36 902 Wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen om ten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met onder andere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken

Nr. 6 VERSLAG

Vastgesteld 23 april 2026

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

INHOUDSOPGAVE

Gezamenlijke inbreng commissie

2

I

Algemeen

2

1.

Algemeen

2

2.

Doelstellingen

2

3.

Zorgplicht gemeenten en openbare lichamen

2

4.

Uitvoering

5

5.

Toezicht en handhaving

5

6.

Financiële gevolgen

5

7.

Evaluatie

6

8.

Caribisch Nederland

7

Inbreng leden van de fracties

7

I

Algemeen

7

1.

Inleiding

8

2.

Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

10

2.1

Wijziging Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

10

2.2

Wijziging Auteurswet en de Wet op de naburige rechten

17

3.

Gevolgen

18

4.

Uitvoering

18

5.

Toezicht en handhaving

19

6.

Financiële gevolgen

19

7.

Evaluatie

20

8.

Advies en consultatie

20

9.

Inwerkingtreding

21

II.

Artikelsgewijs

22

Artikel I, onderdelen B en D

22

Artikel I, onderdeel F

22

Artikel I, onderdeel M

22

Gezamenlijke inbreng commissie

I Algemeen

1. Algemeen

De vaste commissie voor OCW heeft in het kader van het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel de leden Heera Dijk (D66) en Mohandis (GroenLinks-PvdA) tot wetgevingsrapporteurs benoemd. De wetgevingsrapporteurs hebben ten behoeve van het verslag een schriftelijke inbreng opgesteld met vragen van verdiepende en verduidelijkende aard aan de regering. De commissie heeft in de procedurevergadering van 16 april 2026 besloten de inbreng van de wetgevingsrapporteurs over te nemen en in het verslag als inbreng van de commissie op te nemen.1 Bij de hiernavolgende inbreng is zo veel mogelijk de volgorde van de memorie van toelichting aangehouden.

2. Doelstellingen

De leden van de commissie constateren dat in de memorie van toelichting verschillende doelen van het wetsvoorstel worden benoemd:

  • Structureel waarborgen van de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de lokale bibliotheek door middel van een wettelijke zorgplicht voor gemeenten, openbare lichamen en provincies;

  • Het regelen van een wettelijke basis voor de rol van bibliotheken bij leesbevordering voor schoolgaande jeugd en de bekostiging daarvan;

  • Het regelen van een leenrechtvergoeding voor uitleningen door schoolbibliotheken en het verduidelijken en aanscherpen van de regeling voor de onderhandelingen over leenrechtvergoedingen.

Kan de regering de doelen van dit wetsvoorstel nader concretiseren? In hoeverre zijn de doelen meetbaar en wanneer moeten deze bereikt zijn? Kan de regering in het kader van een nulmeting ook een kwantitatief overzicht geven van de bestaande situatie, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal (fysieke) bibliotheeklocaties en de middelen die gemeenten en openbare lichamen besteden aan bibliotheekvoorzieningen? Kan de regering toelichten hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot en bijdraagt aan de doelen en streefwaarden voor het Masterplan basisvaardigheden op het gebied van taal?2

3. Zorgplicht gemeenten en openbare lichamen

Reikwijdte zorgplicht

De leden van de commissie constateren dat de regering de zorgplicht voor gemeenten en openbare lichamen, mede naar aanleiding van de reacties in de consultatiefase, in hoofdzaak een kwalitatieve invulling heeft gegeven.3 Deze zorgplicht betreft het voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is. Als onderdeel van dit aanbod dient een college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege ten minste één bibliotheekvoorziening in stand te houden die alle functies van artikel 5 Wsob4 vervult; een fysieke collectie heeft en over een professionele personeelsbezetting beschikt. Heeft de regering naar aanleiding van de doorgevoerde aanpassingen na de consultatiefase opnieuw overleg gevoerd met gemeenten, bibliotheken en scholen en kan zij bevestigen dat deze partijen het wetsvoorstel op dit punt nu (wel) uitvoerbaar achten?

De regering geeft aan dat het bij het begrip «redelijke afstand» gaat om de redelijke afstand tot het aanbod in het geheel. Dat komt, volgens de regering, dus neer op de redelijke afstand tot de dichtstbijzijnde voorziening. Niet bedoeld wordt de redelijke afstand tot alle voorzieningen binnen het aanbod. Voor de invulling van het begrip redelijke afstand ligt het, volgens de regering, voor de hand om de geografie en demografie van de betreffende gemeente of het betreffende openbare lichaam in acht te nemen. Kan de regering nader toelichten in hoeverre de redelijke afstand handhaafbaar is in het kader van het toezicht door provincies, ook gegeven het advies van het IPO5 om de afstand tot de bibliotheek in de zorgplicht op te nemen?6 Kan de regering aan de hand van (fictieve) voorbeelden aangeven wat zij bijvoorbeeld wel en niet verstaat onder een redelijke afstand?

De regering geeft aan dat als gevolg van de zorgplicht in het nieuwe artikel 6 Wsob een beperkt aantal gemeenten zonder bibliotheek een nieuwe bibliotheek moet realiseren. De leden van de commissie vragen hoeveel en welke gemeenten het op dit moment betreft.

De regering stelt dat van gemeenten waar het bibliotheekaanbod het beschreven minimumniveau al heeft, wordt verwacht dat zij de openbare bibliotheek op basis van lokale maatschappelijke opgaven doorontwikkelen conform de onder paragraaf 2 van de memorie van toelichting beschreven lijnen.7 Kan de regering concretiseren op welke lijnen zij hier doelt? Kan de regering toelichten hoe zij deze doorontwikkeling borgt dan wel afdwingt, aangezien de zorgplicht van het voorgestelde artikel 6 Wsob volgens de regering uitdrukkelijk een ondergrens betreft8 en deze verwachting niet expliciet in de wettelijke bepalingen is opgenomen?

Meerjarenplan

De regering stelt voor dat bij amvb9 nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het door het (bestuurs)college op te stellen meerjarenplan conform het voorgestelde artikel 6, derde lid, Wsob. De regering licht toe dat daarbij gedacht kan worden aan onderwerpen als de omvang, de dichtheid en samenstelling van de bevolking, de lokale maatschappelijke opgaven, hoe de gemeente invulling geeft aan de zorgplicht en rekening houdt met de positie van de bibliotheek te midden van andere sociaal culturele voorzieningen en het onderwijs. Kan de regering toelichten waarom niet is gekozen om de (hoofd)elementen van het verplichte meerjarenplan in de wet vast te leggen? Kan de regering een nadere toelichting geven op de onderwerpen waar zij nu aan denkt om in de amvb op te nemen, zoals genoemd in de memorie van toelichting? Wanneer is deze amvb naar verwachting gereed?

De leden van de commissie constateren verder dat de VNG10 aangeeft dat het meerjarenplan uitvoerbaar is voor gemeenten, omdat het aansluit bij de bestaande beleidscyclus en veel gemeenten al werken met een dergelijk document en gemeenten dus kunnen verwijzen naar hun bestaande beleidsplannen. Wel geeft de VNG in de uitvoeringstoets11 aan dat voor gemeenten nog wel onduidelijk is welke partijen iets met het meerjarenplan gaan doen. Als het de bedoeling is dat ook externe partijen het meerjarenplan gaan gebruiken in het kader van verantwoording en toezicht, dan is hierover volgens de VNG meer duidelijkheid nodig. Gemeenten merken verder op dat een handreiking met concrete voorbeelden en handvatten kan helpen om invulling te geven aan het meerjarenplan. Hierbij is wel van belang dat de handreiking oog heeft voor verschillende vormen waarmee invulling gegeven kan worden aan het meerjarenplan. De leden van de commissie vragen welke externe partijen, naast de provincie als toezichthouder, het meerjarenplan gaan gebruiken en met welk doel. Gaat de regering in samenspraak met de VNG een handreiking maken ten aanzien van het op te stellen meerjarenplan met daarin concrete voorbeelden en handvatten?

Inwerkingtreding

De regering geeft in de memorie van toelichting aan dat het voornemen is dat gemeenten hun meerjarenplannen uiterlijk een jaar na publicatie van de wet publiceren en dat de zorgplicht drie jaar na publicatie van de wet in werking treedt.12 In artikel IV van het wetsvoorstel lezen de leden van de commissie dat in het kader van overgangsrecht wordt bepaald dat het college dan wel het bestuurscollege gedurende de eerste drie kalenderjaren na de inwerkingtreding van het onderdeel van de zorgplicht, niet verplicht is om te voldoen aan de zorgplicht. Op basis waarvan is de termijn van drie jaar bepaald? Heeft de regering de verwachting dat alle gemeenten op deze data aan hun verplichtingen kunnen en zullen voldoen? Is nu al in beeld voor welke gemeenten dit mogelijk niet lukt of lastig haalbaar wordt? Zo ja, welke gemeenten betreft dit en welke maatregelen neemt de regering in dit verband? Hoeveel gemeenten en openbare lichamen voldoen op dit moment niet aan de zorgplicht zoals deze wordt voorgesteld door de regering?

Verantwoordelijkheid Minister

In het huidige artikel 6, eerste lid, Wsob is bepaald dat Onze Minister, de provinciebesturen, de gemeentebesturen en de besturen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor een netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen. Dit artikel wordt vervangen door het artikel inzake de zorgplicht voor het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege. Kan de regering toelichten waarom ervoor gekozen is om de rol van de Minister niet (meer) wettelijk vast te leggen? Kan de regering toelichten hoe zij de rol van de Minister in het bibliotheekstelsel ziet, naast de door de regering genoemde deelname van de Minister aan het periodiek bestuurlijk overleg?13 Wat mag de Kamer en mogen andere partijen van de Minister verwachten? Hoe gaat de Minister de Tweede Kamer informeren over de werking van het beoogde stelsel met decentrale verantwoordelijkheden? Welke mogelijkheden heeft Minister om bij te sturen als dit niet werkt zoals beoogd?

4. Uitvoering

De leden van de commissie constateren dat de in het wetsvoorstel beschreven zorgplicht voor gemeenten en bevorderingstaak voor bibliotheken lokaal worden belegd, aangevuld met verschillende taken en rollen voor de provincies, provinciale ondersteuningsinstellingen en de Koninklijke Bibliotheek. De regering benadrukt bijvoorbeeld ten aanzien van de zorgplicht dat het doel gericht is op een lokaal bibliotheekbeleid dat in voldoende mate aansluit bij lokale omstandigheden, behoeften en ontwikkelingen. De leden van de commissie vragen hoe tegelijk geborgd en gestimuleerd wordt dat bibliotheken, gemeenten, provincies, scholen en de andere actoren van elkaar leren en dat best practices brede navolging krijgen. Kan de regering hierop ingaan ten aanzien van de verschillende taken en rollen die zijn beschreven in het wetsvoorstel? Welke rol ziet de regering hierbij voor de Minister?

5. Toezicht en handhaving

De regering licht toe dat toezicht en handhaving plaatsvinden volgens het bestaande stelsel van het generieke interbestuurlijke toezicht.14 Dit betekent dat provincies toezicht houden op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten. De provincies maken hiervoor gebruik van de informatie uit de meerjarenplannen van de gemeenten en de monitoringsgegevens van de Koninklijke Bibliotheek en kunnen gebruik maken van het instrumentarium van indeplaatsstelling, schorsing en vernietiging. Het Rijk houdt toezicht op de provincies met betrekking tot hun zorgplicht en het toezicht. Kan de regering nader toelichten hoe de provincies hun toezichtstaak ten aanzien van de taken in het wetsvoorstel willen gaan invullen en hoe zij zich hierop voorbereiden? Hoe en wanneer krijgen zij de beschikking over de meerjarenplannen en monitoringsgegevens? Beschouwen de provincies de normen in het wetsvoorstel als duidelijk genoeg om toezicht op te kunnen houden?

Tot slot vragen de leden van de commissie aan de regering hoe zij voornemens is het toezicht op de provincies in te vullen. Hoe richt de regering dit toezicht in? Op welke wijze borgt de regering dat de Minister de Tweede Kamer kan voorzien van de juiste informatie over de werking van het stelsel rondom bibliotheken?

6. Financiële gevolgen

Zorgplicht gemeenten en openbare lichamen

De regering reserveert voor de zorgplicht van gemeenten en openbare lichamen een aanvullend budget van structureel € 60 miljoen per jaar via het gemeentefonds.

De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat de VOB15 haar zorgen uit over de vraag of het budget dat het Rijk beschikbaar stelt ook daadwerkelijk bij de bibliotheken terecht zal komen.16 Wat is de reactie van de regering op deze zorgen? Heeft de regering een overzicht van hoeveel gemeenten nu ten opzichte van het beschikbare budget hiervoor uitgeven aan bibliotheken en welke verschillen hierin waarneembaar zijn tussen gemeenten? Hoe borgt de regering dat gemeenten deze middelen ook daadwerkelijk inzetten voor bibliotheken en welke sturingsmogelijkheden heeft de regering? Hoe wordt de Kamer geïnformeerd over of de middelen bestemd voor bibliotheken doelmatig worden besteed?

Bevorderingstaak bibliotheken

De regering geeft aan dat voor de bekostiging van de activiteiten van bibliotheken op het gebied van leesbevordering in samenwerking met scholen in 2027 een bedrag van € 19 miljoen beschikbaar is, oplopend naar € 25 miljoen structureel vanaf 2028 in de vorm van een subsidie aan bibliotheken. In een brief van de Staatssecretaris van OCW over de voortgang van het Masterplan basisvaardigheden17 (waarin wordt verwezen naar een eerdere brief van de Staatssecretaris18 over de duurzame verankering van dBos19) lezen de leden van de commissie dat de tijdelijke subsidie voor dBos en Boekstart wordt omgezet in structurele financiering en dat in 2027 € 38 miljoen beschikbaar is vanuit de OCW-begroting; vanaf 2028 gaat het jaarlijks om € 50 miljoen. Het geld zal vanaf 2027 worden verdeeld tussen scholen (middels de gerichte bekostiging voor basisvaardigheden) en bibliotheken. Scholen kunnen ervoor kiezen om (een deel van) de gerichte bekostiging te besteden aan dBos. Bibliotheken moeten de structurele financiering inzetten om de samenwerking met het funderend onderwijs en/of de pabo, het mbo en de kinderopvang (BoekStart) voort te zetten. Hoe borgt de regering dat scholen deze middelen ook daadwerkelijk (kunnen) inzetten voor leesbevordering en de samenwerking tussen bibliotheken en scholen in stand blijft en/of komt? Hoe monitort de regering dit en welke sturingsmogelijkheden heeft de regering?

Gratis lidmaatschap

De regering benoemt in de memorie van toelichting dat verschillende bibliotheken hebben voorgesteld het lidmaatschap van de openbare bibliotheek voor alle leden gratis te maken, dus ook voor volwassenen. De regering geeft aan dat dit niet in het wetsvoorstel is opgenomen omdat er geen gegevens bekend zijn over de (gedrags)effecten daarvan en er geen budget is om gemeenten voor de kosten te compenseren (circa € 50 miljoen per jaar, vermeerderd met extra kosten als gevolg van een groter gebruik). Kan de regering toelichten of zij wel voornemens is om meer onderzoek te doen naar de effecten van een gratis lidmaatschap, zoals naar hoe groot de toename van het gebruik van bibliotheekdiensten zou zijn?

7. Evaluatie

De leden van de commissie lezen dat de regering voornemens is om de wet elke vijf jaar te evalueren en dat hierbij onderwerpen aan de orde komen als: de ontwikkelingen in de beschikbaarheid, bereikbaarheid en het gebruik van de openbare bibliotheek, de samenwerking tussen scholen en bibliotheken bij leesbevordering en in de uitleningen via schoolbibliotheken en de daarmee samenhangende vergoedingen voor rechthebbenden.

De leden van de commissie vragen of de regering nader in kan gaan hoe zij deze elementen wil gaan evalueren. Deze leden vragen de regering om daarbij inzicht te geven in aan de hand van welke indicatoren zal worden gemeten of het wetsvoorstel de doelstellingen behaald heeft. Ten aanzien van welke factoren is de regering voornemens een kwantitatieve meting te doen? Welke concrete indicatoren worden geëvalueerd als het gaat om de afstand tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen? Wordt in de evaluatie ook gekeken naar of de financiële middelen toereikend zijn voor gemeenten, bibliotheken en scholen, maar ook voor de toezichtstaak van de provincies zoals het IPO suggereert?20 Hoe wordt dit getoetst?

Tot slot vragen de leden van de commissie of de regering ook voornemens is om tussentijds te monitoren en hoe de Kamer hierover wordt geïnformeerd. Op welke wijze krijgt deze evaluatie een plek in de Strategische Evaluatie Agenda van het Ministerie van OCW?

8. Caribisch Nederland

De regering geeft aan dat de Wsob, met uitzondering van enkele artikelen, ook van toepassing is in Caribisch Nederland en dat gezien de specifieke omstandigheden extra inspanning nodig is om het bibliotheekwerk daar te versterken. Hiervoor wordt een afzonderlijk maatwerktraject opgezet. Ten aanzien van de financiering geeft de regering aan dat dit in eerste instantie geschiedt via individuele tijdelijke intensiveringen via een bijzondere uitkering van in totaal € 385.000 per jaar. Het streven van de regering is om het budget uiteindelijk beschikbaar te stellen via de vrije uitkering uit het BES-fonds. Kan de regering een nadere toelichting geven op de stand van zaken van het bibliotheekwerk in Caribisch Nederland? Hoe ziet het beoogde maatwerktraject eruit en wat is hiervoor de planning? Is de verwachting dat de openbare lichamen en bibliotheken in Caribisch Nederland tijdig de verplichtingen en rollen kunnen vervullen die in het wetsvoorstel worden beschreven? Wat was de reactie van de openbare lichamen op (de conceptversie van) het wetsvoorstel? Achten zij de beschikbare middelen voldoende?

Inbreng leden van de fracties

I Algemeen

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wsob. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven de belangrijke rol die bibliotheken vervullen in de Nederlandse samenleving, op het gebied van leesvaardigheid en educatie maar net zo zeer op maatschappelijk vlak. De leden zien dat de bibliotheek al lang niet meer slechts een plek is waar je boeken kunt lenen, maar dat ontmoeting, digitale vaardigheden en leesplezier samenkomen in de bieb. Temeer in een tijd waarin de basisvaardigheden van jongeren verslechteren vervult de bibliotheekvoorziening een onmisbare rol en een aanvulling op het leesonderwijs op scholen. Voor deze leden is dat van grote waarde. Zij hebben nog enkele opmerkingen en vragen over het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden signaleren dat openbare bibliotheken een waardevolle bijdrage leveren in de strijd tegen laaggeletterdheid: ruim 2,4 miljoen kinderen hadden in 2024 een bibliotheeklidmaatschap, ofwel 73 procent van iedereen in Nederland tussen de 0 en 18 jaar. Mede daarom hechten deze leden zeer aan een toegankelijk en divers bibliotheekaanbod in elke gemeente.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten. Deze leden hebben een aantal opmerkingen en vragen over het wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. De bibliotheek heeft een grote maatschappelijke waarde; het is niet alleen een plek om te (leren) lezen of om rustig te kunnen studeren, het is ook een centrale plek in de wijk als plek van ontmoeting en verbinding. Elke inwoner zou daarom toegang tot de bibliotheek moeten hebben. Dit wetsvoorstel is een belangrijke stap daartoe. Deze leden hebben nog enkele vragen aan de regering.

De leden van de BBB-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel dat strekt tot versterking en verankering van het bibliotheekstelsel in Nederland. Deze leden zijn positief over de voorgestelde introductie van een wettelijke zorgplicht voor gemeenten, openbare lichamen en provincies om te zorgen voor een toegankelijk en dekkend aanbod van bibliotheekvoorzieningen.

Voor de leden van de BBB-fractie is het van groot belang dat ook inwoners in minder dichtbevolkte en landelijke regio’s kunnen rekenen op een volwaardige bibliotheekvoorziening binnen redelijke afstand. De bibliotheek vervult immers een essentiële maatschappelijke functie als laagdrempelige plek voor ontwikkeling, ontmoeting, digitale vaardigheden en taalvaardigheid. Juist in gebieden waar voorzieningen onder druk staan, vormt de bibliotheek een belangrijke schakel in de sociale en educatieve infrastructuur.

Alles overziend spreken de leden van de BBB-fractie hun waardering uit voor dit wetsvoorstel. Deze leden zien het als een stevige en noodzakelijke basis voor een toekomstbestendig bibliotheekstelsel, waarin toegankelijkheid en nabijheid voor alle inwoners van Nederland centraal staan. Zij hebben vooralsnog geen vragen over het wetsvoorstel, maar wel een aantal opmerkingen.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vinden het belangrijk dat de fysieke toegankelijkheid van de bibliotheek verder wordt ondersteund. Ook hechten de leden aan een goede regeling van de leenrechtvergoeding.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden zien de cruciale rol die de bibliotheek in de samenleving vervult en menen dat het van belang is dat voor elke inwoner, zowel in Europees als Caribisch Nederland, een bibliotheekvoorziening in de buurt is. De leden hebben nog een aantal vragen.

1. Inleiding

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie juichen toe dat de openbare bibliotheken hun maatschappelijke functies succesvol hebben weten te verbreden door kennis en informatie beschikbaar te stellen, mogelijkheden tot ontwikkeling en educatie te bieden, het lezen te bevorderen en kennis te laten maken met literatuur, ontmoeting en debat te organiseren en kennis te laten maken met kunst en cultuur. Vrije informatievoorziening zien deze leden als een noodzakelijke voorwaarde bij dit succes. Het verontrust de leden dat in de Verenigde Staten oudergroepen of lokale politici boeken over racisme, seksuele identiteit en gender willen verbannen uit de collecties. Welke rol ziet de regering voor zichzelf in eigen land bij het bewaken van een divers en niet-bevoogdend aanbod bij de informatievoorziening van bibliotheken?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de memorie van toelichting vermeldt dat over de periode 2012–2021 het aantal bibliotheekvestigingen met honderd is afgenomen van 843 naar 744, er gemeenten en wijken zijn zonder openbare bibliotheekvestiging, er bibliotheken bestaan die onvoldoende zijn toegerust om de maatschappelijke functies te kunnen vervullen en er met name in niet-stedelijke regio’s en in wijken van grote gemeenten niet alle inwoners binnen een redelijke afstand toegang hebben tot een volwaardige bibliotheek. Het verontrust deze leden dat oorzaak ligt bij de gemeentelijke budgetten die onder druk staan. De leden vinden het bijzonder kwalijk waar dit leidt tot kansenongelijkheid tussen burgers in het algemeen en in het bijzonder tot grotere risico’s op laaggeletterdheid voor groepen jongeren. Deelt de regering de mening van de leden van deze fractie dat zij deze gegevens niet zomaar helemaal kan afdoen als kwesties van eigen gemeentelijke verantwoordelijkheid en gemeentelijke autonomie? In hoeveel gemeenten ontbreekt nu een (volwaardige) openbare bibliotheek? Voor hoeveel gemeenten blijft dit gelden nadat de 46 nieuwe bibliotheekvestigingen worden opgericht? Voor hoeveel gemeenten geldt dat de openbare bibliotheek nog altijd moet worden versterkt? Welke mogelijkheden ziet de regering om gemeenten en provincies te stimuleren om hun bevorderingstaken in de Wsob met het oog op kansengelijkheid voor jongeren en burgers ook goed waarmaken?

Voor de leden van de PVV-fractie zijn bibliotheken van groot belang. Bibliotheken spelen een belangrijke rol bij het bevorderen van lezen en bij het doorgeven van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis aan nieuwe generaties. Juist in een tijd waarin de leesvaardigheid onder jongeren zichtbaar achteruitgaat en kennis van de Nederlandse geschiedenis niet langer vanzelfsprekend is, vervullen bibliotheken een belangrijke maatschappelijke functie.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom ervoor is gekozen om gemeenten een wettelijke zorgplicht op te leggen, terwijl tegelijkertijd het beschikbare budget via het gemeentefonds als vrij besteedbaar wordt verstrekt. Hoe wordt voorkomen dat middelen die bedoeld zijn voor bibliotheken worden ingezet voor andere gemeentelijke uitgaven?

Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie hoe de regering ervoor zorgt dat bibliotheken hun kerntaak blijven vervullen: het bevorderen van lezen en het versterken van kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader kan ingaan op de effecten van de Spuk bibliotheken. Wat is de ontwikkeling van het aantal bibliotheken vanaf 2021? Welke bijdrage heeft de Spuk geleverd aan het aantal en de kwaliteit van bibliotheekvoorzieningen in Nederland?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de vijf functies inzetten op de brede maatschappelijke functie van de bibliotheek. Deze leden lezen in de toelichting dat de activiteiten bij voorkeur zoveel mogelijk aansluiten bij de actuele thema’s uit het bibliotheekconvenant: een geletterde samenleving, participatie in de informatiesamenleving, en een leven lang ontwikkelen. Welke plek ziet de regering voor de bibliotheek in een sterke samenleving, wijken en buurten en een plek voor ontmoeting? Kan dBos volgens de regering ook bijdragen aan een versterkte wijkaanpak; een ontmoetingsplek in de wijk worden?

De leden van de CDA-fractie vragen naar de laatste stand van zaken rond de IDO’s21, zowel ten aanzien van de financiering, de uitvoering en de verkenning naar wettelijke verankering van IDO-dienstverlening.

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie weten dat in de evaluatie van de Wsob, die de Tweede Kamer in 2020 ontving, beschreven is dat bibliotheken hun maatschappelijke functies hebben verbreed maar dat tegelijkertijd het aantal fysieke vestigingen is afgenomen. Deze leden snappen dat dit spanning oplevert voor de toegankelijkheid van bibliotheekvoorzieningen en onderstrepen daarbij het belang dat voor alle inwoners een laagdrempelige toegang tot een volwaardige bibliotheek gewaarborgd blijft. De leden vragen de regering wat de onderhavige wetswijziging concreet betekent voor het aantal fysieke bibliotheekvoorzieningen.

Deze leden van de VVD-fractie hebben tevens in de evaluatie gelezen dat het aantal gebruikers van de digitale bibliotheek en het aantal uitleningen fors is toegenomen. Deze leden vragen de regering hoe zij de balans ziet tussen enerzijds het waarborgen van fysieke aanwezigheid en anderzijds de ontwikkeling van digitale bibliotheekdiensten. De leden vragen de regering in hoeverre zij van mening is dat digitale voorzieningen een volwaardig alternatief kunnen vormen voor fysieke aanwezigheid, met name in dunnerbevolkte gebieden. Hoe verhoudt dit zich tot de wijziging van de Wsob en de vereiste dat er binnen redelijke afstand toegang is tot een volwaardige bibliotheek, zo vragen deze leden.

De leden de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstel een wettelijke zorgplicht bij gemeenten, openbare lichamen en provincies legt. Deze leden vinden dit een verstandig voorstel. Hoe denkt de regering over een meer generieke omschrijving van de zorgplicht die rekening houdt met de lokale omstandigheden, zoals de geografische structuur en de bevolkingssamenstelling en -spreiding, zoals de VOB bepleitte? De leden begrijpen dat het de voorkeur verdient om een bibliobus te laten rijden zolang het alternatief helemaal geen bibliotheekvoorziening is. Toch vrezen zij dat «een bibliotheekvoorziening» de zorgplicht te vaag maakt en zij menen dat een fysieke bibliotheekvestiging waar ook maar mogelijk de voorkeur verdient. Deelt de regering deze voorkeur?

De leden van de BBB-fractie zien de verschuiving van een bevorderingstaak naar een zorgplicht als een duidelijke en noodzakelijke stap om de positie van bibliotheken structureel te versterken. Daarbij waarderen deze leden dat het wetsvoorstel ruimte laat voor lokale invulling via meerjarenplannen, zodat gemeenten en bibliotheken samen kunnen inspelen op de specifieke behoeften van hun inwoners.

2.1 Wijziging Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

De leden van de D66-fractie constateren dat het wetsvoorstel de huidige bevorderingstaak van gemeenten omzet in een wettelijke zorgplicht, waarbij gemeenten moeten zorgen voor een toegankelijk aanbod van bibliotheekvoorzieningen binnen redelijke afstand. Deze leden onderschrijven het belang van een lokale bibliotheek maar vragen hoe wordt gewaarborgd dat de zorgplicht daadwerkelijk leidt tot verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van bibliotheekvoorzieningen. In hoeverre biedt de norm «redelijke afstand» duidelijke richtlijnen, gezien de grote verschillen tussen stedelijke en landelijke gebieden? Wordt hierbij ook gekeken naar (openbare) vervoersmogelijkheden?

De leden van de D66-fractie lezen dat het IPO signaleert dat het toezicht houden op het naleven van de zorgplicht zich beperkt tot de vraag of gemeenten de wettelijk verplichte onderdelen opnemen in het meerjarenplan. Waarom is ervoor gekozen om niet op de inhoudelijke kwaliteit van de gemaakte beleidskeuzes toezicht te houden? Deze leden begrijpen ook dat het IPO pleit voor een verplichting voor gemeenten om het meerjarenplan actief en binnen een bepaalde termijn toe te zenden aan de provincie. Heeft de regering dit overwogen, zo ja, waarom is dit niet wettelijk vastgelegd?

De leden van de D66-fractie zijn positief over de introductie van een wettelijke taak voor bibliotheken om lezen in het onderwijs te bevorderen. In hoeverre worden kinderopvang, mbo en andere onderwijssectoren voldoende meegenomen in deze aanpak?

De leden van de D66-fractie vragen hoe volgens de regering een volwaardige bibliotheekvoorziening op iedere school eruit ziet. Welke rol ziet de regering daarin voor scholen? En voor bibliotheken?

De leden van de D66-fractie lezen dat er specifieke uitdagingen in landelijk gebieden zijn zoals grotere afstanden, beperkter openbaar vervoer, vergrijzing en lagere gemiddelde opleidingsniveaus. Hoe wordt gewaarborgd dat mobiele en hybride vormen van dienstverlening als volwaardige invulling van de zorgplicht worden gezien? Welke moeilijkheden kunnen ontstaan voor de verdelingssystematiek op basis van inwoneraantal?

De leden van de VVD-fractie steunen het uitgangspunt van een zorgplicht voor gemeenten om de toegankelijkheid van bibliotheekvoorzieningen te waarborgen. Deze leden vinden het positief dat er naar aanleiding van consultatie is gekozen voor een meer flexibele formulering waarbij wordt uitgegaan van een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, in plaats van te focussen op één specifieke vestiging. De leden vragen zich daarbij af hoe wordt geborgd dat gemeenten daadwerkelijk invulling geven aan deze zorgplicht. Hoe verhoudt dat zich tot de beleidsvrijheid die gemeenten hebben en houden, zo vragen zij. Kan de regering toelichten hoe zij voorkomt dat gemeenten gaan volstaan met een minimale invulling van de zorgplicht? Kan zij daarbij ook nader reflecteren op de consequenties voor gemeenten die nu nog geen bibliotheekvoorziening hebben?

De leden van de VVD-fractie weten dat er lokale en regionale verschillen bestaan tussen gemeenten. Daarbij zorgen verschillen in bijvoorbeeld bevolkingssamenstelling ook voor verschillen in de organisatie en het gebruik van bibliotheekvoorzieningen. Deze leden constateren dat er in stedelijke gebieden vaker sprake is van een beter georganiseerd netwerk van voorzieningen, waar dat in kleinere regio’s dan wel het landelijk gebied niet altijd het geval is. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten hoe wordt omgegaan met verschillen tussen gemeenten. Zij vragen de regering op welke wijze maatwerk mogelijk wordt gemaakt, terwijl tegelijkertijd de ondergrens wordt gegarandeerd die voortvloeit vanuit de zorgplicht.

De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat publieke middelen doelmatig, transparant en aantoonbaar worden ingezet voor de uitvoering van wettelijke taken. Deze leden vinden het van belang dat extra middelen die aan gemeenten worden toegekend daadwerkelijk ten goede komen aan de versterking van de bibliotheekvoorzieningen en niet opgaan aan overhead, adviestrajecten of andere indirecte kosten. Genoemde leden vragen daarom op welke wijze wordt geborgd dat deze middelen ook daadwerkelijk worden ingezet voor de uitvoering van de zorgplicht voor bibliotheken. Hoe wordt voorkomen dat middelen opgaan aan andere prioriteiten en op welke wijze kan achteraf worden gecontroleerd of de extra middelen daadwerkelijk hebben geleid tot een versterking van het bibliotheekstelsel?

De leden van de VVD-fractie hechten zeer aan een goede ontwikkeling van basisvaardigheden, waaronder lezen. Zij zien daarbij de meerwaarde van de rol van de bibliotheek in leeseducatie. Deze leden kijken daarom met belangstelling naar de structurele verankering van de samenwerking tussen bibliotheken en het onderwijs. Zeker mede in het licht van de teruglopende leesvaardigheid onder jongeren.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de samenwerking tussen bibliotheken en scholen de afgelopen jaren is geïntensiveerd, onder meer via programma’s zoals dBos. Deze leden waarderen deze ontwikkeling omdat deze volgens deze leden bijdraagt aan het bereiken van kinderen en jongeren op een laagdrempelige manier en het versterken van hun taalvaardigheid en leesmotivatie. Tegelijkertijd constateren zij dat deze samenwerking tot nu toe vaak afhankelijk was van tijdelijke projecten en financiering. Zij zijn om die reden positief over de aangekondigde structurele financiering.

Daarbij vragen de leden van de VVD-fractie of en hoe de effectiviteit van deze samenwerking wordt gemeten. Daarnaast vragen deze leden hoe wordt geborgd dat de samenwerking tussen scholen en bibliotheken daadwerkelijk tot stand komt en structureel wordt voortgezet.

Zoals de leden van de VVD-fractie eerder al aangaven, zien zij de bibliotheek al lang niet meer als slechts een plek waar je boeken kunt lenen, maar ook als een belangrijke laagdrempelige voorziening waar inwoners terechtkunnen voor ondersteuning bij bijvoorbeeld digitale vaardigheden. Deze leden onderschrijven het belang van deze ontwikkeling, zeker voor groepen die moeite hebben om mee te komen in de digitale samenleving, zoals (sommige) ouderen. Deze leden vragen wat nodig is om de rol van bibliotheken bij het versterken van digitale vaardigheden van ouderen verder te vergroten. Welke belemmeringen worden momenteel ervaren en welke aanvullende maatregelen acht de regering wenselijk?

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie hoe de toegang tot de dienstverlening van bibliotheken kan worden vergroot om het bereik op het gebied van digitale geletterdheid te vergroten. Welke mogelijkheden ziet de regering om meer mensen te bereiken die nu nog niet of nauwelijks gebruikmaken van deze voorzieningen?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat gemeenten en openbare lichamen na overleg met de lokale bibliotheek een meerjarenplan moeten opstellen over de manier waarop ze de zorgplicht gestalte geven. Nadere eisen aan de inhoud van dit meerjarenplan komen te zijner tijd in een amvb. Nu begrijpen deze leden dat men in zo’n uitgestrekte gemeente als Súdwest-Fryslân met ruim 84.000 hectare, niet dezelfde bibliotheekvoorzieningen kan bieden als in Den Haag. Wat staat de regering echter voor ogen als het minimum dat men in elke gemeente – ongeacht de lokale omstandigheden – moet waarmaken? Krijgt de Kamer deze amvb nog voorgelegd via een voorhangprocedure?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat provincies worden belast met interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van de zorgplicht. Hoe gaat dit toezicht eruit zien? In Caribisch Nederland komt dit toezicht te liggen bij de Rijksvertegenwoordiger. Wat wordt straks op de BES-eilanden het aanbod van de openbare bibliotheekvoorzieningen waarop de Rijksvertegenwoordiger de openbare lichamen mag afrekenen?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat ervoor de openbare bibliotheken incidenteel circa € 490 miljoen en structureel € 60 miljoen beschikbaar komt om de aangescherpte wettelijke taken uit te voeren en het bibliotheekstelsel duurzaam te versterken. Over hoeveel gemeenten waar nu nog een volwaardige bibliotheekvoorziening ontbreekt, gaat het geld worden verdeeld? De memorie van toelichting wijst op de grote diversiteit in het Nederlandse bibliotheeklandschap en stelt dat afhankelijk van de lokale situatie verbetering en doorontwikkeling op verschillende manieren gestalte kan krijgen. Deze leden zien echter ook waardevolle lokale initiatieven die ook in veel andere plaatsen waren mogelijk geweest. De leden denken bijvoorbeeld aan Harlingen, waar een lokale boekhandel tevens de toegang vormt tot de openbare bibliotheek en het gemeentemuseum het Hannemahuis, zodat een bibliotheekbezoek daar organisch samengaat met kennismaking met het lokale cultuurleven. Zij denken ook aan het initiatief Boekkracht in gemeente Utrecht, waarmee de bibliotheek de middelbare scholen en mbo-instellingen helpt om een schoolbibliotheek op te zetten. Welke mogelijkheden ziet de regering om ook bibliotheken elders te laten leren van zulke waardevolle initiatieven?

Het valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat in de memorie van toelichting het woord «boekhandel» in het geheel niet valt, terwijl lokale boekhandels toch ook een belangrijke factor vormen in de lokale leescultuur. Hoe ziet de regering de rol van boekhandels binnen het lokale leesecosysteem in het algemeen, en de samenwerking met openbare bibliotheken in het bijzonder?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de regering uitvoering geeft aan de motie van het lid Mohandis c.s. over duurzame verankering van «de Bibliotheek op school» met een wettelijke basis voor de specifieke rol van bibliotheken bij leesbevordering voor de schoolgaande jeugd en de bekostiging daarvan.22 Hoeveel scholen zullen hiermee aan de slag gaan?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de Kamer inmiddels ook de motie van het lid Moorman c.s. heeft aangenomen over een schoolbibliotheek op elke school.23 Met lede ogen lazen deze leden dat de structurele financiering van dBos niet toereikend is om alle scholen van een bibliotheek te voorzien, dat dit jaarlijks € 190 miljoen zou kosten en dat dit niet beschikbaar is op de Rijksbegroting.24 Toch erkende de Minister dat zij een schoolbibliotheek ziet als een middel om een rijke leesomgeving in te richten, zodat alle leerlingen een gevarieerde, actuele collectie boeken onder handbereik hebben, maar het niettemin belangrijk vindt dat scholen hierin een eigen keuze hebben. Ziet de regering wat dit betreft dan enig licht tussen haar erkenning van de meerwaarde van schoolbibliotheken en de overwegingen in de motie van het lid Moorman c.s. dat toegang tot een actuele boekencollectie en deskundige begeleiding aantoonbaar bijdraagt aan de leesmotivatie en taalontwikkeling van leerlingen, maar dat het ontbreken van een schoolbibliotheek de kloof vergroot tussen leerlingen met en zonder toegang tot boeken thuis? Op welke onderwijssector(en) legt zij de focus bij het realiseren van volwaardige schoolbibliotheekvoorzieningen?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben voorts vragen over de rol van bibliotheken in het bieden van ondersteuning bij digitalisering. Deze leden geloven dat de IDO’s een onmisbare maatschappelijke functie hebben, omdat mensen daar terecht kunnen met vragen over de digitale overheid. Tevens vervullen IDO’s een belangrijke rol in het verbeteren van digitale vaardigheden, wat bijdraagt aan de brede maatschappelijke opdracht van de bibliotheek. Deze leden vragen de regering of zij samen met bibliotheken de mogelijkheid heeft onderzocht om de dienstverlening van de IDO’s als wettelijke taak voor bibliotheken op te nemen. Is de regering bereid om met bibliotheken in gesprek te gaan over deze mogelijkheid? Wat zijn de voor- en nadelen van het wettelijk borgen van IDO’s? Zij verwijzen naar de aangenomen motie van de leden Kathmann en Vermeer die oproept om de regiefunctie over de IDO’s bij de bibliotheken te beleggen.25 Momenteel ligt de regie bij gemeenten en de uitvoering bij bibliotheken. Kan de regering toelichten hoe zij deze motie uitvoert en welke gesprekken er al plaatsvinden met de bibliotheken over hun regiefunctie over de IDO’s? Welke rol heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties hier en welke rol heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn bezorgd over de financiële positie van IDO’s. Deze leden wijzen op twee onderzoeken die zowel het belang van de IDO’s als hun benarde financiële situatie schetsen.26 Volgens de leden blijkt hieruit de noodzaak voor het behouden en versterken van de IDO’s als onmisbaar loket voor burgers. De Kamer heeft de motie van het lid Kathmann aangenomen voor structureel extra middelen voor de IDO’s, inclusief dekking van de jaarlijkse indexering.27 Hoe voert de regering deze motie uit? Welke rol heeft het Ministerie van OCW in het op peil houden van deze voorziening in de bibliotheek? Erkent de regering dat IDO’s in de bibliotheek onmisbaar zijn en dat ze de zekerheid moeten hebben dat ze een onderdeel blijven van de dienstverlening van bibliotheken? Hoe kan OCW bijdragen aan die zekerheid, al dan niet door het borgen van de IDO’s in de wet? Welke gevolgen zou dit hebben voor de financiering van de IDO’s die nu via BZK verloopt?

De leden van de PVV-fractie lezen dat het wetsvoorstel mede bedoeld is om het netwerk van bibliotheken landelijk te versterken. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen dat bibliotheken steeds meer worden belast met aanvullende maatschappelijke taken, zoals sociale ondersteuning of educatieve programma’s, terwijl de kernfunctie; toegang tot boeken en kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis, juist onder druk staat.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij kan aangeven hoeveel middelen in de afgelopen tien jaar daadwerkelijk zijn geïnvesteerd in bibliotheekcollecties en leesbevordering, en hoeveel middelen zijn gegaan naar aanvullende maatschappelijke taken.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering duidelijk te maken hoe zij waarborgt dat bibliotheken daadwerkelijk blijven investeren in leesbevordering en in programma’s die bijdragen aan de kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis.

De leden van de PVV-fractie constateren dat er structureel € 60 miljoen beschikbaar wordt gesteld voor de verzwaring van de bestaande wettelijke bevorderingstaak van gemeenten en openbare lichamen, als aanvulling op de gemeentelijke middelen voor openbare bibliotheken. Deze leden vragen de regering te beargumenteren waarom deze structurele investering noodzakelijk is, terwijl de taken voor gemeenten ten opzichte van artikel 5 van de Wsob slechts beperkt veranderen door de omzetting in een zorgplicht, aangezien hiervoor binnen de bestaande gemeentelijke budgetten al financiële middelen beschikbaar waren. Ook vragen de leden om een onderbouwing welke extra taken of verplichtingen structureel € 60 miljoen rechtvaardigen.

De leden van de PVV-fractie vragen waarom een tijdelijke intensivering via een bijzondere uitkering aan Caribisch Nederland van € 385.000 noodzakelijk is. Daarnaast vragen deze leden waarom ervoor is gekozen dit bedrag beschikbaar te stellen via de vrije uitkering uit het BES-fonds, in plaats van via een geoormerkte uitkering, en om hoeveel bibliotheken het gaat.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven in hoeveel gemeenten de bibliotheekvoorziening op dit moment niet voldoet aan de zorgplicht zoals in dit wetsvoorstel voorgesteld wordt. Ook vragen deze leden tot hoeveel extra of betere bibliotheekvoorzieningen dit wetsvoorstel en de daarbij behorende extra middelen naar verwachting zullen leiden.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering bij amvb nadere eisen wil stellen aan de inhoud van het meerjarenplan. Wordt hierin ook een verplichting opgenomen om inzichtelijk te maken hoe de extra middelen voor het bibliotheekwerk ingezet worden? Deze leden vragen of de regering voornemens is de concept amvb nader in te vullen en te delen met de Kamer voorafgaand aan de plenaire behandeling. Deze leden lezen in het conceptbesluit dat een opsomming gegeven wordt van de onderdelen die moeten worden opgenomen in het meerjarenplan (artikel 2, tweede en derde lid). De leden vragen of deze opsomming limitatief is, zoals ook gevraagd is door de provincies die hierop als toezichthouder zullen gaan toezien. Zij vragen ook of bij het meerjarenplan ook meerjarige afspraken over de subsidie of bekostiging horen. Hoe kijkt de regering hiernaar? In hoeveel gemeenten is al sprake van meerjarige subsidie of bekostiging en in hoeveel gemeenten niet?

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering wil ingaan op het normenkader dat afgelopen jaren is ontwikkeld door de VNG en VOB in aanloop naar deze wet. Deze leden vragen of de regering kan toelichten hoe dit normenkader de afgelopen jaren is gebruikt en wat de ervaringen hiermee zijn.

De leden van de CDA-fractie constateren dat er regio’s zijn in het land waar intensief samengewerkt wordt als het gaat om de bibliotheekvoorziening, zoals bijvoorbeeld de Brainportregio of de regio Waterland. Deze leden vragen of de wet de ruimte biedt om een regionaal meerjarenplan op te stellen, welke vervolgens vastgesteld kan worden door ieder afzonderlijk college.

De leden van de CDA-fractie delen het belang van wettelijke verankering van leesbevordering in het onderwijs. Deze leden vragen of de regering nader wil ingaan op enerzijds de eigen rol van de lokale bibliotheek en anderzijds de eigen rol van de school/onderwijsinstelling. Hoe ziet dit er in de praktijk uit?

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de financiering van de bibliotheek op school in de praktijk werkt. Deze leden vragen of het klopt dat de bibliotheek afhankelijk is van de aanvraag door de school, en of het klopt dat het geld verdeeld wordt op basis van de eerste aanvragers. Kan de regering dit nader toelichten? Hoe ziet de regering de verdeling van de middelen over Nederland voor zich?

De leden van de BBB-fractie onderstrepen verder het belang van de verbinding tussen bibliotheken en het onderwijs, in het bijzonder op het gebied van leesbevordering en het versterken van basisvaardigheden bij jeugdigen. Deze leden zien hierin een belangrijke bijdrage aan kansengelijkheid en maatschappelijke ontwikkeling.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering kan aangeven in hoeveel gevallen bij bibliotheken is van een zelfstandige rechtspersoon en in hoeveel gevallen sprake is van een onzelfstandig onderdeel van de gemeenten. Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de keuze om de bibliotheek niet onder een zelfstandige rechtspersoon te laten functioneren?

De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre voor scholen een recht bestaat om de bibliotheek op school te kunnen realiseren dan wel dat scholen achter het net kunnen vissen wanneer het budget van de gemeente is uitgeput of onvoldoende capaciteit bestaat om nieuwe scholen te bedienen. Waarom is ervan afgezien om in de regeling inzake leesbevordering ook de aanspraak inzake de bibliotheek op school te verankeren?

De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat vrijwilligers een grote rol spelen bij het in stand houden van de bibliotheekvoorzieningen in gemeenten. Deze leden stellen vast dat de aanwezigheid van een professionele personeelsbezetting wel als vereiste in de wet is opgenomen, maar dat de positie van vrijwilligers nergens blijkt. Integendeel, het recht van burgers om betrokken te zijn bij de voorzieningen en deze zelfs over te kunnen nemen, wordt door het wetsvoorstel geschrapt. Deze leden vragen een toelichting op deze keuze en op de vraag waarom de wet niet uitdrukkelijk de positie van vrijwilligers benoemt, bijvoorbeeld door in het beleidsplan daaraan ook aandacht te moeten besteden.

De leden van de SGP-fractie constateren dat het wetsvoorstel de bibliotheek duidelijker positioneert als toegankelijke voorziening in de lokale gemeenschap. Deze leden vragen de regering tegen deze achtergrond nader in te gaan op de wettelijke mogelijkheid dat het lidmaatschap van de openbare bibliotheek zich ook kan beperken tot de landelijke digitale bibliotheek. Zij vragen waarom deze wetswijziging geen aanleiding vormt om te regelen dat het lidmaatschap van de bibliotheek ook altijd het lidmaatschap van de lokale bibliotheek omvat, zonder dat dit tot extra verplichtingen hoeft te leiden voor degenen die vrijwel uitsluitend gebruik wensen te maken van de digitale bibliotheek. Een dergelijke keuze benadrukt de verantwoordelijkheid die inwoners hebben voor dit onderdeel van de gemeenschap, dat algemeen toegankelijk is en iedereen ten goede kan komen. Deze leden wijzen er bovendien op dat burgers bij vragen over de digitale bibliotheek vaak toch aankloppen bij de lokale bibliotheek en dat het in de praktijk kennelijk vaak niet realistisch is om te veronderstellen dat men helemaal zonder de verbinding met de lokale bibliotheek kan.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om nader te definiëren wat ze bedoelt met de «redelijke afstand» waarbinnen inwoners van Nederland volgens het wetsvoorstel toegang zouden moeten hebben tot een volwaardige openbare bibliotheek. Kan de regering hierbij specifiek in gaan op de situatie van gemeenten met een relatief lage bevolkingsdichtheid, maar wel met een grote oppervlakte? Acht de regering het voorstelbaar dat er discussie kan ontstaan over wat al dan niet een redelijke afstand is? Wie bepaalt uiteindelijk wat deze redelijke afstand is?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat onderhavig wetsvoorstel een wettelijke zorgplicht regelt dat inhoudt dat er in iedere gemeente of openbaar lichaam tenminste één bibliotheekvoorziening is. Deze leden vragen of het volgens de regering ook redelijk zou zijn als in de buurt van de grens tussen gemeenten één bibliotheekvoorziening zou zijn gevestigd, waardoor er weliswaar niet in elke gemeente een bibliotheekvoorziening is, maar wel is gewaarborgd dat de inwoners van beide gemeenten een bibliotheekvoorziening in de buurt hebben. Kan de regering dit toelichten?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Minister in afstemming met de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba één provinciale ondersteuningsinstelling wil aanwijzen. Deze leden vragen waarom deze afstemming niet al heeft plaatsgevonden en de provinciale ondersteuningsinstelling al bij wet wordt aangewezen. Zij vragen tevens waarom de regering ervoor kiest om de aanwijzing plaatsvindt voor een periode van vijf jaar. Wat is hierachter de gedachte? Waarom bijvoorbeeld geen vier of zes?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom er voor gekozen is om één provinciale ondersteuningsinstelling voor de BES-eilanden aan te wijzen, in plaats voor elk eiland één. Kan de regering dat toelichten?

2.2 Wijziging Auteurswet en de Wet op de naburige rechten

De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat fair pay een belangrijke pijler is in het cultuurbeleid en achten het van belang dat makers, zoals auteurs en illustratoren, een eerlijke vergoeding ontvangen voor het gebruik van hun werken. Genoemde leden lezen dat de vergoeding wordt bepaald aan de hand van de formule P X Q, waarbij de Q periodiek zal worden benaderd door periodiek onderzoek. Deze leden vragen de regering onder periodiek wordt verstaan.

De leden van de VVD-fractie hebben begrip voor de keuze om scholen en mbo-instellingen niet te verplichten een uitleenadministratie bij te houden, mede met het oog op het beperken van administratieve lasten. Tegelijkertijd achten deze leden het van belang dat de gegevens waarop de leenrechtvergoeding wordt gebaseerd voldoende betrouwbaar en representatief zijn. Daarom vragen zij hoe de regering de bereidheid van scholen en mbo-instellingen inschat om op vrijwillige basis gegevens aan te leveren in het kader van beleidsonderzoek. In hoeverre bestaat het risico dat de respons beperkt of selectief is, en wat betekent dit voor de kwaliteit van de uitkomsten?

De leden van de VVD-fractie lezen dat de keuze om leenrechtvergoeding niet bij scholen en mbo-instellingen neer te leggen, mede is gemaakt om het mee naar huis nemen van boeken door scholieren en mbo-studenten te stimuleren. Deze leden onderschrijven het belang dat boeken ook buiten de schoolomgeving worden gelezen. Tegen deze achtergrond vragen de leden op welke wijze het thuis lezen door scholieren en mbo-studenten nog meer wordt gestimuleerd.

De leden van de VVD-fractie hechten aan een zorgvuldige en juridisch houdbare vormgeving van de leenrechtvergoeding, waarbij zowel de belangen van rechthebbenden als de uitvoerbaarheid voor onderwijsinstellingen in balans zijn. Deze leden vragen daarom in hoeverre de voorgestelde methode om te komen tot een billijke vergoeding, waarbij wordt uitgegaan van een periodiek onderzoek naar het aantal uitgeleende werken zonder dat scholen en mbo-instellingen verplicht zijn een uitleenadministratie bij te houden, in overeenstemming is met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 juni 2011.28

De leden van de VVD-fractie vinden transparantie en proportionaliteit in de governance en bekostiging van de betrokken stichtingen belangrijk. Deze leden vragen waar de vergoedingen voor de voorzitters van de StOL29 en SOnT30 op zijn gebaseerd. In hoeverre zijn deze vergoedingen marktconform en hoe verhouden deze zich tot de aard en omvang van de werkzaamheden? Kan de regering dit nader toelichten?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stemmen ermee in dat met dit wetsvoorstel wordt voorzien in een structurele wettelijke regeling voor compensatie van leenrechtvergoedingen bij uitleningen door scholen. Deze leden hechten aan fair pay als pijler in het cultuurbeleid. In dit verband wijzen zij ook op de motie van de leden Mohandis en Koops over de fairpayrichtlijnen voor opdrachtgevers31, die de Kamer in 2025 heeft aangenomen. Wat kan de regering inmiddels melden over de uitvoering van deze motie? De rechthebbenden krijgen steeds vaker geen billijke vergoeding door een verschuiving van uitleningen van kinder- en jeugdboeken door lokale bibliotheken naar schoolbibliotheken. Hoe groot is deze verschuiving en hoe wordt deze berekend?

De leden van de CDA-fractie lezen dat het Ministerie van OCW onderzoek gaat doen naar het aantal uitleningen, maar dat scholen geen uitleenadministratie hoeven bij te houden. Deze leden steunen dat, maar vragen wel hoe de regering dit dan precies gaat onderzoeken.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering wil toelichten hoe in de berekening van de vergoeding door de staat rekening gehouden wordt met het aantal digitale uitleningen. Is het ten aanzien van digitale uitleningen wel duidelijk vast te stellen hoeveel uitleningen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden of wordt ook daarbij volstaan met een schatting?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de voorzitters van de StOL en de SOnT worden benoemd voor een termijn van ten hoogste drie jaren. Kan de regering toelichten waarom er is gekozen voor deze termijn? Waarom bijvoorbeeld niet ten hoogste vier of vijf jaren?

3. Gevolgen

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie signaleren met tevredenheid dat veel bibliotheken de leeftijd van 18 oprekken, bijvoorbeeld naar 21, 23, 24, 27 of zelfs 30 jaar. Zo heeft 53,5 procent van de bibliotheken een vorm van gratis lidmaatschap boven de 18 jaar (helemaal gratis, gratis tot een bepaalde leeftijd, gratis voor bepaalde doelgroepen). Daarvan is 37,7 procent gratis tot een bepaalde leeftijd, waarvan het grootste deel tot en met 27. In 2023 was het totaal van gratis vormen van lidmaatschap nog 17,9 procent en in 2025 38,2 procent. Deze leden zien dus een sterke toename. Is de regering het met de leden en de VOB eens dat het bij de toegang tot de openbare bibliotheek van belang is om (financiële) drempels weg te nemen? Ziet de regering geldelijke bijdragen als een drempel die zij kan wegnemen? Welke drempels ziet de regering nog meer in het toegang bieden voor eenieder tot de bibliotheek? Het wetsvoorstel voorziet vooralsnog niet in een uitbreiding van de groep jongeren die ervoor in aanmerking komt geen contributie of andere geldelijke bijdrage te hoeven betalen voor uitleningen. In 2024 waren de inkomsten uit leners van bibliotheken (lidmaatschap en boetes) € 50,84 miljoen. Tijdens het rondetafelgesprek van 16 april 2026 over het onderhavige wetsvoorstel berekende de VOB ervan uitgaande dat ongeveer 10 procent van de lidmaatschappen tot de doelgroep 18–27 jaar behoort, dat een bandbreedte van € 5 tot 10 miljoen zou volstaan om de contributies voor deze leeftijdsgroep te compenseren en voor de aanvullende kosten van intensiever gebruik van de bibliotheek. Hoe vangen de bibliotheken die nu al de leeftijd van 18 oprekken (53,5 procent), de kosten ervan op? Hoe lossen deze bibliotheken de problematiek van de verrekening van BTW op? Met welke extra kosten en welke extra inkomsten krijgen deze bibliotheken te maken? Zou de sector ook gebruik kunnen maken van het BTW-compensatiefonds, dat wettelijke taken van overheden compenseert, zodra er een zorgplicht gaat gelden, die men als wettelijke taak aanmerkt?

4. Uitvoering

De leden van de D66-fractie merken op dat in het rondetafelgesprek over het onderhavige wetsvoorstel van 16 april 2026 sterk naar voren kwam dat de criteria nog niet duidelijk genoeg zijn opgesteld. Welke ruimte ziet de regering in de meerjarenplannen van de gemeente om de samenwerking tussen bibliotheken en scholen lokaal te versterken? En hoe wordt dit gewaarborgd?

De leden van de D66-fractie vragen welke instrumenten de regering op het moment heeft dat de rijksmiddelen voor de bibliotheken lokaal niet bij de bibliotheken terecht komen. Hoe borgt de regering dat de wetswijziging ook in de praktijk leidt tot een versterking van het bibliothekenstelsel?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de memorie van toelichting melding maakt van overleg dat heeft plaatsgevonden met betrokken overheden en bibliotheekpartijen over de invulling van het begrip «volwaardige bibliotheek». In welke invulling van dit begrip heeft dit overleg geresulteerd, zo vragen deze leden.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de VNG het budget via de algemene uitkering gemeentefonds voor een beperkte groep gemeenten die op dit moment nog niet voldoet aan de zorgplicht «mogelijk niet toereikend» noemt en wijst op het risico dat kleine gemeenten met een groot oppervlak bestaande kleinere bibliotheekvoorzieningen moeten sluiten. Daarom bepleit de VNG maatwerk. Wat houdt dit maatwerk volgens de VNG in? Naar het oordeel van de VNG kan het overgrote deel van de gemeenten wel voldoen aan de zorgplicht. Deze leden vragen hoeveel gemeenten dit naar verwachting niet gaat lukken. Het totale bedrag per gemeente is nooit lager dan € 100.000. Voor welk deel is dit minimumbedrag doorgaans toereikend om in kleine gemeenten de maatschappelijke functies te kunnen vervullen om hun zorgplicht waar te maken?

5. Toezicht en handhaving

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de provincies interbestuurlijk toezicht houden op de uitvoering van de zorgplicht door gemeente. Deze leden onderschrijven dat waar sprake is van een zorgplicht, passend toezicht noodzakelijk is om te waarborgen dat gemeenten hun taken daadwerkelijk uitvoeren. Tegen deze achtergrond vragen de leden op welke concrete elementen van de zorgplicht provincies toezicht houden via het interbestuurlijk toezicht. In hoeverre acht de regering deze vorm van toezicht voldoende om te borgen dat gemeenten daadwerkelijk aan de zorgplicht voldoen? Daarnaast vragen de leden in hoeverre provincies organisatorisch in staat zijn deze toezichtstaak op zich te nemen. Beschikken zij over voldoende capaciteit om het interbestuurlijk toezicht effectief uit te voeren nu de bevorderingstaak wordt verzwaard naar een zorgplicht.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de provincies worden belast met het interbestuurlijk toezicht op de zorgplicht. Hoe denkt de regering over de wens van de provincies dat gemeenten niet alleen hun meerjarenplan moeten publiceren, maar dit ook en tevens binnen een bepaalde vaste termijn na de vaststelling ervan naar de provincies moeten toesturen?

6. Financiële gevolgen

De leden van de VVD-fractie vragen om hoeveel gemeenten het gaat waar een nieuwe bibliotheek gerealiseerd zal moeten worden als gevolg van dit wetsvoorstel.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat een beperkt aantal gemeenten zonder bibliotheek een nieuwe bibliotheek zal moeten realiseren. Voor deze gemeenten betreft het dus een begin vanaf nul voorzieningen. Gemeenten zullen daar ook huisvesting moeten zoeken en dit zal meteen ook veel tijd en geld kunnen kosten. In hoeveel gemeenten speelt dit?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de memorie van toelichting meldt dat gemeenten zonder bibliotheek in 2025 en 2026 middelen uit de decentralisatie-uitkering van € 59,3 miljoen kunnen inzetten om zich voor te bereiden op de zorgplicht. Deze leden vragen om een nadere toelichting hoe dit dan in zijn werk zal gaan. Uit een uitvraag van de VOB blijkt namelijk dat een groot deel van de openbare bibliotheken de bibliotheekmiddelen uit de decentralisatie-gelden niet ontvangt? Herkent de regering dit beeld? En zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de ambities die de wet beoogd in het garanderen van de toegang tot een volwaardige bibliotheek voor eenieder?

Voor versterking van het bibliotheekwerk in Caribisch Nederland komt jaarlijks € 385.000 beschikbaar. Het is de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie bekend dat op Bonaire de Biblioteka Publiko Boneiru bestaat, maar hoe staat het er op dit moment voor op Sint Eustatius en Saba met de bibliotheekvoorzieningen? Wat is daar de stand van zaken met schoolbibliotheken?

De leden van de CDA-fractie constateren dat dit wetsvoorstel voorziet in een structureel extra budget van € 60 miljoen, boven op het bestaande budget van ca. € 490 miljoen. Deze leden vragen wat de precieze onderbouwing is van dit extra bedrag. Hoe weet de regering of er niet meer of minder nodig is om de zorgplicht in te vullen?

De structurele financiële impuls die met dit wetsvoorstel gepaard gaat, wordt door de leden van de BBB-fractie positief gewaardeerd. Deze leden hechten eraan dat deze middelen daadwerkelijk ten goede komen aan het lokale bibliotheeknetwerk, zodat de beoogde versterking van het stelsel in de praktijk wordt gerealiseerd.

7. Evaluatie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstel regelt dat de wet, gerekend vanaf het moment van inwerkingtreding, elke vijf jaar wordt geëvalueerd. In deze evaluatie zal onder meer de samenwerking tussen scholen en bibliotheken aan de orde komen bij leesbevordering en in de uitleningen via schoolbibliotheken. Hoe ziet volgens de regering straks een volwaardige bibliotheekvoorziening op iedere school eruit? Welke rol ziet de regering daarbij voor de scholen en welk rol voor de bibliotheken?

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de uitwerking van de evaluatie zo lang op zich heeft laten wachten na het uitvoeren van de evaluatie in 2019.

8. Advies en consultatie

De leden van de D66-fractie merken op dat in een groot deel van Europa bibliotheken gratis zijn, hoe staat de wetgeving in andere Europese landen in verhouding tot de Nederlandse bibliotheekwetgeving omtrent het waarborgen van de toegang tot de bibliotheek?

De leden van de VVD-fractie constateren dat in de memorie van toelichting is aangegeven dat geen algemeen gratis lidmaatschap wordt ingevoerd, mede vanwege het ontbreken van inzicht in de effecten en de budgettaire consequenties. Tegelijkertijd wijzen deze leden op de motie van de leden Rooderkerk en Kisteman32, waarin wordt verzocht onderzoek te doen naar op welke manier ieder kind automatisch lid kan worden van de openbare bibliotheek. Tegen deze achtergrond vragen deze leden naar de stand van zaken van dit onderzoek. Kan de regering aangeven wanneer de Kamer de uitkomsten van dit onderzoek kan verwachten? Is het eerste kwartaal van 2026 nog haalbaar zoals eerder aangegeven in een stand-van-zakenbrief?33

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de VOB zich zorgen maakt of het budget dat het rijk beschikbaar stelt ook daadwerkelijk zal terechtkomen bij de bibliotheken. Deze leden vragen hoe de bekostiging die grotendeels geschiedt via de algemene uitkering gemeentefonds, voldoende waarborgen biedt dat het geld daadwerkelijk ter bestemder plaatse zal belanden.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoeveel procent van de kinderen/jongeren tot 18 jaar lid zijn van de bibliotheek? Oftewel, welk deel van de kinderen/jongeren wordt hiermee bereikt en is hiervoor ook een doelstelling?

De leden van de CDA-fractie lezen dat er verschillende bibliotheken zijn die zich zorgen maken of het extra geld wel daadwerkelijk bij bibliotheken terecht komt, aangezien is gekozen voor een algemene uitkering uit het gemeentefonds. Deze leden begrijpen dat dit aansluit bij de huidige vormgeving van de middelen voor gemeenten, maar hebben hier nog wel een vraag over. De regering geeft namelijk aan dat uit onderzoek blijkt dat verreweg het grootste deel van de inkomsten van bibliotheken afkomstig is uit gemeentelijke subsidies – en dat dit bedrag ongeveer overeenkomt met de huidige beschikbare middelen. Deze leden vragen of de regering deelt dat dit algemene beeld niet alles zegt over de situatie op lokaal niveau, en dat dit in individuele situaties wel degelijk kan betekenen dat niet alle middelen bij de bibliotheek terecht komen. Zij vragen hoe de regering hiernaar kijkt. En kan de regering aangeven of de middelen uit de Spuk bibliotheken ook daadwerkelijk bij bibliotheken terecht zijn gekomen?

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering kijkt naar het verzoek van de VOB om gemeenten en bibliotheken te ondersteunen bij de ontwikkeling van een subsidierelatie naar een bekostigingsrelatie en dit op te nemen in bestuurlijke afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten.

De leden van de SGP-fractie vragen op welke wijze richting kan worden gegeven aan de uitwerking van de zorgplicht van gemeenten. Deze leden constateren dat een concrete norm ten aanzien van openingstijden is vervallen. Zij begrijpen dat de regering ruimte wil laten aan de lokale praktijk om tot een passende uitwerking te komen, maar zij vragen er aandacht voor dat richtinggevende uitgangspunten nuttig kunnen zijn om het gesprek in gemeenten te ondersteunen.

De leden van de SGP-fractie lezen dat gemeenten gezamenlijk een bibliotheekvoorziening in stand kunnen houden. Deze leden steunen de mogelijkheden voor gemeenten om samen te werken, maar zij vragen of de regering kan bevestigen dat gemeenten volgens het wetsvoorstel altijd minimaal een volwaardige bibliotheek met alle kernfuncties binnen de gemeente in stand moet houden.

9. Inwerkingtreding

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de regering beoogt pas drie jaar na publicatie van de wet de huidige bevorderingsplicht om te zetten in een zorgplicht. Deze leden wijzen op de motie van het lid Mohandis c.s. waarmee de Kamer al in 2022 vroeg om een wetswijziging om de toegang tot een volwaardige bibliotheek voor elke inwoner van Nederland garandeert.34 Hoe verhoudt de gekozen termijn zich tot het feit dat de Kamer met het aannemen van deze motie verzocht om de wetswijziging uiterlijk in 2023 aan de Kamer te doen toekomen? Heeft de regering ten aanzien van openbare bibliotheken vooruitlopend op de wetswijziging dan al die jaren stilgezeten? Zou de regering inmiddels niet met een termijn van twee jaar moeten kunnen volstaan?

De leden van de PVV-fractie vragen de regering om te verduidelijken waarom er voor een overgangstermijn van drie jaar is gekozen. Op basis van welke analyse is vastgesteld dat deze termijn voor gemeenten toereikend is om aan de nieuwe zorgplicht te voldoen?

Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie hoe wordt omgegaan met gemeenten die na afloop van de overgangstermijn nog steeds niet beschikken over een volwaardige bibliotheekvoorziening.

II. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdelen B en D

De leden van de SGP-fractie vragen waarom het bijvoeglijke naamwoord «openbare» door de regeling in verschillende onderdelen komt te vervallen en hoe zich dat verhoudt tot het opschrift van de wet.

Artikel I, onderdeel F

De leden van de VVD-fractie steunen het uitgangspunt dat bibliotheekvoorzieningen voor alle inwoners toegankelijk moeten zijn en constateren dat in het wetsvoorstel wordt gesproken over «een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is». Deze leden vragen zich af hoe dit criterium concreet moet worden geïnterpreteerd en hoe deze wordt bepaald. In de memorie van toelichting wordt hierbij aangegeven dat het «voor de hand ligt om de geografie en demografie van de betreffende gemeente of het betreffende openbaar lichaam in acht te nemen» maar de leden vragen om een concretere toelichting.

Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat het enkel beschikken over vrijwilligers onvoldoende is om te voldoen aan de zorgplicht. Deze leden onderstrepen dat zij een belangrijke bijdrage leveren aan het functioneren van bibliotheekvoorzieningen. Tijdens werkbezoeken hebben de leden bovendien gezien hoe groot de inzet en betrokkenheid van vrijwilligers is en hoe belangrijk zij zijn voor het mogelijk maken van activiteiten, zoals taalcursussen en het draaiend houden van voorzieningen. Tegelijkertijd zien zij dat de beschikbaarheid van vrijwilligers onder druk kan staan, onder meer als gevolg van vergrijzing. Zij vragen de regering daarom hoe zij de rol en inzet van vrijwilligers in relatie tot de zorgplicht ziet. Op welke wijze wordt rekening gehouden met mogelijke tekorten aan vrijwilligers in de toekomst? En hoe wordt voorkomen dat gemeenten in de knel komen bij het voldoen aan de zorgplicht wanneer de beschikbaarheid van vrijwilligers afneemt?

De leden van de SGP-fractie vragen of het uitwerken van het criterium «binnen redelijke afstand» uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de gemeente blijft dan wel dat er externe normen zijn die de vrijheid van de gemeente beperken.

Artikel I, onderdeel M

De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat de wijziging van artikel nog niet de beoogde duidelijkheid oplevert. Deze leden stellen vast dat de wet geen definitie bevat van het begrip openbare bibliotheek en dat, zoals benoemd bij artikel I, onderdelen B en D, het woord «openbare» juist op verschillende plekken vervalt. Bovendien wordt langer een onderscheid gehanteerd tussen lidmaatschap en het gebruik van voorzieningen. Hierdoor kan de vraag rijzen hoe verschillende lidmaatschappen zich tot elkaar verhouden. De\e leden vragen of de regering dit nogmaals wil bezien ten einde verwarring te voorkomen. Eveneens vragen zij hoe, in ieder geval ten aanzien van de landelijke digitale bibliotheek, van lidmaatschap gesproken kan worden voor zover het rechtsvormen betreft die geen leden kunnen hebben.

De voorzitter van de commissie, Koorevaar

Adjunct-griffier van de commissie, Bosnjakovic


X Noot
1

De inbreng van de wetgevingsrapporteurs is in het verslag te herkennen aan de zinsnede «de leden van de commissie (zijn van mening)» in tegenstelling tot «de leden van de X- fractie (zijn van mening)».

X Noot
2

Kamerstuk 31 293, nr. 670.

X Noot
3

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 4.

X Noot
4

Wsob: Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen.

X Noot
5

IPO: Interprovinciaal Overleg.

X Noot
6

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 12.

X Noot
7

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 13.

X Noot
8

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 4.

X Noot
9

amvb: algemene maatregel van bestuur.

X Noot
10

VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

X Noot
11

VNG, maart 2025, Uitvoeringstoets Wijziging Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, https://vng.nl/sites/default/files/2025-05/eindrapport_ut_wijziging_wsob.pdf

X Noot
12

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 11.

X Noot
13

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 13.

X Noot
14

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 13.

X Noot
15

VOB: Vereniging van Openbare Bibliotheken.

X Noot
16

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 15.

X Noot
17

Kamerstuk 31 293, nr. 855.

X Noot
18

Kamerstuk 33 846, nr. 74.

X Noot
19

dBos: de Bibliotheek op School.

X Noot
20

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 12.

X Noot
21

IDO: Informatiepunt Digitale Overheid.

X Noot
22

Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 44.

X Noot
23

Kamerstuk 36 699, nr. 27.

X Noot
24

Antwoord op vraag 22 in Kamerstuk 36 773, nr. 4.

X Noot
25

Kamerstuk 26 643, nr. 1419.

X Noot
26

Exploitatieonderzoek Informatiepunt Digitale Overheid (KPMG i.o.v. BZK, oktober 2024; https://www.bibliotheeknetwerk.nl/sites/default/files/documents/bbv-IDO-exploitatiekosten-onderzoek-KPMG-2024.pdf).

X Noot
27

Kamerstuk 36 740 VII, nr. 35.

X Noot
28

ECLI:EU:C:2011:445.

X Noot
29

StOL: Stichting Onderhandelingen Leenrechtvergoeding.

X Noot
30

SOnT: de Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoeding.

X Noot
31

Kamerstuk 32 820, nr. 549.

X Noot
32

Kamerstuk 28 760, nr. 117.

X Noot
33

Kamerstuk 32 820, nr. 560.

X Noot
34

Kamerstuk 32 820, nr. 474.


X Noot
1

De inbreng van de wetgevingsrapporteurs is in het verslag te herkennen aan de zinsnede «de leden van de commissie (zijn van mening)» in tegenstelling tot «de leden van de X- fractie (zijn van mening)».

X Noot
2

Kamerstuk 31 293, nr. 670.

X Noot
3

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 4.

X Noot
4

Wsob: Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen.

X Noot
5

IPO: Interprovinciaal Overleg.

X Noot
6

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 12.

X Noot
7

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 13.

X Noot
8

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 4.

X Noot
9

amvb: algemene maatregel van bestuur.

X Noot
10

VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

X Noot
11

VNG, maart 2025, Uitvoeringstoets Wijziging Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, https://vng.nl/sites/default/files/2025-05/eindrapport_ut_wijziging_wsob.pdf

X Noot
12

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 11.

X Noot
13

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 13.

X Noot
14

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 13.

X Noot
15

VOB: Vereniging van Openbare Bibliotheken.

X Noot
16

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 15.

X Noot
17

Kamerstuk 31 293, nr. 855.

X Noot
18

Kamerstuk 33 846, nr. 74.

X Noot
19

dBos: de Bibliotheek op School.

X Noot
20

Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 12.

X Noot
21

IDO: Informatiepunt Digitale Overheid.

X Noot
22

Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 44.

X Noot
23

Kamerstuk 36 699, nr. 27.

X Noot
24

Antwoord op vraag 22 in Kamerstuk 36 773, nr. 4.

X Noot
25

Kamerstuk 26 643, nr. 1419.

X Noot
26

Exploitatieonderzoek Informatiepunt Digitale Overheid (KPMG i.o.v. BZK, oktober 2024; https://www.bibliotheeknetwerk.nl/sites/default/files/documents/bbv-IDO-exploitatiekosten-onderzoek-KPMG-2024.pdf).

X Noot
27

Kamerstuk 36 740 VII, nr. 35.

X Noot
28

ECLI:EU:C:2011:445.

X Noot
29

StOL: Stichting Onderhandelingen Leenrechtvergoeding.

X Noot
30

SOnT: de Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoeding.

X Noot
31

Kamerstuk 32 820, nr. 549.

X Noot
32

Kamerstuk 28 760, nr. 117.

X Noot
33

Kamerstuk 32 820, nr. 560.

X Noot
34

Kamerstuk 32 820, nr. 474.

Naar boven