Aan de Vice-President van de Raad van State
Den Haag, 19 mei 2026
Bij de Eerste Kamer is in behandeling het voorstel van het College van Voorzitter
en Ondervoorzitters van de Eerste Kamer tot vaststelling van een regeling digitaal
quorum voor niet-reguliere vergaderdagen.1 Deze conceptregeling is op 25 november 2025 aan de Kamer voorgesteld en het voorbereidend
onderzoek vindt plaats in de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken.
Met een «digitaal quorum» wordt gedoeld op de mogelijkheid voor Eerste Kamerleden
om zonder in het Kamergebouw aanwezig te zijn digitaal in te tekenen voor een vergadering
van de Kamer, waarna zij als «ter vergadering aanwezig» gelden als bedoeld in artikel
67, eerste lid, van de Grondwet. In de nu voorgestelde regeling wordt deze mogelijkheid
beperkt tot niet-reguliere vergaderdagen, dat wil zeggen andere dagen dan de reguliere
vergaderdinsdag.
Het ingediende voorstel vloeit voort uit aanvaarding door de (vorige) Eerste Kamer
op 16 mei 2023 van de motie-Vos c.s.2 Deze motie bevatte twee verzoeken aan de toenmalige Huishoudelijke Commissie (thans:
College van Voorzitter en Ondervoorzitters), te weten:
-
1) om een voorstel te doen om een digitaal quorum mogelijk te maken voor vergaderingen
van de Eerste Kamer die bij uitzondering op een niet-reguliere vergaderdag worden
gehouden en
-
2) om bij het Presidium van de Tweede Kamer na te gaan of dit eveneens van mening is
dat een dergelijk digitaal quorum past binnen de interpretatie van artikel 67, eerste
lid van de Grondwet.
Wat het tweede punt betreft, heeft schriftelijk overleg plaatsgevonden tussen het
College en het Presidium van de Tweede Kamer. Het Presidium heeft bij brief van 9 oktober
20243 onder meer het volgende geschreven: «De Raad van State heeft in haar voorlichting gesteld dat het bij een dynamische interpretatie
van de Grondwet van wezenlijk belang is dat er sprake is van een hoge mate van consensus
tussen de betrokken staatsorganen: Tweede Kamer, Eerste Kamer en regering. Het Presidium
stelt vast dat de Tweede Kamer zich over een voorstel zoals bedoeld in de motie-Vos c.s.,
waarbij een digitaal quorum wordt voorgesteld voor niet-reguliere vergaderdagen, niet
heeft uitgesproken. Het is aan de Tweede Kamer zelf om desgewenst een oordeel te geven
over de grondwettigheid van voorstellen als deze. Het Presidium kan de Kamer hierin
niet vertegenwoordigen.»
Enkele jaren geleden, in de bijzondere omstandigheden van de coronacrisis toen grote
samenkomsten onwenselijk waren en reizen werd afgeraden, heeft de Eerste Kamer gedurende
twee perioden gewerkt met een digitaal quorum. Dit digitale quorum was destijds uitdrukkelijk
als tijdelijk bedoeld.4 De Kamer had hierover voorlichting5 gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State en naar deze voorlichting
van 16 april 2020 wordt verwezen in de zojuist aangehaalde brief van het Presidium
van de Tweede Kamer.
Overwegende dat in 2020 voorlichting is gevraagd aan de Afdeling advisering van de
Raad van State over een digitaal quorum, dat de Eerste Kamer in de coronacrisis tijdelijk
heeft gewerkt met een digitaal quorum, dat de Kamer in vorige samenstelling de eerder
genoemde motie-Vos c.s. heeft aanvaard en dat hierover schriftelijk overleg heeft
plaatsgevonden met het Presidium van de Tweede Kamer, vraagt de Eerste Kamer – op
grond van artikel 21a van de Wet op de Raad van State – graag voorlichting van de
Afdeling advisering van de Raad van State.
In deze voorlichting ziet de Eerste Kamer graag de vraag beantwoord of het plenair
vergaderen van de Eerste Kamer op een andere dag dan de reguliere vergaderdinsdag
kan worden aangemerkt als een «bijzondere omstandigheid», zoals omschreven op onder
andere pagina’s 12 en 13 van de voorlichting van de Raad van State van 16 april 20206. Anders gezegd, dat de mogelijkheid van digitaal intekenen zonder in het Kamergebouw
aanwezig te zijn op niet-reguliere vergaderdagen in overeenstemming met de Grondwet
is, omdat het vergaderen op niet reguliere vergaderdagen «bijzondere omstandigheden»
betreft, als genoemd in de aangehaalde voorlichting uit 2020.
De Eerste Kamer ziet de gevraagde voorlichting graag tegemoet.
Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, M.L. Vos