De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de voorgestelde accijnsverhogingen op brandstoffen en de stijgende
indirecte lasten op primaire levensbehoeften onevenredig drukken op huishoudens met
lage en middeninkomens, alsmede op bewoners van grensregio's waar uitwijkgedrag leidt
tot omzetverlies en lagere belastingopbrengsten;
overwegende dat deze lastenstijgingen de koopkracht van ouderen, werkenden en gezinnen
aantoonbaar verlagen, terwijl de beoogde opbrengsten van de accijnsverhogingen in
de praktijk aanzienlijk lager uitvallen;
overwegende dat versneld doorgevoerde onderdelen van de energietransitie – waaronder
subsidies, stimuleringstrajecten, verplichtingsschema's en investeringssubsidies –
financieel zeer omvangrijk zijn en tot hoge begrotingsdruk leiden;
van mening dat de energietransitie maatschappelijk draagvlak vereist, en dat dit draagvlak
ondermijnd wordt wanneer burgers tegelijkertijd geconfronteerd worden met stijgende
lasten voor mobiliteit en boodschappen;
verzoekt de regering om de lastenstijging door accijnsverhogingen en dure basisboodschappen
niet bij burgers neer te leggen, maar hiervoor compensatie te vinden binnen het temporiseren,
faseren of doelmatiger uitvoeren van kostbare onderdelen van de energietransitie;
en verzoekt de regering daarbij:
-
– expliciet in kaart te brengen welke klimaat- en energiemiddelen in 2026–2028 verantwoord
kunnen worden vertraagd of herschikt zonder dat nationale of EU doelstellingen in
gevaar komen;
-
– de vrijgevallen middelen te gebruiken voor gerichte lastenverlichting op brandstofaccijnzen
en primaire levensbehoeften;
-
– de Kamer hierover uiterlijk 1 april 2026 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
Beukering
Walenkamp
Van den Oetelaar
Van de Sanden