Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36830 nr. D |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36830 nr. D |
Vastgesteld 24 februari 2026
De vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Asiel en Migratie over het voorstel voor een Verordening wat betreft de toepassing van het begrip «veilig derde land». Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 6 januari 2026.
• Een rappelbrief van 15 januari 2026.
• De antwoordbrief van 20 februari 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad, Dragstra
Aan de Minister van Asiel en Migratie
Den Haag, 6 januari 2026
De vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad heeft met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 3 november 20252 waarbij u eerder gestelde vragen beantwoordt over het voorstel voor een Verordening tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de toepassing van het begrip «veilig derde land».3
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA leggen de regering naar aanleiding hiervan nog enkele vervolgvragen voor, nu deze leden constateren dat een aantal van hun eerdere vragen niet volledig, niet precies of slechts op hoofdlijnen zijn beantwoord, in het bijzonder daar waar het gaat om rechtsbescherming, de praktische toepassing van het loslaten van het bandencriterium en het toezicht op de naleving van mensenrechten. De leden van de fractie van D66 zien eveneens aanleiding tot het stellen van nadere vragen. Het lid van de fractie-Van de Sanden wenst tot slot eveneens een aantal vragen voor te leggen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA leggen de regering de volgende vragen voor.
1. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat de regering een aanvullend impact assessment niet nodig acht omdat de Europese Commissie een «integrale evaluatie» heeft uitgevoerd.4 Kan de regering deze leden in detail aangeven welke documenten en analyses hieraan ten grondslag liggen en op welke wijze daarin de gevolgen voor de rechtsbescherming en non-refoulement bij toepassing zonder bandencriterium zijn onderzocht? Zijn die evaluaties Openbaar en is de regering bereid om deze met de Kamer te delen?
2. Kan de regering inhoudelijk motiveren waarom het vervangen van de automatische schorsende werking door de mogelijkheid van een voorlopige voorziening volgens haar een gelijkwaardig niveau van rechtsbescherming biedt, mede gelet op de toegang tot de rechtsbijstand, de bestaande behandeltermijnen en de feitelijke procespositie van asielzoekers?
3. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen dat de regering stelt dat er geen sprake is van willekeur in het sturen van asielzoekers naar derde landen nu er sprake is van een individuele beoordeling per geval van de vraag of het land veilig is voor de betrokken asielzoeker, alsook de mogelijkheid voor de asielzoeker om het vermoeden van veiligheid te weerleggen.5 Kan de regering uiteenzetten welke concrete criteria in de praktijk bepalen of een asielzoeker ─ bij het ontbreken van band of doorreis ─ voor toepassing van het concept «veilig derde land» in aanmerking komt? Op welke wijze ziet de individuele beoordeling er in dit geval concreet uit?
4. Welke bewijslast en bewijsmaatstaf gelden er voor respectievelijk de vaststelling dat een derde land veilig is en voor het weerleggen van dat vermoeden door de asielzoeker? Op welke wijze wordt daarbij expliciet rekening gehouden met kwetsbare groepen?
5. Kan de regering de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA aangeven welke minimale, afdwingbare voorwaarden volgens haar noodzakelijk zijn in een «agreement» of «arrangement» met een derde land om toepassing van het concept «veilig derde land» zonder bandencriterium mogelijk te maken?
6. Wat zijn de juridische en praktische consequenties indien een derde land de betrokkene niet toelaat, geen effectieve toegang tot de asielprocedure biedt of de betrokkene doorstuurt naar een ander land? Welke verantwoordelijkheid behoudt Nederland in die gevallen?
7. Kan de regering de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA concreet toelichten op welke wijze het toezicht in de praktijk is georganiseerd op derde landen die als veilig worden aangemerkt, inclusief de wijze waarop risico’s van indirect refoulement worden beoordeeld en welke opschortingsmechanismen beschikbaar zijn?
8. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen dat in de afgelopen tien jaar in totaal circa 670 asielverzoeken niet-ontvankelijk zijn verklaard op grond van de tegenwerping van een veilig derde land, terwijl essentiële gegevens over de betrokken derde landen, ingestelde beroepen, uitkomsten daarvan en de toepassing van schorsende werking niet structureel en reproduceerbaar beschikbaar zijn.6 Deelt de regering de opvatting van deze leden inhoudende dat deze zeer beperkte praktijkervaring ─ in combinatie met het ontbreken van inzichtelijke en verifieerbare data ─ een ontoereikende feitelijke basis vormt voor de ingrijpende verruiming van het concept «veilig derde land» zoals die met het voorliggende voorstel wordt beoogd? Kan de regering aangeven of de Europese Commissie zich bij dit voorstel baseert op substantiële en vergelijkbare gegevens uit andere lidstaten? Zo ja, waarom zijn deze gegevens niet inzichtelijk gemaakt voor nationale parlementen? Acht de regering het ─ mede gelet op de verstrekkende gevolgen voor rechtsbescherming en non-refoulement ─ politiek en democratisch verdedigbaar dat parlementaire controle op dit onderdeel plaatsvindt zonder dat dergelijke gegevens beschikbaar zijn?
9. Is de regering bereid om de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA toe te zeggen dat de registratie door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zodanig wordt aangepast dat deze gegevens structureel en inzichtelijk aan de Kamer kunnen worden gerapporteerd? Zo ja, binnen welke termijn is dit mogelijk?
10. Is de regering bereid om ─ vooruitlopend daarop ─ een steekproefanalyse te laten uitvoeren naar recente zaken waarin het concept «veilig derde land» is toegepast, zodat de Kamer inzicht krijgt in de praktijk en de rechterlijke correctie daarop?
11. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen dat de voornemenprocedure onder de Asielnoodmaatregelenwet wordt geschrapt.7 Kan de regering deze leden toelichten wat dit betekent voor de mogelijkheid om het tegenwerpen van een «veilig derde land» vóór het besluit effectief te betwisten? Op welke wijze verhoudt dit zich tot het afschaffen van automatische schorsende werking? Is de regering met deze leden van mening dat door deze mogelijke combinatie de rechtspositie van asielzoekers hard en op verschillende manieren wordt ondermijnd?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66
De vragen van de leden van de fractie van D66 hebben onder andere betrekking op het vervallen van de automatisch schorsende werking van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing en de borging van de mensenrechten in de zogenoemde veilige derde landen. Het is de leden van de fractie van D66 namelijk onvoldoende duidelijk geworden op welke wijze de regering de borging van mensenrechten in veilige derde landen kan garanderen en welke maatregelen zij neemt wanneer bepaalde mensenrechten onder druk komen te staan.
Een van de wijzigingsvoorstellen in de voorgestelde verordening heeft betrekking op de automatisch schorsende werking van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing. De Europese Commissie stelt voor om de automatisch schorsende werking van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing af te schaffen, terwijl Nederland heeft gepleit voor meer flexibiliteit voor de lidstaten ten aanzien van het al dan niet verlenen van een automatisch schorsende werking. In de aan de orde zijnde brief lezen de leden van de fractie van D66 echter dat de Nederlandse inzet weinig bijval van andere lidstaten krijgt.8 Dit zou ertoe kunnen leiden dat de automatisch schorsende werking van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing in Nederland komt te vervallen. Dit zal een forse stijging van het aantal schorsingsverzoeken tot gevolg hebben, met als consequentie een toename van de werklast voor de rechtbanken. Voorziet de regering dit probleem ook? Welke maatregelen is de regering bovendien voornemens te nemen om deze problemen op te vangen? Met andere woorden: op welke wijze voorkomt de regering dat het vervallen van de automatisch schorsende werking leidt tot capaciteitsproblemen bij rechtbanken?
De leden van de fractie van D66 hebben bovendien zorgen over de borging van mensenrechten in landen waarmee Nederland zogenoemde innovatieve vormen van migratiesamenwerking heeft. In Oeganda staat bijvoorbeeld de doodstraf op homoseksualiteit. In de aan de orde zijnde brief lezen deze leden dat de regering in het toetsingskader rekening houdt met de veiligheid van lhbtiq+’ers.9 Hoe verhoudt dit zich volgens de regering met het tekenen van een intentieovereenkomst met Oeganda? Hoe waarborgt de regering de veiligheid van lhbtiq+’ers die naar Oeganda worden uitgezet? Acht de regering het bovendien wenselijk om asielzoekers uit te zetten naar een land waar de doodstraf staat op homoseksualiteit?
De leden van de fractie van D66 hebben daarnaast vervolgvragen over welke aanpak de regering hanteert wanneer zij waarneemt dat bepaalde mensenrechten niet worden gerespecteerd in de veilige derde landen. In Tunesië is er bijvoorbeeld een autocratisch bewind aan de macht dat oppositieleden arresteert en migranten terug de woestijn instuurt. In de aan de orde zijnde brief geeft de regering aan dat zij duidelijke afspraken over de borging van mensenrechten maakt en de inzet nauwkeurig monitort.10 Kan de regering deze leden inzichtelijk maken welke afspraken over de borging van mensenrechten met Tunesië worden gemaakt? In hoeverre is de regering bovendien van mening dat Tunesië zich aan de deze afspraken houdt? De leden van de fractie van D66 lezen in de aan de orde zijnde brief verder dat «het kabinet per casus bekijkt welke maatregelen nodig zijn. Welke dat zijn zal per casus bekeken moeten worden. Hier zet het kabinet ook actief op in waar het eventuele zorgen betreft rondom de borging van mensenrechten in de context van Tunesië.»11 Kan de regering aangeven welke zorgen leven met betrekking tot de borging van mensenrechten in Tunesië? De regering geeft bovendien aan dat zij per land beslist welke maatregelen zij neemt wanneer schending van gemaakte afspraken omtrent mensenrechten plaatsvindt.12 Kan de regering inzichtelijk maken welke maatregelen zij in totaliteit tot haar beschikking heeft? Op basis waarvan maakt de regering bovendien de beslissing welke maatregelen zij in verschillende casussen inzet? En kan de regering tot slot verduidelijken wat haar specifieke inzet is met betrekking tot Tunesië?
Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie-Van de Sanden
Het lid van de fractie-Van de Sanden heeft de volgende vervolgvragen aan de regering voor te leggen.
Rechtsstaat en Rechtszekerheid (Pijler 1: Vrijheid & Rechtsstaat)
1. Voornoemd lid wijst erop dat het begrip «veilig derde land» direct aan het individuele recht op asiel en de bescherming tegen terugzending naar gevaar (het non-refoulement-beginsel) raakt. Kan de regering expliciet garanderen dat ─ ondanks de kwalificatie van een land als «veilig» ─ de individuele toetsing van een asielverzoek ─ zoals vereist door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de nationale rechtsstaat ─ op geen enkele wijze een formaliteit wordt?
2. Welke waarborgen zijn in het voorliggende voorstel ingebouwd om te voorkomen dat een lidstaat, onder politieke druk of wegens crisis, een land als «veilig» kwalificeert, terwijl de feitelijke situatie ter plaatse ─ bijvoorbeeld op het gebied van politieke stabiliteit of respect voor mensenrechten ─ onzeker is?
3. Zijn er in het voorstel voldoende mogelijkheden voor hoogwaardig beroep of rechtsbijstand om de asielzoeker effectief in staat te stellen de kwalificatie van het derde land te betwisten of leidt het tot een onacceptabele inperking van de toegang tot de rechter?
Uitvoerbaarheid en Financiën (R-U-H Toets)
1. De Raad voor de rechtspraak en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) waarschuwen doorgaans voor de complexiteit van nieuwe Europese procedures. Wat zijn de exacte financiële en personele consequenties van deze verordening voor de IND en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State? En welke concrete maatregelen neemt de regering om te garanderen dat de juridische keten deze nieuwe werklast daadwerkelijk aankan?
2. Op welke wijze wordt in de keten geborgd dat─ zelfs bij versnelde procedures ─ de kwaliteit van de besluitvorming niet lijdt onder de tijdsdruk? Ziet de regering het risico dat foutieve beslissingen de rechtsketen uiteindelijk verder zullen verstoppen door noodzakelijke hoger beroepen?
Humaniteit en Sociale Rechtvaardigheid (Pijler 3)
1. Welke specifieke criteria garanderen dat de beoogde «veilige» landen niet alleen formeel veilig zijn, maar ook een humaan en menswaardig verblijf kunnen bieden? Op welke wijze wordt dit door de Europese Commissie onafhankelijk en continu gemonitord?
2. Op welke wijze wordt voorkomen dat kwetsbare groepen, bijvoorbeeld slachtoffers van mensenhandel of personen met ernstige medische problemen, uitgesloten worden van een versnelde afhandeling en gegarandeerd toegang krijgen tot een volledige procedure in Nederland, ongeacht de kwalificatie «veilig derde land»?
De vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad ziet uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen 4 weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad, A.W.J.A van Hattem
Aan de Minister van Asiel en Migratie
Den Haag, 15 januari 2026
De vaste commissies voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad en voor Justitie en Veiligheid hebben kennisgenomen van uw brief van 17 december 2025 waarbij de Kamer het verslag van de formele JBZ-Raad van 8 en 9 december 202513 wordt aangeboden. Tijdens deze Raad is onder meer gesproken over het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een gemeenschappelijk systeem voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal in de Unie verblijven (Terugkeerverordening)14 en het voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de toepassing van het begrip «veilig derde land».15 De commissies constateren dat zij over deze voorstellen bij uitgaande brieven van respectievelijk 10 oktober 202516 en 6 januari 202617 (nadere) vragen hebben gesteld en dat deze tot op heden niet zijn beantwoord. Hierbij verzoeken de commissies u deze brieven alsnog op korte termijn te beantwoorden.
De vaste commissies voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad en Justitie en Veiligheid zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag zo spoedig mogelijk.
Voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad, A.W.J.A. van Hattem
Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, B.O. Dittrich
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 februari 2026
Hierbij bied ik u de antwoorden aan op nadere vragen naar aanleiding van het voorstel COM(2025)259.
Deze vragen werden ingezonden op 6 januari 2026 met kenmerk 179284.
Zoals ook al is aangegeven in de aanbiedingsbrief bij de Geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 22 en 23 januari18, merkt de regering nog op dat er inmiddels een voorlopig politiek akkoord is bereikt over de ontwerpverordening. Het uiteindelijke resultaat wijkt nauwelijks af van het raadsmandaat dat is vastgesteld op de JBZ-Raad van 8 en 9 december jl. en is op de voor Nederland belangrijke onderdelen niet gewijzigd. Het kabinet is voornemens in te stemmen met het onderhandelingsresultaat.
De Minister van Asiel en Migratie, D.M. van Weel
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA leggen de regering de volgende vragen voor.
Vraag 1
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat de regering een aanvullend impact assessment niet nodig acht omdat de Europese Commissie een «integrale evaluatie» heeft uitgevoerd. Kan de regering deze leden in detail aangeven welke documenten en analyses hieraan ten grondslag liggen en op welke wijze daarin de gevolgen voor de rechtsbescherming en non-refoulement bij toepassing zonder bandencriterium zijn onderzocht? Zijn die evaluaties Openbaar en is de regering bereid om deze met de Kamer te delen?
Antwoord:
In de toelichting bij het voorstel (COM(2025) 259 final) geeft de Commissie aan dat zij heeft onderzocht of het internationaal recht (het Verdrag van Genève van 1951 en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens van 1950) ruimte laat om de voorwaarden voor de toepassing van het begrip «veilig derde land» en de bijbehorende wettelijke waarborgen verder te herzien teneinde de toepassing van het begrip in de lidstaten te vergemakkelijken. De Commissie heeft verder tussen december 2024 en februari 2025 de lidstaten, het EP, maatschappelijke organisaties en de UNHCR geraadpleegd. Het onderzoek van de Commissie heeft zich met name gericht op de voorwaarden waaraan een derde land moet voldoen om als «veilig» te worden beschouwd, het bandencriterium en de waarborgen voor een eerlijke procedure. De Commissie heeft ook rekening gehouden met de ervaring die de lidstaten tot dusver hebben opgedaan met de toepassing van het begrip «veilig derde land» en nam daarbij ook nota van de uitdagingen bij de toepassing van het begrip, die in verschillende fora zijn aangekaart. Tot slot heeft de Commissie de relevante jurisprudentie van het HvJ-EU19 en het EHRM geanalyseerd. De Commissie verwijst naar een aantal documenten over de toepassing van het begrip in EU-lidstaten.20
Vraag 2
Kan de regering inhoudelijk motiveren waarom het vervangen van de automatische schorsende werking door de mogelijkheid van een voorlopige voorziening volgens haar een gelijkwaardig niveau van rechtsbescherming biedt, mede gelet op de toegang tot de rechtsbijstand, de bestaande behandeltermijnen en de feitelijke procespositie van asielzoekers?
Antwoord:
De afschaffing van de automatisch schorsende werking, in geval van tegenwerping van een veilig derde land, laat onverlet dat de asielzoeker nog altijd de mogelijkheid heeft om de rechterlijke instantie te verzoeken de behandeling van het beroep op het grondgebied van de lidstaat te mogen afwachten. Hiermee verschillen deze zaken niet van andere asielzaken waarin ook geen automatisch schorsende werking wordt verleend aan het beroep. De asielzoeker heeft recht op kosteloze juridische counseling bij de behandeling van zijn asielverzoek, recht op een doeltreffende voorziening in rechte en gefinancierde rechtsbijstand tijdens de beroepsfase. Hiermee blijft volgens de regering de rechtsbescherming van de asielzoeker gewaarborgd.
Vraag 3
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen dat de regering stelt dat er geen sprake is van willekeur in het sturen van asielzoekers naar derde landen nu er sprake is van een individuele beoordeling per geval van de vraag of het land veilig is voor de betrokken asielzoeker, alsook de mogelijkheid voor de asielzoeker om het vermoeden van veiligheid te weerleggen. Kan de regering uiteenzetten welke concrete criteria in de praktijk bepalen of een asielzoeker – bij het ontbreken van band of doorreis – voor toepassing van het concept «veilig derde land» in aanmerking komt? Op welke wijze ziet de individuele beoordeling er in dit geval concreet uit?
Antwoord:
Op basis van het onderhandelingsresultaat van de ontwerpverordening kan een derde land worden tegengeworpen als veilig derde land:
i. als er een band bestaat tussen de vreemdeling en het derde land, op grond waarvan het redelijk zou zijn naar dat land terug te keren,
ii. als de vreemdeling op weg naar de lidstaat door het land is gereisd, of
iii. als er sprake is van een overeenkomst tussen de Unie, een of meer lidstaten of een of meer lidstaten en derde landen, enerzijds, en het betreffende derde land anderzijds.
Daarbij is vereist dat de vreemdeling in het derde land kan verzoeken om effectieve bescherming.
Ten aanzien van de vraag of het derde land veilig is voor de vreemdeling, kan het concept van veilig derde land alleen worden toegepast als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
a. Het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging,
b. Er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15 van de Kwalificatieverordening21,
c. Het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en
d. De mogelijkheid bestaat om ontvangen aldaar doeltreffende bescherming te vragen en, indien de voorwaarden vervuld zijn, te krijgen.
Deze voorwaarden liggen ook nu ten grondslag aan de aanwijzing van een land als veilig derde land, zoals neergelegd in de Asielprocedurerichtlijn22 en artikel 3.106a, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000. Zoals ook staat in artikel 59, derde lid, van de Asielprocedureverordening, dient die beoordeling te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie van andere lidstaten, het Europees Asielagentschap, de Europese dienst voor extern optreden, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties. Deze bepaling komt overeen met het huidige art. 3.37e, eerste lid Voorschrift Vreemdelingen.
Of wordt voldaan aan deze criteria, wordt steeds beoordeeld op basis van de individuele merites van de zaak. De vreemdeling zal in de gelegenheid worden gesteld te verklaren waarom het aangewezen derde land voor hem niet als veilig derde land kan gelden. Als aannemelijk wordt geacht dat in het specifieke geval van de vreemdeling niet wordt voldaan aan de hierboven genoemde voorwaarden, zal het derde land niet als veilig derde land tegengeworpen worden.
Vraag 4
Welke bewijslast en bewijsmaatstaf gelden er voor respectievelijk de vaststelling dat een derde land veilig is en voor het weerleggen van dat vermoeden door de asielzoeker? Op welke wijze wordt daarbij expliciet rekening gehouden met kwetsbare groepen?
Antwoord:
Bij de vraag of een veilig derde land voor de individuele vreemdeling als veilig moet worden beschouwd, vormt het relaas van de vreemdeling het uitgangspunt. De IND weegt mee of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft. De IND kan de presumptie van veilig derde land niet handhaven wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat het betreffende derde land in zijn specifieke geval niet als veilig land kan worden beschouwd. In dat geval beoordeelt de IND op de gebruikelijke wijze of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.
De IND en de vreemdeling hebben een gedeelde bewijslast op de vraag of een derde land als veilig kan worden aangemerkt, namelijk:
• De vreemdeling moet onderbouwen dat het derde land waarmee de vreemdeling een band heeft voor hem niet als veilig kan worden aangemerkt; en
• De IND onderzoekt of het derde land waarmee de vreemdeling een band heeft voor hem niet als veilig kan worden aangemerkt.
In het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen staat het voorstel niet toe een land op grond van een overeenkomst als veilig derde land aan te merken. Het is wel mogelijk een derde land als veilig derde land aan te merken indien de alleenstaande minderjarige vreemdeling een band heeft met het derde land of als hij door dat land is gereisd op weg naar de Unie.
In het algemeen geldt in die gevallen ten aanzien van alleenstaande minderjarige vreemdelingen dat een land alleen als veilig derde land kan worden aangewezen indien dit niet strijdig is met de belangen van het kind en voor zover de Minister garanties heeft ontvangen van het derde land dat de alleenstaande minderjarige vreemdeling opgevangen zal worden door de autoriteiten van dat land en onmiddellijk bescherming zal worden verleend.
Voor het overige geldt dat als in het algemeen is vastgesteld dat een land kan gelden als veilig derde land, het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat het land in zijn geval niet als zodanig kan gelden. Hij zal in de gelegenheid gesteld worden daarover te verklaren en zijn verklaringen, waar mogelijk, met bewijsmaterialen te staven. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de individuele omstandigheden van de vreemdeling, waaronder eventuele kwetsbaarheden.
Vraag 5
Kan de regering de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA aangeven welke minimale, afdwingbare voorwaarden volgens haar noodzakelijk zijn in een «agreement» of «arrangement» met een derde land om toepassing van het concept «veilig derde land» zonder bandencriterium mogelijk te maken?
Antwoord:
De Verordening Veilige derde landen vereist dat een «agreement» of een «arrangement» bepalingen bevat die vereisen dat de verzoeker toegang heeft tot een procedure in het veilige derde land en effectieve bescherming krijgt indien dit gerechtvaardigd is, zonder afbreuk te doen aan het recht van het derde land om te bepalen of de persoon voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van dergelijke bescherming. Deze bepaling is niet van toepassing op niet-begeleide minderjarigen.
Vraag 6
Wat zijn de juridische en praktische consequenties indien een derde land de betrokkene niet toelaat, geen effectieve toegang tot de asielprocedure biedt of de betrokkene doorstuurt naar een ander land? Welke verantwoordelijkheid behoudt Nederland in die gevallen?
Antwoord:
In artikel 59, negende lid, van de Asielprocedureverordening is opgenomen dat indien het betrokken derde land de verzoeker niet toelaat of niet opnieuw toelaat tot zijn grondgebied, de verzoeker toegang krijgt tot de asielprocedure in de betreffende lidstaat overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in de verordening.
Vraag 7
Kan de regering de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA concreet toelichten op welke wijze het toezicht in de praktijk is georganiseerd op derde landen die als veilig worden aangemerkt, inclusief de wijze waarop risico’s van indirect refoulement worden beoordeeld en welke opschortingsmechanismen beschikbaar zijn?
Antwoord:
Vooralsnog zijn er geen plannen om derde landen in algemene zin aan te merken als veilige derde landen op nationaal niveau of op EU-niveau. De vraag of het begrip «veilig derde land» kan worden toegepast wordt dus steeds op grond van de individuele merites van de zaak beantwoord, waarbij steeds opnieuw aan de hand van de beschikbare landeninformatie wordt beoordeeld of dat land voldoet aan de voorwaarden daarvoor.
Vraag 8
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen dat in de afgelopen tien jaar in totaal circa 670 asielverzoeken niet-ontvankelijk zijn verklaard op grond van de tegenwerping van een veilig derde land, terwijl essentiële gegevens over de betrokken derde landen, ingestelde beroepen, uitkomsten daarvan en de toepassing van schorsende werking niet structureel en reproduceerbaar beschikbaar zijn. Deelt de regering de opvatting van deze leden inhoudende dat deze zeer beperkte praktijkervaring – in combinatie met het ontbreken van inzichtelijke en verifieerbare data – een ontoereikende feitelijke basis vormt voor de ingrijpende verruiming van het concept «veilig derde land» zoals die met het voorliggende voorstel wordt beoogd? Kan de regering aangeven of de Europese Commissie zich bij dit voorstel baseert op substantiële en vergelijkbare gegevens uit andere lidstaten? Zo ja, waarom zijn deze gegevens niet inzichtelijk gemaakt voor nationale parlementen? Acht de regering het – mede gelet op de verstrekkende gevolgen voor rechtsbescherming en non-refoulement – politiek en democratisch verdedigbaar dat parlementaire controle op dit onderdeel plaatsvindt zonder dat dergelijke gegevens beschikbaar zijn?
Antwoord:
De regering is het niet eens met deze opvatting van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA. Immers, het aantal asielverzoeken dat niet-ontvankelijk is verklaard op grond van «veilig derde land» zegt niets over het aantal zaken waarin is besloten om deze niet-ontvankelijkheidsgrond niet toe te passen en daaruit kunnen dus geen conclusies worden getrokken over de opgedane praktijkervaring. Zoals de regering heeft aangegeven tijdens het Schriftelijk Overleg over het voorstel voor een Verordening wat betreft de toepassing van het begrip «veilig derde land»23 worden de gevraagde gegevens over beroep niet zodanig geregistreerd dat per zaak de afwijzingsgrond is te koppelen aan de beroepsprocedure. Ook dit zegt dus niets over de opgedane praktijkervaring.
Voor de werkwijze van de Commissie bij het opstellen van het voorstel verwijst de regering naar de beantwoording van vraag 1.
De regering ziet geen politieke en democratische belemmeringen voor de voortgang van het proces.
Vraag 9
Is de regering bereid om de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA toe te zeggen dat de registratie door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zodanig wordt aangepast dat deze gegevens structureel en inzichtelijk aan de Kamer kunnen worden gerapporteerd? Zo ja, binnen welke termijn is dit mogelijk?
Antwoord:
Nu het een individuele beoordeling betreft, is het niet mogelijk deze gegevens op een zodanige manier te registreren dat deze gegevens structureel en inzichtelijk aan de Kamer kunnen worden gerapporteerd. Slechts op basis van een analyse van de individuele dossiers is het mogelijk te achterhalen welk land of welke landen zijn tegengeworpen als veilig derde land, wat eventuele vervolgprocedures zijn geweest en wat de uitkomst daarvan was.
Vraag 10
Is de regering bereid om – vooruitlopend daarop – een steekproefanalyse te laten uitvoeren naar recente zaken waarin het concept «veilig derde land» is toegepast, zodat de Kamer inzicht krijgt in de praktijk en de rechterlijke correctie daarop?
Antwoord:
Hoewel het in beginsel mogelijk zou zijn, wordt het gezien de achterstanden en werkdruk bij de IND nu niet opportuun geacht een steekproefanalyse te laten uitvoeren naar recente zaken waarin het concept «veilig derde land» is toegepast. Daarbij wordt de meerwaarde van een dergelijke steekproefanalyse niet gezien, nu de voorwaarden voor het tegenwerpen van een veilig derde land ingrijpend gewijzigd worden. Een analyse van de huidige praktijk is dan ook niet meer representatief voor de toepassing onder de gewijzigde Asielprocedureverordening.
Vraag 11
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen dat de voornemenprocedure onder de Asielnoodmaatregelenwet wordt geschrapt. Kan de regering deze leden toelichten wat dit betekent voor de mogelijkheid om het tegenwerpen van een «veilig derde land» vóór het besluit effectief te betwisten? Op welke wijze verhoudt dit zich tot het afschaffen van automatische schorsende werking? Is de regering met deze leden van mening dat door deze mogelijke combinatie de rechtspositie van asielzoekers hard en op verschillende manieren wordt ondermijnd?
Antwoord:
Uit de Asielprocedureverordening volgen verplichtend meerdere bepalingen die de rechtspositie van de asielzoekers bewaken. Zo gelden diverse waarborgen ten bate van de zorgvuldigheid van het besluit en de mogelijkheden om deze eventueel te betwisten. De afschaffing van automatisch schorsende werking van het beroep doet bovendien niet af aan het recht van verzoekers «op een doeltreffende voorziening in rechte». De vreemdeling heeft de mogelijkheid om de rechterlijke instantie te verzoeken om de behandeling van het beroep op het grondgebied van de lidstaat te mogen afwachten middels een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De voornemenprocedure vloeit niet verplichtend voort uit de Asielprocedureverordening en de regering kiest ervoor, zoals uw Kamer bekend is, om onverplichte procedurestappen te schrappen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het verdedigingsbeginsel en het recht om te worden gehoord. Wanneer in de toekomstige asielprocedure blijkt dat aan de vreemdeling een veilig derde land kan worden tegengeworpen, zal dat voortaan niet in een voornemen uiteen worden gezet, maar zal de nadruk liggen op de bespreking van deze tegenwerping tijdens het gehoor. Tijdens het gehoor zal de vreemdeling in de gelegenheid worden gesteld te verklaren over de redenen voor het vertrek uit het land van herkomst. Als er aanwijzingen zijn dat een derde land mogelijk als veilig derde land kan worden aangemerkt, zal de vreemdeling eveneens in de gelegenheid worden gesteld daarover te verklaren. Het begrip «veilig derde land» mag immers alleen worden toegepast als de verzoeker geen elementen kan verstrekken die rechtvaardigen dat het begrip niet op hem of haar van toepassing is. Indien nodig, kan de IND de vreemdeling aanvullend horen of eventueel de gelegenheid bieden om hier schriftelijk op te reageren. Bovendien zal de vreemdeling in de regel de mogelijkheid geboden worden om eventuele onjuistheden in het nader gehoor recht te zetten en aanvullende feiten en omstandigheden aan te voeren voordat het besluit wordt genomen, met behulp van een advocaat. Zo wordt maximaal gewaarborgd dat de beslissing van de IND is gestoeld op een volledig verslag van het gehoor, waarover tussen IND en asielzoeker geen verschil van inzicht bestaat over de relevante feiten en de vreemdeling volledig heeft kunnen verklaren over eventuele redenen waarom het derde land in zijn geval niet als veilig derde land kan gelden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66
De vragen van de leden van de fractie van D66 hebben onder andere betrekking op het vervallen van de automatisch schorsende werking van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing en de borging van de mensenrechten in de zogenoemde veilige derde landen. Het is de leden van de fractie van D66 namelijk onvoldoende duidelijk geworden op welke wijze de regering de borging van mensenrechten in veilige derde landen kan garanderen en welke maatregelen zij neemt wanneer bepaalde mensenrechten onder druk komen te staan.
Een van de wijzigingsvoorstellen in de voorgestelde verordening heeft betrekking op de automatisch schorsende werking van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing. De Europese Commissie stelt voor om de automatisch schorsende werking van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing af te schaffen, terwijl Nederland heeft gepleit voor meer flexibiliteit voor de lidstaten ten aanzien van het al dan niet verlenen van een automatisch schorsende werking. In de aan de orde zijnde brief lezen de leden van de fractie van D66 echter dat de Nederlandse inzet weinig bijval van andere lidstaten krijgt.
Dit zou ertoe kunnen leiden dat de automatisch schorsende werking van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing in Nederland komt te vervallen. Dit zal een forse stijging van het aantal schorsingsverzoeken tot gevolg hebben, met als consequentie een toename van de werklast voor de rechtbanken. Voorziet de regering dit probleem ook? Welke maatregelen is de regering bovendien voornemens te nemen om deze problemen op te vangen? Met andere woorden: op welke wijze voorkomt de regering dat het vervallen van de automatisch schorsende werking leidt tot capaciteitsproblemen bij rechtbanken?
Antwoord:
De regering voorziet inderdaad dat rechtbanken bij het vervallen van de automatische schorsende werking zich vaker gedwongen zouden zien om uitspraken te doen op verzoeken om voorlopige voorzieningen omdat ook het recht op opvang komt te vervallen. Dit raakt niet alleen de zaken waarin veilig derde land wordt tegengeworpen, maar alle zaken waarin het beroep geen schorsende werking heeft. Op dit moment wordt nagedacht hoe toepassing gegeven kan worden aan de bepaling van de Verordening inzake schorsende werking. Het Ministerie van A&M is doorlopend in gesprek met de uitvoeringspartners en met de Raad voor de Rechtspraak. Bij de behandeling van de Uitvoeringswet Asiel- en Migratiepact in uw Kamer, komen wij hierover ongetwijfeld te spreken.
De leden van de fractie van D66 hebben bovendien zorgen over de borging van mensenrechten in landen waarmee Nederland zogenoemde innovatieve vormen van migratiesamenwerking heeft. In Oeganda staat bijvoorbeeld de doodstraf op homoseksualiteit. In de aan de orde zijnde brief lezen deze leden dat de regering in het toetsingskader rekening houdt met de veiligheid van lhbtiq+’ers.
Hoe verhoudt dit zich volgens de regering met het tekenen van een intentieovereenkomst met Oeganda? Hoe waarborgt de regering de veiligheid van lhbtiq+’ers die naar Oeganda worden uitgezet? Acht de regering het bovendien wenselijk om asielzoekers uit te zetten naar een land waar de doodstraf staat op homoseksualiteit?
Antwoord:
Oeganda en Nederland op 25 september jl. een Letter of Intent (hierna: intentieverklaring) getekend, waarin zij hebben afgesproken om de mogelijkheden voor het ontwikkelen van een kleinschalige pilot van een transithub te verkennen, voor vertrekplichtige vreemdelingen met een herkomst uit de regio van Oeganda. Er is daarbij geen sprake van het uitzetten van asielzoekers, die immers lopende de procedure niet vertrekplichtig zijn. Momenteel werken Oeganda en Nederland de afspraken die zijn gemaakt in de intentieverklaring verder uit. Een belangrijk onderdeel van de intentieverklaring is de afspraak dat alle activiteiten die zullen worden ondernomen als onderdeel van de transithub zonder uitzondering in lijn moeten zijn met nationaal, Europees en internationaal recht. Daarbij gaat het kabinet zorgvuldig te werk om de mensenrechten van de vreemdelingen in kwestie te allen tijde te waarborgen.
De leden van de fractie van D66 hebben daarnaast vervolgvragen over welke aanpak de regering hanteert wanneer zij waarneemt dat bepaalde mensenrechten niet worden gerespecteerd in de veilige derde landen. In Tunesië is er bijvoorbeeld een autocratisch bewind aan de macht dat oppositieleden arresteert en migranten terug de woestijn instuurt. In de aan de orde zijnde brief geeft de regering aan dat zij duidelijke afspraken over de borging van mensenrechten maakt en de inzet nauwkeurig monitort. Kan de regering deze leden inzichtelijk maken welke afspraken over de borging van mensenrechten met Tunesië worden gemaakt? In hoeverre is de regering bovendien van mening dat Tunesië zich aan de deze afspraken houdt? De leden van de fractie van D66 lezen in de aan de orde zijnde brief verder dat «het kabinet per casus bekijkt welke maatregelen nodig zijn. Welke dat zijn zal per casus bekeken moeten worden. Hier zet het kabinet ook actief op in waar het eventuele zorgen betreft rondom de borging van mensenrechten in de context van Tunesië.» Kan de regering aangeven welke zorgen leven met betrekking tot de borging van mensenrechten in Tunesië?
De regering geeft bovendien aan dat zij per land beslist welke maatregelen zij neemt wanneer schending van gemaakte afspraken omtrent mensenrechten plaatsvindt. Kan de regering inzichtelijk maken welke maatregelen zij in totaliteit tot haar beschikking heeft? Op basis waarvan maakt de regering bovendien de beslissing welke maatregelen zij in verschillende casussen inzet? En kan de regering tot slot verduidelijken wat haar specifieke inzet is met betrekking tot Tunesië?
Antwoord:
Het kabinet heeft aandacht voor mensenrechten en de bescherming van migranten. Het kabinet maakt voor haar eigen inzet steeds een zorgvuldige afweging en neemt ruimte om mensenrechten te adresseren in gesprekken met partners en bij het organiseren van migratie- en asielmanagement, daar waar zorgen bestaan. Dit doet het kabinet uiteraard met respect voor de soevereiniteit van het partnerland. Het is uiteindelijk hun verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de rechtmatige behandeling van mensen binnen hun landsgrenzen en zich aan internationale standaarden te houden. Het kabinet blijft waar nodig op die verantwoordelijkheid wijzen. Het kabinet wijst er volledigheidshalve op dat er met Tunesië geen samenwerking bestaat zoals beoogd met de Oegandese autoriteiten.
Verder worden bij bilaterale ontwikkelingshulp en projectmatige inzet op het gebied van migratie altijd maatregelen getroffen en afspraken gemaakt over mensenrechtenmonitoring. Nederland verstrekt geen financiële middelen aan de Tunesische overheid, maar financiert momenteel uitsluitend projecten van organisaties als IOM, UNHCR, UNODC en ICMPD. Indien nodig kunnen mitigerende maatregelen worden getroffen. Zo kan in het ergste geval – bijv. bij aanwijzingen van betrokkenheid van verstrekte Nederlandse middelen bij mensenrechtenschendingen – besloten worden tot het stopzetten van het project. Dat is hier niet aan de orde.
Mensenrechten zijn een integraal onderdeel van de politieke consultaties die in dit kader plaatsvinden en waarbij het respect voor mensenrechten en rechtstatelijke principes telkens worden benadrukt. Daarnaast is specifiek de mensenrechtensituatie van migranten tijdens migratieconsultaties op 8 oktober jl. op hoog ambtelijk niveau besproken.
Naast de zorgen omtrent de situatie van migranten, maakt het kabinet zich op dit moment zorgen over de recente veroordelingen met hoge celstraffen voor leden van de Tunesische oppositie, mensenrechtenverdedigers en activisten. Deze zijn verontrustend, aangezien het erop lijkt dat de rechtstatelijke principes niet zijn gerespecteerd. Op ambtelijk niveau zijn deze zorgen overgebracht.
Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie-Van de Sanden
Het lid van de fractie-Van de Sanden heeft de volgende vervolgvragen aan de regering voor te leggen.
Rechtsstaat en Rechtszekerheid (Pijler 1: Vrijheid & Rechtsstaat)
1.
Voornoemd lid wijst erop dat het begrip «veilig derde land» direct aan het individuele recht op asiel en de bescherming tegen terugzending naar gevaar (het non-refoulement-beginsel) raakt. Kan de regering expliciet garanderen dat ─ ondanks de kwalificatie van een land als «veilig» ─ de individuele toetsing van een asielverzoek ─ zoals vereist door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de nationale rechtsstaat ─ op geen enkele wijze een formaliteit wordt?
Antwoord:
Op grond van de Asielprocedureverordening moet een derde land aan een aantal voorwaarden voldoen alvorens het begrip «veilig derde land» kan worden toegepast.24 Bovendien kan iedere verzoeker aanvoeren dat het begrip «veilig derde land» in zijn of haar individuele geval niet van toepassing is. De lidstaat is dan gehouden dat te onderzoeken. De regering is van oordeel dat op deze wijze is gewaarborgd dat de asielprocedure geen formaliteit wordt.
2.
Welke waarborgen zijn in het voorliggende voorstel ingebouwd om te voorkomen dat een lidstaat, onder politieke druk of wegens crisis, een land als «veilig» kwalificeert, terwijl de feitelijke situatie ter plaatse ─ bijvoorbeeld op het gebied van politieke stabiliteit of respect voor mensenrechten ─ onzeker is?
Antwoord:
Lidstaten kunnen op grond van de Asielprocedureverordening het begrip «veilig derde land» alleen toepassen als dat land voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Een verzoeker die van mening is dat een land, dat hem of haar wordt tegengeworpen als veilig derde land, ten onrechte als zodanig is aangemerkt, kan dat in de beroepsprocedure aanvoeren. Als uiterste consequentie heeft de Commissie de mogelijkheid een inbreukprocedure te voeren tegen lidstaten die een inbreuk plegen op het Unierecht.
3.
Zijn er in het voorstel voldoende mogelijkheden voor hoogwaardig beroep of rechtsbijstand om de asielzoeker effectief in staat te stellen de kwalificatie van het derde land te betwisten of leidt het tot een onacceptabele inperking van de toegang tot de rechter?
Antwoord:
Het voorstel levert in vergelijking met de huidige situatie geen belemmeringen op in de rechtsgang en de mogelijkheden de kwalificatie van een derde land te betwisten. Het verschil dat in het voorstel wordt aangebracht is dat het indienen van het beroepsschrift niet meer automatisch betekent dat de werking van de IND-beslissing wordt opgeschort. Dit is naar het oordeel van de regering niet onacceptabel.
Uitvoerbaarheid en Financiën (R-U-H Toets)
1.
De Raad voor de rechtspraak en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) waarschuwen doorgaans voor de complexiteit van nieuwe Europese procedures. Wat zijn de exacte financiële en personele consequenties van deze verordening voor de IND en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State? En welke concrete maatregelen neemt de regering om te garanderen dat de juridische keten deze nieuwe werklast daadwerkelijk aankan?
Antwoord:
De nieuwe Europese procedures (verordeningen op basis van het Europees Asiel- en migratiepact) hebben als doel de asielprocedure efficiënter te maken en minder complex. Echter gelet op de nieuwe asielprocedure en de daarbij behorende kortere termijnen, het twee status stelsel, de juridische counseling en de nieuwe waarborgen uit het Pact zijn er hoogst waarschijnlijk financiële en personele consequenties. Een aantal consequenties zijn reeds in kaart gebracht in de uitvoeringstoetsen over het twee statusstelsel en het afschaffen van de voornemenprocedure. De openbare verkenning die de IND momenteel uitvoert over de consequenties van het EU-migratiepact zal nog meer helderheid kunnen geven, ook wat betreft de precieze impact voor de rechtspraak.
2.
Op welke wijze wordt in de keten geborgd dat─ zelfs bij versnelde procedures ─ de kwaliteit van de besluitvorming niet lijdt onder de tijdsdruk? Ziet de regering het risico dat foutieve beslissingen de rechtsketen uiteindelijk verder zullen verstoppen door noodzakelijke hoger beroepen?
Antwoord:
Uit de Asielprocedureverordening volgen verplichtend meerdere bepalingen die de zorgvuldigheid van het besluit en de mogelijkheden om deze eventueel te betwisten waarborgen. Deze waarborgen zijn gelijk in alle procedures, ongeacht de maximale duur van de behandelingsprocedure.
Humaniteit en Sociale Rechtvaardigheid (Pijler 3)
1.
Welke specifieke criteria garanderen dat de beoogde «veilige» landen niet alleen formeel veilig zijn, maar ook een humaan en menswaardig verblijf kunnen bieden? Op welke wijze wordt dit door de Europese Commissie onafhankelijk en continu gemonitord?
Antwoord:
De criteria op grond waarvan een derde land kan worden aangemerkt als «veilig derde land» zijn opgenomen in de Asielprocedureverordening en de ontwerpverordening Veilige derde landen. Op grond van artikel 60 van de Asielprocedureverordening evalueert de Commissie de situatie in derde landen die op Unieniveau als veilige derde landen zijn aangewezen, met de hulp van het Asielagentschap. Indien een derde land op nationaal niveau wordt aangemerkt als veilig derde land, ligt die verantwoordelijkheid in de eerste plaats bij de lidstaat. Een verzoeker die van mening is dat een land, dat hem of haar wordt tegengeworpen als veilig derde land, ten onrechte als zodanig is aangemerkt, kan dat in de beroepsprocedure aanvoeren. Als uiterste consequentie heeft de Commissie de mogelijkheid een inbreukprocedure te voeren tegen lidstaten die een inbreuk plegen op het Unierecht.
2.
Op welke wijze wordt voorkomen dat kwetsbare groepen, bijvoorbeeld slachtoffers van mensenhandel of personen met ernstige medische problemen, uitgesloten worden van een versnelde afhandeling en gegarandeerd toegang krijgen tot een volledige procedure in Nederland, ongeacht de kwalificatie «veilig derde land»?
Antwoord:
De Asielprocedureverordening kent meerdere waarborgen voor de bescherming van kwetsbare verzoekers, zie hierover de beantwoording van de voorgaande vragen.
In artikel 20 van de Asielprocedureverordening is neergelegd dat de bevoegde autoriteiten per geval moeten beoordelen of een verzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft en welke procedure daarbij moet worden gevolgd. Artikel 21, eerste lid bepaalt vervolgens dat verzoekers die bijzondere procedurele waarborgen behoeven de nodige steun krijgen zolang de procedure voor internationale bescherming loopt, zodat zij aanspraak kunnen maken op de rechten en kunnen voldoen aan de verplichtingen die in de verordening zijn vastgesteld. Het begrip «veilig derde land mag slechts worden toegepast als de verzoeker in het derde land geen reëel risico loopt op ernstige schade en in het derde land toegang heeft tot gezondheidszorg en essentiële behandeling van ziekten onder de algemeen geldende voorwaarden in dat derde land.
Samenstelling:
Bakker-Klein (CDA), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Dittrich (D66), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66) (ondervoorzitter), Van Hattem (PVV) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Janssen (SP), Kaljouw (VVD), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Lagas (BBB), Lievense (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Meijer (VVD), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
EUAA (2022): Applying the Concept of Safe Countries in the Asylum Procedure; Osso, B., «Unpacking the Safe Third Country Concept in the European Union: Borders, Legal Spaces, and Asylum in the Shadow of Externalization», International Journal of Refugee Law, Vol. 35(3), oktober 2023. Thym, D., Expert Opinion on Legal Requirements for Safe Third Countries in Asylum Law and Practical Implementation Options, april 2024.
Samenstelling:
Bakker-Klein (CDA), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Dittrich (D66), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66) (ondervoorzitter), Van Hattem (PVV) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Janssen (SP), Kaljouw (VVD), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Lagas (BBB), Lievense (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Meijer (VVD), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
EUAA (2022): Applying the Concept of Safe Countries in the Asylum Procedure; Osso, B., «Unpacking the Safe Third Country Concept in the European Union: Borders, Legal Spaces, and Asylum in the Shadow of Externalization», International Journal of Refugee Law, Vol. 35(3), oktober 2023. Thym, D., Expert Opinion on Legal Requirements for Safe Third Countries in Asylum Law and Practical Implementation Options, april 2024.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36830-D.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.