Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36871 nr. F |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36871 nr. F |
Vastgesteld 28 april 2026
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP hebben kennisgenomen van het voorstel voor de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026. De leden van deze fracties hebben gezamenlijk een aantal vragen aan de regering te stellen.
De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel, de grootste verandering in ons asielbeleid in de afgelopen 25 jaar. Deze leden zijn positief gestemd dat er na tien jaar onderhandelen een omvangrijk pakket ligt dat zorgt voor meer harmonie in de asiel- en migratieregels binnen de Europese Unie en meer solidariteit tussen de lidstaten. De leden van de fractie van D66 staan meer grip op migratie voor. Dit in lijn met internationale en nationale wetgeving, op een manier die uitvoerbaar, effectief, en menselijk is. Deze leden hebben daarom de regering diverse vragen te stellen.
De leden van de fracties van het CDA, de VVD en JA21 hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en constateren dat veel van de maatregelen in de voorliggende wet ook in de Asielnoodmaatregelenwet en/of in de Wet invoering tweestatusstelsel waren of zijn opgenomen. Dienaangaande hebben genoemde leden dan ook geen aanvullende vragen. Wel vragen genoemde leden gezamenlijk nadere duiding op een aantal punten.
De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en hebben daarbij verschillende vragen.
De leden van de fracties van Volt en de PvdD hebben met zorg kennisgenomen van het voorstel voor de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel en Migratiepact 2026. Genoemde leden staan voor een humaan asielbeleid dat mensenrechten respecteert, de rechtsstaat versterkt en gebaseerd is op solidariteit binnen de Europese Unie. Vanuit die grondslag hebben deze leden gezamenlijk een aantal vragen te stellen aan de regering, waarbij niet alleen getoetst wordt op de correcte omzetting van het Europees Asiel- en migratiepact, maar ook op de rechtmatigheid, proportionaliteit en grondrechtelijke consistentie van de nationale keuzes die de regering daarbinnen maakt. Genoemde leden achten het daarbij van groot belang dat de implementatie van het Europees Asiel- en migratiepact niet alleen leidt tot meer efficiëntie, maar ook tot een systeem dat recht doet aan fundamentele rechten, menselijke waardigheid en de rechtsstaat.
De leden van de fractie van de SGP hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel voor de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 en hebben een aantal vragen.
Het lid van de fractie van 50PLUS heeft kennisgenomen van het wetsvoorstel en wenst hierover enkele vragen te stellen.
Het lid van de fractie-Van de Sanden heeft kennisgenomen van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel heeft dit lid aanleiding gegeven tot het stellen van een aantal vragen.
Het lid van de fractie-Van Gasteren heeft kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en heeft daarbij diverse vragen.
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP hebben gezamenlijk vragen over diverse onderwerpen.
Algemene vragen
De leden van de fracties GroenLinks-PvdA en de SP constateren dat uit de uitvoeringstoets van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over het afschaffen van de voornemenprocedure blijkt dat in elf procent van de zaken waarin de IND aanvankelijk voornemens is een asielaanvraag af te wijzen, de voornemenprocedure alsnog leidt tot inwilliging van de aanvraag.2
1. In hoeverre verwacht de regering dat zaken die nu in de voornemenfase worden «gecorrigeerd», zich na afschaffing zullen verplaatsen naar de beroepsfase? Wat betekent dit voor de werklast van de Rechtspraak?
2. Op welke wijze wordt voorkomen dat het wegvallen van deze procedurele waarborg leidt tot meer procedures, langere doorlooptijden en hogere druk op de rechterlijke macht?
3. Hoe verhoudt het afschaffen van deze correctiemogelijkheid zich tot de in de door de Tweede Kamer aangenomen motie van de leden Ceder en Westerveld over alles op alles zetten om te voorkomen dat de Rechtspraak vastloopt3 uitgesproken oproep om er alles aan te doen om te voorkomen dat de Rechtspraak vastloopt?
4.
a. Is de regering bereid om een zo volledig mogelijke tabel op te stellen met daarin een overzicht van de wijze waarop iedere lidstaat van de Europese Unie gebruik maakt van de implementatieruimte binnen het Europees Asiel- en migratiepact en van eventuele extra nationale wetgeving en deze aan de Kamer te verstrekken? Kan daarbij systematisch en op basis van objectieve criteria worden aangegeven op welke wijze de Nederlandse invulling zich verhoudt tot die van andere lidstaten? In het bijzonder ten aanzien van:
− de snelheid van screening- en asielprocedures;
− de toepassing en duur van (grens)detentie, mede in verhouding tot Europese en internationale rechtsnormen;
− de positie van minderjarigen, in het bijzonder de mogelijkheid tot en voorwaarden voor detentie;
− de toegang tot de asielprocedure en de waarborgen ter voorkoming van pushbacks, en
− de gevolgen hiervan voor het doel van het Europees Asiel- en migratiepact om tot harmonisering van wetgeving tussen lidstaten te komen.
b. Wat zijn de gevolgen van de verschillende nationale invullingen op het onderliggende doel van het Europees Asiel- en migratiepact, te weten de verdergaande harmonisering van het Europese asielbeleid?
Asielprocedureverordening (EU) 2024/1348
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP merken op dat de regering met artikel 59b lid 5 van de Vreemdelingenwet een grondslag voor bewaring van minderjarigen introduceert, terwijl deze mogelijkheid niet expliciet uit het Europees Asiel- en migratiepact voortvloeit. Tegelijkertijd is – mede naar aanleiding van zorgen over mogelijke strijd met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) – voorzien in een evaluatie van deze bepaling na vijf jaar.
5. Op welke wijze beoordeelt de regering de verenigbaarheid van artikel 59b lid 5 van de Vreemdelingenwet met het IVRK, in het bijzonder gelet op artikel 37, onder b, van het IVRK, waarin is bepaald dat vrijheidsontneming van minderjarigen slechts als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur mag worden toegepast?
6. Kan de regering concrete voorbeelden geven waarin het in het belang van het kind is dat dit in detentie verblijft op basis van de uitzonderingsgronden zoals opgenomen in artikel 59b lid 5 van de Vreemdelingenwet?
7. Waarom is het in het belang van het kind om in bewaring te verblijven met de ouder of hoofdverzorger als deze laatste in bewaring wordt gesteld? Waarom wordt er niet voor gekozen om beiden dan niet in bewaring te houden?
8. Kan de regering concrete voorbeelden geven wanneer het in het belang van het kind is als deze niet-begeleide minderjarigen door vreemdelingenbewaring worden beschermd?
9. Verwacht de regering dat met een beroep op voormeld artikel en het IVRK er een toename van het aantal rechtszaken zal plaatsvinden? Zo ja, wat betekent deze toename op de nu al te hoge druk op de Rechtspraak?
10. In hoeverre acht de regering een evaluatie na vijf jaar een toereikend instrument om mogelijke schendingen van kinderrechten tijdig te signaleren en te voorkomen?
11. Welke waarborgen bestaan in de periode voorafgaand aan deze evaluatie om te voorkomen dat minderjarigen onrechtmatig of disproportioneel in bewaring worden gesteld?
12. Heeft de regering overwogen om aanvullende vormen van voorafgaande toetsing of doorlopende monitoring in te richten, juist gelet op de kwetsbaarheid van de betrokken groep? Zo nee, waarom niet?
13. Kan de regering uiteenzetten op welke wijze de Nederlandse invulling van de implementatieruimte op dit punt zich verhoudt tot die van andere lidstaten en in hoeverre daarbij sprake is van een relatief strikte of vergaande toepassing?
14. Indien sprake is van een relatief strikte invulling; op welke wijze beoordeelt de regering of deze toepassing – gelet op de kwetsbaarheid van de betrokken doelgroep – niet leidt tot ongepaste of disproportionele maatregelen in verhouding tot het beoogde doel?
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP wijzen erop dat in het huidige nationale systeem bewaring in de asielprocedure in beginsel slechts mogelijk is voor een korte duur, doorgaans beperkt tot vier weken, met de mogelijkheid tot verlenging met zes weken in het kader van een voornemenprocedure en tot maximaal drie maanden indien beroep bij de rechter aanhangig is.
In het voorgestelde systeem wordt de bewaartermijn gekoppeld aan de behandeltermijn van asielaanvragen zoals neergelegd in artikel 35 van de Procedureverordening (EU) 2024/1348. Dit betekent dat de maximale duur van bewaring in beginsel wordt gesteld op zes maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met nog eens zes maanden onder specifieke voorwaarden. Hoewel in de toelichting wordt benadrukt dat het nadrukkelijk niet de bedoeling is dat bewaring in alle gevallen de maximale termijn voortduurt4, leidt het voorstel wel tot een aanzienlijke verruiming van de maximale bewaartermijn ten opzichte van de huidige nationale praktijk.
15 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van State erop wijst dat de toelichting niet ingaat op waarom de bestaande differentiatie in bewaartermijnen niet langer mogelijk of wenselijk zou zijn.5
Kan de regering alsnog gemotiveerd uiteenzetten waarom wordt afgezien van deze differentiatie naar gronden van bewaring?
16. Kan de regering uiteenzetten in hoeverre deze verruiming in de praktijk naar verwachting zal leiden tot een langere feitelijke duur van bewaring, ondanks de stelling dat het niet de bedoeling is de maximale termijn standaard te benutten?
17. Op welke wijze heeft de regering de noodzakelijkheid van deze verruiming getoetst? Welke minder ingrijpende alternatieven zijn daarbij overwogen en waarom zijn deze niet toereikend geacht?
18. Kan de regering concretiseren in welke gevallen een bewaartermijn van (maximaal) twaalf maanden daadwerkelijk noodzakelijk wordt geacht?
19. Welke specifieke waarborgen gelden voor minderjarigen om te voorkomen dat zij gedurende langere tijd in bewaring worden gesteld? Op welke wijze wordt geborgd dat bewaring daadwerkelijk een ultimum remedium blijft?
20. In hoeverre wordt voor minderjarigen een kortere maximale bewaartermijn overwogen of toegepast dan voor volwassenen? Indien dit niet wordt overwogen, waarom niet?
Aanpassing veilige derde land
21. Kan de regering de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP uiteenzetten op welke wijze het concept van «veilig derde land» in Nederland in de praktijk zal worden ingevoerd?
22. Op welke manier wordt de rechtsbescherming – zoals verankerd in het Vluchtelingenverdrag, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en het EU-Grondrechtenhandvest – geborgd in deze praktijk?
23. Kan de regering genoemde leden toelichten op welke wijze onafhankelijk en effectief toezicht op de behandeling van uitgezette personen wordt ingericht? Welke instrumenten heeft de regering tot zijn beschikking indien een derde land zich niet aan gemaakte afspraken houdt of de situatie aldaar verslechtert? Op welke wijze wordt het recht op non-refoulement verzekerd?
24. Kan de regering de vragen die eerder zijn gesteld bij uitgaande brief van 3 februari 2026 over de veilige derde landen en die nog niet zijn beantwoord6, alsnog beantwoorden voorafgaand aan de plenaire behandeling van het onderhavige wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet?
Screeningsverordening (EU) 2024/1356
25. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP vragen de regering in hoeverre de voorlopige beoordeling van kwetsbaarheid juridisch toetsbaar is. Welke rechtsmiddelen staan open indien deze onjuist of onvolledig blijkt te zijn? Op welke wijze wordt daarbij gewaarborgd dat sprake is van effectieve rechtsbescherming, mede in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?
26. Hoe verhoudt de maximale duur van de screening – zeven dagen – zich tot de vereiste zorgvuldigheid bij het identificeren van kwetsbaarheden?
27. Welke waarborgen bestaan om te voorkomen dat kwetsbaarheden binnen deze korte termijn over het hoofd worden gezien?
28. In het verslag van de conferentie «Onthulling van het Asiel- en Migratiepact: implementatie op nationaal en Europees niveau» die op 26 september 2024 werd georganiseerd door de Commissie Meijers en VluchtelingenWerk Nederland wordt gewezen op signalen van grensgeweld en pushbacks, onder meer in Kroatië.7 Op welke wijze wordt gewaarborgd dat toezichthouders daadwerkelijk toegang hebben tot grenszones en operationele gebieden waar dergelijke praktijken zich kunnen voordoen?
29. Op welke wijze wordt verzekerd dat toezichthouders direct contact kunnen hebben met personen die mogelijk slachtoffer zijn van pushbacks?
Eurodac-verordening (EU) 2024/1358
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP constateren dat met het nieuwe Eurodac-systeem biometrische gegevens kunnen worden vergeleken om de identiteit van een vreemdeling vast te stellen. Het voorliggende wetsvoorstel voorziet in een directe implementatie van de herziene verordening. In dat kader stelt de regering dat zal worden aangesloten bij het opleidingsaanbod van het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA), aangevuld met nationale trainingen door onder meer de IND, de Koninklijke Marechaussee en de politie, waarvan de concrete invulling nog wordt uitgewerkt in opleidingsplannen.8
30. Op welke wijze wordt geborgd dat alle betrokken ambtenaren de opleiding van het Asielagentschap van de Europese Unie daadwerkelijk hebben afgerond voor uitvoering van taken?
31. Op welke wijze wordt toezicht gehouden op de kwaliteit en actualiteit van deze opleidingen?
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP lezen dat de regering aangeeft dat de jaarlijkse audit wordt uitgevoerd door een externe onafhankelijke partij, maar dat deze partij kan verschillen.9
32. Op basis van welke criteria wordt vastgesteld dat de externe auditor onafhankelijk is?
33. Op welke wijze wordt voorkomen dat wisselende auditors leiden tot verschillen in kwaliteit en beoordeling?
Genoemde leden lezen dat de regering aangeeft dat in ieder geval de IND, de Koninklijke Marechaussee, de politie en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) toegang krijgen tot Eurodac, maar dat de formele aanwijzing plaatsvindt via een algemene maatregel van bestuur.10
34. Op welke wijze wordt voorkomen dat toegang tot deze gegevens leidt tot gebruik voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verzameld?
35. Welke rechtsbescherming hebben betrokkenen tegen onrechtmatig gebruik van hun gegevens?
36. Op welke wijze wordt gewaarborgd dat de kring van bevoegde autoriteiten niet geleidelijk wordt uitgebreid zonder adequate democratische controle?
37. Kan de regering toelichten waarom niet is gekozen voor een model waarin de toegang tot Eurodac-gegevens explicieter en meer limitatief in de wet zelf wordt geregeld?
Vragen naar aanleiding van het plenaire debat over de asielwetsvoorstellen op 13 en 14 april 2026
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP vragen de regering naar welk rapport over migratiemotieven van het Verwey-Jonkerinstituut de Minister van Asiel en Migratie tijdens het plenaire debat over de Asielnoodmaatregelenwet, de Wet invoering tweestatusstelsel en de Novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf op 13 en 14 april 2026 in de Eerste Kamer verwees.11
38. Kan op basis van dit rapport door de regering inzichtelijk worden gemaakt wat de motieven zijn van asielmigranten om te kiezen voor een bestemmingsland? Wat zijn de belangrijkste drijfveren? Wat is secundair relevant? En kan worden ingegaan op de verschillen hierin in het asielmigratieproces?
39. Op basis van voormelde bevindingen: wat is de verwachte impact van een restrictief asielbeleid op de instroom?
40. De Minister van Asiel en Migratie verwees in voornoemd debat naar pagina 103 van bedoeld rapport. Wat staat er op deze bladzijde?
Vragen naar aanleiding van het eindrapport nieuwe asielprocedure
41. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP lezen in het eindrapport van de IND «De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief asielbesluit. Een verkenning van de asielprocedure onder het Asiel- en Migratiepact» van maart 2026 dat wordt afgezien van een volledige uitvoeringstoets omdat het proces op onderdelen nog niet uitgewerkt is.12
a. Hoe verhoudt deze keuze zich tot de motie-Dittrich (D66) c.s. over een uitvoeringstoets voor de partners in de asielketen13 waarin werd verzocht om bij nieuwe wet- en regelgeving die qua uitvoering van de partners in de asielketen veel werk vergt, aan deze Kamer een uitvoeringstoets te overleggen? Is de regering bereid om op een later moment alsnog een complete uitvoeringstoets uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
b. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP memoreren dat op 12 juni aanstaande het Europees Asiel- en migratiepact in werking treedt. Is de regering voornemens om een invoeringstoets uit te voeren, zowel bij de landenprocedure als de grensprocedure (via lucht)? Zo nee, waarom niet?
42. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP concluderen dat uit voornoemd eindrapport van de IND blijkt dat er grote risico’s worden voorzien.
a. Door de regering wordt echter verwacht dat de IND de komende maanden veel van de geconstateerde risico’s kan verhelpen. Welke verwacht zij wel te verhelpen? En welke verwacht zij niet te verhelpen? Acht de regering het verantwoord om tot implementatie van het Europees Asiel- en migratiepact over te gaan als veel risico’s nog niet verholpen zijn? Zo nee, op welke wijze wordt daarnaar gehandeld?
b. Genoemde leden wijzen erop dat ook bij de ketenpartners veel risico’s worden gesignaleerd. Kan de regering per ketenpartner, onder andere de IND, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV), VluchtelingenWerk Nederland, de Raad voor de Rechtsbijstand (RvR), de Koninklijke Marechaussee en het Nidos, ingaan op de vraag of het realistisch is dat de voorziene risico’s de komende maanden al dan niet zijn verholpen?
43. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP constateren dat de regering verwacht dat er per 12 juni aanstaande een proces is geïmplementeerd dat voldoet aan de minimale vereisten van het Europees Asiel- en migratiepact.
a. Vindt er op 11 juni aanstaande of op een ander moment een wegingsmoment plaats om te beoordelen of inderdaad aan de minimale vereisten is voldaan? Zo ja, kan de Kamer geïnformeerd worden over de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
b. Wat gebeurt er als de minimale vereisten nog niet bereikt zijn op 12 juni aanstaande? Wat zijn de consequenties hiervan op de aanvrager, maar ook juridisch, financieel en organisatorisch?
44. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP constateren dat in de voorfase een groot beroep wordt gedaan op de zelfredzaamheid van aanvragers doordat zij hun eigen gegevens moeten invullen op een tablet. Het COA en VluchtelingenWerk Nederland vrezen dat de IND de zelfredzaamheid overschat en kwetsbaarheden onvoldoende (tijdig) signaleert.
a. Is onderzoek beschikbaar naar de veronderstelde zelfredzaamheid van aanvragers en hebben hierop pilots plaatsgevonden? Zo ja, kunnen die inzichten met de Kamer worden gedeeld? Zo nee, waarom is dit niet onderzocht, terwijl dit een belangrijke aanname is achter het gewijzigde beleid?
b. Hoe ziet de extra ondersteuning eruit voor aanvragers die onvoldoende zelfredzaam zijn? Hoe is erin voorzien dat de extra ondersteuning en capaciteit passend zijn bij de behoefte?
c. Stel dat de zelfredzaamheid overschat wordt en kwetsbaarheden niet tijdig worden gesignaleerd: wat is de verwachte impact hiervan op de aanvrager en op de verschillende ketenpartners?
d. Aangegeven wordt dat de werklast toeneemt bij organisaties als de RvR, de DTenV en het Nidos. Op welke wijze wordt geborgd dat deze instanties in staat worden gesteld om de extra taken goed te kunnen uitvoeren?
e. De onderzoekers stellen dat de combinatie van onvoldoende begeleiding van niet zelfredzame en kwetsbare aanvragers en het vervallen van de rol van de advocaat en VluchtelingenWerk Nederland als onafhankelijke partijen resulteren in verminderend vertrouwen in het asielproces.14 Wat zijn de verwachte gevolgen hiervan op de aanvrager en op de verdere procedure?
f. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP lezen dat een aanvrager zelf initiatief moet nemen om juridische counseling aan te vragen.15 Op welke wijze wordt een aanvrager geïnformeerd over het bestaan van deze mogelijkheid?
g. Wat is de extra werklast die de IND krijgt doordat hij de juridische counseling moet gaan uitvoeren? Wat zijn de voordelen voor de IND dat juridische bijstand straks niet meer georganiseerd is via VluchtelingenWerk Nederland?
45. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP lezen in bedoeld eindrapport van de IND het volgende:
«Aanvullend is het essentieel dat de IND op korte termijn inzicht krijgt in de personele behoefte, zodat duidelijk is in hoeverre moet worden ingezet op omscholing dan wel werving en opleiding van medewerkers.»16
a. Hoe kan het dat hierover nog geen beeld bestaat, terwijl het nieuwe proces vanaf 12 juni aanstaande van toepassing is?
b. Wanneer wordt dit duidelijk? Kunnen de inzichten met de Kamer worden gedeeld? Zo nee, waarom niet?
c. Ligt er al een plan klaar als blijkt dat de behoefte aan omscholing, werving en opleiding groot is? Zo nee, waarom niet?
46. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP lezen in bedoeld eindrapport van de IND dat in het proces een verschuiving plaatsvindt naar de beroepsprocedure.17
a. Is het aannemelijk dat deze juridisering leidt tot meer kosten, en om hoeveel extra kosten gaat het? Indien dit niet aannemelijk is, waarom niet?
b. De RvR schat in dat er 19.000 extra zaken per jaar in 2028 bijkomen als gevolg van het nieuwe asielbeleid. Dit onder meer veroorzaakt door het afschaffen van de voornemenprocedure en de invoering van het tweestatusstelsel. Wat zijn de consequenties hiervan op financieel, juridisch en organisatorisch gebied?
c. Uit bedoeld eindrapport blijkt dat wordt aangenomen dat aanvragers in de beroepsfase sneller duidelijkheid krijgen mits de rechtspraak de termijnen kan halen.18 Is onderzocht of in redelijkheid kan worden verwacht dat de rechtspraak – waarvan bekend is dat de capaciteitsproblemen groot zijn – in staat is de termijnen te halen? Zo nee, waarom is dit niet onderzocht? Zo ja, kunnen de inzichten gedeeld worden?
d. In het eindrapport wordt gesteld dat de directie Juridische Zaken (JZ) van de IND minder tijd krijgt om werkzaamheden uit te voeren en het werk mogelijk juist toeneemt. Ook zorgen afschaffing van de voornemenprocedure en de invoering van het tweestatusstelsel voor extra werklast voor de directie JZ. Wordt er extra capaciteit vrijgemaakt binnen de directie JZ om dit het hoofd te bieden? Zo ja, is dit voldoende en wat zijn de kosten hiervan? Zo nee, waarom niet?
De leden van de fractie van D66 wijzen erop dat de regering de keuze heeft gemaakt om nationale beleidskeuzes die niet dwingend voortvloeien uit het Europees Asiel- en migratiepact op te nemen in de Uitvoerings- en implementatiewet van het Europees Asiel- en migratiepact. Aldus zijn in de Uitvoerings- en implementatiewet enkele nationale koppen gezet. Hoe verhouden deze extra koppen zich tot het regeringsbeleid om in beginsel geen nationale koppen op internationale regelgeving te zetten?
De uitvoerbaarheid van voorliggend wetsvoorstel voor de IND en de Rechtspraak is veelbesproken. Het is voor de leden van de fractie van D66 nog steeds niet duidelijk hoe de afzonderlijke maatregelen in het Europees Asiel- en migratiepact en het voorliggende wetsvoorstel de IND en de Rechtspraak extra belasten. Kan de regering in een tabel een integraal overzicht geven van de extra belasting van de IND én de Rechtspraak door a) de rechtstreekse werking van de verordeningen, b) de Uitvoerings- en implementatiewet, c) de nationale invulling van de beleidsruimte die het Europees Asiel- en migratiepact laat en d) de nationale wetgeving die niet dwingend voortvloeit uit het Europees Asiel- en migratiepact?
De leden van de fractie van D66 lezen dat de IND het vinden van extra fte en/of het accepteren van toename doorlooptijden en werkvoorraden als randvoorwaarde voor uitvoerbaarheid stelt.19 Welke keuze maakt de regering over deze randvoorwaarde? Hoeveel van de benodigde fte is er inmiddels geworven en hoeveel fte kan er naar verwachting nog geworven worden in de aanloop naar 12 juni 2026? Als er niet genoeg fte kan worden geworven, welke toename van de doorlooptijd en werkvoorraden acht de regering acceptabel en rechtmatig? De leden van de fractie van D66 ontvangen graag een gemotiveerd antwoord.
De Minister van Asiel en Migratie heeft herhaaldelijk aangegeven «in gesprek te zijn» met de Rechtspraak over de verwachte toename van het aantal rechtszaken. In het wetgevingsoverleg over het voorliggend wetsvoorstel dat op 23 maart jl. in de Tweede Kamer plaatsvond, heeft de Minister aangegeven dat het beperkte aantal opleidingsplekken en de hoge uitstroom van rechters ervoor zorgen dat er niet snel veel nieuwe rechters kunnen worden opgeleid.20 Daarbij is het in de discussie minder gegaan over de capaciteit van de advocatuur. In de uitvoeringstoets met betrekking tot de nareis stelt de IND het volgende:
«de advocatuur loopt al een poos tegen de grenzen van hun mogelijkheden aan en het risico bestaat dat na invoering van de nareisvoorwaarden niet alle rechtszoekenden een advocaat kunnen vinden».21
Wat doet de regering concreet om zowel de Rechtspraak als de advocatuur in staat stellen om de verwachte toename van het aantal rechtszaken aan te kunnen, anders dan «gesprekken voeren», zo vragen de leden van de fractie van D66.
De leden van de fractie van D66 zien het risico dat het gebrek aan overgangsrecht voor en het gebrek aan prioritering van lopende aanvragen voor gezinshereniging bij de IND zal leiden tot veel rechtszaken vanwege schending van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), met toenemende druk op de Rechtspraak als gevolg. Deelt de regering de zorgen van de leden van de fractie van D66? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet de regering om dit risico te mitigeren? In de eerder gemelde uitvoeringstoets stelde de IND een pilot inzake de juridische houdbaarheid van het gebrek aan overgangsrecht en de nareisvoorwaarden als randvoorwaarde. Is de regering voornemens deze pilot uit te (laten) voeren, zoals gevraagd door de IND? Ziet deze pilot alleen toe op de juridische kwetsbaarheden van het overgangsrecht of ook op de juridische kwetsbaarheden van de beperking van het kerngezin en de nareisvoorwaarden voor b-statushouders?22 Ziet deze pilot alleen op bestaande aanvragen – de zogenoemde werkvoorraad –, of ook op nieuwe aanvragen? Welke gevolgen heeft deze pilot voor de mensen die, vaak al een lange tijd, wachten op een beslissing op hun aanvraag voor gezinshereniging?
Als gevolg van het Europees Asiel- en migratiepact ingaand op 12 juni 2026 voorziet de IND in een nieuw aanmeldproces dat alleen in Ter Apel zal worden geïmplementeerd. Dit staat op gespannen voet met de bestuurlijke afspraken die zijn gemaakt in de uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen23, waarin is vastgelegd Ter Apel te ontlasten en te voorzien in meerdere aanmeldlocaties. Welke overwegingen heeft de regering om niet tegemoet te komen aan de wens om Ter Apel te ontlasten? Ziet de regering de noodzaak om Ter Apel wel te ontlasten, zeker tegen de achtergrond dat Ter Apel en haar burgers al vele jaren meer dan evenredig hun solidariteit hebben betoond bij de asielopvang?
De leden van de fractie van D66 constateren dat mensen die zijn geregistreerd als asielzoeker in een andere lidstaat en daarna doorreizen naar Nederland – voorheen ook wel Dublinclaimanten genoemd – met het voorliggende wetsvoorstel beperkte opvang en vrijheidsbeperkende maatregelen krijgen opgelegd. In de praktijk betekent dit dat het COA aparte opvanglocaties zal moeten inrichten voor deze asielzoekers, waar naar verwachting weinig draagvlak voor zal zijn in de samenleving, of twee regimes moet hanteren op één opvanglocatie. Dit vereist de benodigde afstemming tussen de IND, het COA en de gemeenten. Op welke wijze borgt de regering dat deze afstemming de knelpunten zodanig oplost dat het voor gemeenten werkbaar wordt en dat de gemeenten dat ook kunnen uitleggen aan hun burgers? Hoe uitvoerbaar acht de regering het inrichten van verschillende regimes op een en dezelfde opvanglocatie voor het COA? Welke kosten brengt dit met zich mee?
Met het in de Tweede Kamer aangenomen amendement van de leden Boomsma en Ceulemans over de mogelijkheid voor directeuren van azc-locaties om te verplichten tot deelname aan cursussen24 krijgen directeuren van opvanglocaties de bevoegdheid om asielzoekers de verplichting op te leggen deel te nemen aan cursussen gericht op het leren van de Nederlandse taal en kennis opdoen van de Nederlandse maatschappij. De leden van de fractie van D66 hebben vragen over de uitvoerbaarheid van dit amendement voor het COA. Wat zijn op dit moment de knelpunten voor asielzoekers om deel te nemen aan cursussen? Is dit bijvoorbeeld de eigen gezondheid of zorg voor familieleden? Op welke wijze worden deze knelpunten weggenomen, zodat alle bewoners van asielzoekerscentra kunnen voldoen aan een eventuele verplichting? Welke randvoorwaarden stelt de regering voor het kunnen opleggen van de verplichting? Hoe wordt het COA in staat gesteld om in alle asielzoekerscentra aan deze randvoorwaarden te voldoen? Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven over de maatregelen die kunnen worden opgelegd als iemand deze verplichting niet of onvoldoende nakomt. Aan welke maatregelen voor het niet naleven van de verplichting denkt de regering, zo vragen de leden van D66?
Het Europees Asiel- en migratiepact en het voorliggende wetsvoorstel bieden de mogelijkheid om kinderen met hun ouders in bewaring te plaatsen. In het wetsvoorstel is de tekst van de verordeningen overgenomen. In voormeld wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer heeft de Minister aangegeven dat de huidige praktijk wordt voortgezet:
«Asielverzoeken van gezinnen met minderjarige kinderen waarbij er geen twijfel is aan de gezinsband en er geen indicaties zijn van mensenhandel of nationale openbare veiligheidsaspecten, zullen we ook in het huidige beleid dus niet in de grensprocedure in detentie gaan behandelen. Aan hen wordt toegang tot Nederland verleend, waarna zij kunnen doorgaan naar Ter Apel, waar hun asielverzoek wordt behandeld».25
Artikel 13 van de herschikte Opvangrichtlijn (EU) 2024/1346 biedt echter wel de mogelijkheid om kinderen in uitzonderlijke gevallen in detentie te plaatsen. Is de regering het met de leden van de fractie van D66 eens dat het belang van het kind altijd leidend moet zijn bij beslissingen over het in detentie plaatsen van kinderen? Hoe kijkt de regering aan tegen het voorstel om kinderen bij dit soort beslissingen een eigen advocaat te geven, die het belang van het kind verdedigt? Kan de regering een limitatieve opsomming geven van de gronden om kinderen wel in bewaring te plaatsen? Kan de regering in geval van deze uitzonderlijke situaties motiveren dat het belang van het kind in die gevallen beter is gewaarborgd in de gevangenis dan daarbuiten? Kan de regering daarbij ook aangeven hoe lang de detentie van het kind dan maximaal mag duren? Tenslotte: op welke wijze is parlementaire betrokkenheid van zowel de Tweede als de Eerste Kamer gewaarborgd als het huidige beleid ten aanzien van het in detentieplaatsen van kinderen wijzigt, zo vragen de leden van de fractie van D66.
Het wetsvoorstel zal binnen vijf jaar worden geëvalueerd, waarbij ook de effecten van de aanvullende voorwaarden voor gezinshereniging voor subsidiair beschermden op de nareis-aanvragen en nareisinwilligingen en op de veiligheid en het gezinsleven van subsidiair beschermden wordt gemeten. De leden van de fractie van D66 achten deze evaluatie van groot belang en vragen de regering op welke wijze deze evaluatie wordt ingericht. Welke data zullen er vanaf 12 juni aanstaande worden verzameld en op welke wijze, om de effecten van de beperking van gezinshereniging tot het «kerngezin» daadwerkelijk te kunnen evalueren? En op welke wijze monitort en evalueert de regering de effecten van de cumulatie van de wachttijd van twee jaar en de inkomens- en huisvestingseis voor subsidiair beschermden die hun gezin willen herenigen? Overweegt de regering de wet eerder te evalueren dan over vijf jaar?
Het toezicht op de screening- en asielgrensprocedure is belegd bij het College voor de Rechten van de Mens als onafhankelijk toezichtmechanisme en de Inspectie Justitie en Veiligheid. In reactie op het voorliggende wetsvoorstel heeft het College aangegeven meer bevoegdheden nodig te hebben om zijn taak goed te kunnen uitvoeren, waaronder de bevoegdheid om medische dossiers in te zien en om gegevens uit te kunnen wisselen.26 Is de regering voornemens om het besluit zo aan te passen dat het College deze bevoegdheden krijgt? Zo nee, waarom niet?
Uit berichtgeving van onder meer de NOS27 blijkt dat niet alle landen de grensprocedure en het toezichthouderschap lijken te hebben ingericht in lijn met het Europees Asiel- en migratiepact. Welke rol ziet de regering voor Nederland in zorgdragen dat de rechten van asielzoekers ook in andere lidstaten – met name aan de buitengrenzen van de Europese Unie – worden gewaarborgd?
Tijdens voormeld wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer heeft de Minister van Asiel en Migratie toegezegd vóór 12 juni aanstaande een plan van aanpak te maken om de zogenaamde «werkvoorraad» van ruim 50.000 lopende asielaanvragen bij de IND weg te werken.28 In het debat over de nationale asielwetten in de Eerste Kamer heeft de Minister van Asiel en Migratie het lid Dittrich toegezegd om per brief specifiek in te gaan op de circa 6.000 alleenstaande minderjarige vreemdelingen die in een asielprocedure zitten en soms al jaren op een beslissing wachten.29 Wanneer ontvangt de Kamer deze brief? Kan de regering duidelijkheid geven over deze 6.000 jongeren en kinderen? Worden hun zaken geprioriteerd door de IND of moeten zij weer achteraan in de rij aansluiten? Op welke wijze worden de Kamers betrokken bij de keuzes die in dit plan van aanpak worden gemaakt over welke zaken worden geprioriteerd en welke zaken niet?
Tijdens voormeld wetgevingsoverleg over het voorliggende wetsvoorstel in de Tweede Kamer heeft de Minister van Asiel en Migratie verder aangegeven dat de IND voor 12 juni aanstaande klaar is voor de implementatie van het Europees Asiel- en migratiepact, maar dat de ICT nog niet op orde is.30 Wat zijn hiervan de gevolgen, zo vragen de leden van de fractie van D66.
De leden van de fractie van D66 wijzen erop dat in het geval de voorneemprocedure wordt geschrapt, het van belang is dat asielzoekers de gelegenheid wordt geboden om het asielverslag te corrigeren en aan te vullen, om het recht van hoor en wederhoor te waarborgen. Kan de regering een limitatieve opsomming geven van de gronden om asielzoekers niet de gelegenheid tot correctie en aanvulling te geven? Is de regering het met deze leden eens dat gebrek aan capaciteit bij de IND nooit een grond kan zijn om een asielzoeker geen gelegenheid tot correctie en aanvulling te bieden?
De leden van de fractie van D66 staan voor dat nieuwkomers in Nederland zo snel mogelijk de taal leren en passend werk vinden, zodat ze mee kunnen doen in de Nederlandse samenleving. Het wetsvoorstel maakt een onderscheid tussen kansrijke asielzoekers en kansarme asielzoekers. Kansarme asielzoekers hebben op basis van hun nationaliteit minder dan twintig procent kans op inwilliging van hun asielverzoek. Dat betekent dat een deel van hen langer in de procedure moet wachten en niet mag werken, terwijl zij later een positief asielbesluit krijgen. Hoe snel kunnen asielzoekers op individuele gronden van een beoordeling als «kansarm» naar een beoordeling als «kansrijk» gaan?
De leden van de fracties van het CDA, de VVD en JA21 lezen in het voorliggende wetsvoorstel het volgende:
«Aan artikel 11 worden drie leden toegevoegd, luidende: 4. Het COA, bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, is bevoegd de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, de verplichting op te leggen deel te nemen aan cursussen gericht op het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse maatschappij als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering 2021. 5. Indien het COA een verplichting als bedoeld in het vierde lid heeft opgelegd en de vreemdeling deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, is het COA bevoegd materiële voorzieningen te beperken of in te trekken.»
Dienaangaande vragen de leden van de fracties van het CDA, JA21 en de VVD of ook gemeenten, die «eigen» opvang organiseren, ook eisen, met consequenties, kunnen stellen aan de daarin verblijvende asielzoekers. Hieromtrent is momenteel discussie, maar gemeenten willen ook kunnen bewerkstelligen dat hun opvang veilig en handhaafbaar is.
In Nederland zullen ook grensprocedures worden ingericht. Hoe bereidt de regering zich hierop voor? Is het niet raadzaam om de IND op Schiphol ook een rol toe te bedelen in plaats van de Koninklijke Marechaussee?
In de technische briefing die door het Ministerie van Asiel en Migratie over voorliggend wetsvoorstel op 21 april jongstleden in de Kamer is gegeven31, werd duidelijk dat de IND nog voor veel uitdagingen zal komen te staan. De termijnen van afhandeling zullen niet meteen allemaal gehaald worden. Dit terwijl de termijnen in het voorliggend wetsvoorstel tamelijk kort en dwingend zijn. Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat het uitlopen in de termijnen niet gaat zorgen voor meer en hogere dwangsommen?
Genoemde leden memoreren dat de Terugkeerverordening nog in het verschiet ligt. Gaat de regering in de uitvoeringswet hierbij de strafbaarstelling niet meewerken aan terugkeer verwerken?
De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben de volgende vragen over verschillende onderwerpen.
1. Kan de regering een overzicht bieden van alle maatregelen in het voorliggend wetsvoorstel die verstrekkender zijn dan het Unierecht vereist?
2. Waarom heeft de regering ervoor gekozen om in het voorliggende wetvoorstel koppen op Europees beleid op te nemen, wat wil zeggen dat er maatregelen in dit voorstel van wet zijn opgenomen die Unierechtelijk niet vereist zijn of verder gaan dan de noodzakelijke, «zuivere» implementatie van het Europees Asiel- en migratiepact?
3. In het nader rapport lezen de leden van de fractie van de ChristenUniefractie het volgende: «Ook in het geval aan beide statussen dezelfde rechten zouden worden verbonden, heeft de vreemdeling die de vluchtelingenstatus aanvraagt, maar de subsidiairebeschermingsstatus verkrijgt er dus belang bij de afwijzing van de vluchtelingenstatus bij de rechter te kunnen aanvechten. Materieel was dit ook de situatie onder de Kwalificatierichtlijn, maar vanwege de strikte harmonisatie van de criteria voor de toekenning van beide statussen en de gronden voor intrekking daarvan zal dit onder de Kwalificatieverordening en voornoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU grotere betekenis krijgen.»32
4. Kan de regering toelichten waarom deze «strikte harmonisatie» in haar ogen zoveel verschil maakt ten opzichte van de huidige situatie, waarop de jurisprudentie van het Hof van Justitie immers ook betrekking heeft?
5. In het nader rapport schrijft de regering dat ongehuwde partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen zich na invoering van het aan de orde zijnde wetsvoorstel nog steeds kunnen beroepen op artikel 8 van het EVRM.33 Mogen de leden van de fractie van de ChristenUnie daaruit concluderen dat de IND straks veel meer tijd kwijt zal zijn aan het beoordelen van aanvragen voor gezinshereniging, maar dat het aantal ingewilligde aanvragen mogelijk slechts marginaal zal dalen?
6. Kan de regering inzichtelijk maken welke lidstaten van de Europese Unie na inwerkingtreding van het Europees Asiel- en migratiepact verschillende rechten op gezinshereniging verbinden aan de a-status en de b-status?
De leden van de fracties van Volt en de PvdD hebben de volgende vragen.
Algemene systematiek en proportionaliteit
De leden van de fracties van Volt en de PvdD constateren dat het voorliggende wetsvoorstel een ingrijpende herziening van het Nederlandse asielrecht behelst. Daarbij lijkt de regering op onderdelen verder te gaan dan strikt noodzakelijk is voor implementatie van het Europees Asiel- en migratiepact. Deze leden willen scherp krijgen waar sprake is van noodzaak en waar van politieke keuze.
1. Kan de regering per onderdeel expliciteren of sprake is van een implementatieverplichting of van nationale beleidsruimte?
2. Waarom is ervoor gekozen om op meerdere punten de strengste invulling van die beleidsruimte te kiezen?
3. Op welke wijze is de proportionaliteit van deze cumulatieve aanscherpingen beoordeeld?
4. Is een integrale toets uitgevoerd op de gevolgen voor mensenrechten en rechtsbescherming?
5. Op welke wijze wordt voorkomen dat nationale keuzes de Europese harmonisatie juist onder druk zetten?
6. Op welke wijze voorkomt de regering dat uitvoeringsorganisaties overvraagd raken?
7. Welke risico’s ziet de regering voor inconsistentie in toepassing van regels tijdens de overgangsfase?
Rechtsbescherming en procedurele waarborgen
De leden van de fracties van Volt en de PvdD maken zich zorgen over de balans tussen snelheid en zorgvuldigheid, zeker nu meerdere procedurele waarborgen worden beperkt of afgeschaft.
8. Op welke wijze waarborgt de regering dat verkorte procedures niet leiden tot structureel minder zorgvuldige besluitvorming?
9. Op welke wijze wordt voorkomen dat juist vaker beroep wordt ingesteld doordat fouten eerder in de procedure niet worden gecorrigeerd?
10. Waarom is gekozen voor zeer korte beroepstermijnen, terwijl langere termijnen Europeesrechtelijk mogelijk zijn?
11. Op welke wijze wordt verzekerd dat asielzoekers deze kortere beroepstermijnen feitelijk kunnen benutten, zeker bij taalbarrières en kwetsbaarheid?
12. Kan de regering toelichten op welke wijze de afschaffing van de voornemenprocedure zich verhoudt tot het beginsel van hoor en wederhoor?
13. Welke concrete alternatieven voor de voornemenprocedure zijn ingericht om fouten al vooraf te corrigeren?
14. De leden van de fracties van Volt en de PvdD begrijpen uit de technische briefing die is gegeven door ambtenaren van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in de Kamer van 21 april 202634 dat de legal counseling van de IND vooral bestaat uit voorlichting over de rechten en niet zozeer uit juridische bijstand. Op welke wijze garandeert de regering efficiënte en eerlijke rechtsbescherming van mensen die bescherming zoeken in de eerste fase?
15. Op welke wijze wordt gewaarborgd dat informatievoorziening door de IND door asielaanvragers als onafhankelijk wordt ervaren, terwijl dezelfde organisatie ook op de aanvraag beslist?
16. Hoe wordt voorkomen dat informatie die de IND verkrijgt over de persoon die asiel aanvraagt in het kader van de counseling – bewust of onbewust – invloed heeft op de besluitvorming?
17. Welke onafhankelijke toetsing vindt plaats op de kwaliteit van deze counseling?
18. Op welke wijze wordt gemeten of asielzoekers hun rechten daadwerkelijk begrijpen en kunnen uitoefenen?
19. Hoe wordt rekening gehouden met kwetsbare groepen in deze fase?
20. De leden van de fracties van Volt en de PvdD begrijpen uit voormelde technische briefing dat – door het vervallen van de voornemenprocedure en de keuze om de juridische counseling bij de IND onder te brengen – asielaanvragers pas een advocaat toegewezen krijgen als het asielgehoor al heeft plaatsgevonden. Is het juist dat het asielgehoor zelf plaatsvindt buiten aanwezigheid van een advocaat? Kan de regering reflecteren op welke effecten dit heeft op de efficiënte rechtsbescherming en of dit vaker zal leiden tot bezwaarprocedures of herstel van fouten later in het proces?
21. Het voorliggende wetsvoorstel schaft de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd af. Kan de regering toelichten waarom voor volledige afschaffing is gekozen om te voldoen aan het Unierecht? Is dit in de visie van de regering de enige manier om aan het Europees Asiel- en migratiepact te voldoen of kan dit ook op andere wijze worden ingevuld? Zijn er alternatieven overwogen en zo ja, welke?
22. De leden van de fracties van Volt en PvdD begrijpen dat niet de datum van de aanvraag van een vergunning voor onbepaalde tijd, maar de datum van beslissing op die aanvraag doorslaggevend is voor welk recht er van toepassing is. Kan de regering toelichten in hoeverre dit overgangsrecht tot rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid leidt tussen asielaanvragers die op eenzelfde moment hun verblijfsvergunning hebben aangevraagd?
23. Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om het moment van de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd bepalend te laten zijn voor welk recht er geldt, om rechtsongelijkheid en onduidelijkheid te voorkomen?
24. Hoeveel mensen hebben een aanvraag voor een vergunning voor onbepaalde tijd ingediend waarop nog niet besloten is? Acht de regering het proportioneel om de gevolgen van de lange beslistermijnen bij de IND neer te leggen bij deze aanvragers, die straks buiten hun toedoen geen vergunning voor onbepaalde tijd meer kunnen krijgen?
Detentie, vrijheidsbeperking en grondrechten
De leden van de fracties van Volt en de PvdD zien dat vrijheidsontneming een centrale rol krijgt in het nieuwe systeem, met name in grensprocedures.
25. Op welke wijze wordt gewaarborgd dat detentie daadwerkelijk een ultimum remedium blijft?
26. Hoe verhoudt de praktijk zich tot het uitgangspunt van individuele beoordeling, als in de grensprocedure feitelijk standaard detentie wordt toegepast?
27. Waarom worden minder ingrijpende alternatieven – zoals meldplicht of open opvang – niet als uitgangspunt genomen?
28. Kan de regering reflecteren op voorbeelden uit andere lidstaten waar dergelijke alternatieven wel worden toegepast?
29. Waarom wordt niet ingezet op het ontwikkelen van alternatieve opvangvormen in plaats van detentiecapaciteit?
30. Op welke wijze wordt de proportionaliteit van detentie in individuele gevallen getoetst, met name bij kwetsbare personen?
31. Waarom wordt detentie van minderjarigen niet expliciet uitgesloten in de wet?
32. Hoe verhoudt dit zich tot het uitgangspunt inhoudende dat detentie van kinderen alleen als uiterste middel mag worden toegepast?
33. Welke concrete alternatieven voor detentie zijn ontwikkeld voor situaties waarin zorgen bestaan over gezinsbanden of veiligheid?
34. In voormelde technische briefing is aangegeven dat kinderen in detentie kunnen worden gezet als dit «in het belang van het kind is».35 Kan de regering uitgebreid toelichten in welke gevallen daarvan sprake kan zijn?
Gezinshereniging en nareis
De leden van de fracties van Volt en de PvdD hechten groot belang aan het recht op gezinsleven en zien dat de voorgestelde aanscherpingen ingrijpende gevolgen kunnen hebben.
35. Hoe verhouden strengere voorwaarden zich tot de Europese praktijk, waarin vaak ruimere rechten gelden?
36. Wat is het doel van aanvullende inkomenseisen, specifiek voor subsidiair beschermden?
37. Is onderzocht voor hoeveel mensen gezinshereniging hierdoor feitelijk onmogelijk wordt?
38. Hoe wordt omgegaan met situaties waarin gezinsleden al onderweg zijn of procedures al lopen?
39. Welke overgangsregelingen gelden voor deze groep?
40. Hoe wordt voorkomen dat gezinnen langdurig gescheiden blijven door veranderende regels?
41. Hoe wordt omgegaan met situaties waarin terugkeer naar het land van herkomst niet mogelijk is?
42. Wat is het effect van deze maatregelen op vertrouwen in de overheid en integratie?
Uitvoerbaarheid en capaciteit
De leden van de fracties van Volt en de PvdD maken zich zorgen over de praktische uitvoerbaarheid.
43. Op welke wijze wordt capaciteit verdeeld tussen oude en nieuwe procedures na inwerkingtreding?
44. Kan de regering concreet aangeven hoe de IND hiermee omgaat in termen van inzet en prioritering?
45. Wat is de stand van zaken van plannen om achterstanden weg te werken?
46. Hoe wordt voorkomen dat wachttijden verder oplopen?
47. Welke risico’s ziet de regering voor de Rechtspraak?
48. Op welke wijze wordt kwaliteit geborgd onder hoge werkdruk?
Delegatie en wetgevingsniveau
De leden van de fracties van Volt en de PvdD constateren dat belangrijke keuzes naar lagere regelgeving worden verschoven.
49. Waarom worden wezenlijke onderdelen niet op wetsniveau geregeld?
50. Hoe wordt parlementaire controle geborgd bij toekomstige invulling?
51. Hoe wordt voorkomen dat de rechtspositie van betrokkenen afhankelijk wordt van beleidswijzigingen buiten het parlement om?
Screening, technologie en zorgvuldigheid
De leden van de fracties van Volt en de PvdD merken op dat screening en digitalisering een grotere rol krijgen.
52. Hoe wordt de kwaliteit van geautomatiseerde besluitvorming gewaarborgd?
53. Op welke wijze wordt inzet van kunstmatige intelligentie (AI) gecontroleerd en uitlegbaar gemaakt?
54. Verwacht de regering daadwerkelijk tijdswinst en, zo ja, waarop is dat gebaseerd?
55. Hoe wordt voorkomen dat automatisering leidt tot minder individuele beoordeling?
Kinderen en kwetsbare groepen
56. Is er een volwaardige kinderrechtentoets uitgevoerd op het voorliggende wetsvoorstel in z’n geheel? Zo nee, waarom niet? Is de regering bereid dit alsnog te doen vóór de Kamer over het voorliggende wetsvoorstel stemt?
57. Hoe wordt de beleidsvrijheid van de rechter gewaarborgd bij zaken waarbij het belang van het kind in het geding is, met name in de versnelde procedures?
58. Hoe wordt het belang van het kind structureel meegenomen in de verschillende fasen van de procedure?
59. Hoe wordt gewaarborgd dat kinderen daadwerkelijk een eigen stem krijgen, bijvoorbeeld bij een individueel gehoor?
60. Hoe wordt omgegaan met situaties waarin dit niet gebeurt?
61. Hoe wordt kwetsbaarheid tijdig en herhaald vastgesteld?
Opvang en levensomstandigheden
62. Hoe wordt gewaarborgd dat opvang voldoet aan Europese minimumnormen, ook bij hoge druk?
63. Hoe wordt voorkomen dat kwetsbare personen in ongeschikte noodopvang terechtkomen?
64. Welke rechtsmiddelen hebben betrokkenen als passende opvang uitblijft?
65. Hoe wordt samenwerking tussen betrokken organisaties georganiseerd?
Europese dimensie en «veilig derde land»
De leden van de fracties van Volt en de PvdD willen specifiek ingaan op de toepassing van het concept «veilige derde landen», dat verstrekkende gevolgen kan hebben voor toegang tot bescherming.
66. Waarom kiest de regering ervoor om deze mogelijkheid te benutten, terwijl dit niet verplicht is?
67. Op welke wijze wordt gewaarborgd dat asielaanvragen altijd individueel en inhoudelijk worden beoordeeld?
68. Hoe wordt voorkomen dat mensen worden overgedragen aan landen waar effectieve bescherming niet is gegarandeerd?
69. Op welke wijze wordt toezicht georganiseerd op de situatie van mensen na overdracht?
70. Hoe wordt voorkomen dat uitzetting plaatsvindt voordat een rechter zich heeft kunnen uitspreken?
71. Welke rol heeft het parlement bij het sluiten van overeenkomsten met derde landen?
72. Hoe wordt transparantie over het sluiten van overeenkomsten met derde landen geborgd?
73. Wat gebeurt er als de situatie in een derde land verslechtert?
Monitoring, evaluatie en bijsturing
74. De leden van de fracties van Volt en de PvdD vragen de regering op welke wijze de werking van deze wet systematisch wordt gemonitord.
75. Wordt expliciet gekeken naar effecten op rechtsbescherming en mensenrechten, zo vragen genoemde leden de regering.
76. Op welke wijze wordt de Kamer betrokken bij eventuele bijsturing naar aanleiding van de monitoring of evaluatie?
77. De leden van de fracties van Volt en de PvdD vragen de regering of onafhankelijke evaluatie wordt voorzien en, zo ja, door wie?
De leden van de fractie van de SGP lezen dat voor de uitvoering van de verordeningen in het nationale recht zoveel mogelijk de bestaande systematiek in stand moet blijven voor een goede en doeltreffende uitvoering van het Europees Asiel- en migratiepact.36 Deze leden constateren tegelijkertijd dat de huidige begrotingssystematiek niet goed aansluit op de uitvoeringspraktijk. Zo wordt voor het COA slechts voor de korte termijn – de komende twee jaren – budget vrijgemaakt, waarna het budget in de meerjarenraming met meer dan tachtig procent afneemt. Als gevolg hiervan kan het COA alleen kortetermijnmaatregelen treffen voor de opvang van asielzoekers, wat in de praktijk leidt tot dure opvanglocaties die niet geschikt zijn voor kwalitatieve opvang. Voor de hele asielketen geldt verder dat een afdoende langetermijnbudget de mogelijkheid geeft om duurzame, effectieve en goedkope maatregelen voor de toekomst te nemen. Dit zou het budget dat jaarlijks voor de asielketen wordt vrijgemaakt, kunnen verlagen.
1. Hoe reflecteert de regering op het bovenstaande?
2. Is zij voornemens om de begrotingssystematiek te wijzigen zodat deze meer aansluit bij de uitvoeringspraktijk op de lange termijn?
Gezien het gegeven dat de Asielnoodmaatregelenwet – waarin ook de afschaffing van de dwangsomprocedure was voorzien – in de Eerste Kamer is verworpen, hebben de leden van de fractie van de SGP de volgende vraag.
3. Kan de regering aangeven op welke wijze zij kan komen tot afschaffing van de dwangsomprocedure?
De leden van de fractie van de SGP constateren dat er zorgen bestaan over de omstandigheid dat de verruimde maatregelen voor detentie of vrijheidsontneming erin resulteren dat gezinnen en kinderen potentieel langere tijd feitelijk gevangen worden gezet. Dit geldt ook voor kwetsbaren die bijvoorbeeld te kampen hebben met gezondheidsproblemen.
4. Wijzigt het Europees Asiel- en migratiepact de wijze waarop Nederland omgaat met vrijheidsbenemende maatregelen?
5. Wordt erop toegezien dat aan gezinnen – met name kinderen – en ook kwetsbare asielzoekers, die een vrijheidsontnemende maatregel krijgen opgelegd, zoveel mogelijk tegemoet wordt gekomen in hun behoeften?
Het lid van de fractie van 50PLUS heeft naar aanleiding van de op 21 april jongstleden gehouden technische briefing door ambtenaren van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in de Kamer over het aan de orde zijnde wetsvoorstel nog enkele vragen.
Genoemd lid begrijpt dat iedere lidstaat gedwongen is om een implementatieplan op te stellen dat is ingeleverd bij de Europese Commissie. De Europese Commissie zorgt vervolgens voor de monitoring van de implementatie van de verschillende verordeningen en de richtlijn in de nationale wetgeving. Kan de regering aangegeven of en, zo ja, welke sancties bestaan, mocht uit de monitoring blijken dat de implementatie door een lidstaat onvoldoende is of achterwege blijft?
Het lid van de fractie van 50PLUS memoreert dat de negen verordeningen rechtstreekse werking hebben en nationaal recht «vervangen». Echter, bij sommige verordeningen blijft ruimte bestaan voor nadere invulling, zo begreep dit lid de uitleg. De richtlijn is niet bindend voor de lidstaten, maar eerder een aanwijzing hoe daaraan invulling te geven. Betekent dit niet dat lidstaten door deze ruimte een zeer verschillende invulling gaan geven aan deze richtlijn? Is dat wenselijk?
Ten tijde van voormelde briefing werd de samenhang van het voorliggende wetsvoorstel met de Asielnoodmaatregelenwet en de Novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf uiteengezet omdat toen de uitkomst van de stemming die op diezelfde dag over laatstgemelde wetsvoorstellen in deze Kamer plaatsvond, nog niet bekend was.
Bij deze stemming werden beide wetsvoorstellen door de Kamer verworpen. Heeft dit verwerpen van voormelde wetsvoorstellen nog implicaties voor het wetsvoorstel Wet invoering tweestatusstelsel dat door de Kamer op 21 april jongstleden wel werd aangenomen?
Door de harmonisatie via de Europese verordeningen komt er een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, zo is de bedoeling. Naar de mening van het lid van de fractie van 50PLUS is het echter nog steeds mogelijk dat door de diversiteit in de rechtspraak tussen de verschillende 29 lidstaten de status van bijvoorbeeld «vluchteling» nog steeds anders wordt uitgelegd of gekwalificeerd waardoor in de ene lidstaat de desbetreffende persoon wel de status vluchteling krijgt en in een andere lidstaat niet. Onderschrijft de regering deze conclusie en, zo nee, waaruit bestaat de garantie dat iedere lidstaat altijd tot dezelfde statusbeoordeling komt?
Tijdens voormelde briefing werd opgemerkt dat voortaan – na 12 juni 2026 begreep het lid van de fractie van 50PLUS – een bandopname wordt gemaakt van ieder verhoor van de asiel verzoekende bij de eerste aanvraag tot asiel. Geldt dit ook voor een eventueel tweede verhoor? Hanteren alle lidstaten deze werkwijze om bewijs te vergaren van de verhoren en zijn deze resultaten ook uitwisselbaar tussen de daartoe gerechtigde personen van de verschillende lidstaten?
Het lid van de fractie-Van de Sanden heeft de volgende vragen.
Rechtmatigheid
1. Hoe verhoudt het voorliggende wetsvoorstel zich tot het negatieve advies van de Afdeling advisering van de Raad van State?37 Welke concrete bezwaren zijn niet overgenomen door de regering?
2. De regering kiest voor ruime delegatiebepalingen. Hoe verhoudt dit zich tot de kritiek van de Afdeling advisering van de Raad van State inhoudende dat deze bevoegdheden onvoldoende zijn afgebakend?38
3. Waarom worden essentiële onderdelen die raken aan fundamentele rechten gedelegeerd naar lagere regelgeving in plaats van in de wet zelf vastgelegd?
4. Op welke wijze wordt parlementaire controle gewaarborgd indien belangrijke normen pas door middel van een algemene maatregel van bestuur worden ingevuld?
5. Hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich tot het EVRM, in het bijzonder de artikelen 3 en artikel 8?
6. Op welke wijze wordt geborgd dat versnelde procedures voldoen aan het recht op een effectief rechtsmiddel onder Europees recht?
7. Is er een risico op strijd met het non-refoulementbeginsel bij de toepassing van versnelde procedures?
8. Hoe verhoudt de regeling inzake gezinshereniging zich tot de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens?
Uitvoerbaarheid
Het lid van de fractie-Van de Sanden heeft de volgende vragen over de uitvoerbaarheid van het voorliggende wetsvoorstel.
9. De Afdeling advisering van de Raad van State stelt dat de extra uitvoeringslasten onvoldoende zijn onderbouwd.39 Kan de regering deze onderbouwing alsnog concreet leveren?
10. Waarom kiest de regering voor aanvullende nationale maatregelen terwijl de implementatie van het Europees Asiel- en migratiepact op zichzelf al aanzienlijke uitvoeringslasten meebrengt?
11. Acht de regering de uitvoering door de IND realistisch, gelet op de huidige achterstanden en capaciteitstekorten?
12. Hoe wordt voorkomen dat de druk op het COA verder toeneemt?
13. De Rechtspraak verwacht een toename van zaken en mogelijke vertraging, zo constateert het lid van de fractie-Van de Sanden. Hoe wordt dit ondervangen?
14. Is er een integrale capaciteitsanalyse gemaakt voor de uitvoeringsorganisaties en de Rechtspraak?
15. Hoe realistisch is de implementatie per 12 juni 2026 gezien de benodigde aanpassingen in de uitvoering?
16. Wat zijn de gevolgen voor doorlooptijden indien meer prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie?
Proportionaliteit
17. Waarom acht de regering de gekozen maatregelen proportioneel ten opzichte van het beoogde doel?
18. Zijn er minder ingrijpende alternatieven overwogen die hetzelfde doel kunnen bereiken?
19. Op welke wijze wordt voorkomen dat kwetsbare groepen onevenredig worden geraakt?
20. Hoe wordt de balans bewaakt tussen snelheid en zorgvuldigheid in de besluitvorming?
21. Waarom volgt de regering het advies betrekking hebbende op het voorliggende wetsvoorstel van de Adviesraad Migratie niet om terughoudend te zijn met aanvullende nationale maatregelen?40
Overige
22. In hoeverre heeft de Kamer nog reële invloed op de inhoud van dit wetsvoorstel, gezien het feit dat de onderliggende verordeningen uit het Europees Asiel- en migratiepact grotendeels rechtstreeks werkend zijn en dus dwingend worden opgelegd?
23. Welke concrete doelstellingen beoogt de regering met het voorliggende wetsvoorstel, bijvoorbeeld op het gebied van doorlooptijden, terugkeer en opvang? Op welke wijze worden deze resultaten gemeten en geëvalueerd?
24. Hoe wordt in deze wet omgegaan met lopende asiel- en gezinsherenigingsprocedures op het moment van inwerkingtreding van het Europees Asiel- en migratiepact? Hoe wordt daarbij voorkomen dat er rechtsongelijkheid ontstaat tussen zaken die onder oud en nieuw recht vallen?
25. Hoe verhoudt de nationale uitwerking van de grensprocedure zich precies tot de minimale waarborgen uit de Europese asielprocedureregels? Waar kiest Nederland voor een strengere invulling dan strikt noodzakelijk?
26. Kan de regering concreet aangeven welke onderdelen van de verwerkings- en screeningfase direct voortvloeien uit Europese verplichtingen en welke onderdelen nationale beleidskeuzes zijn binnen het voorliggende wetsvoorstel?
27. Hoe wordt in de praktijk voorkomen dat de versnelling van procedures in de grensprocedure leidt tot feitelijke uitholling van de individuele hoorplicht en juridische bijstand?
28. Op welke wijze wordt in de wet geborgd dat de beoordeling van kwetsbaarheid – zoals medische of psychische problematiek – tijdig en uniform plaatsvindt binnen de zeer korte termijnen van het nieuwe systeem?
29. Hoe wordt gegarandeerd dat de uitbreiding van databanken en registratieverplichtingen binnen het Europees Asiel- en migratiepact in overeenstemming blijft met de beginselen van dataminimalisatie en doelbinding?
30. Welke concrete waarborgen zijn ingebouwd om te voorkomen dat verschillen in interpretatie tussen de medewerkers van de IND leiden tot rechtsongelijkheid in vergelijkbare asielzaken binnen het nieuwe versnelde stelsel?
31. Hoe wordt in de implementatie omgegaan met de samenloop tussen de nieuwe asielprocedure en bestaande bezwaar- en beroepsprocedures, met name waar termijnen elkaar overlappen of versnellen?
32. Kan de regering toelichten hoe de terugkeervoorzieningen uit het voorliggende wetsvoorstel zich verhouden tot de nog lopende onderhandelingen over de Terugkeerverordening? Hoe wordt voorkomen dat nationale regels vooruitlopen op nog niet vastgestelde Europese kaders?Onderkant formulier
Het lid van de fractie-Van Gasteren memoreert dat het voorliggend wetsvoorstel vooral de verplichte delen plus een Nederlandse «kop» behelst door onder meer de invoering van het tweestatusstelsel, het verkorten van de verblijfsvergunning naar drie jaar, de strengere nareis, het afschaffen van de vergunning voor onbepaalde tijd, de uitbreiding van bewaringmogelijkheden en de aanpassingen in de Vreemdelingenwet 2000. Genoemd lid heeft over verschillende onderwerpen de volgende vragen en verzoekt deze elk afzonderlijk van een helder antwoord te voorzien.
Internationale rechtsvergelijkende dimensie
1. Heeft de regering zicht op de wijze waarop andere landen, en met name de direct omliggende landen België en Duitsland, bovenvermelde keuze hebben ingevuld?
2. Kan ingeval van afwijking van de Nederlandse invulling de regering aangeven waarom gekozen is voor een afwijkende invulling?
Uitvoering; nog in te vullen details
3. Begrijpt het lid van de fractie-Van Gasteren het juist dat de exacte grenslocaties, de precieze opvangregels en de jaarlijkse solidariteitskeuze nog niet definitief vaststaan en dat dit later in lagere regelgeving of beleidskeuzes wordt ingevuld?
4. Kan de regering aangeven wanneer een en ander is voorzien en wat de regering op dit moment denkt dat de opzet zal zijn dan wel wat de inzet van de regering is?
5. Op welke wijze wordt deze Kamer bij een en ander betrokken?
Rechtmatigheid en proportionaliteit; aanvullende noodmaatregelen
Het lid van de fractie-Van Gasteren constateert dat met het afwijzen van de Asielnoodmaatregelenwet door deze Kamer een aantal zaken niet verder zijn geregeld. Dit betreft onder meer:
– de verruiming van ongewenstverklaring;
– de afschaffing van de boetebepaling;
– de strafbaarstelling van illegaal verblijf, en
– een aantal kleine extra verscherpingen die alleen in de Asielnoodmaatregelenwet stonden en niet in het voorliggende wetsvoorstel zijn overgenomen.
6. Overweegt de regering om alsnog met voorstellen te komen ter vervanging van bovenstaande punten?
7. Zo ja, in welke vorm en met welke urgentie?
8. Kan de regering expliciet aangeven welke bepalingen in het voorliggende wetsvoorstel inhoudelijk zijn vormgegeven in samenhang met de Asielnoodmaatregelenwet? Op welke wijze moeten deze bepalingen worden gelezen nu laatstgemeld wetsvoorstel door de Kamer is verworpen?
9. Hoe rechtvaardigt de regering – na verwerping van de nationale verzwaringen – dat Nederland binnen de bandbreedte van het Europees Asiel- en migratiepact structureel kiest voor de meest restrictieve invulling van procedures, met name bij de grensprocedure en detentie?
10. Acht de regering het risico toegenomen dat nationale en Europese rechters – waaronder de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie van de Europese Unie – deze implementatie strenger zullen toetsen op proportionaliteit en effectieve rechtsbescherming, nu de nationale legitimering is weggevallen?
11. Is de regering bereid de reikwijdte van de grensprocedure te heroverwegen, nu de politieke keuze voor een bredere en strengere toepassing daarvan door deze Kamer niet is onderschreven?
12. Het Europees Asiel- en migratiepact zal de maximale detentietermijn voor de Terugkeerverordening verhogen: detentie in gespecialiseerde faciliteiten tot maximaal 24 maanden – op dit moment 18 maanden – als de persoon een vlucht- of veiligheidsrisico is. Hoe gaat de regering dit handhaven?
13. Is het juist dat het dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat de 18 maanden administratieve bewaring en strafrechtelijk optreden naast elkaar kunnen bestaan zolang een strafrechtelijke gevangenisstraf de terugkeerprocedure niet vertraagt of doorkruist en dat de strafrechtelijke detentie in beginsel niet meetelt in de 18 (of 24)-maandentermijn van de Terugkeerrichtlijn (of Terugkeerverordening) – waardoor een combinatie theoretisch mogelijk is? Overweegt de regering om alsnog een additionele strafbaarstelling aan beide Kamers voor te stellen?
14. Het lid van de fractie-Van Gasteren memoreert dat de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring op 1 oktober 2015 bij de Tweede Kamer is ingediend en daar op 19 juni 2018 is aangenomen. Nadat de Eerste Kamer om een novelle had verzocht, werd deze in 2021 controversieel verklaard door de Tweede Kamer. De behandeling van dit wetsvoorstel werd dus tijdelijk bevroren. Door de val van verschillende kabinetten heeft de behandeling van dit wetsvoorstel stilgelegen.
Daarna volgden herhaalde verzoeken van achtereenvolgende Staatssecretarissen en Ministers aan de Eerste Kamer om de behandeling nogmaals aan te houden: bij brief van 11 april 202241, bij brief van 15 februari 202342 en opnieuw bij brief van 20 december 2024.43 Bij laatstgemelde brief heeft de regering de Kamer verzocht de behandeling aan te houden in afwachting van een gewijzigde novelle. Wat is de status van de aangekondigde gewijzigde novelle en wanneer maakt de regering haast met spoedige afhandeling?
Uitvoerbaarheid
Het lid van de fractie-Van Gasteren wijst erop dat bij de Wet invoering tweestatusstelsel, de Asielnoodmaatregelenwet en de Novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf door vele uitvoeringsinstanties werd gewezen op voorziene problemen in de uitvoering. De uitvoering van het thans voorliggende wetsvoorstel komt voor een groot deel overeen met voormelde drie nationale wetsvoorstellen. Advies- en uitvoeringsorganisaties waren dan ook kritisch ten aanzien van de extra «koppen» in het wetsvoorstel op de vanuit Europa opgelegde verplichte onderdelen.
De Afdeling advisering van de Raad van State is kritisch op de nationale keuzes die bovenop het Europees Asiel- en migratiepact komen, zoals bijvoorbeeld de invoering van het tweestatusstelsel en de kortere termijnen.44
De Adviesraad Migratie heeft in zijn advies met betrekking tot het voorliggend wetsvoorstel het volgende aangegeven:
«Geef prioriteit aan het pact, voeg geen extra nationale maatregelen toe die de uitvoering alleen maar zwaarder maken.»45
Bij de Raad voor de Rechtspraak bestaan grote zorgen over de extra werklast voor rechters, de kortere behandeltermijnen en de aantasting van de rechtsbijstand bij zowel de Asielnoodmaatregelenwet als het voorliggende wetsvoorstel.46
De IND, het COA en andere uitvoeringsorganisaties waarschuwen bij de Asielnoodmaatregelenwet voor onwerkbare extra druk.47 In het kader van voorliggend wetsvoorstel wordt door deze organisaties aangegeven te begrijpen dat navolging moet worden gegeven aan Europese regelgeving, maar dat de extra nationale keuzes de uitvoering nog lastiger maken.
15. Waarom denkt de regering dat de uitvoeringsorganisaties nu ineens wel een en ander kunnen uitvoeren?
16. Heeft de Kamer wel een keuze? Wat gebeurt er bij afwijzing van het voorliggende wetsvoorstel?
17. Heeft de regering het compensatie-effect van simpelere procedures gekwantificeerd? Zo ja, kan een en ander dan met de Kamer worden gedeeld? Zo nee, waarop is dan de verwachting gebaseerd dat de vereenvoudigingen in de nieuwe Europese procedure de extra lasten van het tweestatusstelsel deels compenseren?
Uitvoerbaarheid; voorbereiding van de uitvoering
Het lid van de fractie-Van Gasteren wijst erop dat er door verschillende organisaties impactanalyses en uitvoeringstoetsen zijn gemaakt.
De IND heeft in zijn eindrapport «De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief asielbesluit» gekeken naar de impact van het voorliggend wetsvoorstel op de IND, het COA, de DTenV, de advocatuur, Raad voor de rechtspraak, het Nidos en aanvragers.48 De conclusie van deze eindrapportage luidt dat het voorliggende wetsvoorstel zal resulteren in veel extra werk in de voorfase en het tweestatusstelsel alsmede dat er grote ICT-risico’s bestaan, maar dat er ook efficiencywinst kan worden behaald door de kortere termijnen.
Uit de Uitvoeringstoets Wet tweestatusstelsel van de IND – die specifiek handelt over het tweestatusstelsel – volgt dat sprake is van een extra werklast bij de IND en de Rechtspraak. Daarnaast heeft de IND ook specifiek een uitvoeringstoets uitgevoerd die ziet op het afschaffen van de voornemenprocedure.49
18. Zijn er nog andere toetsen of onderzoeken gedaan? Zo ja, kan de regering een en ander met deze Kamer delen?
19. Op welke wijze hebben de uitvoeringsorganisaties zich al voorbereid met betrekking tot de werving en training van medewerkers, het organiseren van huisvesting, de aanpassing van de processen, werkinstructies en systemen?
20. Kan de regering inzicht verschaffen in de status van de voorbereidingen, gesignaleerde of potentiële knelpunten, mogelijke of geplande of reeds uitgevoerde interventies en mogelijke implementatie noodscenario’s?
Uitvoerbaarheid; operationele, juridische en humanitaire impact van het ontbreken van overgangsrecht
Het lid van de fractie-Van Gasteren constateert dat het Europees Asiel- en migratiepact niets regelt met betrekking tot een verplicht overgangsrecht. Enkel wordt voorgeschreven dat de nieuwe regels vanaf 12 juni 2026 gelden voor nieuwe asielaanvragen. Het schrijft dus niet voor dat lopende procedures ook meteen onder de nieuwe strengere regels vallen.
De regering kiest in het voorliggende wetsvoorstel voor een onmiddellijke werking zonder overgangsregelingen. Dat betekent dat de nieuwe regels – het tweestatusstelsel, de kortere verblijfsvergunning van vijf naar drie jaar, de strengere nareis, de afschaffing van de voornemenprocedure – direct gelden voor alle lopende procedures en niet alleen voor nieuwe aanvragen.
Vanuit de Afdeling advisering van de Raad van State en de Adviesraad Migratie is hier expliciet kritiek op gegeven. Aangegeven werd dat dit niet verplicht is vanuit Europese regelgeving, maar dat dit is een nationale politieke keuze betreft en dat deze keuze het voor de IND en de rechters nodeloos ingewikkeld maakt.50
Genoemd lid wijst in dit kader nog naar het (verworpen) amendement van de leden Ceder en Westerveld waarin wordt geregeld dat alleen overgangsrecht geldt voor nareisaanvragen – gezinshereniging – die vóór 12 juni 2026 zijn ingediend.51 Het betreft hier een specifieke groep.
Dit betekent dat zodra het wetsvoorstel in werking treedt van de 80.000 openstaande asielzaken en 52.000 nareisaanvragen, de meeste onder de nieuwe strengere regels zullen vallen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft hier al stevig kritiek op gegeven: het kan leiden tot willekeur. De uitkomst hangt namelijk af van het moment dat jouw zaak toevallig wordt behandeld. Dit betekent dat de meeste lopende zaken opnieuw beoordeeld moeten worden met alle vertraging en onzekerheid voor betrokkenen van dien. Enkel de reeds verleende verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd blijven beschermd. Ook voor nareizigers geldt het nieuwe recht vrijwel altijd, ook als de betrokkene al langere tijd een status heeft.
21. Werkt de IND met behandeltijdnormen of targets nu zoveel zaken opnieuw moeten worden bekeken?
22. Hoe lang denkt de regering dat de IND nodig heeft om deze 132.000 beoordelingen te hebben verwerkt? Hoeveel extra capaciteit is daartoe voorzien?
23. Op welke wijze wordt door de regering een vinger aan de pols gehouden om onacceptabele verwerkingstijden te voorkomen?
24. Welke extra capaciteit is voorzien bij de rechterlijke macht om rechtszaken te behandelen? Hoe is daar in de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in voorzien?
25. Is het denkbaar dat een rechter bij een te lange behandeltijd in het voordeel van betrokkene de zaak zal beslechten?
26. Gezien het feit dat achter de «werkvoorraad cijfers» van de IND mensen schuilgaan met begrijpelijke angsten en behoeftes aan duidelijkheid en een collectieve noodzaak om het leven weer op te pakken, is de vraag van het lid van de fractie-Van Gasteren of de regering de mogelijkheid open houdt om bij een te lange behandeltijd alsnog een overgangsrecht te implementeren.
27. Kunnen schrijnende individuele gevallen nog steeds rekenen op een coulance uitspraak van de Minister van Asiel en Migratie?
28. Is door de regering een juridische risicoanalyse gemaakt met betrekking tot de (mogelijke) gevolgen van het ontbreken van overgangsrecht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan de regering deze aan de Kamer ter beschikking stellen?
Uitvoerbaarheid: voortgangsrapportage op uitvoering
Het lid van de fractie-Van Gasteren wijst op het Nationaal Implementatieplan Asiel- en Migratiepact, dat een tweefasen-aanpak beschrijft.52 Eerst wetgeving en beleid, daarna operationele uitvoering – processen, ICT, personeel en training – die klaar moet zijn op 12 juni 2026. Er staan concrete mijlpalen in per bouwsteen, met tijdlijnen tot medio 2026.
Er is echter noch aan de Tweede noch aan de Eerste Kamer een gedetailleerd projectplan ter beschikking gesteld met deliverables en wekelijkse milestones, of met een overzicht van de te nemen stappen, impactanalyses en benodigde capaciteit voor de IND, het COA, de DTenV en andere organisaties. Het jaarplan van de IND voor het jaar 2026 en voormeld eindrapport vullen het aan met meer praktische risico’s, vooral ICT en personeel. Wel zijn er voortgangsbrieven naar de Kamer gestuurd, alleen dateert de laatste alweer van 22 januari 2026.53
29. Kan de regering toezeggen dat de Kamer binnen drie maanden na inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel een uitvoeringsrapportage ontvangt over de eerste maanden na inwerkingtreding, met cijfers over werklast, termijnen en knelpunten bij de IND en de Rechtspraak?
30. Hoe verwacht de regering beide Kamers structureel en frequent op de hoogte te houden van de voortgang
Rechtmatigheid; decentrale invulling
Het lid van de fractie-Van Gasteren wijst erop dat in het aangenomen amendement van de leden Boomsma en Ceulemans54 de directeuren van azc-locaties de bevoegdheid krijgen om asielzoekers en statushouders die in opvang verblijven de verplichting op te leggen om deel te nemen aan cursussen die gericht zijn op taalverwerving en kennismaking met de Nederlandse samenleving. Deze bevoegdheid is facultatief en niet verplicht. De directeur van een azc-locatie mag een verplichting opleggen, maar hoeft het niet te doen. Er staan geen objectieve criteria in de wet, zoals bijvoorbeeld «iedereen die langer dan x weken in opvang zit». Dat maakt het volgens genoemd lid vatbaar voor willekeur en ongelijke behandeling in vergelijkbare of gelijke situaties.
31. De directeur van een azc-locatie kan alleen de verplichting opleggen om eraan mee te doen, niet het niveau zelf verzinnen. Is dit wenselijk?
32. In hoeverre is toepassing van zo’n bevoegdheid niet discriminator en in strijd met de Grondwet? Normale migranten die bijvoorbeeld een visum krijgen vanwege een partner in Nederland moeten namelijk wel voldoen aan taalverwerving en kennismaking met de Nederlandse samenleving.
33. Hoe wordt voorkomen dat gelijke gevallen ongelijk behandeld worden, dus dat het eigenlijk willekeur wordt? Is de regering voornemens om zo spoedig mogelijk beleidsregels op te stellen?
34. Wanneer zijn deze regels vastgesteld en van kracht?
35. Kan de regering deze beleidsregels met de Kamer delen?
Rechtmatigheid; verschillen in de behandeling van asielzoekers en reguliere migranten van buiten de Europese Unie
36. Interpreteert het lid van de fractie-Van Gasteren het juist dat de inhoud en het niveau van de Nederlandse taalles worden bepaald door de wet?
37. Is het juist dat als gevolg van dit amendement in een azc-locatie de enige sanctie bij niet medewerken aan taalvaardigheid een beperking kán zijn van de verstrekkingen? Je krijgt bijvoorbeeld minder zakgeld of minder vrije tijd. Je kunt niet uit de opvang worden gezet en je verblijfsstatus raak je er niet mee kwijt. Dit terwijl bij normale inburgering niet meewerken kan leiden tot een boete, maar vooral: als je geen inburgeringsexamen haalt, krijg je géén verblijfsvergunning verlengd. Dat kan dus leiden tot verlies van je verblijf.
38. Waarom heeft de regering niet gekozen voor een zwaardere sanctie voor asielzoekers die niet meewerken aan een door de directeur van een azc-locatie opgelegde verplichting om taal- en cultuurkennis te vergaren? Het gaat tenslotte om eenzelfde verplichting.
39. Is de regering op korte termijn voornemens om de verschillen tussen de twee groepen immigranten in behandelprocedure en een aantal voor de hand liggende onderdelen – zoals kennis van de Nederlandse taal en cultuur – en ook de sancties synchroon te trekken? Zo nee, waarom niet?
40. Mocht het argument zijn dat een asielzoeker nog in een onzekere positie zit en daarom alleen een lichte sanctie kan krijgen, waarom is dan niet een tweede sanctie in het wetsvoorstel opgenomen? Namelijk een doorwerkende sanctie. Zodat er – zodra de betrokkene die heeft geweigerd de Nederlandse taal en cultuur te leren een verblijfsvergunning krijgt, alsnog een doorlopende sanctie kan worden opgelegd – bijvoorbeeld een korting op de sociale uitkering of een verplichting tot het alsnog volgen van de cursus met een boete?
Uitvoerbaarheid; rechtsbijstand
Het lid van de fractie-Van Gasteren wijst erop dat de Procedureverordening (EU) 2024/1348 lidstaten expliciet de mogelijkheid biedt om gesubsidieerde rechtsbijstand in vreemdelingenzaken te beperken wanneer een zaak geen redelijke kans van slagen heeft, wanneer iemand over voldoende middelen beschikt of wanneer iemand onjuiste informatie verstrekt. De regering kiest er bewust voor om deze mogelijkheden niet te benutten en houdt het forfaitaire stelsel volledig intact.
41. Waarom heeft de regering deze lidstaatoptie niet gebruikt? In de memorie van toelichting behorend bij het voorliggend wetsvoorstel doet de regering een beroep op uitvoerbaarheid en het bestaande forfaitaire stelsel van gefinancierde rechtsbijstand, zonder dat er verder een nadere onderbouwing wordt gegeven.55
42. Is de regering voornemens om binnenkort of op termijn een onderzoek te starten naar de uitvoerbaarheid om in de toekomst wél gebruik te maken van deze Europese mogelijkheid?
43. Waarom wordt niet besloten tot een uitgestelde inwerkingtreding van die beperking? Bijvoorbeeld dat de maatregel pas over twee jaar ingaat, als de Raad voor Rechtsbijstand en de IND de systemen erop hebben ingericht.
44. Waarom past de regering niet het forfaitaire stelsel aan zodat het wél mogelijk wordt om kansarme zaken te filteren zonder alles overhoop te gooien?
Handhaafbaarheid; inzicht in gegevensdragers en rechtsongelijkheid
Het lid van de fractie-Van Gasteren wijst erop dat in de Tweede Kamer het gewijzigd amendement van het lid Boomsma c.s. over een expliciete uitzonderingsgrond voor het onderzoeken van persoonlijke gegevensdragers van vreemdelingen56 is ingetrokken. Dit amendement had twee doelen. Ten eerste een expliciete en beperkte uitzonderingsgrond creëren om in individuele zaken gegevensdragers van vreemdelingen te kunnen onderzoeken, met het oog op het in kaart brengen en bestrijden van routes voor mensensmokkel en mensenhandel.
En ten tweede, de bestaande bevoegdheid om gegevensdragers te onderzoeken beter te benutten voor feitelijke verificatie van verklaringen over herkomst en doorreis, waaronder de vraag of de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst. Nu een dergelijke mogelijkheid van inzage niet lijkt te bestaan, is de vraag in hoeverre dit rechtsongelijkheid creëert tussen asielzoekers die wel transparant inzage geven en zij die dat niet doen of met reguliere migranten die van alles moeten aanleveren om bijvoorbeeld een relatie aan te tonen of geboorteaktes moeten overleggen uit landen zonder strakke burgeradministratie.
45. Is de regering bekend met het gegeven dat in veel Europese landen vergelijkbare bevoegdheden bestaan?
46. Waarom heeft de regering er in dit stadium voor gekozen om deze mogelijkheid níét te benutten?
47. Is de regering voornemens om separate regelgeving in te voeren in lijn met het Europees recht? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Uitvoerbaarheid; internationale context
Het lid van de fractie-Van Gasteren constateert dat het Europees Asiel- en migratiepact de buitengrenzen behoorlijk verstevigt. De volgende zaken gaan na 12 juni aanstaande beter of anders aan de buitengrenzen:
– een verplichte screening voor iedereen die irregulier aankomt – identiteit, vingerafdrukken, gezondheid, kwetsbaarheid en veiligheidscheck – allemaal binnen maximaal zeven dagen;
– de grensprocedure voor een grote groep: snelle asielbehandeling binnen twaalf weken, soms versneld binnen drie maanden. Tijdens die procedure geldt de fictie van «niet-ingang» – je bent nog niet echt het land binnengekomen;
– een snellere afwijzing en terugkeer aan de grens zelf, vooral bij mensen uit veilige landen of die niet kansrijk zijn, en
– meer biometrische registratie in Eurodac.
Kortom, waar nu vaak alleen een snelle check was, komt nu een gestructureerde, verplichte screening en een korte procedure direct aan de buitengrens.
De Europese Commissie publiceert elk jaar een voortgangsrapport en lidstaten moeten nationale implementatieplannen indienen. Maar de laatste rapporten over de jaren 2025 en 2026 geven aan dat er nog grote uitdagingen zijn, vooral bij:
– de bouw van screeningfaciliteiten;
– de ICT-systemen (Eurodac en het nieuwe grenssysteem);
– voldoende getraind personeel, en
– de opvangcapaciteit tijdens de grensprocedure.
Frontex helpt met pilots en ondersteuning, maar veel lidstaten – inclusief Nederland – zijn nog niet volledig klaar. De Europese Commissie kan boetes opleggen als het niet op tijd lukt, maar of alles op 12 juni 2026 echt soepel loopt, daar is iedereen nog sceptisch over.
48. Hoe wordt Nederland op de hoogte gebracht wanneer de internationale organisaties zoals Frontex en de ondersteunende systemen klaar zijn?
49. Wat is de impact op Nederland als de organisatie in buurlanden niet op orde is?
50. Welke mogelijkheden zijn er voor Nederland om bij niet-gereed-zijn van de internationaal noodzakelijke infrastructuur een andere procedure kan volgen?
Handhaafbaarheid; buitengrens Nederland
Het lid van de fractie-Van Gasteren wijst erop dat Nederland ook een buitengrens heeft, namelijk de Noordzee en de internationale luchthavens. Als iemand via Schiphol of via de haven van Rotterdam in Nederland aankomt, zijn/haar documenten weggooit en zegt «ik weet niet waar ik vandaan kom», dan kan Nederland die persoon in de meeste gevallen niet terugsturen.
Nederland moet deze persoon dan screenen binnen zeven dagen. Als de screening niets oplevert – geen vingerafdrukken, geen herkomstland en geen papieren –, kan Nederland deze persoon niet terugsturen naar een ander Europees land. Is er geen veilig derde land of herkomstland bekend, dan is dus de enige mogelijkheid een normale asielprocedure in Nederland.
Daarom is de kans groot dat mensen die via de Noordzee of Schiphol Nederland binnenkomen, alsnog in de normale (niet-grens)procedure terechtkomen. Alleen als iemand uit een veilig land komt óf eerder al ergens anders in Europa geregistreerd is, kan hij in de snelle grensprocedure worden gezet.
51. Is de regering het met genoemd lid eens dat dit precies het zwakke punt van het hele Europees Asiel- en migratiepact lijkt en dat dit pact juist aan de Noordzee minder effectief gaat zijn?
52. De regering heeft hier geen aparte risicoanalyse op gemaakt in de openbare stukken. Waarom niet?
53. Is de regering alsnog bereid om een analyse te maken van het risico dat het aantal asielzoekers dat via Schiphol en de Noordzee binnenkomt juist gaat toenemen, omdat de strenge grensprocedure in de praktijk moeilijker toepasbaar is dan in Zuid-Europa?
54. In het Nationaal Implementatieplan en de toelichting bij de wet wordt dit risico ook niet expliciet benoemd of doorgerekend. Waarom niet?
55. De regering gaat uit van de huidige aantallen op Schiphol – ongeveer 1.100 per jaar – en rekent niet op een sterke toename via de Noordzee, terwijl evident is dat asielzoekers het zwakke punt snel zullen vinden. Bij welke instroom via zee en lucht is de regering voornemens aanvullende maatregelen te nemen?
56. Kan de regering daarbij ook verschillende scenario’s schetsen op welke wijze dit soort problemen in de toekomst worden aangepakt?
Wetmatigheid; uitvoering door decentrale regelgeving
Het lid van de fractie-Van Gasteren wijst erop dat het voorliggende wetsvoorstel «op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip» in werking treedt en dat verschillende artikelen of onderdelen op verschillende momenten in werking kunnen treden. De regering wil het liefst alles tegelijk per 12 juni aanstaande laten ingaan omdat alles met elkaar samenhangt. Er zijn echter onderwerpen die later via een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling worden ingeregeld.
Genoemd lid constateert dat er in voorliggend wetsvoorstel veel sprake is van delegatie naar een algemene maatregel van bestuur. Voorbeelden hiervan zijn:
– welke autoriteiten toegang krijgen tot Eurodac-gegevens;
– nadere regels over verblijfsvergunningen (duur, voorwaarden, intrekking);
– gronden voor vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming (onderduikrisico);
– regels over screening, toewijzing geografisch gebied, biometrie, en
– uitzonderingen en technische details van de procedures.
De belangrijkste onderwerpen die in een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling worden uitgewerkt lijken onder andere:
– nadere regels over de screening en de grensprocedure;
– toegang van welke autoriteiten tot Eurodac-gegevens (inclusief rechtshandhaving);
– gronden en voorwaarden voor vrijheidsbeperking en -ontneming;
– nadere invulling van het tweestatusstelsel, verblijfsvergunningen en nareis;
– regels over biometrie (vooral bij minderjarigen);
– technische details rond het solidariteitsmechanisme, en
– regels over de nieuwe verblijfstitel versus verblijfsvergunning.
Daarbij zijn er geen voorhangprocedures.
De regering kiest er bewust voor om geen voorhang op te nemen voor de meeste algemene maatregelen van bestuur, omdat dat niet past bij de bestaande systematiek van de Vreemdelingenwet 2000.57 Alleen bij een paar specifieke aanpassingen – zoals wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand – geldt automatisch een voorhang.
57. Is de regering bereid om voorhangprocedures te hebben bij de belangrijkste algemene maatregelen van bestuur, vooral die over:
– de concrete gronden voor vrijheidsontneming;
– de toegang tot Eurodac door rechtshandhaving, en
– de nadere invulling van het tweestatusstelsel en nareis,
zodat het parlement vooraf kan meepraten over deze uitvoeringsregels?
Rechtmatigheid; ontbreken van hardheidsclausules
Het lid van de fractie-Van Gasteren constateert dat het voorliggende wetsvoorstel weinig hardheidsclausules bevat. Er is eigenlijk maar één echte hardheidsclausule, en die is heel smal:
Bij de nareis – artikel 29b nieuw – kan de Minister in «zeer uitzonderlijke individuele gevallen» afwijken van de strenge nareisregels.
58. Heeft de regering een juridische risicoanalyse laten verrichten op dit onderdeel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan de regering een en ander delen met deze Kamer?
59. Overweegt de regering een reparatiewet met alsnog een algemene hardheidsclausule voor gevallen waarin strikte toepassing van de nieuwe regels leidt tot kennelijk onredelijke uitkomsten?
60. Of overweegt de regering in ieder geval hardheidsclausules in de volgende drie gevallen zodat in schrijnende individuele gevallen kan worden afgeweken van de wettelijke regels bij:
– het tweestatusstelsel (bijvoorbeeld bij de vraag of iemand vluchteling is of subsidiair beschermd wordt);
– het afschaffen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (voor mensen die al heel lang in Nederland zijn en een sterke binding hebben), en
– de afschaffing van de voornemenprocedure (zodat de IND in schrijnende gevallen nog wel een voornemen moet sturen).
Uitvoerbaarheid; indeling in nieuwe categorieën
Het lid van de fractie-Van Gasteren merkt op dat door het Europees Asiel- en migratiepact en ook door het voorliggend wetsvoorstel er twee soorten asielzoeker en nareiziger zijn. Namelijk die verbonden zijn aan vluchtelingen die persoonlijk vervolgd worden en diegenen die vluchteling zijn uit een oorlogsgebied.
Voor beide categorieën geldt:
– alleen kerngezin (echtgenoot/partner en minderjarige kinderen), en
– het gezin moet al bestaan hebben voordat de hoofdpersoon Nederland binnenkwam (dit is nieuw).
Extra strenge regels gelden alleen voor nareizigers van subsidiaire bescherming (de «oorlogsgebied-groep»):
– een inkomenseis: de statushouder moet voldoende inkomen hebben om het gezin te onderhouden (dit geldt niet voor erkende vluchtelingen);
– een termijn: nareis moet binnen één jaar na verlening van de verblijfsvergunning worden aangevraagd (was eerder drie jaar), en
– de IND mag geen rekening meer houden met individuele omstandigheden – zoals ziekte of trauma – bij deze groep.
Voor erkende vluchtelingen blijft het relatief gunstiger; er geldt geen inkomenseis, er is meer ruimte voor individuele omstandigheden en er is een iets soepelere bewijslast.
Kort gezegd; de grootste knip zit bij mensen die bescherming krijgen omdat hun land in oorlog is. Die groep krijgt veel strengere nareisregels dan mensen die individueel zijn vervolgd.
Vanwege het ontbreken van overgangsrecht geldt op 12 juni aanstaande de wet voor iedereen die nu in procedure zit of komt te zitten. Dit betreft de 80.000 die reeds in Nederland zijn en de 52.000 nareizigers.
61. Heeft de regering zicht op hoe de twee categorieën over deze 132.000 zaken zijn verdeeld? Is het beeld van genoemd lid juist dat de regering en de IND nog geen duidelijke methode hebben uitgewerkt om snel te bepalen hoe de circa 80.000 openstaande asielzaken en 52.000 nareisaanvragen verdeeld zijn tussen erkende vluchtelingen (A-status) en mensen met subsidiaire bescherming (B-status)
62. Zo nee, waarom niet? En wanneer is dat zicht er wel?
63. Welke acties staan uit om hier dan wel zo snel mogelijk inzicht in te krijgen? Met andere woorden, hoe gaat de IND dit verwerken?
64. Hoe is IND voorbereid op een situatie waarin de 80.000 lopende gevallen na 12 juni aanstaande contact zoeken om hun positie te begrijpen?
65. Is de inschatting van genoemd lid juist dat er een toename van het aantal beroepszaken zal zijn van vluchtelingen die vinden dat ze primair of subsidiair ook tot een andere categorie behoren?
66. Wat is de – te verwachten – impact op gemiddelde doorlooptijden, noodzakelijke personeelsbezetting van de IND en de rechterlijke macht alsmede op de budgetten?
Handhaafbaarheid; asielroute verplaatsing
Stel dat op 11 juni aanstaande iemand subsidiaire bescherming krijgt en daardoor op dat moment zijn broer of zus nog recht heeft op nareis maar nog geen aanvraag heeft ingediend. Op 12 juni aanstaande treedt voorliggend wetsvoorstel in werking en dan vervalt dat recht voor broers en zussen.
67. Begrijpt het lid van de fractie-Van Gasteren het goed dat die broer of zus dan geen recht meer heeft om als nareiziger naar Nederland te komen, maar wel een zelfstandig recht behoudt om zelf een asielaanvraag in te dienen in Nederland?
68. Zo ja, is de regering zich ervan bewust dat dit in de praktijk kan leiden tot een verschuiving van familieleden van de nareisroute naar de reguliere asielroute, met alle extra druk op de IND en de opvang die dat met zich meebrengt?
69. Heeft de regering zicht op de omvang van dit effect? Zo nee, wanneer denkt de regering dat wel in beeld te hebben en hoe gaat zij dit effect monitoren?
Handhaafbaarheid; helderheid criteria
Het lid van de fractie-Van Gasteren constateert dat het voorliggend wetsvoorstel een gesloten definitie voor kerngezin hanteert. Ouders, broers, zussen, meerderjarige kinderen en andere familieleden horen er niet meer bij. Wie telt als partner? De wet hanteert hier een ruimere definitie. Er hoeft geen huwelijk of geregistreerd partnerschap te zijn. Het gaat om een duurzame, feitelijke relatie die vergelijkbaar is met een huwelijk of geregistreerd partnerschap. Dit kan dus ook een ongehuwd samenlevingsverband zijn.
De IND moet wel kunnen vaststellen dat het een echte, duurzame relatie is. Bijvoorbeeld door bewijs van samenwoning, financiële afhankelijkheid of langdurig contact.
De nieuwe wet beperkt nareis tot het kerngezin: de partner en minderjarige kinderen.
Kan de regering toelichten op welke wijze de IND in de praktijk gaat beoordelen wie als partner wordt gezien of partner wordt gedefinieerd als iemand met wie een duurzame relatie bestaat.
70. Wat verstaat de regering precies onder een duurzame relatie?
71. Hoe meet de IND duurzaamheid? Is dat een bepaalde tijdsduur, samenwoning, financiële afhankelijkheid of een combinatie van factoren?
72. En zijn hierover concrete uitvoeringsrichtlijnen of beleidsregels opgesteld, zodat deze beoordeling in de praktijk op dezelfde manier gebeurt bij alle IND-medewerkers?
73. Is daarvoor een huwelijk of geregistreerd partnerschap vereist of is een duurzame, ongehuwde, relatie ook voldoende?
74. Hoe wordt omgegaan met het gebruik in veel islamitische landen om meerdere vrouwelijke partners te hebben?
75. Welke bewijsstukken moeten mensen dan overleggen om aan te tonen dat het om een duurzame relatie gaat?
Genoemd lid ziet graag beantwoording in relatie tot reguliere migranten waarvan de – eerder gehuwde en gescheiden – partner soms onmogelijke documenten moet laten zien.
Rechtmatigheid; rechtseffecten bij «grensgevallen»
Het lid van de fractie-Van Gasteren geeft het volgende voorbeeld. Een ouder komt via de Europese grensprocedure in Nederland en krijgt een status. Op dat moment is een van zijn kinderen 17 jaar oud. De procedure duurt anderhalf jaar, zodat het kind inmiddels 18,5 jaar is als de nareisaanvraag wordt ingediend.
76. Valt dat kind dan nog onder het kerngezin, of is het op het moment van indiening meerderjarig en dus uitgesloten van nareis?
77. Kan de regering bevestigen dat de leeftijd wordt getoetst op het moment van indiening van de nareisaanvraag en niet op het moment dat de ouder binnenkomt?
78. Hoe is dit in omliggende landen geregeld?
79. Over hoeveel gevallen per jaar gaat het?
80. Is er een juridische risicoanalyse gemaakt in verband met deze harde grens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan de regering de resultaten daarvan met deze Kamer delen?
Handhaafbaarheid; kinderroute nóg aantrekkelijker?
Het lid van de fractie-Van Gasteren wijst erop dat in de huidige systematiek er veel alleenstaande minderjarige kinderen vooruit worden gestuurd om maar toegang te hebben, omdat een kind natuurlijk niet wordt teruggestuurd en een zelfstandig recht op asiel krijgt.
81. Onder het nieuwe stelsel blijft het aantrekkelijk om minderjarige kinderen vooruit te sturen, omdat een alleenstaand minderjarig kind nog steeds een zelfstandig asielrecht heeft en niet wordt teruggestuurd. Is dit juist?
82. Zodra zo’n kind zelf een verblijfsvergunning krijgt, kan het daarna zijn ouders en minderjarige broertjes en zusjes laten nareizen. Is het juist dat deze procedure korter duurt dan die van volwassenen?
83. Is de regering zich ervan bewust dat deze route onder het nieuwe Europees Asiel- en migratiepact juist kan toenemen?
84. Het gegeven dat een alleenstaand minderjarig kind zelfstandig asiel kan aanvragen, niet wordt teruggestuurd en daarna zijn ouders kan laten nareizen, is een groot lek in het systeem. Is dit lek een Europese verplichting vanuit het Europees Asiel- en migratiepact of heeft Nederland hier beleidsruimte om dit gat zelf te dichten?
85. En als het Europees verplicht is: ligt dat dan aan het IVRK of heeft Europa dit gat bewust open gelaten terwijl het wél mogelijk was om het te sluiten?
86. Als dit probleem oplosbaar is op Europees niveau of via aanpassing van het IVRK, wat gaat de regering dan concreet doen om dit lek op Europees niveau te dichten?
87. Welke andere acties onderneemt de regering in Europees verband – bijvoorbeeld in de Raad – om te voorkomen dat meer kinderen alleen naar Europa worden gestuurd om zo alsnog het hele gezin hier te krijgen?
Uitvoerbaarheid; werkdruk bij de IND i.v.m. kortere looptijd verblijfsvergunning
Het lid van de fractie-Van Gasteren constateert dat met voorliggend wetsvoorstel de vergunning voor onbepaalde tijd wordt afgeschaft. Iedereen krijgt een tijdelijke verblijfsvergunning van maximaal drie jaar. Daarna moet iedere drie jaar opnieuw een aanvraag worden gedaan, een verlenging. De IND heeft in zijn impactanalyse ervoor gewaarschuwd dat dit tot capaciteitsproblemen gaat leiden.58 De IND verwacht enkele tienduizenden extra aanvragen per jaar. Met andere woorden, dit zorgt voor een sterke toename van het aantal zaken dat de IND moet behandelen.
88. Is het correct te veronderstellen dat dit niet voor bestaande vergunningen voor onbepaalde tijd geldt?
89. Klopt de veronderstelling van genoemd lid dat de verkorting van vijf naar drie jaren meer druk op de IND geeft, inhoudende een stijging van ongeveer zeventig procent in verlengingsaanvragen per jaar en daarnaast de nieuwe gevallen die ook elke drie jaar een nieuwe aanvraag moeten doen?
90. De regering heeft dit effect wel erkend, maar heeft geen harde cijfers gegeven over hoeveel extra fte dit precies kost. Heeft de regering inmiddels wel zicht op hoeveel extra aanvragen de IND hierdoor per jaar gaat krijgen en hoeveel extra capaciteit dit gaat kosten?
91. Zo nee, wanneer verwacht de regering dit wel te weten?
92. En hoe en wanneer gaat de regering de Kamer daarover rapporteren?
Financiële kaders
Het lid van de fractie-Van Gasteren wijst erop dat de afschaffing van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en het verkorten van de vergunningsduur van vijf naar drie jaar zorgen voor een sterke stijging van de werklast bij de IND.
93. Hoe is deze extra werkdruk terug te vinden in de begroting van het Ministerie van Asiel en Migratie (of Justitie en Veiligheid)?
94. Is er een overeenkomstige stijging van het budget voor de IND in de begroting voor 2026 en de jaren daarna?
95. Zo nee, waar komt die extra capaciteit dan vandaan?
Uitvoerbaarheid; risico ondersteunende IT-systemen
Uit de pers bereiken het lid van de fractie-Van Gasteren berichten dat de ondersteunende ICT-systemen bij de IND nog niet gereed zijn.
96. Kloppen deze berichten en betreft het dan de specifieke Nederlandse systemen van de IND of wellicht de Europese systemen?
97. Eurodac en het Entry/Exit System zijn cruciaal voor het nieuwe migratiepact. Draaien deze systemen op een eigen, gesloten Europees platform met Europese backups of draaien ze (deels) op een cloud van een Amerikaanse leverancier zoals Microsoft Azure of Amazon Web Services?
98. Zo ja: is de regering bereid om samen met Europa die afhankelijkheid van Amerikaanse cloudleveranciers zo snel mogelijk te verminderen?
99. Kan de regering de Kamer toezeggen dat de huidige Europese systemen niet via overnames, fusies of nieuwe aanbestedingen alsnog in handen van Amerikaanse bedrijven komen, zodat zowel onze digitale weerbaarheid als de privacy van alle betrokkenen blijvend is gegarandeerd?
De vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-raad ziet de nota naar aanleiding van het verslag met belangstelling tegemoet en ontvangt deze graag zo spoedig mogelijk. Onder voorbehoud van tijdige ontvangst van de nota naar aanleiding van het verslag, te weten uiterlijk 12 mei 2026, acht de commissie het wetsvoorstel gereed voor plenaire behandeling op 19 mei 2026.
De voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-raad, Van Hattem
De griffier van de vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-raad, Dragstra
Samenstelling:
Bakker-Klein (CDA), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Dittrich (D66), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66) (ondervoorzitter), Van Hattem (PVV) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Janssen (SP), Kaljouw (VVD), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Lievense (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Meijer (VVD), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
De Handelingen van dit debat zijn nog niet vastgesteld, het ongecorrigeerd verslag is hier raadpleegbaar.
Zie hiervoor: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 15.
Zie hiervoor: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 29.
Zie hiervoor: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 96.
Zie hiervoor: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 98.
Zie hiervoor: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 88.
Zie hiervoor: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 85.
Raadpleegbaar via: https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2609521-griekenland-pleit-voor-europees-migratiepact-met-strengere-maatregelen.
De Handelingen van dit debat zijn nog niet vastgesteld, het ongecorrigeerd verslag is hier raadpleegbaar.
Zie hiervoor o.a.: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 79.
Raadpleegbaar via: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit.
Zie hiervoor onder andere het online artikel in het AD van 23 maart 2026 «Minister sust zorgen over invoering migratiepact: «Zijn we er klaar voor? Het antwoord is ja.»
Samenstelling:
Bakker-Klein (CDA), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Dittrich (D66), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66) (ondervoorzitter), Van Hattem (PVV) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Janssen (SP), Kaljouw (VVD), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Lievense (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Meijer (VVD), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
De Handelingen van dit debat zijn nog niet vastgesteld, het ongecorrigeerd verslag is hier raadpleegbaar.
Zie hiervoor: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 15.
Zie hiervoor: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 29.
Zie hiervoor: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 96.
Zie hiervoor: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 98.
Zie hiervoor: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 88.
Zie hiervoor: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 85.
Raadpleegbaar via: https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2609521-griekenland-pleit-voor-europees-migratiepact-met-strengere-maatregelen.
De Handelingen van dit debat zijn nog niet vastgesteld, het ongecorrigeerd verslag is hier raadpleegbaar.
Zie hiervoor o.a.: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit, p. 79.
Raadpleegbaar via: Eindrapportage IND De nieuwe asielprocedure van 2026: van ontvangst tot definitief besluit.
Zie hiervoor onder andere het online artikel in het AD van 23 maart 2026 «Minister sust zorgen over invoering migratiepact: «Zijn we er klaar voor? Het antwoord is ja.»
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36871-F.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.