Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36800-XVII nr. C |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36800-XVII nr. C |
Ontvangen 13 mei 2026
Graag bied ik uw Kamer hierbij de nota aan naar aanleiding van het verslag van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp inzake de Vaststelling van de begrotingsstaat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (XVII) voor het jaar 2026.
Een aantal gestelde vragen heeft betrekking op de verwerking van het Coalitieakkoord van kabinet Jetten. Het Coalitieakkoord is verwerkt bij de Voorjaarsnota 2026 en daarom geen onderdeel van de voorliggende begrotingsstaat. Vanaf de Ontwerpbegroting 2027 zal de naam van de begrotingsstaat conform het Coalitieakkoord worden aangepast naar «Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking».
Inleiding
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben kennisgenomen van de Begrotingsstaat Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026. Zij hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de fractie van BBB hebben kennisgenomen van de Begrotingsstaat Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026 en stellen hieromtrent de regering de volgende vragen. De leden van de fractie van JA21 sluiten zich graag aan bij de vragen van de leden van de BBB-fractie.
De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van de Begrotingsstaat Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026. Zij hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026. Deze leden constateren dat het ODA-percentage onder de OESO-norm blijft en dat de internationale inzet op ontwikkelingssamenwerking onder druk staat. Tegen deze achtergrond hebben voornoemde leden vragen over de wijze waarop de regering invulling geeft aan haar ambities, de budgettaire keuzes binnen de begroting en de consequenties daarvan voor de inzet op armoedebestrijding, mensenrechten en humanitaire hulp.
De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben kennisgenomen van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026 en hebben de volgende vragen.
De leden van de Volt-fractie hebben kennisgenomen van de Begroting buitenlandse handel en Ontwikkelingshulp 2026. Het geeft deze leden aanleiding tot een aantal vragen.
De leden van de fractie van de SGP hebben kennisgenomen van de Begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026. Zij hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen.
Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers met interesse kennisgenomen van de Begrotingsstaat Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026. Naar aanleiding hiervan heeft dit lid nog een vraag.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat de internationale context wordt gekenmerkt door toenemende instabiliteit, groeiende ongelijkheid en een verslechterende mondiale veiligheidssituatie. Tegen deze achtergrond achten deze leden het van belang dat Nederland blijft investeren in internationale samenwerking, ontwikkelingssamenwerking en eerlijke handel, mede vanuit het perspectief van welbegrepen eigenbelang.
Zij merken op dat de voorliggende begroting op essentiële onderdelen niet in lijn is met deze opgave. In het bijzonder wensen zij in te gaan op de ontwikkeling van het Official Development Assistance (ODA)-budget en de verhouding daarvan tot de internationaal afgesproken norm van 0,7% van het bruto nationaal inkomen.
1.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de koppeling tussen het ODA-budget en het bruto nationaal inkomen niet is hersteld, ondanks meerdere aangenomen moties in zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer in 2025, waarin expliciet wordt opgeroepen tot herstel van deze systematiek. Zij vragen de regering om een nadere toelichting op de redenen om deze moties niet uit te voeren en hoe deze keuze zich verhoudt tot de constitutionele rol van beide Kamers en de gebruikelijke omgang met aangenomen moties. Wanneer is de regering van plan deze moties uit te voeren?
Antwoord
Conform het AIV-advies «Een stabiel en voorspelbaar ODA-budget» wordt het ODA-budget slechts 1 keer per jaar bijgesteld, in het voorjaar op basis van de macro-economische raming van de CEP. Daarom bevat de ontwerpbegroting geen bni-bijstelling.
De wens van de Eerste Kamer is goed gehoord. Het kabinet actualiseert het ODA-budget op basis van een koppeling aan het bni (1% groei of krimp bni = 1% groei of krimp ODAbudget), investeert in ontwikkelingssamenwerking en zet zo een stap richting de internationale OESO-norm. De motie Huizinga-Heringa (Kamerstuk 36.600 XVII, M) is hiermee uitgevoerd, de moties die vragen om een koppeling aan 0,7% van het bni niet (motie Holterhues in de Eerste Kamer, Kamerstuk 36 725, F; motie Hirsch in de Tweede Kamer, Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 51).
2.
Voorts constateren deze leden dat in het regeerakkoord wordt gesproken over een «stap richting de internationale OESO-norm»,1 terwijl uit de beschikbare cijfers blijkt dat het ODA-percentage is gedaald naar circa 0,44% en, door een beperkte intensivering, slechts oploopt tot circa 0,46% in 2030 (een verschil van 0,02 procentpunt).2 Zij verzoeken de regering nader te preciseren wat onder een «betekenisvolle stap» wordt verstaan en op welke wijze en binnen welk tijdpad daadwerkelijk richting de 0,7%-norm wordt bewogen. Wanneer verwacht de regering op 0,7% uit te komen?
Antwoord
Conform het coalitieakkoord investeert het kabinet in ontwikkelingssamenwerking en zet daarmee een stap richting de internationale OESO-norm. In de 1e suppletoire begroting BHO 2026 is deze intensivering verwerkt, waarmee de ODA-prestatie stijgt ten opzichte van de Ontwerpbegroting 2026 (het uitgangspunt voor de meerjarige ODA-prestatie zoals opgenomen in de HGIS-nota 2026). De meerjarige ODA-prestatie bij zowel HGIS-nota 2026 als bij Voorjaarsnota 2026 is hieronder weergegeven, tevens zichtbaar op pagina 63 van de HGIS-nota 2026 (Kamerstuk 36 801, nr. 1) en op pagina 35 van de 1e suppletoire begroting BHO 2026 (Kamerstuk 36 915 XVII, nr. 2).
|
in % bni |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
2030 |
2031 |
|---|---|---|---|---|---|---|
|
ODA-prestatie bij HGIS-nota2026 (MEV2026) |
0,55% |
0,48% |
0,44% |
0,45% |
0,44% |
– |
|
ODA-prestatie bij VJN2026 (CEP2026) |
0,50% |
0,48% |
0,49% |
0,50% |
0,47% |
0,44% |
De meerjarige ODA-prestatie is met de huidige koppeling stabiel. De 0,7% vormt geen onderdeel van de berekeningswijze.
Sinds 2016 heeft de ODA-prestatie afgeweken van de 0,7%. Het uitgeven van 0,7% van het bni aan ODAzou betekenen dat het ODA-budget met een bedrag oplopend tot structureel EUR 3,7 miljard zou moeten stijgen op basis van het CEP2026. Onderstaande tabel laat zien wat het verschil bedraagt tussen 0,7% van het bni (o.b.v. CEP2026) en het huidige ODA-budget.
|
in EUR mln. |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
2030 |
2031 |
|---|---|---|---|---|---|---|
|
0,7% van bni o.b.v. CEP2026 |
8.532 |
8.835 |
9.210 |
9.555 |
9.910 |
10.230 |
|
ODA-budget bij VJN2026 |
6.051 |
6.020 |
6.424 |
6.865 |
6.621 |
6.493 |
|
Verschil |
2.481 |
2.815 |
2.785 |
2.691 |
3.289 |
3.737 |
3.
Daarnaast stellen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vast dat de structurele bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking, die onder het vorige kabinet zijn ingezet, slechts in zeer beperkte mate worden teruggedraaid. De aangekondigde intensivering van 257 miljoen euro lijkt bovendien volgens beschikbare doorrekeningen niet volledig te resulteren in een toename van middelen voor ontwikkelingsrelevante uitgaven. Deze leden vragen de regering om inzichtelijk te maken welk deel van het ODA-budget daadwerkelijk beschikbaar is voor ontwikkelingsdoelen in lage- en middeninkomenslanden, en welk deel wordt aangewend voor andere uitgaven, zoals asieltoerekening. Tevens vragen zij hoe deze verdeling zich verhoudt tot de beleidsdoelstellingen van het kabinet.
Antwoord
De voorliggende begrotingsstaat bevat geen actualisatie van de asielramingen. De precieze verdeling van het Rijksbrede ODA-budget over de beleidsthema’s en begrotingen is uiteengezet in bijlage 4 van de HGIS nota 2026.
Bij de Voorjaarsnota 2026 zijn de ramingen voor de uitgaven aan eerstejaars asielopvang geactualiseerd. Dit heeft geleid tot een opwaartse bijstelling van de BHO-begroting in 2026 en een neerwaartse bijstelling in 2027 en de jaren daarna. Conform het coalitieakkoord is de toerekening van de kosten voor eerstejaars asielopvang aan ODA vanaf 2027 gemaximeerd op 10% van het Rijksbrede ODA-budget. Onderstaande tabel laat zien welk deel van het ODA-budget geraamd is voor uitgaven aan eerstejaars asielopvang. De bedragen zijn gebaseerd op de budgetten bij de Voorjaarsnota 2026.
|
in EUR mln. |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
2030 |
2031 |
|---|---|---|---|---|---|---|
|
ODA-budget (stand Voorjaarsnota 2026) |
6.082 |
6.050 |
6.454 |
6.894 |
6.650 |
6.521 |
|
w.v. asieltoerekening (stand Voorjaarsnota 2026) |
1.011 |
620 |
648 |
692 |
668 |
655 |
|
Percentage asieltoerekening van ODA-budget |
17% |
10% |
10% |
10% |
10% |
10% |
De in het coalitieakkoord opgenomen middelen, waaronder de structurele intensivering vanaf 2027 van EUR 257 miljoen voor ontwikkelingssamenwerking, is verwerkt bij de Voorjaarsnota 2026. Deze middelen worden conform de gebruikelijke systematiek in eerste instantie geraamd op de Aanvullende Post bij het Ministerie van Financiën. Om die reden zijn deze middelen nog niet zichtbaar op de BHO-begroting. Na besluitvorming over de inzet van deze middelen zullen de middelen worden overgeheveld naar de BHO-begroting en worden ingezet voor ontwikkelingsrelevante uitgaven. Zie ook bijlage 10 van de Voorjaarsnota (Kamerstuk 36 915, nr. A , p. 281).
4.
Ten aanzien van de financiering van niet-militaire steun aan Oekraïne constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat vanaf 2027 een bedrag van 419 miljoen euro wordt gedekt uit het BHOS-budget.3 Deze leden onderstrepen het belang van blijvende steun aan Oekraïne, maar wijzen erop dat de Tweede Kamer eerder heeft uitgesproken dat dergelijke uitgaven niet ten laste van het ontwikkelingsbudget zouden moeten komen. Zij verzoeken de regering toe te lichten waarom desondanks voor deze financieringswijze is gekozen, welke gevolgen dit heeft voor de beschikbare middelen voor ontwikkelingssamenwerking, en of de regering bereid is alternatieve financieringsbronnen te overwegen. Zo niet, waarom niet?
Antwoord
In het coalitieakkoord heeft het kabinet afspraken gemaakt over het onverminderd doorzetten van de steun aan Oekraïne. Deze afspraken zijn verwerkt in de Startnota van het kabinet, op basis waarvan ook de 1e suppletoire begroting BHO 2026 is opgesteld. De betreffende beleidskeuzes zijn daarmee dus nog niet verwerkt in de begrotingsstaat die nu voorligt.
Het kabinet heeft meerjarige financiering beschikbaar gesteld voor niet-militaire steun aan Oekraïne van jaarlijks EUR 419 miljoen euro voor de jaren 2027 t/m 2029. In 2027 wordt als hiervoor eenmalig EUR 419 miljoen in mindering gebracht op de BHO-begroting. Dit is bij de 1e suppletoire begroting 2026 verwerkt op het verdeelartikel 5.4, daarmee wordt er niet bezuinigd op lopende OS-projecten. De ontwikkeling van verdeelartikel 5.4 is zichtbaar op pagina 33 van de 1e suppletoire begroting BHO 2026 (Kamerstuk 36 915 XVII, nr. 2).
De Kamer kan in meerderheid altijd verzoeken indienen aan het kabinet. Het kabinet zal deze verzoeken appreciëren en kan deze betrekken bij besluitvorming, bijvoorbeeld over alternatieve financieringsbronnen of over andere beleidswijzigingen.
5.
Deze leden wijzen daarnaast op de systematische keuze om de koppeling tussen het ODA-budget en de OESO-norm los te laten. Zij constateren dat hiermee een belangrijk mechanisme ontbreekt dat in het verleden bijdroeg aan een geleidelijke groei van het budget richting de internationale norm. Zij vragen de regering om te reflecteren op de consequenties van deze keuze op de langere termijn en of de regering bereid is deze koppeling alsnog volledig te herstellen, dan wel op andere wijze te borgen dat Nederland zich structureel richting de 0,7%-norm beweegt.
Antwoord
Het kabinet kiest ervoor om het ODA-budget jaarlijks in het voorjaar bij te stellen op basis van de ontwikkeling van het bni. Dit betekent dat 1% groei of krimp van het bni leidt tot 1% groei of krimp van het ODA-budget. Indien er geen intensiveringen of extensiveringen op het ODA-budget plaatsvinden, blijft de ODA-prestatie (als percentage van het bni) langjarig stabiel. De 0,7% vormt geen onderdeel van de berekeningswijze. Zie ook het antwoord op vraag 2.
De afspraken over intensiveringen op ontwikkelingssamenwerking uit het coalitieakkoord zijn verwerkt bij Voorjaarsnota 2026. Deze afspraken zijn derhalve nog niet verwerkt in de BHO-ontwerpbegroting 2026.
6.
Tot slot merken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat uit de beschikbare analyses blijkt dat het verschil tussen de huidige begrotingsontwikkeling en een scenario waarin zowel de koppeling wordt hersteld als bepaalde uitgaven, zoals financiering van asiel en hulp aan Oekraïne, buiten het ODA-budget worden gehouden, kan oplopen tot honderden miljoenen euro’s per jaar. Deze leden verzoeken de regering om te reflecteren op deze constatering en om aan te geven in hoeverre de huidige begroting het resultaat is van beleidsmatige keuzes dan wel van budgettaire beperkingen, en de gevolgen in kaart te brengen.
Antwoord
Een deel van de opvang van asielzoekers in Nederland en een deel van de niet-militaire steun aan Oekraïne mag volgens de OESO-richtlijnen toegerekend worden aan ODA (Official Development Assistance), omdat deze bijdragen aan de ODA-doelstelling. Het kabinet kiest ervoor om deze uitgaven ten dele toe te rekenen aan ODA en uit het ODA-budget te betalen. Het ODA-budget wordt in 2028 en 2029 opgehoogd met de intensivering voor niet-militaire steun aan Oekraïne. Indien deze uitgaven buiten het ODA-budget gehouden worden, moet dekking voor deze uitgaven elders op de Rijksbegroting gevonden worden. De keuze om deze uitgaven toe te rekenen en te betalen uit het ODA-budget is daarmee zowel een beleidsmatige keuze als een keuze die voortvloeit uit budgettaire overwegingen, passend binnen de internationale afspraken over ODA.
7.
In dat licht wensen deze leden tevens een nadere staatsrechtelijke, budgettaire en begrotingstechnische analyse van de regering. Kan de regering uiteenzetten wat de concrete gevolgen zijn indien de voorliggende begroting in de Eerste Kamer niet wordt aangenomen? Welke instrumenten staan de regering in dat geval ter beschikking om uitgaven op het terrein van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking te continueren? Welke gevolgen zou een eventuele verwerping hebben voor lopende verplichtingen, internationale afspraken en programma’s in partnerlanden? En op welke termijn en via welke procedure zou de regering in dat scenario met een aangepaste begroting kunnen komen?
Antwoord
Zowel de Algemene Rekenkamer als de Raad van State hebben geadviseerd over de gevolgen bij een verworpen begroting.4 De Minister van Financiën is daarnaast per brief ingegaan op de staatsrechtelijke consequenties en het handelingsperspectief bij het verwerpen van een begroting naar aanleiding van vragen van de fractie van de SGP van uw Kamer.5 In het geval van wegstemmen dient het kabinet onverwijld een nieuw begrotingsvoorstel in bij de Tweede Kamer. Hoe lang dit duurt is op voorhand niet te specificeren; er zal onder andere opnieuw advisering door de Raad van State moeten plaatsvinden over het begrotingswetsvoorstel.
Wanneer een begroting wordt weggestemd, is er geen begroting. De Raad van State noemt dit in zijn voorlichting een «begrotingsloze periode». Er wordt dus niet teruggevallen op de begroting van het voorgaande jaar. Ook in de begrotingsloze periode en zonder autorisatie zal de Minister juridische verplichtingen uit bestaande juridische afspraken en wetgeving moeten nakomen en uit-financieren. De gedane uitgaven en aangegane verplichtingen in deze periode zijn wel per definitie comptabel onrechtmatig. Daarnaast zal de regering in deze periode het parlement zo snel mogelijk moeten informeren over hoe zij in de ontstane situatie wil gaan handelen, conform advies Raad van State.
Zodra er een nieuw begrotingsvoorstel is ingediend, geldt artikel 2.25 van de Comptabiliteitswet 2016. Artikel 2.25 stelt dat staand beleid met terughoudendheid in uitvoering genomen mag worden, en nieuw beleid niet uitgevoerd mag worden, totdat de begroting geautoriseerd is door beide Kamers. Dit kan, zeker bij nieuw beleid, leiden tot vertraging en meer onzekerheid voor het bieden van humanitaire hulp, de programmering in partnerlanden en voor maatschappelijke organisaties betrokken bij de uitvoering van het beleid. Het niet aannemen van deze ontwerpbegroting zou ertoe leiden dat de bijdragen aan de humanitaire landenfondsen (in totaal EUR 78 miljoen in 2026) niet kunnen worden gedaan, waardoor hulporganisaties minder mensen kunnen helpen in verschillende crises, waaronder ook Gaza, Libanon, Soedan en DRC. Ook zou het niet aannemen van deze begroting verstrekkende gevolgen hebben voor maatschappelijke organisaties die financiering kunnen ontvangen uit het beleidskader Focus (2026–2030) en uit de middelen voor pleitbezorging en beïnvloeding in Nederland die conform amendement-Van Ark c.s. en Kröger c.s. beschikbaar zijn. De nog toe te kennen Focus-instrumenten en de nog te ontwikkelen programma’s op goed bestuur en op pleitbezorging in Nederland kunnen zonder goedkeuring van de BHO-begroting 2026 namelijk niet van start gaan. In totaal gaat het om een bedrag van EUR 600 miljoen, waarvan EUR 120 miljoen geraamd staat voor 2026.
8.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken daarbij op dat zij de voorliggende begroting in haar huidige vorm niet kunnen steunen, mede gezien het uitblijven van herstel van de 0,7% koppeling en het voortzetten van substantiële bezuinigingen.
Deze leden verzoeken de regering uiteen te zetten of, en zo ja op welke wijze, zij bereid is de begroting zodanig aan te passen dat deze aanvullende investering wordt gerealiseerd.
Antwoord
De wens van de Eerste Kamer is gehoord. Het kabinet actualiseert het Rijksbrede ODA-budget op basis van de koppeling aan de ontwikkeling van het bni, investeert in ontwikkelingssamenwerking en zet zo een stap richting de internationale OESO-norm.
Conform het AIV-advies «Een stabiel en voorspelbaar ODA-budget» wordt het ODA-budget slechts 1 keer per jaar bijgewerkt, in het voorjaar. Daarom bevat de ontwerpbegroting 2026 geen bni-bijstelling.
Het kabinet kiest ervoor om het ODA-budget in het voorjaar bij te stellen op basis van de ontwikkeling van het bni. Dit betekent dat 1% groei of krimp van het bni leidt tot 1% groei of krimp van het ODA-budget. Indien er geen intensiveringen of extensiveringen op het ODA-budget plaatsvinden, blijft de ODA-prestatie (als percentage van het bni) langjarig stabiel. De 0,7% vormt geen onderdeel van de berekeningswijze. In het coalitieakkoord, dat verwerkt wordt bij de Voorjaarsnota 2026 en de bijbehorende 1e suppletoire begroting BHO 2026, zijn afspraken gemaakt over de intensiveringen op ontwikkelingssamenwerking. Deze afspraken zijn nog niet verwerkt in de ontwerpbegroting 2026 van BHO.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie constateren dat al snel na 7 oktober 2023 de ernstige verdenking rees van betrokkenheid van UNRWA-medewerkers bij de moordpartijen in Israël. Er werden twee onderzoeken gestart, uitmondend in het zogenaamde Colonna-rapport6 en het UN OIOS rapport.7 Het UN-OIOS rapport werd opgemaakt naar aanleiding van beschuldigingen dat UNRWA-medewerkers hadden deelgenomen aan de moorddadige aanval van Hamas op 7 oktober 2023. Deze leden lezen dat van 19 onderzochte medewerkers 9 daaraan schuldig bleken te zijn. Het Colonna-rapport ging echter over procedures en mechanismes die UNRWA heeft om neutraliteit te waarborgen; het was niet ingesteld om onderzoek te doen naar individuele gevallen van schendingen van die neutraliteit. De hoofdconclusie was dat UNRWA op papier voldoende mechanismes heeft om de neutraliteit te waarborgen; daarnaast was de (niet verder onderbouwde) conclusie dat de UNRWA onmisbaar is.
9.
Ondanks het feit dat niet gebleken is dat de in het Colonna-rapport vermelde 50 aanbevelingen aan UNRWA geïmplementeerd zijn, of een groot deel van die aanbevelingen – zijn bijvoorbeeld de leerboeken in Gaza nu neutraal en niet vol met Jodenhaat? – wil de regering de steun aan UNRWA handhaven en zelfs verhogen, zo constateren de leden van de BBB-fractie. Deze leden vragen de regering waarom zij niet eerst de implementatie van deze aanbevelingen afwacht alvorens de steun aan UNRWA te handhaven of zelfs te verhogen.
Antwoord
Internationale, onafhankelijke onderzoeken tonen aan dat er onvoldoende bewijs is geleverd om banden tussen UNRWA en Hamas te bewijzen. Daarnaast moeten we de organisatie als geheel beoordelen, zoals gedaan in het Colonna-onderzoek. In dit onderzoek werden geen grote systemische problemen aangetroffen. Volgens het rapport heeft UNRWA robuuste mechanismes voor het waarborgen van neutraliteitsprincipe, meer dan alle andere VN-organisaties. Niettemin constateert Colonna ruimte voor verbetering met 50 aanbevelingen. UNRWA heeft toegezegd alle aanbevelingen te implementeren. Op dit moment heeft UNRWA 29 van de 50 aanbevelingen geïmplementeerd. Nederland zit in de werkgroep van het UNRWA Adviescomité dat toeziet op de implementatie van de aanbevelingen en de versterking van de neutraliteit en integriteit van UNRWA.
Verder maakt UNRWA gebruik van lesmaterialen die hen worden aangereikt door de landen waarin ze opereren (zoals gebruikelijk is bij onderwijs aan vluchtelingen). Daarom werkt UNRWA nauw samen met de gastlanden om neutraliteit in het onderwijsmateriaal te waarborgen en te voldoen aan de UNESCO standaarden. Momenteel werkt de EU met de Palestijnse Autoriteit om de neutraliteit van het Palestijnse lesmateriaal te verbeteren. Inmiddels voldoet het lesmateriaal voor basisschoolleerlingen (klas 1–4) aan de UNESCO-standaarden. Voor hogere klassen zal de herziening van het lesmateriaal dit jaar worden afgerond, met een deel al deze zomer.
10.
De leden van de BBB-fractie constateren dat UNRWA het terroristische Hamas-regime een aantal taken uit handen neemt, zoals (de financiering van) onderwijs, medische zorg en voedselhulp. Hamas kan dientengevolge een groot deel van zijn beschikbare fondsen besteden aan bewapening en het graven van zogenaamde terreurtunnels, benut om aanvallen op Israël uit te voeren. De Verenigde Staten en Zweden hebben de financiering van UNRWA gestaakt vanwege aanhoudende substantiële invloed van Hamas. Waarom, zo vragen deze leden, is de regering voornemens haar steun aan UNRWA te verhogen?
Antwoord
UNRWA is door de Algemene Vergadering van de VN gemandateerd om basisdiensten, met name op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs, te verlenen aan Palestijnse vluchtelingen in de regio. UNRWA levert deze diensten in Syrië, Libanon, Jordanië en de Palestijnse Gebieden. Met de huidige situatie in de regio en de druk op de lokale systemen is UNRWA hard nodig. Door het leveren van basisdiensten aan Palestijnse vluchtelingen draagt UNRWA bij aan betere leefomstandigheden en aan stabiliteit in de regio. Dat is ook in het Nederlandse belang.
In de voorliggende begrotingsstaat wordt de bijdrage aan UNRWA stapsgewijs afgebouwd naar EUR 1 miljoen in 2030. Zoals gesteld in het coalitieakkoord is het kabinet voornemens om binnen de huidige budgettaire kaders de samenwerking met UNRWA te herstellen naar het oorspronkelijke bedrag van EUR 19 miljoen per jaar en dit te verwerken in de suppletoire begroting september. Het kabinet benadrukt hierbij de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen zoals Hamas. Indien hier toch sprake van zou zijn dan wordt steun, in samenspraak met andere donoren, heroverwogen. Internationale, onafhankelijke onderzoeken tonen aan dat er onvoldoende bewijs is geleverd om banden tussen UNRWA en Hamas te bewijzen, en dat UNRWA bovendien sterke systemen heeft om de neutraliteit en integriteit te waarborgen.
11.
Op pagina 9 van de memorie van toelichting worden de bezuinigingen bij USAID genoemd.8
Heeft Nederland activiteiten van USAID overgenomen? Zo ja, welke? Van landen als het Verenigd Koninkrijk en Zweden is ook bekend dat zij hun ontwikkelingssamenwerking hebben gereduceerd. Zijn door Nederland activiteiten van deze twee of nog andere landen overgenomen? Zo ja, welke?
Antwoord
De gevolgen van het stopzetten van USAID zijn wereldwijd voelbaar. N.a.v. motie Hirsch (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3051) is de impact onderzocht. Nederland en de EU kunnen de effecten van de weggevallen financiering niet volledig compenseren, daarvoor is de financieringsbehoefte te groot. Nederland heeft geen volledige activiteiten overgenomen van USAID. Wel is in lijn met de Nederlandse beleidsprioriteiten ondersteuning geboden op het gebied van humanitaire hulp, enkele programma’s gericht op voedselzekerheid, en een steunpakket aan Moldavië via de Wereldbank. Ook is via het NFRP MATRA-programma voor de versterking van democratie en rechtsstaat ondanks bezuinigingen ruimte gezocht om bijvoorbeeld rechtsstaathervormingsprocessen in Oekraïne te ondersteunen, die door het wegvallen van USAID het risico liepen om verstoord te worden.
12.
Verder lezen de leden van de BBB-fractie op dezelfde pagina dat Nederland «ongeveer een derde van ons gezamenlijk inkomen» in het buitenland verdient. Neemt dit deel toe of af? Is ook voor Nederland sprake van de-globalisering? Hoe verklaart de regering de trend(s) in de mate van globalisering?
Antwoord
Het aandeel van de export in ons BBP is stabiel rond een derde van het BBP. Voor Nederland is geen sprake van de-globalisering. Wereldwijd is nog steeds sprake van globalisering maar het tempo van globalisering is wereldwijd lager. Veel commentatoren zien globalisering als het aandeel wereldgoederenhandel ten opzichte van het totale wereld BBP, daarbij vergeten deze commentaren echter de dienstenhandel. De dienstenhandel groeit wereldwijd veel sneller dan de goederenhandel. Bovendien zijn er verschillen tussen landen in de mate van globalisering. De kleine open Nederlandse economieën is relatief meer verbonden met het buitenland, dan de grote economie van de VS.
13.
Welke activiteiten ontwikkelt de regering om de Nederlandse defensie-industrie9 te steunen? Ziet zij mogelijkheden dit te intensiveren? Ziet zij ook extra mogelijkheden om de defensieindustrie van bondgenoten en bevriende landen te steunen en zo ja, van welke landen?
Antwoord
De huidige internationale economische en geopolitieke situatie vraagt om een actievere rol van de overheid met name op industriebeleid. De regering zet stevig in op de versterking van de Nederlandse en Europese defensie-industrie. De Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie biedt daarbij houvast.10 Daarbij intensiveert het kabinet de inspanningen: in het coalitieakkoord stelt het kabinet ambitieuze doelen voor meer verwerving van defensiematerieel in Nederland en Europa en wordt ingezet op de oprichting van een defensie innovatie-autoriteit. Voor een sterke industrie is een sterk innoverend vermogen noodzakelijk. In oktober 2025 is een nieuwe koers in het industriebeleid gepresenteerd waarin de regering inzet op, onder andere, de verdere versterking van de defensie-industrie.11 Op de focusmarkten van het nieuwe beleid ontwikkelt het kabinet samen met het bedrijfsleven programma’s met concrete doelen en acties. Tot slot werkt het kabinet, in lijn met de motie-Van Lanschot12, aan een doorontwikkeling van de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie. Nederland werkt bij dit alles nauw samen met Europese partners en bondgenoten.
14.
Hoe draagt de regering nu al bij aan de Nationale Grondstoffenstrategie? Welke mogelijkheden ziet zij om dit te intensiveren?
Antwoord
De nationale grondstoffenstrategie kent vijf pijlers: 1) Circulariteit en Innovatie, 2) Duurzame Europese mijnbouw en raffinage, 3) Diversificatie, 4) Verduurzaming van internationale ketens, 5) Kennisopbouw en monitoring. De Minister van BHOS heeft het voortouw bij pijler 3 en 4. Om diversificatie te bevorderen heeft Nederland onder andere vier bilaterale partnerschappen afgesloten (met Zuid-Korea, Vietnam en Quebec). In deze partnerschappen zijn afspraken gemaakt over onder meer samenwerking op het gebied van integratie van waardeketens, investeringen, kennis en innovatie en capaciteitsopbouw. Voor de verduurzaming van internationale ketens worden onder andere met ODA-middelen multilaterale en multistakeholder programma’s en initiatieven gefinancierd die bijdragen aan beter bestuur, transparantie en traceerbaarheid, artisanale en kleinschalige mijnbouw, lokale waardetoevoeging en IMVO. De Minister van Economische Zaken heeft de Tweede Kamer toegezegd om deze zomer een brief over het grondstoffenbeleid te sturen. Daarin wordt de Kamer nader geïnformeerd over de stand van zaken en de kabinetsinzet.
15.
Aan welke internationale klimaatfondsen draagt de regering bij? Om hoeveel geld gaat dit jaarlijks in totaal? Is dit geheel gebaseerd op verdragsverplichtingen? Welke verdragen heeft Nederland hiervoor ondertekend? Wat is het geschatte effect van deze financiële bijdragen, in graden minder wereldwijde temperatuurstijging tot 2100?
Antwoord
De grootste internationale klimaatfondsen zijn het Green Climate Fund (GCF) en de Global Environment Facility (GEF). Deze fondsen fungeren als financieel mechanisme onder een aantal door Nederland ondertekende verdragen. Het GCF is opgericht onder het Klimaatverdrag (United Nations Framework Convention on Climate Change, UNFCCC) en de GEF ondersteunt verschillende verdragen waaronder, naast het Klimaatverdrag, ook bijvoorbeeld het Biodiversiteitsverdrag (Convention on Biological Diversity, CBD) en het verdrag voor de aanpak van bedreigingen door chemicaliën (Stockholm Convention on Persistent Organic Pollutants). In totaal draagt Nederland jaarlijks gemiddeld EUR 61 miljoen bij aan deze fondsen. Het is niet mogelijk de impact van deze bijdrage direct uit te drukken in een wereldwijde temperatuurdaling, omdat dergelijke directe attributie niet mogelijk is op fondsniveau. Daarbij geldt bovendien dat deze fondsen zich niet enkel op mitigatie richten, maar bijvoorbeeld ook op adaptatie, en een beperkt deel van de totale wereldwijde klimaatfinanciering uitmaken.
16.
Hoe groot is het effect op de volksgezondheid in Nederland zelf van de inspanningen van de regering voor het versterken van nationale gezondheidssystemen in andere landen en de «sterke mondiale gezondheidsarchitectuur», zoals van inspanningen ter voorkoming van infectieziekten in Nederland?
Antwoord
Het exacte effect op de volksgezondheid in Nederland is niet te kwantificeren. Duidelijk is dat ziektes niet stoppen aan de grens. Daarom helpen landen elkaar om ziekte uitbraken tegen te gaan. Dat is in het belang van Nederland want infectieziekten hebben impact op de volksgezondheid, welvaart en veiligheid. Dat hebben we gezien tijdens de corona pandemie.
Nederland steunt de centrale rol van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in het tegengaan van infectieziekten. Het belang van deze rol kwam duidelijk naar voren bij onder meer COVID-19, mpox en ebola. Dankzij samenwerking tussen landen en de WHO was een gecoördineerde internationale respons mogelijk. Daarnaast investeert Nederland onder de Mondiale Gezondheidsstrategie in goede lokale gezondheidszorg; klinieken zijn de eerste plek om uitbraken te identificeren en mitigeren.
17.
Wat is de «mandaatstroomlijning» bij de Verenigde Naties waar op pagina 15 in de memorie van toelichting over wordt geschreven? Is daarbij voor Nederland sprake van verlies aan soevereiniteit, deelname in besluitvorming of beslissingsbevoegdheid?
Antwoord
De mandaatstroomlijning betreft nieuwe proces- en procedureafspraken van alle VN-lidstaten over de manier waarop VN-mandaten tot stand komen, hoe deze worden verlengd en wanneer deze worden beëindigd. Deze afspraken zijn op 31 maart jl. aangenomen. Het doel is zowel een kostenbesparing als een grotere effectiviteit van de VN in de uitvoering. De mandaatstroomlijning verandert niets aan de soevereiniteit, deelname in besluitvorming en beslissingsbevoegdheden van lidstaten.
18.
In veel landen in de wereld worden christenen – en andere religieuze minderheidsgroepen – vervolgd, ook door de lokale overheden. Wat doet de regering hiertegen? Ziet zij mogelijkheden haar activiteiten hiertegen uit te breiden?
Antwoord
Zoals uiteengezet in de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart jl. zet de regering zich actief in tegen vervolging van christenen en andere religieuze minderheden. Nederland agendeert dit structureel in gesprekken met zowel nationale als lokale overheden, evenals in EU- en VN-verband. Ook ondersteunt Nederland maatschappelijke organisaties in landen waar vrijheid van religie onder druk staat, onder meer via het Mensenrechtenfonds en het FOCUS-programma, waarvoor in 2026–2.031 EUR 35 miljoen is gereserveerd voor de bescherming van religieuze minderheden. In het debat over christenvervolging is aanvullend aangegeven dat het kabinet, conform de motie-Ceder c.s., de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging als zelfstandige en volwaardige functie zal behouden en versterken. Ook wordt de ondersteuning van het kantoor van de VN Speciaal Rapporteur voor Vrijheid van Religie geïntensiveerd, onder meer door plaatsing van een door Nederland gefinancierde Junior Professional Officer (JPO). Daarnaast wordt verkend hoe de nieuwe EU-gezant voor Vrijheid van Religie praktisch kan worden ondersteund.
19.
Hoe draagt de regering met haar uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking bij aan de brain drain in ontwikkelingslanden? Hoe probeert zij dit effect te verminderen? In welke interne regelgeving of toetsen is dit als doelstelling opgenomen? Ziet de regering mogelijkheden brain drain verder te beperken?
Antwoord
Zoals aangekondigd in de beleidsbrief wil de regering inzetten op beroepsgericht onderwijs, inclusief beurzen. Deze inzet is gericht op lokale en regionale capaciteitsopbouw en betere arbeidsmarktperspectieven, waarbij ongewenste effecten zoals brain drain zoveel mogelijk worden beperkt.
20.
Voor hoeveel buitenlandse personen bekostigt de regering nu jaarlijks een voltijdstudie in het hoger onderwijs in Nederland? Hoe groot schat zij de toegevoegde waarde hiervan voor de Nederlandse economie en andere delen van de Nederlandse samenleving?
Antwoord
Vanuit ODA financiert de regering momenteel geen beursprogramma’s voor voltijdstudies in het hoger onderwijs in Nederland, met uitzondering van een beperkte samenwerking met Indonesië. Nederland stelt hiervoor EUR 600.000 beschikbaar, waarbij Indonesië eenzelfde bedrag inlegt. Dit betreft naar verwachting circa 15 tot 20 MSc-studenten van de Indonesische nationaliteit in de komende twee jaar. Zij volgen masteropleidingen in landbouw en water en kunnen na terugkeer bijdragen aan lokale kennisopbouw en bilaterale samenwerking; indien zij na afstuderen in Nederland werken, dragen zij ook bij aan de Nederlandse economie. In de beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 (Kamerstuk 36 800 V-103) is reeds aangekondigd dat de regering in de komende periode wil inzetten op beroepsgericht onderwijs, inclusief beurzen.
21.
Welk deel van de ontwikkelingssamenwerkingsgelden worden volgens de regering naar schatting door het ministerie, NGO’s of andere organisaties in Nederland besteed? Ziet de regering mogelijkheden om dit terug te dringen?
Antwoord
De ontwikkelingssamenwerkingsgelden komen ten goede aan ontwikkelingslanden, ook als die via Nederlandse organisaties worden uitgegeven. Er wordt niet bijgehouden welk aandeel door NGO’s of andere organisaties in Nederland besteed wordt. De kosten voor de eerstejaarsopvang in Nederland van asielzoekers uit ontwikkelingslanden worden conform afspraken in OESO-DAC verband uit het ODA-budget gefinancierd. In lijn met het coalitieakkoord is de toerekening van de kosten voor eerstejaars asielopvang aan ODA vanaf 2027 gemaximeerd op 10% van het ODA-budget.
Daarnaast wordt, ook conform afspraken in OESO-DAC verband, een deel van de apparaatsuitgaven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (incl. het postennet) uit het ODA-budget betaald.
Onderstaande tabel laat zien welk deel van het Rijksbrede ODA-budget geraamd is voor uitgaven aan eerstejaars asielopvang en welk deel van het apparaatsbudget van Buitenlandse Zaken (incl. postennet) uit het ODA-budget wordt betaald. Hiervan betreft ca. twee derde deel apparaatsuitgaven via het postennet. De bedragen zijn gebaseerd op de budgetten bij de Voorjaarsnota 2026.
|
in EUR mln. |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
2030 |
2031 |
|---|---|---|---|---|---|---|
|
ODA-budget (stand Voorjaarsnota 2026) |
6.082 |
6.050 |
6.454 |
6.894 |
6.650 |
6.521 |
|
w.v. Asieltoerekening (stand Voorjaarsnota 2026) |
1.011 |
620 |
648 |
692 |
668 |
655 |
|
Percentage eerstejaars asieluitgaven van ODA-budget |
17% |
10% |
10% |
10% |
10% |
10% |
|
w.v. Apparaatsuitgaven (stand Voorjaarsnota 2026) |
389 |
356 |
349 |
339 |
335 |
335 |
|
Percentage apparaatsuitgaven van ODA-budget |
6% |
6% |
5% |
5% |
5% |
5% |
22.
Hoeveel fraude met Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsgelden wordt jaarlijks geconstateerd? Wat kan de regering (nog extra) doen om deze fraude te beperken?
Antwoord
De afgelopen jaren (periode 2020–2024) is gemiddeld EUR 1,2 miljoen per jaar aan fraude met Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsgelden geconstateerd. Een belangrijke nuance is dat dit bedrag bewezen fraude betreft en niet de daadwerkelijke financiële schade voor het ministerie.
Schadebedragen als gevolg van bewezen fraude kunnen – in principe – niet bij het ministerie in rekening gebracht worden en dienen zodoende verhaald of gedekt te worden door de betrokken contract- en/of uitvoeringspartner(s).
Een deel van de door het ministerie gefinancierde activiteiten vindt plaats in fragiele en volatiele regio’s en omstandigheden, waar het risico op externe fraude per definitie groter is.
Daarom zet het ministerie zich permanent in op de toepassing en doorontwikkeling van risicomanagement om de kans op succesvolle en efficiënte projectimplementatie te vergroten, de kans op onregelmatigheden en afwijkingen te verkleinen en risico’s zoveel mogelijk te beheersen. Zo wordt o.a. een organisational risk and integrity assessment (ORIA) uitgevoerd voor contracten vanaf een bedrag van EUR 1,5 miljoen, en een risicoparagraaf opgesteld voor alle nieuwe activiteiten.
In de risicoparagraaf worden risico’s op context-, programma- en organisatieniveau geïnventariseerd en geanalyseerd, alsmede mitigerende maatregelen geformuleerd om de kans en impact van deze risico’s te minimaliseren of ze bewust te accepteren.
In het geval van een bewezen externe fraudezaak kan het ministerie besluiten de betreffende organisatie uit te sluiten van vervolgfinanciering. Ook wordt toegezien op implementatie van geleerde lessen en verbeterde controle- en monitoringsmechanismen om de kans op herhaling te minimaliseren. Daarnaast worden waar nodig de procedures en monitoring van het ministerie aangescherpt op basis van geleerde lessen.
Een mogelijke aanvullende maatregel is het versterken van capaciteitsopbouw bij uitvoerende organisaties. Sommige, met name kleinere lokale uitvoerende organisaties (gecontracteerd door Buitenlandse Zaken dan wel door onze contractpartners), beschikken in veel gevallen over onvoldoende kennis van gedegen administratie en verantwoording van ontvangen gelden en adequate checks and balances bij de besteding daarvan. Gericht investeren in trainingen en informatieverstrekking aan medewerkers, zodat aan de voorkant al maatregelen genomen kunnen worden, om fraude tijdens de uitvoering van activiteiten te voorkomen.
23.
Zijn er personen binnen het verantwoordelijkheidsgebied van het ministerie die meer salaris (en emolumenten) ontvangen dan de normen in de Wet normering topinkomens? Zo ja: welke en hoeveel ontvangen zij? Wat doet de regering om dit aantal en de salarissen terug te brengen?
Antwoord
Uit de Jaarrapportage van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Kamerstuk 2025–0000677956) blijkt dat er geen instellingen zijn die onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Zaken vallen die niet voldoen aan de normen in de Wet normering topinkomens.
24.
Welke adviesraden ontvangen financiële bijdragen van de regering? Welk bedrag is daar in 2026 in totaal mee gemoeid? Hoe neemt deze financiering de komende jaren af, en in welk jaar stabiliseert zij, op welk niveau?
Antwoord
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft verschillende manieren om in haar inzicht- en kennisbehoeften te voldoen. Naast de evaluaties door IOB en de directies zelf, wordt er regelmatig samengewerkt met externe kennisinstellingen om beleidsonderzoek uit laten voeren. Er zijn twee specifiek aan het ministerie gekoppelde adviesraden, te weten de Adviesraad Internationale Vraagstukken en de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV). De Eerste en Tweede Kamer worden separaat ingelicht over de (meerjarige) werkprogramma’s van deze adviesraden. Deze adviesraden worden niet gefinancierd vanuit de BHO-begroting, maar vanuit de Buitenlandse Zaken begroting. Voor de AIV gaat het in 2026 om een bedrag van EUR 586.000 (artikel 4.4). Vanaf 2028 stabiliseert deze bijdrage op EUR 575.000 per jaar. De CAVV wordt gefinancierd vanuit het apparaatsbudget van de Buitenlandse Zaken begroting (artikel 7). In 2026 gaat het om ca. EUR 38.000. Vanuit de BHO-begroting ontvangt de Sociaal Economische Raad (SER) een bijdrage voor de uitvoering de subsidiebeschikking voor de IMVO-sectorovereenkomsten. Vanaf 2024 tot en met 2030 ontvangt de SER hiervoor in totaal ca. EUR 6,4 miljoen.
25.
De Staat heeft een aantal staatsaandelen en beleidsdeelnemingen op het terrein van ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse handel, inclusief verschillende internationale ontwikkelingsbanken. Wat is de totale waarde van deze bezittingen, inclusief ingebracht kapitaal? Wat is de jaarlijkse bijdrage van deze bezittingen aan de Nederlandse economie? Welk deel hiervan is op het terrein ontwikkelingssamenwerking, welk op het terrein van buitenlandse handel? Welke mogelijkheden ziet de regering om hun bijdragen aan de Nederlandse economie te verhogen? Welke criteria hanteert de regering om te bepalen of het waard is deze bezittingen te continueren? Welke aandelen en deelnemingen wil de regering in 2026 en 2027 evalueren? Is zij bereid de uitkomsten ook met de Eerste Kamer te delen?
Antwoord
Op de BHO-begroting 2026 staan Nederlandse aandelen en garanties bij enkele regionale ontwikkelingsbanken: de African Development Bank, de Asian Development Bank en de Inter-American Development Bank. Het aandeelhouderschap bestaat uit een combinatie van ingelegd kapitaal (paid-in capital) en oproepbaar kapitaal (callable capital). In het overzicht risicoregelingen in de begroting wordt per ontwikkelingsbank gerapporteerd over de totale waarde van dit kapitaal. Deze regionale ontwikkelingsbanken zijn geen staatsdeelnemingen of beleidsdeelnemingen en vallen daarmee niet onder het deelnemingenbeleid van het Rijk. Het betreft internationale organisaties met een verdragsbasis, opgericht door lidstaten en met lidstaten als aandeelhouders. Zoals aangekondigd in het BHOS Jaarverslag 2025 (Kamerstuk 36 945 XVII, nr. 1) is de ontmanteling van de beleidsdeelneming INSTEX in februari 2026 financieel afgerond en valt daarmee niet langer onder de beleidsverantwoordelijkheid van BHOS.
De jaarlijkse bijdrage aan de Nederlandse economie is niet direct vast te stellen, zoals bij deelnemingen via dividend of winstafdracht. De doelstellingen van de financiering via ontwikkelingsbanken zijn onder meer de versterking van internationale financiële stabiliteit, duurzame groei in partnerlanden en een stabieler internationaal economisch speelveld. Tegelijk kunnen deze banken indirect concrete voordelen voor de Nederlandse economie bieden. Regionale banken financieren grote infrastructuur-, energie-, water- landbouw- en digitaliseringsprojecten. Deze worden vaak via internationale aanbestedingen uitgevoerd en bieden op deze manier kansen voor Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven. Nederland benut die kansen actief, onder meer via ons ambassadenetwerk en een gespecialiseerd team bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) dat bedrijven ondersteunt. Daarnaast leidt stabiliteit en groei in landen waar de regionale banken actief zijn, ook tot meer kansen voor handel met Nederlandse ondernemers.
De beoordeling van de Nederlandse inzet verloopt niet via het deelnemingenkader, maar via de reguliere begrotings- en evaluatiesystematiek. Voor artikel 5.1 wordt gekeken naar relevantie, doeltreffendheid, doelmatigheid, coherentie en duurzaamheid van de Nederlandse multilaterale inzet. In 2025 is voor artikel 5.1 Multilaterale samenwerking een Periodieke Rapportage uitgevoerd en met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstuk 34 124, nr. 34). De hoofdconclusie van het rapport is dat de inzet op multilaterale samenwerking overwegend doeltreffend was en aannemelijk bijdroeg aan het behalen van de meeste BHOS-doelstellingen. Waaronder het versterken van de wereldeconomie. Omdat er in 2025 is geëvalueerd is er in 2026 en 2027 geen nieuwe evaluatie voorzien.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
26.
De leden van de D66-fractie vragen de regering wat de gevolgen zouden zijn voor de noodhulp in Gaza, Libanon, Sudan, en Congo, indien deze begroting wordt verworpen. Welke maatschappelijke organisaties in binnen- en buitenland worden dan het hardst geraakt? Wat zijn de gevolgen voor organisaties die zich bezighouden met pleitbezorging en beïnvloeding in Nederland, die met het aangenomen amendement-Kröger c.s.13 weer subsidie kunnen krijgen van het ministerie? En voor de inzet op vrouwen, vrede en veiligheid, en de rechten van minderheden, conform het aangenomen amendement-Van Ark c.s.14? Zijn er nog meer lopende programma’s of voorgenomen intensiveringen die geen doorgang kunnen vinden als deze begroting niet wordt aangenomen?
Antwoord
Financiering voor humanitaire hulp staat wereldwijd onder druk. Schaarser wordende middelen moeten over steeds meer mensen worden verdeeld, en het lukt hulporganisaties dan ook niet om op alle humanitaire noden te reageren. Het niet aannemen van deze ontwerpbegroting, zou ertoe leiden dat hulporganisaties minder mensen kunnen helpen in verschillende crises, waaronder ook Gaza, Libanon, Soedan en DRC. Ook zou het niet aannemen van deze begroting verstrekkende gevolgen hebben voor maatschappelijke organisaties die financiering kunnen ontvangen uit het beleidskader Focus (2026–2030) en uit de middelen voor pleitbezorging en beïnvloeding in Nederland die conform amendement-Van Ark c.s. en Kröger c.s. beschikbaar zijn. De bijdragen aan de humanitaire landenfondsen van de VN (in totaal EUR 78 miljoen in 2026), de nog toe te kennen Focus-instrumenten en de nog te ontwikkelen programma’s op goed bestuur en op pleitbezorging in Nederland kunnen zonder goedkeuring van de BHO-begroting 2026 niet van start gaan. Voor maatschappelijk middenveld gaat het om een totaalbedrag van EUR 600 miljoen, waarvan EUR 120 miljoen geraamd staat voor 2026.
27.
In het coalitieakkoord lezen de leden van de D66-fractie «We investeren in ontwikkelingssamenwerking en zetten daarmee een stap richting de internationale OESO-norm. We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs, vrouwenrechten en we dragen bij aan de mondiale gezondheidsstrategie en voedselzekerheid.» In de budgettaire bijlage lezen deze leden «Voor ontwikkelingssamenwerking wordt vanaf 2027 structureel 257 miljoen euro extra beschikbaar gesteld. Deze extra middelen zijn bedoeld voor humanitaire hulp, klimaat, onderwijs, vrouwenrechten en het verstevigen van het maatschappelijk middenveld.» De leden van de D66fractie steunen de voorgenomen investeringen in ontwikkelingssamenwerking na een periode van harde bezuinigingen in een tijd waarin de roep om internationale samenwerking luid klinkt. In de Voorjaarsnota 2026 staat de intensivering van ontwikkelingssamenwerking van structureel 257 miljoen euro vanaf 2027 op de Aanvullende Post, omdat de maatregelen nog moeten worden uitgewerkt. Waarom heeft de regering ervoor gekozen pas vanaf 2027 structureel 257 miljoen euro te investeren in ontwikkelingssamenwerking op bovenstaande thema’s, terwijl beargumenteerd kan worden dat de toegenomen onveiligheid in de wereld nu ook vraagt om meer investeringen in de grondoorzaken van die onveiligheid? Kan de regering schetsen wanneer de besteding van deze middelen wordt uitgewerkt en wanneer het parlement over de besteding wordt geïnformeerd?
Antwoord
Voor 2026 is bij Voorjaarsnota 2026 incidenteel EUR 107,5 miljoen beschikbaar gemaakt voor ODA-programma’s binnen de BHO-begroting vanuit de ruimte die ontstond vanwege de bijgestelde ramingen voor de eerstejaars asielopvang. Deze middelen worden ingezet voor prioritaire thema’s uit het coalitieakkoord. Zie ook tabel 2 van de 1e suppletoire begroting BHO 2026 (Kamerstuk 36 915 XVII, nr. 2, p. 4).
De in het coalitieakkoord opgenomen middelen, waaronder de structurele intensivering van EUR 257 miljoen voor ontwikkelingssamenwerking vanaf 2027, worden conform de gebruikelijke systematiek in eerste instantie geraamd op de Aanvullende Post bij het Ministerie van Financiën. Zie ook bijlage 10 van de Voorjaarsnota (Kamerstuk 36 915, nr. A, p. 281). Na besluitvorming zullen de middelen worden overgeheveld naar de BHO-begroting. Bij een volgend begrotingsmoment wordt het parlement hier verder over geïnformeerd.
28.
In de doorrekening van het coalitieakkoord door het CPB lezen de leden van de D66-fractie dat er een intensivering van 0,3 miljard euro in ontwikkelingssamenwerking plaatsvindt, maar ook een ombuiging van 0,3 miljard euro op het budget voor ontwikkelingssamenwerking (ODA) doordat een deel van de additionele uitgaven aan asiel worden gefinancierd vanuit het ODA-budget.15 Kan de regering reflecteren op het gecombineerde effect van deze intensivering en ombuiging en de gevolgen voor de uitgaven aan humanitaire hulp, klimaat, onderwijs, vrouwenrechten en het verstevigen van het maatschappelijk middenveld?
Antwoord
Conform de OESO-richtlijnen mag een deel van de eerstejaars asielopvang in Nederland toegerekend worden aan ODA (Official Development Assistance). Deze uitgaven blijven binnen het ODA-budget. De ombuiging van EUR 0,3 miljard is dus geen verlaging van het ODA-budget, maar een herverdeling binnen ODA. Deze herverdeling betekent wel minder ruimte op de BHO-begroting. Daarom zijn vanaf 2027 de uitgaven aan asielopvang uit ODA gemaximeerd op 10% van het Rijksbrede ODA-budget. Voor de Startnota waren de asielramingen niet meerjarig verwerkt, dat is bij het Coalitieakkoord wel gebeurd. Omdat deze verhoging van de asielraming reeds verwacht werd, was er een reservering op het bufferartikel 5.4 van de BHO-begroting gemaakt voor het verhogen van de asielraming tot 10% van het ODA-budget. Deze reservering is ingezet ter dekking van de ombuiging van EUR 0,3 miljard. Dat betekent dat de intensivering ontwikkelingssamenwerking uit het coalitieakkoord beschikbaar is voor inzet op BHOS-programma’s.
29.
In de budgettaire bijlage bij het coalitieakkoord lezen de leden van D66 ook «De non-militaire steun aan Oekraïne wordt in de jaren 2027 tot en met 2029 voorgezet met jaarlijks 419 miljoen euro. De aanvullende middelen voor non-militaire steun aan Oekraïne in 2027 worden voor 419 miljoen euro ten laste gebracht van de BHO-begroting.» Waaruit bestaat de non-militaire steun aan Oekraïne? Kan de regering de keuze motiveren om deze steun te financieren uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking in plaats van uit additionele middelen? Wat zijn de gevolgen voor de uitgaven aan andere doelen en landen voor ontwikkelingssamenwerking?
Antwoord
De niet-militaire steun aan Oekraïne bestaat onder meer uit acute energiesteun n.a.v. Russische aanvallen, humanitaire hulp en andere Nederlandse bijdragen aan herstel en wederopbouw in Oekraïne. Deze steun loopt bijvoorbeeld via internationale organisaties zoals de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD), de Wereldbank en de Verenigde Naties, en ook in samenwerking met het Nederlandse bedrijfsleven.
In het coalitieakkoord heeft het kabinet afspraken gemaakt over de meerjarige steun aan Oekraïne. Nederland blijft Oekraïne onverminderd steunen. Deze afspraken zijn verwerkt in de Voorjaarsnota 2026 en de bijbehorende 1e suppletoire begroting 2026 van BHO. De betreffende beleidskeuzes zijn daarmee dus nog niet verwerkt in de begrotingsstaat die nu voorligt.
In 2027 wordt eenmalig EUR 419 miljoen in mindering gebracht op de BHO-begroting. Dit is bij de 1e suppletoire begroting 2026 verwerkt op het verdeelartikel 5.4. Daarmee wordt niet bezuinigd op lopende OS-projecten. De ontwikkeling van verdeelartikel 5.4 is zichtbaar op pagina 33 van de 1e suppletoire begroting BHO 2026 (Kamerstuk 36 915 XVII, nr. 2). In het Coalitieakkoord is meerjarig budget beschikbaar voor de niet-militaire steun aan Oekraïne. Per saldo daalt de ODA-prestatie in 2027 en stijgt de ODA-prestatie in 2028 en 2029.
30.
In het coalitieakkoord schrijft de regering dat zij opkomt voor mensenrechten, de bescherming van vrouwen en minderheden, en de LHBTI+-gemeenschap, en investeert in vrouwenrechten en seksuele gezondheid en reproductieve rechten. Vanaf 2022 voerde Nederland een feministisch buitenlandbeleid om de rechten en representatie van vrouwen, meisjes en minderheden te beschermen en te bevorderen, en daar ook middelen voor vrij te maken. Het vorige kabinet schafte het feministisch buitenlandbeleid af en bracht het budget voor vrouwenrechten terug naar 0 euro. Hoe gaat deze regering weer een coherent en ambitieus buitenlandbeleid voeren om de rechten van vrouwen, meisjes en minderheden te beschermen en hun toegang tot zorg, werk, onderwijs, politiek en bestuur wereldwijd te bevorderen?
Antwoord
Mensenrechten, de positie van vrouwen en minderheden, jongeren, en LHBTI-personen vormen onderdeel van onze agenda in het buitenland. Conform deze ambitie is het kabinet voornemens om te investeren in vrouwenrechten en zal bij het opstellen van de BHOS begroting 2027 bezien wat de mogelijkheden zijn tot herstel van artikel 3.2. In afwachting daarvan heeft het kabinet in de Voorjaarsnota extra fondsen in zowel 2026 als 2027 beschikbaar gemaakt voor de inzet op vrouwenrechten en gendergelijkheid (EUR 5 mln. per jaar).
Het Nederlandse beleid op vrouwenrechten en gendergelijkheid wordt geïmplementeerd door middel van diplomatieke inzet, gerichte financiering voor vrouwenrechten-organisaties, en het gebruik van een genderlens als integraal onderdeel van het gehele buitenlandbeleid (gender mainstreaming). De inzet van het kabinet is om in gezamenlijkheid met andere landen, bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR, vrouwenrechten en gendergelijkheid te beschermen. Het kabinet is bereid hier een leidende rol in te spelen. Naast het lopende subsidietraject FemFocus voor de ondersteuning organisaties die zich inzetten voor vrouwelijk ondernemerschap, vrouwen, vrede, veiligheid, en het bestrijden van geweld tegen vrouwen, zal Nederland, samen met enkele filantropische organisaties, bijdragen aan een nieuw «pooled fund» van Leading from the South (een wereldwijd vrouwenfonds dat lokale grassroots vrouwenrechtenorganisaties ondersteunt) voortzetten. Ook kondigde de Minister van BHOS tijdens zijn bezoek aan New York in maart jl. aan voornemens te zijn dit jaar het VN Trust Fund to End Violence against Women eenmalig met EUR 2 mln. te financieren (onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting 2026). Tot slot wordt voor wat betreft gender mainstreaming in kaart gebracht hoe de kwaliteit van genderintegratie in het Buitenlandse Zaken beleid verbeterd kan worden, bijvoorbeeld door betere toegang tot interne expertise en gereedschap.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
UNRWA
31.
De regering geeft aan dat de bijdrage aan UNRWA wordt gedekt door budgetten te schuiven naar UNRWA binnen beleidsartikel 4.1.18 De leden van de SP-fractie vragen de regering of zij kan specificeren welk effect dit op andere posten heeft.
Antwoord
In de voorliggende begrotingsstaat wordt de bijdrage aan UNRWA stapsgewijs afgebouwd naar EUR 1 miljoen in 2030. Het kabinet ziet echter dat UNRWA essentiële humanitaire hulp en basisdiensten levert. Hiermee levert het een cruciale bijdrage aan de stabiliteit in de regio. Zoals aangekondigd in de Kamerbrieven van 30 en 31 maart jl. over de steun aan UNRWA is het kabinet voornemens om – conform het coalitieakkoord – de samenwerking met UNRWA te herstellen. De verwerking hiervan wordt zoals aangekondigd middels de suppletoire begroting september voorgelegd aan het parlement. Het kabinet blijft, in lijn met het amendement Stoffer/Eerdmans, bijdragen aan diversificatie van noodhulp in Gaza door ook andere VN organisaties en de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging te blijven steunen en hen in staat te stellen hun werk in Gaza voort te zetten.
De voorgenomen wijziging wordt voor het lopende begrotingsjaar verwerkt in de suppletoire begroting september en wordt dan aan uw Kamer voorgelegd ter behandeling.
32.
Wat zijn de inhoudelijke gevolgen van deze herschikking voor andere humanitaire crises en lopende programma’s?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 31.
OESO-norm
33.
De regering heeft in haar coalitieakkoord aangegeven te willen investeren in ontwikkelingssamenwerking en een stap richting de OESO-norm te zetten. Volgens onder andere World Vision laten de cijfers echter zien dat ten opzichte van het beleid van de vorige regering het budget voor internationale ontwikkelingssamenwerking in 2027, 2028 en 2030 niet stijgt maar juist verder daalt.16 Klopt deze berichtgeving, en zo nee, wat zijn dat de juiste cijfers? En als deze cijfers wel kloppen, en het genoemde budget inderdaad daalt hoe verhoudt deze verwachte daling van het budget zich dan tot de ambitie van de regering om juist weer te investeren in ontwikkelingssamenwerking?
Antwoord
Het Rijksbrede ODA-budget is breder dan de BHO-begroting. Onderstaande tabel laat de ontwikkeling van het ODA-budget zien:
|
In EUR mln. |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
2030 |
|---|---|---|---|---|---|
|
ODA-budget (stand MJN ’26) |
6.746 |
6.118 |
5.784 |
6.123 |
6.343 |
|
ODA-budget (stand VJN ’26) |
6.082 |
6.050 |
6.454 |
6.894 |
6.650 |
|
Verschil |
– 665 |
– 68 |
670 |
771 |
307 |
De daling van het budget in 2026 wordt met name veroorzaakt door een kasschuif van vrijgekomen middelen door een lagere ODA asieltoerekening naar latere jaren voor BHOS-programmering (zie Eerste suppletoire begroting BHO 2026, kamerstuk 36 915 XVII, nr. 2, pagina 40). Vanaf 2028 zijn er per saldo meer middelen beschikbaar voor ODA, conform het Coalitieakkoord. In 2028 en 2029 ligt het verschil hoger vanwege de beschikbare middelen voor niet-militaire steun aan Oekraïne. Zie ook het antwoord op vraag 29.
Het bericht van World Vision verwijst vermoedelijk naar de BHO-begroting. De ontwikkeling daarvan is als volgt:
|
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
2030 |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
BHO MJN ’26 |
3.444 |
3.623 |
3.679 |
3.850 |
3.981 |
|
BHO VJN ’26 |
3.449 |
3.186 |
3.344 |
3.639 |
3.564 |
|
Verschil |
5 |
– 437 |
– 335 |
– 211 |
– 417 |
De daling van de BHO-begroting wordt met name veroorzaakt doordat de ombuigingen uit het Coalitieakkoord op de BHO-begroting zijn verwerkt bij de Voorjaarsnota 2026, terwijl de intensiveringen voor ontwikkelingssamenwerking en voor niet-militaire steun voor Oekraïne nog gereserveerd staan op de Aanvullende Post bij Financiën. Deze middelen zullen na uitwerking toegevoegd worden aan de relevante begrotingen.
NB: De cijfers van bovenstaande reeksen met (stand MJN ’26) komen overeen met de ontwerpbegroting BHO 2026.
NB2: Tot en met 2026 wordt gesproken van de BHO-begroting. Vanaf de ontwerpbegroting 2027 kan de naam van de begrotingsstaat aangepast worden naar BHOS-begroting.
34.
De leden van de SP-fractie vernemen uit berichtgeving dat het ODA-percentage naar verwachting daalt van 0,66% in 2023 naar circa 0,44% in 2030, en met de aangekondigde extra middelen slechts beperkt stijgt naar circa 0,46%.17 Tevens constateren deze leden dat eerdere structurele bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking zwaar doorwerken in deze cijfers en dat van structurele investeringen nauwelijks sprake is. Hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot de ambitie van de regering om een stap richting de OESO-norm te zetten?
Antwoord
Conform het coalitieakkoord investeert het kabinet structureel in ontwikkelingssamenwerking met EUR 257 miljoen per jaar en zet zo een stap richting de internationale OESO-norm. De geraamde ODA-prestatie stijgt van 0,44% naar 0,47% in 2030 (stand Voorjaarsnota 2026). De extra middelen zijn beschikbaar voor de prioriteiten zoals beschreven in het coalitieakkoord.
Het coalitieakkoord is verwerkt in de Voorjaarsnota en de bijbehorende 1e suppletoire begroting BHO 2026 en niet in de ontwerpbegroting 2026.
35.
Acht de regering een stijging van circa 0,44 naar 0,46% in 2030 een betekenisvolle stap richting de 0,7%-norm?
Antwoord
Met de extra middelen van structureel EUR 257 miljoen per jaar investeert het kabinet in prioriteiten zoals humanitaire hulp, klimaat, onderwijs, vrouwenrechten en het verstevigen van het maatschappelijk middenveld. Hierdoor stijgt de geraamde ODA-prestatie van 0,44% naar 0,47% in 2030 (stand Voorjaarsnota 2026). Het kabinet acht dit een betekenisvolle stap in tijden van afnemende ODA-budgetten wereldwijd.
36.
Kan de regering concreet uiteenzetten of er stappen zijn gezet, en zo ja, dan ook aangeven welke stappen er wanneer concreet zullen worden gezet om de norm van 0,7% daadwerkelijk te bereiken?
Antwoord
Het ODA-budget is gekoppeld aan de ontwikkeling van het bni. Bij ongewijzigd beleid blijft de ODA-prestatie hierdoor langjarig stabiel en tendeert niet naar 0,7% van het bni. Door de structurele investering van het kabinet van EUR 257 miljoen in ontwikkelingssamenwerking stijgt de ODA-prestatie bij de Voorjaarsnota 2026 in 2030 naar 0,47% ten opzichte van 0,44% bij de HGIS-nota 2026. Het uitgeven van 0,7% van het bni aan ODA zou betekenen dat het ODA-budget oplopend tot structureel EUR 3,7 miljard zou moeten stijgen op basis van het CEP2026.
Daling mondiale donaties ontwikkelingssamenwerking
37.
Is de regering bekend met recente bevindingen gepubliceerd in het tijdschrift The Lancet, waarin wordt gesteld dat als de ontwikkelingshulp op het huidige niveau blijft – namelijk een daling van mondiale ontwikkelingshulp met circa 10,6% ten opzichte van 2023 – dit kan leiden tot naar schatting 9,4 miljoen vermijdbare sterfgevallen?
Antwoord
Ja.
38.
Hoe beoordeelt de regering deze bevindingen, en in hoeverre worden dergelijke inzichten betrokken bij de vaststelling van de Nederlandse inzet op ontwikkelingssamenwerking?
Antwoord
De gevolgen van de mondiale daling van ODA-budgetten zijn wereldwijd voelbaar. Nederland en de EU kunnen de effecten van de weggevallen financiering niet compenseren. Daarvoor is de financieringsbehoefte te groot. Om die reden kiest Nederland ervoor om middelen daar in te zetten waar dat het meest effectief is, en past binnen het bredere buitenland beleid. Hierdoor kan Nederland ontwikkelingssamenwerking richten op het verlichten van de ernstigste humanitaire noden. Daarnaast heeft Nederlandse kennis en kunde internationaal veel aanzien. Daarom richten we onze ontwikkelingssamenwerking op de thema’s waar we goed in zijn, om zo dat goede imago op bijv. water en voedselzekerheid te behouden. Daardoor blijft Nederland een belangrijke en betrouwbare partner voor landen in het Mondiale Zuiden.
39.
Kan de regering reflecteren op de mogelijke mondiale gevolgen van het feit dat landen, waaronder Nederland, achterblijven bij het realiseren van de 0,7%-norm?
Antwoord
De voorlopige OESO-cijfers over ODA in 2025 laten een daling zien van bijna een kwart ten opzichte van 2024. Ongeveer 95% van deze daling wordt verklaard door bezuinigingen bij de vijf grootste donoren: de Verenigde Staten, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Japan en Frankrijk. Ook bij overige donorlanden, waaronder Nederland, is sprake van een daling van het ODA-budget, zij het in kleinere absolute omvang. DAC-breed leidt dit tot een daling van het ODA-percentage van 0,33% tot 0,26% bni, wat een verdere verwijdering betekent van de internationale streefcijfer van 0,7% bni. Het betreft nadrukkelijk voorlopige cijfers; later dit jaar zullen meer gedetailleerde en definitieve gegevens beschikbaar komen. De richting van de trend is echter al duidelijk en wordt in analyses als zorgelijk bestempeld.
Dit heeft als gevolg dat er wereldwijd minder ODA-middelen beschikbaar zijn voor bijvoorbeeld armoedebestrijding, humanitaire hulp en klimaatfinanciering in ontwikkelingslanden. Met name lage-inkomenslanden en fragiele staten worden hierdoor relatief hard geraakt vanwege hun afhankelijkheid van ODA.
40.
In hoeverre acht de regering het huidige ambitieniveau in lijn met de ernst van de mondiale uitdagingen op het gebied van mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking, mede in het licht van het feit dat belangrijke donorlanden – waaronder de Verenigde Staten – hun inzet op het gebied van ontwikkelingssamenwerking sterk hebben verminderd?22
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 11.
41.
Deelt de regering de opvatting dat juist in een internationale context waarin andere donorlanden hun inzet op ontwikkelingssamenwerking verminderen, van Nederland een grotere inspanning verwacht mag worden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 10 en 11.
De gevolgen van de mondiale daling van ODA-budgetten zijn wereldwijd voelbaar. Nederland en de EU kunnen de effecten van de weggevallen financiering niet compenseren. Daarvoor is de financieringsbehoefte te groot.
In de Kamerbrief van 24 april jl. (een geïntegreerde beleidsbrief voor een optimistisch en realistisch buitenlandbeleid18) streeft het kabinet naar een strategische en geïntegreerde inzet van onze instrumenten die onderdeel zijn van het buitenlandbeleid, om zo onze veiligheid, welvaart en vrijheden te beschermen. Ontwikkelingssamenwerking is een van de instrumenten binnen het buitenlandbeleid om dit te behartigen. En daarom zet dit kabinet juist in op samenwerking met het Zuiden op deze thema’s. Dit vraagt wel om een strategische inzet van ontwikkelingssamenwerking, gericht op het behartigen van wederzijdse belangen van Nederland en partnerlanden. Dit doen we door het verdiepen en opbouwen van bilaterale partnerschappen met middenmachten, of landen die in hun eigen regio richtinggevend zijn. Zo blijft Nederland een belangrijke internationale partner, maar blijven we ook gecommitteerd aan de sociaaleconomische ontwikkeling in het mondiale Zuiden en hulp aan mensen in nood.
42.
De leden van de SP-fractie wijzen op recente signalen van Oxfam Novib dat rijke landen hun uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking terugschroeven, terwijl tegelijkertijd de uitgaven aan defensie en militarisering toenemen.23 Hoe beoordeelt de regering deze ontwikkeling, en in hoeverre acht zij het wenselijk dat middelen voor ontwikkelingssamenwerking onder druk staan in een context van stijgende militaire uitgaven?
Antwoord
Het kabinet hecht groot belang aan nationale en internationale veiligheid en stabiliteit. Om die reden investeert het Kabinet fors in defensie. Investeren in ontwikkelingssamenwerking staat daarmee niet op gespannen voet, maar vormt juist een waardevolle aanvulling, uiteraard met behoud van de eigen doelstellingen van ODA.
Opvang asielzoekers
43.
Kan de regering per jaar inzichtelijk maken welk bedrag en welk percentage van het ODA-budget sinds 2020 is besteed aan de eerstejaarsopvang van asielzoekers in Nederland?
Antwoord
Onderstaande tabel geeft weer welke bedragen sinds 2020 vanuit het Rijksbrede ODA-budget besteed zijn aan de eerstejaarsopvang van asielzoekers. Voor 2025 gaat het om een raming van het ODA-budget op basis van de Najaarsnota 2025. In het HGIS Jaarverslag 2025 zal worden gerapporteerd over de ODA-uitgaven in 2025.
|
in EUR mln. |
2020 |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
|---|---|---|---|---|---|---|
|
ODA-budget |
4.743 |
4.497 |
6.214 |
6.892 |
7.020 |
6.858 |
|
Asieltoerekening |
493 |
345 |
899 |
1.199 |
1.278 |
939 |
|
Percentage van ODA-budget |
10% |
8% |
14% |
17% |
18% |
14% |
44.
Hoe verhouden deze bedragen en percentages zich tot de oorspronkelijke doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking, namelijk armoedebestrijding en ontwikkeling in lage inkomenslanden?
Antwoord
Conform het coalitieakkoord is de toerekening van de uitgaven aan eerstejaars opvang van asielzoekers vanaf 2027 gemaximeerd op 10% van het ODA-budget. Hierdoor is er vanaf 2027 meer ruimte voor ODA-programma’s die bijdragen aan armoedebestrijding en ontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden.
45.
Wat gaat de regering precies doen voor onder andere jongeren, de versterking van vrouwenrechten en onderwijs, nu blijkt dat de 257 miljoen euro extra per jaar die de regering wil investeren terechtkomt bij de opvang van asielzoekers?19
46.
Hoe worden deze prioriteiten gewaarborgd binnen de begroting, en welke plannen heeft de regering om deze doelen toch te realiseren?
Antwoord 45 en 46
Met de extra middelen van structureel EUR 257 miljoen per jaar investeert het kabinet in prioriteiten zoals humanitaire hulp, klimaat, onderwijs, vrouwenrechten en het verstevigen van het maatschappelijk middenveld. De precieze invulling van deze financiële middelen wordt uitgewerkt in de begroting voor 2027.
Daarnaast heeft het kabinet in de Voorjaarsnota 2026 aanvullend incidenteel budget vrijgemaakt (EUR 107,5 miljoen in 2026 en EUR 39 miljoen in 2027) voor ODA-programma’s binnen de BHO-begroting vanuit de ruimte die ontstond vanwege de bijgestelde ramingen voor de eerstejaars asielopvang. Deze middelen worden ingezet voor prioritaire thema’s uit het coalitieakkoord, waaronder EUR 5 miljoen in zowel 2026 en 2027 voor de inzet op vrouwenrechten en gendergelijkheid. Zie ook het antwoord op vraag 30 voor de inzet van het kabinet op vrouwenrechten en gender.
47.
Hoe wil de regering zich verhouden tot de moties die in de Eerste Kamer zijn aangenomen, waarin wordt opgeroepen tot het herstel van de koppeling tussen het ontwikkelingsbudget en de 0,7%-norm van de OESO? Kan de regering toelichten in hoeverre en op welke wijze zij uitvoering geeft aan deze moties en waarom deze koppeling in de voorliggende begroting niet hersteld wordt?
Antwoord
De wens van de Eerste Kamer is goed gehoord. Het kabinet actualiseert het ODA-budget op basis van een koppeling aan het bni, investeert in ontwikkelingssamenwerking en zet zo een stap richting de internationale OESO-norm. De motie Huizinga-Heringa (Kamerstuk 36 600 XVII, M) is hiermee uitgevoerd, de moties die vragen om een koppeling aan 0,7% van het bni niet (motie Holterhues in de Eerste Kamer, Kamerstuk 36 725, F; motie Hirsch in de Tweede Kamer, Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 51). Conform het AIV-advies «Een stabiel en voorspelbaar ODA-budget» wordt het ODA-budget slechts 1 keer per jaar bijgewerkt, in het voorjaar op basis van de macro-economische raming van de CEP. Daarom bevat de huidige ontwerpbegroting geen bni-bijstelling.
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
48.
De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de regering de bezuinigingen van het vorige kabinet met 10% wil verzachten. Uit de doorrekening van het CPB en uit de Voorjaarsnota blijkt echter dat deze 257 miljoen euro niet wordt gehaald (deels doordat de civiele steun aan Oekraïne vanuit het ODA-budget betaald wordt). Hoe wil de regering het budget voor ontwikkelingssamenwerking structureel op peil houden?
Antwoord
Conform het coalitieakkoord investeert het kabinet vanaf 2027 structureel EUR 257 miljoen in ontwikkelingssamenwerking. Deze middelen zijn beschikbaar voor de prioriteiten zoals beschreven in het coalitieakkoord. Door deze structurele investering in ontwikkelingssamenwerking stijgt de meerjarige ODA-prestatie naar 0,47% in 2030.
Het kabinet kiest ervoor om het ODA-budget jaarlijks in het voorjaar bij te stellen op basis van de ontwikkeling van het bni. Dit betekent dat 1% groei of krimp van het bni leidt tot 1% groei of krimp van het ODA-budget. Indien er geen intensiveringen of extensiveringen op het ODA-budget plaatsvinden, blijft de ODA-prestatie langjarig stabiel.
49.
Voor de kosten voor de eerstejaarsopvang van asielzoekers hanteert de regering een «asielcap» van 10 procent van het ODA-budget. Echter, doordat de ODA-bezuiniging van ruim 2 miljard euro in 2027 niet wordt teruggedraaid en de asieltoerekening is herberekend,25 komt feitelijk de volledige extra investering van 257 miljoen euro in ontwikkelingssamenwerking in 2030 bij de asieltoerekening terecht. Is de regering zich hiervan bewust?
Antwoord
Conform de OESO-richtlijnen mag een deel van de eerstejaars asielopvang in Nederland toegerekend worden aan ODA (Official Development Assistance). Deze uitgaven blijven binnen het ODA-budget. De ombuiging van EUR 0,3 miljard is dus geen verlaging van het ODA-budget, maar een herverdeling binnen ODA. Deze herverdeling betekent minder ruimte op de BHO-begroting. Daarom zijn vanaf 2027 de uitgaven aan asielopvang uit ODA gemaximeerd op 10% van het Rijksbrede ODA-budget. Voor de Startnota waren de asielramingen niet meerjarig verwerkt, dat is bij het Coalitieakkoord wel gebeurd. Omdat deze verhoging van de asielraming reeds verwacht werd, was er een reservering op het bufferartikel 5.4. van de BHO-begroting gemaakt voor het verhogen van de asielraming tot 10% van het ODA-budget. Deze reservering is ingezet ter dekking van de ombuiging van EUR 0,3 miljard. Dat betekent dat de intensivering ontwikkelingssamenwerking uit het coalitieakkoord beschikbaar is voor inzet op BHOS-programma’s.
50.
Hoe effectief acht de regering die asielcap van 10 procent? Hoe wil zij voorkomen dat extra investeringen in ontwikkelingssamenwerking grotendeels verdampen naar de eerstejaarsopvang van asielzoekers?
Antwoord
Doordat de toerekening van uitgaven aan eerstejaars asielopvang vanaf 2027 gemaximeerd is op 10% van het Rijksbrede ODA-budget, wordt voorkomen dat stijgingen in de asielramingen een groot effect hebben op investeringen in ontwikkelingssamenwerking. Hierdoor blijft meer geld over voor ODA-programma’s, bijvoorbeeld via de BHOS-begroting. De regering acht het daarmee effectief.
51.
Hoe geeft de regering uitvoering aan de motie-Huizinga c.s. die de regering verzoekt de huidige systematiek, waarbij het ODA-budget gekoppeld is aan het BNI, structureel te waarborgen, wanneer de oorspronkelijke formule achter de koppeling (op basis van de OESOnorm) niet is hersteld?
Antwoord
De motie-Huizinga c.s. verzoekt de huidige systematiek, waarbij het ODA-budget gekoppeld is aan het bni, structureel te waarborgen. Het vorige kabinet heeft hier uitvoering aan gegeven door het ODA-budget te koppelen aan de ontwikkeling van het bni en dit jaarlijks bij de Voorjaarsnota toe te passen op basis van de ontwikkeling van het bni tussen de laatste CPB ramingen (CEP). Met de huidige systematiek van de koppeling aan de ontwikkeling van het bni (1% groei of -krimp bni = 1% groei of -krimp ODA-budget) blijft de ODA-prestatie langjarig stabiel, zij het onder 0,7%.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Volt-fractie
52.
Allereerst hebben de leden van de Volt-fractie een aantal vragen over de continuering van de afbouw van de totale begroting voor ontwikkelingssamenwerking. In hoeverre staat deze regering nog achter de beleidsbrief ontwikkelingshulp van de vorige regering? Welke nuances brengt de Minister hierin aan? Welke rechtvaardiging geeft deze regering aan het ingezette pad van de substantiële bezuinigingen?
Antwoord
In het coalitieakkoord heeft dit kabinet een investering in ontwikkelingssamenwerking aangekondigd. Hiermee laat het kabinet zien belang te hechten aan ontwikkelingssamenwerking, in tijden van afnemende ODA-budgetten wereldwijd.
Het kabinet heeft op 24 april jl. een geïntegreerde beleidsbrief voor een optimistisch en realistisch buitenlandbeleid20 naar uw Kamer verzonden. Het kabinet kiest voor een strategische en geïntegreerde inzet van de instrumenten die onderdeel zijn van het buitenlandbeleid, om zo onze veiligheid, welvaart en vrijheden te beschermen. Ontwikkelingssamenwerking is een van deze instrumenten, met daarbij ook een eigen doelstelling in lijn met de definitie voor ODA-middelen van de OESO-DAC.
53.
Niet alleen de hoogte van de begroting maak ook de keuzes daarin leiden tot een vermindering van de rol van maatschappelijke organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Wil ook deze regering de rol van deze organisaties blijvend terugdringen?
Antwoord
Nee. Een sterk maatschappelijk middenveld is fundamenteel voor effectieve ontwikkelingssamenwerking en voor het beschermen van democratie en mensenrechten. Daarmee zijn maatschappelijke organisaties in het mondiale zuiden en in Nederland een onmisbare partner voor het kabinet en zullen zij waar mogelijk worden betrokken bij zowel de ontwikkeling als uitvoering van beleid. Zo heb ik op 8 april jl. met 60 maatschappelijke organisaties op het ministerie uitgenodigd en ben ik in gesprek gegaan over onze gedeelde uitdagingen en verdere samenwerking.
54.
Kan de regering aangeven of, en zo ja, op welke wijze zij de internationaal afgesproken koppeling van ODA aan het BNI van Nederland wil herstellen?
Antwoord
Het kabinet kiest ervoor om het ODA-budget jaarlijks in het voorjaar bij te stellen op basis van de ontwikkeling van het bni. Dit betekent dat 1% groei of krimp van het bni leidt tot 1% groei of krimp van het ODA-budget. Indien er geen intensiveringen of extensiveringen op het ODA-budget plaatsvinden, blijft de ODA-prestatie langjarig stabiel. De 0,7% vormt geen onderdeel van de berekeningswijze.
55.
Dan hebben de leden van de Volt-fractie een aantal vragen over de bijdrage van Nederland aan UNRWA. Kan de regering aangeven wat haar intentie voor de hoogte van deze bijdrage is en hoe zij dat in de wetgeving wil vastleggen?
Antwoord
Zoals aangekondigd in de Kamerbrieven van 30 en 31 maart jl. over de steun aan UNRWA is het kabinet voornemens om – conform het coalitieakkoord – de samenwerking met UNRWA te herstellen. Het voornemen is de bijdrage te herstellen naar een bedrag van EUR 19 miljoen per jaar. De verwerking hiervan wordt zoals aangekondigd middels de suppletoire begroting september voorgelegd aan het parlement
56.
Bij de begrotingsbehandeling 2025 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken aangegeven dat de bijdrage aan UNRWA (voor dat jaar) juridisch verplicht was. Hoeveel heeft de Nederlandse regering in 2025 bijgedragen aan het budget voor UNRWA? Heeft UNRWA zich beklaagd over het lagere bedrag dan de juridische verplichting? Hoe heeft de regering hierop gereageerd? Welke juridische verplichting heeft de regering voor 2026? Welk bedrag is de regering voornemens om in 2026 aan UNRWA bij te dragen?
Antwoord
Contracten waarmee kernbijdragen aan verschillende VN-organisaties worden vastgelegd respecteren het budgetrecht van de Kamer. In het geval van UNRWA is een beroep gedaan op deze clausule om de reeds verplichte bijdrage van EUR 19 miljoen voor 2025 bij te stellen naar EUR 15 miljoen in lijn met het amendement Stoffer/Eerdmans. In de voorliggende begrotingsstaat is de bijdrage aan UNRWA voor 2026 geraamd op EUR 11 miljoen. Het kabinet is voornemens de bijdrage voor 2026 te herstellen naar EUR 19 miljoen en dit te verwerken in de suppletoire begroting september.
57.
De Algemene Vrijwillige Bijdragen aan UNDP en UNICEF zijn tot en met 2025 verplicht. Per 2026 zijn deze bijdragen opgenomen als beleidsmatig gereserveerd, zo constateren de leden van de Voltfractie. Waar komt dit verschil vandaan?
Antwoord
De contracten met UNDP en UNICEF waarin de Algemene Vrijwillige Bijdragen waren vastgelegd, golden voor een periode van vier jaar en liepen in 2025 af. Voor de volgende periode 2026–2029 zijn de middelen beleidsmatig gereserveerd, de nieuwe verplichtingen met UNDP en UNICEF worden aangegaan zodra het goedkeuringsproces van de BHO-begroting 2026 door het parlement is afgerond.
58.
Vanaf 2027 is er geen bedrag meer opgenomen voor humanitaire hulp aan de Oekraïne. Waar baseert de regering haar analyse op dat vanaf 2027 humanitaire hulp voor de Oekraïne niet meer nodig zou zijn?
Antwoord
In de ontwerpbegroting 2026 van BHO is niet-militaire steun, waaronder ook humanitaire hulp, voor Oekraïne beschikbaar tot en met 2026. In het coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt over de meerjarige niet-militaire steun aan Oekraïne. Er is budget beschikbaar voor niet-militaire steun, waaronder humanitaire hulp, van 2027 t/m 2029. Dit is ook verwerkt in de Voorjaarsnota 2026 en de bijbehorende 1e suppletoire begroting BHO 2026.
59.
Als gevolg van het amendement van het lid Hirsch c.s.21 wordt er meer geld vrijgemaakt voor het bevorderen van vrouwenrechten. Hoe verhoudt zich dit tot het voornemen van de regering om geen evaluaties meer te doen naar de inzet van middelen voor het bevorderen van vrouwenrechten?
Antwoord
Voor ODA-activiteiten is het verplicht om te evalueren voor programma’s met een budget boven de EUR 5 miljoen. Dit geldt ook voor de financiële middelen ten behoeve van het bevorderen van vrouwenrechten en gendergelijkheid waar conform amendement Hirsch weer geld voor is vrijgemaakt. Tevens geldt de verplichting dat beleidsartikel 3, waar 3.2 vrouwenrechten en gendergelijkheid onder valt, periodiek wordt geëvalueerd. Met het afschaffen van het feministisch buitenlands beleid staat dit onderwerp niet meer op de Strategische Evaluatie Agenda van IOB.
60.
Tot slot hebben de leden van de Volt-fractie het verzoek aan de regering of bij een eventuele suppletoire begroting de titel kan worden aangepast van «ontwikkelingshulp» naar «ontwikkelingssamenwerking».
Antwoord
De suppletoire begrotingen in 2026 bevatten de voorgestelde wijzingen ten opzichte van de vastgestelde begroting 2026 van hoofdstuk XVII van de begroting van het Rijk. Omdat deze begroting nog de naam «Buitenlandse Handel en Ontwikkelinghulp» had (BHO), zal deze naam ook voor de suppletoire begrotingen gebruikt worden. Met ingang van de ontwerpbegroting 2027 zal de naam aangepast worden naar «Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking» (BHOS).
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie constateren dat bij de behandeling van de Voorjaarsnota op 1 juli 2025 de motie-Holterhues c.s. is aangenomen, waarin de regering wordt verzocht om de gebruikelijke systematiek achter de koppeling, die al van kracht is sinds 1975, met de OESO-norm van 0,7 procent van het BNI als richtlijn, structureel te herstellen. Het blijkt nu dat aan deze motie geen uitvoering is gegeven. De leden van de SGP-fractie hebben bij de behandeling van die begroting al aangegeven tegen de begroting te zullen stemmen indien de koppeling niet is hersteld.
Zij hebben daarom de volgende vragen:
61.
Wat zijn de motieven van de regering om deze motie niet uit te willen voeren?
Antwoord
De wens van de Eerste Kamer is goed gehoord. Het kabinet actualiseert het Rijksbrede ODA-budget op basis van een koppeling aan de ontwikkeling van het bni, investeert in ontwikkelingssamenwerking en zet zo een stap richting de internationale OESO-norm.
62.
Is de regering voornemens om de motie alsnog uit te voeren, en zo ja, op welke termijn?
Antwoord
Uw parlement wordt via de gebruikelijke begrotingsmomenten geïnformeerd over toekomstige budgettaire beslissingen van het kabinet.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Fractie-Visseren-Hamakers
63.
Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers vraagt de regering welke bezuinigingen ten opzichte van de vier jaren voor 2026 zijn doorgevoerd op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Zou de Kamer een overzicht van de uitgaven op het gebied van ontwikkelingssamenwerking in de jaren 2022–2026 kunnen ontvangen? Wat zijn de concrete gevolgen van deze bezuinigingen?
Antwoord
De ontwikkeling van het totale Rijksbrede ODA-budget en daarbinnen van de BHOS-begroting in de periode 2022–2026 is als volgt, waarbij 2026 de geraamde uitgaven bij Voorjaarsnota 2026 zijn:
|
in EUR mln. |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
|---|---|---|---|---|---|
|
ODA-budget |
6.214 |
6.892 |
7.020 |
6.858 |
6.082 |
|
Wv. BHOS-begroting1 |
3.539 |
3.754 |
3.852 |
3.658 |
3.449 |
De gevolgen van deze bezuinigingen staan beschreven in beleidsbrieven zoals die van het vorige kabinet. Daarin staat uiteengezet op welke thema’s bezuinigd is. In het Verantwoordingsonderzoek BHO 2025 van de Algemene Rekenkamer zullen deze bezuinigingen nader onderzocht worden.
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.W. Sjoerdsma
«Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030, D66, VVD en CDA», 30 januari 2026, https://www.kabinetsformatie2025.nl/documenten/2026/01/30/aan-de-slag---coalitieakkoord-2026-2030, p. 35.
Volkskrant, «Kabinet investeert niet in ontwikkelingshulp, ondanks toezegging in akkoord», 22 februari 2026, https://www.volkskrant.nl/politiek/kabinet-investeert-niet-in-ontwikkelingshulp-ondanks-toezegging-in-akkoord%7Eb4d40a2a/kabinet-investeert-niet-in-ontwikkelingshulp-ondanks-toezegging-
Budgettaire tabel en bijlage, p.1, bijlage bij: «Aan de slag, het coalitieakkoord tussen D66, VVD en CDA.», 30 januari 2026.
Algemene Rekenkamer: brief-verzoek-tweede-kamer-gevolgen-van-een-verworpen-begroting-motie-grinwis (2).pdf. Raad van State: Voorlichting over de consequenties van en het handelingsperspectief bij een verworpen begroting. | Raad van State
Colonna et al., «Independent Review of Mechanisms and Procedures to Ensure Adherence by UNRWA to the Humanitarian Principle of Neutrality», 20 april 2024, https://www.un.org/unispal/wp-content/uploads/2024/04/unrwa_independent_review_on_neutrality.pdf
https://www.un.org/unispal/document/unrwa-investigation-statement-05aug24/ De Telegraaf, «Medewerkers UNRWA ontslagen om betrokkenheid bij bloedbad van 7 oktober: «Genoeg om actie te ondernemen»» 6 augustus 2024, https://www.telegraaf.nl/buitenland/medewerkers-unrwa-ontslagen-om-betrokkenheid-bij-bloedbad-van-7-oktober-genoeg-om-actie-te-ondernemen/64343413.html7-oktober-genoeg-om-actie-te-ondernemen/64343413.html.
CPB, PBL, «Analyse Coalitieakkoord 2026–2030. Analyse van de budgettaire en economische effecten van het coalitieakkoord», februari 2026, https://www.cpb.nl/publicatie/analyse-coalitieakkoord-2026-2030, blz. 27.
World Vision, «Kabinet: maak de beloftes over ontwikkelingssamenwerking waar», 20 april 2026, https://www.worldvision.nl/nieuws/kabinet-maak-de-beloftes-over-ontwikkelingssamenwerking-waar/ en CNV Internationaal, «Kabinet: maak de beloftes over ontwikkelingssamenwerking waar», https://www.cnvinternationaal.nl/actueel/nieuws/kabinet-maak-de-beloftes-over-ontwikkelingssamenwerking-waarwaar
Volkskrant, «Kabinet investeert niet in ontwikkelingshulp, ondanks toezegging in akkoord», 22 februari 2026, https://www.volkskrant.nl/politiek/kabinet-investeert-niet-in-ontwikkelingshulp-ondanks-toezegging-in-akkoord~b4d40a2a/
Trouw, «In de coalitie heerst irritatie over besteding ontwikkelingsgeld», 24 februari 2026, https://www.trouw.nl/politiek/in-de-coalitie-heerst-irritatie-over-besteding-ontwikkelingsgeld~bc368058/.
«Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030, D66, VVD en CDA», 30 januari 2026, https://www.kabinetsformatie2025.nl/documenten/2026/01/30/aan-de-slag---coalitieakkoord-2026-2030, p. 35.
Volkskrant, «Kabinet investeert niet in ontwikkelingshulp, ondanks toezegging in akkoord», 22 februari 2026, https://www.volkskrant.nl/politiek/kabinet-investeert-niet-in-ontwikkelingshulp-ondanks-toezegging-in-akkoord%7Eb4d40a2a/kabinet-investeert-niet-in-ontwikkelingshulp-ondanks-toezegging-
Budgettaire tabel en bijlage, p.1, bijlage bij: «Aan de slag, het coalitieakkoord tussen D66, VVD en CDA.», 30 januari 2026.
Algemene Rekenkamer: brief-verzoek-tweede-kamer-gevolgen-van-een-verworpen-begroting-motie-grinwis (2).pdf. Raad van State: Voorlichting over de consequenties van en het handelingsperspectief bij een verworpen begroting. | Raad van State
Colonna et al., «Independent Review of Mechanisms and Procedures to Ensure Adherence by UNRWA to the Humanitarian Principle of Neutrality», 20 april 2024, https://www.un.org/unispal/wp-content/uploads/2024/04/unrwa_independent_review_on_neutrality.pdf
https://www.un.org/unispal/document/unrwa-investigation-statement-05aug24/ De Telegraaf, «Medewerkers UNRWA ontslagen om betrokkenheid bij bloedbad van 7 oktober: «Genoeg om actie te ondernemen»» 6 augustus 2024, https://www.telegraaf.nl/buitenland/medewerkers-unrwa-ontslagen-om-betrokkenheid-bij-bloedbad-van-7-oktober-genoeg-om-actie-te-ondernemen/64343413.html7-oktober-genoeg-om-actie-te-ondernemen/64343413.html.
CPB, PBL, «Analyse Coalitieakkoord 2026–2030. Analyse van de budgettaire en economische effecten van het coalitieakkoord», februari 2026, https://www.cpb.nl/publicatie/analyse-coalitieakkoord-2026-2030, blz. 27.
World Vision, «Kabinet: maak de beloftes over ontwikkelingssamenwerking waar», 20 april 2026, https://www.worldvision.nl/nieuws/kabinet-maak-de-beloftes-over-ontwikkelingssamenwerking-waar/ en CNV Internationaal, «Kabinet: maak de beloftes over ontwikkelingssamenwerking waar», https://www.cnvinternationaal.nl/actueel/nieuws/kabinet-maak-de-beloftes-over-ontwikkelingssamenwerking-waarwaar
Volkskrant, «Kabinet investeert niet in ontwikkelingshulp, ondanks toezegging in akkoord», 22 februari 2026, https://www.volkskrant.nl/politiek/kabinet-investeert-niet-in-ontwikkelingshulp-ondanks-toezegging-in-akkoord~b4d40a2a/
Trouw, «In de coalitie heerst irritatie over besteding ontwikkelingsgeld», 24 februari 2026, https://www.trouw.nl/politiek/in-de-coalitie-heerst-irritatie-over-besteding-ontwikkelingsgeld~bc368058/.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36800-XVII-C.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.