36 800 XIV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2026

E NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 20 mei 2026

Hierbij zend ik u, mede namens de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de antwoorden op de vragen die de fracties van GroenLinks-PVDA, SP, Fractie-Visseren-Hamakers, BBB, CDA, SP en PvdD hebben gesteld over de vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2025 (36 600 XIV), ingezonden 21 april 2025.

Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen

1

De Algemene Rekenkamer stelt in zijn advies dat de LVVN-begroting weinig meetbare en afrekenbare doelen en beleidsprioriteiten kent. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP en Fractie- Visseren-Hamakers vragen of de regering voornemens is om dit advies in de begroting 2027 wel te verwerken. Zo ja, aan welke (type) concrete en afrekenbare doelen denkt de regering dan?

Antwoord

LVVN werkt doorlopend aan het aanscherpen en verbeteren van de doelen en indicatoren van de Rijksbegroting. Aan de hand van periodieke rapportages en de aanbevelingen die daaruit volgen wordt gepoogd de overkoepelende beleidskaders steeds scherper te formuleren. De doelen en indicatoren waarop dit moment aan gewerkt wordt zijn terug te vinden in de Rijksbegroting.

2

De Algemene Rekenkamer wijst op de Strategische evaluatieagenda (SEA) en raadt aan deze ook toe te passen op de wens om minder afhankelijk te worden van import en meer zelfvoorzienend te zijn. Is de regering voornemens dit advies op te volgen?

Antwoord

De regering is bereid om dit advies op te volgen. Het subdoel voedselzekerheid zal in de aanstaande SEA voor het thema land- en tuinbouw herkenbaar geprogrammeerd worden zodat de bijdrage van LVVN op het terrein van kennis, innovatie en internationale samenwerking, onder meer via multilaterale organisaties zoals de FAO en via de internationale positionering van de Nederlandse land- en tuinbouwsector, bijvoorbeeld via het LVVN Attaché Netwerk (LAN) goed in beeld wordt gebracht.

3

De Algemene Rekenkamer wijst ook op het advies om de landbouwvrijstelling vanwege ondoelmatigheid af te schaffen. Zij hebben dat advies reeds in 2020 gedaan. Een onderzoek van SEO economisch onderzoek concludeerde:

«De landbouwvrijstelling is doeltreffend noch doelmatig en kan ook niet gerechtvaardigd worden uit het realiseren van (eventueel wenselijke) neveneffecten. Afschaffing is de logische en uitvoerbare beleidsoptie».

De regering geeft aan dat de rijksmiddelen schaars zijn. Er gaat ongeveer 1,3 miljard euro om in deze regeling. Kan de regering aangeven wanneer zij deze ondoelmatige vrijstelling af gaat schaffen, zodat bezuinigen op de bijstand, WAO, WW en andere voorzieningen in de sociale zekerheid verzacht kunnen worden?

Antwoord

U vraagt wanneer het kabinet de landbouwvrijstelling gaat afschaffen, zodat bezuinigen op de bijstand, WAO, WW en andere voorzieningen in de sociale zekerheid kunnen worden verzacht.

Vooralsnog heeft het kabinet geen voornemen om deze regeling af te schaffen.

4

Hebben de fractieleden van GroenLinks-PvdA, SP en de fractie-Van Visseren-Hamakers het juist begrepen dat bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) geen rekening wordt gehouden met inflatiecorrectie? Zo ja, wat betekent dit voor de bestedingscapactiteit van de NVWA?

Antwoord

De NVWA hanteert conform kabinetsbeleid kostendekkende tarieven. Hierbij wordt rekening gehouden met inflatie van zowel personele als materiële kosten.

5

Kan de regering toelichten waarom de NVWA onder het Ministerie van LVVN geplaatst is en niet bij het Ministerie van EZK of VWS (die immers ook een aanzienlijk deel van de begroting betalen). Wat zijn de voordelen en de nadelen hiervan? Hoe borgt de regering dat er een strikte scheiding bestaat tussen de financiering en uitvoering van toezicht en handhaving door de NVWA enerzijds, en de verantwoordelijkheid van de regering voor het stimuleren van de agrarische sector anderzijds?

Antwoord

In 2012 zijn drie inspectiediensten gefuseerd tot de NVWA. De inspectiediensten die deels onder voorgangers van het Ministerie van LVVN en deels onder het Ministerie van VWS vielen.

De NVWA is wettelijk belast met toezicht op de naleving, bestuurlijke handhaving en opsporing van strafbare feiten. Zij voert toezicht uit op basis van LVVN- en VWS-wetgeving en wordt daarvoor met name ook bekostigd vanuit deze ministeries. Omdat LVVN de grootste bijdrage levert aan de begroting van de NVWA, valt het in de rede dat de NVWA onder LVVN ressorteert. LVVN en VWS zijn beleidsverantwoordelijk voor het toezicht op hun gebied.

Ik hecht aan de onafhankelijkheid van de taakuitvoering en oordeelsvorming door de NVWA als rijksinspectie. Met de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties zijn waarborgen getroffen aan de onafhankelijkheid van de toezichtuitoefening door rijksinspecties, waaronder de NVWA.

6

De fractieleden van de BBB vragen of de regering naar aanleiding van de brief over de verdere uitwerking van het landbouwbeleid helder uiteen kan zetten wat dit concreet verandert aan de dagelijkse praktijk en de bedrijfsvoering van boeren op hun erf?

Antwoord

Gezien de grote urgentie van de stikstofproblematiek heeft het kabinet hier prioriteit aan gegeven en wordt er in de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof gewerkt aan samenhangend pakket gericht op een toekomstbestendige landbouw, natuurherstel en het stapsgewijs mogelijk maken van vergunningverlening. Vóór de zomer wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de verdere invulling van het samenhangende pakket. Om aan de slag te kunnen gaan is het van het grootste belang dat individuele boeren duidelijkheid krijgen over wat er van hen wordt verwacht en over welke ondersteuning hen daarbij ten dienste staat. Vervolgens moeten ondernemers eigen keuzes maken over hoe ze op hun bedrijf invulling kunnen geven aan de opgaven. Deze opgaven zullen van veel bedrijven aanpassingen in de bedrijfsvoering vragen, hoe dit uitpakt in de dagelijkse praktijk is afhankelijk van de keuzes die de ondernemer maakt.

7

Welke concrete doelen worden gesteld binnen de beweging naar doelsturing? Op welke termijn moeten deze doelen worden behaald? En welke specifieke meetmethoden worden hierbij gehanteerd?

Antwoord

Het kabinet zet in op afrekenbare bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat in 2035. Met deze normen krijgen agrarisch ondernemers uit de sectoren melkvee, varkens en pluimvee duidelijkheid over waar ze in de toekomst aan zullen moeten voldoen en kunnen ze hun vakmanschap toepassen om de normen in te vullen. De uitwerking van de systematiek en hoogte van de emissienormen valt binnen pijler 1 (generieke emissiereductie) van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. Daarnaast kijkt het kabinet binnen pijler 5 ook naar informerende en stimulerende maatregelen om ondernemers te ondersteunen in het toewerken naar de emissienormen. Het kabinet verwacht voor de zomer de Kamer te informeren over de beleidsmatige invulling van de emissienormen en het ondersteunend beleid.

Voor de operationalisering van doelsturing zullen de komende jaren nog verschillende keuzes gemaakt moeten worden, variërend van juridische borging tot aspecten voor de ontwikkeling van het systeem zoals monitoring en beschikbaarheid van data van de juiste kwaliteit. Ook vindt het kabinet het belangrijk dat ondernemers inzicht kunnen krijgen in waar zij staan ten opzichte van de norm en dat zij betrouwbaar kunnen aantonen dat zij aan de normen voldoen. Voor het vaststellen van emissies op bedrijfsniveau zijn verschillende methodes mogelijk, variërend van eenvoudigere rekenmethodes tot een gedetailleerde rekenmethode of (continu) meten. Deze mogelijkheden worden nader uitgewerkt in de bredere ontwikkeling van het doelsturingssysteem.

Voor doelsturing waterkwaliteit wordt conform de motie Grinwis de systeemontwikkeling van doelsturing de aankomende tijd voortgezet. De inzet is om te zorgen dat er in het najaar van 2026 kan worden gestart met het grootschalig meten van N-mineraal op landbouwpercelen.

8

Welke zekerheid krijgen boeren dat zij, bij de overstap naar doelsturing, niet halverwege de looptijd opnieuw met veranderende eisen en spelregels worden geconfronteerd?

Antwoord

Het kabinet vindt voorspelbaarheid voor ondernemers van groot belang. Daarom wordt doelsturing gefaseerd ingevoerd, met een ingroeipad richting afrekenbare doelsturing in 2035 en voldoende tijd en handelingsperspectief voor ondernemers, zoals uiteengezet in de Kamerbrief over bedrijfsgerichte doelsturing (Kamerstuk 30 252, nr. 331).

Tegelijk wordt doelsturing ingebed in een samenhangende en integraal vormgegeven aanpak voor landbouw, natuur en stikstof, waarbij wordt gestuurd op samenhang tussen opgaven om te voorkomen dat ondernemers steeds opnieuw met nieuwe eisen worden geconfronteerd (Kamerstuk 36 800, nr. 80; Kamerstuk 36 848, nr. 106).

Met een gefaseerde invoering en duidelijke langetermijnkoers streeft het kabinet een zo groot mogelijke mate van zekerheid te bieden, gecombineerd met een zorgvuldige doorontwikkeling van het doelsturingssysteem.

9

Kan de regering garanderen dat de systematiek van doelsturing niet zal leiden tot een indirecte sanering of gedwongen krimp van boerenbedrijven, doordat de gestelde doelen in de praktijk onhaalbaar blijken?

Antwoord

In het bepalen van de hoogte van de bedrijfsspecifieke emissienormen wordt rekening gehouden met wat technisch mogelijk is voor ondernemers. Het kabinet vindt het belangrijk dat de normen waar bedrijven aan moeten voldoen in de praktijk realiseerbaar zijn en ertoe leiden dat bedrijven in beweging komen. Dit betekent niet dat de emissienormen ook altijd makkelijk te realiseren zullen zijn: het zal om forse inspanningen vragen van ondernemers om aan de normen te voldoen. Door nu duidelijke kaders te stellen waar bedrijven uiteindelijk aan zullen moeten voldoen kunnen bedrijven overwogen een beslissing maken over de toekomstige ontwikkeling van hun bedrijf.

Naast het stellen van emissienormen worden hiertoe binnen de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof diverse instrumenten uitgewerkt, onder meer gericht op het stimuleren van verduurzaming en extensivering om ondernemers zo te ondersteunen in het bewerkstelligen van emissiereductie. Tegelijkertijd worden er vrijwillige beëindigingsregelingen opengesteld voor ondernemers die besluiten hun bedrijf niet voort te willen zetten.

10

In hoeverre zijn de effecten van het voorgestelde beleid op de waarde van landbouwgrond in kaart gebracht, specifiek voor gebieden waar beperkingen aan de sector worden opgelegd?

Antwoord

In het kader van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof wordt gewerkt aan inzet in specifieke gebiedstypen, zoals zones rondom Natura 2000-gebieden en kwetsbare watergebieden, waar ook beperkingen aan het landgebruik zullen worden gesteld met het oog op extensivering. Daarbij heeft het kabinet uiteraard oog voor de effecten die dit heeft op de grondwaarde en de negatieve financiële consequenties voor de betrokken agrariër. Dit vormt een belangrijk onderdeel in de bredere uitwerking van de zoneringsaanpak en de ontwikkeling van een faciliterend pakket. Daarover zal uw Kamer in het kader van de taskforce deze zomer worden geïnformeerd.

11

Is de regering bereid om volledige financiële compensatie te bieden aan boeren waarbij het overheidsbeleid direct leidt tot een verlies in grondwaarde?

Antwoord

Het kabinet onderkent dat overheidsbeleid gevolgen kan hebben voor de waarde van agrarische grond. Net als in andere economische sectoren kunnen ondernemers te maken krijgen met veranderende omstandigheden, waaronder wijzigingen in het overheidsbeleid. Dat betekent alleen niet dat elke waardedaling volledig wordt vergoed. Op grond van de regels voor nadeelcompensatie wordt per geval beoordeeld of sprake is van schade die uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en een ondernemer onevenredig zwaar treft. Wel onderschrijft het kabinet het belang van een zorgvuldig en toereikend flankerend instrumentarium om agrariërs te ondersteunen bij de transitie.

12

Hoe verhoudt de reservering van miljarden euro’s, die primair gericht lijken op opkoop en bedrijfsbeëindiging, zich tot de uitgangspunten van doelsturing, innovatie en ondernemerschap?

Antwoord

Het kabinet heeft € 20 mld. beschikbaar gesteld voor onder meer natuurherstel, gebiedsontwikkeling en de landbouwtransitie, met als doel (juridisch) geborgde stikstofreductie. In het coalitieakkoord is een verdeling van deze middelen vastgesteld. In de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof wordt gewerkt aan een samenhangende aanpak waar wordt gewerkt aan een sterke en toekomstbestendige agrarische sector en het structureel verbeteren van de natuur, zodat vergunningverlening stapsgewijs weer mogelijk wordt. Dit kabinet spreekt het vakmanschap en de innovatiekracht van de Nederlandse agrarische sector aan om bij te dragen aan de oplossingen. Het kabinet werkt aan een concreet ondersteuningspakket dat agrarische ondernemers handelingsperspectief geeft om te werken aan emissiereductie. Het handelingsperspectief moet ruimte geven voor de kennis en kunde van de boeren, die weer vertrouwen krijgen om het werk te doen waar ze goed in zijn en verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Dit betekent ook dat als boeren er toch voor kiezen om te hun veehouderijlocatie te beëindigen, we dat willen ondersteunen door de vrijwillige beëindigingsregelingen voort te zetten. Voor bedrijven die kiezen om door te gaan wordt ook budget beschikbaar gesteld voor onder andere ondersteuning voor maatregelen die de stikstofuitstoot verminderen, agrarisch natuurbeheer of voor incidentele compensatie in zones rondom kwetsbare natuurgebieden, waar het agrarische grondgebruik wordt geëxtensiveerd.

13

Is de regering bereid om binnen het stikstofbeleid en de doelsturingssystematiek ruimte te geven aan innovatieve technieken, zodat boeren worden beloond voor vooruitgang in plaats van enkel te worden afgerekend op reductie?

Antwoord

Ja. Het kabinet zet in op een stapsgewijze invoering van doelsturing, waarbij de nadruk ligt op het ondersteunen van ondernemers, het bieden van handelingsperspectief en het stimuleren van verbetering, en pas op termijn wordt toegewerkt naar een afrekenbaar systeem (Kamerstuk 30 252, nr. 331).

Doelsturing is daarbij juist bedoeld om ruimte te bieden voor ondernemerschap, innovatie en maatwerk. Om hier invulling aan te geven wordt onder andere gewerkt met Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s), pilots en publiek-private samenwerking, waarbij ook mogelijkheden worden ontwikkeld om prestaties te belonen.

Hiermee streeft het kabinet naar het stimuleren en belonen van innovatie en vooruitgang, voordat doelsturing op termijn een afrekenbaar karakter krijgt.

14

Welke concrete inzet pleegt de regering op dit moment bij de Europese Unie om binnen de Europese kaders meer ruimte te creëren voor Nederlandse boeren, en waaruit blijkt dit resultaat in de praktijk?

Antwoord

Het kabinet zet zich in voor betere regelgeving door het beperken van onnodige regeldruk en administratieve lasten, onder andere voor een toekomstbestendige agrarische en visserijsector. Recente voorbeelden die reeds in werking zijn getreden zijn de Europese vereenvoudigingsvoorstellen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (hierna: GLB). Met deze wijzigingen in het GLB zijn bijvoorbeeld het aantal controles verminderd voor de biologische sector als het gaat om de Goede Landbouw- en Milieucondities (GLMC’s), zijn agrarische bedrijven met een maximale omvang van dertig hectaren landbouwareaal vrijgesteld van controles en sancties op de verplichte gewasrotatie, en kunnen tijdelijke afwijkingen van de GLMC-normen worden toegestaan wanneer plantenziekten of plagen het onmogelijk maken om voor agrarische ondernemers aan de vereisten te voldoen. Het beperken van administratieve lasten is tevens onderdeel van de inzet voor het toekomstige GLB. De inzet van het kabinet zal nadrukkelijk aandacht blijven houden voor wat ondernemers, overheden en uitvoeringsorganisaties als meest knellend ervaren. Daarnaast dient hierbij de juiste balans gevonden te worden tussen het verlagen van administratieve lasten en bescherming van gezondheid, natuur en milieu.

15

Kan de regering verklaren waarom de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) op basis van satellietmonitoring eco-activiteiten voor 2025 onterecht afkeurt, bijvoorbeeld in het geval van doodgevroren vanggewassen?

Antwoord

Ik heb vertrouwen in de uitvoering van de Eco-regeling door RVO. In 2025 is bij de beoordeling van meer eco-activiteiten voor het eerst gebruik gemaakt van satellietmonitoring door middel van het Areaalmonitoringssysteem (AMS). Het aantal afwijzingen in 2025 ligt echter in de lijn der verwachting aangezien de geconstateerde niet-nalevingen overeenkomen met de steekproeven in het veld. Ook luchtfoto’s en andere beschikbare gegevens ondersteunen de uitkomsten. In lijn met de Tweede Kamermotie van het lid Koorevaar c.s. (TK 21 501-32, nr. 1789) ga ik bezien in hoeverre afkeuringen die hebben geleid tot substantiële verlaging van vergoedingen, opnieuw kunnen worden bekeken met menselijke beoordeling.

AMS is gericht op het ondersteunen van de uitvoering en is ontwikkeld en gevalideerd met historische en actuele gegevens. Ook zijn er kwaliteitscontroles geïmplementeerd. Natuurlijk blijven we inzetten op ontwikkelingen in het systeem en wordt er continu gemonitord of er nog verbeteringen nodig zijn. Volledigheidshalve worden daarom deze waarborgen, in de uitvoering van de Tweede Kamermotie van het lid Koorevaar c.s., langsgelopen en waar nodig verbeterd.

16

Hoe kunnen boeren tijdig hun keuzes voor 2026 maken, nu zij zo kort voor de deadline nog wachten op een correcte afhandeling van hun beschikkingen?

Antwoord

Boeren hebben dit jaar tot 18 mei de tijd om hun aanvoor de Eco-regeling 2026 in te dienen in de Gecombineerde Opgave. In maart en april heeft ruim 95% van de aanvragers een beschikking over 2025 ontvangen. Dat kon niet eerder vanwege de beschikbaarheid van alle noodzakelijke gegevens voor een zorgvuldige beoordeling. Voor hun keuzes in 2026 adviseer ik boeren om zich goed te verdiepen in alle subsidievoorwaarden om zeker te weten dat de activiteiten op het bedrijf in de praktijk haalbaar zijn, en om bij twijfel contact op te nemen met RVO. Daarnaast adviseer ik boeren om ambitieus maar realistisch te plannen: hoe verder je boven de drempel zit met punten en waardes, hoe kleiner de kans dat je door weers- of andere omstandigheden terugvalt in vergoeding. Als een activiteit niet lukt, is de boer verplicht dat zo snel mogelijk te melden bij RVO door de aanaan te passen of een melding van overmacht te doen. Met duidelijke communicatie hierover en met doorlopende kwaliteitschecks en verdere verbetering van het Areaalmonitoringssysteem, in lijn met de Tweede Kamermotie van het lid Koorevaar c.s., wordt ingezet op het wegnemen van de zorgen bij boeren.

17

Kan de regering onderbouwen in welke mate stikstofreductie daadwerkelijk bijdraagt aan aantoonbare verbetering van natuurkwaliteit? Deze leden vragen waarom de regering blijft vasthouden aan modelberekeningen (zoals AERIUS) terwijl eerder is geconcludeerd dat deze beperkt geschikt zijn voor vergunningverlening. Wanneer wordt de rekenkundige ondergrens in AERIUS ingevoerd en waarom is dit nog niet gebeurd?

Antwoord

In alle gevallen waar natuur overbelast wordt door stikstofdepositie, draagt reductie daarvan bij aan natuurkwaliteit. In ieder geval door het probleem te verminderen. Of dat leidt tot daadwerkelijke verbetering hangt af van twee factoren. Ten eerste of de overbelasting in voldoende mate en voldoende snel wordt gestopt. Ten tweede of er effectieve natuurherstelmaatregelen worden uitgevoerd, omdat de effecten uit het verleden moeten worden bestreden. Die effecten gaan namelijk in de regel niet vanzelf over, althans niet binnen een afzienbare termijn.

Het kabinet wil de ondergrens graag zo snel mogelijk invoeren, maar wel met een gebleken en geborgd reductiepakket.

Daarnaast moet de ondergrens ook juridisch houdbaar zijn.

Eind vorig jaar zijn er stappen gezet richting de invoering van de rekenkundige ondergrens, en hebben Rijk en provincies de vraagstukken die daarbij spelen samen verder uitgediept.

Op een aantal punten is nog aanvullend werk nodig. Daar gaan we de komende periode mee door. Er wordt onder andere gewerkt aan flankerend beleid, de gevolgen op salderen, de aanpassing van AERIUS en een handreiking voor de vergunningverlening.

18

Hoe wordt rechtszekerheid voor PAS-melders op korte termijn concreet verbeterd?

Antwoord

Doel van de recente wetswijziging is, naast de voortzetting van de inzet op een maatwerkoplossing voor de PAS-melders, dat het voor provincies mogelijk blijft om handhaving gemotiveerd af te wenden in de periode dat er wordt gezocht naar een structurele oplossing voor PAS-melders. Totdat er voor alle PAS-melders een oplossing is, wordt ingezet op het treffen van natuurmaatregelen om in de tussentijd tegemoet te komen aan het natuurbelang. Daarvoor wordt binnenkort AERIUS Depot gelanceerd (voorheen natuurtool) waarin inzichtelijk wordt gemaakt welke maatregelen zijn getroffen. In ieder geval is dat op korte termijn de depositieruimte die was verzameld voor onder andere de PAS-melder uit de Maatregel Gerichte Aankoop en de Subsidie sanering varkenshouderijen. Eind april is het concept van de opvolger van het legalisatieprogramma (werktitel) aan beide Kamers aangeboden en is de internetconsultatie gestart. Het nieuwe programma streeft ernaar om alle PAS-melders in 2028 zicht op een oplossing te geven waarmee zij zich, op termijn, in een legale situatie bevinden.

19

Is de regering bereid het natuurbeleid minder eenzijdig op stikstof te richten en breder te baseren op meerdere ecologische factoren?

Antwoord

Het beleid was daar niet eenzijdig op gericht en dat blijft zo. Het kan zijn dat de indruk van eenzijdigheid gewekt is door de focus op stikstof in de natuurdoelanalyses. Maar die analyses werden opgesteld in het kader van de stikstofaanpak, dus dat was logisch. Tegelijk was er in die analyses al veel aandacht voor de aanpak van verdroging, voorzover die de effecten van stikstof kon mitigeren. Inmiddels is met de voortouwnemers afgesproken dat in alle vervolgcycli van de natuurdoelanalyses alle soorten en habitattypen en alle daarvoor relevante drukfactoren aan bod zullen komen. Daarmee worden de natuurdoelanalyses in lijn gebracht met de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden, waarvoor die brede aanpak altijd al gold.

20

Hoe gaat de regering voorkomen dat doelsturing faalt nu er honderden miljoenen uit het budget zijn verdwenen? Welke concrete maatregelen neemt de regering om de sociaaleconomische functie van boeren op het platteland te behouden? Hoe voorkomt de regering verdere «uitholling» van plattelandsgemeenschappen door landbouwbeleid?

Antwoord

Het kabinet onderkent dat voldoende middelen van belang zijn voor een succesvolle invoering van doelsturing. Er is € 200 miljoen beschikbaar voor de verdere ontwikkeling en implementatie van doelsturing, onder meer voor pilots, kennisontwikkeling en ondersteuning van ondernemers.

Tegelijk is duidelijk dat doelsturing een meerjarige systeemverandering is, waarvoor financiering van belang is. Daarom kiest het kabinet voor een gefaseerde invoering, waarbij stapsgewijs wordt opgebouwd en waarbij benodigde financiering nader wordt uitgewerkt in samenhang met de bredere aanpak voor landbouw, natuur en stikstof. Het kabinet verwacht hierover rond de zomer meer duidelijkheid te geven.

De landbouw is van groot belang voor een vitaal platteland. Boerenbedrijven zorgen voor werkgelegenheid op het platteland, beheren het landschap en werken mee aan natuurbeheer en biodiversiteit. Tegelijkertijd zijn er grote veranderingen nodig in de landbouw en het landelijk gebied om deze toekomstbestendig te maken. De sociaaleconomische effecten daarvan houden we scherp voor ogen in het beleid. Het is van belang om de regionale uitdagingen, zoals het herbestemmen van gronden, het op peil houden van werkgelegenheid en het behoud van sociale cohesie, in samenhang aan te pakken met andere vraagstukken die regionaal spelen. Het ondersteunen van boeren bij de benodigde veranderingen en een inzet op een sociaal en economisch vitaal platteland zijn daarom integraal onderdeel van de samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof die het kabinet momenteel in de periode tot de zomer concretiseert. Waar mogelijk wordt voortgebouwd op reeds ingezet Rijksbeleid. Op deze manier kunnen we de leefbaarheid van plattelandsregio’s de komende jaren versterken, wat van direct belang is voor alle inwoners en gebruikers van het landelijk gebied.

21

Hoe voorkomt de regering verdere «uitholling» van plattelandsgemeenschappen door landbouwbeleid?

Antwoord

Voor het antwoord verwijs ik u naar 20.

22

Wat is de reactie van de regering op het onderzoek van de Nationale ombudsman naar mogelijk onbehoorlijk handelen richting boeren?

Antwoord

Ik heb begrepen dat de Ombudsman bezig is met dit onderzoek. Het onderzoek richt zich onder meer op de gevolgen van overheidsbeleid voor het leven van boeren in de afgelopen 10 jaar in relatie tot vereisten van behoorlijkheid en betrouwbaarheid. Het rapport zal ook aanbevelingen voor de overheid omvatten. Ik kijk uit naar de resultaten en zal op de aanbevelingen reageren zodra het onderzoeksrapport beschikbaar is

23

Is de regering bereid generiek herstel te bieden bij vastgesteld onrecht, in plaats van enkel na juridische procedures?

Antwoord

Iedere situatie van onrecht moet op zijn merites beoordeeld worden, onder meer omdat de algemene middelen grenzen kennen.

In beginsel wordt door de Staat alleen een schadevergoeding of een financiële tegemoetkoming betaald als daartoe een rechtsplicht bestaat. Alléén in uitzonderingssituaties kan de Staat overwegen om toch onverplicht tegemoet te komen.

In gevallen waarin geen sprake is van een rechtsplicht voor de Staat maar er maatschappelijk onrecht wordt ervaren, is van belang dat wordt gekeken naar alle factoren zoals het aandeel van de Staat in het ontstaan van de gebeurtenis, de schrijnendheid van de situatie, oorzaak en gevolgen van de schade, verzekerbaarheid van de schade, omvang normaal maatschappelijk risico, maatschappelijke ontwrichting en onrust, e.d.

24

Klopt het dat de regering opnieuw afroming van dierrechten overweegt?

Antwoord

Zoals in het coalitieakkoord aangegeven werkt de regering in alle sectoren (landbouw, industrie en mobiliteit) aan het begrenzen van de emissieruimte en geborgde emissieruimte, waardoor er weer nieuwe vergunningen kunnen worden uitgegeven. Het kabinet wil dit onder meer doen door productierechten die overgaan buiten familieverband af te romen. In de komende periode zal het kabinet bezien welke keuzes voor afroming nodig zijn ter uitwerking van deze afspraak in de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. Op 27 maart jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof (Kamerstuk 36 800, nr. 80).

25

Hoe voorkomt de regering dat jonge ondernemers die afhankelijk zijn van leaseconstructies hierdoor in de knel komen?

Antwoord

In de komende periode zal het kabinet in het kader van de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof bezien welke keuzes voor afroming nodig zijn. De regering is zich ervan bewust dat afroming van dierrechten impactvol kan zijn voor (jonge) ondernemers die voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van de lease van dierrechten. Mocht besloten worden tot het afromen van dierrechten dan heeft dit alleen betrekking op de overgang van dierrechten buiten familieverband. Het kabinet zal bij de uitwerking in de Taskforce de betrokken partijen, waaronder jonge landbouwers betrekken.

26

Hoe verhoudt nieuwe afroming zich tot eerdere Kamerbesluiten om hiermee te stoppen? Op welke wettelijke basis zou nieuwe afroming plaatsvinden?

Antwoord

In de Meststoffenwet zijn sectorale mestplafonds opgenomen voor melkvee, pluimvee en varkens. Conform de Meststoffenwet moeten bij een (dreigende) overschrijding van de sectorale mestproductieplafonds maatregelen genomen worden om dit te voorkomen. Bij het eerdere besluit om te stoppen met afromen in de varkens- en pluimveehouderij is de afweging gemaakt dat deelname aan de beëindigingsregelingen Lbv en Lbv-plus er naar verwachting in zal resulteren dat de mestproductie in deze sectoren (op termijn) onder het betreffende sectorale plafond uitkomt. Uit de eerste kwartaalrapportage 2026 van de CBS-monitor fosfaat- en stikstofexcretie, die naar verwachting in juni gepubliceerd zal worden, zal blijken of dit ook het geval is en er vanuit de Meststoffenwet een grond is om afroming van dierrechten opnieuw in te voeren. De afroming bij overdracht van fosfaatrechten, buiten familieverband is nog steeds 30%.

27

Hoe beoordeelt de regering het delen van vertrouwelijke documenten met ngo’s en welke consequenties heeft dit gehad?

Antwoord

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft vragen van het lid Van der Plas in de Tweede Kamer der Staten-Generaal met gelijke strekking op 19 februari 2026 uitvoerig beantwoord (Kamerbrief 2025Z22545). Ik verwijs u naar de beantwoording van deze vragen.

28

Welke concrete stappen worden gezet om de visserijsector structureel toekomstperspectief te bieden?

Antwoord

In de Visie op voedsel uit zee en grote wateren (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1624) wordt een toekomstperspectief voor de visserijsector beschreven. De visie schetst een beeld van een robuuste visserij- en aquacultuursector die een regionaal, gezond en duurzaam product levert en een goede boterham verdient binnen de draagkracht van het ecosysteem. Ik werk met alle betrokken sectorpartijen en natuurorganisaties aan een Uitvoeringsagenda voor deze visie. Deze zal concrete acties van alle partijen bevatten om dit toekomstperspectief dichterbij te brengen. Ik verwacht deze uitvoeringsagenda op korte termijn aan de Tweede Kamer te kunnen toesturen. Daarnaast ondersteun ik de sector via innovatie- en investeringsregelingen en door het faciliteren van het Visserij Innovatie Netwerk (VIN). Het is aan de ondernemers om deze mogelijkheden te benutten. Dat vraagt moed en veerkracht, want de omstandigheden zijn niet eenvoudig.

Zoals aangegeven in de brief «acties weerbaarheid energieschok» (Kamerstuk, 36 933, nr. 1)), wil het kabinet sectoren op langere termijn weerbaarder en schokbestendiger maken. Hiertoe zal het kabinet in het derde kwartaal een energie-efficiëntieregeling voor de visserij openstellen. Daarnaast beziet het kabinet ook mogelijkheden onder het crisismechanisme onder het European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF) om zo de directe gevolgen van de stijgende brandstofprijzen te beperken tot het moment van openstelling van de energie-efficiëntie-regeling.

Zo draag ik via concrete maatregelen voor zowel de korte als lange termijn bij aan een toekomstperspectief voor de visserijsector.

29

Is de regering voornemens de Nationale ombudsman te verzoeken de visserijsector te betrekken bij het onderzoek of de overheid de afgelopen tien jaar betrouwbaar heeft gehandeld tegenover boeren?

Antwoord

De ombudsman is in 2025 een onderzoek gestart, gericht op de impact van het overheidsbeleid op het dagelijks leven van boeren. De ombudsman bepaalt zelf de inhoud en scope van dit onderzoek.

30

Welke maatregelen worden genomen om vissers te ondersteunen bij stijgende brandstofkosten?

Antwoord

Zoals in de kabinetsbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok» (kamerbrief 36 933, nr. 1) is aangegeven, zal in het derde kwartaal een energie-efficiëntieregeling worden opengesteld, waarvoor € 25 miljoen beschikbaar wordt gesteld op de LVVN-begroting.

Daarnaast wordt op dit moment bezien welke mogelijkheden er zijn onder het crisismechanisme van het European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF) om op korte termijn de sector te ondersteunen en de directe gevolgen te beperken tot aan de openstelling van de energie-efficiëntieregeling. Deze maatregelen worden momenteel nader met urgentie uitgewerkt.

31

Kan de regering een integrale analyse aanleveren van het verlies aan landbouwgrond, waarin tevens de economische consequenties en de impact op de voedselzekerheid worden meegenomen?

Antwoord

De ontwikkeling van het landbouwareaal en het natuurareaal in Nederland wordt reeds gemonitord door het CBS. Zoals ook is aangegeven in de beantwoording van vragen van het lid Van der Plas (BBB), heeft het kabinet twijfels over de toegevoegde waarde van een integrale economische analyse die zich uitsluitend richt op het verlies van landbouwproductie, omdat deze in belangrijke mate afhankelijk is van aannames over zowel productie als de waarde daarvan en de baten van alternatieve functies zoals natuur.

Daarnaast is het moeilijk om de effecten op voedselproductie en voedselzekerheid eenduidig vast te stellen, aangezien deze mede afhangen van toekomstige keuzes in het ruimtegebruik. Gelet op de omvang van de Nederlandse landbouwproductie en het feit dat een deel daarvan bestemd is voor export, is het niet waarschijnlijk dat de voedselzekerheid in Nederland hierdoor op korte termijn in gevaar komt. Daarbij geldt dat de Nederlandse voedselvoorziening mede is gebaseerd op import.

Het kabinet acht het wel van belang dat bij besluiten over de omzetting van landbouwgrond naar andere functies het belang van voedselproductie zorgvuldig wordt meegewogen.

32

Hoe verhouden de kosten van natuurbeheer zich tot de economische opbrengsten van voormalige landbouwgrond?

Antwoord

De gemiddelde kosten voor het beheer van natuurgebieden zijn ca. € 550 euro per hectare. De economische opbrengst is afhankelijk van bedrijfstype, grondsoort en teelt. Wageningen universiteit heeft berekend dat de inkomensderving van bijvoorbeeld een weidevogelbedrijf met een extensieve bedrijfsvoering varieert tussen de € 500,– en € 1.600,– per hectare is. Voor een extensief akkerbedrijf varieert dit tussen de € 100,– en € 1.800,– per hectare. Deze vergelijking kent beperkingen, omdat de kosten van natuurbeheer en de economische opbrengst van agrarisch gebruik verschillende typen waarden betreffen en daarom niet één-op-één vergelijkbaar zijn.

33

Is de regering bereid grootschalig in te zetten op mestvergisting voor groen gas, en welke rol ziet het voor overheidsinvesteringen?

Antwoord

Ik zie mestvergisting als onderdeel van een bredere aanpak in de reductie van methaanemissies, de productie van groen gas, mogelijkheid van reductie van ammoniakemissies in de keten en extra verdienvermogen voor de landbouw. Het kabinet stimuleert mestvergisting onder andere met de SDE++ (Kamerstuk 31 239, nr. 444) en in de komende jaren zal mestvergisting ook gestimuleerd gaan worden via de bijmengverplichting groen gas (Kamerstuk 32 813, nr. 1524). Met de 1e suppletoire begroting van LVVN heeft het kabinet voor 2026 additioneel € 6 miljoen beschikbaar gemaakt voor de stimulering van mestvergisting.

34

In de Europese Natuurherstelverordening is op Europees niveau bewust gekozen voor een inspanningsverplichting om lidstaten de nodige flexibiliteit te bieden bij de uitvoering. De regering lijkt in de uitwerking van het Nederlandse Natuurplan echter te koersen op harde resultaatverplichtingen, inclusief juridisch afrekenbare doelen voor specifieke soorten zoals weide- en akkervogels en insecten. Kan de regering rechtvaardigen waarom zij kiest voor deze nationale juridische verzwaring, die de weg vrijmaakt voor nieuwe juridische blokkades voor de agrarische sector en woningbouw, terwijl de Europese regelgeving hiertoe niet verplicht?

Antwoord

De Europese Natuurherstelverordening kent zowel inspannings- als resultaatverplichtingen. In de Natuurherstelverordening is het verslechteringsverbod voor bestaande habitattypen afgezwakt tijdens de onderhandelingen. Die verplichting is beperkt tot het nemen van maatregelen ter voorkoming van «significante verslechtering» en legt de nadruk op het nemen van maatregelen die dergelijke achteruitgang moeten voorkomen. Daarmee is er sprake van een inspanningsverplichting in plaats van een bindende resultaatverplichting, zoals aanvankelijk voorgesteld. Voor verschillende andere doelen gelden wel resultaatverplichtingen, zoals het stoppen van de achteruitgang van de bestuiverpopulatie in 2030 (artikel 8). Nederland houdt zich bij de uitvoering van de verordening, onder andere via het Natuurplan, aan de verplichtingen zoals deze voortkomen uit de Natuurherstelverordening. Er zullen dus geen aanvullende nationale restricties worden opgelegd. Wel geldt dat een geborgd systeem van (juridische) maatregelen en monitoring ingeregeld moet worden, ook voor de inspanningsverplichtingen.

35

Er is een aanzienlijke discrepantie tussen de wijze waarop Nederland de kwaliteit van natuurgebieden meet en de methodiek in onze buurlanden. Waar buurlanden zoals Duitsland werken met kortere soortenlijsten en een groter aandeel algemene soorten voor een «goede score», hanteert Nederland een extreem uitgebreide lijst met veel zeldzame soorten per gebied. Is de regering bereid om de Nederlandse beoordelingssystematiek en de gehanteerde soortenlijsten per direct in lijn te brengen met die van onze buurlanden, om te voorkomen dat de Nederlandse natuur onterecht als «slechter» wordt gekwalificeerd door een strengere nationale meetlat?

Antwoord

De Nederlandse beoordeling van de kwaliteit in natuurgebieden is niet wezenlijk anders dan in bijvoorbeeld Duitsland of België. De lijsten met typische soorten zijn in het Nederlandse «Profielendocument» ook niet wezenlijk langer dan die van de buurlanden. De veel uitgebreidere lijst waaraan in de waarschijnlijk wordt gerefereerd, bestaat uit zogenoemde «karakteristieke soorten». Deze hebben geen juridische status, zoals typische soorten wél hebben. Ze spelen dus geen rol in bijvoorbeeld vergunningverlening op gebiedsniveau. Ze zijn slechts bedoeld als voorlopig middel om de landelijke staat van instandhouding van habitattypen mee te bepalen voor zover het gaat om structuur en functie. Daarnaast wordt nog gewerkt aan een beoordelingsmethode om te kunnen bepalen of natuur zich in een «goede» of «niet-goede» toestand bevindt, zodat de beoordelingsmethode in lijn wordt gebracht met de Natuurherstelverordening. Daarbij zal terdege rekening worden gehouden met de verhouding tussen zeldzame en algemene soorten.

36

De Europese doelstelling voor beschermde natuur bedraagt 30 procent van het landoppervlak. Nederland koerst met de huidige plannen echter af op een beschermingsniveau van maar liefst 40 procent, wat een extra beslag van honderdduizenden hectares op de schaarse ruimte legt en direct ten koste gaat van minimaal een kwart van het huidige landbouwareaal. Waarom kiest de regering voor een nationaal ambitieniveau dat de Europese eis met een derde overstijgt, en waarom wordt er geen gebruik gemaakt van de Europese ruimte om bij de doelstellingen rekening te houden met de specifieke Nederlandse omstandigheden, zoals de extreme bevolkingsdichtheid en de druk op de ruimte?

Antwoord

De Natuurherstelverordening bevat per artikel/ecosysteem natuurherstelopgaves, gekoppeld aan verschillende doelen in de tijd. De nationale uitvoering van de NHV gaat niet verder dan wat Europa van ons vraagt. Bij de inzet voor het uitvoeren van de Natuurherstelverordening wordt, binnen de bestaande wettelijke kaders, ook een bredere afweging gemaakt met andere belangen zoals economie en ruimte. Op dit moment wordt onderzocht wat er tot 2030 nodig is om te voldoen aan deze herstelopgave. In het definitieve natuurplan zullen de maatregelen die daarvoor nodig zijn in beeld zijn gebracht, waarbij nauwe aansluiting wordt gezocht met de maatregelen die worden voorbereidt in de ministeriële taskforce.

37

Is de regering bekend met het feit dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse kottervloot momenteel noodgedwongen aan de kade blijft liggen? De huidige geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten hebben geleid tot een excessieve stijging van de brandstofprijzen, waardoor de bedrijfsvoering voor veel vissersvlootondernemingen op dit moment niet langer rendabel is? Welke stappen gaat de regering ondernemen om deze vissers te helpen?

Antwoord

Het kabinet heeft oog voor de economische impact van de gestegen brandstofprijzen op de visserijsector en acht het daarom van belang om in te zetten op brandstofbesparing en zo de weerbaarheid tegen toekomstige prijsfluctuaties te vergroten. Zoals in de kabinetsbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok» aangegeven, (Kamerbrief 36 933, nr. 1) zal het kabinet in het derde kwartaal een energie-efficiëntieregeling voor de visserij openstellen, waarvoor € 25 miljoen beschikbaar wordt gesteld op de LVVN-begroting. Daarnaast wordt op dit moment bezien welke mogelijkheden er onder het crisismechanisme van het European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF) zijn om de sector te ondersteunen en de directe gevolgen te beperken tot aan de openstelling van de energie-efficiëntieregeling. De Commissie heeft hiertoe de uitvoeringshandeling van het crisismechanisme onder het EMFAF gepubliceerd. Eventuele steunmaatregelen onder dit crisismechanisme worden momenteel met urgentie uitgewerkt.

38

De leden van de CDA-fractie memoreren de regering dat zij tegen de landbouwbegroting 2025 hebben gestemd, omdat de middelen voor de uitvoering van de doelen op het gebied van landbouwversterking, stikstofreductie en leefbaarheid in de regio tekortschoten. Een van de redenen was het schrappen van het Transitiefonds landelijk gebied met de begroting van 2025, waarmee miljarden euro’s wegvielen voor de verduurzaming en versterking van de landbouw.

Deze leden vragen zich af of de regering deze middelen voor 2026 wel beschikbaar stelt voor de uitvoering van de hierboven genoemde doelen. In hoeverre acht de regering de herintroductie van een soortgelijk fonds behulpzaam voor de uitvoering van de doelen in het landelijk gebied?

Antwoord

Het kabinet vindt het van groot belang dat snel wordt gestart met de opgaven voor de landbouw, stikstof en natuur. Voor deze opgaven was in het verleden ingezet op een begrotingsfonds, namelijk het Transitiefonds Landelijk Gebied en Natuur. Een begrotingsfonds is bedoeld om de uitgaven en inkomsten op de begroting te beheren, los van de reguliere begroting. De inzet van een begrotingsfonds zoals het Transitiefonds Landelijk Gebied en Natuur kan daarmee bijdragen aan doelbereik in het landelijk gebied, mits deze doelstellingen expliciet zijn opgenomen in de wettelijke bepalingen van het begrotingsfonds en er voldoende financiële middelen in het begrotingsfonds zijn opgenomen. Het opzetten van een vergelijkbaar begrotingsfonds kost tijd en vereist het doorlopen van een langdurig wetgevingstraject.

Er zijn ook andere manieren om een fonds op de begroting te verwerken die middelen duidelijk reserveren voor de opgaven voor de landbouw, stikstof en natuur. Hiervoor stelt het kabinet € 20 mld. beschikbaar in de periode 2026–2035. Voor het jaar 2026 is een deel hiervan (€ 150 mln.) al beschikbaar gesteld op de begroting van LVVN om een begin te maken. Later zullen de Kamers geïnformeerd worden over de verdeling van de resterende middelen en de begrotingstechnische verwerking van het fonds.

39

Deze leden constateren dat de regering meerdere miljarden heeft gereserveerd onder de post «Reservering agrarische sector en agrarisch natuurbeheer». Kan de regering aangeven waar dit bedrag vandaan is overgeheveld naar de begroting van LVVN? De regering schrijft dat zodra maatregelen uit de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN) verder zijn afgerond, de middelen bij een volgende begrotingswijziging naar de beleidsartikelen worden overgeheveld. Kan de regering, in het licht van de recente Kamerbrief, al meer duiden hoe de gereserveerde middelen kunnen worden ingezet in de uitvoering van de opgaven in het landelijk gebied? Kan de regering in elk geval aangeven op basis van welke verwachte (uitvoerings)kosten de gereserveerde bedragen zijn opgenomen?

Antwoord

De middelen van het vervolgpakket zijn destijds vanaf de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën toegevoegd aan de LVVN-begroting. Het kabinet heeft besloten de middelen die bestemd waren voor de MCEN-maatregelen om te buigen. De reeksen voor Reservering agrarische sector en agrarisch natuurbeheer zijn niet meer beschikbaar op de LVVN-begroting. Dit is budgettair verwerkt in de 1e suppletoire begroting 2026. In plaats daarvan heeft het kabinet een stikstoffonds aangekondigd met een omvang van € 20 mld. Deze middelen staan op de Aanvullende Post van de Minister van Financiën. De inzet van het stikstoffonds wordt momenteel uitgewerkt, ik verwacht in de Ontwerpbegroting 2027 nadere duiding te kunnen geven van de maatregelen die worden uitgevoerd in het kader van de stikstofaanpak.

40

Bovendien constateren deze leden dat er wordt voorgesteld om in de periode 2026–2028 600 miljoen euro extra vrij te maken voor regionale maatwerkaanpak op de Veluwe en de Peel. Kan de regering toelichten in hoeverre dit voldoende middelen zijn voor de uitvoering van de geplande maatwerkaanpak aldaar? In hoeverre is de regering van plan om deze maatwerkaanpak te kopiëren naar andere regio’s, indien de uitvoering geslaagd blijkt? Om te beoordelen of de uitvoering van de gestelde doelen bereikt worden, vragen deze leden wanneer er volgens de regering in deze gebieden sprake is van een geslaagde regionale maatwerkaanpak.

Antwoord

De 600 miljoen euro wordt ingezet voor stikstofreductie, natuurbehoud- en herstel en hydrologisch herstel. Met oog voor perspectief van agrarische ondernemers en vanuit uitvoeringsplannen die Rijk en regio samen hebben opgesteld. Dit is een belangrijke stap voor het weer op gang kunnen brengen van vergunningverlening voor verduurzaming en daarna ook verdere maatschappelijke en economische ontwikkeling van het gebied. De inzet van 600 miljoen euro zorgt voor een stevige start, maar is niet voldoende om tot afdoende natuurherstel te komen om vergunningverlening weer op gang te brengen. Hiervoor zijn aanvullende maatregelen en middelen nodig waaraan wordt gewerkt vanuit de generieke en gebiedsgerichte aanpak in de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.

In 2025 hebben Rijk en de drie medeoverheden de keuze gemaakt om focus te leggen op vijf gebieden met gestapelde opgaven: de Veluwe, de Peel, het Groene Hart (incl. Laag-Holland), Noordwest-Overijssel, en Hart van het Noorden. Hier werkt het Rijk actief samen met medeoverheden aan het versterken en versnellen van de uitvoering. Op 27 maart (Kamerbrief 36 800, nr. 80) heeft het kabinet aangegeven deze gestarte interbestuurlijke en gebiedsgerichte aanpak in vijf prioritaire gebieden voort te zetten. Daarnaast zet het kabinet ook de aanpak in de twee economische clusters Brainportregio en Rotterdamse Haven voort. Verdere invulling is onderdeel van de besluitvorming in de Ministeriele Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof waarover uw Kamer voor de zomer nader wordt geïnformeerd.

Het uiteindelijke doel van de aanpak in deze gebieden is het realiseren van een robuuste natuur en een vitaal landelijk gebied. In de uitvoeringsplannen wordt de monitoring uitgewerkt om goed zicht te hebben op de voortgang, zowel op realisatie van de maatregelen als op doelbereik. Deze monitoring zal ook gebruikt worden om adaptief te programmeren of waar nodig lopende maatregelen bij te sturen. Uw Kamer zal hier jaarlijks over worden geïnformeerd als onderdeel van de voortgangsrapportage prioritaire gebieden

41

Daarnaast vragen deze leden de regering of zij een overzicht beschikbaar heeft hoe de beschikbare middelen voor de uitvoering van de doelen voor landbouw- en natuurversterking over alle twaalf provincies verdeeld worden? Zou de regering bereid zijn om een dergelijk overzicht te delen, dan wel op te stellen?

Antwoord

Zoals aangegeven bij 39 heeft het Kabinet besloten de middelen die bestemd waren voor de MCEN-maatregelen om te buigen. De betreffende middelen voor landbouw- en natuurversterking zijn niet meer beschikbaar op de LVVN-begroting. De inzet van het stikstoffonds wordt momenteel uitgewerkt, ik kan zodoende nu nog geen nadere duiding geven over middelen voor de twaalf provincies.

42

Deze leden constateren dat de uitvoering van de natuurhersteldoelen in hoogveengebieden steeds complexer wordt. Deze leden zien dat het belang van drinkwaterwinning strijdig is met het natuurherstel van het hoogveengebied Wierdense veld. Deze leden zijn benieuwd naar de voortgang van de uitvoering van de natuurdoelstellingen in dit N2000 gebied. Kan de regering deze leden informeren in welke mate zij daar contact over heeft met de provincie Overijssel? Heeft de provincie Overijssel bij de regering aan de bel getrokken over de tegengestelde doelen in het Wierdenseveld? Kan de regering aangeven hoe zij in 2025 hiermee is omgegaan? In hoeverre heeft de regering voldoende middelen beschikbaar in de begroting voor 2026 om de natuurdoelen in hoogveengebieden uit te voeren?

Antwoord

Er is gedurende het jarenlange proces van voorbereiding van het beheerplan voor het Wierdense Veld regelmatig overleg geweest met de provincie over de noodzakelijke maatregelen. LVVN is in dat kader in 2025 betrokken bij de keuze tussen de verschillende scenario’s. Daarbij bleek dat het belang van de drinkwaterwinning door de provincie op een juiste manier was meegenomen in de afwegingen voor de te nemen maatregelen om verslechtering tegen te gaan en de instandhoudingsdoelstellingen te halen.

De middelen voor de maatregelen die nodig zijn voor de Overijsselse hoogveengebieden komen uit het Natuurpact en het Programma Natuur.

43

Daarnaast constateren deze leden dat het steeds lastiger wordt om de gestelde natuurdoelen met betrekking tot hoogveen in combinatie met waterwinning uit te voeren en te behalen. In dit licht hebben deze leden kennisgenomen van de aangenomen motie-Van der Plas in de Tweede Kamer die oproept tot een haalbaarheidsonderzoek van de natuurdoelen in de Engbertsdijksvenen.16 In hoeverre ziet de regering een verzwaring van de uit te voeren natuuropgaven in N2000-gebieden, zoals de Engbertsdijksvenen ten opzichte van het moment van aanwijzing tot N2000-gebied? Wat zijn de gevolgen hiervan voor de uitvoering en in hoeverre heeft de regering hiervoor voldoende financiële middelen beschikbaar? Indien de doelen voor het Wierdense Veld en de Engberdijksvenen niet haalbaar of uitvoerbaar blijken, welke consequenties verbindt de regering daaraan voor de actualisering en herijking van de natuurdoelen in Natura 2000-gebieden?

Antwoord

De natuuropgaven voor de Engbertsdijksvenen zijn ten opzichte van het moment van aanwijzen als Natura 2000-gebied niet verzwaard. De instandhoudingsdoelstellingen, zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit, zijn namelijk niet veranderd. Het was aan de provincie, als voortouwnemer, om die doelstellingen nader uit te werken in omvang, ruimte en tijd, en om daar consequenties aan te verbinden voor noodzakelijke maatregelen. Dat geldt ook voor andere hoogveengebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Omdat er geen sprake is van verzwaring, zijn er dus ook geen gevolgen.

Het is mij niet gebleken dat de doelen voor het Wierdense Veld en de Engbertsdijksvenen niet haalbaar of uitvoerbaar zouden zijn. Speculatie over mogelijke consequenties in hypothetische situaties helpt de gebiedsprocessen niet. Het is juist belangrijk om nu duidelijkheid te bieden voor alle betrokkenen.

44

Door capaciteitsproblemen verschuift de NVWA verder van producttoezicht naar systeem- en ketengericht toezicht, al dan niet via private kwaliteitssystemen, en gaat het meer uit van de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven. Acht de regering het wenselijk dat hiermee meer verantwoordelijkheid bij de markt zelf wordt gelegd, in plaats van te investeren in stevig toezicht met fysieke controles ter plaatse?

Antwoord

De NVWA werkt al jaren samen met Private Controle Systemen (PCS) die zelfregulering ondersteunen én aantoonbaar naleving van wet- en regelgeving door hun deelnemers borgen. Resultaten van monitoringscontroles maken het mogelijk om te beoordelen of een PCS van meerwaarde is voor het toezicht van de NVWA en of er redenen zijn voor het inregelen van aangepast toezicht.

45

De leden van de fractie van de PvdD, mede namens de leden van de fractie van de SP vragen de regering of en op welke wijze voorzien is in uitbreiding van de handhavingscapaciteit bij de NVWA. Op 2 april 2026 erkende de NVWA dat de naleving bij veeverzamelcentra «belabberd en beroerd» is. Veehandelaren die de regels voor dierenwelzijn overtreden, ondervinden daar vaak weinig gevolgen van.

De NVWA deelt wel boetes uit, maar geeft zelf aan dat de naleving in deze sector zeer slecht is. De NVWA erkent dat de sector structureel de grenzen van de wet opzoekt, maar ziet geen directe oplossing.

Datzelfde geldt voor situaties waarin veehouders hun buiten gehouden dieren niet adequaat beschermen tegen bijvoorbeeld roofdieren zoals wolven. De NVWA heeft een recidiverende veehouder pas in 2024 voor het eerst een waarschuwing gegeven wegens uitblijvende verbetering in de bescherming van zijn dieren, hoewel de wettelijke plicht om gehouden dieren te beschermen al langdurig en op grote schaal overtreden wordt.

Uit de meest recente rapportage van Bij 12 bleek dat in gevallen waarin schapen werden aangevallen door wolven, in bijna 90% van de gevallen niet adequaat beschermd werden door de veehouders.

Nu de discussie over co-existentie met de wolf steeds heviger wordt, zou het voor de hand liggen dat de NVWA meer capaciteit krijgt op het gebied van toezicht en handhaving. Deze leden zien daar in de LVVN-begroting (te) weinig van terug. Kan de regering aangeven hoe, wanneer en in welke mate de capaciteit van de NVWA zal worden uitgebreid om misstanden in toezicht en handhaving zoals gesignaleerd te verbeteren?

Antwoord

De NVWA ziet toe op een grote diversiteit aan toezichtgebieden en onder toezicht gestelden. Binnen de toegekende capaciteit betekent dit dat er altijd keuzes gemaakt zullen moeten worden in waar de capaciteit moet worden ingezet. Dit vraagt bovenal slimme, doelmatige en efficiënte inzet van mensen en middelen. Ik richt me daarbij op een 3-tal pijlers, nl. a) risico’s aan de voorkant voorkomen (preventie), b) het verhogen van de pakkans en c) het ontmoedigen van overtreding of recidive via een afdoende sanctionering (afschrikken). Dit vertaalt zich o.a. in de doorontwikkeling naar een data-gedreven, risicogerichte toezichtstrategie, waarbij slim gebruik gemaakt wordt van innovatieve technieken die de slagkracht van de verder NVWA vergroten (bijv. cameratoezicht).

46

Kan de regering in een tijdpad aangeven wanneer niet-naleving van de beschermingsplicht tegen roofdieren door veehouders niet langer zal resulteren in waarschuwingen, maar in sancties die leiden tot aantoonbare gedragsverandering?

Antwoord

De NVWA richt haar toezicht nu op situaties waarbij regelmatige aanvallen door wolven hebben plaatsgevonden waartegen de houder onvoldoende beschermingsmaatregelen heeft genomen. Dit in afwachting van de nadere invulling van de norm voor bescherming tegen wolven. De interventie wordt bepaald per situatie en kan bestaan uit bijvoorbeeld een officiële waarschuwing of bestuurlijke boete. Waarschuwingen kunnen ook tot aantoonbare en gewenste gedragsveranderingen leiden. Als na een waarschuwing bij herinspectie niet voldoende beschermingsmaatregelen zijn getroffen, zal in ieder geval een zwaardere interventie dan een waarschuwing volgen.

47

Is de regering bereid die gedragsverandering naar aanleiding van verbeteren van toezicht en handhaving te monitoren en de resultaten daarvan met de Kamer te delen?

Antwoord

De NVWA kan in 2027 een overzicht delen van het aantal uitgevoerde (her)inspecties in relatie tot geboden bescherming van gehouden dieren tegen wolven, de resultaten daarvan en de gegeven interventies.

Naar boven