van de fractie van 50PLUS of, als dit leidt tot een overschot in 2026, dat overschot naar 2027 overgeheveld mag worden en zo nodig naar de nieuwe fractie vanaf juni 2027 en dus ook daarna naar 2028 en verder.

  • 2. Kan een overschot van 2026 ook overgeheveld worden naar de nieuwe fractie na juni 2027.

De commissie voor Binnenlandse Zaken kijkt met belangstelling uit naar de antwoorden op de in dit verslag gestelde vragen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Lagas

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, CLXXVI, A.

X Noot
3

Kamerstukken I 2023/24, CLX.

X Noot
4

Kamerstukken II 2022/23, 36 386, nr. 2.


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, CLXXVI, A.

X Noot
3

Kamerstukken I 2023/24, CLX.

X Noot
4

Kamerstukken II 2022/23, 36 386, nr. 2.

Naar boven