36 800 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026

J VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 8 juli 2026

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over onderzoek naar en tegengaan van desinformatie bij de publieke omroep. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • • De uitgaande brief van 24 december 20025.

  • • De antwoordbrief van 6 juli 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Graag

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Den Haag, 24 december 2026

De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) hebben met belangstelling kennisgenomen van uw reactie op het motie- en toezeggingenrappel2 en de Mediabegrotingsbrief 2026.3 De leden van de fractie van het CDA hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen die betrekking hebben op twee openstaande toezeggingen: Toezegging onderzoek naar desinformatie bij de publieke omroep (T03080)4 en Toezegging tegengaan desinformatie publieke omroep (T03480).5 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, 50PLUS, OPNL, de Fractie-Walenkamp en de Fractie-Van de Sanden sluiten zich bij de vragen en opmerkingen aan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De fractieleden van het CDA hebben kennisgenomen van de Mediabegrotingsbrief 2026, meer in het bijzonder de passage over de toezeggingen T03080 en T03480 over het tegengaan van desinformatie bij de publieke omroep. In deze brief geeft u het volgende aan:

«Het is voor mij ongemakkelijk om te spreken van «desinformatie» bij de publieke omroep, aangezien daarmee de stap naar een oordeel over de inhoud van journalistiek te dichtbij komt. Wel kan ik melden dat ik momenteel werk aan het versterken van de journalistieke functie bij de publieke omroep, zoals ook vermeld in de voornoemde brief aan de Tweede Kamer van 4 april jl. Een voorstel voor eventuele maatregelen zal met de Tweede Kamer worden gedeeld zodra het wetsvoorstel waarin de hervorming van de landelijke publieke omroep wordt behandeld in de Eerste Kamer, daarin zal niet worden ingegaan op deze specifieke toezeggingen. De toezeggingen beschouw ik dan ook als afgedaan.»6

De fractieleden van het CDA betreuren uw reactie. Zij zijn van mening dat desinformatie onjuiste of misleidende informatie is, die bewust wordt verspreid, met als doel mensen te beïnvloeden, te misleiden of te manipuleren. Dat is iets anders dan inbreuk maken op de journalistieke functie van de omroep (waarover genoemde leden overigens geen klachten hebben) zoals u in uw reactie stelt.

Volgens de fractieleden van het CDA is desinformatie schadelijk voor de samenleving en voor de democratische rechtsstaat. Op feiten gebaseerde en toegankelijke informatie is en blijft een groot goed dat de overheid dient te beschermen, aldus deze leden. Met grote bezorgdheid signaleren zij een sterke groei van desinformatie als gevolg van (met name) verspreiding via sociale media. Daarom stellen zij de navolgende vragen.

Deelt u de visie van de fractieleden van het CDA dat desinformatie (die bewust wordt verspreid) schadelijk is en niet bijdraagt aan zorgvuldige meningsvorming binnen de samenleving? Zo nee, waarom niet?

Deelt u het standpunt van de fractieleden van het CDA dat desinformatie (die bewust wordt verspreid) steeds grotere vormen aanneemt en daarmee een steeds grotere bedreiging vormt? Zo nee, waarom niet?

De fractieleden van het CDA zijn van mening dat juist de publieke omroep die wordt betaald uit gemeenschapsgelden aan alle kanten moet voorkomen dat zij desinformatie (bewust) verspreidt. De burgers moeten ergens een bron hebben waar ze op kunnen vertrouwen, aldus deze leden. Zij vragen hoe u hier tegenaan kijkt.

Volgens deze leden zou het goed zijn wanneer aan de publieke omroep uitdrukkelijk de opdracht wordt gegeven betrouwbare en geverifieerde informatie te leveren. Daarnaast zou het goed zijn wanneer de omroep beschikt over een methode om desinformatie (die bewust wordt verspreid) te toetsen en de verspreiding van desinformatie te bestrijden. De fractieleden van het CDA vragen of u deze visie deelt. Zo nee, waarom niet?

In het vervolg daarop dienen de toezichthoudende organen expliciet het recht te hebben om stevig in te grijpen, mocht één van de omroepen binnen het Nederlandse omroepstelsel desinformatie (bewust) verspreiden, zo stellen de fractieleden van het CDA. Zij vragen wat uw standpunt hierover is.

De fractieleden van het CDA zijn benieuwd naar uw antwoorden. Kunt u toezeggen dat in gesprekken met de publieke omroep en in komende wet- en regelgeving hier expliciet aandacht aan wordt besteed?

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen zes weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Th.W. Rietkerk

BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 juli 2026

Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen in uw brief van 24 december 2025 betreffende de toezegging onderzoek naar desinformatie bij de publieke omroep (T03080) en toezegging tegengaan desinformatie publieke omroep (T03480).

Dit is een extra toelichting naast het antwoord van mijn ambtsvoorganger bij deze toezeggingen in de mediabegrotingsbrief 2026 van 14 november 2025 met kenmerk 36 800-VIII, nr. 16.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert

Antwoorden op vragen in de brief van 24 december 2025 met kenmerk 179313 betreffende de toezegging onderzoek naar desinformatie bij de publieke omroep (T03080) en toezegging tegengaan desinformatie publieke omroep (T03480).

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA.

Vraag 1

Deelt u de visie van de fractieleden van het CDA dat desinformatie (die bewust wordt verspreid) schadelijk is en niet bijdraagt aan zorgvuldige meningsvorming binnen de samenleving? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Ja. Het kabinet hanteert als definitie van desinformatie «het doelbewust, veelal heimelijk, verspreiden van misleidende informatie, met het doel om schade toe te brengen aan het publieke debat, democratische processen, de open en kenniseconomie of volksgezondheid».7 Wanneer de verspreiding van desinformatie effectief wordt ingezet, dan draagt dit inderdaad niet bij aan een zorgvuldige meningsvorming binnen de samenleving.

Vraag 2

Deelt u het standpunt van de fractieleden van het CDA dat desinformatie (die bewust wordt verspreid) steeds grotere vormen aanneemt en daarmee een steeds grotere bedreiging vormt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Het kabinet ziet desinformatie als een bedreiging voor het publieke debat. Het kabinet wil meer zicht op de verspreiding van desinformatie en of dit wordt verspreid als beïnvloedingstechniek van statelijke actoren. Daarom werkt het kabinet, onder coördinatie van het Ministerie van BZK, aan wetgeving en de inrichting van een organisatie die buitenlandse desinformatie gericht op ondermijning van de democratische rechtsstaat structureel kan detecteren. Daarnaast voert een consortium een onderzoek uit onder leiding van de Wageningen Universiteit (WUR) naar de impact van desinformatie op de Nederlandse situatie. Het onderzoek richt zich op de gevolgen van desinformatie, interventies die bijdragen aan een inclusieve publieke ruimte en technologische ontwikkelingen die de verspreiding van desinformatie, maar ook bestrijding ervan, kunnen beïnvloeden. De resultaten van dit onderzoek worden in september 2026 verwacht. Eind 2026 informeert het kabinet uw Kamer over de stand van zaken op zowel het detectieorgaan als op de onderzoeksresultaten.

Vraag 3

De fractieleden van het CDA zijn van mening dat juist de publieke omroep die wordt betaald uit gemeenschapsgelden aan alle kanten moet voorkomen dat zij desinformatie (bewust) verspreidt. De burgers moeten ergens een bron hebben waar ze op kunnen vertrouwen, aldus deze leden. Zij vragen hoe u hier tegenaan kijkt.

Vraag 4

Volgens deze leden zou het goed zijn wanneer aan de publieke omroep uitdrukkelijk de opdracht wordt gegeven betrouwbare en geverifieerde informatie te leveren. Daarnaast zou het goed zijn wanneer de omroep beschikt over een methode om desinformatie (die bewust wordt verspreid) te toetsen en de verspreiding van desinformatie te bestrijden. De fractieleden van het CDA vragen of u deze visie deelt. Zo nee, waarom niet?

Vraag 5

In het vervolg daarop dienen de toezichthoudende organen expliciet het recht te hebben om stevig in te grijpen, mocht één van de omroepen binnen het Nederlandse omroepstelsel desinformatie (bewust) verspreiden, zo stellen de fractieleden van het CDA. Zij vragen wat uw standpunt hierover is.

Vraag 6

De fractieleden van het CDA zijn benieuwd naar uw antwoorden. Kunt u toezeggen dat in gesprekken met de publieke omroep en in komende wet- en regelgeving hier expliciet aandacht aan wordt besteed?

Antwoord op 3, 4, 5, 6:

Gelet op de aard van de vragen van de leden van de CDA-fractie heb ik gemeend dat ik de vragen 3 tot en met 6 beter in samenhang kan beantwoorden zodat deze leden een goed beeld krijgen van de opvattingen van de regering.

De regering is het volledig met de leden van de CDA-fractie eens dat de publieke omroep een betrouwbare bron van informatie dient te zijn. Goed en betrouwbaar media-aanbod is het fundament van de publieke omroep. Het bieden van onafhankelijke, betrouwbare en objectieve informatie die voldoet aan hoge journalistieke ethische principes en kwaliteitsnormen is dan ook een wettelijke kerntaak van de publieke omroep. Het is een groot goed dat de sector zelf zeggenschap heeft over wat kwalitatief goed informatieaanbod en in het bijzonder journalistieke berichtgeving is en dat er een grote mate van zelfregulering is. Op grond van internationaal aanvaarde en in onze Grondwet verankerde democratische rechtsstatelijke beginselen dient de overheid zich immers te onthouden van inhoudelijke bemoeienis met meningsuiting. Dat geldt ook voor programmering van de publieke omroep. Het gegeven dat de publieke omroep een publieke taak heeft en gefinancierd wordt met overheidsgelden, geeft op zichzelf namelijk geen legitimatie voor een uitzondering op die grondprincipes.

Dat neemt niet weg dat er ter uitwerking van de publieke mediaopdracht eisen en verplichtingen aan de publieke omroep kunnen worden opgelegd, ook ten aanzien van zijn journalistieke taak. Het is begrijpelijk en aanvaardbaar dat men vanwege de essentiële functie die de publieke omroep in de samenleving vervult zekere garanties wenst voor een goede uitoefening van die functies. De eigen verantwoordelijkheid van de sector voor het bedrijven van verantwoorde journalistiek is immers niet vrijblijvend. De waarde van een geloofwaardige publieke omroep in een democratische samenleving is daarvoor te cruciaal. In het feit dat de waarborgen voor goede journalistiek binnen de publieke omroep kwetsbaar zijn gebleken, ziet de regering aanleiding om de werking van zelfregulerende mechanismen te verbeteren. In de voorgenomen wetgeving voor de hervorming van het publieke omroepbestel worden de journalistiek code, de redactiestatuten en de positie van de ombudsman binnen de publieke omroep als geheel verstevigd. Ook wil de regering voorzien in adequaat extern toezicht wanneer structureel tekort wordt geschoten in de naleving van wettelijke en journalistieke normen, met inachtneming van de constitutionele bescherming van de persvrijheid. Speerpunten daarbij zijn een duidelijker bevoegdheidstoedeling aan het Commissariaat voor de Media als toezichthouder en een versterkt instrumentarium om in te grijpen. Ik voer daarover intensieve gesprekken met stakeholders, waaronder de publieke omroep, de ombudsman voor de publieke omroep en het Commissariaat.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Jaspers (BBB), Karaaslan(D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Van Knapen (BBB), Lagas (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Rietkerk (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 36 800 VIII, A

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 36 800 VIII, B

X Noot
6

Kamerstukken I 2025/26, 36 800 VIII, B, p. 24

X Noot
7

Kamerstukken II, 2022–2023, 30 821, nr. 173

Naar boven