35 448 EU-voorstel: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de totstandbrenging van klimaatneutraliteit en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1999 (Europese klimaatwet)

D BRIEF VAN DE VOORZITTTER VAN DE EERSTE KAMER DER STATEN-GENERAAL

Aan de Voorzitter van de Europese Commissie

Den Haag, 26 mei 2020

De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft het voorstel van de Europese Commissie voor een verordening tot vaststelling van een kader voor de totstandbrenging van klimaatneutraliteit en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1999 (Europese klimaatwet) (COM(2020)80)1 getoetst aan de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zoals opgenomen in artikel 5 EU-Verdrag en Protocol 2 bij het Verdrag van Lissabon betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.

Met deze brief stel ik u in kennis van het oordeel van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Een meerderheid van de Eerste Kamer is van oordeel dat het voorstel voor een Europese klimaatwet op onderdelen niet voldoet aan de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. Deze meerderheid van de Kamer oordeelt als volgt.

  • Het streven naar klimaatneutraliteit kan niet bereikt worden anders dan door het nemen van ingrijpende maatregelen met substantiële economische en maatschappelijke gevolgen. Het verwerven van voldoende maatschappelijke steun voor deze maatregelen is een noodzakelijke voorwaarde. Het spreekt voor zich dat het vinden van voldoende steun gemakkelijker is wanneer de besluiten worden genomen op het meest passende bestuursniveau, zo dicht mogelijk bij de burger.

  • De rechtsgrondslag van het voorstel voor een Europese Klimaatwet is gebaseerd op artikel 192, eerste lid, van het VWEU. Dit betreft een beperkte echtsgrondslag. Voorstelbaar is dat er beleidsmaatregelen genomen moeten worden die van invloed zijn op de ruimtelijke ordening, het waterbeheer, het te voeren energiebeleid etc. Hierover wordt conform artikel 192, tweede lid, van het VWEU bij unanimiteit besloten en niet bij meerderheid zoals onder het eerste lid. Aldus ontbreekt ten aanzien van dit onderdeel van het voorstel voor een Europese klimaatwet de evenredigheid tussen enerzijds de gekozen rechtsgrond en anderzijds het inhoudelijke belang en de reikwijdte van het voorstel. Het is aangewezen op dit punt te komen tot een nadere onderbouwing.

  • Wat betreft de gedelegeerde handelingen conform artikel 290 van het VWEU moet er sprake zijn van een uitdrukkelijke, afgebakende bevoegdheidsdelegatie. Hiervan is in het gepresenteerde voorstel vooralsnog geen sprake en dat is in dit stadium van het proces ook vrijwel onmogelijk. Derhalve is de hierbij gegeven toelichting prematuur en zoals hierboven aangegeven eveneens onwenselijk in de context van het verwerven van het noodzakelijke maatschappelijke draagvlak. Het respecteren van de normale besluitvormingsprocedures op Europees niveau, via de Raad en het Europees Parlement, en op nationaal niveau, via het regulier overleg tussen de regeringen en de nationale parlementen, blijft essentieel bij dergelijk ingrijpend beleid.

Op bovengenoemde gronden komt de Eerste Kamer der Staten-Generaal tot het oordeel dat het voorstel voor een Europese klimaatwet op onderdelen strijdig is met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

Zoals per brief2 door de voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 4 mei jl. aan de Europese Commissie is meegedeeld, was het voor de Eerste Kamer vanwege de huidige bijzondere (vergader)omstandigheden ten gevolge van de COVID-19 crisis niet mogelijk vóór de deadline van 5 mei 2020 de inhoudelijke uitwerking van dit subsidiariteitsoordeel en de formalisering van de besluitvorming daaromtrent af te ronden. Niettemin wenst de Kamer haar oordeel met de Europese Commissie te delen en ziet zij ernaar uit – ondanks de termijnoverschrijding bij de indiening van het gemotiveerd advies – toch kennis te kunnen nemen van de door de Europese Commissie in het vooruitzicht gestelde3 openbaar beschikbare reactie.

Identieke brieven zijn verzonden aan het Europees Parlement, de Raad en de Nederlandse regering.

De voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, J.A. Bruijn


X Noot
1

Zie ook dossier E200007 op www.europapoort.nl.

X Noot
2

Kamerstukken I, 2019/2020, 35 448, B.

X Noot
3

Brief van vicevoorzitter Šefčovič van 8 april 2020, (22 112, HZ).

Naar boven