CLVI Verslag van de Tijdelijke commissie actualisering Reglement van Orde

AG BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 mei 2026

Aan de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken is het voorbereidend onderzoek toevertrouwd van het voorstel van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters tot vaststelling van een regeling digitaal quorum voor niet-reguliere vergaderdagen.1 De commissie ziet aanleiding de Kamer voor te stellen op grond van artikel 21a van de Wet op de Raad van State voorlichting over het voorstel te vragen aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Een concept-voorlichtingsverzoek is ter vaststelling door de Kamer bijgevoegd.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas MDR

BIJLAGE: CONCEPT-VOORLICHTINGSAANVRAAG AAN DE AFDELING ADVISERING VAN DE RAAD VAN STATE

Aan de Vice-President van de Raad van State

Den Haag, xxx mei 2026

Bij de Eerste Kamer is in behandeling het voorstel van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters van de Eerste Kamer tot vaststelling van een regeling digitaal quorum voor niet-reguliere vergaderdagen.2 Deze conceptregeling is op 25 november 2025 aan de Kamer voorgesteld en het voorbereidend onderzoek vindt plaats in de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken.

Met een «digitaal quorum» wordt gedoeld op de mogelijkheid voor Eerste Kamerleden om zonder in het Kamergebouw aanwezig te zijn digitaal in te tekenen voor een vergadering van de Kamer, waarna zij als «ter vergadering aanwezig» gelden als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Grondwet. In de nu voorgestelde regeling wordt deze mogelijkheid beperkt tot niet-reguliere vergaderdagen, dat wil zeggen andere dagen dan de reguliere vergaderdinsdag.

Het ingediende voorstel vloeit voort uit aanvaarding door de (vorige) Eerste Kamer op 16 mei 2023 van de motie-Vos c.s.3 Deze motie bevatte twee verzoeken aan de toenmalige Huishoudelijke Commissie (thans: College van Voorzitter en Ondervoorzitters), te weten:

  • 1) om een voorstel te doen om een digitaal quorum mogelijk te maken voor vergaderingen van de Eerste Kamer die bij uitzondering op een niet-reguliere vergaderdag worden gehouden en

  • 2) om bij het Presidium van de Tweede Kamer na te gaan of dit eveneens van mening is dat een dergelijk digitaal quorum past binnen de interpretatie van artikel 67, eerste lid van de Grondwet.

Wat het tweede punt betreft, heeft schriftelijk overleg plaatsgevonden tussen het College en het Presidium van de Tweede Kamer. Het Presidium heeft bij brief van 9 oktober 20244 onder meer het volgende geschreven:

«De Raad van State heeft in haar voorlichting gesteld dat het bij een dynamische interpretatie van de Grondwet van wezenlijk belang is dat er sprake is van een hoge mate van consensus tussen de betrokken staatsorganen: Tweede Kamer, Eerste Kamer en regering. Het Presidium stelt vast dat de Tweede Kamer zich over een voorstel zoals bedoeld in de motie-Vos c.s., waarbij een digitaal quorum wordt voorgesteld voor niet-reguliere vergaderdagen, niet heeft uitgesproken. Het is aan de Tweede Kamer zelf om desgewenst een oordeel te geven over de grondwettigheid van voorstellen als deze. Het Presidium kan de Kamer hierin niet vertegenwoordigen.»

Enkele jaren geleden, in de bijzondere omstandigheden van de coronacrisis toen grote samenkomsten onwenselijk waren en reizen werd afgeraden, heeft de Eerste Kamer gedurende twee perioden gewerkt met een digitaal quorum. Dit digitale quorum was destijds uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld.5 De Kamer had hierover voorlichting6 gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State en naar deze voorlichting van 16 april 2020 wordt verwezen in de zojuist aangehaalde brief van het Presidium van de Tweede Kamer.

Overwegende dat in 2020 voorlichting is gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State over een digitaal quorum, dat de Eerste Kamer in de coronacrisis tijdelijk heeft gewerkt met een digitaal quorum, dat de Kamer in vorige samenstelling de eerder genoemde motie-Vos c.s. heeft aanvaard en dat hierover schriftelijk overleg heeft plaatsgevonden met het Presidium van de Tweede Kamer, vraagt de Eerste Kamer – op grond van artikel 21a van de Wet op de Raad van State – graag voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State.

In deze voorlichting ziet de Eerste Kamer graag de vraag beantwoord of het plenair vergaderen van de Eerste Kamer op een andere dag dan de reguliere vergaderdinsdag kan worden aangemerkt als een «bijzondere omstandigheid», zoals omschreven op onder andere pagina’s 12 en 13 van de voorlichting van de Raad van State van 16 april 20207. Anders gezegd, dat de mogelijkheid van digitaal intekenen zonder in het Kamergebouw aanwezig te zijn op niet-reguliere vergaderdagen in overeenstemming met de Grondwet is, omdat het vergaderen op niet reguliere vergaderdagen «bijzondere omstandigheden» betreft, als genoemd in de aangehaalde voorlichting uit 2020.

De Eerste Kamer ziet de gevraagde voorlichting graag tegemoet.

Voorzitter, M.L. Vos


X Noot
1

Kamerstukken I 2025/26, CLVI, AC.

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, CLVI, AC.

X Noot
3

Kamerstukken I 2022/23, CLVI, M.

X Noot
4

Kamerstukken I 2024/25, CLVI, AB.

X Noot
5

De Tijdelijke regeling digitaal quorum is per 1 april 2022 komen te vervallen.

X Noot
6

Kamerstukken I 2020/21 CXXXIX, E herdruk.

X Noot
7

Ibidem


X Noot
1

Kamerstukken I 2025/26, CLVI, AC.

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, CLVI, AC.

X Noot
3

Kamerstukken I 2022/23, CLVI, M.

X Noot
4

Kamerstukken I 2024/25, CLVI, AB.

X Noot
5

De Tijdelijke regeling digitaal quorum is per 1 april 2022 komen te vervallen.

X Noot
6

Kamerstukken I 2020/21 CXXXIX, E herdruk.

X Noot
7

Ibidem

Naar boven