36 942 Wijziging van de Telecommunicatiewet, de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken, en andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2024/1309 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 inzake maatregelen om de kosten van de uitrol van elektronischecommunicatienetwerken met gigabitsnelheden te verlagen, tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van Richtlijn 2014/61/EU

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

A. ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan verordening (EU) 2024/1309 inzake maatregelen om de kosten van de uitrol van elektronische communicatienetwerken met gigabitsnelheden te verlagen, tot wijziging van verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van richtlijn 2014/61/EU (gigabitinfrastructuurverordening). In de gigabitinfrastructuurverordening (hierna: verordening) zijn diverse maatregelen opgenomen die gericht zijn op het versterken en harmoniseren van geldende rechten en verplichtingen om de uitrol van zogenoemde netwerken met zeer hoge capaciteit (hierna: VHC-netwerken) te versnellen. Dit zijn glasvezelnetwerken of netwerken die een daarmee vergelijkbare (zowel download als upload) snelheid kunnen leveren, alsmede mobiele 5G-netwerken. Het doel van de verordening is om de uitrol van VHC-netwerken te versnellen, te vergemakkelijken en goedkoper te maken. De verordening regelt daartoe het gedeeld gebruik van infrastructuur, de coördinatie van civiele werken, het stroomlijnen van vergunningsverleningsprocedures en stelt regels vast om ervoor te zorgen dat gebouwen geschikt zijn voor de aanleg van VHC-netwerken.

Met de verordening wordt Richtlijn 2014/61/EU van het Europese Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid (PbEU 2014, L 155) (hierna: richtlijn breedband) ingetrokken. De richtlijn breedband kan worden gezien als de voorloper van de verordening en was gericht op het versnellen van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met een snelheid van 30 Mbps of meer. De in de verordening geregelde onderwerpen komen goeddeels overeen met die in de richtlijn breedband. Wel is de verordening op diverse punten verder uitgewerkt dan de richtlijn en bevat deze een aantal nieuwe verplichtingen. Hierop zal hierna worden ingegaan.

De implementatie van de richtlijn breedband heeft destijds plaatsgevonden in de Telecommunicatiewet, met name door wijzigingen in hoofdstuk 5 en de invoeging van een nieuw hoofdstuk 5a betreffende het medegebruik van voorzieningen en de coördinatie van civiele werken, alsmede door het vervangen van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten door de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (hierna: WIBON). In deze uitvoeringswet wordt daarom onder meer hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet aangepast en wordt het oude hoofdstuk 5a vervangen door een nieuw hoofdstuk dat ziet op de uitvoering van de verordening. Verder wordt de WIBON aangepast.

2. Inhoud van de verordening op hoofdlijnen

De verordening heeft tot doel de uitrol van VHC-netwerken te faciliteren en te stimuleren door het gezamenlijke gebruik van bestaande fysieke infrastructuur te bevorderen en door een efficiëntere uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur mogelijk te maken, zodat dergelijke netwerken sneller en goedkoper kunnen worden uitgerold. Het gaat bij de verordening om minimumharmonisatie. Lidstaten kunnen, uitzonderingen daargelaten, regels vaststellen die strikter of gedetailleerder zijn dan de minimumeisen uit de verordening.

Toegang tot fysieke infrastructuur

Netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur moeten voldoen aan alle redelijke verzoeken van exploitanten1 om toegang tot die fysieke infrastructuur ten behoeve van de uitrol van VHC-netwerken. Deze toegang moet geschieden onder redelijke en billijke voorwaarden.2 Onder netwerkexploitanten3 moet niet alleen een (andere) aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk of bijbehorende faciliteit worden verstaan, maar ook een onderneming die fysieke infrastructuur heeft op het gebied van productie, transport of distributie van gas, verwarming, water (inclusief riolering en drainage systemen). Daarnaast vallen ook ondernemingen met fysieke infrastructuur die vervoer verzorgen (wegen, spoorwegen, tunnels, havens en luchthavens) onder de verplichting te voldoen aan redelijke toegang tot de fysieke infrastructuur. De verplichting voor netwerkexploitanten die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur om toegang te verlenen is niet nieuw en kwam reeds voor in de richtlijn breedband en ter implementatie daarvan in hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet.4 Nieuw ten opzichte van de richtlijn breedband en hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet is dat naast netwerkexploitanten ook overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur onder de toegangsverplichting vallen.

Nieuw in de verordening is verder dat ten opzichte van de richtlijn breedband in de verordening ook aanbieders van bijbehorende faciliteiten (zoals bijvoorbeeld aanbieders van antennemasten, aanbieders van dakruimte voor het opstellen van antennes, en aanbieders van lege mantelbuizen) onder de toegangsverplichting (medegebruiksverplichting) vallen. Voor Nederland is dit echter niet nieuw. Een dergelijke verplichting gold immers al ter uitvoering van nationaal beleid op grond van artikel 5a.3, tweede lid, van de Telecommunicatiewet. Wel is het zo dat onder meer door de in de verordening opgenomen uitbreiding naar toegang tot fysieke infrastructuur van overheidsinstanties, ook de aanbieders van bijbehorende faciliteiten extra rechten krijgen ten opzichte van de huidige situatie.

Voorts verplicht de verordening rechtspersonen die actief zijn als huurders of die huurcontracten beheren namens grondeigenaren met betrekking tot grond waarop faciliteiten worden of zijn geïnstalleerd met het oog op de uitrol van elementen van VHC-netwerken te goeder trouw te onderhandelen met exploitanten over de toegang tot dergelijke grond overeenkomstig het nationale overeenkomstenrecht. Deze verplichting ziet dus niet op overeenkomsten tussen grondeigenaren zelf en exploitanten. De voorgenoemde rechtspersonen en exploitanten brengen de nationale regelgevende instantie in kennis van de bereikte overeenkomst. In Nederland zal deze instantie de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) zijn.

De verordening biedt verder de mogelijkheid om in landelijke gebieden en onder bepaalde voorwaarden in de nationale wetgeving eigenaren van particuliere commerciële gebouwen te verplichten te voldoen aan redelijke verzoeken om toegang tot hun gebouw, inclusief het dak. Deze bepaling lijkt vooral gericht te zijn op het kunnen plaatsen van antennes op het dak van een (hoog) gebouw. Uit de in de verordening opgenomen voorwaarden blijkt verder dat de bepaling ziet op gebouwen in afgelegen gebieden waar geen VHC-netwerk beschikbaar is. Gezien de genoemde voorwaarde lijkt deze bepaling voor Nederland niet relevant. Nederland kent immers geen of nauwelijks afgelegen gebieden zoals die er wel zijn in sommige andere lidstaten. Daarom is in de uitvoeringswet van de mogelijkheid die de verordening op dit punt biedt geen gebruik gemaakt.

Verder voorziet de verordening erin dat de Europese Commissie na raadpleging van belanghebbenden en diverse instanties richtsnoeren vaststelt met betrekking tot de toegang tot fysieke infrastructuur.

Om verzoeken te kunnen doen tot toegang van fysieke infrastructuur moeten partijen die een VHC-netwerk willen aanleggen weten welke fysieke infrastructuur er in het gebied waar zij het netwerk willen aanleggen beschikbaar is. Daarom heeft de aanlegger, net als al was voorzien in de richtlijn breedband, het recht om op verzoek via een zogenoemd centraal informatiepunt toegang te krijgen tot bepaalde minimuminformatie over bestaande fysieke infrastructuur, zoals geografische informatie over de ligging van de fysieke infrastructuur, het type en huidig gebruik van de infrastructuur en een contactpunt.

Uitgangspunt is dat de bedoelde informatie direct beschikbaar is via het centrale informatiepunt. Mocht de gevraagde informatie echter niet beschikbaar zijn, dan moet deze binnen 10 dagen na het verzoek alsnog in elektronische vorm beschikbaar worden gesteld. Bovendien hebben netwerkexploitanten en de betreffende overheidsinstanties de verplichting om de informatie actueel te houden door iedere actualisering onmiddellijk beschikbaar te stellen. Daarnaast moeten netwerkexploitanten en overheidsinstanties voldoen aan schriftelijke verzoeken van een exploitant om inspectie van de fysieke infrastructuur.

Overigens kan de verstrekking van de minimumformatie en de inspectie geweigerd worden wanneer dat noodzakelijk is voor de veiligheid van bepaalde gebouwen die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van overheidsinstanties, de veiligheid en integriteit van de netwerken, de nationale veiligheid, de veiligheid van nationale kritieke infrastructuur, de volksgezondheid of de openbare veiligheid, of om redenen van vertrouwelijkheid of handels- of bedrijfsgeheimen. Uit de verordening blijkt niet welke entiteit bevoegd is om te beoordelen of de toegang tot informatie wordt beperkt of geweigerd. Het ligt in de rede dat dit de netwerkexploitanten en overheidsinstanties zijn die op grond van artikel 4, derde lid, van de verordening de minimuminformatie beschikbaar moeten stellen. De redenen om de toegang tot informatie te kunnen beperken of weigeren uit artikel 4, eerste lid, van de verordening komen namelijk deels overeen met de redenen om de toegang tot de fysieke infrastructuur te kunnen weigeren op grond van artikel 3, vijfde lid, van de verordening. In dat lid wordt wel geëxpliciteerd dat de netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur degenen zijn die de bevoegdheid hebben om te weigeren. De weigeringsgronden die overeenkomen zijn: (nationale) veiligheid, volksgezondheid, integriteit en veiligheid van een netwerken. Redenen van vertrouwelijkheid of handels- en bedrijfsgeheimen worden wel genoemd in artikel 4, eerste lid, maar niet in artikel 3, vijfde lid, van de verordening. Maar bij die redenen ligt het juist voor de hand dat de netwerkexploitant of overheidsinstantie de meest adequate entiteit is om te beoordelen of daarvan sprake is.

De relatie tussen de exploitant die informatie verzoekt en de netwerkexploitant dan wel overheidsinstantie heeft een privaatrechtelijk karakter.5 Indien de exploitant meent dat de informatie onterecht wordt beperkt of geweigerd, kan deze een handhavingsverzoek indienen bij de ACM. Daarnaast is het mogelijk om de zaak voor te leggen aan de ACM in het kader van de geschillenbeslechting op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel b, van de verordening. Ook kan een civiele rechtsvordering ingesteld worden aangezien er dan potentieel wordt gehandeld in strijd met een wettelijke plicht en er dus sprake kan zijn van een onrechtmatige daad.

Daarnaast geldt de verplichting tot verstrekking van minimuminformatie en inspectie niet indien de fysieke infrastructuur in technisch opzicht niet geschikt is voor de uitrol van VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten of wanneer de fysieke infrastructuur niet onder de toegangsverplichtingen van artikel 3 van de verordening valt. Ook mag de beschikbaarstelling van informatie en inspectie op voorhand door een lidstaat worden uitgesloten indien het nationale kritieke infrastructuur betreft of als uit een kosten-batenanalyse blijkt dat de kosten van de beschikbaarheidsstelling niet opwegen tegen de baten van de toegang tot de informatie over die fysieke infrastructuur. In het wetsvoorstel is daarom voorzien in de mogelijkheid om de uitsluiting bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uit te werken.

Coördinatie van civiele werken

De verordening voorziet verder in regels met betrekking tot de coördinatie van civiele werken. Onder civiele werken wordt verstaan «elk product van een geheel van bouwkundige of civieltechnische werken dat bestemd is om als zodanig een economische of technische functie te vervullen en dat een of meer elementen van een fysieke infrastructuur omvat».6 Netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur (bijvoorbeeld de gebouwen van de ministeries of van een gemeente), hebben het recht met exploitanten die elementen van VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten uitrollen, te onderhandelen over het sluiten van een overeenkomst voor de coördinatie van civiele werken.

Hier staat tegenover dat overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur, net als netwerkexploitanten die civiele werken uitvoeren die geheel of gedeeltelijk met overheidsmiddelen worden gefinancierd, moeten voldoen aan elk redelijk schriftelijk verzoek tot coördinatie van civiele werken gedaan door exploitanten die elementen van VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten uitrollen. In de verordening is nader uitgewerkt wanneer aan een dergelijk coördinatieverzoek moet worden voldaan. Verder moet het orgaan van samenwerkende Europese toezichthouders op het gebied van elektronische communicatie (Body of European Regulators for Electronic Communications, hierna: Berec) richtsnoeren opstellen ten aanzien van de coördinatieverplichting, onder meer over de verdeling van de kosten in verband met de coördinatie. Overigens zal deze verplichting in de huidige Nederlandse praktijk niet gelden voor netwerkexploitanten in de telecommunicatiesector aangezien in Nederland de telecommunicatienetwerken nagenoeg geheel privaat worden gefinancierd.

Om het doen van een coördinatieverzoek te vergemakkelijken bepaalt de verordening dat elke netwerkexploitant en elke overheidsinstantie die eigenaar is van of zeggenschap heeft over fysieke infrastructuur, via het centraal informatiepunt, bepaalde minimuminformatie in elektronische vorm ter beschikking moet stellen over de voorgenomen civiele werken. De verordening stelt verder procedurele en inhoudelijke eisen aan de te verstrekken informatie. Zo moet de informatie correct en actueel zijn. Daarnaast moet de netwerkexploitant, zodra hij beschikt over de informatie over de door hem in de komende zes maanden geplande civiele werken en indien een vergunning wordt beoogd, uiterlijk twee maanden voordat de vergunningsaanvraag voor het eerst bij de bevoegde autoriteiten wordt ingediend, deze informatie verstrekken.

Exploitanten die VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten willen uitrollen hebben het recht om de informatie te verkrijgen binnen de in de verordening gestelde termijnen en voorwaarden. De toegang tot de informatie kan alleen worden geweigerd wanneer dat noodzakelijk is met het oog op de veiligheid en de integriteit van de netwerken, de nationale veiligheid, de veiligheid van kritieke infrastructuur, de volksgezondheid of de openbare veiligheid, of om redenen van vertrouwelijkheid of handels- en bedrijfsgeheimen. Ook hier geldt, net zoals bij de informatie ten behoeve van de toegang tot fysieke infrastructuur, dat uit de verordening niet duidelijk blijkt welke entiteit kan weigeren. Maar ook hier ligt het in de rede dat dit de netwerkexploitanten en overheidsinstanties zijn die op grond van de verordening de minimuminformatie beschikbaar moeten stellen.

Lidstaten kunnen bovendien in hun nationale regelgeving bepaalde soorten civiele werken buiten de informatieplicht laten vallen. Het kan daarbij gaan om civiele werken van beperkte omvang of civiele werken die verband houden met nationale kritieke infrastructuur, noodsituaties of nationale veiligheid. Het voornemen bestaat om deze uitzonderingen in de lagere regelgeving nader uit te werken. Voor zover het gaat om werken van beperkte omvang wordt daarbij op dit moment gedacht aan civiele werken die minder dan x werkdagen in beslag nemen, dan wel minder dan y euro kosten. Bij nationale kritieke infrastructuur kan, bijvoorbeeld, worden gedacht aan militaire terreinen en vliegvelden. Hiervoor wordt onder andere aangesloten bij de civiele werken genoemd in artikel 8 van het Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. Voorts kunnen overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur en netwerkexploitanten zelf besluiten geen informatie ter beschikking te stellen. Dat kan ten aanzien van civiele werken die beperkt zijn in omvang of ten aanzien van werken die van belang zijn voor de door de lidstaten vastgestelde noodredenen. Tevens kunnen lidstaten bepalen dat overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur en netwerkexploitanten informatie betreffende bepaalde geplande civiele werken niet ter beschikking mogen stellen. In dit wetsvoorstel is een grondslag opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur hier regels over te kunnen stellen.

Vergunningen

De verordening bevat voorts regels ten aanzien van de verlening en verlenging van vergunningen die nodig zijn voor het kunnen uitrollen van elementen van VHC-netwerken. Het gaat hierbij niet alleen om de instemming die nodig is van het college van burgermeester en wethouders omtrent het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden voor de aanleg van telecomkabels of de vergunning voor de bouw van antenne-installaties vanaf 5 meter op grond van respectievelijk artikel 5.3 van de Telecommunicatiewet en artikel 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl), maar ook om eventuele andere vergunningen die nodig zijn voor de uitrol van VHC-netwerken en bijbehorende faciliteiten, zoals een vergunning voor het aanleggen in waterstaatswerken en vergunningen in het kader van beschermde dorps- en stadsgezichten. Uitgangspunt bij die vergunningen is dat de bevoegde autoriteiten de uitrol van VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten niet onnodig mogen beperken of belemmeren. Ook moeten lidstaten ervoor zorgen dat de voorwaarden en de procedures voor het verlenen van vergunningen op het hele grondgebied van de lidstaat consistent zijn.

De verordening verlangt dat alle informatie over het verlenen van de benodigde vergunningen te vinden is in een centraal informatiepunt. Daarnaast moet(en) de benodigde vergunning(en) in elektronische vorm kunnen worden aangevraagd via een centraal informatiepunt en moet de status van de vergunningaanvraag via het centraal informatiepunt kunnen worden ingezien.

In het geval van vergunningen onder de Omgevingswet kan gedacht worden aan het Omgevingsloket als centraal informatiepunt. Voor instemmingsbesluiten is de informatie decentraal in digitale vorm beschikbaar bij gemeenten, maar wordt deze in veel gevallen ook centraal ontsloten via het Ondernemersplein. De aanvraag van instemmingsbesluiten verloopt via gemeentelijke systemen, die daarmee dienen als centrale informatiepunten. Ten slotte moet het centraal nationaal digitaal toegangspunt toegang bieden tot het Omgevingsloket en de gemeentelijke systemen.

De verordening regelt ook de termijnen waarbinnen op een vergunningaanvraag moet worden beslist. De hoofdregel is dat een vergunning verleend of geweigerd moet worden binnen vier maanden na ontvangst van een volledige vergunningsaanvraag. Bevoegde autoriteiten moeten binnen 20 werkdagen na ontvangst van een aanvraag bepalen of de aanvraag volledig is. Indien nodig verzoeken de bevoegde autoriteiten binnen die termijn van 20 werkdagen de aanvrager om de informatie aan te vullen. De verordening biedt lidstaten de mogelijkheid om op voorhand redenen te bepalen waarom de bevoegde autoriteit in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen ambtshalve de termijnen kan verlengen. Het wetsvoorstel voorziet erin dat dit in lagere regelgeving kan worden uitgewerkt.

Voor de meeste vergunningen die nodig zijn voor de uitrol van VHC-netwerken geldt een beslistermijn die valt binnen de termijn van vier maanden die is voorgeschreven door de verordening. Het is echter niet op voorhand uit te sluiten dat voor een vergunning (op centraal of decentraal niveau) die vereist is voor de uitrol van VHC-netwerken een beslistermijn geldt die langer is dan vier maanden. Daarom is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die bewerkstelligt dat voor die vergunningen, in afwijking van de reguliere beslistermijnen, de termijn van vier maanden uit de verordening geldt. Verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel F, onder artikel 5a.7 (nieuw), van het wetsvoorstel voor een nadere toelichting.

De verordening biedt daarnaast de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid vergunningen te verlengen in het geval de aanleg om objectief gerechtvaardigde redenen niet van start kon gaan of niet kon worden voltooid binnen de geldigheidsduur van de vergunning.

Nieuw in de verordening is dat indien binnen de toepasselijke termijn door de bevoegde autoriteit geen beslissing wordt genomen, de vergunning geacht wordt te zijn verleend (de zogenoemde lex silencio positivo). Lidstaten kunnen echter van deze bepaling afwijken indien de exploitant die de vergunning heeft aangevraagd overeenkomstig het nationale recht vergoeding van de schade kan vorderen die hij heeft geleden door het uitblijven van een beslissing binnen de voorgeschreven termijn, dan wel de exploitant de zaak kan voorleggen aan de rechter of een toezichthoudende instantie. In deze uitvoeringswet is ervoor gekozen om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Hiermee wordt aangesloten bij het huidige systeem betreffende vergunningverlening in Nederland. Voor nadere informatie wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze toelichting alsmede naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel F, van het wetsvoorstel. Indien gebruik wordt gemaakt van de afwijking, dient de bevoegde autoriteit de exploitant wel uit te nodigen voor een ontmoeting met het oog op de vaststelling van een besluit over de vergunningsaanvraag.7 Een dergelijke ontmoeting doet niets af aan het recht van de exploitant om onmiddellijk een schadevergoeding te vorderen in geval van het uitblijven van een beslissing binnen de voorgeschreven termijn.

Naast regels voor de procedures van de aanvraag van vergunningen nodig voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken en bijbehorende faciliteiten, verplicht de verordening er in artikel 9 ook toe dat in bepaalde gevallen sprake moet zijn van een vrijstelling van het vereiste van een vergunning voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken. Daarbij gaat het om door de lidstaat nader aan te wijzen civiele werken die nodig zijn voor de uitrol van VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten en die zijn te beschouwen als reparatie- en onderhoudswerkzaamheden van beperkte omvang, beperkte technische verbeteringen van bestaande werken of installaties en civiele werken met een beperkte omvang.

Artikel 9, eerste lid, van de verordening is rechtstreeks toepasselijk in de Nederlandse rechtsorde, en heeft daarmee voorrang op eventuele nationale regelgeving die tevens betrekking heeft op vergunningen die vereist zijn voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten. De soorten werken waarop de verplichte vrijstelling van een vergunningsprocedure van toepassing is, worden, zoals gezegd, aangewezen door de lidstaten. Daarvoor is een grondslag opgenomen in het wetsvoorstel. Het derde lid van artikel 9 bepaalt vervolgens dat bevoegde autoriteiten in bepaalde gevallen van de vergunningsvrijstelling kunnen afwijken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het fysieke infrastructuur betreft die wordt beschermd om redenen van architecturale, historische, religieuze of milieuwaarde. Ook kan van de vergunningsvrijstelling worden afgeweken met het oog op openbare veiligheid, defensie, milieu of volksgezondheid. Om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten kunnen beoordelen of de vergunningsvrije werken onder een van de afwijkingsgronden vallen, kunnen lidstaten bepalen dat voor die werken wel een kennisgevingsplicht geldt (artikel 9, vierde lid, van de verordening). In het wetsvoorstel is hiervoor een grondslag opgenomen om dit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te regelen.

Centrale informatiepunten

De bevoegde instanties die de functie van een centraal informatiepunt uitvoeren moeten door de lidstaat worden aangewezen. In dit wetsvoorstel is daarom een grondslag opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bevoegde instanties aan te wijzen.

Voor het centraal informatiepunt geldt dat er, net als nu al het geval is, in een lidstaat meerdere van kunnen bestaan. Te denken valt daarbij aan een informatiepunt dat betrekking heeft op een bepaald deel van de fysieke infrastructuur, zoals bijvoorbeeld antenne-opstelpunten. Wel moeten er dan uiteraard nog een of meer andere centrale informatiepunten zijn waar de gegevens over de resterende fysieke infrastructuur te vinden zijn. Ook is het denkbaar dat een centraal informatiepunt zich richt op een bepaald gebied van een lidstaat. In dat geval moeten dergelijke centrale informatiepunten gezamenlijk het hele territoir van de lidstaat beslaan.

Een centraal informatiepunt moet via het internet toegankelijk zijn. Het is niet nodig dat de informatie direct op het centraal informatiepunt gehost wordt. Zo is het toegestaan dat op het centraal informatiepunt wordt doorgelinkt naar een elders aanwezige database of een ander centraal informatiepunt.

Belangrijk is dat de verordening vereist dat als er in een land meerdere centrale informatiepunten zijn er ook één centraal nationaal digitaal toegangspunt is. Dit centraal nationaal digitaal toegangspunt moet toegankelijk zijn via het internet en moet toegang bieden tot alle andere (gedigitaliseerde) centrale informatiepunten. Het voornemen bestaat deze nationale toegang in Nederland te laten verzorgen door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het voornemen bestaat om het Kadaster en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur aan te wijzen als bevoegde instantie. Daarmee wordt aangesloten bij het gegeven dat het Kadaster en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur ook nu, op grond van de richtlijn breedband, informatie toegankelijk maken die gebruikt kan worden voor de aanleg van elektronische communicatienetwerken. De precieze invulling van de taken zal worden uitgewerkt in lagere regelgeving. Voor de uitvoering van de taken voor vergunningverlening bestaat het voornemen om gemeenten en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Omgevingsloket) als bevoegde instanties aan te wijzen.

Waar de verordening voorschrijft dat de lidstaten via een centraal informatiepunt de vrijstellingen van de verplichtingen uit de verordening bekendmaken, gelden het Staatsblad en de Staatscourant als centraal informatiepunt. De vrijstellingen worden namelijk bij ministeriële regeling of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Op grond van de artikelen 4 en 5 van de Bekendmakingswet dienen ministeriële regelingen en algemene maatregelen van bestuur bekend te worden gemaakt door plaatsing in het Staatsblad dan wel de Staatscourant.

Aanleg en toegang binnen gebouwen

Artikel 10, eerste lid, van de verordening bepaalt ook, en dat is nieuw ten opzichte van de richtlijn breedband, dat alle nieuwe gebouwen en gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd waarvoor na 12 februari 2026 bouwvergunningen zijn aangevraagd moeten worden uitgerust met glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling met inbegrip van aansluitingen tot het fysieke punt waar de eindgebruiker verbinding maakt met het openbare netwerk. Ook voorziet artikel 10, tweede lid, van de verordening erin dat alle nieuwe meergezinswoningen en meergezinswoningen die ingrijpend worden gerenoveerd waarvoor na 12 februari 2026 bouwvergunningen zijn aangevraagd moeten worden voorzien van een zogenoemd toegangspunt. Een toegangspunt is een in of (net) buiten het gebouw gelegen fysiek punt dat toegankelijk is voor ondernemingen die openbare elektronische communicatienetwerken aanbieden of gemachtigd zijn die aan te bieden, en waar het netwerk op de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur kan worden aangesloten.8 Een redelijke uitleg van de verordening brengt met zich mee dat het moet gaan om nieuwe gebouwen of ingrijpende renovatie van gebouwen waar normaliter mensen verblijven en dus niet om bijvoorbeeld een schuur of een garagebox. Het derde lid van artikel 10 van de verordening verplicht de aanwezigheid van glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling ook bij ingrijpende renovatiewerken zoals gedefinieerd in artikel 2, onderdeel 10, van de Richtlijn energieprestaties gebouwen9, indien dat de kosten van de renovatiewerken niet onevenredig verhoogt en indien dat technisch haalbaar is. En ook moeten meergezinswoningen vallend binnen het bereik van deze richtlijn worden uitgerust met een toegangspunt.

Voor ingrijpende renovatiewerkzaamheden gelden de bovengenoemde verplichtingen op grond van de verordening dus enkel indien daarvoor een bouwvergunning vereist is of sprake is van ingrijpende renovatiewerken zoals gedefinieerd in de Richtlijn energieprestaties gebouwen. Naar huidig Nederlands recht is op grond van artikel 5.4, vierde lid, van het Bbl in samenhang met artikel 2.27, eerste lid, onder b, van het Bbl geen vergunning vereist voor het wijzigen van de fysieke infrastructuur. Daarom gelden in de Nederlandse situatie de bovengenoemde verplichtingen enkel voor ingrijpende renovatiewerkzaamheden die onder de definitie van ingrijpende renovatiewerkzaamheden als bedoeld in de Richtlijn energieprestaties gebouwen vallen.

De verordening bepaalt niet expliciet op wie de bedoelde verplichtingen rusten, maar het ligt voor de hand dat dat degene is die opdracht geeft tot de bouw. Deze opdrachtgever schakelt in de meeste gevallen voor de bouw een aannemer in die dan in de praktijk er voor zorgt dat de wettelijke verplichtingen bij de bouw, waaronder die voortvloeien uit de verordening, worden nageleefd. Overigens staat de verordening er niet aan in de weg dat de aanleg van de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en eventueel de inpandige glasvezelkabel en het netwerkaansluitpunt feitelijk plaatsvindt door de aanbieder die voornemens is een elektronisch communicatienetwerk en/of -diensten te gaan aanbieden aan de bewoners van de woning of woningen. Doordat de verplichting in Nederland via het Bbl wordt uitgewerkt is de normadressaat voor nieuwbouw respectievelijk verbouw degene op wie de verplichting uiteindelijk rust: degene die bouwt en daarmee indirect degene die laat bouwen.

Uit de verordening volgt dat met de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur die infrastructuur bedoeld wordt die het toegangspunt van het gebouw met het netwerkaansluitpunt verbindt. Het toegangspunt kan volgens de begripsomschrijvingen in de verordening net buiten of net binnen het gebouw liggen. Het netwerpaansluitpunt is het punt waarop de toegang tot een openbaar elektronische communicatienetwerk wordt geboden. Bij eengezinswoningen komt de verplichting om (glasvezelklare) fysieke binnenhuisinfrastructuur aan te leggen er in de praktijk dan ook op neer dat van net buiten de woning tot in de meterruimte van de woning (waar zich meestal het netwerkaansluitpunt bevindt) er een doorvoer(leiding) moet zijn. Voor meergezinswoningen (zoals appartementsgebouwen) komen de verplichtingen voor het (centrale) toegangspunt en de (glasvezelklare) fysieke binnenhuisinfrastructuur er respectievelijk op neer dat er vanaf de buitenkant van het gebouw een doorvoer(leiding) moet zijn naar een ruimte in het gebouw waar de telecomkabel(s) kunnen aanlanden (meestal een serviceruimte onder in het gebouw), en er vanaf daar lege buizen moeten worden aangelegd en/of een aaneengesloten ruimte(sparing) moet zijn tot aan de netwerkaansluitpunten in de woningen (doorgaans in de meterruimten van de appartementen). Daarnaast moet ook bij meersgezinswoningen vanuit de bedoelde serviceruimte een glasvezelkabel naar het netwerkaansluitpunt in de woningen worden aangelegd. Voor wat betreft de aanleg van binnenhuisglasvezelbekabeling geldt ten aanzien van eengezinswoningen dat deze verplichting in de Nederlandse praktijk geen rol van betekenis speelt. Immers, in de praktijk liggen bij eengezinswoningen het toegangspunt en het netwerkaansluitpunt doorgaans in dezelfde fysieke (meter)ruimte. Er is, met andere woorden, bij eengezinswoningen praktisch geen afstand te overbruggen tussen deze punten. Voor alle overige gebouwen gelden eveneens de relevante verplichtingen uit de verordening, voor zover deze niet binnen de categorieën en soorten gebouwen vallen die op grond van de verordening zijn uitgesloten van de verplichtingen.

Ter uitvoering van bovenstaande verplichtingen is het Bbl gewijzigd, met voortaan een directe verwijzing naar de bepalingen in de verordening over de benodigde infrastructuur binnen gebouwen. Verder is in het Bbl uitgewerkt voor welke categorieën en soorten gebouwen (gebruiksfuncties en gebouwen) voorgenoemde bepalingen op grond van de uitzonderingsmogelijkheden in de verordening niet gelden10.

De uitrusting van gebouwen met (glasvezelklare) fysieke binnenhuisinfrastructuur, binnenhuisglasvezelbekabeling en een toegangspunt dient op grond van de verordening te worden uitgewerkt in normen of technische specificaties. Door wijziging van de Omgevingsregeling zijn deze technische normen en specificaties vastgesteld.11 Het toezicht op en de handhaving van de verplichtingen over fysieke binnenhuisinfrastructuur en -bekabeling zal primair uitgevoerd worden door gemeenten, zoals nu ook al het geval is bij de toetsing aan en toezicht op naleving van de regels in het Bbl.

De verordening stelt lidstaten verder in staat om een «glasvezelklaar»-label in te voeren voor gebouwen die volgens de uitgewerkte normen en technische specificaties zijn uitgerust met glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastrucuur, binnenhuisglasvezelbekabeling en waar nodig een toegangspunt. Omdat wordt verwacht dat op grond van de bepalingen uit de verordening, de bouw- en aanlegpraktijk van de benodigde inpandige infrastructuur niet of nauwelijks zal wijzigen (in de praktijk wordt in meergezinswoningen bij de bouw door de (toekomstige) telecommunicatieaanbieder al inpandige glasvezelbekabeling aangelegd), is besloten in de uitvoeringswet hier geen gebruik van te maken.

De verordening voorziet er voorts in dat iedere aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken het recht heeft toegang te krijgen tot de fysieke binnenhuisinfrastructuur met het oog op de uitrol van (elementen van) VHC-netwerken, wanneer – hetgeen veelal het geval zal zijn – duplicatie technisch onmogelijk of economisch inefficiënt is. Daarnaast is geregeld dat iedere aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken recht heeft op gebruikmaking van het in de verordening genoemde toegangspunt en op eigen kosten zijn netwerk kan uitrollen tot aan dit toegangspunt. Gebruikmaking van de fysieke binnenhuisinfrastructuur en het toegangspunt moet gebeuren tegen billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden. De prijs die hiervoor gerekend wordt maakt hiervan deel uit. De verordening schrijft hierbij voor dat Berec richtsnoeren moet opstellen over de bedoelde voorwaarden tot toegang en de criteria waar de nationale instantie voor geschillenbeslechting zich aan moet houden bij de beslechting van geschillen. Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat de toegang tot de fysieke infrastructuur zoals geregeld in de verordening niet ziet op de toegang tot een eventueel aanwezige (inpandige) glasvezelkabel en ook niet tot de kabel van het netwerk van een aanbieder. De toegang tot de inpandige kabel is geregeld in artikel 61, derde lid, van de Telecomcode, dat is omgezet in artikel 6.3, eerste lid, van de Telecommunicatiewet. Daar is bepaald dat de ACM, verplichtingen kan opleggen om toegang te verlenen tot bekabeling binnen gebouwen als dit gerechtvaardigd is omdat de replicatie van die netwerkelementen in economisch opzicht inefficiënt zou zijn of fysiek onuitvoerbaar zou zijn. De toegang tot een (kabel van) een netwerk van een aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken en diensten is -buiten de toegang nodig voor interconnectie en interoperabiliteit- geregeld in hoofdstuk 6a van de Telecommunicatiewet. Dit komt erop neer dat de bedoelde toegang alleen kan worden opgelegd door ACM aan een aanbieder met aanmerkelijke marktmacht en dan nog alleen in het geval een dergelijke maatregel gezien de mededingingsomstandigheden passend is.

Als er geen glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur beschikbaar is, heeft een aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken het recht zijn netwerk in gebouwen aan te sluiten met behulp van de wel bestaande fysieke infrastructuur. Voorwaarde daarbij is dat de abonnee en/of de eigenaar daarmee instemt. Verder bepaalt de verordening dat het recht om gebruik te maken van een toegangspunt of binnenhuisinfrastructuur geen afbreuk doet aan het eigendomsrecht. De eigenaar van het toegangspunt of de binnenhuisinfrastructuur blijft dus de eigenaar.

Geschillenbeslechting

De verordening verplicht lidstaten een of meer bevoegde instanties aan te wijzen om de taken van de nationale instantie voor geschillenbeslechting uit te voeren. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de verordening dienen deze instanties juridisch onderscheiden en functioneel onafhankelijk te zijn van elke netwerkexploitant en elke overheidsinstantie die eigenaar is van of zeggenschap heeft over de fysieke infrastructuur die bij het geschil betrokken is. Voorgesteld wordt om ACM aan te wijzen. De ACM voldoet aan de vereisten genoemd in het tweede lid.

Aanpassing roamingverordening, bellen en sms’en vanuit Nederland naar andere EU-landen

In de verordening zijn niet alleen maatregelen opgenomen die gericht zijn op het versterken en harmoniseren van geldende rechten en verplichtingen om de uitrol van VHC-netwerken te vergemakkelijken maar is ook voorzien in een aanpassing van Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PbEU 2015, L 310) (hierna: roamingverordening).

Artikel 17 van de verordening wijzigt drie artikelen van de roamingverordening en voegt één artikel toe. Deze wijzigingen hebben betrekking op de tarieven die telecomaanbieders mogen rekenen voor bellen en sms’en vanuit het eigen land naar een ander EU-land (hierna: intra-EU calls). Deze tarieven zijn nu weliswaar gemaximeerd maar mogen afwijken van de tarieven voor nationaal bellen en sms’en. Artikel 17 van de verordening regelt dat deze tarieven per 1 januari 2029 gelijk worden getrokken met de tarieven voor nationaal bellen en sms’en, tenzij de Europese Commissie uiterlijk medio 2027 uit evaluatieonderzoek concludeert dat dit nadelige effecten heeft en een wijzigingsvoorstel uitbrengt. Intra-EU calls worden hiermee vergelijkbaar met roaming (bellen, sms’en en mobiel internetten tegen hetzelfde tarief als je in een ander EU-land bent). Het artikel introduceert ook een mechanisme om telecomaanbieders vooruitlopend op deze verplichting al per 1 januari 2025 vrijwillig gelijke tarieven te laten hanteren. Hiervoor stelt de Europese Commissie een uitvoeringshandeling vast.

Aan artikel 2 van de roamingverordening worden drie definities toegevoegd: nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst, binnenlandse communicaties en communicaties binnen de EU. Aan artikel 5 bis worden vijf leden toegevoegd die toezien op het aflopen van afwijkende kosten voor intra-EU calls op 1 januari 2029 en de mogelijkheid bieden aan telecomaanbieders om vanaf 1 januari 2025, onder voorwaarden, op vrijwillige basis al de prijzen voor communicatie binnen de EU gelijk te stellen aan de prijzen in de eigen lidstaat. Verder worden er leden toegevoegd die zien op de evaluatie van de uitwerking van het artikel, met name de ontwikkeling van de wholesalekosten, concurrentie en retailprijzen, consumentengedrag, gevolgen voor nationale markten en tariefplannen. De evaluatie wordt uitgevoerd door de Europese Commissie die daarbij Berec zal raadplegen. De wijziging in artikel 10 ziet op het verlengen van de geldigheid van artikel 5 bis van de roamingverordening van 14 mei 2024 tot 30 juni 2032. De ACM ziet toe op de naleving van de roamingverordening zoals is vastgesteld in artikel 15.1, derde lid, van de Telecommunicatiewet. Gelet hierop en de rechtstreekse toepasselijkheid van de roamingverordening, en de reeds bestaande mogelijkheden in de Telecommunicatiewet tot handhaving van deze roamingverordening, behoeft deze wijziging geen verdere uitwerking in de nationale wetgeving.

3. Inhoud van het wetsvoorstel

Allereerst wordt een aantal begripsbepalingen in de Telecommunicatiewet aangepast en toegevoegd zodat deze in lijn zijn met de verordening. Ook worden diverse verwijzingen in de Telecommunicatiewet naar het (oude) hoofdstuk 5a vervangen door verwijzingen naar de relevante artikelen uit de verordening.

Voorts wordt bepaald dat de in de Telecommunicatiewet geregelde gedoogplicht in stand blijft. Dit is toegestaan door toepassing van de bepaling in de verordening dat lidstaten striktere maatregelen kunnen nemen of in stand houden dan in de verordening voorgeschreven.

Hoofdstuk 5a

De belangrijkste materiële wijziging is de vervanging van hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet, over medegebruik voorzieningen en coördinatie van civiele werken, dat een omzetting was van de richtlijn breedband, door een nieuw hoofdstuk 5a ter uitvoering van de verordening.

In dit nieuwe hoofdstuk 5a wordt allereerst aangegeven dat de regels ter uitvoering van de verordening niet van toepassing zijn op het medegebruik bij draadloze toegangspunten met klein bereik, zogenoemde small cells. Daar blijven de reeds geldende regels van toepassing12. Verder wordt bepaald dat het verboden is de uit de verordening voortvloeiende verplichtingen niet na te leven. Tevens wordt voorzien in een grondslag voor het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij ministeriële regeling stellen van regels. In bepaalde gevallen is een lidstaat namelijk op grond van de verordening gehouden om een bepaalde verplichting uit de verordening nader in te vullen. Een voorbeeld daarvan vormt de verplichting voor lidstaten om centrale informatiepunten aan te wijzen. Het wetsvoorstel voorziet hierin door voor te schrijven dat deze onderwerpen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij ministeriële regeling moeten worden uitgewerkt.

De verordening geeft verder in diverse bepalingen de mogelijkheid voor lidstaten om uitzonderingen op bepaalde regels uit de verordening te maken. Zo is het op basis van de verordening mogelijk om fysieke infrastructuur van overheidsinstanties uit te zonderen van de verplichting er toegang tot te verlenen om redenen van architecturale, historische, religieuze of ecologische waarde of om redenen van openbare veiligheid, defensie, veiligheid en gezondheid. Ook kan een lidstaat bepalen wanneer een civiel werk van beperkte omvang is zodat de uit de verordening voorvloeiende verplichting om aan verzoeken tot coördinatie te voldoen voor overheidsinstanties en netwerkexploitanten die civiele werken uitvoeren die met overheidsmiddelen worden gefinancierd achterwege kan blijven. Om hieraan uitvoering te kunnen geven wordt in de Telecommunicatiewet de mogelijkheid opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een en ander uit te werken.

In de verordening is in artikel 8, eerste lid, bepaald dat als op de aanvraag voor een vergunning nodig voor de aanleg van elementen van een VHC-netwerk niet binnen de toepasselijke termijn is besloten, de vergunning geacht wordt te zijn toegekend (lex silencio positivo). Lidstaten hebben echter onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid hiervan af te wijken. Nederland maakt van deze mogelijkheid gebruik. Een van de voorwaarden is dat de lidstaat de bevoegde autoriteit die de beslissing op de vergunningaanvraag had moeten nemen verplicht om de aanvrager van de vergunning op diens verzoek of ambtshalve uit te nodigen voor een ontmoeting om over de vergunningaanvraag te spreken. Vandaar dat in het wetvoorstel wordt bepaald dat de bedoelde autoriteit of instantie gehouden is de aanvrager van de vergunning uit te nodigen voor een ontmoeting.

Verder is in de verordening bepaald dat een vergunning die nodig is voor de aanleg van elementen van een VHC-netwerk mag worden geweigerd indien de aanvrager niet voldaan heeft aan de verplichting informatie aan te leveren aan een centraal informatiepunt. Om dit te kunnen nagaan moet de vergunningverlenende instantie toegang hebben tot het centraal informatiepunt. Tegen deze achtergrond is in het wetsvoorstel bepaald dat in dat geval de bevoegde (vergunningverlenende) autoriteit toegang heeft tot de informatie in het centraal informatiepunt. Overigens is in het wetsvoorstel ook bepaald dat de zojuist genoemde weigeringsgrond niet mag worden toegepast bij het door burgemeester en wethouders af te geven instemmingsbesluit als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet. Dit om geen afbreuk te doen aan het gedoogrecht.

De verordening bevat geen bepaling dat exploitanten die informatie krijgen over geplande civiele werken deze informatie voor zover die handels- en bedrijfsgeheimen bevat vertrouwelijk moeten houden. Dit regelt de verordening wel voor informatie met betrekking tot fysieke infrastructuur. Toch kan het juist bij informatie over geplande civiele werken gaan om bedrijfsvertrouwelijke informatie. Vandaar dat in het nieuwe hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet wordt geregeld dat voor exploitanten die informatie ontvangen over geplande civiele werken geldt dat de vertrouwelijkheidsbepaling uit de verordening met betrekking tot fysieke infrastructuur van overeenkomstige toepassing is bij het verkrijgen van informatie over geplande civiele werken. Dit betekent dat de exploitanten die dergelijke informatie ontvangen deze informatie voor zover die handels- en bedrijfsgeheimen bevat vertrouwelijk moeten houden.

Zoals al eerder aangegeven blijven de in hoofdstuk 5c van de Telecommunicatiewet opgenomen regels met betrekking tot zogenoemde small cells ongewijzigd. In die regels worden meerdere bepalingen uit hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet van overeenkomstige toepassing verklaard. Aangezien deze artikelen niet meer voorkomen in het nieuwe hoofdstuk 5a worden de bedoelde bepalingen op grond van dit wetsvoorstel nu direct opgenomen in hoofdstuk 5c.

Omroepzendernetwerken

De Telecommunicatiewet bevat reeds geruime tijd bepalingen met betrekking tot het medegebruik van omroepzendernetwerken. Omroepzendernetwerken zijn elektronische communicatienetwerken die gebruikt worden voor de verspreiding van radio- en televisieomroep via de ether. De medegebruiksregels voor omroepnetwerken stammen uit de tijd dat er twee partijen actief waren op de (radio)omroepzendermarkt: Broadcast Partners en Nozema. Deze bepalingen waren vooral bedoeld om Broadcast Partners toegang te geven tot de infrastructuur van Nozema (de hoge omroep-torens). Zoals hieronder in de voetnoot13 nader is toegelicht is het medegebruiksregime voor omroepzendernetwerken niet gebaseerd op de richtlijn breedband of de opvolger daarvan (de verordening), maar een nationale regeling. Uitgangspunt bij dit wetsvoorstel is het in stand houden van het medegebruiksregime voor omroepzendernetwerken. Het wetsvoorstel strekt immers ter uitvoering van de verordening en is niet bedoeld om buiten de verordening vallende (nationale) regels aan te passen, als dat niet nodig is ter uitvoering van de verordening.

In het huidige hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet is het medegebruiksregime voor omroepzendernetwerken nauw verweven met het ter uitvoering van de richtlijn breedband opgenomen medegebruiksregime voor andere elektronische communicatienetwerken. Aangezien de onderdelen in hoofdstuk 5a die dienen ter uitvoering van de richtlijn breedband met dit wetsvoorstel komen te vervallen, de Europese regels voor medegebruik/toegang volgen nu immers rechtstreeks uit de verordening, moeten de regels voor medegebruik van omroepzendernetwerken opnieuw worden vastgesteld zodat zij onafhankelijk van de regels voor medegebruik in de verordening kunnen worden toegepast. Dit gebeurt in het nieuwe hoofdstuk 5d over medegebruik van omroepzendernetwerken.

Dit nieuwe hoofdstuk 5d beoogt, zoals gezegd, geen verandering aan te brengen in het bestaande regime voor medegebruik van omroepzendernetwerken. Slechts op een punt is er een wijziging aangebracht. Op grond van het huidige hoofdstuk 5a zijn aanbieders van omroepzendernetwerken niet alleen gehouden om medegebruik toe te staan door andere aanbieders van omroepzendernetwerken, maar ook om medegebruik toe te staan aan anderen. Dit laatste is echter nooit de bedoeling geweest – het regime was immers bedoeld voor medegebruik van omroepzendernetwerken door aanbieders van omroepzendernetwerken – en is bovendien praktisch van weinig betekenis. Immers, bij omroepzendernetwerken gaat het in principe om (zeer) hoge antenne-opstelpunten die ongeschikt zijn voor antennes van mobiele communicatie. Wel is het denkbaar dat op de hoge torens zenders voor straalverbindingen worden geplaatst. In dit verband wordt opgemerkt dat wanneer de exploitant van de toren/zeer hoge opstelpunt (dat kan de exploitant van het omroepzendernetwerk zijn maar dat hoeft niet) deze aanbiedt als ruimte om antennes voor mobiele communicatie op te stellen, deze exploitant te beschouwen is als een aanbieder van bijbehorende faciliteiten. Een dergelijke exploitant valt volgens de begripsomschrijving van het begrip exploitant uit artikel 2, onderdeel 1, van de verordening, wel onder de verplichtingen uit de verordening.

Geschillenbeslechting

In het wetsvoorstel wordt de beslechting van geschillen met betrekking tot de verplichtingen in de verordening opgedragen aan de ACM. In artikel 13, eerste lid, van de verordening valt te lezen om welke mogelijke geschillen het kan gaan. Kort weergegeven kan het betreffen een geschil over de (tijdige) beschikbaarheid en het verkrijgen van minimuminformatie met betrekking tot fysieke infrastructuur en geplande civiele werken, een geschil over toegang tot fysieke infrastructuur, een geschil over de coördinatie van civiele werken en een geschil over de toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur.

Met dit wetsvoorstel komt een einde aan de tot nu toe bestaande situatie waarbij de beslechting van geschillen deels bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat en deels bij de ACM was belegd. Op grond van de WIBON berustte de beslechting van geschillen omtrent de informatie-uitwisseling ten behoeve van medegebruik van fysieke infrastructuur of coördinatie van civiele werken bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat. De beslechting van geschillen over medegebruik berustte op basis van de Telecommunicatiewet bij de ACM. Ook zorgt het wetsvoorstel er voor dat ten aanzien van informatie over antenne-opstelpunten wordt voorzien in geschillenbeslechting door ACM. Tot nu toe was niet voorzien in de mogelijkheid van (buitengerechtelijke) geschillenbeslechting. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de geschillenbeslechting door ACM er niet aan in de weg staat dat een partij met een geschil zich rechtstreeks tot de rechter wendt.

WIBON

De WIBON bevat primair regels ter voorkoming van zogenoemde graafschade. Zo verplicht de WIBON (mechanische) graafwerkzaamheden te melden bij het Kadaster en is er een elektronisch informatiesysteem waarmee informatie wordt uitgewisseld, zodat de uitvoerder van de graafwerkzaamheden weet waar bestaande netten zich precies bevinden. Daarnaast bevat de WIBON ter uitvoering van de richtlijn breedband bepalingen over het ter beschikkingstellen en verkrijgen van informatie via het elektronisch informatiesysteem ten behoeve van medegebruik en de coördinatie van civiele werken. De komst van de verordening, die rechtstreeks toepasselijk is in de Nederlandse rechtsorde, maakt deze bepalingen echter overbodig aangezien in de verordening zelf zowel het aanleveren als het beschikbaar krijgen van de informatie ten behoeve van medegebruik en de coördinatie van civiele werken is geregeld. De daarmee verband houdende bepalingen uit de WIBON komen dan ook te vervallen. Tevens bevat de WIBON bepalingen over geschillenbeslechting in het kader van de informatie-uitwisseling. Ook deze bepalingen komen te vervallen aangezien de mogelijkheid van geschillenbeslechting op grond van de verordening wordt geregeld in de Telecommunicatiewet.

Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening

De Europese cyberbeveiligingsverordening14 is gewijzigd bij Verordening (EU) 2025/37 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2024 tot wijziging van Verordening (EU) 2019/881 wat betreft beheerde beveiligingsdiensten (PbEU L 2025/37). Met deze wijziging is het toepassingsgebied van het Europese cyberbeveiligingscertificeringskader uitgebreid met beheerde beveiligingsdiensten (managed security services), naast ICT-producten, ICT-diensten en ICT-processen.

In dat verband is in de cyberbeveiligingsverordening een definitie van beheerde beveiligingsdiensten opgenomen die aansluit bij de terminologie van Richtlijn (EU) 2022/25551 (NIS2-richtlijn). Daaronder wordt verstaan: een aan een derde verleende dienst die bestaat uit het uitvoeren van of het verlenen van bijstand voor activiteiten die verband houden met de beheersing van cyberbeveiligingsrisico’s, zoals incidentenbehandeling, penetratietesten, beveiligingsaudits en adviesdiensten, met inbegrip van deskundig advies in verband met technische ondersteuning.

Met de uitbreiding van de reikwijdte van de cyberbeveiligingsverordening wordt het mogelijk Europese cyberbeveiligingscertificeringsregelingen voor beheerde beveiligingsdiensten vast te stellen.

De wijziging heeft een kaderstellend karakter. De praktische toepassing ontstaat pas wanneer op grond van de cyberbeveiligingsverordening Europese cyberbeveiligingscertificeringsschema’s worden vastgesteld.

De wijzigingsverordening is rechtstreeks toepasselijk en behoeft daarom geen omzetting in nationale wetgeving. Wel dient de Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening te worden aangepast om deze in overeenstemming te brengen met het verruimde toepassingsgebied van de cyberbeveiligingsverordening. De wijziging is technisch-juridisch van aard en laat geen nationale beleidsruimte.

4. Gevolgen

Uitvoeringslasten direct voortvloeiend uit de verordening

De Europese Commissie heeft in 2023 een impactanalyse (impact assessment) uitgevoerd naar de gevolgen van vier verschillende beleidsopties die voorafgingen aan het uiteindelijke voorstel voor de verordening. De vier opties die zijn onderzocht zijn: (1) een minimale update van de regels waarbij de reikwijdte wordt verlegd naar meer geavanceerde netwerken en bepaalde voorschriften worden versterkt en verduidelijkt, (2) in aanvulling op optie 1 wordt de toegang tot niet-netwerkgebonden publieke fysieke infrastructuur geregeld, wordt voorzien in bepaalde uitzonderingen op het geven van toegang tot fysieke infrastructuur met het oog op het in bepaalde gevallen ontbreken van een prikkel tot investeren, en worden maatregelen genomen om vergunningsverleningsprocedures te verbeteren, (3) in aanvulling op optie 2 worden nieuwe Europese regels ontwikkeld die zowel de toegang tot fysieke infrastructuur (ook binnen gebouwen) als de coördinatie van civiele werken verduidelijken. Bovendien wordt in deze optie proactieve transparantie voorgeschreven voor private netwerkaanbieders en de beschikbaarheidsstelling van gedigitaliseerde informatie via centrale informatiepunten. Ook worden vergunningsverleningsprocedures versterkt en wordt het hebben van standaarden voor binnenhuisglasvezelbekabeling en aanleg binnen gebouwen verplicht gesteld. (4) In aanvulling op optie 3 worden de toegangsverplichtingen en de verplichting tot coördinatie van civiele werken uitgebreid tot alle private netwerkaanbieders en, waar relevant, ook tot niet-netwerkaanbieders. Bovendien zou in deze optie worden voorzien in EU standaarden voor aanleg binnen gebouwen. Deze optie zou een gemeenschappelijk platform vereisen voor bestaande fysieke infrastructuur en geplande civiele werken. De Commissie merkt nog op dat, behalve voor de eerste optie, de opties een (nieuwe) verordening vereisen.

Op basis van de impactanalyse komt de Commissie tot de conclusie dat optie 3 de beste optie is omdat deze de beste balans biedt tussen korte termijn implementatiekosten en baten op de middellange termijn, de regeldruk tot een minimum beperkt en de uitstoot van broeikasgassen door de elektronische communicatiesector beperkt. De gekozen optie, aldus de impactanalyse, vergroot de uitrol van netwerken met gebruik van bestaande fysieke infrastructuur van 250.000 km tot 470.000 km. De optie leidt er ook toe dat de kosten van uitrol van netwerken binnen de Europese Unie 14,5 miljard lager worden en de kosten van subsidies met 2,4 miljard lager uitvallen. Ook zou volgens de impactanalyse de uitstoot van 0,7 miljoen ton broeikasgas worden voorkomen. Daarnaast ziet de Commissie sociale en economische voordelen met name bestaande in de verkleining van de kloof tussen stad en platteland en het herinvesteren van de uitgespaarde kosten.

Voor wat betreft de kosten schat de Commissie in dat er sprake is van eenmalige kosten ter grootte van 70 miljoen euro, waarvan 15 miljoen euro (omgerekend op basis van het aantal Nederlandse huishoudens ten opzichte van het aantal huishoudens in de Europese Unie –202 miljoen tegenover 8,6 miljoen- komt dit voor Nederland neer op ongeveer 639.000 euro) voor rekening van de aanbieders van elektronische communicatienetwerken en 55 miljoen euro voor de overheid, voornamelijk voor het opzetten van digitale platforms en consistente vergunningverleningsprocedures. Ook voorziet de Commissie structurele kosten van 6 tot 7 miljoen euro voor de geschillenbeslechting en de centrale informatiepunten. Echter, als deze kosten gemaakt zijn is voorzien in een jaarlijkse besparing voor de aanbieders van elektronische communicatienetwerken op administratieve kosten ter grootte van 40 miljoen euro (omgerekend op basis van het aantal Nederlandse huishoudens ten opzichte van het aantal huishoudens in de Europese Unie komt dit voor Nederland neer op ongeveer 1,7 miljoen euro) ten gevolge van de betere toegang tot fysieke infrastructuur en de verbeterde vergunningverleningsprocedures. Ook zullen er hierdoor besparingen zijn op de operationele kosten van publiekrechtelijke instanties waaronder gemeenten.

Ten aanzien van de gevolgen voor het midden- en kleinbedrijf (hierna: MKB) merkt de Commissie op dat er voor deze categorie ondernemingen als afnemers van gigabitdiensten geen specifieke verplichtingen zijn. Voor het MKB dat actief is als aanbieder van elektronische communicatienetwerken en -diensten gelden de hiervoor genoemde voordelen voor dergelijke aanbieders in het algemeen. Het huidige gebrek aan toegang tot fysieke infrastructuur en de hoge prijzen voor gigabitconnectiviteit zijn, aldus de Commissie, belangrijke uitdagingen voor met name het MKB omdat ze de mogelijkheid voor het MKB beperken om te profiteren van productiviteitsvoordelen verbonden met sneller breedband en digitale toepassingen. De huidige lappendeken van regels en praktijken op nationaal en sub-nationaal niveau is bovendien, zo oordeelt de Commissie, een obstakel voor ondernemingen die schaalvoordelen trachten te realiseren, hetgeen raakt aan de concurrentiekracht van de Europese Unie.

Regeldruk en nalevingslasten van de uitvoeringswet

Met de uitvoeringswet wordt uitvoering gegeven aan de verordening. Deze verordening is voor het grootste deel rechtstreeks toepasselijk in de Nederlandse rechtsorde. Dat wil zeggen dat de uitvoeringswet voornamelijk ertoe strekt te voorzien in een grondslag voor lagere regelgeving waarin bepaalde zaken kunnen worden geregeld die noodzakelijk zijn voor het goed kunnen laten functioneren van de verordening. Zo verplicht de verordening lidstaten om bevoegde instanties aan te wijzen: een of meer instanties die de taken die zijn toegewezen aan de nationale instantie voor geschillenbeslechting uitoefenen en een of meer instanties die de functies van een centraal informatiepunt uitoefenen. Hoewel niet expliciet bepaald in de verordening moeten ook instanties worden aangewezen die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op en de handhaving van de verordening. Daarnaast biedt het wetsvoorstel grondslagen om bij lagere regelgeving de verplichtingen uit de verordening voor bepaalde fysieke infrastructuur en civiele werken uit te sluiten. Deze uitzonderingen zullen de regeldrukkosten verlagen. Hierop zal worden ingegaan in de toelichting op de lagere regelgeving. De uitvoeringswet zelf heeft op enkele uitzonderingen na, waarop hieronder zal worden ingegaan, geen gevolgen voor de lastendruk.

Door het in de uitvoeringswet geregelde toezicht kunnen regeldrukkosten ontstaan voor netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur. De uitoefening van onderzoeks- of handhavingsbevoegdheden door de ACM kan het bijvoorbeeld noodzakelijk maken om kosten te maken, zoals het verzamelen en aanleveren van informatie als die wordt gevorderd of het wijzigen van processen om een overtreding weg te nemen.

De verordening voorziet, zoals eerder aangegeven, bij de verlening van vergunningen nodig voor de aanleg van VHC-netwerken bij overschrijding van de beslistermijn standaard in van rechtswege verlening van de vergunning (lex silencio positivo). De verordening maakt het echter mogelijk om hiervan af te wijken. Van deze mogelijkheid wordt, zoals eerder aangegeven, in deze uitvoeringswet gebruik gemaakt. Door deze keuze kan de situatie zich voordoen dat partijen die VHC-netwerken willen aanleggen en binnen de voorgeschreven termijn geen reactie krijgen van de overheid, genoodzaakt zijn (schriftelijk) contact op te nemen met de vergunningverlenende overheid. Dit brengt uiteraard kosten met zich mee. In de meeste gevallen zal het gaan om een instemmingsbesluit van de gemeente op grond van artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. Er van uitgaande dat het de medewerker ongeveer een uur kost om een brief op te stellen aan de gemeente, komen de kosten op 54 euro per aanvraag om een instemmingsbesluit.

Hoewel de regering niet de beschikking heeft over het aantal aanvragen voor een instemmingsbesluit en het aantal gevallen waarin een dergelijke aanvraag door een gemeente niet binnen de beslistermijn wordt afgehandeld is er op basis van gegevens van het MOOR platform, een digitaal platform dat door meer dan 280 van de 342 gemeenten wordt gebruikt voor het aanvragen van vergunningen, een inschatting te maken. In het jaar 2023 zijn er volgens het jaaroverzicht van het MOOR platform ongeveer 18200 instemmingsbesluiten aangevraagd. Omgeslagen naar alle gemeenten betekent dit dat er ongeveer 22.200 instemmingsbesluiten in dat jaar zijn aangevraagd. Helaas ontbreken ook in het MOOR overzicht cijfers over hoeveel van die aanvragen te laat door de gemeenten zijn afgedaan. Wel zijn er cijfers uit 202415 ten aanzien van de verlening van omgevingsvergunningen. Daarbij ging het om ongeveer 2 procent van de aanvragen waar niet tijdig op was beslist. Eenzelfde percentage toegepast bij de aanvragen om een instemmingsbesluit zou betekenen dat de kosten uit zouden komen op circa 24.000 euro per jaar.

Met het uitsluiten van de lex silencio positivo wordt aangesloten bij de Omgevingswet. Hierdoor sluit het regime van de instemmingsbesluiten goed aan bij de (andere) omgevingsvergunningen. Hiermee ontstaat duidelijkheid voor de bedrijven die een instemmingsbesluit willen aanvragen en wordt voorkomen dat bedrijven in verwarring raken bij het aanvragen van vergelijkbare vergunningen.

In Nederland geldt al meer dan een eeuw een gedoogplicht voor de aanleg van openbare elektronische communicatienetwerken. De voorliggende uitvoeringswet brengt hier, zoals al eerder aangegeven, geen verandering in. De verordening schrijft niet voor dat er een gedoogplicht moet gelden. Ook zonder gedoogplicht kan aan de verordening worden voldaan. Het continueren van de gedoogplicht past wel in de geest van de verordening. De gedoogplicht werkt immers lastenverlagend voor de aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken; zij hebben door de gedoogplicht immers de zekerheid dat zij hun netwerken kunnen uitrollen.

De voorgestelde wijziging van de Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening introduceert geen verplichtingen voor marktpartijen. Cyberbeveiligingscertificering op grond van de cyberbeveiligingsverordening is vrijwillig. Eventuele verplichtingen die ontstaan door gebruik te maken van Europese cyberbeveiligingscertificering kunnen bovendien pas ontstaan wanneer op grond van de cyberbeveiligingsverordening Europese cyberbeveiligingscertificeringsregelingen voor beheerde beveiligingsdiensten zijn vastgesteld. Er zijn daarom geen directe gevolgen voor de regeldruk voor deze wijziging.

Gevolgen voor Nederlandse overheid/gemeenten

In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken heeft onderzoeksbureau Cebeon in de periode van november 2024 tot en met februari 2025 een assessment uitgevoerd naar de impact van de verordening op verplichtingen voor medeoverheden, dat wil zeggen gemeenten, provincies en waterschappen. Op grond van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen moeten Europese beleidsvoornemens worden beoordeeld op de bestuurlijke en financiële gevolgen. Het gaat om inzicht in de nieuwe of veranderende taken die voortvloeien uit de verordening en de verwachte inspanningen of kosten die daarmee gemoeid zijn. De verplichtingen als gevolg van de verordening zijn in het onderzoek afgezet tegen de huidige wettelijke verplichtingen, zoals vastgelegd in de Telecommunicatiewet, de WIBON, de Omgevingswet (inclusief het Bbl) en Omgevingsregeling.

Allereerst komt uit de impactanalyse naar voren dat de impact van nieuwe of veranderende verplichtingen voor medeoverheden niet eenvoudig bleek in te schatten. Dit heeft er onder ander mee te maken dat gemeenten nog onvoldoende zicht hebben op de precieze reikwijdte van de verordening en omdat de Nederlandse nadere invulling van de verordening omtrent uitzonderingsmogelijkheden en de inrichting van de centrale informatiepunten pas op een later moment worden uitgewerkt. Verder is het ondanks inspanningen Cebeon niet gelukt om provincies te vinden om mee te werken aan het onderzoek. Daarnaast heeft Cebeon slechts met één waterschap kunnen spreken, om die reden worden de uitkomsten ten aanzien van de verwachte inspanningen voor de waterschappen niet weergegeven in deze toelichting.

De verordening brengt nieuwe verplichtingen met zich mee om toegang te verlenen tot fysieke infrastructuur die in eigendom is of onder zeggenschap staat van overheidsinstanties. Daarnaast dient informatie over de fysieke infrastructuur via een centraal informatiepunt beschikbaar te worden gesteld. De structurele impact voor gemeenten als gevolg van deze verplichtingen doet zich vooral voor bij de verkorting van de reactietermijn in geval van een verzoek tot toegang, en dan met name bij grootstedelijke gemeenten. Omdat het verwachte aantal verzoeken beperkt is op basis van de huidige praktijk, gaat het om een beperkte inspanning die onder legesheffing geplaatst kan worden. Verder zullen eenmalige inspanningen bij de registratie van gemeentelijke objecten benodigd zijn, omdat kleinere en middelgrote (minder verstedelijkte) gemeenten nog niet al hun assets in beeld hebben. Als gemeenten op basis van de uitzonderingsgronden in de verordening vooraf een lijst met objecten moeten vaststellen die zijn vrijgesteld van de toegangs- en informatieverplichting, dan zijn ook hier eenmalig inspanningen mee gemoeid.

Verder brengt de verordening nieuwe verplichtingen voor medeoverheden met zich mee om bepaalde eigen geplande civiele werken op verzoek te coördineren en deze aan te kondigen via een centraal informatiepunt. Het betekent dat er in overleg dient te worden gegaan als er een verzoek komt. Afhankelijk van de uitwerking van de uitzonderingen in de verordening, kan in het geval dat alle relevante geplande gemeentelijke werken inzichtelijk moeten worden gemaakt, dat structurele impact op gemeenten hebben. Daarnaast is er een eenmalige inspanning gemoeid met het (digitaal) beschikbaar maken van geplande civiele werken en het maken van de afbakening voor werken van beperkte omvang.

De verordening bepaalt dat de voorwaarden en procedures voor alle vergunningen voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken via een centraal informatiepunt beschikbaar moeten zijn. Dit betekent voor gemeenten die deze informatie nog niet via het Ondernemersplein beschikbaar stellen, dat zij dit alsnog moeten verzorgen. Voor gemeenten is er geen structurele financiële impact, maar wel een (beperkte) eenmalige impact om voorwaarden en procedures en een link naar het gemeentelijke vergunning systeem via Ondernemersplein inzichtelijk te maken.

5. Adviezen en consultatie

De ACM heeft een toets uitgevoerd op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het wetsvoorstel (hierna: UHT). Voor zover dit op basis van het concept-wetsvoorstel kan worden beoordeeld, acht de ACM het wetsvoorstel uitvoerbaar en handhaafbaar als er voor de aanvullende structurele taken ook structurele financiering volgt. De ACM constateert dat deze nieuwe taken in het verlengde liggen van de werkzaamheden die ACM al uitvoert. Gelet op de onvoorspelbaarheid van de omvang van de werkzaamheden acht ACM het raadzaam taken, verantwoordelijkheden en capaciteit tijdig te evalueren. De Minister komt graag vanuit het oogpunt van effectiviteit van de regelgeving aan een dergelijke evaluatie tegemoet. Verder geeft ACM enkele punten mee ter verbetering van het wetsvoorstel. Ten eerste een verzoek voor meer toelichting over de definitie van «overheidsinstanties». Als reactie hierop wordt verwezen naar paragraaf 6 van deze toelichting waar wordt aangegeven dat het in eerste instantie aan ACM is, en vervolgens aan de rechter om te bepalen of er in een concreet geval sprake is van een overheidsinstantie. Ten tweede geeft ACM aan dat voor de uitvoerbaarheid het noodzakelijk is dat het centraal informatiepunt goed is belegd en dat ACM tijdig bij de uitwerking van het CIP wordt betrokken. Hieraan zal door de Minister tegemoet worden gekomen.

Het concept-wetsvoorstel is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

6. Internetconsultatie

Het wetsvoorstel is in internetconsultatie geweest van 23 juni 2025 tot 4 augustus 2025. De internetconsultatie heeft 12 reacties opgeleverd, waaronder een vertrouwelijke reactie.

Algemeen

Een respondent merkt op dat het wetsvoorstel op veel plaatsen naar de tekst van de verordening verwijst en dat het lastig is om te begrijpen waar de verordening toe strekt. Op grond van de Aanwijzingen van de Regelgeving zou er een bijzondere reden zijn om in de tekst van het wetsvoorstel explicieter de tekst van de verordening aan te halen. In reactie hierop wordt opgemerkt dat verwijzing naar de tekst van de verordening in het wetsvoorstel in dit geval volstaat; in beginsel is communicatie over toepassing van de verordening geen doel van het wetsvoorstel.

Een respondent adviseert dat in een algemene maatregel van bestuur een bepaling wordt opgenomen die bevestigt dat de regels uit de verordening prevaleren bij samenloop waarin een kader wordt geboden voor verdere afstemming. Een dergelijke bepaling is echter niet noodzakelijk. Het Europees recht heeft immers voorrang op de nationale rechtsorde. Bij de uitvoering van de verordening dient bovendien met de verordening strijdige regelgeving te worden aangepast.16

Meerdere respondenten hebben suggesties gedaan voor uitwerking van de lagere regelgeving die uit het wetsvoorstel voortvloeit en meerdere respondenten geven aan dat de lagere regelgeving geconsulteerd dient te worden. Bij de uitwerking van de lagere regelgeving zullen de suggesties die zijn gedaan, worden meegewogen. Ook zal een concept van de lagere regelgeving geconsulteerd worden.

Een respondent merkt op dat ook het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke en publieke infrastructuur zal moeten worden aangepast. Deze opmerking is terecht. Zo ziet het bedoelde besluit ook op aanbieders van bijbehorende faciliteiten. Dit is echter niet meer nodig nu deze aanbieders ook onder de reikwijdte van de verordening zijn gaan vallen. Het besluit zal dus inderdaad moeten worden aangepast.

Dezelfde respondent brengt naar voren dat, anders dan de concept memorie van toelichting suggereert, de verordening voor aanbieders van bijbehorende faciliteiten wel degelijk veranderingen brengt. Zo wijst de respondent er op dat de aanbieders van bijbehorende faciliteiten door het van kracht worden van de verordening rechten krijgen die ze nu nog niet hebben, zoals bijvoorbeeld het recht op toegang tot fysieke infrastructuur van overheidsinstanties. Deze opmerking is juist en daarom is de memorie van toelichting op dit punt aangepast.

De respondent merkt verder op dat niet geheel duidelijk is wat wordt bedoeld met overheidsinstantie. De respondent wil graag weten of alle instanties die worden genoemd in het register van overheidsorganen zijn te beschouwen als overheidsinstanties. Verder geeft de respondent aan van mening te zijn dat ook woningbouwcorporaties en universiteiten onder het begrip vallen en vraagt hoe het ministerie in Nederland invulling gaat geven aan deze definitie uit de verordening. De verordening en de daarin opgenomen definities zijn rechtstreeks toepasselijk in de Nederlandse rechtsorde. Het toezicht op de naleving van de verordening wordt in de uitvoeringswet opgedragen aan de ACM. Het is dus in eerste instantie aan de ACM, en vervolgens aan de rechter (uiteindelijk het Hof van Justitie van de Europese Unie) om te bepalen of er in een concreet geval sprake is van een overheidsinstantie als bedoeld in de verordening. In sommige gevallen is het zonder meer duidelijk dat er sprake is van een overheidsinstantie. In andere gevallen is het echter minder duidelijk of een instelling te beschouwen is als een overheidsinstantie. Om die reden voert het te ver om op voorhand te stellen dat alle instanties genoemd in het register van overheidsorganen een overheidsinstantie zijn in de zin van de verordening. Voor wat betreft woningbouwcorporaties stelt de regering zich op het standpunt dat dit geen overheidsinstanties als bedoeld in de verordening lijken te zijn, omdat een woningbouwcorporatie geen publiekrechtelijke instantie is. In dit verband wordt verwezen naar het standpunt dat de regering heeft ingenomen in het kader van de Aanbestedingsrichtlijn17. Deze richtlijn kent een definitie van het begrip publiekrechtelijke organisatie die vrijwel identiek is aan de in de verordening opgenomen definitie. Bij de standpuntbepaling in het kader van de Aanbestedingsrichtlijn speelt met name de vraag of het beheer van de corporatie onderworpen is aan het toezicht door de overheid. In 2021 heeft de Europese Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht aan de Nederlandse regering omdat de Commissie van mening was dat een woningbouwcorporatie wel moest worden beschouwd als een publiekrechtelijke organisatie. De Nederlandse regering heeft hierop haar standpunt bij de Commissie naar voren gebracht. Sindsdien zijn door de Commissie geen vervolgstappen meer gezet. Hoe het ook zei, «publiekrechtelijke instantie» in de zin van de verordening is een Unierechtelijk autonoom begrip. Bij een eventueel conflict in het kader van de verordening zal uiteindelijk de (hoogste) rechter, het Hof van Justitie van de Europese Unie, uitsluitsel moeten geven.

Dezelfde respondent geeft voorts aan dat in de memorie van toelichting onterecht wordt geconcludeerd dat aanbieders van omroepzendernetwerken geen aanbieders zijn van openbare elektronische communicatienetwerken. Daarbij wijst de respondent er op dat op grond van artikel 1.1. van de Telecommunicatiewet een omroepnetwerk te beschouwen is als een elektronisch communicatienetwerk en dat voor het openbaar zijn van een dergelijk netwerk alleen van belang is of er diensten aan het publiek worden geleverd, hetgeen het geval is.

Terecht merkt de respondent op dat een omroepzendernetwerk op grond van artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet te beschouwen is als een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Echter in de verordening wordt verwezen naar richtlijn 2018/197218 (hierna: de Telecomcode). De verordening is van toepassing op exploitanten. Voor dit begrip verwijst de verordening in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, naar artikel 2, onderdeel 29, van de Telecomcode. Aldaar is een exploitant omschreven als een «onderneming die een openbaar elektronisch communicatienetwerk of een bijbehorende faciliteit aanbiedt...». In artikel 2, onderdeel 8, van de Telecomcode is omschreven wat een openbaar elektronisch communicatienetwerk is, namelijk «een elektronisch communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om voor het publiek beschikbare elektronische communicatiediensten aan te bieden ter ondersteuning van de overdracht van signalen tussen netwerkaansluitpunten». Wat een netwerkaansluitpunt is, is omschreven in artikel 2, onderdeel 9, van de Telecomcode. Deze omschrijving komt er op neer dat het moet gaan om een fysiek punt waarop een eindgebruiker toegang krijgt. Echter bij een omroepnetwerk vindt geen overdracht van signalen tussen netwerkaansluitpunten plaats. Omroepnetwerken zijn namelijk zogenoemde punt naar multipunt netwerken, dat wil zeggen de aanbieder «stopt» het omroepsignaal in het netwerk dat het signaal vervolgens aflevert bij ieder netwerkaansluitpunt. Tussen die netwerkaansluitpunten vindt echter geen verkeer plaats. Daardoor voldoet een omroepnetwerk niet aan de definitie van een openbaar elektronisch communicatienetwerk zoals bedoeld in de Telecomcode en is een aanbieder van een dergelijk netwerk geen exploitant in de zin van de verordening, en is dus de verordening niet van toepassing op aanbieders van omroep(zender)netwerken.

Een respondent heeft vragen over de wijzigingen van de WIBON. Zoals is aangegeven in de artikelsgewijze toelichting bij artikel II, onderdelen A tot en met I, K, en M tot en met S, hebben de wijzigingen van de WIBON te maken met de rechtstreekse toepasselijkheid van de verordening. Daarom wordt voorgesteld om alle bepalingen in de WIBON die dienen ter implementatie van de transparantieverplichtingen uit de richtlijn breedband te laten vervallen. In antwoord op de specifieke vragen omtrent de wijzigingen van de WIBON wordt opgemerkt dat in het voorstel enkel definities van bepalingen vervallen die door de voorgestelde wijziging niet meer voorkomen in de WIBON. De definitiebepalingen zijn daarmee overbodig en dienen dus te vervallen. Daarnaast blijven de transparantieverplichtingen gelden. Deze volgen nu echter rechtstreeks uit artikelen 4 en 6 van de verordening en dienen daarom in de WIBON te vervallen.

Een respondent stelt dat in de memorie van toelichting geen uitleg wordt gegeven welke samenhang er is met andere (planologische) beleidsopgaven die hun (ruimte)beslag hebben op de onder- en bovengrond en hoe er wordt gezorgd dat de verschillende (sectorale) regels op elkaar zijn afgestemd. Hierover wordt opgemerkt dat voor zover er ruimte is op grond van de verordening, ervoor gezorgd wordt dat de verschillende regels op elkaar worden afgestemd. Daarbij geldt voor vergunningsregels voor de aanleg van VHC-netwerken die vallen onder de Omgevingswet, dat er reeds een samenhangende benadering is van regelgeving over de fysieke leefomgeving. Waar het gaat om de samenhang tussen sectorale wet- en regelgeving voor specifiek werkzaamheden in de ondiepe (stedelijke) ondergrond – waartoe ook de aanleg van telecomkabels behoort – vindt er op interdepartementaal niveau afstemming plaats.19

Een respondent doet de suggestie om de uitrol van IPv6 te verplichten voor internetproviders. Deze suggestie is niet relevant voor de inhoud van het wetsvoorstel en daarom niet gevolgd.

Toegang tot fysieke infrastructuur

Een respondent adviseert om naar het besluit van de ACM van 31 juli 2024 (ACM/UIT/626726) te verwijzen voor redelijke en billijke voorwaarden in het kader van toegang tot fysieke infrastructuur. Dit is toegevoegd in een voetnoot in deze memorie van toelichting.

Een respondent verzoekt te onderzoeken of en hoe een uitzondering tot medegebruik van de fysieke infrastructuur die voorwaardelijk is voor het veilig uitvoeren van het treinverkeer in lagere regelgeving generiek kan worden opgenomen. Dit verzoek zal bij de uitwerking van lagere regelgeving in ogenschouw worden genomen.

Een respondent verzoekt om een uitbreiding van de gedoogplicht voor kabels voor het aansluiten van antenne-opstelpunten op en aan (daken van) gebouwen. Een andere respondent pleit voor een uitbreiding van de toegangsverplichting tot publieke gronden. Voor zover met publieke gronden de niet-openbare gronden van overheidsinstanties wordt bedoeld, wordt opgemerkt dat het inwilligen van deze verzoeken zou leiden tot een nationale kop op de verordening. Dat geldt ook voor de voorgestelde uitbreiding van de gedoogplicht. De verzoeken worden daarom niet ingewilligd.

Een respondent vraagt om in de memorie van toelichting expliciet te vermelden dat toegang tot een kabel (van een netwerk) niet onder de reikwijdte van de verordening valt omdat de verordening alleen ziet op toegang tot fysieke infrastructuur. Aan deze wens is tegemoet gekomen.

Een respondent merkt op dat in het voorstel de reactietermijn op een verzoek tot medegebruik wordt verkort naar een maand en geeft aan dat deze termijn krap is en een andere manier van organiseren binnen gemeenten vergt. Zoals aangegeven in paragraaf 2, onder toegang tot fysieke infrastructuur, van deze memorie van toelichting is nieuw ten opzichte van de richtlijn breedband dat overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur onder de toegangsverplichting vallen. Nu het om een nieuwe verplichting gaat voor gemeenten, is dus geen sprake van een verkorting van de reactietermijn ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast is de reactietermijn op grond van artikel 3, zevende lid, van de verordening rechtstreeks toepasselijk, en kan deze niet aangepast worden in nationale regelgeving.

Een respondent stelt dat bij de implementatie van de transparantie van fysieke infrastructuur uit moet worden gegaan van wat al wordt geregistreerd en aangeleverd. Dat kan volgens de respondent betekenen dat niet alle gemeenten dezelfde data leveren. Hier kan een link worden gemaakt met artikel 4, zevende lid, van de verordening, waarin bepaald kan worden welke fysieke infrastructuur niet is onderworpen aan verplichtingen met betrekking tot minimuminformatie. In het wetsvoorstel is daarom voorzien in de mogelijkheid om de uitsluiting bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uit te werken. Met uitwerking van de kosten-batenanalyse zal rekening gehouden worden met wat al wordt geregistreerd en aangeleverd. De uitzonderingsgrond wordt nationaal ingevuld, wat betekent dat alle gemeenten dezelfde data aan dienen te leveren.

Een respondent geeft aan dat er helderheid nodig is bij de toegang tot fysieke infrastructuur over de wijze waarop transparantie geborgd wordt zonder bedrijfsgevoelige gegevens te delen, hoe billijkheid wordt ingevuld en hoe capaciteit eerlijk verdeeld wordt. Om toegang te kunnen vragen tot fysieke infrastructuur is het voor een exploitant die een VHC-netwerk uitrolt nodig dat hij weet welke fysieke infrastructuur er beschikbaar is. Vandaar dat artikel 4 van de verordening voorschrijft dat een exploitant via een centraal informatiepunt toegang moet kunnen krijgen tot bepaalde minimuminformatie. Deze informatie kan in sommige gevallen bedrijfsgevoelig zijn. Desalniettemin verplicht de verordening tot het ter beschikking stellen van deze informatie. Wel bepaalt het achtste lid van artikel 4 van de verordening dat een exploitant die toegang krijgt tot informatie passende maatregelen moet treffen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid van de informatie gewaarborgd wordt. Dit betekent onder meer dat de exploitant de informatie vertrouwelijk moet houden en uitsluitend mag gebruiken voor de uitrol van zijn netwerk. Voor wat betreft de invulling van begrippen als redelijk en billijk geldt dat indien daar tussen partijen geen consensus over bestaat hierover een (bindend) oordeel kan worden gevraagd van ACM. Ook is het de verwachting dat de Berec richtsnoeren, bedoeld in artikel 3, dertiende lid, van de verordening, hier meer uitwerking aan geven. Tot slot is het ook mogelijk dat ACM hierover beleidsregels vaststelt zodat partijen eenvoudiger een inschatting kunnen maken wat er van hen wordt verwacht. Ten aanzien van de eerlijke verdeling van capaciteit geldt dat de toegang tot fysieke infrastructuur in beginsel voor iedere partij die een VHC-netwerk uitrolt openstaat. Dit neemt niet weg dat het voor kan komen dat toegang tot bepaalde fysieke infrastructuur niet langer mogelijk is omdat een of meer andere partijen die een VHC-netwerk uitrollen de beschikbare fysieke infrastructuur reeds gebruiken. In die zin geldt bij de toegang tot de fysieke infrastructuur het uitgangspunt wie het eerst komt die het eerst maalt.

Coördinatie van civiele werken

Een respondent beveelt aan dat in de toelichting wordt verhelderd dat de vrijstellingsmogelijkheden van artikel 5, vijfde lid, van de verordening uitsluitend gelden voor overheidsinstanties of netwerkexploitanten die direct of indirect civiele werken uitvoeren of voornemens zijn direct of indirect civiele werken uit te voeren die geheel of gedeeltelijk met overheidsmiddelen zijn gefinancierd. Dit is in de toelichting verwerkt.

Een respondent geeft aan dat in artikel 5a.4 (nieuw) van de Telecommunicatiewet een grondslag voor de mogelijkheid van beperking van toegang tot minimuminformatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, derde alinea, van de verordening lijkt te ontbreken. Deze bepaling uit de verordening is echter rechtstreeks toepasselijk en behoeft daarom geen uitvoering in nationale wetgeving.

Een respondent merkt op dat het onduidelijk is waarom het wetsvoorstel bepaalt dat exploitanten ook met betrekking tot civiele werken passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid en handels- en bedrijfsgeheimen worden gewaarborgd. Deze verplichting geldt op grond van de verordening enkel met betrekking tot fysieke infrastructuur. Zoals is aangegeven in de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel F, artikel 5a.8 (nieuw), blijkt uit overweging 30 bij de verordening dat vertrouwelijkheid van informatie omtrent civiele werken ook van belang is. Daarnaast geldt de vertrouwelijkheid op grond van het huidige artikel 5a.12 Telecommunicatiewet ook voor civiele werken terwijl de richtlijn breedband dit alleen expliciet bepaalde voor fysieke infrastructuur (artikel 4, achtste lid, van de richtlijn breedband). Door de voorgestelde bepaling wordt aldus aangesloten bij het huidige regelgevend kader en de overwegingen bij de verordening.

Een respondent geeft ten aanzien van de transparantie van civiele werken aan dat er een vrijstelling van de transparantieverplichting van artikel 6, eerste lid, van de verordening, zou moeten zijn voor het bouwen van antenne-opstelpunten omdat coördinatie van dergelijke civiele werken niet is voorgeschreven op grond van artikel 5 van de verordening. Artikel 5, eerste lid, van de verordening geeft overheidsinstanties en netwerkexploitanten het recht om te onderhandelen met exploitanten over overeenkomsten betreffende de coördinatie van civiele werken. Met het oog op dit onderhandelingsrecht voorziet artikel 6, eerste lid, van de verordening in een transparantieverplichting. Het onderhandelingsrecht ziet in beginsel ook op civiele werken met betrekking tot het realiseren van antennes. Daarom vallen ook die werken onder de transparantieverplichting. Hier doet niets aan af dat commerciële, niet met overheidsmiddelen gesubsidieerde, partijen die antennes aanleggen niet gehouden zijn redelijke verzoeken tot coördinatie te honoreren. Wel kunnen wellicht (bepaalde) werkzaamheden in het kader van de aanleg van antennes beschouwd worden als werken van beperkte omvang. Artikel 5, vijfde lid, van de verordening biedt de mogelijkheid om werken van beperkte omvang uit te sluiten. Of en zo ja op welke wijze van deze uitzonderingsmogelijkheid gebruik wordt gemaakt zal worden uitgewerkt in de lagere regelgeving op basis van deze wet. Mocht er daarbij voor gekozen worden werkzaamheden voor het realiseren van (een bepaalde categorie) antenne-opstelpunten uit te zonderen vanwege hun beperkte omvang, dan ligt het voor de hand om voor deze werken ook ten aanzien van de transparantieverplichtingen een uitzondering te maken. Artikel 6, tweede lid, eerst alinea, van de verordening biedt hiervoor een grondslag.

Vergunningen

Een respondent merkt op dat op grond van artikel 7, negende lid, van de verordening de Handreiking Legesheffing telecomkabels aangepast dient te worden en omgezet dient worden in een ministeriële regeling zodat de regeling bindend is voor overheden. Het toezicht op deze bepaling dient volgens de respondent bij de RDI te worden belegd. Een andere respondent adviseert om uitvoering te geven aan artikel 7, negende lid, van de verordening door middel van het opnemen van een wettelijke grondslag voor het stellen van nadere regels. Artikel 7, negende lid, van de verordening is rechtstreeks toepasselijk en nationale regelgeving is op dit punt niet toegestaan. Wel zal de Handreiking Legesheffing telecomkabels aangepast dienen te worden op dit punt. Daarin wordt namelijk beschreven dat, in lijn met een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie20, legesheffingen voor instemmingsbesluiten getoetst moeten worden aan artikel 42 van de Telecomcode (voorheen artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn). Op grond van de verordening gaat voor legesheffingen voor instemmingsbesluiten gelden dat getoetst moet worden aan artikel 16 van de Telecomcode (voorheen artikel 12 van de Machtigingsrichtlijn), wat inhoudt dat geen vergoedingen of heffingen in rekening worden gebracht die hoger zijn dan de administratieve kosten. Voor wat betreft het toezicht op dit lid, dient opgemerkt te worden dat ook voor decentrale overheden het beginsel van Unietrouw krachtens artikel 4, derde lid, van het Verdrag inzake de Europese Unie geldt en zij dus de plicht hebben om de naleving van Europese verplichtingen te waarborgen. Daarom is het aanwijzen van een toezichthouder voor het toezicht op de naleving van dit lid niet noodzakelijk.

Een respondent stelt dat in de uitvoeringswet een artikel ontbreekt dat betrekking heeft op dat de status van de vergunning via het Omgevingsloket inzichtelijk dient te zijn. Op grond van artikel 7, derde lid, van de verordening heeft elke exploitant het recht om via een centraal informatiepunt informatie over de status van zijn aanvraag op te vragen. Deze bepaling behoeft geen uitvoering in nationale wetgeving aangezien de inrichting van het centrale informatiepunt een feitelijke handeling is. Overigens voorziet het Omgevingsloket reeds in de mogelijkheid om contact op te nemen met de overheid bij wie de vergunning is aangevraagd, waarmee de status kan worden opgevraagd.

Een respondent beveelt aan dat de procedurele en juridische aspecten van de ontmoeting met het oog op de vaststelling van een besluit over de vergunningsaanvraag na het verstrijken van de beslistermijn bedoeld in artikel 8, derde lid, van de verordening ten opzichte van de schadevergoedingsmogelijkheid in artikel 8:88, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht in de uitvoeringswet dan wel de lagere regelgeving nader worden uitgewerkt. Uit artikel 8, derde lid, van de verordening blijkt expliciet dat de mogelijkheid van een ontmoeting na het verstrijken van de beslistermijn niets afdoet aan het recht van de exploitant om onmiddellijk verhaal te halen. Daarom is nadere uitwerking niet nodig.

Een respondent vraagt te onderzoeken of een spoedwet kan voorkomen dat de lex silencio positivo zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de verordening de norm wordt. Op grond van artikel 8, tweede lid, van de verordening kan van de lex silencio positivo afgeweken worden indien een van de in dat lid genoemde rechtsmiddelen beschikbaar is en de betrokken lidstaat ervoor zorgt dat de bevoegde autoriteit na het verstrijken van de beslistermijn de aanvrager uitnodigt voor een ontmoeting. Zoals aangegeven in de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel F, artikel 5a.5 (nieuw), staat vast dat het Nederlandse recht over een dergelijk rechtsmiddel beschikt, namelijk het recht om schadevergoeding te vorderen krachtens artikel 8:88, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht. Naar het oordeel van de regering kunnen gemeenten, als onderdeel van de lidstaat, ook voordat deze uitvoeringswet in werking zou treden, op basis van een redelijke uitleg van de verordening afwijken van de lex silencio positivo, mits zij uiteraard zorgen dat voldaan wordt aan de vereisten met betrekking tot het uitnodigen voor een ontmoeting genoemd in het derde lid. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de zorg van de respondent.

Een respondent merkt op dat een grondslag nodig is voor de uitvoering van artikel 9, derde lid, van de verordening. Dit lid is rechtstreeks toepasselijk. Zoals opgemerkt in paragraaf 2, onder vergunningen, ligt de bevoegdheid bij de bevoegde autoriteiten om een vergunning te eisen in de gevallen die worden genoemd in het derde lid. Dit dient de bevoegde autoriteit zelf te toetsen en behoeft dus geen nadere nationale regels.

Een respondent merkt op dat in de verordening het maatschappelijk draagvlak niet is meegenomen doordat – in afwijking van de huidige situatie – geen vergunningen meer behoeven te worden afgegeven voor het aanleggen van glasvezelkabels en het plaatsen van antenne-installaties. Deze conclusie is echter onjuist. De verordening heeft niet ten gevolge dat het huidige vergunningenstelsel op basis van de Telecommunicatiewet, respectievelijk de Omgevingswet verdwijnt. Ook bij het inwerkingtreden van de verordening blijft voor het aanleggen van een elektronisch communicatienetwerk een instemmingsbesluit als bedoeld in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet van de gemeente in de regel een vereiste.21 Ook blijft het vergunningenregime van de Omgevingswet voor de plaatsing van een antenne-installatie gelden met inbegrip van de reeds bestaande vergunningsvrijstelling voor (dak)antennes onder de vijf meter. Aan de positie van lagere overheden als vergunningverlenende instantie wordt dus in beginsel geen afbreuk gedaan door de verordening.

Dezelfde respondent merkt verder op dat er mogelijk maatschappelijke schade ontstaat door het wegvallen van de regie door de gemeente bij de aanleg van glasvezelkabels. Zoals gezegd blijft voor de aanleg van een elektronisch communicatienetwerk een instemmingsbesluit van de gemeente een vereiste. De gemeente blijft hierdoor de regie houden op het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Hierdoor kan de gemeente er voor zorgen dat de werkzaamheden van diverse partijen die actief zijn in de (onder)grond op elkaar worden afgestemd. Wat de gemeente echter niet kan -en dat was al zo voordat de verordening er was- is de exploitanten verplichten gezamenlijk aan te leggen.

Dezelfde respondent en enkele andere respondenten merken op dat in de uitvoeringswet of in de verordening zou zijn voorgeschreven dat vergunningen binnen 4 weken – in plaats van de huidige 8 weken met verlengingsmogelijkheid – moeten worden afgegeven. Dit berust echter op een misverstand. De termijnen voor het afgeven van vergunningen, zoals het instemmingsbesluit, blijven onveranderd (mits die termijn minder dan vier maanden is, zoals volgt uit artikel 7, vijfde lid, van de verordening). Wel is het zo, en dat is wellicht de oorzaak van de verwarring, dat een exploitant of een overheid die een verzoek krijgt van een exploitant tot toegang tot fysieke infrastructuur op basis van de verordening binnen vier weken moet reageren op dat verzoek. Dit laat echter onverlet dat voor de aanlegwerkzaamheden een instemmingsbesluit nodig is en dat de werkzaamheden pas mogen beginnen op het tijdstip dat is opgenomen in het instemmingbesluit.

Meerdere respondenten pleiten verder voor verkorting van de doorlooptijden voor vergunningen en instemmingsbesluiten van acht naar vier weken zonder – uitzonderlijke gevallen daargelaten – verlengingsmogelijkheid. Een andere respondent pleit ook voor verkorting van de doorlooptijden tot vier weken maar dan met een verlengingsmogelijkheid van twee weken. Weer andere respondenten menen dat de huidige vergunningstermijnen met de verordening worden ingekort. De verordening bevat regels voor de verlening van vergunningen die nodig zijn voor de uitrol van VHC-netwerken. Belangrijkste daarbij is dat de vergunningverlening niet meer tijd in beslag mag nemen dan vier maanden. De in Nederland geldende termijn van acht weken voor instemmingsbesluiten voldoet hier ruimschoots aan. Nog afgezien van de verordening lijkt de in Nederland geldende termijn van acht weken gezien de complexiteit van -een deel van- de instemmingsbesluiten alleszins redelijk en ziet de regering geen gronden om de termijn in te korten.

Een andere respondent pleit voor de beperking of harmonisatie van de participatiegraad bij de plaatsing van vergunningsplichtige antennes voor mobiele communicatie. Participatie van omwonenden bij antenneplaatsing valt niet binnen de reikwijdte van de verordening. Een dergelijke verplichting zou een nationale kop vormen op de verordening.

Centrale informatiepunten

Meerdere respondenten pleiten voor het inrichten van één centraal informatiepunt voor het aanvragen van instemmingsbesluiten op basis van informatiesystemen met uniforme regels, voorwaarden en procedures. Dit conform het in de verordening vastgelegde vereiste dat de regels nationaal consistent moeten zijn. Een andere respondent merkt juist op dat landelijke harmonisatie strijdig is met de verdeling van bevoegdheden tussen het rijk en gemeenten. Het in de verordening opgenomen vereiste van nationale consistentie van regels betekent evenwel niet dat de regels en de toepassing daarvan landelijk uniform moeten zijn. Instemmingbesluiten worden op basis van de Telecommunicatiewet afgegeven door de gemeente. Hiervoor is gekozen omdat de inpassing van werkzaamheden -zowel ruimtelijk als voor wat betreft tijd- voor de aanleg van telecommunicatie-infrastructuur sterk afhankelijk is van de lokale omstandigheden. De gemeente is bij uitstek de instantie die geschikt is om op lokaal niveau een verantwoorde afweging van belangen te maken. De verordening geeft, zoals ook in het algemeen deel van deze toelichting uiteen is gezet, de mogelijkheid dat er meerdere centrale informatiepunten zijn. Er moet echter ook één centraal nationaal digitaal toegangspunt zijn dat toegang geeft tot alle op basis van de verordening voorgeschreven centrale informatiepunten. Wel laat de verordening daarbij om praktische redenen toe dat op de website van het nationale toegangspunt wordt doorgelinkt naar andere websites zoals die van de gemeente. Dit neemt niet weg dat er vanuit het perspectief van de gebruiker van het nationale toegangspunt sprake is van één punt vanuit waar doorgelinkt wordt naar de websites van gemeenten waar instemmingsbesluiten kunnen worden aangevraagd. In die zin wordt dus voldaan aan de wens van de respondenten.

Een respondent merkt op dat doordat instemmingsbesluiten op basis van de verordening digitaal moeten kunnen worden aangevraagd via een centraal informatiepunt en de daarmee samenhangende collectivisering van gemeentelijke systemen de kosten voor gemeenten lager worden. Al geruime tijd kunnen instemmingsbesluiten in Nederland digitaal worden aangevraagd. De centrale informatiepunten, met inbegrip van het ene nationale toegangspunt, zullen zo worden opgezet dat vanuit de website van het nationale toegangspunt wordt doorgelinkt naar de voor de instemmingsaanvraag relevante pagina van de website van de gemeente. Het is niet de verwachting dat hierdoor de kosten voor gemeenten lager worden; de gemeenten zullen immers nog steeds hun website moeten verzorgen en voldoende menskracht moeten hebben om de vergunningsaanvragen te behandelen. Er is wel een voordeel voor de exploitanten die de vergunning aanvragen. Zij hoeven niet meer naar de website van een bepaalde gemeente te gaan en daar te zoeken naar de juiste pagina voor de aanvraag van een instemmingsbesluit. In plaats daarvan kan een exploitant naar het nationale toegangspunt gaan en via daar worden doorgelinkt naar het instemmingensysteem van de gemeente.

Een respondent merkt op dat de reikwijdte van de WIBON wordt versmald tot graafschadepreventie. Belangrijk is om hierbij op te merken dat dit er niet toe leidt dat de mogelijkheid om gebiedsinformatie te verkrijgen voor andere doeleinden komt te vervallen. Deze mogelijkheid bestaat voortaan rechtstreeks op grond van de verordening. Bij de aanwijzing van het Kadaster als bevoegde instantie wordt gekeken naar de mogelijkheden om zo veel als mogelijk aan te sluiten bij bestaande systemen en daarbij horende werkwijze om deze informatie op te vragen.

De respondent vervolgt zijn inbreng met de opmerking dat de keuze om in het wetsvoorstel geen gebruik te maken van de mogelijkheid om eigenaren van particuliere commerciële gebouwen te verplichten toegang te verlenen tot hun gebouw met inbegrip van het dak, beter zou kunnen worden onderbouwd. Hoewel de memorie van toelichting enigszins is aangescherpt blijft de onderbouwing in de kern hetzelfde. Nederland kent naar de opvatting van de regering geen afgelegen gebieden of plattelandsgebieden zoals die voorkomen in veel andere lidstaten. Daar komt nog bij dat een verplichting voor particuliere eigenaren van commerciële gebouwen een vergaande inbreuk is op het eigendomsrecht die in een dichtbevolkt land als Nederland niet te rechtvaardigen is.

Aanleg en toegang binnen gebouwen

Een respondent stelt dat het wenselijk is dat het Bbl de providerdemarcatie voorschrijft in een centrale technische ruimte met een toekomstbestendig aantal glasvezels naar alle meterkasten van een wooncomplex. In de memorie van toelichting wordt uitgelegd dat er voor meergezinswoningen (zoals appartementsgebouwen) een (centraal) toegangspunt (meestal een serviceruimte onder in het gebouw) moet zijn waar telecomkabels kunnen aanlanden en waar er gekoppeld kan worden aan de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelkabels. De specificaties van voorgenoemde onderdelen zijn uitgewerkt in de Omgevingsregeling, waar vanuit het Bbl naar verwezen wordt.

Een respondent merkt op dat het wenselijk is dat bij bouw of renovatie van laagbouw in aanvulling op de verordening ook in iedere leefruimte een buis/duct wordt aangelegd voor het aansluiten van randapparatuur door de eindgebruiker. Het invoeren van een dergelijke verplichting leidt tot extra kosten bij de bouw van (laagbouw) woningen. Dit is onwenselijk. Bovendien zou een dergelijke verplichting een nationale kop vormen op de verordening.

Dezelfde respondent beveelt aan te onderzoeken of er gebruik gemaakt kan worden van de uitzonderingsmogelijkheid in artikel 10, zevende lid, van de verordening om gebouwen niet uit te rusten met binnenhuisglasvezelbekabeling. De mogelijkheid tot het niet van toepassing laten zijn van het eerste tot en met derde lid van artikel 10 van de verordening ziet op bepaalde categorieën gebouwen als de naleving van de betreffende verplichtingen onevenredig is wat betreft de kosten voor individuele of gezamenlijke eigenaren. Het uitzonderen van alle gebouwen van de uitrustingsplicht voor binnenhuisglasvezelbekabeling is naar mening van de regering op basis van kostenonevenredigheid ongegrond, aangezien de kosten hiervan op de totale bouwkosten van een gebouw marginaal zijn. Wel worden in het Bbl voor bepaalde bouwwerken en specifieke gebruiksfuncties de verplichtingen uit artikel 10 van de verordening niet van toepassing verklaard, bijvoorbeeld in het geval van gebouwen zonder aansluiting op het elektriciteitsnet en overige gebruiksfuncties, zoals bergingen bij woningen en transformatorhuisjes.

Een respondent stelt dat er op grond van de verordening geen vergunning mag worden afgegeven indien nieuwbouw niet voldoet aan de verplichtingen in artikel 10 van de verordening. Strikt genomen is die bewering niet juist, aangezien de verordening die koppeling niet voorschrijft; alleen dat nieuwe gebouwen en gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd en waarvoor na 12 februari 2026 bouwvergunningen zijn aangevraagd, moeten zijn uitgerust met de voorgeschreven binnenhuisinfrastructuur uit artikel 10 van de verordening. Wel is het zo, en zo is de verwarring wellicht ontstaan, dat er voor de bouw van gebouwen een bouwmelding (in geval van eengezinswoningen) dan wel een (omgevings)vergunning (in geval van meergezinswoningen) voor de bouwactiviteit moet worden gedaan, respectievelijk aangevraagd bij de gemeente. Bij een bouwmelding toetst een kwaliteitsborger (onafhankelijk deskundige) of het bouwplan voldoet aan de relevante regels uit het Bbl (inclusief die voortvloeien uit artikel 10 van de verordening) en stelt dat vast in een borgingsplan, dat benodigd is voor het doen van de bouwmelding. In geval van een vergunningsaanvraag is het de gemeente die toetst of het bouwplan voldoet aan de regels uit het Bbl. De kwaliteitsborger ziet toe op de regels tijdens de bouw en verklaart na afloop het gerechtvaardigd vertrouwen te hebben dat het bouwwerk aan de regels voldoet, waarna de initiatiefnemer met die verklaring een gereedmelding kan doen aan de gemeente. De gemeente ziet toe op de naleving van de vergunning, waarbij de initiatiefnemer nadat deze klaar is met de bouw (formeel juridisch: als aan de vergunning is voldaan) de gemeente hierover informeert. In de praktijk zal het dus zo zijn dat er voorafgaand aan de bouw van een woning getoetst wordt of het bouwplan voldoet aan de regels uit het Bbl (inclusief die voortvloeien uit artikel 10 van de verordening) en er gedurende de bouw en net voor oplevering getoetst wordt of de regels daadwerkelijk zijn nageleefd.

Verder vraagt dezelfde respondent zich af hoe bouwbedrijven op tijd op de hoogte zullen zijn van de nieuwe verplichtingen uit artikel 10 van de verordening. De beoogde wijzigingen van het Bbl zijn op 13 maart 2025 besproken met de Juridisch Technische Commissie (JCT) en op 11 maart 2025 met het Interdepartementaal Overleg Bouwregelgeving (IOB). Alle bij de bouw betrokken partijen (bouw, installaties, bevoegd gezag en consumentenorganisaties) hebben zitting in deze gremia en zijn dus al vroegtijdig geïnformeerd over de nieuwe regels in het Bbl. De technische uitwerking van artikel 10, vierde lid is in oktober 2025 met de JTC besproken. Partijen hebben daarmee voldoende tijd om zich op de nieuwe regels voor te bereiden. Verder wordt via de reguliere communicatiekanalen aandacht besteed aan de nieuwe regels en wordt op de website van het Informatiepunt Leefomgeving (www.iplo.nl) uitleg hierover gegeven. De helpdesk bouwregelgeving van IPLO is ook beschikbaar voor vragen over de nieuwe verplichtingen.

Een respondent merkt op dat het voorschrijven van glasvezelklare binnenhuisinfrastructuur bij nieuwbouw of grootschalige renovaties verstandig beleid is maar dat wel van belang is dat de toegang na oplevering eerlijk geregeld wordt. Als, zo vervolgt de respondent, exploitant A het gebouw ontsluit, moet exploitant B toegang kunnen krijgen, tegen redelijke en transparante voorwaarden. Bovendien, zo geeft de respondent aan, moeten de vergoedingen voor medegebruik redelijk zijn en is een verduidelijking van de rol van VvE’s gewenst. Ongeacht wie feitelijk de glasvezelklare binnenhuisinfrastructuur aanlegt, of dat nu de bouwer is of, op zijn verzoek, een exploitant, de binnenhuisinfrastructuur zal, om recht te doen aan de doelstelling van de verordening, zodanig moeten worden aangelegd dat een andere exploitant op eenvoudige wijze gebruik kan maken van die voorzieningen. Aan dit aspect zal aandacht worden geschonken bij het uitwerken van de (technische) eisen op grond van artikel 10, vierde lid, van de verordening waaraan de voorzieningen moeten voldoen. Daarnaast bepaalt artikel 11, derde lid, van de verordening dat degene die gerechtigd is tot de voorzieningen (veelal de eigenaar van het gebouw) gehouden is te voldoen aan alle redelijke schriftelijke verzoeken om toegang tot de glasvezelklare binnenhuisinfrastructuur onder billijke, redelijke en niet-discriminatoire voorwaarden, ook voor wat betreft de prijs. Ten aanzien van wat dit in de praktijk betekent zullen door Berec richtsnoeren worden opgesteld (zie artikel 11, zesde lid, van de verordening). Naar verwachting zal in deze richtsnoeren ook aandacht worden geschonken aan de situatie bij meergezinswoningen. Van belang is verder dat een eventueel conflict over de voorwaarden van de toegang tot de glasvezelklare binnenhuisinfrastructuur het geschil, zoals ook door de respondent opgemerkt, aan de ACM kan worden voorgelegd.

Dezelfde respondent pleit voor toepassing van standaarden zoals meerbuisoplossingen of zogenoemde single fiber oplossingen. Deze zienswijze is slechts beperkt meegenomen bij aanpassing van het Bbl door toe te lichten dat er voldoende ruimte is voor meerdere kabels en dat er altijd nog een extra kabel gelegd kan worden buiten de verplichte voorziening om.

De respondent vraagt ook de regels met betrekking tot de toegang tot de glasvezelklare binnenhuisinfrastructuur van toepassing te verklaren op bedrijfsverzamelgebouwen met uitzondering van datacenters. Dat laatste gezien de complexiteit van hun netwerkinfrastructuur. De in de verordening opgenomen verplichting tot de aanleg van (glasvezelklare) binnenhuisinfrastructuur geldt bij de bouw of ingrijpende verbouwing van alle gebouwen, dus ook bedrijfsverzamelgebouwen en datacenters. Uitzonderingen hier op maken staat de verordening niet toe. Voor wat betreft datacenters wordt opgemerkt dat deze altijd op een VHC-netwerk zullen worden aangesloten. Er zal in een datacentrum dus altijd fysieke («binnenhuis») infrastructuur aanwezig zijn om de aansluiting op een elektronisch communicatienetwerk mogelijk te maken. In de praktijk zal moeten worden bekeken wat de verplichting van artikel 10, eerste lid, van de verordening, in een dergelijke omgeving precies betekent. Van belang lijkt, gezien de intentie van de verordening, vooral te zijn dat de infrastructuur van het datacenter zo is opgezet dat in beginsel iedere exploitant zijn netwerk kan koppelen aan het interne netwerk van het datacenter. Mogelijk kunnen ook hier de door de Berec op te stellen richtsnoeren meer duidelijkheid bieden.

De respondent merkt verder op dat hij een uitdaging ziet bij de eigenaren van private gebouwen, die de wet interpreteren alsof zij geen zeggenschap meer hebben over hun eigendom. Ondanks het gegeven dat, zo vervolgt de respondent, artikel 11 van de verordening duidelijke bepalingen bevat, zouden extra verduidelijkingen nog wenselijk zijn. Uit de verordening volgt dat eigenaren van nieuwe gebouwen en gebouwen die ingrijpend zijn verbouwd in hun gebouw moeten beschikken over glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en, bij meergezinswoningen, over binnenhuisglasvezelbekabeling. Voor de eigenaren/gebruikers van gebouwen is dit in beginsel positief. Immers in vrijwel alle gevallen zal de eigenaar/gebruiker van het gebouw elektronische communicatiediensten willen afnemen. De aanwezigheid van de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en, in het voorkomend geval, van binnenhuisglasvezelbekabeling leiden er toe dat hun gebouw eenvoudig en tegen lage kosten kan worden aangesloten. Het kan echter voorkomen dat een partij die een VHC-netwerk wil uitrollen toegang vraagt tot de glasvezelklare fysiek binnenhuisinfrastructuur ook al is de eigenaar/gebruiker niet voornemens om van die partij elektronische communicatiediensten af te nemen. De eigenaar zal op grond van artikel 11, derde lid, van de verordening, deze toegang in principe moeten verlenen. Daarbij geldt echter wel dat de eigenaar/gebruiker die toegang alleen maar hoeft te verlenen onder redelijke en billijke voorwaarden en tegen een passende vergoeding. Bovendien heeft ook deze toegang als voordeel dat in het geval in de toekomst de wens ontstaat alsnog elektronische communicatiediensten bij de hiervoor genoemde partij af te nemen, dit op eenvoudige wijze en tegen geringe kosten kan worden gerealiseerd.

Een respondent suggereert dat artikel 5.2 van de Telecommunicatiewet aangepast dient te worden aangezien artikel 11, eerste tot en met derde lid, van de verordening niet vereist dat de toegang nodig is voor het aansluiten van gebruikers. Naar aanleiding hiervan is artikel I, onderdeel B, van het voorstel aangepast. Deze respondent adviseert ook om aan artikel 5.2, vierde lid, van de Telecommunicatiewet toe te voegen dat de gedoogplicht uit dit lid geldt «met gebruikmaking van beschikbare fysieke binnenhuisinfrastructuur» zodat conform artikel 11, tweede lid, van de verordening voorbereide aanleg van telecomkabels dor de telecomaanbieder mogelijk wordt gemaakt. Opgemerkt dient te worden dat artikel 5.2, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet al voorziet in een gedoogplicht voor een rechthebbende op fysieke binnenhuisinfrastructuur en de voorgestelde wijziging van de respondent daarom niet nodig is om uitvoering te geven aan de verordening.

B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

Onderdeel A

In het voorgestelde artikel worden enkele begrippen die in het wetsvoorstel worden gebruikt van een definitie voorzien. Tevens worden de verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn breedband in de definities vervangen door verwijzingen naar de verordening. Daarnaast vervallen de definities van «elektronisch communicatienetwerk met hoge snelheid», «richtlijn nr. 2014/61/EU» en «voor hoge snelheid bestemde fysieke binnenhuisinfrastructuur» omdat deze definities door het wetsvoorstel niet meer in de Telecommunicatiewet voorkomen.

Onderdeel B

Artikel 11, eerste tot en met vierde lid, van de verordening concorderen met artikel 9, eerste tot en met vijfde lid van de richtlijn breedband. Deze leden uit de richtlijn breedband zijn destijds geïmplementeerd door aan te sluiten bij de al bestaande gedoogplicht van artikel 5.2 van de Telecommunicatiewet. Om de huidige situatie voort te zetten, wordt er daarom voor gekozen om in afwijking van artikel 11, eerste tot en met vierde lid, van de verordening, hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet van toepassing te verklaren op die gevallen. De gedoogplicht uit hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet is strikter dan de verplichtingen uit hoofde van artikel 11 van de verordening omdat geen instemming van de rechthebbende of beheerder vereist is voor de toegang tot het toegangspunt en de fysieke binnenhuisinfrastructuur en het aansluiten van netwerken. Op grond van artikel 1, derde lid, van de verordening is het toegestaan om striktere regels te stellen indien de maatregelen dienen om een efficiëntere uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur mogelijk te maken.

De gedoogplicht uit artikel 5.2, derde tot en met vijfde lid, van de Telecommunicatiewet wordt echter beperkt doordat deze enkel geldt voor zover het voor het aansluiten van gebruikers op een openbaar elektronisch communicatienetwerk nodig is. Een dergelijke beperking kent de verordening niet. De aanbieder heeft op grond van de verordening het recht om toegang te krijgen tot het toegangspunt en de fysieke binnenhuisinfrastructuur met het oog op de uitrol van elementen van VHC-netwerken, ongeacht of op dat moment gebruikers worden aangesloten. Daarom wordt in het wetsvoorstel geregeld dat de gedoogplicht, bedoeld in artikel 5.2, derde tot en met vijfde lid, van de Telecommunicatiewet in afwijking van artikel 11, eerste tot en met vierde lid, van de verordening enkel geldt voor zover het de aansluiting van gebruikers op een openbaar elektronisch communicatienetwerk betreft. Indien geen sprake is van aansluiting van gebruikers, is artikel 11, eerste tot en met derde lid, van de verordening van toepassing. Dit houdt in dat er een verplichting is om te voldoen aan alle redelijke schriftelijke verzoeken van aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken om toegang te krijgen tot het toegangspunt en de binnenhuisinfrastructuur.

Onderdeel C

Door het intrekken van de richtlijn breedband vervalt de definitie van «elektronische communicatienetwerk met hoge snelheid». Omdat met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet te wijzigen, dient deze verwijzing ook aangepast te worden. Aangezien artikel 5.2, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet door het wetsvoorstel uitvoering geeft aan artikel 11, eerste tot en met vierde lid, van de verordening, dient aangesloten te worden bij «netwerk met zeer hoge capaciteit». Tevens wordt de verwijzing naar medegebruik als bedoeld in artikel 5a.3 (oud) van de Telecommunicatiewet vervangen door een verwijzing naar toegang als bedoeld in artikel 3 van de verordening.

Onderdeel D

Artikel 13, eerste lid, onderdeel d, van de verordening geeft iedere partij het recht om een geschil voor te leggen aan een nationale instantie voor geschillenbeslechting indien geen akkoord is bereikt over toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur. Deze verplichting concordeert met artikel 9, derde lid, van de richtlijn breedband. Dit lid is destijds geïmplementeerd in artikel 5.3 van de Telecommunicatiewet. In het huidige artikel 5.3, tweede lid, van de Telecommunicatiewet is de termijn tussen het moment dat het verzoek is ontvangen en het moment dat het geschil voorgelegd kan worden twee maanden. Op grond van de verordening dient deze termijn één maand te zijn. Daarnaast is de termijn voor het geven van de beschikking door de Autoriteit Consument en Markt op grond van het huidige artikel 5.3 van de Telecommunicatiewet twee maanden na ontvangst van het verzoek om geschillenbeslechting. De verordening schrijft voor dat dit binnen één maand na ontvangst geschiedt. Daarom wordt voorgesteld om in afwijking van het huidige artikel 5.3 van de Telecommunicatiewet het bepaalde in artikel 13 van de verordening van toepassing te verklaren.

Onderdeel E

Artikel 7, vierde lid, van de verordening stelt dat vergunningen afgewezen kunnen worden indien de minimuminformatie met betrekking tot de coördinatie van civiele werken niet beschikbaar is gesteld. Deze mogelijkheid om de vergunning af te wijzen wordt in het eerste lid uitgesloten voor instemmingsbesluiten aangezien de voorschriften die gesteld kunnen worden aan de instemming limitatief zijn opgesomd in artikel 5.4, derde lid, van de Telecommunicatiewet. Het beschikbaar stellen van informatie valt niet onder die voorschriften. Het is op grond van artikel 1, derde lid, tweede volzin, van de verordening toegestaan om af te wijken van het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de verordening omdat dit een striktere maatregel is die een efficiëntere uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur mogelijk maakt.

Het instemmingsbesluit is een vergunning in de zin van de verordening. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de verordening dienen bepaalde kleinschalige civiele werken van beperkte omvang vrijgesteld te worden van de vergunningsprocedure. Zie hierover ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5a.7 (nieuw). Indien de werkzaamheden waarvoor op grond van artikel 5.4 (in eerste instantie) een instemmingsbesluit vereist is zijn vrijgesteld van een vergunningsprocedure op grond van het bepaalde krachtens artikel 5a.4, eerste lid, onderdeel c (nieuw), is voor die werkzaamheden geen instemmingsbesluit vereist. Wel kan in dat geval op grond van artikel 9, vierde lid, van de verordening een kennisgeving geëist worden. Van die mogelijkheid wordt gebruik gemaakt door het voorgestelde negende lid. Indien er sprake is van een dergelijke vrijstelling, dient de aanbieder enkel het voornemen schriftelijk te melden bij burgemeester en wethouders van de gemeente binnen wier grondgebied de uit te voeren werkzaamheden zullen plaatsvinden.

Overigens bepaalt artikel 5.4, vijfde lid, dat in de (gemeentelijke) verordening onderscheid gemaakt wordt tussen werkzaamheden van al dan niet ingrijpende aard. In de praktijk bepalen gemeenten vaak dat voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard enkel een kennisgevingsplicht geldt en geen instemmingsbesluit vereist is. Voor het bepalen van de vergunningsvrije civiele werken van beperkte omvang zal worden aangesloten bij wat doorgaans in de huidige gemeentelijke verordeningen wordt aangeduid als werkzaamheden van niet ingrijpende aard. Daarmee wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de huidige praktijk. Het staat de gemeenten overigens vrij om, naast de vergunningsvrije civiele werken van beperkte omvang op grond van de verordening, aanvullende werkzaamheden van niet ingrijpende aard aan te wijzen waarvoor geen instemmingsbesluit vereist is. Dit kan namelijk de uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur bevorderen.22

Onderdeel F

Artikel 5a.1 (nieuw)

In het voorgestelde artikel worden enkele begrippen die in het voorgestelde hoofdstuk 5a (nieuw) worden gebruikt van een definitie voorzien.

Artikel 5a.2 (nieuw)

In artikel 3, negende lid, van de verordening is bepaald dat fysieke infrastructuur waarvoor reeds toegangsverplichtingen gelden op grond van de Telecomcode, niet onderworpen zijn aan de verplichtingen van het eerste, vierde en vijfde lid van artikel 3 van de verordening. De toegangsverplichtingen uit hoofdstuk 5c van de Telecommunicatiewet zijn dergelijke toegangsverplichtingen op grond van voorgenoemde richtlijn. Daarom is bepaald dat hoofdstuk 5a (nieuw) van de Telecommunicatiewet niet van toepassing is op dergelijke gevallen.

Artikel 5a.3 (nieuw)

In het voorgestelde artikel wordt bepaald dat handelen in strijd met bepaalde artikelen uit de verordening verboden is. Met dit artikel wordt het toezicht op en de handhaving van deze artikelen belegd bij de Autoriteit Consument en Markt ingevolge artikel 15.1, derde lid, van de Telecommunicatiewet.

Artikel 5a.4 (nieuw)

De verordening biedt verschillende mogelijkheden om bepaalde categorieën fysieke infrastructuur en soorten civiele werken vrij te stellen van de verplichtingen uit artikelen 3 tot en met 6 van de verordening betreffende toegang dan wel coördinatie en transparantie. Voorgesteld wordt om een grondslag op te nemen om deze vrijstellingen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te regelen.

Artikel 7, vijfde lid, vierde alinea, van de verordening schrijft voor dat de lidstaten de redenen bepalen waarom de bevoegde autoriteiten de beslistermijn in uitzonderlijke gevallen kunnen verlengen. Voorgesteld wordt om een grondslag op te nemen om dit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te regelen.

Op grond van de verordening kunnen met betrekking tot administratieve aspecten van bepaalde verzoeken gedetailleerde voorschriften worden vastgesteld. Dit betreft verzoeken om toegang tot fysieke infrastructuur, om specifieke elementen van fysieke infrastructuur ter plaatste te inspecteren en om civiele werken te coördineren. In het huidig regelgevend kader zijn deze voorschriften voor verzoeken tot medegebruik van fysieke infrastructuur uitgewerkt in het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke en publieke infrastructuur en de Regeling gegevensverstrekking medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke en publieke infrastructuur. Voorgesteld wordt om te regelen dat de gedetailleerde voorschriften bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden gesteld. Dit biedt de mogelijkheid om aan te sluiten bij het huidig regelgevend kader.

Ter implementatie van de richtlijn breedband zijn ook in het Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netwerken en de Regeling informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken regels gesteld omtrent het beschikbaar stellen van informatie. Om aan te kunnen sluiten bij het huidige kader, wordt voorgesteld om een grondslag op te nemen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te kunnen stellen omtrent de informatie die op grond van de artikelen 4, derde lid, en 6, eerste lid, van de verordening beschikbaar moet worden gesteld.

Artikel 9, tweede lid, van de verordening verplicht lidstaten om de soorten civiele werken aan te wijzen die niet zijn onderworpen aan een vergunningsprocedure gelet op de omstandigheden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de verordening. Voorgesteld wordt om een grondslag op te nemen om dit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te regelen.

Artikel 14, vijfde lid, van de verordening bepaalt dat de functies van een centraal informatiepunt worden uitgeoefend door een of meer bevoegde instanties die door de lidstaat worden aangewezen. Voorgesteld wordt om een delegatiegrondslag op te nemen om bevoegde instanties in lagere regelgeving aan te wijzen.

Op grond van de verordening kunnen met betrekking tot bepaalde onderwerpen richtsnoeren of gedetailleerde procedures worden vastgesteld. Voorgesteld wordt om een grondslag op te nemen om dit bij ministeriële regeling te regelen.

Artikel 5a.5 (nieuw)

In artikel 8, eerste lid, van de verordening wordt bepaald dat in beginsel vergunningaanvragen stilzwijgend worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten na het verstrijken van een bepaalde termijn. Lidstaten kunnen van deze bepaling afwijken indien wordt voldaan aan één van de in artikel 8 genoemde voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat het nationaal recht een mechanisme omvat waarmee de exploitant compensatie kan eisen voor de schade als gevolg van de opgelopen vertraging in de procedure. Naar Nederlands recht is dat mogelijk op grond van artikel 8:88, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht. Nederland maakt gebruik van de mogelijkheid om van de stilzwijgende goedkeuring af te wijken. Daarom wordt in het voorgestelde eerste lid bepaald dat artikel 8, eerste lid, van de verordening niet van toepassing is. Op grond van artikel 8, derde lid, van de verordening is een dergelijke afwijking slechts mogelijk als de bevoegde autoriteit na het verstrijken van de termijn een exploitant uitnodigt voor een ontmoeting teneinde een besluit over de vergunning te vergemakkelijken. Met het voorgestelde tweede lid wordt deze verplichting aan de bevoegde autoriteit opgelegd.

Artikel 5a.6 (nieuw)

Artikel 7, vierde lid, van de verordening bepaalt dat bevoegde autoriteiten een aanvraag voor een vergunning mogen weigeren als de minimuminformatie over geplande civiele werken niet beschikbaar is gesteld door de exploitant die de vergunning aanvraagt. Om te kunnen beoordelen of de minimuminformatie beschikbaar is gesteld, wordt in het voorgestelde artikel bepaald dat de bevoegde instantie die de functie uitoefent van een centraal informatiepunt in die gevallen verplicht is om toegang te verlenen tot het centrale informatiepunt.

Artikel 5a.7 (nieuw)

Het voorgestelde eerste lid ziet op de vrijstelling van vergunningsprocedures. Bepaalde civiele werken dienen op grond van artikel 9 van de verordening te worden vrijgesteld van vergunningsprocedures. Bijvoorbeeld als het gaat om kleinschalige civiele werken van beperkte omvang. In het voorgestelde artikel 5a.4 (nieuw) wordt een grondslag opgenomen om die soorten civiele werken bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen. De vereiste vrijstelling van vergunningsprocedures geldt niet indien een vergunning vereist is overeenkomstig andere rechtshandelingen van de Unie of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de verordening. Een vergunning in de zin van de verordening is een expliciet of impliciet besluit dat of een reeks expliciete of impliciete besluiten die gelijktijdig of achtereenvolgens door een of meer bevoegde autoriteiten worden genomen en die een onderneming uit hoofde van het nationale recht nodig heeft om bouwkundige of civieltechnische werken uit te voeren die nodig zijn voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken (artikel 2, onderdeel 10, van de verordening). Het kan bijvoorbeeld gaan om vergunningen op grond van wetgeving van het Rijk zoals de Telecommunicatiewet (zoals het instemmingsbesluit) en de Omgevingswet (onder andere in het kader van een technische bouwactiviteit, rijksmonumentenactiviteit, natuurgebieden, archeologie en ongeroerde grond), en van decentrale overheden op grond van provinciale verordeningen, gemeentelijke verordeningen en keuren van waterschappen. Het is mogelijk dat voor een bepaald civiel werk op grond van centrale of decentrale wet- en regelgeving in beginsel een vergunning vereist is, maar datzelfde civiele werk op grond van artikel 5a.4 (nieuw) bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vrijgesteld is van vergunningsprocedures. Daarom wordt in het voorgestelde eerste lid bepaald dat in die gevallen in afwijking van centrale of decentrale wet- en regelgeving geen vergunning vereist is. Zoals hierboven besproken, bepaalt artikel 9 van de verordening echter dat in bepaalde gevallen de vereiste vrijstelling van vergunningsprocedures niet geldt. Deze gevallen zijn opgenomen in het voorgestelde eerste lid. Overigens is in artikel 5a.4 (nieuw) een grondslag opgenomen om regels te stellen over het in kennis stellen van bevoegde autoriteiten in het geval een exploitant voornemens is om vrijgestelde civiele werken uit te voeren. Dit maakt het mogelijk dat voor een civiel werk dat is vrijgesteld van de vergunningsprocedure, wel een inkennisstelling vereist is.

Het voorgestelde tweede lid ziet op beslistermijnen voor vergunningen. Artikel 7, vijfde lid, van de verordening schrijft voor dat vergunningen die vereist zijn voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken in beginsel binnen vier maanden verleend of geweigerd dienen te worden. De beslistermijn van vier maanden geldt niet indien er andere specifieke termijnen of verplichtingen zijn die zijn vastgesteld voor het goede verloop van de procedure en die overeenkomstig (het nationale recht dat in overeenstemming is met) het Unierecht van toepassing zijn op de vergunningsprocedure (artikel 7, vijfde lid, derde alinea, van de verordening). Voor de meeste vergunningen die nodig zijn voor de uitrol van VHC-netwerken geldt op dit moment al een beslistermijn korter dan vier maanden. Zo geldt voor instemmingsbesluiten op grond van artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet een termijn van acht weken met een mogelijkheid van verlening van ten hoogste acht weken. Daarnaast geldt voor de meeste vergunningen onder de Omgevingswet de reguliere beslistermijn van acht weken met een mogelijkheid van verlenging van zes weken op grond van artikel 16.64, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet. Het voorgestelde tweede lid bewerkstelligt dat alle vergunningen die vereist zijn voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken zowel op centraal als decentraal niveau binnen deze termijn worden verleend of geweigerd. In artikel 7, vijfde lid, van de verordening is bepaald dat de termijnen uit de verordening geen afbreuk doen aan regels die tot doel hebben de snelst mogelijke verlening van vergunningen te garanderen. Indien de beslistermijn van de relevante vergunningen op grond van nationale wet- en regelgeving korter is dan vier maanden, geldt die kortere termijn.

Deze bijzondere bepaling in de Telecommunicatiewet is bedoeld als lex specialis ten opzichte van, en heeft daarmee voorrang op, andere bepalingen in wetgeving in formele zin of daarop gebaseerde lagere regelgeving waarin vergunningen worden vereist of beslistermijnen zijn opgenomen. Eventuele bepalingen in algemeen verbindende voorschriften van decentrale overheden of van zelfstandige bestuursorganen die afwijken van deze bepaling zijn onverbindend wegens strijd met hoger recht.

Artikel 5a.8 (nieuw)

In artikel 4, achtste lid, van de verordening is bepaald dat exploitanten die toegang krijgen tot informatie over fysieke infrastructuur, passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid en handels- en bedrijfsgeheimen worden gewaarborgd. Hoewel de verordening geen vergelijkbare bepaling bevat met betrekking tot informatie over civiele werken, blijkt uit overweging 30 bij de verordening dat vertrouwelijkheid voor deze informatie ook van belang is. Daarom wordt voorgesteld om het vertrouwelijkheidsvereiste voor de informatie over de fysieke infrastructuur van overeenkomstige toepassing te verklaren op de informatie over de civiele werken. Dit is mogelijk omdat bij artikel 6, eerste lid, van de verordening sprake is van minimumharmonisatie en het op grond van artikel 1, derde lid, van de verordening mogelijk is om gedetailleerdere regels vast te stellen.

Onderdeel G

Omdat hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet door dit wetsvoorstel wordt gewijzigd, wordt deze verwijzing vervangen door een verwijzing naar de verordening.

Onderdeel H

In artikel 5c.4, eerste lid (oud), van de Telecommunicatiewet zijn verschillende artikelen uit hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet van overeenkomstige toepassing verklaard. Door dit wetsvoorstel vervallen die artikelen. Waar het lid verwees naar artikelen die dienden als implementatie van de richtlijn breedband die zijn overgenomen in de gigabitinfrastructuurverordening, worden deze artikelen vervangen door de relevante bepalingen uit de gigabitinfrastructuurverordening. Hierdoor blijft het huidige regelgevend kader voor hoofdstuk 5c van de Telecommunicatiewet in stand.

Onderdeel I

In artikel 5c.4 (oud) van de Telecommunicatiewet worden bovendien de artikelen 5a.2 (oud), 5a.6 (oud) en 5a.14 (oud), eerste, derde, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing verklaard. Door dit wetsvoorstel vervallen die artikelen. Door de voorgestelde artikelen worden die vervallen artikelen overgeheveld van hoofdstuk 5a (oud) van de Telecommunicatiewet naar hoofdstuk 5c van die wet. Hierdoor blijft het huidige regelgevend kader voor hoofdstuk 5c van de Telecommunicatiewet in stand.

Onderdeel J

In hoofdstuk 5a (oud) van de Telecommunicatiewet zijn regels gesteld omtrent medegebruik voor gebruikers van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen frequentieruimte en aanbieders van elektronische communicatienetwerken die bestaan uit radioapparaten die geschikt zijn voor het verspreiden van programma’s. Deze partijen zijn geen exploitanten in de zin van de gigabitinfrastructuurverordening. Daarom zijn de regels omtrent medegebruik uit de gigabitinfrastructuurverordening niet van toepassing op deze partijen. Door invoeging van hoofdstuk 5d blijft het huidige regelgevend kader voor deze partijen in stand. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het voorgestelde artikel 5d.2 te verduidelijken dat deze partijen over en weer dienen te voldoen aan verzoeken tot medegebruik. Zie hierover nader de paragraaf «omroepzendernetwerken» in hoofdstuk 3 van het algemene deel van deze memorie van toelichting.

Overigens gold de verplichting tot medegebruik uit artikel 5a.3 (oud) van de Telecommunicatiewet ook voor aanbieders van bijbehorende faciliteiten. Deze aanbieders vallen nu onder de verplichting uit artikel 3, eerste lid, van de verordening. Gelet op de rechtstreekse werking van de verordening, worden de aanbieders van bijbehorende faciliteiten niet meer opgenomen in hoofdstuk 5d.

Onderdeel K

Gelet op het vervallen van artikel 5a.3, derde lid (oud) van de Telecommunicatiewet, wordt de verwijzing vervangen.

Onderdeel L

Op grond van artikel 13 van de verordening dient elke partij het recht te hebben om een geschil met betrekking tot toegang tot fysieke (binnenhuis)infrastructuur, coördinatie van civiele werken of de transparantieverplichtingen voor te leggen aan een nationale instantie voor geschillenbeslechting. Een vergelijkbaar recht bestond al op grond van artikel 3, vierde en vijfde lid, artikel 4, zesde lid, artikel 5, derde en vierde lid, artikel 6, vierde lid en artikel 9, derde lid, van de richtlijn breedband. Voor geschillen betreffende de toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur voor zover het de aansluiting van gebruikers op een openbaar elektronisch communicatienetwerk betreft wordt verwezen naar artikel I, onderdeel D, van de artikelsgewijze toelichting. Geschillenbeslechting betreffende fysieke infrastructuur en coördinatie van civiele werken is destijds geïmplementeerd in paragraaf 12.2.1 van de Telecommunicatiewet en geschillenbeslechting betreffende de transparantieverplichtingen in hoofdstuk 5 van de WIBON. De Autoriteit Consument en Markt is daarbij de aangewezen nationale instantie voor geschillenbeslechting met betrekking tot geschillen inzake toegang tot fysieke infrastructuur en coördinatie van civiele werken en de Minister de nationale instantie voor geschillenbeslechting met betrekking tot geschillen inzake de transparantieverplichtingen. Voorgesteld wordt om de Autoriteit Consument en Markt aan te wijzen als nationale instantie voor geschillenbeslechting van alle geschillen op grond van de verordening.

Daarvoor is wijziging van artikel 12.2 van de Telecommunicatiewet noodzakelijk. Ten eerste dient het derde lid, onderdeel a (oud), van de Telecommunicatiewet te vervallen aangezien dat onderdeel naar hoofdstuk 5a (oud) van de Telecommunicatiewet verwijst. In de plaats daarvan wordt de geschilbeslechting betreffende de toegang tot fysieke infrastructuur, de coördinatie van civiele werken en de transparantieverplichtingen, bedoeld in artikel 13, onderdelen a tot en met c, van de verordening opgedragen aan de Autoriteit Consument en Markt. Tevens wordt de geschilbeslechting betreffende de toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur, voor zover het niet de aansluiting van gebruikers op een openbaar elektronisch communicatienetwerk betreft geregeld. Ook artikel 12.2, derde lid, onderdeel b (oud) van de Telecommunicatiewet dat ziet op geschillen omtrent medegebruik van omroepzendernetwerken, verwijst naar hoofdstuk 5a (oud). Aangezien de verplichtingen omtrent medegebruik van omroepzendernetwerken met dit wetsvoorstel worden overgeheveld van hoofdstuk 5a (oud) naar hoofdstuk 5d van de Telecommunicatiewet, wordt voorgesteld om onderdeel b (oud) te laten vervallen en een nieuw onderdeel toe te voegen dat verwijst naar hoofdstuk 5d. Daardoor wordt het huidig regelgevend kader voor geschillenbeslechting betreffende medegebruik van omroepzendernetwerken in stand gehouden. Ten tweede wordt in het vierde lid de verwijzing naar artikel 5a.5, tweede lid (oud), van de Telecommunicatiewet vervangen. Dat lid wordt door het wetsvoorstel namelijk overgeheveld naar het nieuwe artikel 5d.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet. Ten derde wordt voorgesteld om de verwijzing naar artikel 5a.6 (oud) in het vijfde lid te vervangen. Artikel 5a.6 (oud) van de Telecommunicatiewet bepaalt dat een netwerkexploitant die tevens het bestuursorgaan is dat beslist op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing of andere toestemming, het verzoek tot medegebruik met het besluit op een dergelijke aanvraag coördineert. Dit artikel vervalt. Deze bepaling is voor wat betreft medegebruik van voorzieningen ten behoeve van draadloze toegangspunten overgeheveld naar artikel 5.c7 van de Telecommunicatiewet. Dientengevolge wordt voorgesteld om de verwijzing aan te passen.

Onderdeel M

Artikel 12.4, eerste lid, (oud) van de Telecommunicatiewet regelt dat billijke en niet-discriminerende eisen en voorwaarden kunnen worden gesteld aan de bij een geschil betrokken partij, het medegebruik of de coördinatie. Deze eis ziet zowel op hoofdstuk 5a (oud) en 5c van de Telecommunicatiewet. Voor het medegebruik van fysieke infrastructuur en de coördinatie van civiele werken geldt deze eis op grond van artikel 13, derde lid, van de verordening. Gelet op de rechtstreekse werking van de verordening wordt voorgesteld om deze eis voor hoofdstuk 5a (oud) te laten vervallen. Het tweede lid (oud) bepaalt in lijn met artikel 3, vijfde lid, tweede alinea, van de richtlijn breedband dat bij de vaststelling van een vergoeding voor het medegebruik van fysieke infrastructuur ervoor gezorgd wordt dat de netwerkexploitant een eerlijke kans heeft om zijn kosten terug te verdienen. Aangezien een vergelijkbare bepaling niet is opgenomen in de verordening, wordt voorgesteld om dit lid te schrappen.

Onderdeel N

In artikel 12.5 van de Telecommunicatiewet wordt de termijn bepaald waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt beslist op een aanvraag tot geschillenbeslechting. De standaardtermijn is vier maanden op grond van het eerste lid. De verordening stelt ook beslistermijnen. Voor geschillen betreffende toegang tot fysieke infrastructuur geldt een termijn van vier maanden (artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de verordening). Dit komt overeen met de standaardtermijn in de Telecommunicatiewet. Voor geschillen betreffende de coördinatie van civiele werken, de transparantieverplichtingen en toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur geldt echter een beslistermijn van één maand (artikel 13, tweede lid, onderdeel b). Daarom wordt voorgesteld om te bepalen dat de termijnen uit de verordening gelden voor die geschillen in afwijking van de standaardtermijn. Daarnaast dient hoofdstuk 5a (oud) uit het vierde lid geschrapt te worden aangezien de verplichtingen nu rechtstreeks uit de verordening voortvloeien. Tevens wordt voorgesteld om het vijfde lid te schrappen aangezien door het wetsvoorstel de geschillenbeslechting voor de transparantieverplichtingen tevens bij de Autoriteit Consument en Markt wordt belegd. Voor de beslistermijnen met betrekking tot geschillen betreffende de toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur voor zover het de aansluiting van gebruikers op een openbaar elektronisch communicatienetwerk betreft wordt verwezen naar artikel I, onderdeel D, van de artikelsgewijze toelichting.

Onderdeel O

Voorgesteld wordt om artikel 15.1, derde lid, laatste volzin, van de Telecommunicatiewet aan te passen omdat artikel 5a.6 (oud) van de Telecommunicatiewet komt te vervallen. Artikel 5a.6 (oud) is van overeenkomstige toepassing verklaard op de afhandeling van een verzoek tot medegebruik van voorzieningen ten behoeve van draadloze toegangspunten met klein bereik zoals geregeld in hoofdstuk 5c van de Telecommunicatiewet. Voorgesteld wordt om in dit kader artikel 5a.6 (oud) over te hevelen naar artikel 5c.7 (zie artikel I, onderdeel I, van de artikelsgewijze toelichting). Daarom wordt voorgesteld om artikel 5c.7 toe te voegen aan artikel 15, derde lid. Daarnaast wordt voorgesteld om de artikelen 5a.5 (nieuw), 5a.6 (nieuw) en 5a.7 (nieuw) toe te voegen aan de laatste volzin. Artikelen 5a.5 (nieuw) en 5a.7 (nieuw) bevatten voorschriften omtrent vergunningen. Indien de normadressaten deze voorschriften overtreden, kan die overtreding betrokken worden bij het bezwaar en beroep op (het niet tijdig nemen van het) besluit betreffende de vergunningverlening. Artikel 5a.6 (nieuw) verplicht de bevoegde instantie die de functie van een centraal informatiepunt uitoefent om in bepaalde gevallen de bevoegde autoriteit toegang te verlenen tot minimuminformatie. Deze bepaling leent zich niet voor handhaving door de Autoriteit Consument en Markt.

Onderdeel P

Het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke en publieke infrastructuur berust op de artikelen 5a.3, tweede lid (oud), 5a.14 (oud) en 5a.15 (oud) van de Telecommunicatiewet. Artikel 5a.3, tweede lid (oud), wordt in dit wetsvoorstel ondergebracht in artikel 5d.2, eerste lid. De delegatiegrondslagen uit artikel 5a.14 (oud) en 5a.15 (oud) worden in dit wetsvoorstel uitgesplitst per onderwerp. Voor toegang tot fysieke infrastructuur is de delegatiegrondslag artikel 5a.4 (nieuw). Voor medegebruik van voorzieningen ten behoeve van draadloze toegangspunten is de delegatiegrondslag artikel 5c.8. Voor medegebruik voor omroepzendernetwerken is de delegatiegrondslag 5d.10 en 5d.11. Aangezien de verplichtingen omtrent toegang tot fysieke infrastructuur uit de verordening rechtstreeks toepasselijk zijn, zullen de bepalingen hieromtrent ter implementatie van de richtlijn breedband in dit Besluit vervallen. Daarom zal dit Besluit niet meer berusten op artikel 5a.4 (nieuw). Tevens wordt de citeertitel van dit Besluit bij besluit ter uitvoering van de verordening gewijzigd naar Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en publieke infrastructuur.

Artikel II

Onderdelen A tot en met I, K, en M tot en met S

De transparantieverplichtingen uit de artikelen 4 en 6 van de verordening concorderen met de artikelen 4 en 6 van de richtlijn breedband. Die artikelen zijn destijds geïmplementeerd in de WIBON.23 Aangezien de transparantieverplichtingen uit de verordening rechtstreeks toepasselijk zijn, wordt voorgesteld om alle bepalingen in de WIBON die dienen ter implementatie van de transparantieverplichtingen uit de richtlijn breedband te laten vervallen.

Onderdeel J

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om de verwijzing naar «Onze Minister van Veiligheid en Justitie» te wijzigen in «Onze Minister van Justitie en Veiligheid».

Onderdeel L

Op grond van de richtlijn breedband moet worden voorzien in geschillenbeslechting. Voor zover het de transparantieverplichtingen betreft, is dit belegd bij de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur en geïmplementeerd in hoofdstuk 5 van de WIBON. Voorgesteld wordt om de geschillenbeslechting voor de verplichtingen uit de verordening te beleggen bij de Autoriteit Consument en Markt. Zie voor een nadere toelichting de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdelen L, M en N, van het wetsvoorstel. Daarom dient hoofdstuk 5 van de WIBON te vervallen.

Onderdeel T

De WIBON is gebaseerd op de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten en door implementatie van de richtlijn breedband uitgebreid naar bovengrondse en ondergrondse netwerken. Aangezien wordt voorgesteld om alle artikelen uit de WIBON die dienen ter implementatie van de richtlijn breedband te laten vervallen, dekt de citeertitel niet meer het onderwerp van de WIBON. De wet ziet door deze wijziging namelijk niet meer specifiek op netwerken. Daarom wordt voorgesteld om de citeertitel te wijzigen zodat die enkel op netten ziet.

Artikel III

In het voorgestelde artikel wordt de verwijzing naar hoofdstuk 5a (oud) Telecommunicatiewet vervangen door een verwijzing naar de artikelen omtrent transparantieverplichtingen in de verordening. Daarnaast wordt, gelet op de voorgestelde wijziging van de citeertitel in artikel II, onderdeel T, voorgesteld om de verwijzing naar de WIBON te wijzigen.

Artikelen IV en V

Gelet op de voorgestelde wijziging van de citeertitel in artikel II, onderdeel T, wordt voorgesteld om de verwijzing naar de WIBON te wijzigen.

Artikel VI

In het wetsvoorstel worden bepaalde artikelen van hoofdstuk 5a (oud) Telecommunicatiewet overgeheveld naar een nieuw hoofdstuk 5d. Om de huidige situatie betreffende beroep te handhaven, wordt hoofdstuk 5d toegevoegd aan de artikelen 4, 7 en 11 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast wordt, gelet op de voorgestelde wijziging van de citeertitel in artikel II, onderdeel T, voorgesteld om de verwijzing naar de WIBON te wijzigen.

Artikel VII

Met de in dit artikel voorgestelde wijzigingen van de artikelen 1, 3, 4 en 5 van de Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening wordt de reikwijdte van deze wet in overeenstemming gebracht met de uitbreiding van het toepassingsgebied van de cyberbeveiligingsverordening tot beheerde beveiligingsdiensten.

Artikel VIII

De inwerkingtreding van de verschillende onderdelen van dit wetsvoorstel wordt bij koninklijk besluit geregeld, waarbij ruimte wordt geboden voor differentiatie in het precieze tijdstip van inwerkingtreding van elk van de onderdelen. Hiermee wordt, overeenkomstig het kabinetsbeleid inzake vast verandermomenten, afgeweken van het uitgangspunt dat wetsvoorstellen op 1 januari of 1 juli inwerking treden met een minimuminvoeringstermijn van twee maanden. Deze uitzondering is gerechtvaardigd omdat dit wetsvoorstel de implementatie van een Europese verordening betreft.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, W.J.M. Aerdts

C. BIJLAGE BIJ DE TOELICHTING

Transponeringstabel

Verordening (EU) 2024/1309 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 inzake maatregelen om de kosten van de uitrol van elektronischecommunicatienetwerken met gigabitsnelheden te verlagen, tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van Richtlijn 2014/61/EU (gigabitinfrastructuurverordening) (PbEU L 2024/1309)

Bepaling verordening

Bepaling in wetsvoorstel of bestaande regeling

Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

Artikel 1 (Onderwerp en toepassingsgebied)

Behoeft naar zijn aard geen interpretatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 2 (Definities)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 3, eerste lid (Toegang tot bestaande fysieke infrastructuur)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)

Lidstaat kan gedetailleerde voorschriften vaststellen

Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT

Artikel 3, tweede lid (Onderhandeling huurders of houders van rechten met exploitanten)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)

Lidstaat kan richtsnoeren verstrekken

Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT

Artikel 3, derde lid (Toegang tot particuliere commerciële gebouwen)

Niet geïmplementeerd

Lidstaat kan bepalen dat eigenaren van particuliere commerciële gebouwen toegang verlenen

Zie hoofdstuk 2, onder toegang tot fysieke infrastructuur, van deze MvT

Artikel 3, zesde lid (Weigeren bij wholesaletoegang)

Niet geïmplementeerd

Lidstaat kan bepalen dat netwerkexploitanten en overheidsinstanties toegang tot fysieke infrastructuur kan weigeren indien er alternatieven zijn voor wholesaletoegang

Bestaat geen behoefte aan implementatie

Artikel 3, achtste lid (Aanwijzing instantie coördinatie)

Niet geïmplementeerd

Lidstaat kan instantie aanwijzen voor coördinatie onderhandelingen

Bestaat op dit moment geen behoefte en het uitvoeren van dergelijke taken behoeft bovendien geen wettelijke grondslag.

Artikel 3, tiende lid (Uitzondering categorieën fysieke infrastructuur)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)

Lidstaat kan categorieën fysieke infrastructuur aanwijzen waarop verplichtingen omtrent toegang niet van toepassing zijn

Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT

Artikel 3, vierde, vijfde, zevende, negende, twaalfde en dertiende lid (Verdere bepalingen met betrekking tot toegang tot bestaande fysieke infrastructuur)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 4, eerste en derde lid (Transparantie over fysieke infrastructuur)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 4, tweede lid (Meer informatie eisen)

Niet geïmplementeerd

Lidstaat kan meer informatie over bestaande fysieke infrastructuur eisen

Geen gebruikmaking optie in verband met beleid omtrent nationale koppen

Artikel 4, vierde lid (Vrijstelling beschikbaar stellen minimuminformatie)

Niet geïmplementeerd

Lidstaat kan gemeenten met minder dan 3500 inwoners vrijstellen van verplichting om minimuminformatie beschikbaar te stellen

Geen gebruikmaking optie omdat voor gemeenten ook al dezelfde informatieplichten gelden en er geen onderscheid is tussen kleinere en grotere gemeenten

Artikel 4, vijfde lid (Inspectie)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)

Lidstaat kan administratieve aspecten verzoek vaststellen

Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT

Artikel 4, zesde en zevende lid (Uitzondering verplichting minimuminformatie en inspectie)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)

Lidstaat kan bepalen welke fysieke infrastructuur niet is onderworpen aan verplichtingen met betrekking tot minimuminformatie en inspectie

Zie hoofdstuk 2, onder toegang tot fysieke infrastructuur, van deze MvT

Artikel 4, achtste lid (Vertrouwelijkheid)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 5, eerste lid (Coördinatie van civiele werken)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 5, tweede lid (Verzoek coördinatie van civiele werken)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)

Lidstaat kan administratieve aspecten verzoek vaststellen

Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT

Artikel 5, derde lid (Onredelijke verzoeken in geval van plattelands- of afgelegen gebieden)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)

Lidstaat kan bepalen welke verzoeken om coördinatie van civiele werken als onredelijk beschouwd kunnen worden in geval van plattelands- of afgelegen gebieden

Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT

Artikel 5, vierde lid (Onredelijke verzoeken)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 5, vijfde lid (Uitzonderingen coördinatie civiele werken)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)

Lidstaat kan bepalen voor welke civiele werken de verplichting tot coördinatie niet van toepassing is en voor welke civiele werken coördinatie niet mag

Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT

Artikel 5, zesde lid (Richtsnoeren Berec)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, gericht tot Berec

Geen

 

Artikel 6, eerste lid (Transparantie over geplande civiele werken)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 6, tweede lid (Uitzonderingen transparantie over geplande civiele werken)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)

Lidstaat kan bepalen voor welke civiele werken de verplichting tot transparantie omtrent coördinatie niet van toepassing is en voor welke civiele werken transparantie omtrent coördinatie niet mag

Zie hoofdstuk 2, onder coördinatie van civiele werken, van deze MvT

Artikel 7, eerste lid (Consistentie vergunningsprocedure)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks en feitelijk handelen

Geen

 

Artikel 7, tweede lid (Bevoegde autoriteiten stellen informatie vergunningsprocedure beschikbaar)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 7, derde lid (Aanvraag vergunning in elektronische vorm)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)

Lidstaat kan gedetailleerde procedures voor opvragen informatie vaststellen

Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT

Artikel 7, vierde lid (Afwijzing vergunning indien niet informatie beschikbaar is gesteld)

Artikel I, onderdelen E en F, artikel 5a.6 (nieuw)

Lidstaat kan striktere regels stellen

Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT

Artikel 7, vijfde lid (Termijn vergunningverlening)

Artikel I, onderdeel F, artikelen 5a.4 (nieuw) en 5a.7 (nieuw)

Lidstaat kan redenen voor verlenging bepalen

Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT

Artikel 7, zesde lid (Termijn doorgangsrechten)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, niet relevant voor Nederland omdat geen gebruik wordt gemaakt van doorgangsrechten in de zin van de verordening.

Geen

 

Artikel 7, zevende tot en met negende, elfde en twaalfde lid (Vereisten vergunningverleningsprocedure)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 7, tiende lid (Monitoring)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, feitelijk handelen

Geen

 

Artikel 8 (Uitblijven van een beslissing over de vergunningsaanvraag)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.5 (nieuw)

Lidstaat heeft de keuze om van stilzwijgende goedkeuring bij vergunningsaanvragen af te wijken

Zie hoofdstuk 2, onder vergunningen, van deze MvT

Artikel 9, eerste en tweede lid (Aanwijzing vrijstellingen van vergunningsprocedures)

Artikel I, onderdeel F, artikelen 5a.4 (nieuw) en 5a.7 (nieuw)

Lidstaat wijst soorten civiele werken aan

Zie hoofdstuk 2, onder vergunningen, van deze MvT

Artikel 9, derde lid (Situaties waarin bevoegde autoriteiten vergunningen kunnen eisen)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 9, vierde lid (In kennis stellen voornemen om met civiele werken te beginnen)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)

Lidstaat kan eisen dat exploitanten bevoegde autoriteiten in kennis stellen van voornemen om met civiele werken te beginnen

Zie hoofdstuk 2, onder vergunningen, van deze MvT

Artikel 10 (Fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling)

Implementatie door middel van wijziging Bbl en Omgevingsregeling

Lidstaat stelt normen vast en wijzen categorieën gebouwen aan waar verplichtingen betreffende de fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling niet van toepassing op zijn.

Zie hoofdstuk 2, onder aanleg en toegang binnen gebouwen, van deze MvT

Artikel 11, eerste tot en met vierde lid (Toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur)

Artikel I, onderdeel B

Lidstaat kan striktere regels stellen

Zie artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel B

Artikel 11, vijfde lid (Geen afbreuk eigendomsrecht)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 11, zesde lid (Publicatie richtsnoeren)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, gericht tot Berec

Geen

 

Artikel 12 (Digitalisering van centrale informatiepunten)

Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen.

Geen

 

Artikel 13, eerste lid, eerste alinea (Recht op geschillenbeslechting)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 13, eerste lid (Geschillenbeslechting doorgangsrechten)

Niet geïmplementeerd

Lidstaat kan bepalen dat bevoegde nationale instantie voor geschillenbeslechting bevoegd is geschillen betreffende doorgangsrechten te beslechten

Niet relevant voor Nederland omdat geen gebruik wordt gemaakt van doorgangsrechten in de zin van de verordening

Artikel 13, tweede lid (Termijnen geschillenbeslechting)

Artikel I, onderdeel N

Geen

 

Artikel 13, derde lid (Vaststelling billijke en redelijke voorwaarden)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 13, vierde lid (Bekendmaking besluit)

Implementatie door middel van bestaande regelgeving (artikel 12.7 Tw)

Geen

 

Artikel 14, eerste lid (Aanwijzing nationale instantie voor geschillenbeslechting)

Artikel I, onderdeel L

Lidstaat wijst nationale instantie voor geschillenbeslechting aan

Zie hoofdstuk 2, onder geschillenbeslechting, van deze MvT

Artikel 14, tweede en zesde lid (Juridisch onderscheiden en functioneel onafhankelijk)

Implementatie door middel van bestaande regelgeving (artikel 13, derde en vierde lid, van de Regeling beheer onroerende zaken Rijk 2024)

Geen

 

Artikel 14, derde lid (Vergoedingen voor kosten)

Implementatie door middel van bestaande regelgeving (artikel 6a Instellingswet ACM)

Geen

 

Artikel 14, vierde lid (Medewerkingsplicht)

Implementatie door middel van bestaande regelgeving (artikel 6b Instellingswet ACM en artikel 12.6 Tw)

Geen

 

Artikel 14, vijfde lid (Aanwijzing bevoegde instantie centraal informatiepunt)

Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)

Geen

 

Artikel 14, zevende lid (Eisen bevoegde instanties)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, feitelijk handelen

Geen

 

Artikel 14, achtste en negende lid (Bekendmaking taken bevoegde instanties)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, feitelijk handelen

Geen

 

Artikel 14, tiende lid (Beroep tegen besluit bevoegde instantie)

Implementatie door middel van bestaande regelgeving (hoofdstukken 6 en 7 Awb)

Geen

 

Artikel 15 (Sancties)

Implementatie door middel van bestaande regelgeving (artikelen 15.2, tweede lid, 15.2a, tweede lid, en 15.4, tweede lid Tw)

Lidstaat stelt sancties vast betreffende schending verordening

 

Artikel 16 (Verslag en monitoring)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, feitelijk handelen

Geen

 

Artikel 17 (Wijzigingen van Verordening (EU) 2015/2120)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 18 (Intrekking)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

Artikel 19 (Inwerkingtreding en toepassing)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks

Geen

 

X Noot
1

Een exploitant is een onderneming die een openbaar elektronischecommunicatienetwerk of een bijbehorende faciliteit aanbiedt of gemachtigd is deze aan te bieden. Zie artikel 2 van de verordening en artikel 2, onderdeel 29, van Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking) (PbEU 2018, L 321) (hierna: Telecomcode).

X Noot
2

Met betrekking tot redelijke en billijke voorwaarden kan het besluit van de ACM van 31 juli 2024 (ACM/UIT/626726) in ogenschouw worden genomen.

X Noot
3

Zie artikel 2, onderdeel 1, van de verordening.

X Noot
4

Onder «medegebruik» als bedoeld in hoofdstuk 5a (oud) van de Telecommunicatiewet en «toegang» als bedoeld in de richtlijn breedband en de verordening wordt hetzelfde verstaan. Zie Kamerstukken II, 2016/17, 34 739, nr. 3, p. 7.

X Noot
5

Vgl. Kamerstukken II, 2016/17, 34 739, nr. 3, p. 7.

X Noot
6

Artikel 2, onderdeel 5, van de verordening.

X Noot
7

Zie voor een nadere toelichting de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel F, artikel 5a.5 (nieuw).

X Noot
8

Artikel 2, onderdeel 11, van de verordening.

X Noot
9

Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PbEU 2010, L 153).

X Noot
10

Stb. 2026, 55.

X Noot
12

Deze regels zijn opgenomen in hoofdstuk 5c van de Telecommunicatiewet, die zijn vastgesteld ter implementatie van de Telecomcode.

X Noot
13

Op grond van de Telecomcode is een omroepzendernetwerk wel een elektronisch communicatienetwerk maar geen openbaar elektronisch communicatienetwerk. Dit omdat een omroepzendernetwerk als zodanig geen communicatie tussen de aangesloten eindgebruikers verzorgt zoals bijvoorbeeld een telefonienetwerk. Dit heeft gevolgen voor de toepasselijkheid van de verordening. De verordening is immers van toepassing op netwerkexploitanten. Artikel 2, onderdeel 1, van de verordening bepaalt wanneer een partij een netwerkexploitant is. Voor zover het daarbij gaat om exploitanten in de elektronische communicatiesector verwijst de verordening daarbij naar het begrip exploitant in artikel 2, onderdeel 29, van de Telecomcode. Uit de omschrijving van dat begrip blijkt dat het moet gaan om een aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken of een aanbieder van bijbehorende faciliteiten. Zoals gezegd kan een omroepzendernetwerk niet worden beschouwd als een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Dit betekent dat de verordening niet van toepassing is op omroepzendernetwerken. Hetzelfde gold overigens al voor de richtlijn breedband.

X Noot
14

Verordening (EU) 2019/881 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake Enisa (het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging), en inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 526/2013 (de cyberbeveiligingsverordening) (PbEU 2019, L151).

X Noot
15

Monitor Omgevingswet en Wkb, Kwartaalrapportage 2024–1, pagina 22, tabel 14. https://vng.nl/sites/default/files/2024-07/vng-monitor-omgevingswet-en-wkb-kwartaal-1-2024.pdf

X Noot
16

Zie aanwijzing 9.9 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
17

Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEU 2004, L 134).

X Noot
18

Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek van elektronische communicatie (PbEU 2018, L 321).

X Noot
19

Als onderdeel van het lopende programma Bodem, Ondergrond en Grondwater van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

X Noot
20

HvJ EU 30 januari 2018, zaak C-360/15, ECLI:EU:C:2018:44.

X Noot
21

Zie hierover ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel F, artikel 5a.7 (nieuw).

X Noot
22

Artikel 1, derde lid, van de verordening.

X Noot
23

Zie hieromtrent Kamerstukken II, 2016/17, 34 739, nr. 3, p. 11–18.


X Noot
1

Een exploitant is een onderneming die een openbaar elektronischecommunicatienetwerk of een bijbehorende faciliteit aanbiedt of gemachtigd is deze aan te bieden. Zie artikel 2 van de verordening en artikel 2, onderdeel 29, van Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking) (PbEU 2018, L 321) (hierna: Telecomcode).

X Noot
2

Met betrekking tot redelijke en billijke voorwaarden kan het besluit van de ACM van 31 juli 2024 (ACM/UIT/626726) in ogenschouw worden genomen.

X Noot
3

Zie artikel 2, onderdeel 1, van de verordening.

X Noot
4

Onder «medegebruik» als bedoeld in hoofdstuk 5a (oud) van de Telecommunicatiewet en «toegang» als bedoeld in de richtlijn breedband en de verordening wordt hetzelfde verstaan. Zie Kamerstukken II, 2016/17, 34 739, nr. 3, p. 7.

X Noot
5

Vgl. Kamerstukken II, 2016/17, 34 739, nr. 3, p. 7.

X Noot
6

Artikel 2, onderdeel 5, van de verordening.

X Noot
7

Zie voor een nadere toelichting de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel F, artikel 5a.5 (nieuw).

X Noot
8

Artikel 2, onderdeel 11, van de verordening.

X Noot
9

Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PbEU 2010, L 153).

X Noot
10

Stb. 2026, 55.

X Noot
12

Deze regels zijn opgenomen in hoofdstuk 5c van de Telecommunicatiewet, die zijn vastgesteld ter implementatie van de Telecomcode.

X Noot
13

Op grond van de Telecomcode is een omroepzendernetwerk wel een elektronisch communicatienetwerk maar geen openbaar elektronisch communicatienetwerk. Dit omdat een omroepzendernetwerk als zodanig geen communicatie tussen de aangesloten eindgebruikers verzorgt zoals bijvoorbeeld een telefonienetwerk. Dit heeft gevolgen voor de toepasselijkheid van de verordening. De verordening is immers van toepassing op netwerkexploitanten. Artikel 2, onderdeel 1, van de verordening bepaalt wanneer een partij een netwerkexploitant is. Voor zover het daarbij gaat om exploitanten in de elektronische communicatiesector verwijst de verordening daarbij naar het begrip exploitant in artikel 2, onderdeel 29, van de Telecomcode. Uit de omschrijving van dat begrip blijkt dat het moet gaan om een aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken of een aanbieder van bijbehorende faciliteiten. Zoals gezegd kan een omroepzendernetwerk niet worden beschouwd als een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Dit betekent dat de verordening niet van toepassing is op omroepzendernetwerken. Hetzelfde gold overigens al voor de richtlijn breedband.

X Noot
14

Verordening (EU) 2019/881 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake Enisa (het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging), en inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 526/2013 (de cyberbeveiligingsverordening) (PbEU 2019, L151).

X Noot
15

Monitor Omgevingswet en Wkb, Kwartaalrapportage 2024–1, pagina 22, tabel 14. https://vng.nl/sites/default/files/2024-07/vng-monitor-omgevingswet-en-wkb-kwartaal-1-2024.pdf

X Noot
16

Zie aanwijzing 9.9 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
17

Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEU 2004, L 134).

X Noot
18

Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek van elektronische communicatie (PbEU 2018, L 321).

X Noot
19

Als onderdeel van het lopende programma Bodem, Ondergrond en Grondwater van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

X Noot
20

HvJ EU 30 januari 2018, zaak C-360/15, ECLI:EU:C:2018:44.

X Noot
21

Zie hierover ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel F, artikel 5a.7 (nieuw).

X Noot
22

Artikel 1, derde lid, van de verordening.

X Noot
23

Zie hieromtrent Kamerstukken II, 2016/17, 34 739, nr. 3, p. 11–18.

Naar boven