36 830 Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de toepassing van het begrip «veilig derde land»

A VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 6 november 2025

De vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-raad1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Asiel en Migratie over het voorstel voor een Verordening wat betreft de toepassing van het begrip «veilig derde land». Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 1 oktober 2025.

  • De antwoordbrief van 3 november 2025.

De griffier van de vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad, Dragstra

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL/JBZ-RAAD

Aan de Minister van Asiel en Migratie

Den Haag, 1 oktober 2025

De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad van de Eerste Kamer hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel COM (2025)259 voor een Verordening tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de toepassing van het begrip «veilig derde land».2

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66 en ChristenUnie leggen naar aanleiding hiervan graag de navolgende vragen aan u voor. De leden van de CDA-fractie sluiten zich aan bij de vragen van D66.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA merken op dat het voorstel van de Europese Commissie om de toepassing van het begrip «veilig derde land» te versoepelen (COM(2025) 259), met name het loslaten van het bandencriterium en het afschaffen van de automatische schorsende werking van beroep tegen niet-ontvankelijkheidsbesluiten, fundamentele vragen oproept. Hoewel de regering het voorstel overwegend positief beoordeelt, hebben deze leden aanzienlijke vragen rond rechtszekerheid, mensenrechten, praktische uitvoering en toezicht. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn niet voor het loslaten van het bandencriterium bij de toepassing van het begrip «veilig derde land».

Leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen u of u bereid bent de Europese Commissie te verzoeken alsnog een gedetailleerd impact assessment uit te voeren naar de gevolgen van het loslaten van het bandencriterium, specifiek met het oog op de rechtspositie van vluchtelingen zonder banden met derde landen. Deze leden vragen of dat impact assessment ook scenario’s kan omvatten, zoals een Afghaanse vluchtelingfamilie die niet via een land als Oeganda is gereisd of daar tijdelijk verbleef of anderszins banden heeft. Wat betekent het praktisch als Nederland of een lidstaat een «agreement» heeft met Oeganda: onder welke omstandigheden zou hij of zij naar Oeganda gestuurd kunnen worden, en wat zijn de risico’s (veiligheid, toegang tot bescherming, rechtsmiddelen, rechtszekerheid) voor deze asielzoeker?

Deze leden vragen wat het loslaten van het bandencriterium concreet zou betekenen voor de asielprocedure in Nederland. Bijvoorbeeld, kan iedere asielzoeker willekeurig naar een zogenaamd veilig derde land worden gestuurd mocht er een overeenkomst bestaan tussen Nederland en dat land? Welke landen worden al beschouwd als potentieel veilige derde landen? Wat zijn de gevolgen voor rechtsmiddelen (beroep, schorsing, etc.)?

Hoe wordt het begrip «veilig derde land» op basis van de huidige voorwaarden in de Asielprocedureverordening in Nederland toegepast? De aan het woord zijnde leden vragen u de stappen in de procedure te schetsen, inclusief beslismomenten, betrokken diensten, mogelijke bezwaar- en beroepsprocedures.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen u om de volgende gegevens over de afgelopen tien jaar te verstrekken:

  • a) hoeveel asielverzoeken niet-ontvankelijk zijn verklaard op grond van een veilige derde land (met bandencriterium), en naar welke landen dit gebeurde;

  • b) hoeveel keren beroep werd ingesteld tegen zulke beslissingen;

  • c) gegevens over automatische opschorting van uitvoering van beslissingen in deze context.

Wat was de uitkomst van beroepsprocedures?

De leden van deze fractie merken op dat de regering voor een flexibele toepassing pleit, zodat lidstaten zelf kunnen kiezen om automatische schorsende werking toe te passen in beroepen tegen niet-ontvankelijkheid op grond van veilige derde landen. Zij vragen u waarom Nederland niet pleit voor volledig afzien van automatische schorsende werking, in het licht van rechtszekerheid en het belang dat asielzoekers hun beroep in vrijheid kunnen afwachten? Bent u alsnog bereid om dit te doen?

Heeft Nederland plannen om overeenkomsten te sluiten met derde landen waarbij die landen als veilig derde land fungeren? Zo ja: welke landen?

Worden op dit moment door Nederland gesprekken gevoerd met derde landen over overeenkomsten voor asielproceduretoegang of opvang, of over terugkeer of «hubs» of soortgelijke mechanismen? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen graag een overzicht van alle mogelijke inzet van de regering op dit vlak, inclusief onderhandelingen, memoranda, wederzijdse verplichtingen en waarborging van mensenrechten.

Wat is de huidige positie van het Europees Parlement (vooral de LIBE-commissie) met betrekking tot het voorstel, specifiek rond het bandencriterium en automatische schorsende werking? Zijn er amendementen ingediend of aangekondigd die deze onderdelen aanpassen? Hoe weegt de regering deze positie mee in haar onderhandelingsstrategie?

De regering schrijft dat de maatregelen op 12 juni 2026 al in werking kunnen treden. De aan het woord zijnde leden vragen u hoe het met de besluitvorming tot dan toe staat, in het licht van inbreng van het Europees Parlement, nationale parlementen, maatschappelijke organisaties en rechterlijke uitspraken.

Ten slotte hebben de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen over internationale mensenrechtennormen en het non-refoulementbeginsel. Welke instrumenten garanderen dat landen die worden aangemerkt als veilige derde landen voldoen aan internationale mensenrechtennormen en het non-refoulementbeginsel? Hoe wordt toezicht georganiseerd, wie beoordeelt of in de praktijk veiligheid gewaarborgd wordt (onder andere toegang tot procedure, bescherming tegen vervolging, gevangenschap etc.)? Wat zal de regering doen wanneer er geconstateerd wordt dat dit voorstel wel strijdig is met internationale mensenrechtennormen en het non-refoulementbeginsel?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de voorgestelde verordening tot wijziging van de Asielprocedureverordening wat betreft de toepassing van het begrip «veilig derde land».

De verordening stelt een wijziging van het concept «veilig derde land» voor. Dit met als doel om meer grip op migratie te krijgen. De verordening wordt met dit voorstel op twee punten gewijzigd: ten aanzien van het zogenoemde bandencriterium en ten aanzien van de automatisch schorsende werking van een beroep tegen een niet-ontvankelijkheidsbeslissing. Over beide wijzigingen hebben deze leden vragen. Bovendien hebben zij vragen over de waarborging van de mensenrechten in de veilige derde landen.

De leden van de fractie van D66 onderschrijven het streven om meer grip op migratie te krijgen. Daarom staan zij in beginsel ook positief tegenover de invoering van het Europese migratiepact – waar de voorgestelde verordening tot wijziging van de Asielprocedureverordening wat betreft de toepassing van het begrip «veilig derde land» onderdeel van uitmaakt. De invoering van dit pact is een belangrijke stap naar een eerlijk, humaan en werkend asielsysteem in Europa. Het staat voor deze leden bovendien buiten kijf dat het Nederlandse asielbeleid solidair, eerlijk en menselijk moet zijn. Zij benadrukken daarom dat meer grip op migratie altijd moet samengaan met het respecteren van mensenrechten en het internationaal recht.

Een van de wijzigingsvoorstellen van de Europese Commissie is om het zogenoemde bandencriterium te laten vervallen. Dit houdt in dat een asielzoeker niet noodzakelijkerwijs een band hoeft te hebben met een veilig derde land. De implicatie hiervan is dat Nederland een asielzoeker zou kunnen doorverwijzen naar een derde land waar hij of zij geen connectie mee heeft. In het BNC-fiche geeft de regering aan voorstander te zijn van deze juridische versoepeling en zegt zij dat het bandencriterium volgens het internationaal recht niet vereist is. Toch lezen de leden van de D66-fractie in het BNC-fiche dat het afschaffen van het bandencriterium mogelijk onhaalbaar is. Kunt u aangeven waarom het laten vervallen van het bandencriterium mogelijk onhaalbaar is, als het niet in strijd is met het internationaal recht?

Het tweede wijzigingsvoorstel heeft betrekking op de automatisch schorsende werking van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing. De Europese Commissie stelt voor om de automatisch schorsende werking van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing af te schaffen. Dit zou betekenen dat een besluit om een asielaanvraag niet inhoudelijk te behandelen direct wordt uitgevoerd, ook als de aanvrager van asiel tegen deze beslissing in beroep gaat. Hierdoor mag een beroep niet meer automatisch in de betreffende EU-lidstaat worden afgewacht. Dit kan echter leiden tot een forse stijging van het aantal schorsingsverzoeken, met als gevolg een toename van de werklast voor de rechtbanken. De leden van de fractie van D66 lezen dat de inzet van de regering er daarom op is gericht dat lidstaten zelf de ruimte krijgen om te kiezen of zij de automatisch schorsende werking verbinden aan het beroep. Deze leden vragen u te verduidelijken of u – mocht de verordening lidstaten de ruimte geven om een zelfstandige afweging te maken – wel of geen gebruik wenst te maken van de automatisch schorsende werking. Tevens vragen deze leden om uw zienswijze hierop te motiveren.

Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie of het risico zich gaat voordoen dat asielzoekers die uit Nederland gestuurd zijn naar een ander land en in hoger beroep hun verzoek toch toegewezen krijgen, weer naar Nederland gehaald moeten worden om hier de inhoudelijke behandeling van hun zaak af te wachten. Hoe schat de regering dit risico in? Brengt dit veel kosten met zich mee?

Ten derde hebben deze leden een vraag over de toepassing van het concept «veilig derde land». Een van de criteria om als een veilig derde land bestempeld te worden, is dat in het betreffende land het leven en de vrijheid van onderdanen van derde landen niet worden bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging. De leden van de fractie van D66 merken op dat seksuele voorkeur niet in de genoemde opsomming is opgenomen. Zij vragen u daarom te verduidelijken hoe u wil waarborgen dat een asielzoeker die naar een derde land wordt doorverwezen niet wordt bedreigd omwille van zijn of haar seksuele voorkeur. Hoe verzekert de regering dat asielzoekers in deze landen goed en humaan behandeld worden? Wat als er schrijnende situaties ontstaan? Welke mogelijkheden heeft de regering om het betreffende derde land te bewegen zich aan de beoogde normen te houden?

Ten slotte lezen de leden van de fractie van D66 in het BNC-fiche dat de regering inzet op strategische partnerschappen met relevante migratielanden en op innovatieve vormen van migratiesamenwerking. Deze leden vragen u te verduidelijken hoe de regering kan waarborgen dat een land waarmee Nederland een strategisch partnerschap aangaat de mensenrechten respecteert en in de toekomst zal blijven respecteren. Zij wijzen erop dat bijvoorbeeld in Tunesië – een land dat Nederland heeft bestempeld als veilig derde land en waarmee de Europese Unie een migratiedeal heeft gesloten – een autocratisch bewind aan de macht is dat oppositieleden arresteert en migranten terug de woestijn in stuurt.3 Volgens Amnesty International heeft Tunesië bovendien geen wettelijke kaders om de rechten van migranten en asielzoekers te beschermen.4 De leden van de D66-fractie horen in deze context met belangstelling hoe de regering oog blijft houden voor de rechtsstatelijke en mensenrechtelijke situatie in derde landen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie en de kabinetsreactie daarop. Zij stellen u graag de volgende vragen:

De genoemde leden lezen in het BNC-fiche dat het bandencriterium met dit voorstel wordt uitgebreid, zodat ook «arrangements» en «agreements» met derde landen eronder vallen, voor zover zij inhouden dat asielzoekers in die landen toegang hebben tot een deugdelijke asielprocedure. Wat verstaat u onder een «deugdelijke asielprocedure»?

De regering zet zich ervoor in om het bandencriterium te schrappen en wil in elk geval niet dat er verdere materiële of procedurele voorwaarden aan een «arrangement» of «agreement» worden gesteld. Aan welke voorwaarden denkt u daarbij en waarom acht u deze onwenselijk?

De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen uit het BNC-fiche dat het bandencriterium geen internationaalrechtelijk vereiste is. Dat neemt niet weg dat er andere redenen kunnen zijn om het criterium te handhaven. Deze leden vragen u om aan te geven waarom de regering er desalniettemin op inzet om dit criterium uit het voorstel te laten schrappen.

De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen 4 weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad, A.W.J.A van Hattem

BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 november 2025

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen naar aanleiding van het voorstel van de Europese Commissie, COM (2025)259, voor een Verordening tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de toepassing van het begrip «veilig derde land».

Deze vragen werden ingezonden op 1 oktober 2025 met kenmerk 178293.

De Minister van Asiel en Migratie, D.M. van Weel

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA merken op dat het voorstel van de Europese Commissie om de toepassing van het begrip «veilig derde land» te versoepelen (COM(2025) 259), met name het loslaten van het bandencriterium en het afschaffen van de automatische schorsende werking van beroep tegen niet-ontvankelijkheidsbesluiten, fundamentele vragen oproept. Hoewel de regering het voorstel overwegend positief beoordeelt, hebben deze leden aanzienlijke vragen rond rechtszekerheid, mensenrechten, praktische uitvoering en toezicht. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn niet voor het loslaten van het bandencriterium bij de toepassing van het begrip «veilig derde land».

Leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen u of u bereid bent de Europese Commissie te verzoeken alsnog een gedetailleerd impact assessment uit te voeren naar de gevolgen van het loslaten van het bandencriterium, specifiek met het oog op de rechtspositie van vluchtelingen zonder banden met derde landen. Deze leden vragen of dat impact assessment ook scenario’s kan omvatten, zoals een Afghaanse vluchtelingfamilie die niet via een land als Oeganda is gereisd of daar tijdelijk verbleef of anderszins banden heeft.

Antwoord:

In de toelichting bij haar voorstel heeft de Europese Commissie benoemd dat zij een integrale evaluatie van het begrip «veilig derde land» heeft uitgevoerd. Daarbij geeft Commissie aan dat zij de voor- en nadelen van elke optie voor de herziening van de bepalingen van de Asielprocedureverordening (APR) met betrekking tot de toepassing van het begrip «veilig derde land» zorgvuldig heeft afgewogen. Al met al is zij van mening dat een combinatie van maatregelen hoogstwaarschijnlijk tot de gewenste flexibiliteit zal leiden en de toepassing van het begrip «veilig derde land» door de lidstaten zal vergemakkelijken, met behoud van essentiële waarborgen en de bescherming van de grondrechten, en met oog voor de zorgen die door sommige belanghebbenden zijn geuit en ook in dit voorstel zijn genoemd. Het vragen van aanvullend een impact assessment acht ik hiermee niet nodig.

Wat betekent het praktisch als Nederland of een lidstaat een «agreement» heeft met Oeganda: onder welke omstandigheden zou hij of zij naar Oeganda gestuurd kunnen worden, en wat zijn de risico’s (veiligheid, toegang tot bescherming, rechtsmiddelen, rechtszekerheid) voor deze asielzoeker?

Antwoord:

Ik hecht eraan te verduidelijken dat er momenteel geen overeenkomst, als bedoeld in het Commissievoorstel, met Oeganda of een ander derde land over het concept «veilig derde land» is afgesloten. In antwoord op deze vraag kan ik meer in het algemeen, onder verwijzing naar de toelichting van de Commissie, zeggen dat het vereiste dat, indien er geen sprake is van een band of doorreis, het begrip «veilig derde land» alleen mag worden toegepast op basis van een overeenkomst of regeling met een derde land, betekent dat asielzoekers toegang zouden kunnen krijgen tot een procedure in veilige derde landen en doeltreffende bescherming zouden kunnen krijgen indien dat gerechtvaardigd is, onverminderd het feit dat het derde land beslist of de persoon aan de voorwaarden voor het verkrijgen van die bescherming voldoet.

Deze leden vragen wat het loslaten van het bandencriterium concreet zou betekenen voor de asielprocedure in Nederland. Bijvoorbeeld, kan iedere asielzoeker willekeurig naar een zogenaamd veilig derde land worden gestuurd mocht er een overeenkomst bestaan tussen Nederland en dat land?

Antwoord:

Uit de Asielprocedureverordening (APR) volgt een individuele beoordeling per geval van de vraag of het land veilig is voor de betrokken asielzoeker, alsook de mogelijkheid voor de asielzoeker om het vermoeden van veiligheid te weerleggen. Van een asielzoeker willekeurig naar het derde land sturen is derhalve geen sprake.

Wat zijn de gevolgen voor rechtsmiddelen (beroep, schorsing, etc.)?

Antwoord:

Het afschaffen van automatisch schorsende werking van beroep leidt ertoe dat bij deze zaken door de asielzoeker een verzoek tot een voorlopige voorziening ingediend moet worden om de uitkomst van de beroepsprocedure af te mogen wachten, hetgeen leidt tot meer werklast voor de rechtbanken. In de behandeling van het wetsvoorstel binnen de Raad heeft Nederland dan ook gepleit voor meer flexibiliteit voor de lidstaten ten aanzien van het al dan niet verlenen van automatisch schorsende werking aan het ingediende beroep. Deze inzet krijgt evenwel weinig bijval vanuit de andere lidstaten, mede vanwege hun voorkeur voor geen automatisch schorsende werking en voor een uniforme procedure tussen de lidstaten.

Hoe wordt het begrip «veilig derde land» op basis van de huidige voorwaarden in de Asielprocedureverordening in Nederland toegepast? De aan het woord zijnde leden vragen u de stappen in de procedure te schetsen, inclusief beslismomenten, betrokken diensten, mogelijke bezwaar- en beroepsprocedures.

Antwoord:

De procedure van een vreemdeling waarvan de aanvraag om en verblijfvergunning asiel niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd, onderscheidt zich niet van die van andere vreemdelingen waarvan de aanvraag in de algemene of verlengde asielprocedure wordt behandeld. Deze procedure wordt gevoerd door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND). Tijdens het gehoor zal de vreemdeling in de gelegenheid worden gesteld te verklaren over de redenen voor het vertrek uit het land van herkomst. Als er aanwijzingen zijn dat een derde land mogelijk als veilig derde land kan worden aangemerkt, zal dat tijdens het gehoor eveneens met de vreemdeling worden besproken.

Bij de beoordeling of een veilig derde land aan de voorwaarden voldoet, wordt gebruik gemaakt van informatie die wordt verzameld door het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT), de landenspecialisten van de IND. Bij TOELT kan informatie worden opgevraagd over de mensenrechtensituatie in dat land, de mogelijkheid aldaar om asiel te verzoeken en de positie van asielzoekers en erkende vluchtelingen in dat land. Op basis van die informatie stelt de beleidsafdeling van de IND (Strategie en Uitvoeringsadvies, SUA) een Informatiebericht op waarin wordt aangegeven of een land in zijn algemeenheid dan wel in specifieke gevallen als veilig derde land kan worden aangemerkt. Zie bijvoorbeeld het openbare Informatiebericht 2025/365 dat betrekking heeft op Ecuador. Daarin wordt benadrukt dat de beoordeling of een derde land als veilig derde land kan worden beschouwd een individuele beoordeling vergt, waarbij de individuele merites van de zaak zullen moeten worden betrokken.

Voor zover op basis van het gehoor en hetgeen overigens uit het dossier naar voren komt wordt aangenomen dat aan de vreemdeling een veilig derde land kan worden tegengeworpen, zal dat in een voornemen uiteen worden gezet. De vreemdeling kan daarop, ondersteund door zijn gemachtigde, reageren met een zienswijze. Als de zienswijze geen aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen, wordt een besluit genomen waarmee de aanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat sprake is van een veilig derde land op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000.

Tegen het besluit het asielverzoek niet-ontvankelijk te verklaren, kan de vreemdeling beroep instellen, wat de vreemdeling in Nederland mag afwachten. De uitspraak van de rechtbank is vatbaar voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Het indienen van een hoger beroep heeft geen schorsende werking. Een vreemdeling kan de Afdeling echter altijd verzoeken een voorlopige voorziening te treffen die hem het recht geeft de uitspraak op het hoger beroep in Nederland af te wachten.

Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat onder de Asielnoodmaatregelenwet, die thans ter behandeling bij uw Kamer voorligt, de voornemenprocedure uit de asielprocedure wordt geschrapt.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen u om de volgende gegevens over de afgelopen tien jaar te verstrekken: a) hoeveel asielverzoeken niet-ontvankelijk zijn verklaard op grond van een veilige derde land (met bandencriterium), en naar welke landen dit gebeurde; b) hoeveel keren beroep werd ingesteld tegen zulke beslissingen; c) gegevens over automatische opschorting van uitvoering van beslissingen in deze context. Wat was de uitkomst van beroepsprocedures?

Antwoord:

De afgelopen tien jaar zijn afgerond het volgende aantal asielverzoeken niet-ontvankelijk verklaard op grond van de tegenwerping van een veilig derde land: in 2016 ca 40, in 2017 ca 150, in 2018 ca 30, in 2019 ca 40, in 2020 ca 60, in 2021 ca 70, in 2022 ca 30, in 2023 ca 50, in 2024 ca 90 en in 2025 tot en met september ca 110. In totaal zijn in 2016 tot en met september 2025 ca 670 aanvragen niet-ontvankelijk verklaard op grond van de tegenwerping van een veilig derde land6. Het betreft zowel eerste aanvragen en zij-instroom als opvolgende aanvragen.

Welke landen zijn tegengeworpen als veilig derde land, hoeveel keren beroep werd ingesteld tegen zulke beslissingen en wat de uitkomst daarvan was en gegevens over automatische opschorting van uitvoering van beslissingen zijn in deze context niet te leveren, omdat deze gegevens niet in de systemen van de IND worden geregistreerd op een manier die te reproduceren is.

De leden van deze fractie merken op dat de regering voor een flexibele toepassing pleit, zodat lidstaten zelf kunnen kiezen om automatische schorsende werking toe te passen in beroepen tegen niet-ontvankelijkheid op grond van veilige derde landen. Zij vragen u waarom Nederland niet pleit voor volledig afzien van automatische schorsende werking, in het licht van rechtszekerheid en het belang dat asielzoekers hun beroep in vrijheid kunnen afwachten? Bent u alsnog bereid om dit te doen?

Antwoord:

De Commissie heeft in haar toelichting bij het voorstel onder andere beargumenteerd dat het afschaffen van de automatisch schorsende werking van beroep zou kunnen helpen om de procedurele vertragingen bij de toepassing van het begrip «veilig derde land» terug te dringen. De bescherming van de grondrechten van asielzoekers blijft echter nog steeds gewaarborgd door hen de mogelijkheid te bieden om de rechterlijke instantie te verzoeken om de behandeling van het beroep op het grondgebied van de lidstaat te mogen afwachten. Een duidelijke meerderheid van de lidstaten volgt deze redenering. Het inbrengen van een Nederlands standpunt dat wel iedere lidstaat automatisch schorsende werking aan het beroep zou moeten verlenen wordt daarmee niet opportuun geacht en vormt geen onderdeel van de inzet.

Heeft Nederland plannen om overeenkomsten te sluiten met derde landen waarbij die landen als veilig derde land fungeren? Zo ja: welke landen?

Antwoord:

Het kabinet zet zich in een Europese kopgroep nadrukkelijk in voor het verderbrengen van innovatieve oplossingen om terugkeer te bevorderen en irreguliere migratie tegen te gaan, zoals terugkeerhubs en veilige derde land-afspraken. Daarbij zet het kabinet zich in voor aanpassing van juridische kaders, zoals de Terugkeerverordening en de Asielprocedureverordening. Tegelijkertijd is het van belang dat werk wordt gemaakt van de verdere operationalisering van deze nieuwe vormen. Hiervoor is financiering en operationele capaciteit nodig. Om de weg voorwaarts hierop nader uit te werken heeft Nederland gezamenlijk met Duitsland dit jaar twee (hoog)ambtelijke bijeenkomsten voor een groot aantal gelijkgezinde lidstaten georganiseerd. Daar heeft het kabinet gepleit voor een uitbreiding van het mandaat van Frontex en het Europees Asielagentschap, zodat zij in landen buiten de Europese Unie vaker operationeel kunnen ondersteunen – ook in het kader van innovatieve vormen van migratiesamenwerking.

Worden op dit moment door Nederland gesprekken gevoerd met derde landen over overeenkomsten voor asielproceduretoegang of opvang, of over terugkeer of «hubs» of soortgelijke mechanismen? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen graag een overzicht van alle mogelijke inzet van de regering op dit vlak, inclusief onderhandelingen, memoranda, wederzijdse verplichtingen en waarborging van mensenrechten.

Antwoord:

Het kabinet verwijst naar het antwoord op de vorige vraag en de brief van de regering over de ontwikkeling van een Transithub in Oeganda.7

Wat is de huidige positie van het Europees Parlement (vooral de LIBE-commissie) met betrekking tot het voorstel, specifiek rond het bandencriterium en automatische schorsende werking? Zijn er amendementen ingediend of aangekondigd die deze onderdelen aanpassen? Hoe weegt de regering deze positie mee in haar onderhandelingsstrategie?

Antwoord:

Het is momenteel nog niet bekend wat de positie van het Europees Parlement is ten aanzien van het voorstel. Voor het kabinet is het van belang dat naast de Raad ook het Parlement snel tot een onderhandelingspositie komt om te starten met de onderhandelingen tussen de Raad en Parlement.

De regering schrijft dat de maatregelen op 12 juni 2026 al in werking kunnen treden. De aan het woord zijnde leden vragen u hoe het met de besluitvorming tot dan toe staat, in het licht van inbreng van het Europees Parlement, nationale parlementen, maatschappelijke organisaties en rechterlijke uitspraken.

Antwoord:

Voorwaarde voor het kunnen toepassen van de aangepaste regels ten aanzien van het concept «veilig derde land» is dat deze worden goedgekeurd door de medewetgevers de Raad van Ministers en het Europees Parlement. Momenteel hebben de medewetgevers hun positie nog niet bepaald en is de triloog (het overleg tussen vertegenwoordigers van Commissie, Parlement en Raad) nog niet gestart.

Ten slotte hebben de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen over internationale mensenrechtennormen en het non-refoulementbeginsel. Welke instrumenten garanderen dat landen die worden aangemerkt als veilige derde landen voldoen aan internationale mensenrechtennormen en het non-refoulementbeginsel? Hoe wordt toezicht georganiseerd, wie beoordeelt of in de praktijk veiligheid gewaarborgd wordt (onder andere toegang tot procedure, bescherming tegen vervolging, gevangenschap etc.)? Wat zal de regering doen wanneer er geconstateerd wordt dat dit voorstel wel strijdig is met internationale mensenrechtennormen en het non-refoulementbeginsel?

Antwoord:

In de Asielprocedureverordening (APR) is vastgelegd dat het begrip «veilig derde land» slechts kan worden toegepast als in dat land het leven en de vrijheid van onderdanen van derde landen niet worden bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging en dat zij geen reëel risico lopen op ernstige schade als gedefinieerd in artikel 15 van de Kwalificatieverordening. Verder moeten onderdanen van derde landen worden beschermd tegen refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève en tegen verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of straffen, zoals neergelegd in het internationaal recht en moet de mogelijkheid bestaan om doeltreffende bescherming aan te vragen en, indien de voorwaarden vervuld zijn, te krijgen.

De beoordeling of een derde land mag worden aangewezen als veilig derde land overeenkomstig deze verordening, gebeurt volgens de APR op basis van een reeks relevante en beschikbare informatiebronnen, waaronder informatie van de lidstaten, het Asielagentschap, de Europese Dienst voor extern optreden, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, de Raad van Europa en andere ter zake dienende internationale organisaties. Het begrip «veilig derde land» mag verder alleen worden toegepast als de verzoeker in het kader van een individuele beoordeling geen elementen kan verstrekken die rechtvaardigen dat het begrip «veilig derde land» niet op hem of haar van toepassing is.

Bovengenoemde voorwaarden worden niet gewijzigd door het voorstel van de Commissie. Ik ben daarmee van oordeel dat het voorstel op zichzelf niet strijdig is met internationale mensenrechtennormen en het non-refoulementbeginsel. Ook is voldoende geborgd dat de toepassing ervan in individuele zaken al voldoen aan deze normen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de voorgestelde verordening tot wijziging van de Asielprocedureverordening wat betreft de toepassing van het begrip «veilig derde land».

De verordening stelt een wijziging van het concept «veilig derde land» voor. Dit met als doel om meer grip op migratie te krijgen. De verordening wordt met dit voorstel op twee punten gewijzigd: ten aanzien van het zogenoemde bandencriterium en ten aanzien van de automatisch schorsende werking van een beroep tegen een niet-ontvankelijkheidsbeslissing. Over beide wijzigingen hebben deze leden vragen. Bovendien hebben zij vragen over de waarborging van de mensenrechten in de veilige derde landen.

De leden van de fractie van D66 onderschrijven het streven om meer grip op migratie te krijgen. Daarom staan zij in beginsel ook positief tegenover de invoering van het Europese migratiepact – waar de voorgestelde verordening tot wijziging van de Asielprocedureverordening wat betreft de toepassing van het begrip »veilig derde land» onderdeel van uitmaakt. De invoering van dit pact is een belangrijke stap naar een eerlijk, humaan en werkend asielsysteem in Europa. Het staat voor deze leden bovendien buiten kijf dat het Nederlandse asielbeleid solidair, eerlijk en menselijk moet zijn. Zij benadrukken daarom dat meer grip op migratie altijd moet samengaan met het respecteren van mensenrechten en het internationaal recht.

Een van de wijzigingsvoorstellen van de Europese Commissie is om het zogenoemde bandencriterium te laten vervallen. Dit houdt in dat een asielzoeker niet noodzakelijkerwijs een band hoeft te hebben met een veilig derde land. De implicatie hiervan is dat Nederland een asielzoeker zou kunnen doorverwijzen naar een derde land waar hij of zij geen connectie mee heeft. In het BNC-fiche geeft de regering aan voorstander te zijn van deze juridische versoepeling en zegt zij dat het bandencriterium volgens het internationaal recht niet vereist is. Toch lezen de leden van de D66-fractie in het BNC-fiche dat het afschaffen van het bandencriterium mogelijk onhaalbaar is. Kunt u aangeven waarom het laten vervallen van het bandencriterium mogelijk onhaalbaar is, als het niet in strijd is met het internationaal recht?

Antwoord:

In de toelichting bij haar voorstel geeft de Commissie aan dat er ook lidstaten zijn die sec de schrapping van het criterium van een band als vereiste niet steunen. Mede daarom lijkt de Commissie te hebben gekozen voor een meer flexibel voorstel dat de lidstaten toestaat om het begrip «veilig derde land» toe te passen i) wanneer er een band bestaat tussen de verzoeker en een veilig derde land, of ii) wanneer de verzoeker door een veilig derde land is gereisd, of iii), indien er geen sprake van een band of doorreis is, wanneer een overeenkomst of regeling met een veilig derde land bestaat op grond waarvan de gegrondheid van de verzoeken om doeltreffende bescherming van verzoekers die onder die overeenkomst of regeling vallen, moet worden onderzocht. In de behandeling van het Commissievoorstel binnen de Raad lijkt vooralsnog het merendeel van de lidstaten deze invulling te steunen, hoewel een formele gezamenlijke raadspositie nog niet is aangenomen.

Het tweede wijzigingsvoorstel heeft betrekking op de automatisch schorsende werking van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing. De Europese Commissie stelt voor om de automatisch schorsende werking van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing af te schaffen. Dit zou betekenen dat een besluit om een asielaanvraag niet inhoudelijk te behandelen direct wordt uitgevoerd, ook als de aanvrager van asiel tegen deze beslissing in beroep gaat. Hierdoor mag een beroep niet meer automatisch in de betreffende EU-lidstaat worden afgewacht. Dit kan echter leiden tot een forse stijging van het aantal schorsingsverzoeken, met als gevolg een toename van de werklast voor de rechtbanken. De leden van de fractie van D66 lezen dat de inzet van de regering er daarom op is gericht dat lidstaten zelf de ruimte krijgen om te kiezen of zij de automatisch schorsende werking verbinden aan het beroep. Deze leden vragen u te verduidelijken of u – mocht de verordening lidstaten de ruimte geven om een zelfstandige afweging te maken – wel of geen gebruik wenst te maken van de automatisch schorsende werking. Tevens vragen deze leden om uw zienswijze hierop te motiveren.

Antwoord:

Verwezen wordt naar de antwoorden op de vragen van de leden van de GroenLinks/Pvda-fractie waarin is aangegeven dat het merendeel van de lidstaten het Commissievoorstel van geen automatisch schorsende werking steunt. Mocht in het uiteindelijk door de Unie-wetgevers aangenomen voorstel toch ruimte zijn om wel automatische schorsende werking aan het beroep toe te kennen dan is het aan het dan zittende kabinet zijn om een beslissing te nemen over de vorm waarop de beroepsprocedure in het Nederlandse stelsel wordt ingericht.

Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie of het risico zich gaat voordoen dat asielzoekers die uit Nederland gestuurd zijn naar een ander land en in hoger beroep hun verzoek toch toegewezen krijgen, weer naar Nederland gehaald moeten worden om hier de inhoudelijke behandeling van hun zaak af te wachten. Hoe schat de regering dit risico in? Brengt dit veel kosten met zich mee?

Antwoord:

Het voorstel van de Europese Commissie brengt geen wijzigingen aan voor hoger beroep. Ook onder het huidige wettelijke systeem heeft hoger beroep in een asielzaak niet automatisch schorsende werking. Een asielzoeker kan de Raad van State verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen en daarmee schorsende werking te verlenen aan het hoger beroep als hij meent dat uitzetting in strijd is met artikel 3 EVRM.

Ten derde hebben deze leden een vraag over de toepassing van het concept «veilig derde land». Een van de criteria om als een veilig derde land bestempeld te worden, is dat in het betreffende land het leven en de vrijheid van onderdanen van derde landen niet worden bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging. De leden van de fractie van D66 merken op dat seksuele voorkeur niet in de genoemde opsomming is opgenomen. Zij vragen u daarom te verduidelijken hoe u wil waarborgen dat een asielzoeker die naar een derde land wordt doorverwezen niet wordt bedreigd omwille van zijn of haar seksuele voorkeur. Hoe verzekert de regering dat asielzoekers in deze landen goed en humaan behandeld worden?

Antwoord:

De hier aangehaalde formulering is ontleend aan artikel 1A van het Geneefse Vluchtelingenverdrag. Seksuele voorkeur valt onder de reikwijdte van «sociale groep» en is daarmee onderdeel van het toetsingskader. Voorts wijs ik erop dat het concept «veilig derde land» al een bestaand concept is onder de vigerende Europese en daarop gebaseerde nationale regelgeving. Aan de tegenwerping dat een land voor de asielzoeker een veilig derde land is, moet o.a. gedegen onderzoek ten grondslag liggen, die mede gebaseerd kan zijn op informatiebronnen over de algemene situatie in dat land. Uit dit onderzoek moet o.a. blijken dat het derde land voldoet aan het Verdrag van Genève, tenzij dat derde land anderszins voorziet in doeltreffende bescherming in rechte en in de praktijk overeenkomstig de fundamentele mensenrechtennormen, zoals toegang tot voldoende bestaansmiddelen om een toereikende levensstandaard te handhaven ten aanzien van de algemene situatie van dat ontvangende derde land, tot gezondheidszorg en essentiële behandeling van ziekten en toegang tot basisonderwijs onder de voorwaarden die in dat derde land gangbaar zijn. Ook moet aannemelijk zijn gemaakt dat de asielzoeker in dat land in staat zal zijn om de asielaanvraag in te dienen.

Wat als er schrijnende situaties ontstaan? Welke mogelijkheden heeft de regering om het betreffende derde land te bewegen zich aan de beoogde normen te houden? Ten slotte lezen de leden van de fractie van D66 in het BNC-fiche dat de regering inzet op strategische partnerschappen met relevante migratielanden en op innovatieve vormen van migratiesamenwerking. Deze leden vragen u te verduidelijken hoe de regering kan waarborgen dat een land waarmee Nederland een strategisch partnerschap aangaat de mensenrechten respecteert en in de toekomst zal blijven respecteren. Zij wijzen erop dat bijvoorbeeld in Tunesië – een land dat Nederland heeft bestempeld als veilig derde land en waarmee de Europese Unie een migratiedeal heeft gesloten – een autocratisch bewind aan de macht is dat oppositieleden arresteert en migranten terug de woestijn in stuurt.8, 9

Antwoord:

Het kabinet streeft in haar samenwerking met derde landen op het gebied van migratie naar partnerschappen op basis van gelijkwaardigheid en wederkerigheid, als onderdeel van een bredere relatie, en op basis van het do no harm principe. Dit betekent dat Nederland duidelijke afspraken over de borging van mensenrechten maakt, en de inzet nauwkeurig monitort. Het kabinet vraagt de Europese Commissie dit ook te doen. Binnen het partnerschap is er ruimte om ook moeilijke onderwerpen bespreekbaar te maken. Wanneer er sprake zou zijn van schrijnende situaties of de schending van mensenrechten van personen betrokken dan bespreekt het kabinet dit in de context van het bredere partnerschap In het kader van samenwerkingen die de Europese Commissie met derde landen aangaat, maakt het kabinet eventuele zorgen op EU-niveau bespreekbaar. Het kabinet neemt zo nodig maatregelen of roept daartoe op in de EU. Welke dat zijn zal per casus bekeken moeten worden. Hier zet het kabinet ook actief op waar het eventuele zorgen betreft rondom de borging van mensenrecht in de context van Tunesië.

Dit geldt ook voor partnerschappen waar innovatieve oplossingen, zoals een veilig derde land concept, een onderdeel van zijn. Deze innovatieve oplossingen moeten uiteraard in lijn zijn met nationaal, Europees en internationaal recht. Hierbij benadrukte het kabinet dat het noodzakelijk is dat de uitwerking van innovatieve oplossingen zorgvuldig gebeurt, met volledige in achtneming van de geldende juridische kaders en het borgen van de (mensen)rechten van de vreemdeling, inclusief het recht op non-refoulement. Het kabinet houdt over de vormgeving van dergelijke partnerschappen nauw contact met de Europese Commissie en internationale organisaties, zoals de Internationale Organisatie voor Migratie en de VN Vluchtelingen organisatie (UNHCR).

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie en de kabinetsreactie daarop. Zij stellen u graag de volgende vragen:

De genoemde leden lezen in het BNC-fiche dat het bandencriterium met dit voorstel wordt uitgebreid, zodat ook «arrangements» en «agreements» met derde landen eronder vallen, voor zover zij inhouden dat asielzoekers in die landen toegang hebben tot een deugdelijke asielprocedure. Wat verstaat u onder een «deugdelijke asielprocedure»?

Antwoord:

Een procedure die doeltreffende bescherming biedt, in de zin dat het beginsel van non-refoulement wordt gewaarborgd.

De regering zet zich ervoor in om het bandencriterium te schrappen en wil in elk geval niet dat er verdere materiële of procedurele voorwaarden aan een «arrangement» of «agreement» worden gesteld. Aan welke voorwaarden denkt u daarbij en waarom acht u deze onwenselijk?

Antwoord:

Het is voor het kabinet van belang dat er voldoende flexibiliteit bestaat bij het maken van afspraken met een derde land over de toepassing van het veilig derde land-concept. Dat is met name gelegen in het feit dat afspraken maken met derde land maatwerk is en het daarom onwenselijk is dat er additionele voorwaarden worden gesteld voor het maken van dergelijke afspraken. Bovendien kunnen verdere materiële en procedurele voorwaarden de toepasbaarheid van het concept negatief beïnvloeden.

De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen uit het BNC-fiche dat het bandencriterium geen internationaalrechtelijk vereiste is. Dat neemt niet weg dat er andere redenen kunnen zijn om het criterium te handhaven. Deze leden vragen u om aan te geven waarom de regering er desalniettemin op inzet om dit criterium uit het voorstel te laten schrappen.

Antwoord:

De inzet van het kabinet is om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers in Nederland te verminderen. Daartoe heeft het kabinet nationale maatregelen genomen, zoals de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel. Om grip op migratie te krijgen, zet het kabinet daarenboven in op brede, strategische partnerschappen met relevante migratielanden. Ook innovatieve vormen van migratiesamenwerking zijn hier onderdeel van, binnen de kaders van het internationaal en Europees recht. Het kunnen maken van afspraken in het licht van het veilige derde landconcept is een voorbeeld van een innovatieve vorm van migratiesamenwerking.


X Noot
1

Samenstelling:

Marquart Scholtz (BBB), Griffioen (BBB), Karimi (GroenLinks-PvdA), Lagas (BBB), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Kaljouw (VVD), Meijer (VVD), Van Toorenburg (CDA), Bakker-Klein (CDA), Dittrich (D66), Croll (D66), Aerdts (D66) (ondervoorzitter), Van Hattem (PVV) (voorzitter), Koffeman (PvdD), Nanninga (JA21), Janssen (SP), Huizinga-Heringa (CU), Van den Oetelaar (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

COM(2025)259. Dossier op Europapoort E250013

X Noot
3

Amnesty International, 29 juni 2023. EU/Tunesië: Drie argumenten tegen de Tunesië-deal.

X Noot
4

De Volkskrant, 24 juli 2023. Gedumpt in de woestijn, als speelbal van grotere belangen

X Noot
6

Bron: IND, peildatum 10-10-2025, Cijfers afgerond op tientallen. Afgeronde delen tellen niet altijd op tot de afgeronde som.

X Noot
7

Kamerstukken II, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 3477.

X Noot
8

Amnesty International, 29 juni 2023. EU/Tunesië: Drie argumenten tegen de Tunesië-deal. Volgens Amnesty International heeft Tunesië bovendien geen wettelijke kaders om de rechten van migranten en asielzoekers te beschermen.

X Noot
9

De Volkskrant, 24 juli 2023. Gedumpt in de woestijn, als speelbal van grotere belangen De leden van de D66-fractie horen in deze context met belangstelling hoe de regering oog blijft houden voor de rechtsstatelijke en mensenrechtelijke situatie in derde landen

Naar boven